direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hof van Lucard
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

Het voornemen is om aan de noordoostzijde van Nieuwe-Tonge een nieuwe woonwijk te realiseren met maximaal 150 woningen. Het plangebied grenst aan de percelen aan de Burgemeester Overdorpstraat. De gronden bestaan hoofdzakelijk uit akkerbouwgronden en zijn bestemd voor agrarische activiteiten. Om de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk mogelijk te maken, dienen de bestemmingen te worden gewijzigd. Dit bestemmingsplan voorziet in het planologisch mogelijk maken van de nieuwe woonwijk.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de noordoostzijde van Nieuwe-Tonge. Tussen de achterzijde van de percelen aan de Burgemeester Overdorpstraat en de Molendijk zijn agrarische gronden gelegen. Het westelijk deel van dit gebied betreft het plangebied. Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen:

  • TGE00, sectie E, perceelnummer 262
  • TGE00, sectie E, perceelnummer 261 (westelijk deel)
  • TGE00, sectie E, perceelnummer 255
  • TGE00, sectie A, perceelnummer 1.829

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0001.png"

Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: PDOK, bewerking Juust)

1.3 Doel

Het doel van dit bestemmingsplan is het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit nog vier hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Het project

2.1 Beschrijving project

2.1.1 Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit agrarische gronden met enkele watergangen. Ten zuiden van het plangebied is opgaand groen / een bosje aanwezig met wandelpaden. Dit zal behouden blijven. Wel wordt er ruimte gemaakt voor een nieuwe ontsluiting van Nieuwe-Tonge. Deze ontsluiting verbindt de Hertog Jan van Beierenlaan met de Oudelandsedijk. Deze nieuwe ontsluiting wordt in het kader van de reconstructie van de N215 gerealiseerd. De nieuwe ontsluiting is reeds in het 'Veegplan 2018' planologisch mogelijk gemaakt en valt buiten het plangebied van dit bestemmingsplan.

Aan de westkant van het plangebied zijn de woonpercelen aan de Burgemeester Overdorpstraat gelegen. Dit betreffen vrijstaande woningen. De achterzijde van deze woonpercelen grenst aan een watergang. Deze zal behouden blijven.

De noordzijde van het plangebied grenst aan de percelen aan de Molendijk. Het perceel Molendijk 70 is in het plangebied meegenomen. Aan de oostzijde zijn agrarische gronden aanwezig die behouden blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0002.png"

Afbeelding 2 | Huidige situatie plangebied (bron: GoogleMaps)

2.1.2 Toekomstige situatie

Integraal ontwerp

Op basis van de bestaande stedenbouwkundige en landschappelijke structuren is er een integraal ontwerp gemaakt voor de uitbreiding van Nieuwe-Tonge aan de oostzijde van de kern. De historische kreek wordt weer teruggebracht. De woningbouw wordt in fases ontwikkeld voortbordurend op de opbouw van Nieuwe-Tonge met woningbouwontwikkelingen vanaf 1920.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0003.png"

Afbeelding 3 | Opbouw van Nieuwe-Tonge waarbij steeds uitbreiding heeft plaatsgevonden tussen de groene lijnen (bron: Beeldkwaliteitsplan Hof van Lucard, Estate Invest)

Het gehele gebied is op te delen in drie zones: de meest oostelijke zone betreft de buitenrand van het dorp, zone II voorziet in een mogelijke toekomstige uitbreiding van zone III (zie afbeelding 4). Onderhavig bestemmingsplan omvat de ontwikkeling van zone III. Op het moment dat invulling wordt gegeven aan de andere zones, zal hiervoor een aparte planologische afweging worden gemaakt en een aparte planologische procedure voor worden doorlopen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0004.png"

Afbeelding 4 | Zonering 'stedenbouwkundig' plangebied (bron: Beeldkwaliteitsplan Hof van Lucard, Estate Invest)

Passend woningaanbod
De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een woonwijk met 150 woningen. Van deze 150 woningen worden reeds 15 woningen mogelijk gemaakt in het geldende bestemmingsplan 'Nieuwe-Tonge'. Het perceel Molendijk 70 maakt eveneens deel uit van het plangebied. Op dit perceel is reeds een bestaande woning aanwezig. Met onderhavig bestemmingsplan worden maximaal 134 woningen toegevoegd aan de reeds aanwezige bouwrechten en bestaande woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0005.png"

Afbeelding 5 | Indicatieve inrichtingstekening (bron: Estate Invest)

De nieuwe woonwijk wordt aan de oostkant van Nieuwe-Tonge gerealiseerd waarmee de oostelijke bebouwingsgrens op een natuurlijke wijze opschuift richting het oosten. De woningen bestaan uit grondgebonden woningen in verschillende bebouwingstypes: rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen, vrijstaande woningen en een appartementengebouw. Er wordt voorzien in zowel koopwoningen als huurwoningen. Ook worden er starterswoningen en levensloopbestendige woningen voor gezinnen en voor een- of tweepersoonshuishouden gerealiseerd. Daarmee is er sprake van een gevarieerd woningaanbod. De woonwijk zal gefaseerd worden ontwikkeld. Het aantal woningen per fase zal afhangen van de marktvraag van dat moment.

Aan de westzijde van het plangebied worden voornamelijk rijwoningen gerealiseerd. Tussen de clusters met rijwoningen worden zogenaamde parkeerkoffers aangelegd. Hierdoor worden in de straat zelf minder parkeerplaatsen aangelegd en blijft het zicht op auto's in het straatbeeld beperkt. In het middendeel is er een grotere variatie aan woningtypes aanwezig. De rijwoningen worden afgewisseld met twee-onder-één-kapwoningen, (kleine) rijtjes met woningen en enkele vrijstaande woningen. Aan de oostzijde worden hoofdzakelijk vrijstaande woningen gerealiseerd. Hiermee vindt er vanaf de bestaande dorpsrand richting de agrarische percelen in het oosten een verdunning van bebouwing plaats en is er sprake van een geleidelijke overgang van dorpsbebouwing naar de groene agrarische zone tussen het dorpsgebied en de Provinciale weg N215. Om binnen het plan ook te kunnen voorzien in levensloopbestendige woningen en seniorenwoningen worden in de zuidoosthoek van het plangebied appartementen gerealiseerd in de vorm van een kleinschalig appartementengebouw (maximaal 2 bouwlagen met kap).

Om te komen tot een passend woningaanbod zullen er in deze initiële fase van het plan Hof van Lucard van de geprojecteerde woningen 20 huurwoningen in het sociale segment worden gerealiseerd. Daarnaast zullen er nog 10 tot 20 huurwoningen worden gerealiseerd in het segment van de middeldure huur of vrije sector huur. In Bijlage 1 zijn de verschillende woningtypen op de inrichtingsschets weergegeven om een beeld te geven van de mogelijke woningdifferentiatie binnen het plangebied.

De architectuur van de woningen wordt nog verder uitgewerkt. Hiertoe is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan is in Bijlage 2 toegevoegd aan deze toelichting.

Groene ruimte
Opvallend in het gebied is de doorsnijding met een grote groene openbare ruimte. De bestaande watergang, gelegen in het verlengde van de Weistraat en tussen de percelen Burgemeester Overdorpstraat 37 en 39 wordt doorgetrokken in het plangebied. Hiermee wordt een ruimtelijke verbinding gemaakt met het bestaande bebouwde gebied. Deze watergang is een overblijfsel van een oude kreekstructuur die aanwezig was (zie afbeelding 4). De wens is om deze kreekstructuur te herstellen. De watergang wordt daarom doorgetrokken in het plangebied met de mogelijkheid om deze in de toekomst nog verder richting het oosten aan te leggen. Door in het midden de watergang te verbreden tot een waterpartij met een grote groene openbare ruimte en diverse wandelpaden, ontstaat er een robuuste groenstructuur in de vorm van een parkje.

De straat in het verlengde van de nieuwe ontsluiting vanaf de Oudelandsedijk vormt de hoofdontsluiting van de nieuwe wijk. Deze straat krijgt een breed profiel waardoor er ruimte is voor een groene invulling met een brede groenstrook met bomen aan de oostzijde van de straat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0006.png"

Afbeelding 6 | Historische kaart 1925 (bron: Atlas van Zeeland)

Ontsluiting en parkeren
De hoofdontsluiting van de wijk wordt aangesloten op de nieuwe ontsluiting van Nieuwe-Tonge ter plaatse van de Oudelandsedijk in het verlengde van de Hertog Jan van Beierenlaan. Daarmee wordt het verkeer direct op de hoofdontsluiting ontsloten richting de Langeweg / N215. Aan de noordwestzijde wordt een extra verkeersverbinding aangelegd welke aansluit op de Burgemeester Overdorpstraat ter hoogte van de Kerkstraat.

Het parkeren bij de rijwoningen vindt in de openbare ruimte plaats. Bij de twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen is er ruimte om ook op eigen terrein te parkeren. Bij de rijwoningen aan de westzijde en zuidzijde worden zogenaamde parkeerkoffers aangelegd. Dit zijn kleine parkeerterreintjes tussen de clusters met rijwoningen. Hiermee hoeven in de straat minder parkeerplaatsen te worden aangelegd waardoor er minder auto's in het straatbeeld aanwezig zijn en er meer ruimte is voor een groene invulling.

2.2 Juridische regeling

2.2.1 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Nieuwe-Tonge' van de gemeente Goeree-Overflakkee. Dit bestemmingsplan is op 18 maart 2014 door de gemeenteraad vastgesteld. Op 3 maart 2016 is het bestemmingsplan opnieuw vastgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 23 december 2015 (bestuurlijke lus). De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Agrarisch met waarden - 1'. Op het westelijk en noordelijk deel is de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 3' opgenomen. Deze wijzigingsbevoegdheid voorziet in de mogelijkheid om de bestemmingen te wijzigen in de bestemmingen 'Wonen', 'Tuin', 'Groen', 'Agrarisch met waarden -1' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' ten behoeve van de ontwikkeling van maximaal 75 woningen.

Op het oostelijke deel is de gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 5' opgenomen voor het wijzigen van de bestemming ten behoeve van de realisatie van één landgoed met maximaal drie wooneenheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0007.png"

Afbeelding 7 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)

2.2.2 Planuitwerking

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de randvoorwaarden van de geldende wijzigingsbevoegdheid. In onderhavig plan zijn meer woningen voorzien dan het in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen aantal van 75 woningen. Er is daarom een bestemmingsplan opgesteld. Er is gekozen voor een globale planmethodiek. Voor vrijwel het gehele plangebied is de bestemming 'Woongebied' opgenomen. Binnen deze bestemming is de realisatie van de woonwijk mogelijk. Om de structuur van de woonwijk vast te leggen zijn ter plaatse van de wegenstructuur de aanduidingen 'ontsluiting', 'ontsluiting 1' en 'ontsluiting 2' opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting 1' en 'ontsluiting 2' dient voldaan te worden aan de profielen voor deze straten. De profielen zijn als bijlage bij de regels toegevoegd. De woonpercelen worden aan deze ontsluiting gerealiseerd. Belangrijk element in de stedenbouwkundige opzet is de groenstructuur/het parkje in het midden van het plangebied voor onder andere de realisatie van een waterpartij. Ter plaatse van deze groenstructuur is de bestemming 'Groen' opgenomen.

2.2.3 Juridische planbeschrijving

In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.

Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.

Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.

Regels

Algemeen

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Inleidende regels

Begripsbepalingen en Wijze van meten
De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.

Bestemmingsregels

Groen
De hoofdgroenstructuur binnen het plangebied is bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn naast groenvoorzieningen ook waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk en speelvoorzieningen, paden en wegen.

Water
Ter plaatse van de bestaande watergang aan de achterzijde van de percelen aan de Burgemeester Overdorpstraat is de bestemming 'Water' opgenomen. Aan de oostzijde van het plangebied wordt een watergang aangelegd. Ook deze watergang heeft de bestemming 'Water'. Naast water zijn binnen deze bestemming ook waterhuishoudkundige voorzieningen, bruggen, aanlegsteigers en groenvoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming is uitsluitend het bouwen van overige bouwwerken toegestaan.

Woongebied
Binnen de bestemming 'Woongebied' zijn alle functies toegestaan die nodig zijn om de woonwijk te realiseren. Dit betreft naast het bouwen van de woningen ook de aanleg van de straten en groenvoorzieningen en de daarbij behorende voorzieningen. Binnen de regels van deze bestemming is het maximum aantal woningen van 150 vastgelegd. Dit betreft de 149 nieuw te realiseren woningen en 1 bestaande woning op het perceel Molendijk 70. Ten behoeve van de woningbouwdifferentiatie in het plan is het maximum aantal woningen per woningtype vastgelegd. Omdat er wordt gewerkt met een bandbreedte, is het totaal hiervan hoger dan het totale aantal toegestane woningen.

Langs de meest oostelijke straat (ontsluiting 1 en profiel 1) dienen hoofdzakelijk vrijstaande woningen en twee-aaneen gebouwde woningen te worden gerealiseerd. Daarbij geldt een minimale afstand van de voorgevel van de woning tot de voorste perceelsgrens van 5 meter. Langs ontsluiting 2 (profiel 2) geldt aan de oostzijde een minimale afstand van de voorgevel van de woning tot de voorste perceelsgrens van 5 meter en aan de westzijde een minimale afstand van 4 meter. Ter plaatse van dit profiel mag maximaal 1/3 van de lengte van de gehele straat gebruikt worden voor parkeren. Onder gehele straat wordt hierbij verstaan de straat van midden kruispunt tot midden kruispunt aan de andere zijde van de straat. Ter plaatse van het appartementengebouw is de aanduiding 'gestapeld' opgenomen. Uitsluitend ter plaatse van deze aanduiding mogen gestapelde woningen worden gebouwd.

Aan de achterzijde van de bestaande woningen aan de Molendijk en Burgemeester Overdorpstraat zijn op de verbeelding zones opgenomen waarbinnen het bouwen van hoofdgebouwen niet is toegestaan. Tuinen en bijgebouwen van de woningen zijn hier wel mogelijk. Voor de grondgebonden woningen geldt een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 11 meter. Voor het kleinschalige appartementengebouw geldt eenzelfde bouwhoogte van 11 meter. Om te voorzien in een geleidelijke overgang naar het appartementengebouw zijn voor enkele woningen een uitzondering gemaakt, dat deze plat afgedekt mogen worden. Voor de woningen aan ontsluiting 1 geldt dat minimaal 50% van de woningen een goothoogte heeft van maximaal 4,5 meter.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals schoorstenen en erkers. Tevens is een regeling opgenomen die waarborgt dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid bij nieuwbouw.

Algemene gebruiksregels 
In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.

Algemene aanduidingsregels
Dit artikel bevat bouwregels ten aanzien van de molenbiotoop met maximum hoogten om de windvang van en het zicht op de betreffende molen niet te belemmeren.

Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken van de maximum toegestane bouwhoogte en voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.

Overige regels
In deze regels zijn regels opgenomen ten behoeve van voldoende parkeergelegenheid en een voorwaardelijke verplichting om in voldoende waterberging te voorzien.

Overgangs- en slotregels

In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

 

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de NOVI wordt aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie in beeld gebracht. Het Rijk wil sturen op de nationale belangen. De inzet van het Rijk is samengevat in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit houdt in dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

De beleidsdoorwerking van de NOVI vindt plaats door middel van wet- en regelgeving, NOVI-gebieden, Gebiedsagenda's Grote Wateren en de Omgevingsagenda's. Het beleid heeft geen directe doorwerking voor dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan sluit wel aan bij de prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' in verband met een klimaatbestendige delta. Zoetwater dient duurzaam en efficiënt te worden beheerd en gebruikt. Uitgangspunt is meer ruimte voor natuur, door natuur- en landschapswaarden sterker te integreren met andere ontwikkelingen.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Bij alle ruimtelijke plannen streeft het Rijk naar zorgvuldige afwegingen en heldere besluitvorming. Dit doet het Rijk via het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Bro is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6). De Ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De Ladder luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met 11 woningen of minder zijn geen stedelijke ontwikkeling. In dit geval is er sprake van de ontwikkeling van maximaal 115 woningen (waarvan er reeds 15 planologisch mogelijk zijn) en daarmee is de ontwikkeling dus aan te merken als een stedelijke ontwikkeling.

In het woningbouwprogramma 2021 van de gemeente Goeree-Overflakkee is voor de locatie Hof van Lucard rekening gehouden met de bouw van 100 woningen (Uitbreidingslocatie Kroon). Dit aantal is gebaseerd op een inschatting van de draagkracht van deze locatie. Omdat op het moment van vaststellen van het woningbouwprogramma 2021 nog geen inrichtingsplan voor het plangebied aanwezig was, was het niet mogelijk om het exacte aantal woningen voor deze locatie vast te leggen. Het bouwen van een beperkt aantal extra woningen ten opzichte van de 100 woningen uit het woningbouwprogramma is niet onoverkomelijk, aangezien het totale woningbouwprogramma nog niet aan de provinciale 'gewenste woningvoorraad toename' komt. Er is daarmee sprake van voldoende behoefte voor de ontwikkeling op deze locatie. Leegstand zal niet aan de orde zijn. Tevens wordt met de diversiteit aan te realiseren woningtypen ook voorzien in de aanwezige kwalitatieve behoefte.

Het plangebied is buiten het bestaand stedelijk gebied gelegen. Binnen het bestaand stedelijk gebied van Nieuwe-Tonge is geen ruimte aanwezig voor de realisatie van circa 100 woningen (15 woningen zijn reeds bestemd). Een uitbreiding aan de oostzijde is ruimtelijk gezien een logische ontwikkelrichting. Deze percelen liggen ingeklemd tussen de bestaande dorpsrand aan de westzijde, de lintbebouwing langs de Molendijk aan de noordzijde, de Langeweg N215 en bedrijventerrein De Tram aan de oostzijde en het bos aan de zuidzijde. De openheid rondom Nieuwe-Tonge (ten noorden van de Molendijk en ten zuiden van de Oudelandsedijk) blijft hiermee behouden.

Voor het overige zijn geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn. Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerde versie 1 februari 2023)

In de 'Omgevingsvisie Zuid-Holland' en 'Omgevingsverordening Zuid-Holland' beschrijft de provincie Zuid-Holland haar doelstellingen en provinciale belangen.

Met het omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkeling en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie zet in de Omgevingsvisie in op veel thema`s welke niet allemaal relevant zijn in het kader van dit bestemmingsplan. De volgende thema`s zijn relevant:

Garanderen in voldoende mate van windvang en zicht op historische windmolens
De provincie draagt zorg voor het garanderen (in voldoende mate) van vrije windvang van en zicht op historische windmolens in Zuid-Holland. Dit doet de provincie om te zorgen voor een beter beschermd, benut en beleefbaar cultureel erfgoed. Het plangebied ligt binnen een molenbiotoop. In paragraaf 4.2 wordt aan de regels van deze molenbiotoop getoetst.

Verstedelijking en wonen
De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op het juiste moment) wordt gerealiseerd. Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over woningen zo te bouwen, in samenhang met investeringen in infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving dat dit bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Woningbouw als de enige of primaire oplossing voor de sociaal-economische vitaliteit is in de ogen van de provincie geen duurzame lange termijn strategie.

Differentieer de woningvoorraad
Een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat biedt mensen keuzevrijheid in woonomgevingen en heeft een woningvoorraad die aansluit op de behoefte.

Het plan Hof van Lucard voorziet in een gedifferentieerde woningbouwaanbod afgestemd op de behoeftes binnen Nieuwe-Tonge. Deze behoefte voorziet voornamelijk op grondgebonden woningen in verschillende types (vrijstaand, twee-onder-één-kap en rijwoningen). De afgelopen periode is gebleken dat er een grotere behoefte bestaat aan levensloopbestendige woningen in Nieuwe-Tonge dan voorzien. Dit heeft mede te maken met het feit dat er in de kern Nieuwe-Tonge een appartementengebouw zou worden opgericht (voor senioren), waarbij is gebleken dat dit geen haalbare ontwikkeling was. Om de behoefte aan sociale huurwoningen, alsmede huurwoningen in de middendure of vrije sector binnen Nieuwe-Tonge te bepalen, is een analyse uitgevoerd naar de huidige woningverdeling en de inkomensverdeling. Van de woningen in de kern Nieuwe-Tonge bestaat 63% uit koopwoningen 37% uit huurwoningen (waarvan 32% in bezit bij woningbouwcorporatie en 5% overig). Het is de primaire taakstelling van een woningbouwcorporatie om de sociale huurmarkt te bedienen. Derhalve kan worden gesteld dat ruim 30% van de bestaande woningen in Nieuwe-Tonge in potentie ingezet kunnen worden als zijnde sociale huurwoning. Uit gegevens over het inkomensniveau (bron: onderzoeksbureau Retailminds) in Nieuwe-Tonge blijkt dat 76,2% van de huishoudens in Nieuwe-Tong een gemiddeld, bovengemiddeld of zelfs hoog inkomen heeft. Indien deze inkomensverdeling wordt afgezet tegen het potentieel aan reeds bestaande sociale huurwoningen in Nieuwe-Tonge, dient te worden geconcludeerd dat er in de kern al meer sociale huurwoningen zijn dan dat er qua inkomensverdeling benodigd zijn. Om te komen tot een passend woningaanbod zullen er in deze initiële fase van het plan Hof van Lucard 20 huurwoningen in het sociale segment worden gerealiseerd. Daarnaast zullen er nog 10 tot 20 huurwoningen gerealiseerd worden in het segment van de middendure huur of vrije sector huur. Zoals reeds eerder gesteld kent het Hof van Lucard ook een vervolgfase. Indien in de komende jaren blijkt dat er een groter aandeel sociale (huur)woningen benodigd is, dan is het mogelijk deze in fase 2 te realiseren. Want alhoewel de stedenbouwkundige hoofdopzet van deze tweede fase reeds is opgenomen in de totaalvisie voor het gehele plangebied Hof van Lucard dient het woningbouwprogramma aldaar nog nader te worden uitgewerkt. Door middel van verdichting is het toevoegen van extra sociale huurwoningen goed mogelijk.

Ruimtelijke kwaliteit
Op het gebied van wonen zet de provincie in op voldoende (bouwen naar behoefte) en passende woningen voor verschillende doelgroepen, bij voorkeur naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheidt maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende drie type ontwikkelingen: inpassen, aanpassen en transformeren.

Onderhavige ontwikkeling betreft transformeren. De ruimtelijke ontwikkeling past niet bij de bestaande gebiedsidentiteit, omdat dit agrarische gronden betreft. De ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangewezen als 'beschermingscategorie 3 buitengebied'. Een ruimtelijke ontwikkeling in dit gebied is mogelijk, mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast. Deze voorwaarde is echter niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties die zijn opgenomen op de 3-hectarekaart. De ontwikkeling 'Hof van Lucard' betreft een ontwikkeling die is opgenomen op de 3-hectarekaart onder de naam 'Nieuwe-Tonge'. Daarmee is de ontwikkeling passend binnen het provinciaal beleid.

Integraal ontwerp
Voor de ontwikkeling is een integraal ontwerp gemaakt, waarbij aandacht is besteed aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Met de uitbreiding wordt de oostelijke dorpsrand op een natuurlijke manier verschoven. Vanaf de bebouwing aan de Burgemeester van Overdorpstraat vindt er richting het oosten een verdunning van bebouwing plaats waardoor er sprake is van een geleidelijke overgang van de dorpsbebouwing naar de groene agrarische zone tussen het dorpsgebied en de Langeweg / N215. Tevens zijn er aanvullende ruimtelijke maatregelen genomen door het toevoegen van kenmerkende landschapselementen door de historische kreekstructuur in het plan terug te brengen. Er is een stedenbouwkundige verkenning uitgevoerd waarin deze elementen terug komen. Op de hierna volgende schetsen is de uitbreiding van Nieuwe-Tonge in aansluiting op de bestaande stedenbouwkundige en landschappelijke structuren in beeld gebracht. Bij de toetsing aan de kwaliteitskaart wordt hier nader op ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0008.png"

Afbeelding 8 | Uitgangspunten uitbreiding Nieuwe-Tonge (bron: Schetsboek Lucard Nieuwe-Tonge, od205)

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0009.png"

Afbeelding 9 | Structuren Lucard en omgeving (bron: Schetsboek Lucard Nieuwe-Tonge, od205)

Kwaliteitskaart
In het kader van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid wordt getoetst aan de kwaliteitskaart. Deze bestaat uit een viertal lagen met bijbehorende richtpunten.

Laag 1 - De ondergrond

Rivierdelta complex

Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden.

Jonge zeeklei
De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.

Richtpunt:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Dit richtpunt is niet van toepassing op het plangebied. Het plangebied is niet in de Deltawateren of buitendijks gebied gelegen.

Laag 2 - De cultuur- en natuurlandschappen

Zeekleipolderlandschap

Zeekleipolders
Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken.

De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf.

Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken.

Richtpunten:

Zeekleipolders algemeen:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen.
  • Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren.
  • Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder.
  • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap.
  • Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.
  • Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur.

Rivierdeltalandschappen

Eilanden en (voormalige) zeearmen
Een aantal Zuid-Hollandse eilanden kent nog steeds een eilandkarakter: omlijst door deltawateren met beperkte verbindingen met de andere eilanden of het vasteland. Ze zijn gelegen in de luwte van de Randstad en vormen landschappelijk een geheel met Zeeland. IJsselmonde en het Eiland van Dordrecht zijn daarentegen meer onderdeel van het stedelijk netwerk.

De drie eilanden Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard en Voorne-Putten hebben elk een eigen karakter. Dit karakter wordt mede gevormd door de verschillen in afstand tot en de verbinding met het stedelijk gebied, de landschappelijke opbouw van de eilanden zelf en de aard van het omringende water. Versterken van het deltakarakter en vergroten van de diversiteit van karakters van de eilanden draagt bij aan het behoud van diversiteit in de Delta. Een opgave is het om de recreatieve gebruikswaarde van de eilanden te vergroten in combinatie met een gebiedsspecifieke, in de omgeving passende inrichting. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden dienen bij te dragen aan het versterken van het stoere deltakarakter en passen bij de maat en schaal van dijk en open wateren.

Ontwikkelingen worden benaderd in het licht van het eiland als geheel, waarbij bijvoorbeeld in Voorne-Putten en Hoeksche Waard een duidelijk verschil zit tussen de ‘dynamische’ noordrand en het ‘luwe’ zuiden.

Laag 3 - De stedelijke occupatie

Stads- en dorpsranden

De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit waarbij onderscheid wordt gemaakt in front, contact en overlap.

  • 1. De kwaliteit van het front (contrast)
    Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij landschappelijke grenzen zorgen voor een scherp contrast tussen bebouwing en landschap. De stad aan de rivier of aan zee (waterfront, zeefront), appartementsgebouwen langs de duinrand of de bebouwingsrand rond een (verder vrij onbebouwde) droogmakerij. Stad en buitengebied brengen hun eigen eigenschappen maximaal tot expressie. Vormen van hoogbouw kunnen hier aan het karakter bijdragen. Bij water- en zeefronten bieden combinaties met de waterkering kansen voor kwaliteit. Het ‘wegfront’ vraagt om extra aandacht voor verbindingen tussen stad en ommeland. Hier is het vaak niet het geval dat bebouwing en landschap met het gezicht naar elkaar zijn gekeerd. De grens is scherp, maar men mist de kwaliteiten van het ‘zicht op elkaar’.
  • 2. Contactkwaliteit
    Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon.
  • 3. De kwaliteit in de overlap
    Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes.

Richtpunt:
Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

In het gebiedsprofiel Goeree-Overflakkee zijn de volgende ambities opgenomen ten aanzien van de dorpsrand aan het open polderlandschap:

  • Er wordt ingezet op het contrast tussen kleinschalige compacte dorpen en het weidse polderlandschap. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan een heldere landschappelijke afronding van het dorp.
  • Er wordt rekening gehouden met landschappelijk waardevolle elementen zoals dijken en kreken. Deze structuren lopen in het dorpsgebied door.
  • De dorpen liggen als groene massa’s in het open polderlandschap. Dit betekent dat de dorpsrand groen wordt ingericht. Dit kan zowel door private tuinen, als door openbaar groen of een beplante dorpsstraat. Deze afwisseling is belangrijk, want dit draagt bij aan het dorpse karakter.
  • De toegankelijkheid en beleefbaarheid van de dorpsrand verbeteren door fysieke en visuele relaties te handhaven dan wel te versterken. Daarnaast is het belangrijk dat de dorpsrand gebruikswaarde en betekenis heeft voor de bewoners. Hierbij kan gedacht worden aan een kinderboerderij, een dorpsbosje, maar ook aan waterberging.
  • De inrichting van de dorpsrand, met name rond de dorpsentree, draagt bij aan de oriëntatie van bewoners en recreanten. Dit betekent bijvoorbeeld dat hogere bebouwing zorgvuldig, met inachtneming van de andere ambities en in relatie tot het dorp als geheel ingepast moet worden.
  • Nieuwe ontsluitingswegen in samenhang met landschap en het dorp ontwerpen. Hierbij worden grotere infrastructurele werken vermeden, zodat het dorp niet afgesneden raakt van het aanliggend landschap.

Laag 4- Laag van de beleving

Deze laag is niet van toepassing op de onderhavige locatie.

Toetsing kwaliteitskaart
Onderhavig plan betreft een eerste fase van een grotere totaalontwikkeling. Deze totaalontwikkeling wordt (grofweg) aan de noordzijde begrenst door de provinciale weg N215, aan de zuidzijde door de Burgemeester Overdorpstraat, aan de westzijde door Molendijk en aan de oostzijde door de Oudelandsedijk.

In de verkennende fase is een integrale visie opgesteld voor het gehele gebied. Eén van de uitgangspunten bij de totstandkoming van deze integrale visie is de provinciale kwaliteitskaart en de daarop aangegeven relevante richtpunten en ambities. Op de kaartlaag “cultuur- en natuurlandschappen” staat het plangebied aangeduid als Zeekleipolder en de bijbehorende ambities voor dergelijk gebied zijn onder andere:

  • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap.
  • Bebouwing concentreert zich in of nabij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0010.png"

Afbeelding 10 | Waterhuishouding, herstel kreekstructuur en Bospercelen (bron: Estate Invest)

Bij de totstandkoming van de integrale visie zijn naast de richtpunten van de kwaliteitskaart en de reeds bestaande planologische mogelijkheden, voortvloeiende uit het bestemmingsplan Nieuwe-Tonge, nog een aantal basisprincipes bepaald om te komen tot een waarborging van de ruimtelijke kwaliteit en passende overgangskwaliteit. Dit behelzen:

  • 1. Herintroductie van de krekenstructuur. Tot circa 1998 liep er door het plangebied een kreek tot in centrum van Nieuwe-Tonge. Deze structuur is verloren gegaan en in dit plan wordt deze teruggebracht en gekoppeld aan recreatieve gebruiksmogelijkheden.
  • 2. Het creëren van “lange lijnen” door het plangebied, hetgeen aansluit bij het verkavelingspatroon van in de omgeving.
  • 3. Aansluiten op de toekomstige ontsluitingsstructuur van Nieuwe-Tonge, waarbij er ook wordt zorgedragen voor de realisatie van een passende dorpsentree.
  • 4. Aansluiten op nieuwe langzaamverkeersroute en creëren van extra recreatieve routes.
  • 5. Instandhouding van en aansluiting zoeken op de bestaande kavel/weide-structuur in het overgangsgebied naar de provinciale weg N215 door middel van inpassing en realisatie van ommetjes, hetgeen de belevingswaarde van deze zone vergroot.
  • 6. Het aanwezige bos aan de oostzijde heeft momenteel een solitair karakter. Door middel van het realiseren van meerdere aansluitingen op het bos vanuit het Hof van Lucard wordt het bos meer betrokken bij de dorpskern en wordt de belevingswaarde vergroot.
  • 7. Verbetering waterstructuur en waterkwaliteit. Door de herintroductie van de krekenstructuur, het maken van dwarsverbindingen alsmede het verbreden van de reeds aanwezige watergangen komt er een betere doorstroming op gang. Hiermee wordt er een waterbuffer gecreëerd alsmede een verbetering van de waterkwaliteit bewerkstelligd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0011.png"

Afbeelding 11 | Infrastructuur (bron: Estate Invest)

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0012.png"

Afbeelding 12 | Historische- en landschappelijke structuren (bron: Estate Invest)

Conclusie
Het onderhavige plan voorziet in een nieuwe oostelijke dorpsrand van Nieuwe-Tonge. Met de ontwikkeling wordt een ruimte tussen het dorp en de N215 / bedrijventerrein De Tram verder ingevuld, wat de contactkwaliteit tussen dorp en land versterkt langs de bestaande infrastructuur. Er wordt gebouwd naar behoefte, waarbij rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden in het gebied (o.a. molenbiotoop en oude kreekstructuur). In het gebied wordt een parkje aangelegd waardoor de waterpartij en oude kreekstructuur zichtbaar wordt en een bijdrage levert aan de woonkwaliteit. Er wordt voldaan aan de richtpunten uit de kwaliteitskaart en er is sprake van een goede overgangskwaliteit. De ontwikkeling past daarmee binnen het beleid van de provincie.

3.3 Gemeentelijk beleid

Regionale structuurvisie Goeree - Overflakkee
Op 26 oktober 2017 heeft de gemeente Goeree-Overflakkee de herziening op de regionale structuurvisie Goeree-Overflakkee vastgesteld met als titel 'Vitaal belevingseiland in de Delta'. In deze structuurvisie is beleid opgenomen voor het thema wonen. De gemeente heeft als doel meer variatie aan te bieden en specifieke woonmilieus en woningtypen die een aanvulling zijn op het bestaande aanbod. De gemeente verwacht van initiatiefnemers dat nieuwe woningen iets toevoegen aan het bestaande en voorzien in woningtypes en woonmilieus die er nog niet zijn. De gemeente heeft voor nieuwe initiatieven een zestal basisprincipes opgesteld. Eén daarvan is 'overgangskwaliteit dorpsrand'. Ontwikkelingen aan de dorpsrand moeten bijdragen aan het realiseren van een rand met overgangskwaliteit.

Met onderhavige ontwikkeling wordt aan de oostzijde een nieuwe dorpsrand gerealiseerd. Hierbij is er sprake van een goede overgangskwaliteit. Vanaf de bebouwing aan de Burgemeester van Overdorpstraat vindt er richting het oosten een verdunning van bebouwing plaats waardoor er sprake is van een geleidelijke overgang van de dorpsbebouwing naar de groene agrarische zone tussen het dorpsgebied en de Langeweg / N215. Door het herstellen van de kreekstructuur in het plangebied wordt er een ruimtelijke en landschappelijke verbinding gemaakt met de bestaande watergang tussen de woningen aan de Burgemeester Overdorpstraat. Deze kreekstructuur kan verder naar het oosten worden doorgetrokken waarmee er ook een landschappelijke verbinding ontstaat met het open onbebouwde gebied. De oostelijke dorpsrand wordt (gezien vanaf de Langeweg) nu gekenmerkt door de achterzijde van de percelen aan de Burgemeester Overdorpstraat. In de stedenbouwkundige opzet is gekomen om de woningen richting de oostzijde te situeren waardoor ook aan deze zijde voorkantsituaties zijn en een vriendelijker beeld ontstaat van de dorpsrand.

Eilandvisie Goeree-Overflakkee
Op 12 februari 2015 heeft de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee de toekomstvisie voor de gemeente vastgesteld. Centraal in de visie staan behoud en versterking van de leefbaarheid en van de identiteit van het eiland, de eilanditeit. De visie schetst Goeree-Overflakkee als eiland van rust en ruimte waar mensen naar volle tevredenheid wonen werken en recreëren. Vanuit de visie zijn zes strategische kernthema's geformuleerd als de leidraad voor de toekomst. Deze thema's hebben elk een toetsvraag. Deze kernthema's fungeren als zeef voor alle beleidsplannen, beleidsvoornemens en initiatieven, zodat toekomstige plannen altijd binnen de Eilandvisie vallen.

  • a. De eilanditeit, het behoud van de unieke identiteit van het eiland.

Toetsvraag: Past het voorstel of plan bij onze identiteit?

  • b. De maatschappelijke balans, de versterking van de sociaaleconomische vitaliteit en het behoud van een voldoende zorg- en voorzieningenniveau.

Toetsvraag: Draagt het voorstel of plan bij aan de sociale structuur op ons eiland?

  • c. De kwaliteit, van leven en van groei.

Toetsvraag: Heeft het voorstel of plan het hoogst haalbare en betaalbare kwaliteitsniveau?

  • d. Duurzaamheid, Goeree-Overflakkee kan en wil het meest duurzame eiland worden.

Toetsvraag: is het plan of voorstel duurzaam en levert het daarmee een bijdrage aan de ambities van Energy Island?

  • e. Innovatie, de vestigingsvoorwaarde voor bedrijven en onderwijs en dus als bron voor werkgelegenheid.

Toetsvraag: Is het plan of voorstel zo innovatief dat we het kunnen uitdragen en het uiteindelijk ook banen oplevert?

  • f. Verbindingen, de versterking daarvan op het eiland en met de metropolen Rotterdam en Antwerpen, zowel sociaal, fysiek als digitaal.

Toetsvraag: Verbindt het plan of voorstel mensen op het eiland met elkaar of verbindt het ons eiland met de (stedelijke) omgevingen?

Met het voorgenomen plan blijft de unieke identiteit van het eiland behouden. Het plan vormt een logische uitbreiding van Nieuwe-Tonge en voorziet in de vraag naar nieuwe woningen in Nieuwe-Tonge. Het stedenbouwkundig plan is zodanig ontworpen dat de nieuwe woonwijk aansluit op de bestaande structuur van de dorpskern en de bestaande groenstructuur in het plan wordt doorgetrokken. Door de afwisseling van verschillende bebouwingstypes en ruime opzet van het plan is er sprake van een hoge ruimtelijke kwaliteit.

Woonvisie 2018-2024
Op 7 november 2017 heeft de gemeente Goeree-Overflakkee haar woonvisie 2018-2024 vastgesteld. De woonvisie is een belangrijke basis voor de gemeentelijke beleidsuitvoering. Belangrijke thema`s zijn betaalbaarheid van woningen, wonen met zorg en duurzaamheid. De volgende onderwerpen spelen een grote rol bij de woonvisie:

  • Goeree-Overflakkee is een aantrekkelijk eiland om te wonen. De regionale visie Smart Water geeft Goeree-Overflakkee een duidelijke focus voor de ontwikkeling en het stimuleren van de lokale economie.
  • De groei van de bevolking en de daling na 2030.
  • De vergrijzing en ontgroening en de daarbij horende uitdagingen voor het leefbaar en vitaal houden van de kernen.
  • Het passend wonen voor de meest kwetsbare inwoners van Goeree-Overflakkee.
  • De verduurzaming van de woningvoorraad.

Vraaggestuurd ontwikkelen is essentieel voor de woningmarkt. Dit betekent dat plannen goed aansluiten op de vragen die nu nog niet in de bestaande voorraad bediend worden. Volgens het WoON-onderzoek is er onder andere behoefte aan woningen in het duurdere koopsegment. Dan gaat het om tweekappers en vrijstaande woningen. In de koopsector blijkt er tevens een tekort bij de goedkoopste koopwoningen: liefst eenvoudige rijwoningen. De vraag naar deze woningen komt vooral van starters.

Kwalitatief zet de gemeente primair in op realisatie van nieuwe kwaliteiten die nu nog niet of onvoldoende in de gemeente Goeree-Overflakkee aanwezig zijn. Dit zijn onder andere woningen die een specifieke kwaliteit toevoegen aan het eiland, zoals variatie op een locatie (diverse woningtypen, financieringscategorieën en prijsklassen), collectieve woonvormen, nul-op-de-meterwoningen of andere innovatieve duurzaamheidsconcepten. De prioriteitsvolgorde is als volgt: projecten waarin rotte plekken worden opgeruimd, transformatielocaties, uitbreidingslocaties.

Bij kernen waarin de afgelopen jaren weinig gebouwd is, is het gewenst om differentiatie aan te brengen afhankelijk van de vraag in de kern.

Het plan voorziet in een grote mate aan differentiatie van woningbouw. Er zijn een groot aantal rijwoningen voorzien met verschillende kavelgroottes. Daarnaast voorziet het plan ook in twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen. In Nieuwe-Tonge zijn in de afgelopen jaren nauwelijks nieuwe woningen gebouwd. Met dit plan wordt in eerste instantie voorzien in een behoefte voor de bewoners van Nieuwe-Tonge zelf. Gezien de goede ontsluiting van de locatie op de Langeweg / N215 en relatief korte afstand tot de N59, zou de locatie ook aantrekkelijk kunnen zijn voor vestigers van buiten de gemeente.

Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving

4.1 Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.

De gemeente Goeree-Overflakkee heeft een eigen archeologiebeleid. Als uitgangspunt streeft de gemeente er naar om het bodemarchief zoveel mogelijk ’ín situ’ (in de bodem) te bewaren. Bekende archeologische waarden worden door planaanpassing zoveel mogelijk ontzien. Zodoende kunnen archeologische waarden behouden blijven en worden opgravingkosten uitgespaard. In gebieden met een lage en zeer lage archeologische verwachting gelden op Goeree-Overflakkee geen archeologische voorschriften.

De gemeente heeft een archeologische beleidskaart welke weergeeft voor welke gebieden welke vrijstellingsgrens geldt, uitgedrukt in oppervlakte (vierkante meters) en diepte (centimeters onder maaiveld). Ter plaatse van het plangebied zijn geen archeologische verwachtingswaarden aanwezig (zie afbeelding 13). De Oudelandsedijk en de Molendijk zijn aangewezen als cultuurhistorische lijnen en hebben een archeologische verwachtingswaarde. Het plan heeft geen invloed op de gronden aan deze dijken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0013.jpg"

Afbeelding 13 | Uitsnede Archeologische beleidskaart (bron: archeologie beleid gemeente Goeree-Overflakkee, bewerking, Juust)

Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is niet nodig. Het aspect archeologie vormt geen belemmering om het plan mogelijk te maken. Het opnemen van een dubbelbestemming om eventuele archeologische waarden te beschermen is niet aan de orde.

Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.

In de omgeving van het plangebied zijn cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Het plangebied ligt binnen de molenbeschermingszone van molen d' Oranjeboom op het perceel Molendijk 91. Om binnen de molenbiotoop vrije windvang te garanderen en het zicht op de betrokken molen veilig te stellen, geldt - tenzij vrije windvang of het zicht ter plaatse reeds is beperkt - het volgende:

  • a. binnen een straal van 100 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht of beplanting aanwezig zijn, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek.
  • b. binnen een afstand van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting:
    • 1. voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek;
    • 2. voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0014.png"

Afbeelding 14 | Molenbeschermingszone buitengebied (bron: Molens in beeld, Provincie Zuid-Holland)

Het plangebied ligt voor een klein deel binnen de 100 meter-zone en grotendeels binnen de 400 meter-zone. Binnen de 100 meter-zone mag de bouwhoogte niet hoger zijn dan het laagste punt van de wieken. De molen is gelegen op de Molendijk. De molen betreft geen stellingmolen. De onderste punt van de wiek is op het maaiveld gelegen. Dit punt is ingemeten en heeft een hoogte van 3,42 meter boven NAP (zie Bijlage 3).

Binnen de 400 meter-zone mag nieuwe bebouwing of beplanting niet meer bedragen dan 1/100 van de afstand tussen het bouwwerk of beplanting en het middelpunt van de molen gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.

De molen heeft aan de noordzijde en westzijde vrije windvang. Aan de zuidzijde en oostzijde ondervindt de molen hinder van de dorpsbebouwing en enkele bomen. Het gaat om een solitaire esdoorn op het noordoosten van circa 15 meter hoog, een doorgeschoten coniferenhaag op het oosten en een solitaire es van 10 meter op het zuidoosten. De sector zuidzuidoost - westzuidwest wordt geheel afgeschermd door leilinden, hoge laurierhaag en een vijftal bomen op circa 20 meter afstand. Zie ook het biotooprapport van de Molenbiotoopinventarisatie Zuid-Holland 2010 in Bijlage 4.

Het plangebied is aan de oostkant van de molen gelegen. Tussen het plangebied en de molen is in de huidige situatie al dorpsbebouwing gelegen. Hierdoor wordt de windvang al gehinderd (zie afbeelding 15).

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0015.png"

Afbeelding 15 | Reeds aanwezig opgaand groen en bebouwing tussen de molen en het plangebied (bron: Google Streetview)

Om het belang van de windmolen in dit bestemmingsplan te waarborgen, is de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' overgenomen uit het moederplan. Dit betekent dat er bij de aanvraag omgevingsvergunning een nadere beoordeling plaatsvindt.
Gezien de reeds aanwezige objecten (bebouwing en opgaand groen) tussen de molen en de nieuwe woningen, wordt de windvang reeds belemmerd. Deze bebouwing varieert namelijk in hoogte van 6,9 meter tot 11 meter en het aanwezige groen (onder andere bomen en struiken) is nog hoger. In de opgestelde 'Rapportage molenbiotoop - molen d' Oranjeboom Nieuwe-Tong' (zie Bijlage 5) is de huidige situatie rondom de molen inzichtelijk gemaakt op basis van windvang, zicht, belendende bebouwing en planologische bebouwingsmogelijkheden. Voorts is bezien welke molenbiotoop van toepassing zou zijn, de stedelijke of de landelijke molenbiotoop in relatie tot het voorgenomen plan.

Over de rapportgage molenbiotoop in relatie tot de planontwikkeling hebben meerdere overleggen plaatsgevonden tussen de gemeente, de provincie Zuid-Holland en de initiatiefnemer. Naar aanleiding van het eerste overleg is de bestaande situatie ter plaatse nogmaals ingemeten ter bepaling van de bebouwingshoogtes en hoogte beplanting. Vervolgens is er onderzocht hoe het plan zich verhoudt ten opzichte van de bestaande situatie. De resultaten hiervan zijn opgenomen in een memo in Bijlage 6. Hieruit blijkt dat er door de realisatie van het plan Hof van Lucard ook verbeteringen worden aangebracht en/of binnen de molenbiotoop wordt gecompenseerd. In artikel 5.4.2 in de regels is dit geborgd.

Het plan Hof van Lucard vormt geen belemmering voor de molenbiotoop, daar het zicht en de windvang reeds wordt belemmerd door aanwezige bebouwing en beplanting. Voorts wordt er bebouwing en beplanting geamoveerd binnen het plangebied hetgeen juist leidt tot verbetering. Daarom kan er een beroep worden gedaan op de afwijkingsmogelijkheid zoals beschreven in lid 2 van artikel 6.25 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland en zoals opgenomen in artikel 9.1.2 van dit bestemmingsplan.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.

Ten oosten van de N215 is een bedrijventerrein gelegen. Ter plaatse zijn bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter. Het plangebied is op ongeveer 300 meter van het bedrijventerrein gelegen, waardoor ruim aan de richtafstand wordt voldaan. Verder zijn in de nabijheid, maar niet binnen een straal van 100 meter en daarmee op voldoende afstand, enkele bedrijfsbestemmingen gelegen waar ten hoogste bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 (richtafstand 30 meter) van de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

4.4 Bodem

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Het bestemmingsplan bevat een motivering over de bodemkwaliteit in relatie tot de beoogde bestemming . De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste functie.

De locatie heeft een agrarische bestemming. Omdat er sprake is van de realisatie van een gevoelige(re) functie, dient door middel van een onderzoek te worden aangetoond, dat de bodemkwaliteit hiervoor geschikt is.

Door ATKB is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (d.d. 25 februari 2021). Het rapport van dit onderzoek is in Bijlage 7 bij deze toelichting toegevoegd. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een literatuurstudie en veldonderzoek. Tijdens het veldwerk zijn in totaal 44 boringen uitgevoerd.

De bodem op de locatie bestaat tot de maximale boordiepte uit klei en veen, met in enkele boring een zandlaag. De stijghoogte van het grondwater is vastgesteld op 1,5 m -mv. In de bodem zijn in 2 boringen bijmengingen met beton, baksteen en kolengruis aangetroffen. Dit betreffen mogelijk dempingsmateriaal.

Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In het opgeboorde materiaal is wel (een bijmenging met) bodemvreemd materiaal vastgesteld. Bodemvreemd materiaal (met name puin en ander sloopafval) kan duiden op aanwezigheid van asbest(verontreiniging).

In de bodem zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Barium komt mogelijk van nature verhoogd voor in de omgeving.

Nader onderzoek wordt in het kader van de doelstelling van het onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Voor het gedeelte Burgemeester Overdorpstraat 3-5 en Molendijk 70 is een apart bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 8). Ter plaatse van de locatie Burgemeester Overdorpstraat 3-5 zijn bodemvreemde materialen zoals baksteenpuin, kolengruis en asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen in de bovengrond. Op één enkele boorpunt is een zwakke oliewater/reactie aangetroffen. De zandige bovengrond met bodemvreemd materiaal (puindeeltjes en glas) op het noordwestelijke deel is sterk verontreinigd met de zware metalen lood, nikkel, koper en zink. Tevens is den kleiige bovengrond met kolengruis sterk verontreinigd met PAK. De ondergrond op een diepte van 0,5-1,0 m-mv ter plaatse van boringen 1.14 en 1.19 is matig tot sterk verontreinigd met minerale olie. Het grondwater is matig tot sterk verontreinigd met minerale olie en ten hoogste licht verontreinigd met de overige geanalyseerde parameters. De sterke olie-verontreiniging in het grondwater is vastgesteld ter plaatse van boring 1.19, waar ook sprake is van een sterk minerale olie verontreiniging in de grond. Op en in de bodem is asbest aangetroffen in de puinhoudende bodemlagen, de kleiige bodem, in de gedempte sloot en in de zone waar het regenwater van het asbesthoudende dak afstroomt. Nader onderzoek naar de omvang van de verontreiniging door asbest is noodzakelijk. Op de locatie Molendijk 70 is zowel de boven- als de ondergrond ter plaatse niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. In het grondwater is enkel een lichte verontreiniging met barium vastgesteld. Behoudens een lichte verontreiniging met OCB en lood is in de bovengrond van de gedempte sloot een verontreiniging met asbest vastgesteld. De ondergrond is op een diepte van 0,5-1,0 m-mv matig verontreinigd met PAK en minerale olie. Ter plaatse van de toekomstige bouwlocatie dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de omvang (ernst) en mate (risico's) van de sterke verontreiniging met minerale olie, PAK en zware metalen en asbest in de grond. Om de verontreiniging door middel van dit nader onderzoek goed in kaart te kunnen brengen, dienen eerst de opstallen te worden gesloopt. Indien uit het onderzoek blijkt dat sanering benodigd is, zal dit worden uitgevoerd zodat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

4.5 Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.

In de omgeving van het plangebied liggen enkele risicovolle inrichtingen (zie afbeelding 16). Op 175 meter ligt, ten zuiden van het plangebied, aan de Oudelandsedijk 15 de Maatschap Dogterom-Nowé. Dit bedrijf is actief in de teelt van groenten en wortel- en knolgewassen. Op het terrein zijn twee propaantanks gelegen. De risicoafstand voor beide tanks is 25 meter. Op ongeveer 380 meter afstand van het plangebied ligt aan het Korteweegje 42 Koelhuis Mijs. De hoofdactiviteit van het bedrijf is opslag in koelhuizen. Op het terrein staat een bovengrondse propaantank. De risicoafstand is 20 meter. Op 250 meter afstand, ten noorden van het plangebied, is op het perceel Langeweg 1 een bovengrondse propaantank aanwezig waardoor een risicoafstand van 20 meter geldt. Door de ruime afstand van het plangebied tot deze inrichtingen vormen deze risicovolle inrichtingen geen belemmering voor de gewenst ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0016.jpg"

Afbeelding 16 | Uitsnede Risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Op ongeveer 225 meter afstand van het plangebied ligt de Langeweg (N215). Over de N215 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De risicocontour is 28 meter (PR 10-8). Deze afstand geldt voor het trajectdeel 'z95: N215: N59 / N215 (Oude-Tonge) - Middelharnis'. De nieuwbouw van de woningen (kwetsbare objecten) is niet gelegen binnen de afstand van de plaatsgebonden risicocontour. Er is daardoor geen verantwoording van het groepsrisico nodig. Verder zijn er in de directe nabijheid van het plangebied geen transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt hierdoor geen belemmering om het gewenste plan te realiseren.

4.6 Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.

Aan de noord- noordwest en zuidwestkant zijn wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur gelegen. Het gaat om de Molendijk en de Burgemeester Overdorpstraat. Een geluidsgevoelige bestemming die gerealiseerd wordt langs een 30 km-weg of in een woonerf wordt niet beoordeeld in het kader van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet wel een aanvaardbaar akoestische kwaliteit worden bereikt. Vanwege de te verwachten lage toekomstige verkeersintensiteiten op deze wegen kan op basis van deze wegen een goed woon- en leefklimaat worden gerealiseerd.

Op ongeveer 225 meter afstand van het plangebied ligt de N251 (Langeweg). Hier geldt een snelheidsregime van 60 km/uur. Hierdoor ligt het plangebied binnen de geluidzone, van 250 meter, van de N251 (Langeweg). Op dit moment heeft de N251 nog twee rijstroken. Echter, om de verkeersveiligheid en de doorstroming op de N215 te verbeteren, heeft de provincie samen met de gemeente en het waterschap een nieuw ontwerp ontwikkeld voor de N215. Ongeveer ter hoogte van het plangebied wordt een ongelijkvloerse kruising en rotonde aangelegd. Na (mogelijke) herinrichting van deze weg bestaat de N251 ter hoogte van het plangebied uit vier rijstroken. Hiervoor geldt een geluidszone van 400 meter. Ook komt het plangebied (gedeeltelijk) binnen de zone van de Oudelandsedijk te liggen. Daarom dient de optredende geluidbelasting vanwege deze wegen te worden getoetst aan de geluidnormen uit de Wet geluidhinder.

Door Kraaij Akoestisch Adviesbureau is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (d.d. 24 januari 2022). Het rapport is als Bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd.

Op basis van de rekenresultaten van zowel de geluidgezoneerde wegen, ten hoogste 49 dB vanwege de N215 en ten hoogste 42 dB vanwege de Oudelandsedijk, als vanwege de niet geluidgezoneerde wegen, ten hoogste 56 dB zowel vanwege de nieuwe ontsluitingsweg als vanwege alle 30 km/u wegen samen, kan geconcludeerd worden dat niet overal voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde of richtwaarde van 48 dB.

Vanwege de N215 vindt op twee bouwvlakken, maar slechts aan één gevelzijde per bouwvlak, een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaats. De overschrijding bedraagt 1 dB. Uit maatregelenonderzoek blijkt dat bron- of overdrachtsmaatregelen stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige of financiële aard en niet doelmatig zijn om een kleine overschrijding van de voorkeursgrenswaarde te niet te doen. Daarom dient een hogere waarde vanwege de N215 te worden vastgesteld van 49 dB.

Voor de hogere geluidbelasting op twee bouwvlakken vanwege de nieuwe ontsluitingsweg (30 km/u) zijn geen maatregelen haalbaar of voldoende doelmatig. Voor de woningen binnen deze bouwvlakken met een cumulatieve geluidbelasting van meer dan 53 dB wordt geadviseerd maatregelen aan de gevel te treffen, zodanig dat een binnenwaarde van 35 dB in verblijfsruimten wordt bereikt.

Uit de rekenresultaten na cumulatie van geluid vanwege wegverkeerslawaai blijkt dat de geluidbelasting 33 – 62 dB bedraagt. Daarmee dient het akoestisch woon- en leefklimaat bij het plangebied te worden beoordeeld als overwegend redelijk tot goed, volgens de kwaliteitsmaat. Enige uitzondering hierop betreft de zuidoostgevel van bouwvlak D3, E3 en E2 waarbij een matige (E2 en E3) of tamelijk slechte (D3) beoordeling van het akoestisch woon- en leefklimaat van toepassing is.

Gelet op de bovenstaande kwalificering in relatie tot de stedelijke ligging van het plangebied, kan het akoestisch woon- en leefklimaat als aanvaardbaar worden aangemerkt. Ook omdat alle woningen binnen het plangebied zodanig kunnen worden gepositioneerd, dat overal minimaal één geluidluwe gevel aanwezig zal zijn. Er is in onderhavige situatie dus sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.7 Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.

In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen.

4.8 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.

Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

In dit geval is er sprake van een woningbouwlocatie met maximaal 150 nieuwe woningen. Volgens de regeling is er in dat geval dus geen sprake van een ontwikkeling die in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Desondanks is de te verwachten verkeersgeneratie in de NIBM-tool ingevoerd, zie onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0017.png"

Afbeelding 17 | Resultaat NIBM-tool

Uitgaande van een extra verkeersgeneratie van 1.046 motorvoertuigen per etmaal (zie paragraaf 4.10), draagt het plan niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (zie afbeelding 17). De concentratiebijdrage ligt ruim onder de NIBM-grens van 1,2 µg/m3.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt aan de hand van NSL-monitoringstool. In de onderstaande afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0018.jpg"

Afbeelding 18 | Uitsnede NSL 2020-monitor (bron Rijksoverheid)

Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 18,5 µg/m3 (rekenpunt 16006256), 17,4 µg/m3 en 10,1 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3 ) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden.

De luchtkwaliteitssituatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.

4.9 Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied en niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of overige (provinciaal) beschermde gebieden, waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op grote afstand van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door geluid, trilling en licht) verwacht. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het gebied 'Grevelingen' en ligt op een afstand van ongeveer 2,7 km. Op ongeveer een afstand van 3,2 km ligt het Natura 2000-gebied 'Krammer-Volkerak' en op ongeveer 5,8 kilometer ligt het Natura 2000-gebied 'Haringvliet'.

Voor dit plan dient de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. Voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie Bijlage 10). Ten aanzien van de aanlegfase is daarbij onderscheid gemaakt in de fase van het bouwrijp maken in het jaar 2023 en vervolgens het gefaseerd bouwen van de woningen. Daarbij is uitgegaan van 50 woningen per jaar. Ten slotte is de gebruiksfase voor het jaar 2027 berekend, ervan uitgaande dat dan alle woningen gerealiseerd zijn. Voor de gebruiksfase is uitsluitend het extra verkeer van belang. Hierbij zijn de gegevens (verkeersgeneratie) uit paragraaf 4.10 als uitgangspunt genomen. Voor alle berekeningen geldt dat de uitkomsten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee heeft het project geen significant negatieve effecten op de Natura2000-gebieden.

Soortenbescherming
Het plangebied bestaat uit agrarische gronden en watergangen. De ontwikkeling kan effecten hebben op eventuele aanwezige beschermde plant- en diersoorten. Door Ecolybrium Ecologisch Onderzoek en Advies is op 20 oktober 2020 een quikscan flora en fauna uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten (zie Bijlage 11).

Uit de quickscan blijkt dat:

  • er geen effecten optreden door het realiseren van nieuwbouw op beschermde vaatplanten, broedvogels, amfibieën, vissen, grondgebonden zoogdieren, libellen, dagvlinders, reptielen en overige ongewervelden;
  • er geen effecten optreden ten aanzien van foeragerende vleermuizen;
  • er geen nader soortgericht onderzoek nodig is omdat er geen knelpunten te verwachten zijn op de aanwezige soorten en soortgroepen;
  • er geen overtredingen plaatsvinden in het kader van de Wet natuurbescherming.

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.

Voor de aspecten parkeren en verkeersgeneratie is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' gehanteerd. De gemeente Goeree-Overflakkee is aangeduid als 'weinig stedelijk' gebied. De locatie is aan te merken als het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Binnen de gemeente Goeree-Overflakkee wordt daarbij uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte die in de norm is opgenomen. Het plan bestaat uit grondgebonden woningen in verschillende bebouwingstypes: rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen. Echter is niet het exacte aantal per woningtype vastgelegd. Er wordt uitgegaan van een bandbreedte. Op basis van de woningdifferentiatie, zoals opgenomen in Bijlage 1 is de verkeersgeneratie berekend.

Parkeren
Het parkeren bij de rijwoningen vindt in de openbare ruimte plaats. Bij de twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen is er ruimte om ook op eigen terrein te parkeren. Bij de rijwoningen aan de westzijde en zuidzijde worden zogenaamde parkeerkoffers aangelegd. Dit zijn kleine parkeerterreintjes tussen de clusters met rijwoningen. Hiermee hoeven in de straat minder parkeerplaatsen te worden aangelegd waardoor er minder auto's in het straatbeeld aanwezig zijn en er meer ruimte is voor een groene invulling. Ter plaatse van de westelijke straat is in het profiel rekening gehouden dat 1/3 van de lengte gebruikt kan worden voor parkeren.

Het parkeren wordt binnen het plangebied van het bestemmingsplan opgelost. In de planregels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat een omgevingsvergunning pas verleend kan worden indien in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. In voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien als bij vergunningverlening aangetoond kan worden dat minimaal de richtlijn uit de CROW-publicatie wordt gehanteerd (of opvolgende normen op basis van een recenter parkeerbeleid/CROW-publicatie). Indien minder dan het toegestane aantal woningen wordt gerealiseerd zijn ook minder parkeerplaatsen nodig.

Conform de CROW-publicatie 381 zijn de parkeernormen voor koopwoningen in een gebied met de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk gebied' en in het gebiedstype 'rest bebouwde kom' als volgt:

Type woning   Minimum aantal parkeerplaatsen per woning   Maximum aantal parkeerplaatsen per woning   Gemiddelde aantal parkeerplaatsen per woning  
vrijstaand   1,9   2,7   2,3  
twee-onder-één-kap   1,8   2,6   2,2  
drie-onder-één-kap   1,8   2,6   2,2  
tussen/hoek   1,6   2,4   2,0  
appartement (huur)   1,0   1,8   1,4  

Tabel 1 | Parkeernormen conform CROW-publicatie

 

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling
Voor de verkeersgeneratie (weekdag gemiddelde) wordt uitgegaan van de volgende normering:

Type woning   Aantal woningen   Minimum verkeersgeneratie   Maximum verkeersgeneratie   Gemiddelde verkeersgeneratie   Totale verkeersgeneratie  
vrijstaand   12   7,8   8,6   8,2   98,4  
twee-ondere-éénkap   12   7,4   8,2   7,8   93,6  
tussen/hoek   91   7,0   7,8   7,4   673,4  
appartement (huur)   23   3,7   4,5   4,1   94,3  
Bebo-woningen (appartement, koop, midden)   12   5,6   6,4   6,0   72,0  
Totaal   150         1.032  

Tabel 2 | Verkeersgeneratie op basis van CROW-publicatie

Hierbij is uitgegaan van een aanname van het aantal woningen per type conform de nu voorgestelde woningdifferentiatie. Bij de verdere uitwerking van het plan, kan hiervan afgeweken worden. De verkeersgeneratie bedraagt in totaal gemiddeld 1.032 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De hoofdontsluiting van de wijk ligt parallel aan de Burgemeester Overdorpstraat en wordt ontsloten op de nieuwe beoogde ontsluiting aan de Oudelandsedijk - Hertog Jan van Beierenlaan. Verder wordt aan de noordwestzijde een (langzaam) verkeersverbinding aangelegd welke aansluit op de Burgemeester Overdorpstraat ter hoogte van de Kerkstraat. De nieuwe ontsluiting aan de zuidzijde wordt aangelegd in het kader van de reconstructie van de N215 en wordt de hoofdontsluiting van Nieuwe-Tonge. Met de herinrichting van de N215 (Langeweg) wordt namelijk ook de ontsluiting van het gehele dorp Nieuwe-Tonge gewijzigd. De ontsluiting via de Molendijk op de N215 komt te vervallen. De hoofdontsluiting van Nieuwe-Tonge gaat via de Oudelandsedijk plaatsvinden welke een ongelijkvloerse kruising wordt met de N215. De nieuwe woonwijk zal direct op deze nieuwe ontsluiting op de Oudelandsedijk ontsloten worden richting de N215. Gezien de functie van deze nieuwe ontsluiting, wordt de nieuwe weg zodanig gedimensioneerd dat dit alle verkeer kan afwikkelen inclusief de nieuwe woonwijk. De toename van het aantal verkeersbewegingen heeft daarom geen nadelige invloed op de goede werking van de omliggende wegen. Vanuit verkeerskundig oogpunt is sprake van een acceptabele verkeerssituatie.

4.11 Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta (WSHD) dat zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het oppervlaktewater beheert. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau. Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Voor het adviseren over en uiteindelijk beoordelen van ruimtelijke plannen van derden maakt het waterschap gebruik van het watertoetsproces.

Voldoende water - wateroverlast 
Het streefbeeld is een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Zo'n systeem kan het water, conform de daarvoor vastgestelde normen en zonder overlast te veroorzaken, verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het watersysteem dient te voldoen aan het principe van waterneutraal bouwen, dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken en infiltratie van water mogelijk te maken. Uitgangspunt vasthouden-bergen-afvoeren Bij het oplossen van waterhuishoudkundige problemen wordt afwenteling voorkomen. Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen dienen bij voorkeur in het plangebied gevonden te worden. Indien dit niet mogelijk is dient dichtbij het plangebied compensatie gezocht te worden. Compensatie dient in ieder geval binnen hetzelfde peilgebied plaats te vinden. De verbindingen tussen wateren horen daar ook bij. Bij een plan wordt gebruik gemaakt van de vuistregel dat 10% van de toename aan m² verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Hierbij geldt een ondergrens van 500 m2 in het stedelijk gebied en 1.500 m² in het landelijk gebied.

Het plangebied ligt in het stedelijk gebied. Het plangebied is in de huidige situatie nagenoeg volledig onverhard. Met de gewenste ontwikkeling wordt verharding toegevoegd in de vorm van bebouwing en oppervlakteverharding. De toename aan verharding zal circa 32.590 m2 bedragen. Hiervoor is een compenserende waterberging nodig van 10%. Dit bedraagt 3.259 m2. Ten behoeve van de nieuwe inrichting wordt 697 m2 aan sloten gedempt. Ook deze oppervlakte dient gecompenseerd te worden, waarmee er sprake is van een oppervlakte van totaal 3.956 m2 aan te compenseren water. In de toekomstige situatie zal 3.961 m2 aan water aangelegd worden, waardoor voorzien wordt in voldoende waterberging.

In de regels (artikel 12.3) van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarin is vastgelegd dat de woningen uitsluitend in gebruik mogen worden genomen indien er naar evenredigheid van de aangelegde verharding, voldoende watercompensatie is gerealiseerd. In Bijlage 5 van de regels is hiertoe de inrichtingstekening met gedetailleerde berekening van de watercompensatie toegevoegd. Deze watercompensatie is voorzien in het plangebied door middel van de aanleg van een grote vijver/kreek in het midden van het plangebied, de aanleg van een nieuwe watergang en verbreding van een bestaande watergang met een totale oppervlakte van 3.264 m2. Hierdoor wordt voorzien in voldoende waterberging binnen het plangebied.

Schoon water - goed omgaan met afvalwater
Menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. De strategie is voor nieuw te ontwikkelen terreinen uitgegaan wordt van het niet aankoppelen van hemelwater op het rioolstelsel. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door stedelijk afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Gestreefd wordt om schoon hemelwater in bestaand gebied af te koppelen van het rioolstelsel. Het hemelwater afkomstig van schone oppervlakken wordt geïnfiltreerd of direct afgevoerd naar open water.

De afvoer van het afvalwater wordt aangesloten op het rioolstelsel. Het hemelwater zal via de bodem afstromen naar het oppervlaktewater. Het plan heeft geen invloed op de grondwaterkwaliteit. Er worden geen producten of materialen gebruikt die een nadelige invloed kunnen hebben op het grondwater. Er worden geen (bouw)materialen gebruikt waardoor het afstromende hemelwater verontreinigd kan worden.

4.12 Duurzaamheid

Klimaatadaptatie

De provincie wil tijdig en adequaat inspelen op het opwarmende klimaat. Door de mondiale opwarming stijgt de zeespiegel en worden weerpatronen beïnvloed. Hierdoor neemt in Zuid-Holland de intensiteit van neerslag toe, is sprake van een toename van het aantal hittegolven en neemt de kans op extreme droogteperiodes toe. Verder daalt de bodem en neemt de brakke kwel toe. Deze veranderingen zullen de komende decennia voor nieuwe uitdagingen zorgen.

In het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 wordt onder andere aandacht besteed aan klimaatadaptatie. Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van de beleidsuitwerking in het regionaal waterprogramma. Klimaatverandering heeft immers grote impact op de wateropgaven, door andere veranderende rivierafvoeren, veranderende neerslagpatronen, zeespiegelstijging en toenemende watervraag door hitte, droogte en verzilting.

Duurzaam benutten en beheren ondergrond
De ondergrond maakt onlosmakelijk deel uit van ruimtelijke opgaven. De ondergrond is de basis voor ruimtelijke ontwikkeling. De karakteristieken van de ondergrond zijn bepalend voor het landschap en de wijze waarop door de eeuwen heen deze landschappelijk zijn ingericht en steden en dorpen zijn gebouwd.

De ondergrond wordt steeds intensiever gebruik. Het wordt daarom steeds belangrijker om ruimtelijke functies in de ondergrondse ruimte te ordenen en te positioneren.

Plangebied

Klimaatrisico hitte
In het plan wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie door te voorzien in voldoende groen en water. Door de aanleg van groenvoorzieningen en wateroppervlaktes wordt het klimaatrisico op hittestress verminderd. Ook de aanplant van bomen waardoor er meer schaduwwerking is tijdens hete en zonnige periodes leidt tot een vermindering van hittestress. In het plangebied is centraal een grote groenvoorziening voorzien met een waterpartij. Tevens is er sprake van een ruime opzet van de straatprofielen. Hierin wordt voorzien in brede groenstroken langs de straat waarin ook ruimte is voor de aanplant van bomen. Zie hiervoor Bijlage 1 en Bijlage 2 van de regels waarin de profielen van de twee hoofdstraten in het plangebied zijn opgenomen.

Klimaatrisico droogte
Waar mogelijk wordt het regenwater in de bodem geïnfiltreerd. Hierdoor blijft het risico op (zettings-)schade door langdurige droogte klein. Zoals ook onder 'klimaatrisico hitte' is aangegeven, is er in de wegprofielen voldoende ruimte voor groen en het aanplanten van bomen. Dit zorgt voor schaduwwerking en minder droogte.

Klimaatrisico wateroverlast en overstroming
In het plan is een waterpartij voorzien en tevens worden er watergangen verbreed. Tijdens hevige buien kan hier opvang van regenwater plaatsvinden. Daarnaast zijn in de profielen ook (brede) groenstroken voorzien. Deze profielen zijn in Bijlage 1 en Bijlage 2 van de regels opgenomen. Hiermee is in de straten minder verharding aanwezig en kan regenwater in de grond infiltreren. Wateroverlast in bijvoorbeeld voortuinen wordt hiermee voorkomen.

Het plangebied is niet in of nabij een waterkering gelegen. De planontwikkeling heeft daarmee geen effect op de waterkeringen en de waterveiligheid van Nieuwe-Tonge. Op basis van de kaart 'Maximale waterhoogte bij een dijkdoorbraak' van de Atlas Leefomgeving is het plangebied niet gelegen in een gebied met een overstromingsrisico.

Klimaatrisico bodemdaling
De bodem is in gebruik als agrarische grond. Er zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig. De bodem wordt vooralsnog niet benut voor aardwarmte of warmte-koude opslag.

De bodem binnen het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit zeekleigronden. Het kleidek heeft een dikte tussen de 1,00 meter en 1,20 meter. Het plangebied betreft geen sterk afgegraven, opgehoogd of verwerkt terrein. Er is sprake van een stabiele bodem.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.NTHofvanLucard-BP30_0019.png"

Afbeelding 19 | Laag van de ondergrond 1 en 2 (bron: bodematlas Provincie Zuid-Holland)

Technische uitwerking plan
Het plan wordt in een later stadium civieltechnisch uitgewerkt. Dit wordt na de fase van het bestemmingsplan gedaan. Tijdens de civieltechnische uitwerking kan er verder vorm worden gegeven aan de te nemen (technische) maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Vooralsnog is er geen sprake van klimaatrisico's voor het plangebied.

4.13 Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.  Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.

In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

In onderdeel D is de activiteit 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein' opgenomen met een drempelwaarde van een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen. Een vormvrije m.e.r-beoordeling is noodzakelijk. Hiervoor is een aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 12). Uit deze notitie blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) is daardoor niet noodzakelijk.

4.14 Conclusie

Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.

Dit plan voorziet in de bouw van maximaal 150 woningen. Dit betreft een bouwplan, zoals dat hierboven is benoemd. De gemeente Goeree-Overflakkee sluit met de initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst waarin onder andere het kostenverhaal is geregeld. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Ook eventuele planschade wordt op de initiatiefnemer verhaald. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning zullen de gebruikelijke leges in rekening worden gebracht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg
Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan in ieder geval toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio.

Inspraak
Conform de Wet ruimtelijke ordening is het niet verplicht om een inspraakprocedure te volgen. De gemeente is vrij om toch inspraak te verlenen. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen (van 22 december 2021 tot en met 2 februari 2022). Tijdens deze terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld om een inspraakreactie in te dienen. Het resultaat van de inspraak is verwoord in een 'Notitie inspraak en overleg'. Deze notitie is als Bijlage 13 bij het bestemmingsplan gevoegd.

Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan
Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb is het ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken bij de gemeenteraad. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen. De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een 'Nota zienswijzen'. Deze nota is als Bijlage 16 bij het bestemmingsplan gevoegd.