direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Batterijenweg 19, Kesteren
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

De familie Timmer (initiatiefnemer) is voornemens om op het terrein van de molen 'De Zwaluw' aan de Batterijenweg 19 te Kesteren een nieuwe zalenaccommodatie en daaronder een bowlingbaan te bouwen.

Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel het juridisch-planologisch kader vast te leggen, waarbinnen deze ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt.

1.2 Plangebied

Het plangebied is gelegen op de overgang van het buitengebied en het bedrijventerrein 't Panhuis ten oosten van Kesteren. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0001.jpg"

Bron: openstreetmaps

1.3 Aanpak

Voor het plangebied wordt de bestemming herzien, een nieuw bouwvlak vastgelegd en worden voorzien in een regeling voor de nieuwe functies en de landschappelijk inpassing. In dit document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De nieuwe bestemming, inclusief de nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden, zijn vastgelegd in de regels en aangeduid op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

1.4 Vigerend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan waarbinnen het plangebied ligt is "Bedrijventerreinen" dat op 27 juni 2013 is vastgesteld. Het plangebied heeft de bestemming "Bedrijventerrein". Hierbinnen zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan tot en met categorie 3.2. Het molengebouw is specifiek aangeduid voor horeca (inclusief zalenaccommodatie). Ten zuiden van het molengebouw is een bouwvlak opgenomen voor de recent gebouwde opslagruimte. In het noordwesten van het plangebied is een bouwvlak opgenomen waar een schuur was beoogd voor het houden van bijvoorbeeld schapen. Dit is nog niet gerealiseerd.

Het bouwperceel mag voor maximaal 80% worden bebouwd. De maximum bouwhoogte binnen alle bouwvlakken is 13 meter, met uitzondering van de molen waarvoor een maximum bouwhoogte van 25 meter is opgenomen. Langs de westzijde van het plangebied is nog een strook bestemd als watergang met daarlangs een bebouwingsvrije zone 'Waterstaat- Waterlopen', die nodig is voor het onderhoud van de watergang. Over het gehele plangebied ligt de gebiedsaanduiding 'WRO-zone – geen bedrijfswoning toegestaan'. Verder heeft het gebied een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 4' ter bescherming van het archeologisch bodemarchief.

Het voorliggend initiatief is binnen het geldend bestemmingsplan niet toegestaan. Om op deze locatie een nieuwe feestzaal en het bowlingcentrum te kunnen realiseren is daarom voorliggende bestemmingsplan opgesteld.

Op onderstaande afbeelding is een uitsnede uit het geldend bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" opgenomen ter plaatse van het plangebied met in blauw de locatie van de beoogde uitbreiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0002.png"

Plangebied in het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen". Met rood omlijnd het plangebied en met blauwe cirkel de globale ligging van de uitbreiding van het zalencentrum

1.5 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie. In hoofdstuk 3 gaat in op het initiatief. Hoofdstuk 4 omvat een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 5 is het project inhoudelijk op uitvoerbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 6 is ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 7 is de juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Karakteristiek van de omgeving

Het plangebied ligt op de rand van het bedrijventerrein 't Panhuis en in de directe nabijheid van het recreatieterrein De Linie en de Markplas.

Het bedrijventerrein 't Panhuis, ten oosten van de kern Kesteren, is een gemengd bedrijventerrein. Hier mogen bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 zich vestigen. Op 't Panhuis is geen sprake van segmentering in een bepaald type bedrijvigheid. Het terrein is een klassiek voorbeeld van een gefaseerd uitgegeven gemengd bedrijventerrein. Hiermee is men begonnen in de jaren '60. Sinds die tijd is het bedrijventerrein uitgebreid en geïntensiveerd, maar de tijd heeft er ondertussen wel haar sporen nagelaten. Om die reden is in samenwerking met de gemeente, provincie en de ondernemers een revitaliseringsplan opgesteld.

Ten oosten van het plangebied liggen de recreatieterreinen De Linie en De Markplas. Deze recreatieparken lopen grotendeels langs de historische lijn van de Betuwestelling. Ten noorden van de recreatieterreinen is het voormalig hoornwerk 'Aan de Spees' gelegen (grenzend aan de Rijnbandijk). Dit hoornwerk maakte in het verleden onderdeel uit van de Grebbelinie en Betuwestelling. In een nog verder verleden liep hier ook de grens van het Romeinse Rijk, de zogenaamde Limes.

2.2 Het plangebied

Het restaurant en zalencentrum De Molen maken onderdeel uit van het terrein behorende bij het naastgelegen Babypark en meubelpark De Bongerd. Dit terrein is onderscheidend ten opzichte van de rest van het bedrijventerrein door de groene lommerrijke uitstraling en nostalgische sfeer. Tevens is aan deze zijde een tweetal bedrijfswoningen gelegen. Het plangebied rond de molen staat qua bedrijfsactiviteiten en uitstraling nog verder af van het bedrijventerrein. De uitstraling van het terrein sluit meer aan op de landelijke en recreatieve uitstraling van het buitengebied.

Het bestaande pand inclusief de molen is in 2002 nieuw gebouwd voor de familie Timmer met gebruikmaking van onderdelen van een Duitse molen. De naam De Zwaluw is een verwijzing naar de verwoeste molen in Brakel, die destijds eigendom was van de familie. De molen is een grote achtkantige molen van het type bovenkruier. De molen is geplaatst op een half kruisvormig gebouw. Op de begane grond is het restaurant en op de verdieping zijn diverse kleine zalen aanwezig. De keuken en opslagruimte zijn in een kelder gesitueerd.

Ten zuiden van het molengebouw is recent een opslagruimte gerealiseerd. De uitstraling van het gebouw refereert naar een maalderij. Aan de zuidzijde van het plangebied, nabij de entree is een opslagschuurtje aanwezig.

Het plangebied is via het bedrijventerrein voor de auto toegankelijk. De entree van het Babypark/meubelpark en De Zwaluw is benadrukt met een boog over de weg, waardoor je je als het ware in een andere wereld begeeft. Er is een parkeerterrein aanwezig dat is ingekleed met bomen, hagen en gras. Ten westen van het molengebouw is een terras met aansluitend een speelterrein gelegen. Ten noorden en zuiden van het molengebouw is een boomgaard aanwezig.

Het plangebied heeft een totale omvang van circa 1,5 ha. Bijgevoegd zijn enkele foto's opgenomen die een beeld geven van het plangebied in zijn huidige vorm.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0003.jpg"

Luchtfoto met in rood het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0004.jpg"

foto vanaf de stelling op de locatie van de beoogde nieuwbouw

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0006.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0007.png"

Foto's bestaande situatie (bron www.molendezwaluw.nl)

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Algemeen

Voor de locatie zijn uitgangspunten geformuleerd die de basis vormen voor het bestemmingsplan. De uitgangspunten komen voort uit de stedenbouwkundige context, de wensen van omwonenden en de initiatiefnemer. Hieronder wordt achtereenvolgens de stedenbouwkundige context en uitgangspunten beschreven. Tevens zijn een uitgangspuntenschets en 3D schetsen gemaakt om een impressie te geven van de nieuwe situatie en beoogde beeldkwaliteit.

3.2 Toekomstig plan

Stedenbouwkundige context

Het plangebied is beleidsmatig en qua ontsluiting onderdeel van het bedrijventerrein 't Panhuis. Doordat het gebied qua functie en uitstraling zich duidelijk onderscheidt ten opzichte van het bedrijventerrein kan worden gesteld dat het stedenbouwkundig gezien geen onderdeel uitmaakt van dit bedrijventerrein. De sfeer wordt bepaald door de molen en de bijbehorende gebouwen met een nostalgische verschijningsvorm. Ook door het gegeven dat de locatie in de directe nabijheid van recreatieterreinen en de Grebbelinie (en Limes) is gelegen, sluit een recreatieve functie in een historische setting eerder aan op het karakter van dat gebied dan dat het bij het bedrijventerrein hoort. Het plangebied is reeds afgescheiden van een watergang dat rond het bedrijventerrein is gelegen.

Stedenbouwkundige uitgangspunten

Voor de nieuwe inrichting en bebouwing is een aantal ruimtelijke uitgangspunten opgesteld. Dit zijn stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en uitgangspunten voor de erfinrichting en buitenruimte. Deze zijn hieronder beschreven en verbeeld op een tekening en 3D-impressies.

Programma

  • 1. De zaal moet geschikt zijn om circa 380 gasten te ontvangen.
  • 2. Onder het gebouw zal een bowlingcentrum worden gerealiseerd, bestaande uit 6 banen.

Stedenbouw

  • 1. De nieuwbouw voegt zich in de verkaveling van de molen met bijbehorende losse bebouwing rondom een gezamenlijk erf.
  • 2. De nieuwbouw verstoort, gezien vanaf de Markstraat, niet het open groene karakter.
  • 3. De verschillende gebouwen zijn afzonderlijk herkenbaar (afstand minimaal 5 m tussen hoofdgebouwen), en kunnen alleen middels ondergeschikte (transparante) bouwdelen met elkaar worden verbonden.
  • 4. Door de nieuwbouw aan de noordwestzijde van de molen te situeren, ligt deze vanaf de entree in het zicht.
  • 5. De bebouwingsrichting staat haaks op de bebouwingsrichting van het molengebouw.
  • 6. De massa heeft een maximum grondvlak van 700 m2.
  • 7. De bestaande schuur aan de zuidzijde van het plangebied wordt gesloopt (circa 90 m2).
  • 8. Aan de noordwestzijde van het plangebied is conform het vigerend bestemmingsplan nog een bouwmogelijkheid aanwezig voor een dierenverblijf eventueel gecombineerd met een hooischuurtje, dit blijft gehandhaafd.

Architectuur

  • 1. De uitstraling van de nieuwbouw is afgestemd op het ensemble van nostalgische bebouwing rond de molen en draagt bij aan deze functie.
  • 2. De hoofdmassa's zijn als losse bebouwing herkenbaar door aan- en uitbouwen zoveel mogelijk te beperken.
  • 3. De hoofdentree van de molen wordt benadrukt, al dan niet met een bouwkundig element. Hierdoor is het bouwvlak met enkele meters vergroot. Hiermee ontstaat ook meer ruimte om gasten goed te kunnen ontvangen.
  • 4. De bebouwing bestaat uit 1 tot 1,5 laag met kap.
  • 5. De maximale bouwhoogte is overeenkomstig met het molengebouw (circa 10 m).
  • 6. De hoofdentree is gericht op het gezamenlijk erf.

Erfinrichting/openbare ruimte

  • 1. Het erf (tussen hoofdmassa's) is ingericht met verharding met waar mogelijk bomen; de parkeerplaatsen liggen onder een bladerdek.
  • 2. Het erf is nabij de entrees van de gebouwen autovrij.
  • 3. Rond de hoofdmassa's is sprake van een parkachtige/groene inrichting met (fruit)bomen, enkele paden en een speelterrein tussen de nieuwbouw en de bestaande watergang ten westen daarvan.
  • 4. Aan de noordzijde van de nieuwbouw is hoogopgaande beplanting aanwezig waardoor vanaf de dijk gezien de groene uitstraling niet wordt aangetast.
  • 5. De randen van het perceel zijn voorzien van een groene haag en enkele bomen.
  • 6. Op het terrein zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig op basis van de Nota Parkeernormen van de Gemeente Neder-Betuwe, aangevuld door kencijfers van het CROW.
  • 7. De auto-ontsluiting loopt, overeenkomstig de huidige situatie, via het bedrijventerrein. Door eenrichtingsverkeer in te stellen kan het aantal autobewegingen in de avonduren langs het perceel Markstraat 2a worden beperkt.
  • 8. Het terrein is via de noordzijde ook toegankelijk voor recreanten die naar het restaurant en/of bowlingbaan willen, waarmee de relatie met het recreatiegebied en recreatieve routes aanwezig blijft en wordt versterkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0008.jpg"

Globale ruimtelijke invulling van het plangebied met de stedenbouwkundige uitgangspunten

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0010.png"

3D schetsen van de beoogde nieuwbouw (Bron: Bouwkundig adviesbureau van Zeist)

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het ruimtelijk beleid op rijksniveau is onder andere opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang.

In het Besluit algemene regels en ruimtelijke ordening (Barro) heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee het SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend verankerd.

Een meer algemeen onderwerp uit het SVIR is de duurzame verstedelijking. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder bestaat uit drie 'stappen' welke doorlopen moeten worden. Dit zijn:

  • 1. de voorgenomen stedelijke ontwikkeling dient te voorzien in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit stap 1 volgt dat de ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte moet beschreven worden in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. indien uit stap 2 blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in, of in de directe nabijheid van, een van de aangewezen gebieden waarover de SVIR en Barro een specifieke uitspraak doet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Het voorgenomen programma en nieuwbouw sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Hiertoe is een onderzoek uitgevoerd, dat in bijlage 1 is opgenomen.

Aan de hand van een analyse van de markt en het huidig aanbod in de omgeving is de ladder voor duurzame verstedelijking voor beide functies doorlopen.

Bowlingbaan

Trede 1 (betreft regionale behoefte): Distributief gezien is de behoefte aan een bowlingbaan niet te peilen, omdat er geen distributieve gegevens en achtergronden aanwezig zijn. Met een distributieve analyse kan normaliter een beeld worden geschetst van een ruimtevraag. Er is echter wel een andere overweging te maken voor de beoordeling van deze ruimtevraag. In de gemeente Neder-Betuwe en ook de naastgelegen gemeente Buren, respectievelijk bijna 23.000 en 26.000 inwoners is momenteel géén bowlingbaan. Gezien het feit dat in Nederland de consument een bowlingbaan het liefst dichtbij huis bezoekt (< 5 km) is gekozen voor het peilen van de behoefte in het primaire marktgebied, de gemeente Neder-Betuwe (met als secundair marktgebied de gemeente Buren). De bowlingbanen die er zijn in de regio liggen veel verder weg (namelijk in Rhenen, Tiel en Zetten). Gezien het ontbreken van aanbod in de gemeente Neder-Betuwe is een behoefte aan een bowlingbaan overduidelijk en de aanvraag voor dit plan legitiem. Er zijn daarnaast geen nieuwe initiatieven bekend voor een bowlingbaan in deze regio. Daarbij vindt er een goede oplossing plaats van een benutting van de ruimte, doordat het bowlingcentrum in de kelder van een gebouw wordt geplaatst. Een optimale benutting van de ruimte. Er zal gepeild moeten worden of er geen leegstand is. Er zijn geen leegstaande bowlingbanen in de gemeente bekend. Een bowlingbaan is een dermate specifiek gebouw dat niet makkelijk een uitwisseling met andere functies kan plaatsvinden. Doordat er geen bowlingbaan op dit moment is in de gemeente, is het ontstaan van leegstand niet aan de orde, echter ook niet op banen buiten de gemeente, daarvoor gaan eventuele markteffecten te verspreid plaatsvinden. Daarbij kan bovenstaande opmerking worden aangehaald. De herkomst van de klanten en omzet van de nieuwe bowlingbaan zullen zeer diffuus zijn, voor een deel zal deze zelfs komen van klanten die nu niet naar een bowlingbaan gaan omdat deze te ver weg zijn gelegen.

Trede 1 van de Ladder voor duurzame verstedelijking kan dan ook met ja worden beantwoord.

Trede 2 (betreft opvang elders in stedelijk gebied): De tweede trede is of deze behoefte kan worden opgelost binnen een bestaand stedelijk gebied. Zoals bovenstaand is aangegeven is een bowlingbaan een gebouw met een zeer specifiek karakter dat niet snel inwisselbaar is met een ander pand. Voor deze locatie wordt gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied. De locatie is onderdeel van een bedrijventerrein aansluitend bij de kern Kesteren. Een dergelijk gebouw past ook minder goed of zelfs niet midden in een kleine dorpskern gezien de ruimtevraag en parkeerbehoefte. Op deze locatie kan daar wel goed in worden voorzien. Hierbij kan worden opgemerkt dat ook wordt aangesloten bij een bestaande vestiging van enerzijds een zalencentrum en anderzijds is er de combinatie met het Babypark/De Bongerd en de recreatieterreinen/campings ten oosten van het plangebied. Deze locaties zijn duidelijke publiekstrekkers zeker ook voor gezinnen, een belangrijke doelgroep voor een bowlingbaan. Er kan combinatiebezoek plaatsvinden en de ruimtelijke condities van deze locatie zijn hier goed. Het betreft een voor de consument bekende plek in de gemeente, er is sprake van een goede bereikbaarheid en er is sprake van voldoende parkeergelegenheid. Daarbij zal het bowlingcentrum in een kelder worden geplaatst. Het zal derhalve geen seperaat gebouw worden naast de zalenaccommodatie. Ook deze trede 2 kan met ja worden beantwoord.

Er hoeft derhalve niet op trede 3 te worden ingegaan.

Partycentrum/zalencentrum

Bij het toetsen van deel twee van het projectplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking geldt voor een groot deel dezelfde argumentatie als bovenstaand.

Trede 1 (betreft regionale behoefte): Ook hier kan de distributieve behoefte niet worden gepeild, omdat er geen distributieve gegevens aanwezig zijn. Alleen het feit dat er reeds veel zalen aanwezig zijn, wil niet zeggen dat er geen distributieve ruimte is. Distributieve ruimte wordt gepeild aan de hand van de binding van de bestedingen. Gezien de grote sociale cohesie in dorpen en veelal groot verenigingsleven is het aannemelijk dat er meer feestzalen zijn per 10.000 inwoners en de binding hoger zal liggen dan in andere delen van het land. De behoefte kan ook worden gepeild aan de vele aanvragen die de ondernemer krijgt, waar momenteel niet aan kan worden tegemoet gekomen. Op dit moment is er vaak vraag naar één grote zaal in plaats van de combinatie van meerdere kleinere zalen zoals dat op dit moment het geval is. Het is dan ook te verwachten dat er wel een regionale behoefte is aan een extra zaal van deze omvang (380 personen). Het aanbod aan zalen van deze omvang of zelfs groter is beperkt in de regio. De regionale behoefte is echter minder concreet in beeld te brengen als bovenstaand. Wel dient te worden opgemerkt dat dit projectplan geen toevoeging van een bedrijf is, maar de uitbreiding van een bestaand complex. Hierdoor zal de mogelijke concurrentie tussen zalen wat forser worden, maar dit zal zeker niet leiden tot leegstand elders.

Trede 2 (betreft opvang elders in stedelijk gebied): De tweede trede is of deze behoefte kan worden opgelost binnen een bestaand stedelijk gebied. Hiervoor geldt de motivatie zoals ook bovenstaand bij de bowlingbaan werd aangegeven. Nadrukkelijk dient te worden aangegeven dat wordt aangesloten bij een bestaand gebouw, een bestaand zalencentrum. Ook deze trede kan met ja worden beantwoord, zodat niet verder op trede 3 behoeft te worden ingegaan.

Het plan sluit kortom aan bij de ladder voor duurzame verstedelijking en gaat niet ten koste van gebieden die van nationaal belang aandacht vragen.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland

Algemeen

Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van Gelderland. Deze visie en verordening zijn vastgesteld op 9 juli 2014. In de visie staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. De verordening vertaalt de visie in regels waarmee de lagere overheden in de provincie rekening moeten houden in hun ruimtelijke plannen.

Omgevingsvisie Gelderland

De omgevingsvisie heeft een tweetal doelen geformuleerd, te weten:

  • 1. Duurzame economische structuurversterking;

Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om sterke steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Deze versterking van de economie gebeurt in een andere context dan een aantal jaar geleden. De komende jaren zullen minder in het teken staan van denken in termen van 'groei' en meer in termen van 'beheer en ontwikkeling van het bestaande'. Ter versterking van de kansen voor bedrijvigheid zet de provincie gericht stappen om ruimte te bieden aan initiatiefnemers en om hen te faciliteren. Dat betekent vooral:

  • kansen bieden aan bestaande bedrijven,
  • creëren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat in de stedelijke regio's,
  • creëren van een goede bereikbaarheid van de stedelijke gebieden en de economische kerngebieden met fiets, openbaar vervoer en auto maar ook digitaal,
  • versterken van ruimtelijke randvoorwaarden voor de sterke (top)sectoren,
  • een gezonde vrijetijdseconomie,
  • een adequaat beheer van de bestaande bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel in Gelderland, zowel kwalitatief als kwantitatief en een daarop aangepaste aanpak van eventuele nieuwe plannen.
  • 2. Borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving.

De realisatie van deze tweede centrale doelstelling betekent vooral:

  • ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek,
  • zorg dragen voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap,
  • een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle gebruiksfuncties; bij droogte, hitte en waterovervloed, een gezonde en veilige leefomgeving.

Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden binnen de provinciale grenzen. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.

De provincie wil door kwaliteitsverbetering van het toeristisch product haar landelijk marktaandeel vergroten. De provincie wil bedrijven daarom op dit vlak ondersteunen. ontwikkelen van bestaande terreinen en gebouwen verdient de voorkeur boven nieuwbouw.

Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. Met de verordening worden de onderwerpen uit de Omgevingsvisie waarvoor de provincie verantwoordelijk is juridisch gewaarborgd. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De gebiedsgerichte voorwaarden die van belang kunnen zijn voor onderhavig plan hebben betrekking op de Limes en de opgenomen molenbiotoop van de molen. Overige gebiedsgerichte voorwaarden met betrekking tot bijvoorbeeld de Ecologische Hoofdstructuur, Nationaal Landschap, Waardevol open gebied, watergebieden liggen ruim buiten het plangebied.

Over (specifieke) uitbreidingsmogelijkheden van bestaande recreatiebedrijven is in de Omgevingsverordening niets opgenomen.

Romeinse Limes

Voor de Limes is de begrenzing van het gebied indicatief aangegeven. De nadere begrenzing van de Limes is binnen het Samenwerkingsverband Limes afgesproken welke terreinen de kernkwaliteiten van de Limes bevatten. Dit betreft de terreinen met een vastgestelde archeologische waarde die resten uit de Romeinse tijd bevatten. In Gelderland zijn dat 16 archeologische Rijksmonumenten en 16 Archeologische Monumenten Kaart (AMK) -terreinen. De gebiedsbegrenzing is gebaseerd op de zones die een hoge en middelhoge archeologische verwachting hebben.

De kernkwaliteiten zijn als volgt geformuleerd: De unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Limes ligt langs de toenmalige loop van de Rijn met archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 na Chr. bestaande uit:

  • forten (castella), burgerlijke nederzettingen (kampdorpen/vici) en grafvelden;
  • militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens;
  • scheepswrakken.

Molenbiotoop

Ondanks dat de molen niet vanuit cultuurhistorisch perspectief een rol heeft gespeeld (hij is immers de afgelopen decennium geïmporteerd en gerealiseerd), is in de verordening een molenbiotoop opgenomen. Het is hierbij niet toegestaan om bebouwing en/of beplanting te realiseren die de windvang van de molen negatief beïnvloed.

Planspecifiek

Bij voorliggend initiatief is sprake van een uitbreiding van een bestaand (recreatie)bedrijf. Dit betreft een ontwikkeling die gezien vanuit provinciaal oogpunt relatief kleinschalig van aard is. Voor wat betreft de afweging met de ladder voor duurzaam ruimtegebruik wordt verwezen naar paragraaf 4.1.1. De ontwikkeling doet recht aan de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten van de plek.

De daadwerkelijk beschermde gebieden (Rijksmonumenten en AMK-terreinen) van de Limes liggen buiten het plangebied. Het initiatief heeft hier dan ook geen relatie mee. In het plangebied zijn geen nederzettingen, infrastructuur, scheepswrakken etc. van de Limes aanwezig. Van aantasting van deze waarden is dan ook geen sprake.

Met betrekking tot de molenbiotoop kan worden gesteld dat de nieuwbouw geen invloed heeft op de windvang van de molen. De bouwhoogte van de bebouwing blijft immers onder de hoogte van de stelling. De maximale bouwhoogte in voorliggend bestemmingsplan is 10 meter, dit is tevens de hoogte van de stelling waardoor de windvang blijft gegarandeerd.

Met het bovenstaande past het plan binnen het provinciaal beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie Neder-Betuwe 2010-2020

Een structuurvisie is als beleidsdocument de belangrijkste beleidsmatige grondlegger op gemeentelijk niveau. De raad van de gemeente Neder-Betuwe heeft op 17 juni 2010 de ‘Structuurvisie Neder-Betuwe 2010 – 2020’ vastgesteld. Op de plankaart behorende bij de structuurvisie is onderhavig plan gelegen binnen de contouren van het bedrijventerrein ’t Panhuis, dat wordt verstaan onder ‘bestaand stedelijk gebied’ (licht grijs vlak). Daarnaast grenst het gebied aan de paarse lijn, dit staat voor landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0011.png"

Uitsnede visiekaart van de Structuurvisie Neder-Betuwe

Planspecifiek

Het plan gaat uit van het toevoegen van een bouwmassa bedoeld als zalencentrum en bowlingbaan. Aangezien het binnen het bestaand stedelijk gebied is gelegen wordt voorkomen dat er gebouwd wordt in het karakteristieke buitengebied. In de huidige situatie heeft het plangebied een groen karakter, waarbij de randen zijn ingeplant met een haag en rond de gebouwen een boomgaard. Dit verandert met de ontwikkeling niet en hiermee kan gesteld worden dat het plangebied voldoende landschappelijk is ingepast. Het is van belang dat dit in de toekomst gehandhaafd blijft, hiervoor is een voorwaardelijke verplichting in het voorliggend bestemmingsplan opgenomen.

Zoals in paragraaf 4.1.1 is beschreven is de beoogde locatie geschikt voor de beoogde ontwikkeling. Beleidsmatig is het plangebied onderdeel van het bedrijventerrein. Echter, om beter aan te sluiten op het daadwerkelijk functioneren van en de uitstraling van het gebied is gekozen voor een bestemmingswijziging naar de bestemming "Recreatie". Het uitgangspunt is dat de beoogde functie geen belemmering vormt de bestaande bedrijvigheid.

Het plan is vanuit gemeentelijk ruimtelijk beleid goed inpasbaar.

4.3.2 Recreatiebeleid

Toeristisch recreatieve visie Regio Rivierenland 2012-2015

Een van de drie belangrijkste pijlers waarop de Regio Rivierenland wil gaan inzetten is recreatie en toerisme. In de toeristische recreatieve visie Regio Rivierenland 2012-2015 'versterken en uitbouwen', geeft de regio aan economische groei te willen bevorderen door gezamenlijk te investeren in recreatie en toerisme. Hierbij wordt ingezet op productontwikkeling en marketing. De focus bij productontwikkeling ligt zowel bij verblijfsaccommodaties als op dagrecreatie. Binnen het dagrecreatieve aanbod moet de groei met name gezocht worden in bovenregionaal aantrekkelijk aanbod in de vorm van evenementen en publieksattracties, bij voorkeur aansluitend bij het onderscheidend vermogen van het Rivierengebied.

Visie Recreatie en Toerisme gemeente Neder-Betuwe, 2013

Voorliggende beleidsnotitie is een vervolg op het actieplan recreatie en toerisme Neder-Betuwe uit 2007. In deze beleidsnota is kort teruggeblikt wat in de afgelopen jaren is gerealiseerd, welke marktontwikkelingen er zijn, wat de sterke en zwakke kanten zijn en waar de gemeente zich de komende jaren op zal richten.

De algemene visie is als volgt omschreven: Economische groei door middel van uitbreiding van verblijfsrecreatie en dagrecreatie waarbij de sterke kanten en mogelijkheden van Neder-Betuwe naar voren komen en ingespeeld wordt op de wensen van de doelgroepen.

Neder-Betuwe is het hart van de Betuwe. De naamsbekendheid van de Betuwe is groot. Mensen hebben een bepaald beeld voor zich als ze aan de Betuwe denken: fruit, bloesem, rust en natuur zijn het meest bekend. Dit beeld willen ze graag terugzien als ze het gebied komen bezoeken.

Er zijn te weinig dagrecreatieve voorzieningen in de gemeente. Ook voor de burgers is dit van belang. Mensen moeten voldoende keuze hebben om hun dag in te vullen met activiteiten. Dit kunnen verschillende kleinschalige voorzieningen zijn, maar het is ook van belang dat er juist grotere dagvullende voorzieningen zijn, die bij voorkeur jaarrond toegankelijk zijn. Hiermee kan niet alleen de verblijfsduur van bezoekers worden verlengd, maar zal ook seizoensverlenging plaatsvinden.

De zakelijke markt is complementair aan de toeristisch recreatieve markt. Vindt toerisme en recreatie met name in de weekenden plaats, richt de zakelijke markt zich vooral op de weekdagen. De zakelijke markt heeft behoefte aan hotelbedden, vergaderlocaties/ congresruimten en restaurants. Kwaliteit moet hier voorop staan. Veel meer dan vroeger neemt het vrijetijdsaspect een rol in binnen de zakelijke markt: tussen de vergaderingen en bijeenkomsten door genieten van de omgeving of samen een activiteit ondernemen wordt belangrijker.

Planspecifiek

Het initiatief gaat uit van realisatie van een bowlingcentrum en een zalencentrum. Binnen de gemeente Neder-Betuwe is geen bowlingcentrum aanwezig. Realisatie van een bowlingcentrum versterkt het aanbod van dagrecreatieve voorzieningen. Ten aanzien van het aanbieden van een zaal voor circa 380 gasten is het aanbod in de regio zeer beperkt. De initiatiefnemer krijgt momenteel al veel aanvragen voor grote groepen. Zijn huidige zalen zijn daarvoor onvoldoende groot en niet geschikt. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een bestaande vraag naar een accommodatie voor grote groepen en dat dergelijke zalen in de regio onvoldoende voorhanden zijn. De recreatieve functies sluiten goed aan bij de naastgelegen recreatieve terreinen. Een uitwisseling van recreatief gebruik wordt hierdoor ook mogelijk gemaakt. Daarnaast kan er een uitwisseling plaats vinden tussen dagrecreatie en zakelijk gebruik.

Hierdoor sluit het plan goed aan op het recreatiebeleid van zowel de regio als de gemeente.

4.3.3 Businessplan voor bedrijfsomgeving Panhuis

In mei 2013 heeft de gemeente Neder-Betuwe samen met de ondernemers en in overleg met de provincie Gelderland een revitaliseringsplan opgesteld. Hieraan ligt de 'Vastgoedanalyse en kwaliteitsscan bedrijventerreinen' van de provincie Gelderland en Ontwikkelingsmaatschappij Oost N.V. ten grondslag. Het revitaliseringsplan met de titel 'Businessplan voor bedrijfsomgeving Panhuis' is op 31 oktober 2013 vastgesteld door de gemeenteraad.

In het plan staan maatregelen beschreven welke bijdragen aan een toekomstgericht Panhuis. Het gaat bijvoorbeeld om verbeteringen op het gebied van veiligheid, verkeer en parkeren, het verbeteren van de uitstraling van panden, buitenruimtes en openbaar gebied en het versterken van de identiteit(en) van het terrein. Het revitaliseringsplan bestaat uit 17 concrete projecten en maatregelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0012.png"

Projectenkaart revitaliseringsplan

Planspecifiek

De onderscheidende sfeer van het Babypark/meubelpark en de molen wordt in het revitaliseringsplan onderschreven. Met betrekking tot het plangebied en de beoogde ingrepen zijn er geen concrete projecten benoemd. In het revitaliseringsplan wordt de groene uitstraling van het plangebied gewaardeerd en is het noodzakelijk dat het gehele bedrijventerrein landschappelijk goed wordt ingepast. Met onderhavig plan is deze waarde en de inpassing gewaarborgd in een voorwaardelijke regeling. Hiermee voldoet het plan aan het revitaliseringsplan.

Hoofdstuk 5 Randvoorwaarden

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1 Milieu

5.1.1 Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    • 1. een verzorgingstehuis;
    • 2. een psychiatrische inrichting;
    • 3. een kinderdagverblijf.


Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

Planspecifiek

Het voorliggend initiatief betreft een bowlingcentrum en een zalencentrum. Beide objecten zijn geen geluidgevoelige objecten die worden beschermd conform artikel 1 Wgh. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

De activiteiten van het zalencentrum en de bowlingbaan zijn aanvullend op de reeds bestaande activiteiten van zalencentrum en horeca. Zij vinden, net als de bestaande activiteiten, plaats in een gebouw. Daarnaast is in de huidige situatie nog een terras en speelvoorzieningen voor kinderen aanwezig. De locatie van deze speelplaats wordt in de nieuwe situatie aan de westzijde van de nieuwe bebouwing gesitueerd eventueel in samenhang met het terras. Op deze wijze heeft de bebouwing een geluidswerende functie voor de buitenactiviteiten en ligt de speeltuin zo ver mogelijk verwijderd van woningen in de omgeving. Op deze wijze zal er geen sprake zijn van eventuele (extra) geluidhinder naar omliggende percelen, eerder een afname.

Daarnaast is onderzocht of de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe functies leidt tot het overschrijden van geluidsnormen met betrekking tot de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige functies in de omgeving (de grondslag van dit onderzoek ligt bij 'bedrijven en milieuzonering', zie ook paragraaf 5.1.5). In bijlage 2 is het onderzoek opgenomen. Hieruit blijkt dat de grenzen met betrekking tot de verwachte geluidsbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking niet wordt overschreden. In het onderzoek is rekening gehouden met een verwachtte verkeerstoename dat in paragraaf 5.4 is toegelicht. Er zit hier een discrepantie van 18 vervoersbewegingen. Echter dit heeft een nihiele invloed op de resultaten en geen invloed op de getrokken conclusie. Hierdoor kan het onderzoek blijven gehandhaafd.

Noot: Binnen het vigerend bestemmingsplan zijn reeds bedrijfsactiviteiten toegestaan tot en met milieucategorie 3.2. Als gevolg hiervan zou planologisch gezien het plangebied veel vrachtverkeer kunnen aantrekken (bijv. vrachtwagenstandplaats). Door de ontwikkeling wordt deze planologische ruimte niet ingevuld. Akoestisch gezien verschilt de planologische verandering niet veel ten opzichte wat er nu al mogelijk is.

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

5.1.2 Luchtkwaliteit

In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de Wet luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 woningen of 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantooroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Planspecifiek

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang (max. 700 m2 BVO) ten opzichte van de benoemde grenswaarden. Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit laat ook onderstaande tabel zien. Voor de berekening van de verkeerstoename wordt verwezen naar paragraaf 5.4. Het aspect lucht is hierdoor niet verder van belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0013.png"

5.1.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR).

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.

Planspecifiek

Via de site Risicokaart.nl kan worden vastgesteld of er in de directe omgeving van het plangebied inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd is een schermafdruk van de Risicokaart (plangebied met blauwe cirkel aangegeven).

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0014.png"
Uitsnede Risicokaart met het plangebied (blauwe cirkel)

Hieruit is op te maken dat op het bedrijventerrein 't Panhuis een aantal grote bedrijven zit die risico's met zich meebrengen. De risicokaart is echter enigszins verouderd.

Het bedrijf aan de oostzijde van 't Panhuis is volgens de risicokaart het terrein van BAM Bredero Bouw BV gelegen (met A weergegeven op afbeelding). Sinds een aantal jaar is dit bedrijf met bijbehorende installaties niet meer gevestigd op deze locatie. Dit betekent dat zowel de 'terreingrens', als de 'risicocontour vulpunt' niet meer van toepassing zijn. Wel ligt er een contour rondom de stikstoftank van de pannenkoekfabriek van Timmer, deze ligt buiten het plangebied.

Verder is uit de Risicokaart op te maken dat de percelen van Vlastuin als risicovolle inrichting worden aangemerkt (met B aangegeven op afbeelding). Deze inrichting betreft volgens de risicokaart een installatie van Oxiderende gassen waarbij de 10-6 contour op 35 meter ligt. Deze installatie is niet meer op de aangegeven plek aanwezig, maar is verschoven naar het noorden. Ook hierbij geld dat het plangebied buiten de betreffende veiligheidscontour is gelegen.

Ten oosten van het bedrijventerrein is nog een recreatiebedrijf aanwezig dat als risicovol is aangegeven.(met C aangegeven op afbeelding). Hier is een bovengrondse propaantank aanwezig met een 10-6 contour. Het plangebied ligt hier ver buiten.

Tot slot ligt het plangebied op circa 1500 meter van de Betuweroute en een aardgasleiding. Hierdoor ligt het plangebied binnen het grote invloedsgebied van de Betuweroute (4 km), maar niet binnen de 200 meter zone van deze basisnetroute. Op grond van art. 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. De afstand tot de Betuweroute, maar ook tot de aardgasleiding is dermate groot dat de risico's van het plangebied bij een ongeval zeer klein zijn. De doelgroep die hier zal komen betreft geen 'kwetsbare' groep, de zelfredzaamheid is erg goed.

Een risicovolle inrichting binnen het plangebied is binnen de planregels van voorliggend plan niet toegestaan. Dit is in lijn met de Externe Veiligheidsvisie van de gemeente.

Gezien het bovenstaande staat het aspect externe veiligheid de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg. Dit geldt voor het plaatsgebonden risico en voor het groepsrisico.

5.1.4 Bodem

In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Planspecifiek

Voor het initiatief is een bodemonderzoek uitgevoerd, d.d. februari 2015. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater dusdanig is, dat er vanuit bodemkundig milieuhygiënisch oogpunt geen beletselen zijn voor het initiatief op de locatie. Dit geldt ook voor de ondergrondse bowlingbaan, ondanks dat deze circa een meter dieper zal worden gerealiseerd dan de aangegeven onderzoeksdiepte. Het ligt immers voor de hand dat deze laag ook geen bodemvervuiling bevat, anders was dit in de bovenlaag reeds aangetroffen. De rest van het terrein wordt voor dezelfde doeleinden gebruikt als in de huidige situatie waarvoor de gronden reeds geschikt zijn bevonden. Het bodemonderzoek is als bijlage 3 opgenomen. Ter aanvulling geldt dat bij het afvoeren van de afgegraven gronden er rekening moet worden gehouden met de regels in het Besluit Bodemkwaliteit. Het plan wordt uitvoerbaar geacht met betrekking tot het aspect bodem.

5.1.5 Bedrijven en Milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek

Bedrijventerrein 't Panhuis, waarvan het plangebied onderdeel uitmaakt, is een gemengd bedrijventerrein. Bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 kunnen zich hier vestigen (bedrijven welke reeds voorkomen en zwaarder zijn dan deze categorie zijn positief bestemd tot de huidige bedrijfsvoering). Er komen diverse type bedrijven voor. Ook komen er bedrijfswoningen voor. Voor voorliggend plan zijn het aanwezige Babypark/Meubelpark en een veevoerderbedrijf van Tuijl belangrijk alsmede een viertal bedrijfswoningen welke op / naast deze gronden zijn gelegen. Onderstaand een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan met afstandsmaten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0015.png"

Bedrijvigheid nabij plangebied (rode cirkel), (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Om te beoordelen of het voorliggende plan doorgang kan vinden is het van belang te kijken naar:

  • 1. Het huidige functioneren van de omliggende bedrijven;
  • 2. planologisch mogelijke functioneren van omliggende bedrijven;
  • 3. het effect van de nieuwe functie op de omgeving.

Ad 1. Huidig functioneren omliggende bedrijven

Het Babypark/Meubelpark is te kenmerken als grootschalige detailhandel met een milieucategorie 2. Er zijn geen milieucomponenten waarmee het Babypark/Meubelpark rekening dienen te houden richting de beoogde recreatieve functies (zalenaccommodatie en de bowlingbaan). Het enige wezenlijke milieueffect van het Babypark/Meubelpark is het aspect 'geluid', en de recreatieve functie is niet geluidsgevoelig.

Aansluitend ten westen van het Babypark is een veevoederbedrijf gelegen met een milieucategorie 4.2. Het veevoederbedrijf heeft een richtafstand conform de publicatie van de VNG van 300 m voor zowel geluid als geur. Voor de aspecten stof en gevaar geldt respectievelijk een richtafstand van 100 m en 50 m. De afstand tot het bouwvlak van het mengvoederbedrijf bedraagt circa 150 meter. Zoals reeds vermeld is de beoogde functie geen geluidgevoelig object. Voor wat betreft geur is van belang dat tussen het veevoederbedrijf en het plangebied het Babypark/Meubelpark is gelegen alsmede een tweetal bedrijfswoningen. Dit betekent dat het veevoederbedrijf reeds in de huidige situatie aan de (milieu)eisen moet voldoen om een acceptabel woon- en leefklimaat voor deze detailhandelbedrijven en hun bezoekers en de gevoelige functies (woningen) in de omgeving te kunnen waarborgen. Uit de milieuvergunning volgt naast het bovenstaande ook dat het bedrijf beperkt geurhinder veroorzaakt op de omgeving en dus rekening houdt met die omgeving.

Uit bovenstaande volgt dat de beoogde recreatieve ontwikkeling geen hinder ondervindt vanuit de bedrijven uit de omgeving noch dat omliggende bedrijven beperkte worden in hun huidige gebruiksmogelijkheden.

Ad 2. planologisch mogelijke functioneren van omliggende bedrijven.

De beoogde uitbreiding van recreatieve functies vinden plaats op een terrein dat reeds is bestemd tot de bestemming 'Bedrijventerrein'. De naastgelegen bedrijven hebben deze bestemming ook. Overal zijn bedrijfsmatige activiteiten toegestaan tot en met milieucategorie 3.2 (en indien het bedrijf reeds in een hogere milieucategorie valt is dat bedrijf bestemd conform dat feitelijke functioneren). Planologisch kan hierdoor binnen 100 meter van de beoogde functie een 3.2 bedrijf zich vestigen. De beoogde uitbreiding van de recreatieve functies is milieucategorie 2. Deze categorie is al toegestaan op het bedrijventerrein. In het geldende bestemmingsplan opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten is evenwel geen zalencentrum en bowlingbaan opgenomen. Via voorliggend plan worden die activiteiten wél toegelaten. Alleen het milieucomponent 'gevaar' wordt hierdoor beïnvloedt. In dergelijke recreatieve voorzieningen komen immers veel mensen bij elkaar; in elk geval meer dan op basis van de huidige gebruiksmogelijkheden. Echter, in het geldende bestemmingsplan is reeds voorzien in een regeling die ervoor zorgt dat risicovolle inrichtingen zijn uitgesloten en dat de 10-6 contour de bouwperceelgrenzen van de eigen inrichting niet mag overschrijden. Voorliggende plan heeft derhalve geen effect op de potentiële gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden.

Bovenstaande laat onverlet dat de bezoekers van de zalenaccommodatie wel kunnen merken dat ze op een bedrijventerrein aanwezig zijn. Zeker in die situatie dat het Babypark/Meubelpark zou verdwijnen en daar in de plaats een meer industrieel bedrijf zou komen. De nieuwe functie wordt vanuit oogpunt van de wet Milieubeheer niet specifiek beperkt door de nieuwe accommodatie. Het nieuwe bedrijf moet sowieso functioneren met de best beschikbare middelen om het milieueffect zo laag als redelijkerwijs mogelijk te houden (ALARA) ongeacht de omgeving. Voeg daar in deze aan toe dat nabij 2 bedrijfswoningen zijn gelegen die wél aandacht vragen in he milieuspoor. Het vergroten van de recreatieve functie alhier is vanuit oogpunt van milieu(zonering) derhalve mogelijk minder wenselijk omdat nabij mensen recreëren: milieutechnisch is er geen probleem. Voorliggend vraagstuk doet zich elders in Nederland ook voor: op menig bedrijventerrein zijn niet-industriële bedrijven aanwezig zoals grootschalige winkels, kart-centre's, laser-game-bedrijven etc. Ook daar geldt het zoneringsvraagstuk zoals hier beschreven. Echter: omdat vestiging van deze niet-industriële bedrijven buiten bedrijventerrein nog meer vragen zou oproepen is deze oplossing de beste en kan er vanuit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wél aan meegewerkt worden.

Ad 3. het effect van de nieuwe functie op de omgeving

De activiteiten van het zalencentrum en de bowlingbaan zelf zijn aanvullend op de reeds bestaande activiteiten van zalencentrum en horeca. Zij vinden, net als de bestaande activiteiten, plaats in een gebouw. Daarnaast zijn in de huidige situatie nog een terras en speelvoorzieningen voor kinderen aanwezig. De locatie van dit terras en speeltuin wordt in de nieuwe situatie aan de west- en zuidzijde van de nieuwe bebouwing gesitueerd. Op deze wijze heeft de bebouwing een geluidswerende werking richting woningen in de omgeving. Dit is ook als zodanig met de buurt afgesproken. Op deze wijze zal er geen sprake zijn van eventuele (extra) geluidhinder naar omliggende percelen.

Met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking en de gevolgen voor geluidsgevoelige functies in de omgeving is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 5.1.1 is dit onderzoek nader toegelicht. Hieruit blijkt dat de wettelijke grenzen met betrekking tot de verwachte geluidsbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking niet wordt overschreden.

Conclusie

Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering is het plan uitvoerbaar.

5.1.6 Spuitzonering

Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven1. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel.

Zoals hiervoor staat aangegeven is de in de praktijk gegroeide vuistregel van 50 meter indicatief. Dat betekent dat er onder omstandigheden gemotiveerd van kan worden afgeweken. Omdat elk geval anders is, dient dit per dossier te worden onderzocht en afgewogen. Dat is maatwerk. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en onderzoek komen de volgende aandachtspunten naar voren:

  • 1. wat wordt planologisch mogelijk gemaakt en geldende bestemming(en);
  • 2. welke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt;
  • 3. wat zijn de effecten van de gewasbeschermingsmiddelen voor de mens bij blootstelling en het gebruik van driftreducerende middelen;
  • 4. overheersende windrichting.

Planspecifiek

Het plan gaat uit van een zalencentrum en bowlingcentrum op circa 30 meter afstand vanaf de boomgaard aan de noordzijde van het plangebied. Het beoogde bouwvolume is op circa 35 meter gepositioneerd ten opzichte van de agrarische gronden aan de oostzijde van het plangebied. Dit is op een grotere afstand gelegen dan de bestaande zalenaccommodatie.

Op basis van jurisprudentie is een functie aan te merken als gevoelig object indien sprake is van langdurig verblijf (dit is niet verder gedefinieerd). De beoogde activiteiten vinden weliswaar met name 's avonds en in het weekend plaats en de bowlingbaan is ondergronds, toch wordt uitgegaan dat de beoogde functie als gevoelig object is aan te merken.

Voor het beoogde plan is een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de spuitzonering. Dit onderzoek is in bijlage 4 opgenomen.

Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (benoemd in hoofdstuk 5) blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt voor omwonenden en bezoekers met name liggen bij opname van stoffen door de huid, het zogenaamde dermaal risico.

Uit deze berekeningen blijkt dat bij huidige standaardtechnieken bij zij- en opwaartse bespuitingen in de fruitteelt, waarbij gebruik gemaakt wordt van een standaard dwarsstroomspuit, 35 m van de laatste bomenrij een veilige afstand te zijn. Deze beperking van 35 m is het gevolg van de overschrijding van de huidblootstelling door het middel Captan.

Uit de diverse onderzoeken van de Wageningen Universiteit blijkt dat door de toepassing van driftreducerende maatregelen de te respecteren afstanden verkleind kunnen worden. Driftreductie wordt gerealiseerd door bronmaatregelen (driftreducerende spuittechniek) of door overdrachtsmaatregelen (het plaatsen van windhagen). Afhankelijk van de (combinatie van) maatregelen variëren de te respecteren afstanden van minimaal 5 meter tot maximaal 35 meter.

De toepassing van driftreducerende spuittechnieken door de toepasser zijn niet afdwingbaar. In de praktijk worden veelal wel dergelijke spuitdoppen gebruikt. In het onderzoek wordt hier echter niet van uitgegaan en wordt de aanname gemaakt dat een standaard spuittechniek worden toegepast (worst-case scenario).

Het plaatsen van windhagen of een constructie met een vergelijkbare filterende werking (bv houtwal) om een terrein kunnen de drift aanzienlijk beperken.

Op de huidige planlocatie zijn rondom groenblijvende drifthagen als voorwaardelijke geborgde maatregel opgenomen in het bestemmingsplan. Dit betekent dat de van de voornoemde maatregelen nummer drie hier beschouwd dient te worden. Bij het plaatsen van een enkele volblad windhaag op de rand van het perceel toont het onderzoek Buren aan dat de benodigde veiligheidszone 18 meter betreft.

Daarbij wordt er van uitgegaan dat kort achter de haag al gespoten wordt. In onderhavige situatie vinden de bespuitingen, als gevolg van de aanwezige sloot, pas plaats op een afstand 14 meter achter de haag. Echter zelfs indien kort achter de haag gespoten zou worden, wordt ruimschoots aan de benodigde afstand voldaan. Immers de nieuwe gevoelige functie wordt gerealiseerd op circa 34 meter van de haag aan de oostzijde van het perceel. Daarnaast is er aanvullend tussen het oostelijk perceel en de nieuwe gevoelige functie nog afschermende bebouwing aanwezig en wordt eveneens aanvullend nog een brede hoogstam groeninpassing aangeplant. Aan de noordzijde bedraagt de afstand tussen de nieuwe gevoelige functie en de geborgde drifthaag circa 30 meter. Ook hier wordt ruimschoots voldaan aan de benodigde 18 meter achter de drifthaag. Daarbij wordt ook aan de noordzijde tussen de drifthaag en de gevoelige voorziening nog aanvullend een groeninpassing gesitueerd.

Uitgaande van de worst-case omstandigheden zoals deze optreden bij de teelt van fruitbomen, blijkt dat onder de voorwaarde dat op de erfgrens een driftreducerende haag wordt aangeplant, zonder aanvullende driftreducerende bronmaatregelen, een voldoende woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Daarmee vormt een eventuele spuitzone vanwege omliggende agrarische percelen voor het plan aan de Batterijweg te Kesteren geen belemmering.

Ten aanzien van het aspect spuitzonering is het plan uitvoerbaar.

5.1.7 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (de tweede soort staat ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0016.png"

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden op basis van artikel 3. lid 2 van de Wgv gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij buiten danwel binnen de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.

Planspecifiek

De gemeente Neder-Betuwe heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met een gemeentelijke verordening af te wijken van de wettelijke normen. De gemeenteraad heeft een geurverordening vastgesteld op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij. De vaststelling van de geurverordening is onderbouwd in de herziening van de Gebiedsvisie, behorende bij de geurverordening N-B 2011, vastgesteld 15 september 2011.

In de gebiedsvisie zijn kaarten opgenomen met achtergrondbelasting, waarbij rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen van de veehouderijen. Uit deze kaart (maximale geursituatie) is af te leiden dat ter plaatse van het plangebied de leefsituatie 'goed' is. De veehouderijen zitten op een ruime afstand (meer dan 400 m), waardoor er geen belemmeringen voor gevoelige functies zijn te verwachten met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het plan. Ook worden er geen agrarische bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd door het initiatief. Verder onderzoek naar het aspect 'geur' is dan ook niet nodig.

Ten aanzien van het aspect geur is het plan uitvoerbaar.

5.2 Watertoets

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Waterplan Neder-Betuwe

Water speelt een belangrijke rol in onze leefomgeving. Om veilig te kunnen wonen, werken en recreëren is een goed functionerend watersysteem noodzakelijk. Waterschappen en gemeenten werken veel samen op het gebied van waterbeheer. Water en ruimtelijke ordening hebben immers veel raakvlakken. Het Waterplan Neder-Betuwe 2014-2018 ('Waterplan II') is een product van de samenwerking tussen Waterschap Rivierenland en de gemeente Neder-Betuwe en een vervolg op het eerste Waterplan (2008-2012).

Het Waterplan kan gezien worden als het samenvattend gemeentelijk Waterhuishoudingsplan op hoofdlijnen, waarin de gemeente haar beleid ten aanzien van het waterbeheer en -gebruik vastlegt. Dit beleid geeft enerzijds een visie op de ruimtelijke inpassing van watertaken en de organisatie van het waterbeheer en anderzijds een programma van activiteiten waarmee de wateropgave voor de toekomst wordt afgedekt. Het waterplan geeft hierdoor een samenhang aan andere gemeentelijke plannen waarin water een rol speelt, zoals het baggerplan, waterhuishoudingsplannen, rioleringsplannen en afkoppelplannen. Bovendien schept het waterplan randvoorwaarden en uitgangspunten voor milieu- en RO-plannen binnen de gemeente.

Water moet in een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming als een mede ordenende factor worden meegenomen. Bij nieuwe ontwikkelingen speelt water zelfs al een belangrijke rol in de locatiekeuze. Op deze manier wordt vroegtijdig zicht verkregen op de gevolgen voor het watersysteem en de restricties voor de voorgenomen ontwikkeling. Verder is het nodig dat nieuwe ontwikkelingen hydrologisch neutraal worden aangelegd. Het realiseren van ruimte voor water is een volwaardig onderdeel van de grondexploitatie. De gekozen (hemel)waterstructuur wordt in bestemmingsplannen planologisch veilig gesteld.

Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat een voornemen geen negatieve effecten mag hebben op het functioneren van het watersysteem, zowel in kwantitatieve zin als in kwalitatief opzicht. Concreet betekent dit dat:

  • 1. De afvoer uit het gebied niet groter is dan in de uitgangssituatie;
  • 2. De omvang van de grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
  • 3. De grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren;
  • 4. De grondwaterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf;
  • 5. Het plangebied zo moet worden ingericht dat de gevolgen op de (grond)waterstanden niet leiden tot knelpunten in of rondom het plangebied.

Planspecifiek

Voor dit plan is onder andere het beleid van het Waterschap Rivierenland van belang. Bij ruimtelijke plannen waarbij meer dan 500 m2 aan verharding wordt toegevoegd, zijn maatregelen nodig met betrekking tot het bergen van water.

In de huidige situatie is merendeel van het terrein in gebruik als terras. De omvang van het terras waar gebouwd gaat worden is circa 250 m2. Bovendien wordt een schuurtje van circa 90 m2 gesloopt. Het plan gaat uit van een gebouw van maximaal 700 m2. Hiermee neemt het verhard oppervlakte met 360 m2 toe. Hiermee zal de toename van verharding onder de 500 m2 grens blijven en is er geen waterbergende maatregelen nodig.

Het hemelwater en afvalwater worden conform de huidige situatie gescheiden afgevoerd. Het hemelwater wordt in de tuin opgevangen en naar de aangrenzende watergangen afgevoerd. Het afvalwater wordt middels een riolering aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.

Verder zijn er geen beschermingswaardige watergebieden of watergangen aanwezig en wordt rekening gehouden met de zones langs de watergangen ten behoeve van het onderhoud.

Het bovenstaande is bevestigd bij het invullen van de digitale watertoets via dewatertoets.nl, hiermee is het waterschap ook op de hoogte gesteld van het voorgenomen initiatief.

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect water.

5.3 Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie.

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.

Archeologie

Archeologie gaat over de (verwachte) cultuurhistorische waarde in de bodem. Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet 1988. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden.

Ook de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) uit 2007 is in dit kader van belang. De verantwoordelijkheid voor cultuurhistorische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden.

Planspecifiek

De nostalgisch gecreëerde sfeer van het plangebied en de geïmporteerde molen doen vermoeden dat dit cultuurhistorisch zo gegroeid is en op deze plek is ontstaan. Dit is echter niet het geval. In het plangebied zijn dus geen cultuurhistorische structuren of bebouwing aanwezig. Wel wordt met de nieuwbouw op deze sfeer voortgeborduurd en past daarmee in de historische setting van het gebied. De molen heeft in het provinciaal beleid een molenbiotoop. Hier is in het plan rekening gehouden en wordt in paragraaf 4.2.1 nader op ingegaan.

Voor het initiatief is verder een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek uitgevoerd, d.d. februari 2015 ter plaatse van het nieuwe gebouw, aangezien er verder geen bodemingrepen zijn voorzien. Het archeologisch onderzoek is als bijlage 5 opgenomen.

In het archeologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat gezien het ontbreken van bewoningsniveaus en archeologische indicatoren de resultaten van het onderzoek geen aanleiding geven om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Dit geldt voor de laag waar in het archeologisch beleid eventuele vondsten te verwachten zijn, namelijk bovenop de stroomgordel. Deze is gelegen op van 2,5 m onder maaiveld tot aan maaiveld. Hier is niks aangetroffen, waardoor de beoogde diepte van bodemingrepen voor de bowlingbaan ook geen waarden zijn te verwachten. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten gevonden waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Het onderzoeksgebied ter plaatse van de nieuwbouw kan archeologisch worden vrijgegeven. Voor dit gebied is de dubbelbestemming komen te vervallen.

Het plan wordt ten aanzien van de aspecten cultuurhistorie en archeologie uitvoerbaar geacht. De niet onderzochte plekken op het terrein, waar ook geen bodemingrepen zijn voorzien, behouden de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4.

5.4 Verkeer en parkeren

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Denk aan ontsluiting, wegenstructuur, parkeren en parkeerbalans aan de hand van parkeernormeringen etc.

Planspecifiek

Verkeer

Doordat het programma toeneemt is het noodzakelijk om te kijken wat dit voor consequenties heeft voor de verkeersstructuur en de benodigde aantal parkeerplaatsen. De verkeersstructuur wordt ten opzichte van de huidige situatie nagenoeg niet gewijzigd. De entree van het terrein blijft ongewijzigd. Wel wordt de weg naar de molen éénrichtingsweg zodat het aantal autobewegingen in de avonduren langs het perceel van Markstraat 2a wordt beperkt.

Om inzicht te krijgen in het aantal vervoersbewegingen als gevolg van de toe te voegen functies is hieronder een inschatting gemaakt aan de hand van kencijfers.

Bij het bowlingcentrum dient rekening te worden gehouden met een maximale aantal vervoersbewegingen (vvb) van 19,3 per baan (CROW 2012-publicatie 317). Dit resulteert in 116 vvb per weekdag (wd).

Voor een zalencentrum zijn geen verkeersgeneratiecijfers bekend. Het zalencentrum biedt ruimte voor circa 380 gasten. Rekeninghoudend met een gemiddelde autobezetting van 3 personen zijn er 126 vervoersbewegingen te verwachten. Deze rijden er naar toe en rijden weer weg, dit houdt in dat er circa 252 vvb per avond zijn. De activiteiten vinden gemiddeld 2x per week plaats. Als dit bij elkaar opgeteld wordt en vervolgens gedeeld door 7 resulteert dit in een gemiddelde van 72 vvb per weekdag. Het aantal vervoersbewegingen van bowlingcentrum en zalencentrum samen resulteert in 188 vvb/wd.

Het aantal vervoersbewegingen bij de entree van de Batterijenweg was in 2013: 630 vvb/wd (bron: Businessplan voor bedrijfsomgeving Panhuis). Dit verkeer verspreidt zich over de bedrijven en bedrijfswoningen aan de Batterijenweg en zal ter hoogte van het plangebied circa 1/4 zijn (185 vvb/wd). De verandering van de vervoersbewegingen als gevolg van de uitbreiding vindt met name plaats ter hoogte van de Batterijenweg en de Industrieweg. Deze wegen zijn geschikt om deze capaciteit op te vangen. Daarnaast is een onderzoek uitgevoerd ten aanzien van de geluidsbelasting ten gevolge van de verkeerstoename ten opzichte van geluidsgevoelige objecten in de omgeving. Dit is beschreven in paragraaf 5.1.1.

Er is uitgegaan van een weekdaggemiddelde zodat een integraal verkeersbeeld ontstaat. Er zijn verschillende functies gelegen aan de Batterijenweg die op verschillende momenten hun pieken hebben. De bedrijven, fabrieken en bedrijfswoningen aan de Batterijenweg zullen in de ochtend en avondspits drukker zijn. Het Babypark/Meubelpark en de Zwaluw heeft pieken op vrijdagavond en zaterdagmiddag, maar dan zijn de overige bedrijven en fabrieken weer rustiger. Een weekdaggemiddelde geeft hierdoor het meest representatieve beeld.

De verschillende vervoersstromen ((vracht) auto verkeer en langzaam verkeer) worden nadrukkelijk uit elkaar gehaald doordat er een pad is gelegen tussen de Rijnbandijk en het plangebied dat openbaar toegankelijk wordt ingericht. Hierdoor is een directe verbinding met de langzaam verkeerroutes in de omgeving mogelijk en ontstaat er een veiliger(e) situatie op het bedrijventerrein. Dit is ook middels een voorwaardelijke verplichting geborgd.

Parkeren

Gemeentelijk parkeerbeleid

Het gebruik van juiste parkeernormen draagt bij aan een gunstig leef, woon- en bedrijfsklimaat: met voldoende parkeerplaatsen wordt parkeeroverlast voorkomen. De gemeente Neder Betuwe heeft een parkeernota vastgesteld op 26-02-2013. Het doel van de “nota parkeernormen” wordt als volgt geformuleerd: Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen (en de bijbehorende berekeningssystematiek) voor nieuwe (ruimtelijke) plannen en projecten in Neder-Betuwe om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien en waar mogelijk de bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid van Neder-Betuwe te verbeteren. De gehele nota is dus ook van toepassing op onderhavig plan.

Parkeeronderzoek

In het vigerend bestemmingsplan zijn geen parkeernormen opgenomen. Om inzicht te krijgen in de parkeerbehoefte van de ontwikkeling ten opzichte van de reeds bestaande parkeercapaciteit op het terrein is een parkeeronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek richt zich op alle parkeerplaatsen op het terrein van zowel De Zwaluw als op de terreinen van De Bongerd en Babypark. Er is namelijk dubbel gebruik mogelijk. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6.

Bepalen parkeerbehoefte

De parkeernorm voor een bowlingbaan bedraagt 3,3 p.p./bowlingbaan. Met 6 banen komt de parkeerbehoefte uit op 3,3 x 6 = 19,8 parkeerplaatsen.

Voor een feestzaal is noch in de Nota Parkeernormen, noch in door het CROW een parkeernorm vastgesteld. Bij het ontbreken van een vastgestelde parkeernorm, dient maatwerk geleverd te worden. De parkeernormen van de volgende functies kunnen als referentie dienen:

  • Wijkcentrum: 7,2 p.p./100 m2 Bruto Vloer Oppervlak (BVO)
  • Café/bar: 8,0 p.p./100 m2 BVO
  • Restaurant: 16,0 p.p./100 m2 BVO

Aangezien bij bruiloften en partijen het feest regelmatig uit een groot diner bestaat, moet worden uitgegaan van de hoogste norm van 16,0 p.p./100 m2 BVO. Met een feestzaal van 580 m2 komt de parkeerbehoefte uit op 16,0 x 580/100 = 92,8 parkeerplaatsen.

De totale parkeerbehoefte kan afhangen van de periode en moment van de dag. Op basis van de in de Nota parkeernormen vastgestelde aanwezigheidspercentages is voor de maatgevende periodes de parkeerbehoefte bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0017.png"

De maximale parkeerbehoefte bedraagt 113 parkeerplaatsen op de zaterdagavond. Op koopavond bedraagt de parkeerbehoefte 108 parkeerplaatsen.

Bepalen parkeeraanbod

Er is in de periode van 8 t/m 27 mei (drie weken) op bovengenoemde tijdstippen geteld. De eerste week was een vakantieweek. In onderstaande kaart is het onderzoeksgebied met de verschillende parkeerlocaties weergegeven. In de huidige situatie zijn in totaal 353 parkeerplaatsen aanwezig. Er is met het parkeeronderzoek gekeken/geteld hoeveel parkeerplaatsen er daadwerkelijk in gebruik zijn op verschillende momenten gedurende de week en gedurende een aantal weken lang. Hierdoor is een representatief beeld ontstaan van het huidig gebruik van de parkeerplaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0018.png"

Belangrijkste conclusies uit het parkeeronderzoek zijn:

  • Zaterdagmiddag is voor het totale park de drukste periode, gevolgd door de vrijdagavond (koopavond);
  • Rond molen “De Zwaluw” is de hoogste parkeerdruk gemeten op een vrijdagavond met bruiloft. Hierbij waren 63 van de 135 parkeerplaatsen (schil 1) bezet, waarmee de parkeerdruk max. 47% bedraagt. Op het hele park waren nog 244 parkeerplaatsen beschikbaar;
  • Op de drukste zaterdagmiddag (Pinksterweekend) waren rond molen “De Zwaluw” 39 van de 135 parkeerplaatsen (schil 1) bezet, waarmee de parkeerdruk uit kwam op 29%. Op het hele park waren nog 214 parkeerplaatsen beschikbaar;
  • Uitgaande van de in de Nota parkeernormen vereiste maximale bezettingsgraad van 80% zijn op de maatgevende vrijdagavond en zaterdagmiddag respectievelijk nog 173 en 143 parkeerplaatsen beschikbaar.

Op basis van de voorgaande analyse blijkt dat de beschikbare parkeercapaciteit op het terrein van het Babypark op alle momenten voldoende is. Op de maatgevende zaterdag wanneer de totale parkeerbehoefte 113 parkeerplaatsen bedraagt zijn nog 214 parkeerplaatsen beschikbaar. Ook als wordt uitgegaan van een maximale bezettingspercentage van 80% is er nog een overschot van 143 parkeerplaatsen aanwezig.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling van een feestzaal en bowlingbaan kunnen zonder verdere uitbreiding van de parkeercapaciteit op het terrein rond de Zwaluw, Bongerd en Babypark gerealiseerd worden.

Eindconclusie

Op basis van de huidige verkeerssituatie en de huidige inrichting van het parkeerterrein en aantal parkeerplaatsen is het plan uitvoerbaar gebleken. Om een veiligere situatie te creëren voor fietsers en voetgangers is een aparte verbinding beoogd naar de Rijnbandijk. Daarnaast wordt de toegangsweg naar De Zwaluw voor maar één richting toegankelijk gemaakt wat ten goede komt aan het aantal vervoerstromen langs de woning aan de Markstraat 2a. Zowel de langzaam verkeersverbinding als de benodigde parkeerplaatsen voor de huidige en de toekomstige situatie zijn voorwaardelijk vastgelegd in de regels van voorliggend bestemmingsplan.

5.5 Flora en fauna

Algemeen

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.

Gebiedsbescherming

De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:

  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.

Naast deze drie soorten gebieden is de (Provinciale) NatuurNetwerk Nederland ((P)NNN) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De (P)NNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.


Soortenbescherming

De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van EZ (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Gebiedsbescherming

Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website synbiosys.alterra.nl/natura2000 geraadpleegd. Bijgevoegd een screenshot van die website waarbij alle raadpleegbare gebieden zijn 'aangevinkt'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1740.bpKEbatterijenwg19-vst1_0019.png"

Uit bovenstaande uitsnede blijkt dat de beschermde gebieden ver buiten het plangebied zijn gelegen (meer dan 500 m). Het betreft het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (met oranje belijning op de afbeelding weergegeven). Ook is (een strook langs) de Nederrijn aangewezen als onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Onderhavig plan gaat uit van uitbreiding van een bestaand recreatiebedrijf op een bestaand bouwperceel. Daarnaast blijkt dat de beschermde gebieden ver buiten het plangebied zijn gelegen (meer dan 500 m). Gezien deze beide aspecten zal het plan geen (negatieve) invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Ook zal door het initiatief geen aantasting plaatsvinden van het NNN.

Soortenbescherming

De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de onderzoekslocatie nieuwbouw (zalenaccommodatie met daaronder een bowlingbaan te realiseren. Binnen het bouwblok zal maximaal 700 m2 worden bebouwd. Ten behoeve van de nieuwbouw wordt op het zuidelijke deel van het perceel een hou-ten schuurtje gesloopt. Het terrein waar de nieuw te bouwen bebouwing gerealiseerd kan worden is in de huidige situatie voor een groot deel bestraat en in gebruik als terras. Het overige deel is ingericht als speeltuin.

Voor de planontwikkeling is een quick-scan onderzoek uitgevoerd. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in bijlage 7.

Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is de verwachting dat de wijziging van het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Met betrekking tot beschermde gebieden worden eveneens geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen herontwikkeling op de onderzoeklocatie

Ten behoeve van de sloop van het houten schuurtje dient echter wel het bepaalde in de Flora- en faunawet in acht te worden genomen, hetgeen goed mogelijk is. De houten schuur op het zuidelijk terreindeel is namelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Bij daadwerkelijke aanwezigheid van een verblijfplaats van een vleermuizensoort kan middels het aanvragen van een ontheffing en het tijdig treffen van de juiste maatregelen de sloop alsnog worden uitgevoerd. Aangezien de mogelijk te treffen maatregelen relatief eenvoudig binnen het plangebied zelf kunnen worden toegepast, worden er geen bezwaren voorzien ten aanzien van het verkrijgen van een eventueel benodigde ontheffing. Dit vormt dan ook geen enkele belemmering ten aanzien van de bestemmingsplanwijziging

Noot: De landschappelijke inrichting wordt met voorliggend plan grotendeels bestendigd waardoor dit ook een ecologische meerwaarde heeft ten opzichte van het huidige planologische regime.

Ten aanzien van het aspect flora en fauna zijn geen belemmeringen aanwezig ten aanzien van de uitvoerbaarheid van het plan.

5.6 Leidingen

Het plangebied ligt circa 1 kilometer ten noorden van de hoogspanningsverbinding. Op meer dan 1,5 kilometer zijn diverse infrastructurele verbindingen gebundeld: een aardgasleiding, de Betuweroute en de A15. Dichter bij het plangebied zijn geen noemenswaardige leidingen aanwezig. Doordat de aanwezige leidingen op ruime afstand zijn gelegen beïnvloeden deze de uitvoerbaarheid van het plan niet. De bebouwing zal op dezelfde wijze als naastgelegen bebouwing worden aangesloten op gas, water en elektriciteit. Hierbij worden geen belemmeringen verwacht.

5.7 Explosieven

In de tijd van de Tweede Wereldoorlog is het gebied in de gemeente Neder-Betuwe diverse malen getroffen door bombardementen. De gevechten hebben geleid tot onontploft materiaal in de grond. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet worden nagegaan of explosieven aanwezig zijn.

Planspecifiek

Voor de hele gemeente is een bureau onderzoek gedaan naar of er explosief materiaal in de grond te verwachten is. Het onderzoek kan niet uitwijzen of het plangebied een onverdachte of verdachte locatie betreft. Een oppervlaktedetectie onderzoek zal moeten uitwijzen of er daadwerkelijk explosief materiaal aanwezig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de gronden. Tegelijkertijd kan, indien er materiaal wordt gedetecteerd, dit op een veilige manier worden opgeruimd. In het kader van voorliggend bestemmingsplan is het voldoende aannemelijk dat dit aspect de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Bij indiening van de omgevingsvergunning, dus voorafgaand aan het verrichte van bodemingrepen, zal een detectie-onderzoek worden overlegd.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De gemeente Neder-Betuwe heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer afspraken gemaakt betreffende de plankosten en eventuele planschade. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de eigendomssituatie behoeft voor de financiële haalbaarheid van dit project niet te worden gevreesd: het project is financieel uitvoerbaar. De plankosten worden via een anterieure overeenkomst verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is.

Hoofdstuk 7 Het juridisch plan

7.1 Algemeen

Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

7.2 Toelichting afzonderlijke bestemmingen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Recreatie' waar het zalencentrum en de horeca-activiteiten binnen de aanduiding 'horeca' zijn toegestaan. Voor het bowlingcentrum en de opslag van het bedrijf is een specifieke aanduiding opgenomen. Voor de bebouwing zijn verschillende bouwvlakken opgenomen. De maximale bouwhoogtes zijn op de verbeelding weergegeven. Voor de molen zijn de bouwhoogtes in de regels opgenomen;
  • 'Waarde - Archeologie 4' waarbij het archeologisch bodemarchief wordt beschermd;
  • 'Waterstaat - Waterlopen' waarmee de beschermingszone ten behoeve van het onderhoud van de watergang is geregeld.

Dit plan kent de volgende noemenswaardige bijzonderheden: de landschappelijke inpassing en drifthagen zijn als specifieke aanduiding op de verbeelding opgenomen. Deze en het aantal benodigde parkeerplaatsen, de langzaam verkeersverbinding en te slopen bebouwing zijn voorwaardelijk verplicht gesteld in de regels.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 8 Overleg, inspraak en zienswijze

8.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

8.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg

Er wordt in het kader van onderhavig plan vooroverleg met de provincie gepleegd. Het Waterschap Rivierenland is op de hoogte van het initiatief, middels de digitale watertoets. In paragraaf 5.2 is ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten. In deze paragraaf wordt te zijner tijd verslag gedaan van het vooroverleg met de provincie.

8.3 Verslag inspraak

Met het opstellen van de plannen voor onderhavig initiatief is uitvoerig gesproken met de belanghebbenden in de omgeving. Dit heeft geleid tot het huidige plan, waarmee de belanghebbenden hebben aangegeven zich in hoofdlijnen te kunnen vinden in de verschillende planonderdelen. Aspecten die naar aanleiding van de inspraakreacties zijn verwerkt in het plan zijn:

  • Recreatieve bestemming: In voorliggend bestemmingsplan heeft het terrein geen bedrijfsbestemming meer maar een recreatie bestemming. Het gebied kan hierdoor niet meer gebruikt worden voor grootschalige bedrijfsactiviteiten, maar bouwt voort op de aanwezige recreatieve voorziening op de locatie en in de omgeving;
  • De positionering van het gebouw en speelplek: hiermee heeft het gebouw een geluidsafschermende werking ten opzichte van spelende kinderen op het speelterrein;
  • De architectuur: De uitstraling sluit aan bij de nostalgische sfeer van de molen;
  • Sloop bebouwing: Aan de zuidzijde van het plangebied is nog een opslagschuur aanwezig. Deze zal worden gesloopt zodat er niet alleen verstening plaats vindt maar ook vergroening;
  • Eenrichtingsweg toegangsweg: Langs het perceel Markstraat 2a wordt ingericht als één richtingsweg zodat het verkeer op de terugweg langs het Babypark rijdt en niet langs de woning. Hiermee wordt het verkeer gereduceerd;
  • Een langzaamverkeersverbinding naar de Rijnbandijk: Hiermee wordt het recreatief verkeer en het bedrijfsmatig verkeer gescheiden en ontstaat er een veilige scheiding tussen vervoersstromen.
  • Landschappelijke inpassing: Het terrein behoudt haar groene karakter door de instandhouding van de beplanting rond de bebouwing.

Dit wordt gezien als een vorm van inspraak en het plan wordt hierdoor gelijk als ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Belanghebbenden hebben de mogelijkheid om hier hun zienswijzen op het plan te geven.

8.4 Verslag zienswijzen

In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.