direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Partiële herziening KBP zuidoost, Hapert
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1728.BPA5031KBPZOuits-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het bestemmingsplan KBP 2008 is in de zuidoosthoek van het plangebied een kavel met de bestemming 'Bedrijventerrein' opgenomen en daarnaast is een deel de zuidoosthoek bestemd als 'Gemengd' en 'Sport - Motorcrossterrein'. In dit gebied ligt een deel van het motorcrossterrein en zijn twee blusvijvers gerealiseerd.

Op de kavel met de bestemming Bedrijventerrein is vooralsnog geen ontwikkeling tot stand gekomen. In augustus 2016 heeft het Kempisch Bedrijvenpark echter een overeenkomst gesloten met MS Schippers uit Bladel voor de verkoop van circa 40.000 m² bedrijventerrein. Op het bedrijvenpark wil MS Schippers een nieuw kenniscentrum, het hoofdkantoor en een fabriek met distributiecentrum realiseren.

Het nieuw te bouwen innovatie- en kenniscentrum voor de veehouderij biedt straks de mogelijkheid om 350 gasten te ontvangen. Ook is er ruimte voor start-ups die voor en samen met MS Schippers nieuwe toepassingen voor de veehouderij willen ontwikkelen. Voor deze bedrijvigheid met een lagere milieucategorie, die een binding heeft met de veehouderij, wordt binnen het gebouw ruimte geboden. MS Schippers wil graag de activiteiten concentreren, zodat zij beter kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen in de markt. De bestemmingsomschrijving biedt mogelijkheden om invulling te geven aan het campusconcept. Er is zodoende ruimte om meerdere kleinere bedrijven onder één dak te faciliteren om samenwerking en innovatie te ontplooien, waarbij kennis en onderzoeksfaciliteiten worden gedeeld. Het is niet bedoeld als bedrijfsverzamelgebouw voor zelfstandige niet-branchegerelateerde bedrijven. Het KBP zien zij als een perfecte locatie voor de Europese markt die zij bedienen. In de gewenste ontwikkeling is ruimte gereserveerd voor een parkeergarage voor medewerkers en bezoekers. Deze moet gebouwd worden langs het naastgelegen motorcrossterrein op een wijze dat het geluid en stof van het motorcrossterrein maximaal worden geabsorbeerd. Daarnaast worden met de motorcrossvereniging afspraken gemaakt over het medegebruik van garage.

Het KBP wil graag meewerken aan de ontwikkeling van MS Schippers door het bestemmingsplan daaraan aan te passen. De ontwikkeling past namelijk niet binnen het huidige bestemmingsplan. Hiervoor dient een strook grond die is bestemd als 'Sport - motorcrossterrein' te worden gewijzigd naar de bestemming 'Gemengd' met daarop een functieaanduiding te krijgen ten behoeve van de parkeergarage. Ook ten aanzien van het bouwen binnen de bestemming 'Gemengd', deels gelegen binnen de grenzen van de aanwezige blusvijvers, dienen aanpassingen te worden gedaan.

1.2 Bestemmingsplan KBP 2008 en de herziening 2011

Op 11 december 2008 heeft de gemeenteraad van Bladel het bestemmingsplan 'KBP 2008' vastgesteld. Dit bestemmingsplan moet de realisatie van het Kempisch Bedrijvenpark (hierna: KBP) mogelijk maken. Naast de realisatie van een duurzaam regionaal bedrijventerrein omvat het plan ook de realisatie van bos- en natuurgebied waarbinnen waterbergingen worden ingepast, de realisatie van twee woningbouwclusters, de uitbreiding van het bestaande motorcrossterrein 'De Ketelberg' en de aanleg van een nieuwe aansluiting op de A67 in combinatie met een nieuw wegtracé voor de provinciale weg N284.

Tegen het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan is beroep ingesteld. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) heeft in haar uitspraak van 30 juni 2010 (zaaknummer 200901350/1/R3) een deel van het bestemmingsplan vernietigd, waarbij tevens bepaald is om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Met betrekking tot een klein deel van het plangebied zijn de rechtsgevolgen niet in stand gelaten. Hierdoor geldt voor gronden met voorheen de bestemming 'Bedrijventerrein' gelegen binnen een afstand van 300 meter van de bebouwing van de stichting Lunet het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010'. Dit is niet gewenst en moet daarom hersteld worden door een nieuw bestemmingsplan in procedure te brengen.

Dit nieuwe bestemmingsplan had alleen betrekking kunnen hebben op dat gedeelte van het KBP waarvoor het bestemmingsplan KBP 2008 is vernietigd. Hiervoor is niet gekozen. In plaats daarvan werd het plan op ondergeschikte punten aangepast. Dit is het bestemmingsplan, 'KBP 2008, herziening 2011'.

1.3 Begrenzing plangebied

Het plangebied wordt globaal begrensd:

  • 1. aan de noordzijde door de Eerselsedijk;
  • 2. aande oostzijde door de grens van het motorcrossterrein en parallel aan de Smaragdweg door de crossbaan van het motorcrossterrein;
  • 3. aan de zuidzijde door A67;
  • 4. aan de westzijde door de provinciale weg.

1.4 Vigerende bestemmingsplannen

Binnen de begrenzing van het plangebied vigeren de volgende bestemmingsplannen:

'KBP 2008, herziening 2011'', van de gemeente Bladel, dat is vastgesteld op 18 augustus 2011.

Hoofdstuk 2 Wijzigingen ten opzichte van bestemmingsplan KBP 2008, herziening 2011

2.1 Planwijzigingen

Dit plan ziet op een wijziging van het bestemmingplan KBP 2008, herziening 2011, ten aanzien van de zuidoosthoek van het gebied (zie plankaart). In het KBP 2008, herziening 2011, is in de zuidoosthoek een bedrijfskavel opgenomen met de bestemming 'Bedrijventerrein'. In verband met de gewenste ontwikkeling van MS Schippers, zal het bestemmingsplan in de zuidoosthoek op een aantal punten wijzigen:

  • Het bouwvlak dat is opgenomen in de huidige bedrijfskavel is niet groot genoeg voor de gewenste ontwikkeling van MS Schippers. Het bouwvlak wordt daarom beperkt aangepast;
  • In het noordelijke deel van het plangebied liggen twee vlakken met de bestemming 'Gemengd'. Volgens de huidige bestemmingsregels is het niet toegestaan gronden binnen de bestemming 'Gemengd' te gebruiken voor bedrijfsdoeleinden. Er mag ook niet gebouwd worden ten dienste van dat gebruik. Omdat de ontwikkeling van MS Schippers voor een deel gerealiseerd zal worden binnen de gronden 'Gemengd', zullen de regels voor deze bestemming zodanig worden aangepast, dat het mogelijk is voor MS Schippers om een deel van het bedrijf te realiseren binnen de bestemming 'Gemengd';
  • Tegenover de bedrijfskavel ligt het motorcrossterrein, dat is bestemd als 'Sport - motorcrossterrein'. Van deze bestemming is een strook verkocht aan MS Schippers om de parkeergarage te kunnen realiseren. Dit heeft verder geen gevolgen voor de inrichting van het motorcrossterrein, omdat het hier 'slechts' gaat over de verwijdering van de groene wal. De bestemming van de strook die nodig is voor MS Schippers, zal de bestemming 'Gemengd' krijgen, zodat ook de mogelijkheid ontstaat een deel van de parkeergarage te realiseren.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR), die in maart 2012 is verschenen, zijn door het Ministerie van Infrastructuur & Milieu de principes voor de ruimtelijke inrichting van Nederland vastgelegd. Hoofddoel van de SVIR is Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden.

Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Naast de hoofddoelen heeft het Rijk een keuze gemaakt om de sturingsfilosofie te wijzigen. Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven) en laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij…'). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving.

Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:

  • Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainport en greenports;
  • Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed;
  • Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners.

Deze drie criteria zijn leidend bij de in de structuurvisie benoemde rijksdoelen en bijbehorende nationale belangen. Voor de gemeente Bladel zijn geen directe rijksdoelen benoemd. Dit rijksbeleid heeft geen directe werking op de ontwikkeling van het plangebied.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de "ladder voor duurzame verstedelijking" geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Nut en noodzaak van de ontwikkeling van het plan 'KBP partiële herziening' zijn getoetst op basis van de drie treden van de ladder voor duurzame verstedelijking. Zie ook Hoofdstuk 4.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het recent vastgestelde Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen uit de Nota Ruimte en voormalige PKB's in regelgeving. Deze belangen maken deel uit van het geldende nationale ruimtelijke beleid, zoals beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR).

De in de 'Wijziging van het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (eerste aanvulling)' opgenomen artikelen worden toegevoegd aan het Barro. De inhoud is gebaseerd op de nieuwe onderwerpen van het ruimtelijke beleid die door het kabinet in de SVIR zijn vastgesteld. Het betreft onderwerpen op het gebied van de hoofdinfrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het vereenvoudigde regime van de ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid. Het rijksbeleid heeft geen directe werking op de ontwikkeling van het plangebied.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening

De Structuurvisie Ruimtelijke ordening, die 1 januari 2011 in werking is getreden, geeft aan welke ambities de provincie heeft op het gebied van het provinciale ruimtelijke beleid tot 2025 en hoe ruimtelijke ontwikkelingen een plek kunnen krijgen die aansluit bij de kwaliteiten van Brabant. In de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn twee ruimtelijke trends te onderscheiden: de schaalvergroting en de behoefte aan identiteit.

De provincie streeft naar een concentratie van verstedelijking, robuuste en aaneengesloten natuurgebieden, concentratiegebieden voor glastuinbouw en intensieve veehouderijen en voldoende ruimte voor waterberging nu en in de toekomst. De provincie wil duurzaam en zuinig omgaan met de leefomgeving en de ruimte en een goede relatie creëren tussen wonen en werken in de stedelijke omgeving en een groene landelijke omgeving daarbuiten. Bij de vaststelling van deze Structuurvisie zijn de uitwerkingsplannen van het Streekplan 2002 vervallen.

De provincie kiest in haar ruimtelijke beleid tot 2025 voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en een kennisinnovatieve economie met als basis een klimaatbestendig en duurzaam Brabant. Het principe van behoud en ontwikkeling van het landschap is in deze structuurvisie de 'rode' draad die de ruimtelijke ontwikkelingen stuurt.

De structuurvisie is samen met de Verordening ruimte (zie volgende paragraaf) een middel om de provinciale ruimtelijke visie op Brabant te realiseren.

Bedrijfsactiviteiten die niet in een (gemengde) woonomgeving passen, dienen gebruik te kunnen maken van uitgeefbare ruimte op bedrijventerreinen. Dit kunnen bijvoorbeeld activiteiten zijn die milieuhinder veroorzaken of een grote verkeersaantrekkende werking hebben. Oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen dient te worden voorkomen, zoals detailhandel of kantoorlocaties op bedrijventerreinen.

Wat betreft de ontwikkeling van bedrijventerreinen ziet de provincie het als een gezamenlijke opgave voor het bedrijfsleven, de betrokken overheden en andere initiatiefnemers, om zorgvuldig met de ruimte om te gaan. Dit kan door middel van inbreiden, herstructureren en intensief / meervoudig gebruik van de ruimte. Het vraagt om maatwerk om de verdere uitwerking per regio of locatie uit te werken. Het ruimtegebruik moet daarbij aansluiten op de specifieke karakteristieken en kwaliteiten van de locatie.

In de structuurvisie is het plangebied (zie blauwe ellips) aangeduid als 'Economisch kenniscluster' en 'Internationale economische as'.

3.2.2 Verordening ruimte

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening heeft de provincie Noord-Brabant een verordening opgesteld waarin de provincie aangeeft welke doelen en ambities bereikt moeten worden en welke instrumenten zij wil inzetten. In de Verordening ruimte staan de juridisch bindende regels. De provinciale Verordening ruimte is een concrete uitwerking van de ambities van de provincie Noord-Brabant. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben in hun vergaderingen van 7 februari 2014 en 14 maart 2014 de Verordening ruimte 2014 vastgesteld. Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten in hun vergadering van 18 maart 2014 besloten onderdelen te wijzigen. De Verordening ruimte 2014 bevat diverse wijzigingen ten opzichte van de Verordening ruimte 2012.

Het plangebied is op de kaart behorend bij de verordening aangeduid als bestaand stedelijk gebied binnen een kern in landelijk gebied (zie het gebied binnen de blauwe omlijning op afbeelding 1, behorend bij de Verordening Ruimte 2014).

Afbeelding 1: Themakaart stedelijke ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.BPA5031KBPZOuits-VAST_0001.png"

Artikel 4.5 van de Verordening ruimte 2014 regelt het ruimtegebruik binnen het bestaand stedelijk gebied voor zover het gaat om bestaande bedrijventerreinen en kantorenlocaties. De toelichting bij het bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in de aanwijzing van een bedrijventerrein bevat een verantwoording over de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden voor herstructurering en zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 4.4 van de Verordening ruimte 2014. Daarbij moet men vooral denken aan het opnemen van regels. Regels die verband houden met een goede ruimtelijke ordening, die leiden tot een goede verdeling van het ruimtebeslag, regels ten aanzien over een bebouwingspercentage en bouwhoogte dat past bij het bedrijventerrein en regels die oneigenlijk ruimtegebruik tegengaan.

Een andere optie die artikel 4.5 biedt is een verantwoording te geven over hoe het in stand houden van de geldende bestemming zich verhoudt tot de afspraken uit het regionaal ruimtelijke overleg over de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en kantorenlocaties of de uitbreiding van zodanige terreinen. De ontwikkeling van MS Schippers kan geen herstructurering worden genoemd, maar is meer een instandhouding van de geldende bestemming met een aantal kleine aanpassingen die nodig zijn om de ontwikkeling uit te kunnen voeren.

3.2.3 Overwegingen zuidoosthoek

De fysieke mogelijkheden die de gekozen locatie voor MS Schippers bieden maken dat de keuze om de voorgenomen ontwikkeling juist hier te realiseren, logisch en vanzelfsprekend is. Met enkele kleine aanpassingen past de ontwikkeling precies binnen de beschikbare kavel en wordt optimaal gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte. De ontwikkeling voorziet in een groot en mooi gebouw dat ligt op een locatie langs de snelweg. Met de invulling van de kavel door MS Schippers kan het KBP daarnaast laten zien dat de Kempische gemeenten kennisintensieve bedrijven hebben, wat een goede uitstraling heeft op het overige deel van het KBP en de Kempische gemeenten. Dit sluit op het idee dat Regio Eindhoven zich meer en meer tot een kennisintensieve economie ontwikkelt, de zogenaamde Brainport Regio Eindhoven.

De ontwikkeling van MS Schippers sluit aan op het bestaand stedelijk gebied van Hapert en maakt op grond van de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant ook deel uit van het bestaand stedelijk gebied. Het gebied is al goed ontsloten: via de Smaragdweg en de N284 komt men uit bij de A67. Via de N284 is er ook een goede ontsluiting richting de kernen van Hapert en Bladel. De provinciale laddertoets is doorlopen en is beschreven in Hoofdstuk 4.

Het plangebied van de Zuidoosthoek bedraag bruto circa 6 ha. In het door architect Van de Ven ontwikkelde ontwerp is het kantoorgedeelte en ook het innovatiecentrum gevestigd tegen de blusvijver aan. Dit geeft het bedrijf een grootse uitstraling, waarmee het de Europese markt wil bedienen. Het overige deel van het gebouw bevat productie- en opslagruimten voor de productie van onder andere oormerken voor de veehouderij.

3.2.4 Conclusie

De ontwikkeling van MS Schippers leidt ertoe dat een markante plek binnen het KBP wordt gevuld door een bedrijf met een goede uitstraling. Er is ruimte voor de ontwikkeling van MS Schippers, zowel fysiek als financieel, en er is een behoefte. De mogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan biedt, sluiten niet aan bij de behoefte van MS Schippers en de potentie van de gewenste ontwikkeling. Om dit Kempische bedrijf de mogelijkheid te bieden haar activiteiten te concentreren, om het KBP verder te laten groeien en te ontwikkelen en om dit bedrijf met de bijbehorende werkgelegenheid voor de regio te behouden, werkt de gemeente graag mee door middel van deze partiële herziening van het bestemmingsplan KBP 2008, herziening 2011. Met bovenstaande toelichting wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden aan het realiseren van de ontwikkeling van MS Schippers.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Metropoolregio Eindhoven

De gemeente Bladel maakt onderdeel uit van de Metropoolregio Eindhoven. Binnen de Metropoolregio Eindhoven werken 21 gemeenten samen om de regio verder te ontwikkelen. Samen vormen de gemeenten een toptechnologische regio waar het goed wonen en leven is. Internationaal wordt dat ook erkend en heeft de regio een geweldige reputatie als Brainport en 'de slimste regio van de wereld'. De regio moet zich blijven ontwikkelen, de welvaart en het welzijn van onze regio verbeteren.

Voor elke regionale opgave is een opdracht geformuleerd. Deze opdracht wordt uitgevoerd door een werkplaats. De werkplaats Bedrijventerreinen en Detailhandel bestaat uit een groep van enthousiaste deskundigen, die regelmatig bijeenkomt om na te denken over wat goed is voor de regionale opgave. Zij zien voor zichzelf als opdracht om goed onderbouwde, creatieve en vernieuwende adviezen te geven aan de regio.

Om een economische wereldspeler te kunnen zijn, is het essentieel een goede balans te vinden tussen vraag en aanbod van regionale werk- en detailhandelslocaties. De regio heeft de ambitie om tot de sterkste economische regio's in Europa te behoren en probeert de concurrentiepositie van de regio daarom te behouden en waar mogelijk te versterken. Hierbij richt de werkplaats zich op de volgende twee speerpunten:

  • een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven;
  • een goede balans tussen vraag en aanbod van terreinen en locaties.

De primaire focus ligt op de kwaliteit van de locaties. Kwaliteit is waar de regio op (inter)nationaal niveau het verschil kan maken. Hierdoor blijft de regio een aantrekkelijke vestigingsplaats voor het bedrijfsleven en kenniswerkers.

Daarnaast wordt gezorgd voor kennisdeling en afstemming tussen gemeenten en subregio's.

3.3.2 Regionale programmering bedrijventerreinen

In de Kempen was het KBP gereserveerd voor grootschalige ontwikkelingen en de beschikbare grond staat op groen. Het KBP is ook volledig klaar en gereed voor uitgifte van grond aan Kempische bedrijven. Uit de Regionale programmering bedrijventerreinen 2014 blijkt dat de Kempen ervoor heeft gekozen het verkeerslichtenmodel toe te passen op de locaties met kleinschalig aanbod (minder dan 5000 m²). Het KBP heeft kavels van meer dan 5000 m². Dit impliceert dat het KBP als groen is aangemerkt (groen = (delen van) plannen die de regio tot 2020 zeker gaat ontwikkelen). Het KBP heeft een oppervlakte van 69 hectare, waarvan nog 50% direct uitgeefbaar is.

Met de aanwezigheid van het bedrijventerrein, de grond die direct uitgeefbaar is en de verkoop van de grond aan MS Schippers, staat ook vast dat er sprake is van een behoefte.

3.4 Gemeentelijk beleid

Het plangebied waar de ontwikkeling van MS Schippers wordt gerealiseerd, is onder het vigerende bestemmingsplan reeds onderdeel van het KBP. De gronden zijn bouwrijp gemaakt, infrastructuur is aanwezig en de betrokken gronden zijn direct uitgeefbaar. Slechts aan de randen van het plangebied is sprake van een wijziging ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Deze wijzigingen doen echter geen afbreuk aan de verdere ontwikkeling van het KBP.

Hoofdstuk 4 Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking

4.1 De ladder

Naast de onderbouwing van de ruimtebehoefte op gemeentelijk en regionaal niveau, dient bij ruimtelijke plannen de 'ladder voor duurzame verstedelijking' te worden toegepast. In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordeing is het volgende bepaald:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Ten opzichte van het huidige bestemmingsplan verandert de oppervlakte van het bedrijventerrein in die zin, dat er, binnen de grenzen van het bestemmingsplan KBP 2008, herziening 2011, extra oppervlakte beschikbaar wordt gesteld aan de ontwikkeling van een bedrijf. Om dit mogelijk te maken veranderen er tevens wat functies. Daarom is het noodzakelijk de Ladder voor duurzame verstedelijking te doorlopen.

4.2 Bepalen behoefte

Geconcludeerd kan worden dat er in de regio Brabantse Kempen een concrete vraag is naar bedrijvigheid. Dit blijkt uit de aanwezigheid van het KBP, het feit dat er meer dan voldoende direct uitgeefbare grond beschikbaar is (69 hectare, waarvan inmiddels 50% is verkocht) en dat de grond ook is verkocht aan MS Schippers. Getuige de Regionale programmering bedrijventerreinen 2014 staat de beschikbare grond binnen het KBP ook op groen en inmiddels is alles ook ontwikkeld.

Om de ontwikkeling van MS Schippers daadwerkelijk uit te kunnen voeren zijn wel een aantal aanpassingen van het bestemmingsplan vereist. Zo is het huidige bouwvlak van de betrokken kavel niet groot genoeg en biedt het vigerende bestemmingsplan ook niet de mogelijkheid een gebouw ten behoeve van een bedrijf te bouwen binnen de bestemming 'Gemengd'. De bestemming 'Sport - motorcrossterrein' moet daarnaast aangepast worden om de bouw van de parkeergarage mogelijk te maken.

Tot slot past de ontwikkeling van MS Schippers uitstekend binnen het KBP vanwege de Kempische roots van het bedrijf en omdat het sterk inzet op kennis. Dit laatste sluit goed aan bij de Brainport-gedachte.

4.3 Bestaand stedelijk gebied

Het gebied waarbinnen de bedrijfskavel is gelegen is in de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant aangewezen als bestaand stedelijk gebied. Voor het te bouwen bedrijfspand wordt dus ook geen nieuw stedelijk gebied ontwikkeld, maar wordt het bestaande stedelijke gebied benut.

De gemeente Bladel heeft in de structuurvisie daarnaast aangegeven dat de kern van Hapert in zuidelijke richting een duidelijke afronding kent. De ontwikkeling van het Kempisch Bedrijvenpark brengt daar grote verandering in. In de structuurvisie is dit ook meegenomen: dorpsuitbreiding in zuidelijke richting, tussen de dorpskern en de bedrijvigheid, biedt hier een kans om voor een kwalitatief goede overgang te zorgen.

Het feit dat het KBP de beschikbare grond heeft verkocht aan MS Schippers geeft voor een groot deel aan dat de ontwikkeling van MS Schippers gewenst is. Aanvullend hierop speelt ook een rol dat het KBP er al ligt, de gronden zijn bouwrijp gemaakt en blijkens de Regionale programmering bedrijventerreinen hebben de Kempengemeenten ook de wens én de verwachting de gronden te ontwikkelen voor 2020.

De wijziging met betrekking tot het plangebied is tevens financieel haalbaar. De grond is bouwrijp gemaakt en de grond is inmiddels verkocht. Met de verkoop van de bedrijfskavels worden de gemaakte kosten voor de ontwikkeling van het KBP terugverdiend. De financiële haalbaarheid van de ontwikkeling van MS Schippers komt niet in gevaar.

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving

5.1 Algemeen

Aan het bestemmingsplan plan ligt geen vastomlijnd stedenbouwkundig plan ter grondslag. Aanleiding voor het bestemmingsplan is het ontwerp van Van de Ven architecten.

Uitgangspunten van het ontwerp zijn:

  • Totale oppervlakte perceel: 40.000 m²
  • Totale bruto bebouwing exclusief kantoor: 33.488 m²;
  • Bijbehorend kantoorgebouw met drie verdiepingen en (parkeer)kelder;
  • Entree vanaf zijde blusvijvers;
  • Parkeergarage met een capaciteit van 480 plaatsen langs het motorcrossterrein;
  • Maximale bouwhoogte van 18 meter.

De productie- en opslagruimtes worden aangelegd op de bestaande bedrijfskavel. Het kantoorgedeelte met de entree wordt gevestigd aan de Smaragdweg. Vanaf de Smaragdweg wordt tevens een pad aangelegd, over de blusvijver, zodat men te voet de ingang van het pand kan bereiken. De parkeergarage wordt rondom het motorcrossterrein gebouwd en bestaat uit twee lagen. De constructie van de parkeergarage wordt uitgevoerd op een wijze die in eerste instantie een positieve uitwerking heeft op de absorbering van geluid en stof afkomstig van het motorcrossterrein.

5.2 Beeldkwaliteitsplan

Het Beeldkwaliteitsplan KBP is voor de adviescommissie Welstandszorg een houvast om individuele bouwplannen te toetsen in relatie tot het grotere stedenbouwkundig geheel. Het beeldkwaliteitsplan is de schakel tussen stedenbouw en architectuur en is dienstbaar aan de functionaliteit van het bedrijvenpark en bevat duidelijke regels en aanbevelingen. Het plan beschrijft in woord en beeld de spelregels voor het nieuw te ontwikkelen bedrijvenpark. De supervisor heeft ingestemd met de stedenbouwkundige inpassing van voorliggende ontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Onderzoek planeffecten

Het bestemmingsplan voorziet in het realiseren van een bedrijf binnen het reeds vastgestelde bestemmingsplan KBP 2008. Omdat de ontwikkeling op onderdelen afwijkt van de bestemmingsregels, is het bestemmingsplan aangepast en zijn de relevante onderzoeken beschreven. Op de overige onderdelen wordt aangesloten bij de onderzoeken behorende bij het bestemmingsplan KBP 2008.

De milieu-effecten, waaruit blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening, zijn reeds onder het vigerende plan onderzocht. Het bestemmingsplan voorziet in feite slechts in het ter plaatse toestaan van extra bouwmogelijkheden. Dit hoofdstuk gaat in op effecten die kunnen onstaan door het toestaan van extra bouwmogelijkheden.

6.1 Akoestiek

Het plangebied ligt binnen de geluidscontour van het motorcrossterrein Ketelberg. In het kader van de realisatie van het innovatie- en kenniscentrum van MS Schippers is een onderzoek uitgevoerd naar de akoestische consequenties van het nieuwbouwplan voor de geluidszone van het motorcrossterrein De Ketelberg aan de Eerselsedijk ongenummerd te Hapert (Bijlage 1).

Uit het onderzoek blijkt dat geluidsreflecties tegen de nieuwbouw van MS Schippers alsmede tegen de bedrijfspanden van FittinQ en Diffutherm een overschrijding veroorzaken van de aan MCC De Ketelberg vergunde geluidsgrenswaarden van afgerond +1 dB. Het effect van de wandafwerking van de parkeergarage aan de zijde van het motorcrossterrein is hierop van ondergeschikt belang.

De geluidsreflecties leggen beperkingen op aan de exploitatie van het motorcrossterrein De Ketelberg. Om binnen de vergunde grenswaarden te kunnen blijven dient het aantal motorcrossuren van MCC de Kempen met 7% te worden verlaagd. Deze beperking kan evenwel ongedaan worden gemaakt door het treffen van overdrachtsbeperkende maatregelen langs de "lange baan", zoals aangegeven in de bij het bestemmingsplan behorende geluidsrapportage. Omdat het niet wenselijk is wijzigingen aan te brengen in de exploitatie van het motorcrossterrein zullen de in het geluidsrapport opgenomen overdrachtsbeperkende maatregelen worden gerealiseerd.

6.2 Bodem

In het kader van het opstellen van voorliggend bestemmingsplan zijn de bodemonderzoeken die eerder zijn gedaan in het kader van de ontwikkeling van het KBP, beoordeeld. De beoordeling van de onderzoeken is opgenomen in Bijlage 2)

Uit de eerder verrichte bodemonderzoeken blijkt dat er in 2006/2007, met betrekking tot de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen in de bodem, geen sprake was van belemmeringen voor het realiseren van het KBP ter plaatse. Om die reden worden ook anno 2017 geen belemmeringen verwacht voor het realiseren van voorliggend bestemmingsplan.

Om deze verwachtingen te toetsen wordt geadviseerd om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Een verkennend bodemonderzoek kan te zijner tijd in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning worden uitgevoerd en is niet direct nodig binnen de bestemmingsplanprocedure. Een verkennend bodemonderzoek wordt om de volgende redenen wenselijk geacht:

  • De eerder verrichtte bodemonderzoeken zijn gedateerd en voldoen niet meer aan de huidige onderzoeksprotocollen c.q. analysepakketten. In 2008 is namelijk het Bouwstoffenbesluit komen te vervallen en is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Daaraan gekoppeld zijn de bijbehorende onderzoeksprotocollen en analysepakketten (voor analyse van grond- en grondwatermonsters) gewijzigd;
  • Na uitvoering van de bodemonderzoeken zijn de ter plaatse aanwezige boerderijen met opstallen (ter plaatse van de voormalige locaties Eerselsedijk 1 en 2) gesloopt en kan de bodem als gevolg daarvan mogelijk verontreinigd zijn geraakt;
  • Ter plaatse van de voormalige locatie Eerselsedijk 2 (boerderij met opstallen) heeft sanering plaatsgevonden en is er eventueel sprake van restverontreinigingen in de bodem, waarmee rekening gehouden dient te worden bij een herontwikkeling c.q. graafwerkzaamheden in de bodem.

Voorafgaande aan de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek wordt geadviseerd een vooronderzoek uit te voeren. In dat kader worden de beschikbare rapporten van de sloopactiviteiten en de uitgevoerde sanering(en) beoordeeld. Op basis daarvan zal een onderzoekshypothese worden opgesteld voor uitvoering van het verkennend bodemonderzoek.

6.3 Luchtkwaliteit

Met de ontwikkeling van de bedrijfslocatie van MS Schippers is een groter oppervlakte in gebruik genomen door een bedrijf, dan op basis van het huidige bestemmingsplan is toegestaan. Deze extra bouwmogelijkheden worden gebruikt voor het kantoorgebouw en de parkeergarage.Voor de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door deze partiële herziening is een stikstofberekening uitgevoerd (Bijlage 3 en Bijlage 4). De interpretatie van deze berekeningen is opgenomen in Bijlage 5.

De beoogde situatie heeft een bepaalde emissie van NO2 en NH3. Deze emissie wordt bepaald aan de hand van het extra verkeer over de weg en intern verkeer op het terrein. Het kantoor zal verwarmd worden middels een warmtepomp, dit is vastgelegd in de regels van deze partiële herziening. Een warmtepomp produceert geen NO2 en NH3. Het opslaan en gereedmaken voor verzending van goederen in het distributiecentrum zorgt ook niet voor NO2- of NH3-productie, daarom wordt hier geen emissie voor meegenomen in de berekening.

De totale emissie voor het intern verkeer en de extra verkeersbeweging bedraagt 425,0 + 3.695,0 = 4.130,6 kg NO2 en 9,0 kg NH3. Doordat de bemesting van de kavel stopt na bebouwing, wordt de emissie verder teruggebracht. De effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden worden nader toegelicht in paragraaf 6.4.2.

6.4 Natuur

6.4.1 Algemeen

In het kader van de plannen van MS Schippers is onderzocht wat de effecten van de gewijzigde plannen zijn op de natuur in het plangebied en wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn voor de natuur in de omgeving (zie tevens Bijlage 6). In 2017 is het rapport aangevuld naar aanleiding van de veranderde wet- en regelgeving met betrekking tot natuur. Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet geïntegreerd, maar daarbij vinden ook een aantal wijzigingen plaats. Er zijn soorten die onder de vorige wetgeving beschermd waren, maar onder de Wet natuurbescherming niet meer (bijvoorbeeld de kleine modderkruiper). Andersom bevat de lijst van beschermde soorten na inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming ook nieuwe soorten (zoals de haas en de bosmuis).

6.4.2 Resultaten ecologisch onderzoek

Er zijn beschermde soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen maatregelen. Dit betreffen de volgende beschermde soorten:

  • Diverse algemeen beschermde soorten komen in het plangebied voor. Ten aanzien van deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht, gelet op het voornemen voor het uitvoeren van een ruimtelijke ontwikkeling;
  • Binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden bevindt zich het leefgebied van de alpenwatersalamander. Effecten op de alpenwatersalamander zijn op voorhand niet uit te sluiten. Nader onderzoek toont aan dat er geen alpenwatersalamander is aangetroffen (Bijlage 7).

Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Eenieder wordt mede verantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen aantasten.

Tijdens de realisatie dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van broedvogels gedurende het broedseizoen (globaal half maart – augustus). Alle broedgevallen zijn namelijk beschermd tijdens het broedseizoen. Van belang is dat broedende vogels niet verstoord worden gedurende deze periode. Door in de planning rekening te houden met het broedseizoen of door het tijdig nemen van werende maatregelen, wordt de kans verkleind dat vogels zich vestigen in het plangebied en deze worden verstoord ten gevolge van de uitvoering van werkzaamheden.

Natuurbeschermingswet

Gelet op de verkeersaantrekkende werking van de voorgenomen ontwikkeling zijn vermesting en verzuring als gevolg van een toename van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Effecten van stikstofdepositie op de wezenlijke waarden en kenmeren van het gebied kunnen op voorhand niet worden uitgesloten waardoor een nadere uitwerking van het nee, tenzij-principe noodzakelijk is.

Natuurbeleidskaders

Ontwikkelingen binnen of in de nabijheid van Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) in de provincie Noord-Brabant mogen geen afbreuk doen aan de wezenlijke kenmerken en waarden van een NNN-gebied. Gelet op de verkeersaantrekkende werking van de voorgenomen ontwikkeling zijn effecten als vermesting en verzuring als gevolg van een toename van stikstofdepositie op omliggende NNN gebieden niet uit te sluiten. Effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied zijn hierdoor niet op voorhand uit te sluiten waardoor nadere uitwerking van het nee, tenzij-principe noodzakelijk is. De effecten dienen nader bepaald te worden met behulp van stikstofdepositieberekeningen (Aerius Calculator).

Uit de AERIUS berekeningen (Bijlage 3 en Bijlage 4) blijkt dat er een toename is van 0,04 mol op Natura 2000-gebied Kempenland-West. De toename is kleiner dan 0,05 mol. Dit betekent dat er geen significant verschil is tussen de huidige en de beoogde situatie.

Naast de stikstofdepositie op Nederlandse Natura 2000-gebieden moet ook de depositie op Belgische Natura 2000-gebieden worden beoordeeld. In België wordt een ander toetsingskader gehanteerd dan in Nederland. Als de stikstofdepositie maximaal 5% van de kritische depositiewaarde van een gebied bedraagt, is er geen sprake van een significant effect.

In Natura 2000-gebieden komen verschillende habitattypes voor met verschillende kritische depositiewaardes. Dit varieert van 400 tot >2400 mol/ha/jaar. Omdat de habitattypen van de Belgische Natura 2000-gebieden niet in het Aerius-rekenprogramma zijn opgenomen, kan in de uitdraai niet worden bekeken op welke habitattypen er depositie plaatsvindt. Daarom wordt uitgegaan van een worst-case benadering en wordt er gerekend met de laagste kritische depositiewaarde.

Het habitattype met de laagste kritische depositiewaarde, heeft een kritische depositiewaarde van 400 mol/ha/jaar. Om geen significant effect te hebben op een natuurgebied, mag de maximale stikstofdepositie 400*5%=20 mol/ha/jaar bedragen. In de beoogde situatie is de stikstofdepositie op Ronde Put maximaal 0,10 mol en op Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden maximaal 0,09 mol. De stikstofdepositie blijft hiermee ruim onder de 20 mol/ha/jaar waardoor het voornemen geen significant effect heeft op Belgische Natura 2000-gebieden.

6.5 Parkeren

De ontwikkeling van MS Schippers zal niet leiden tot een toenemende parkeerdruk op het openbaar gebied. Er geldt een parkeernorm van 9 plaatsen per 1.000 m² BVO. Het ontwerp van MS Schippers voorziet in een parkeergarage voor bezoekers en werknemers met in totaal 480 parkeerplaatsen. Daarmee zorgt de parkeergarage voor voldoende capaciteit om alle bezoekers en werknemers een parkeerplek te bieden.

Omdat de parkeergarage ook gebruikt kan worden door de bezoekers van het motorcrossterrein, wordt zelfs verwacht dat de komst van MS Schippers een positief effect heeft op de parkeerdruk binnen het openbaar gebied.

6.6 Veiligheid

6.6.1 Brandveiligheid

Op 18 juli 2016 heeft de brandweer, Brandweerzorg De Kempen, een reactie gegeven op het voornemen het bestemmingsplan KBP 2008 te wijzigen ter plaatse van de gewenste ontwikkeling van MS Schippers (zie Bijlage 8). In deze reactie heeft de brandweer zich vooral gericht op de bereikbaarheid en bestemmingsplanwijziging. Alle verdere (vergunning)aanvragen met betrekking tot de realisatie zullen via de normale procedure lopen. In deze reactie heeft de brandweer op hoofdlijnen het volgende aangegeven:

  • 1. De brandweer is van mening dat het aanpassen van het en het bouwen van een groot bedrijf op basis van de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van 7 april 2016 geen problemen oplevert, mits er aan het beleid wordt voldaan. De blusvijvers moeten voldoende bluswater kunnen blijven leveren. De uitgevoerde watertoets van 25 november 2016 wijst dit ook uit. Ook de bereikbaarheid van de aanlegplaats moet gegarandeerd blijven.
  • 2. Met betrekking tot het bouwen op de perceelgrens aan de zuidwestzijde: Indien het gebouw maximaal 18 meter hoog wordt, is het voor de brandweer niet noodzakelijk dat er met voertuigen achter door zal moeten worden gereden. Er moet dan echter wel aan een aantal voorwaarden vanuit de brandweer worden voldaan. Deze zijn terug te vinden in bijlage 2.

De parkeergarage zoals gewenst zal ook als afscherming kunnen dienen voor het motorcrossterrein. Ten aanzien van de parkeergarage heeft de brandweer ook drie aandachtspunten, waar rekening mee gehouden dient te worden.

6.6.2 Externe veiligheid

Sinds 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het Bevi heeft als doel om burgers een minimaal beschermingsniveau te bieden. Het externe veiligheidsbeleid hierbij is gericht op het beheersen van risico's en de effecten van calamiteiten en het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dit gebeurt ondermeer door:

  • te voorkomen dat te dicht bij (beperkt) gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden;
  • de zelfredzaamheid te bevorderen;
  • de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

Het Bevi onderscheidt normen en oriënterende waarden voor het:

  • Plaatsgebonden risico (PR): de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat die persoon op die plaats permanent en onbeschermd verblijft.
  • Groepsrisico (GR): de kans dat een hele groep personen overlijdt door een ongeval met een risicovolle activiteit. In het groepsrisico wordt rekening gehouden met het aantal personen dat in de buurt van een ongeval aanwezig kan zijn.

In de gebieden grenzend aan het plangebied zijn geen inrichtingen gevestigd die mogelijke risico’s voor de omgeving met zich meebrengen. Het bedrijf Diffutherm ligt weliswaar in de directe nabijheid van de locatie van MS Schippers, maar het plangebied van MS Schippers ligt buiten de 10-6-contour van Diffutherm. De 10-6 contour van Diffutherm valt binnen het eigen terrein van dat bedrijf. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van Diffutherm. Er zijn echter vluchtwegen aanwezig die van Diffutherm afvoeren. De aanwezige mensen binnen het gebied kunnen worden beschouwd als zelfredzame mensen.

Voor de provinciale weg N284 geldt in de huidige situatie dat op basis van de gehanteerde vervoersgegevens er geen sprake is van een plaatsgebonden risico. Ook is het groepsrisico van de provinciale weg in de huidige situatie, mede door een lage bevolkingsdichtheid, verwaarloosbaar (MER N284, Actualisering verkeer, geluid, lucht en veiligheid gericht op Hapertvariant, Arcadis, februari 2005).

Ten aanzien van de A67 geldt een 10-6 contour in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelweg. Deze contour ligt op 28 meter van het midden van de weg. Het plangebied ligt daarmee buiten deze contour. Daarnaast is er een plasbrandaandachtsgebied. Deze ligt op 30 meter van de rand van de weg. Ook dit ligt echter buiten het plangebied. Daarbij komt dat er vluchtwegen aanwezig zijn die afvoeren van de A67.

Algemeen

In het Leefomgevingsplan 2005 – 2030 van de gemeente Bladel is externe veiligheid gedifferentieerd naar gebiedstype. Hierbij is rekening gehouden met het nationale veiligheidsbeleid, de wettelijke uitgangspunten van het Bevi en de verplichtingen in het kader van de landelijke registratie van risicovolle inrichtingen. Verder is gekeken naar de verschillende risicocontouren waaronder het plaatsgebonden risico en het groepsrisico en de bijbehorende (beperkt) kwetsbare objecten. Voor het gebiedstype 'Industrie' en 'Extensief werken' worden respectievelijk de kwaliteit 'slecht' en 'voldoende' gehanteerd. Voor wonen wordt de kwaliteit 'goed' gehanteerd. In onderstaande tabel zijn deze kwaliteiten nader omschreven. Deze kwaliteiten worden in dit plan gerealiseerd.

Tabel 5.4 Differentiatie kwaliteit externe veiligheid Leefomgevingsplan

Kwaliteit   Omschrijving  
Goed   Kwetsbare objecten worden niet bedreifd door externe veiligheidsfactoren. Een beperkt risico door transport gevaarlijke stoffen vormt hierop een uitzondering.  
Voldoende   Eventuele bedreiging door gevaarlijke situatie is beperkt tot beperkt kwetsbare objecten.  
Slecht   Bedreiging door gevaarlijke situaties is mogelijk doch beperkt tot groepsriciso's  

Risico’s

Elke (bedrijfsmatige)activiteit heeft risico’s. Op basis van de aard en omvang van de activiteiten kan de kans groter of kleiner zijn. Daarnaast zal elke calamiteit, weer als gevolg van aard en omvang, meer dan wel minder ernstig zijn (effecten). Het daadwerkelijke risico bestaat uit de samenhang van voornoemde twee elementen: Risico = Kans x Gevolg. De ervaring leert dat een risico nooit helemaal 'nul' is. Voor bedrijfsmatige activiteiten dienen de risico's daarom in elke plan- en beleidsvorming meegenomen te worden.

Het Rijk heeft beleid ontwikkeld voor externe veiligheid. Dit beleid is verwoord in de ‘Nota omgaan met risico’s’ en is verder uitgewerkt in het hoofdstuk ‘Beleidsvernieuwing externe veiligheid’ van het Nationaal Milieubeleidsplan 4 en het ‘Kabinetsstandpunt Externe Veiligheid’. Het doel is de risico’s en effecten te beheersen en de veiligheid te waarborgen van mensen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Dit gebeurt onder meer door:

  • beperking/verbod van (beperkt) kwetsbare objecten rondom gevaarlijke activiteiten;
  • de zelfredzaamheid te bevorderen;
  • de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

Het bevoegd gezag dient deze aspecten te betrekken bij de besluitvorming over milieu en ruimtelijke ordening (verantwoordingsplicht). Voor externe veiligheid zijn twee typen risico’s gedefinieerd: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het plaatsgebonden risico is bedoeld voor de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen en wordt bepaald door de aard en omvang van het vervoer.

Voor nieuwe situaties geldt een harde grenswaarde (10-6-contour) waarbinnen geen planvorming mogelijk is.

Het groepsrisico geldt voor de bescherming van (groepen in) de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers en wordt bepaald door de aanwezigheid van groepen personen nabij de transportroutes. Dit risico wordt weergegeven in een zogenaamde fn-grafiek (kans versus slachtoffers). Op basis van veiligheidsredenen mag de oriënterende waarde, hetgeen een streefwaarde is, niet overschreden worden. Elke toename van het groepsrisico dient verder verantwoord te worden.

Bronnen van Externe Veiligheid

Vooraleer te kijken naar voornoemde risico’s dienen de bronnen die een risico genereren geïnventariseerd te worden. Deze kunnen als volgt gerangschikt worden:

  • 1. bedrijven;
  • 2. vervoer van gevaarlijke stoffen (over de weg, het water, per spoor);
  • 3. hoogspanningsmasten;
  • 4. ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen).

Voor het plan KBP zijn enkel de risico’s reëel aangaande de geplande bedrijven en het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. De andere risico’s (ondergrondse buisleidingen en hoogspanningsleidingen) zijn niet relevant aangezien beide bronnen zich op grote(re) afstand bevinden.

Bedrijven

Voor elk bestemmingsplan en nieuwe activiteiten dienen de risico’s beoordeeld te worden. Van belang is hierbij dat de zogenaamde 10-6-contour (grenswaarde risico’s) zich binnen de grenzen van de betreffende inrichting bevindt. Sinds 2004 is het Bevi van kracht. Het Bevi kent (veiligheids)regels voor enerzijds categoriale inrichtingen (opslag van ammoniak, CPR 15-2 en LPG-tankstations) en anderzijds niet categoriale inrichtingen (rangeeremplacementen, etc.). Ten behoeve van de vestiging van MS Schippers is de contour gekoppeld aan de grenzen van de grond die in eigendom is van het bedrijf. De 10-6-contour dient daarmee binnen de eigendomsgrenzen van MS Schippers te liggen.

Via de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) gelden voor de categoriale inrichtingen afhankelijk van de aard en omvang van de activiteiten òf vaste afstanden òf is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) verplicht. Voor niet-categoriale inrichtingen is altijd een QRA noodzakelijk.

Indien blijkt dat dit niet het geval is, kan het college van burgemeester en wethouders middels een omgevingsvergunning van dit vereiste worden afgeweken, op de voorwaarde dat er een verantwoording van het groepsrisico in het invloedsgebied van de risicovolle inrichting wordt overlegd.

MS Schippers

De realisatie van de door MS Schippers geïnitieerde ontwikkeling is een geringe toename ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het huidige bestemmingsplan. De wijziging zit vooral in de te bebouwen oppervlakte, die met dit plan wat wordt uitgebreid. Het bouwperceel van MS Schippers ligt, zoals eerder aangegeven, buiten de 10-6 contour van Diffutherm. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied. Echter, ter plaatse van het bouwperceel van MS Schippers van Diffutherm zijn vluchtwegen aanwezig die afvoeren van Diffutherm en de werknemers van MS Schippers zijn zelfredzaam. De locatie heeft daarnaast als voordeel dat deze direct aan de blusvijvers is gelegen. In de regels van het bestemmingsplan is daarnaast vastgelegd dat de weg tussen de parkeergarage en het bedrijfsgebouw van MS Schippers altijd bereikbaar moet zijn in verband met mogelijke calamiteiten. Hiermee is de bereikbaarheid van MS Schippers ook voor hulpdiensten gewaarborgd.

6.7 Verkeer

De bestaande infrastructuur is volledig toegesneden op de ontwikkeling van het Kempisch Bedrijvenpark. Het gedeelte van de N284 dat loopt van noord (en daar aansluit op het al langer bestaande deel van de N284) naar zuid binnen het KBP, ontsluit het bedrijventerrein in de richting van het landelijk gebied, richting de kernen van Hapert en Bladel, en in de richting van de A67. Via de A67 is er een goede verbinding met Eindhoven en de Belgische grens.

De huidige verbinding van de N284 van noord naar zuid, tot aan de A67 en de overige aangelegde infrastructuur, is aangelegd in verband met congestie op de N284 in het verleden en in verband met de ontwikkeling van het KBP. Het KBP werd en wordt ontwikkeld als een regionaal bedrijventerrein en daarin is rekening gehouden met een bepaalde hoeveelheid verkeer.

Daarnaast is er een fietsverbinding tussen de zuidelijke woonwijk van Hapert en het KBP, zowel via het Woonbos als via de Ganzestraat en Kapelweg.

De ontwikkeling van de kavel tot een innovatie- en productiecentrum voor de intensieve veehouderij door MS Schippers leidt niet tot een sterkere toename van het aantal verkeersbewegingen dan waar rekening mee is gehouden bij de ontwikkeling van het KBP. Op grond van het huidige bestemmingsplan is rekening gehouden met bedrijven binnen de sectoren transport en distributie, industrie en handel en dienstverlening. De voorgenomen ontwikkeling is echter meer gericht op kennis en productie. Normaal gesproken zorgt dit voor een beperktere toename van het verkeer dan een ontwikkeling binnen de sector transport en distributie. Een bedrijf binnen de sector transport en distributie trekt namelijk meer verkeersbewegingen aan als gevolg van het feit dat deze werkzaamheden vaak de hele dag door plaatsvinden, ook 's nachts. Als gevolg hiervan heeft een bedrijf binnen de sector transport en distributie met meer verkeersbewegingen dan een innovatie- en productiecentrum als van MS Schippers.

Daarbij voorziet de ontwikkeling tevens in goede en voldoende parkeervoorzieningen voor de werknemers en bezoekers van het innovatiecentrum.

Het voorgenomen plan heeft dan ook geen grotere toename van het verkeer rondom het KBP tot gevolg, dan die waarop de huidige infrastructuur is berekend.

6.8 Water

6.8.1 Nieuwe situatie

De geplande ontwikkeling van MS Schippers bestaat uit een bedrijfskavel met een totale oppervlakte van circa 6 ha. De oorspronkelijk kavel, zoals neergelegd in het vigerende bestemmingsplan, is niet toereikend voor de geplande ontwikkeling, waardoor uitbreiding noodzakelijk is (zie de plankaart).

De kavel breidt uit richting het oosten, naar het huidige motorcrossterrein. Hier wordt een parkeergarage gevestigd, ten behoeve waarvan de bestemming 'Sport - Motorcrossterrein' wordt gewijzigd naar de bestemming 'Gemengd' met daarop een aanduiding 'parkeergarage'. Aan de noordzijde vindt uitbreiding plaats ten behoeve van kantoren en de entree. Deze uitbreiding vindt deels plaats binnen de bestaande blusvijvers. Voor de ontwikkeling is onderstaand de benodigde watercompensatie berekend (zie tevens Bijlage 9).

6.8.2 Benodigde watercompensatie

Op basis van de oppervlakken volgens de nieuwe verkaveling is de benodigde watercompensatie berekend conform compensatie van 600 m3/ha. Omdat de ontwikkeling een bedrijfsterrein en wegen betreft is uitgegaan van 100% verharding. De verschillende oppervlaktes binnen het plangebied zijn opgenomen in tabel 1.

Tabel 1: Oppervlaktes plangebied en benodigde watercompensatie

Onderdeel   Oppervlak
[m2]  
Verharding
[%]  
Oppervlakte verhard
[m2]  
Watercompensatie
[m3]  
Bedrijfspanden   41.032   100   41.302   2.462  
Wegen/parkeren   17.767   100   17.767   1.066  
Overig   1.011   100   1.011   61  
Totaal   59.810   n.v.t.   59.810   3.589  
6.8.3 Beschikbare watercompensatie

De beschikbare waterberging bestaat uit twee waterbuffers met een gezamenlijk oppervlak van circa 6800 m², zie afbeelding 2. De buffers worden in verbinding gebracht met de greppel langs de Provinciale Weg (N284). Deze verbinding fungeert alleen als noodoverloop in geval van extreme neerslagsituaties met een geknepen afvoer van maximaal 2 l/s/ha. De drempelhoogte van de noodoverloop is bepaald op 30,95 m+NAP. Op basis van de GHG en drempelhoogte is een berging van 0,95 m waterschijf beschikbaar. De berekening van de beschikbare berging is opgenomen in tabel 2.

Afbeelding 2: oppervlakte blusvijvers

afbeelding "i_NL.IMRO.1728.BPA5031KBPZOuits-VAST_0002.png"

Tabel 2: Beschikbare waterberging kavel Zuidoost

Onderdeel   Beschikbaar oppervlak*
[m2]  
Beschikbaar waterberging
[m3]  
  Waterlijn   Talud   Waterlijn   Talud  
Berging west   1.702   1.243   1.277   466  
Berging oost   2.531   1.340   1.899   503  
Subtotaal   4.233   2.583   3.176   969  
Totaal         4.144  

* gemeten oppervlak op waterlijn en insteek (gegevens gemeente Bladel, oktober 2016)

In de blusvijvers is 4.144 m3 bergingscapaciteit (volgens de meest recente berekeningen) beschikbaar. Hiermee is, uitgaande van de overige reserveringen die nodig zijn op basis van het bestemmingsplan KBP 2008, ruim voldoende bergingscapaciteit beschikbaar ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling.

Het oppervlak van de blusvijvers dient 1 op 1 gehandhaafd te worden in het nieuwe ontwerp. Dit betekent dat daar waar wateroppervlak verdwijnt door bebouwing of anderszins dit 1 op 1 gecompenseerd moet worden.

6.8.4 Conclusie

Het plangebied is getoetst aan de actuele normen van Waterschap De Dommel. De watercompensatie is berekend conform de rekenregel uit de Keur van Waterschap De Dommel (600 m³/ha). Hieruit blijkt het volgende:

  • De voorgenomen ontwikkeling van MS Schippers vereist 3.589 m³ waterberging en in de twee blusvijvers is 4.144 m³ waterberging beschikbaar;
  • De oppervlakte van de blusvijvers dient één op één gehandhaafd te worden in het ontwerp van MS Schippers. Dit betekent dat waar wateroppervlak verdwijnt door bebouwing of anderszins, dit één op één gecompenseerd dient te worden.

In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die ertoe leidt dat de ontwikkeling alleen kan worden uitgevoerd wanneer de oppervlakte van de blusvijvers gelijk blijft.

6.9 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Sinds 1 april 2011 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Eén van de wijzigingen in dit Besluit is dat in elk initiatief dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., aandacht moet worden besteed aan de vraag of er al dan niet belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van uit te voeren activiteit(en) zijn. Daarom moet er voortaan bij elk planologisch besluit, maar ook bij bepaalde vergunningen, over activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r., een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld worden.

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Daarnaast is gesteld dat 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein' (activiteit D11.3) m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 ha of meer.

Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is: de oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 6 hectare en het totale bedrijfsvloeroppervlak dat volgens het bestemmingsplan maximaal gerealiseerd zou kunnen worden zal nooit meer bedragen dan 200.000 m2. Gelet hierop worden de (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit mer niet overschreden, zodat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' dient te worden uitgevoerd.

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is openomen in Bijlage 10. Op grond van deze uitkomsten is aan het bevoegd gezag voorgesteld om voorafgaand aan het besluit om voorliggend ontwerp bestemmingsplan vrij te geven voor inspraak, te besluiten dat een verdere m.e.r.-procedure niet aan de orde is.

Hoofdstuk 7 Juridische planopzet

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt uiteengezet op welke wijze de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkelingen juridisch zijn vertaald. Met het bestemmingsplan wordt beoogd te voorzien in een planologische regeling voor het Partiële herziening KBP zuidoost, Hapert te Bladel.

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting.

Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en eventueel specifieke regels voor het gebruik van bouwwerken. De verbeelding heeft de ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

7.2 Regels

7.2.1 Indeling hoofdstukken

Voor de leesbaarheid en raadpleegbaarheid dienen de regels in hoofdstukken te worden geplaatst. Daarbij dient conform de bestemmingsplanstandaarden een vaste volgorde te worden aangehouden te weten:

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

  • begrippen
  • wijze van meten

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

  • bestemmingen
  • dubbelbestemmingen

Hoofdstuk 3 Algemene regels

  • anti-dubbeltelbepaling
  • algemene bouwregels
  • algemene gebruiksregels
  • algemene afwijkingsregels
  • algemene wijzigingsregels
  • algemene procedureregels

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

  • overgangsrecht
  • slotregel
7.2.2 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden begrippen verklaard die in de planregels voorkomen en die om een nadere omschrijving vragen.

Artikel 2 Wijze van meten

In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden.

7.2.3 Bestemmingsregels

De regels van artikel 3 tot en met 5 in verband met de bestemmingen kennen allen een gelijke opbouw (voor zover van toepassing). De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functie worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan.

De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van de gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om en omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten. Naast bouwregels is het mogelijke om nadere eisen te stellen op grond van artikel 3.6, lid 1, onder d, Wro. De specifiek gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. Afwijken van de bouw- en gebruiksregels is onder voorwaarden mogelijk wanneer een omgevingsvergunning is verkregen van het bevoegd gezag. Een wijzigingsbevoegdheid geeft het College van burgemeester en wethouders de mogelijkheid om een bepaalde bestemming te wijzigingen binnen de kaders, zoals aangegeven in het betreffende artikel.

Artikel 3 Bedrijventerrein

Binnen deze bestemming kan een bedrijf worden opgericht. MS Schippers wil binnen deze bestemming het innovatiecentrum realiseren. Men heeft daarnaast de ambitite om binnen deze bestemming en binnen het bedrijfspand, ruimte te bieden aan start-ups.

Het bebouwingspercentage binnen de bestemming is met 100% maximaal, een minimum is er niet.

Tot slot is het binnen de afwijkingsmogelijkheid van artikel 3.2.1 onder k mogelijk om een landmark te plaatsen tot een hoogte van maximaal 25.5 meter, gemeten vanaf het peil.

Artikel 4 Gemengd

Binnen deze bestemming is de realisatie mogelijk van 'het groene casco' waarbinnen het bedrijventerrein kan worden gerealiseerd, evenals voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en nutsvoorzieningen.

Daarnaast is het mogelijk binnen de bestemming een parkeergarage te realiseren ten dienste van het te onwikkelen bedrijf binnen het plangebied. Hierbij moet men zich aan de geldende parkeernorm houden.

Artikel 5 Verkeer

De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor de ontsluiting van de woningingen. Gebouwen van openbaar nut (bijvoorbeeld telecommunicatie, water- en energiedistributie) met een beperkte omvang zijn toegestaan.

7.2.4 Algemene regels

In hoofdstuk 3 van de planregels is een aantal standaardbepalingen opgenomen.

7.2.5 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

In deze bepaling is vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht overeenkomstig artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Artikel 13 Slotregel

Als laatste artikel is de slotregel opgenomen. De bepaling omschrijft de titel van het plan.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Handhaving

Een belangrijk aspect in de uitvoering van het bestemmingsplan is van juridische aard. Het gaat hierbij om de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten te kunnen borgen.

8.2 Samenwerking vier Kempische gemeenten

Ter realisering van het KBP wordt op basis van de Wet gemeenschappelijk regelingen samengewerkt tussen de vier deelnemende Kempische gemeenten Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-De Mierden. De voorgestelde samenwerking houdt in dat er een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid is gecreëerd. De naam van dit openbaar lichaam is gelijk aan de naam van het bedrijvenpark, Kempisch Bedrijvenpark. De vier deelnemende gemeenten handelen vanuit het uitgangspunt van gezamenlijke en gelijkelijk zeggenschap en risicoverdeling.

Hoofdstuk 9 Procedure

9.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de procedure van het bestemmingsplan 'Partiële herziening KBP zuidoost, Hapert' van de gemeente Bladel.

9.2 Procedure

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de bestemmingsplanprocedure vastgelegd.

Vaststellingsprocedure

Het ontwerpbestemmingsplan 'Partiële herziening KBP zuidoost, Hapert' heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon eenieder schriftelijk of mondeling zijn of haar zienswijze naar voren brengen bij de gemeenteraad. De ingekomen zienswijzen zijn beantwoord in de nota zienswijzen (Bijlage 15).

Binnen 12 weken na terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast. De vaststelling van het bestemmingsplan dient in principe binnen 2 weken na de vaststelling van het bestemmingsplan te worden bekendgemaakt. Hierop zijn 2 uitzonderingen. In de hieronder aangegeven gevallen mag het besluit tot vaststelling pas bekend worden gemaakt nadat 6 weken zijn verstreken:

  • 1. Gedeputeerde Staten, Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat heeft een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledig door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan.
  • 2. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerp van het bestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijze van Gedeputeerde Staten, Onze Minister of Onze Minister wie het aangaat - wijzigingen aangebracht.

Beroep

Na vaststelling van het bestemmingsplan kon binnen 6 weken na bekendmaking door belanghebbenden beroep worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Door drie appellanten is beroep ingesteld. Naar aanleiding van het beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 februari 2022 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2022:580). Het bestemmingsplan dient op twee punten gerepareerd te worden. Voorliggend plan is op deze punten hersteld. Het betreft:

  • Toevoegen voorwaardelijke verplichting voor de aanleg en instandhouding van geluidswallen

In artikelen 3.4.3 en 4.3.3 is de voorwaardelijke verplichting toegevoegd. Voornoemde voorwaardelijke verplichting moet inhouden dat gronden in het plangebied uitsluitend mogen worden bebouwd indien en voor zover de aanleg en instandhouding van de (drie) geluidswallen die noodzakelijk zijn voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid in het plan, zijn verzekerd.

Volgens de Afdeling ontbreekt een bepaling in het Bestemmingsplan die inhoudt dat gronden in het plangebied uitsluitend mogen worden bebouwd indien en voor zover de aanleg en instandhouding van de geluidswallen die noodzakelijk zijn voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid in het Bestemmingsplan zijn verzekerd.

Aangezien hier mede de instandhouding van de geluidswallen planologisch verzekerd dient te zijn, kan niet worden volstaan met een voorwaardelijke verplichting die slechts ziet op de bouw van bouwwerken, maar moet een voorwaardelijke verplichting tevens op het gebruik van bouwwerken zien. Immers, de desbetreffende verplichting moet ook van toepassing zijn in de gebruiksfase en op eventuele toekomstige gebruikers.

De op te nemen voorwaardelijke verplichting dient verder voldoende duidelijk en handhaafbaar te zijn. Duidelijk moet zijn welke maatregelen precies getroffen dienen te worden. Daarom wordt naar het door K&M Akoestisch Adviseurs ("K&M") op 12 december 2016 opgestelde rapport verwezen.

  • Nadere akoestische onderbouwing van de maximale bouwhoogte van de parkeergarage

In bijlage 16 is de nadere akoestische onderbouwing van de maximale bouwhoogte opgenomen. Uit de onderbouwing blijkt dat een verhoging van de bouwhoogte van minimaal 4m tot maximaal 6m van de parkeergarage niet leidt tot een toename van de geluidsbelasting. Ook bij de bouwhoogte voor de parkeergarage van maximaal 6m ter plaatse van de betreffende woningen wordt voldaan aan de in het kader van de Wet geluidhinder voor het motorcrossterrein De Ketelberg vastgestelde geluidszone en de in de vigerende omgevingsvergunning (Wabo) van MCC De Kempen opgenomen geluidsgrenswaarden. Op basis hiervan is vanuit ruimtelijk oogpunt in onderhavige situatie sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. De binnenplanse mogelijkheid voor de maximale bouwhoogte van de parkeergarge van 6m (artikel 4.2.1 onder d) is hiermee onderbouwd. Artikel 4.3.1 uit het vastgestelde bestemmingsplan is geschrapt, dit betrof een afwijkingsmogelijkheid voor een verhoging van 6m naar 10m.