direct naar inhoud van Regels
Plan: Partiële herziening KBP zuidoost, Hapert
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1728.BPA5031KBPZOuits-VAST

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

Het bestemmingsplan 'Partiële herziening KBP zuidoost, Hapert' met identificatienummer NL.IMRO.1728.BPA5031KBPZOuits-VAST van de gemeente Bladel.

1.2 bestemmingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 moederplan

Het bestemmingsplan 'bestemmingsplan KBP 2008, herziening 2011' met identificatienummer NL.IMRO.1728.BPA5011KBPherz11-VAST, aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Bladel d.d. 18 augustus 2011.

1.4 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 achtergevellijn

De denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw – zonder aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen – alsmede het verlengde daarvan tot de zijdelingse perceelsgrenzen.

1.7 agrarisch verkeer

Landbouwvoertuigen.

1.8 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.9 bedrijf

Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan-huis-verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

1.10 bedrijfsgebouw

Een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.11 bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) één of meerdere personen, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

1.12 bedrijfsvloeroppervlakte

De totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel, bedrijf of voorziening met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

1.13 bedrijven in de sector handel en dienstverlening

Bedrijven die vallen onder de SBI-codes: 50 t/m 52 en 64 t/m 90 van de bij dit plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten.

1.14 bedrijven in de sector industrie

Bedrijven die vallen onder de SBI-codes: 15 t/m 45 van de bij dit plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten.

1.15 bedrijven in de sector transport en distributie

Bedrijven die vallen onder de SBI-codes: 60 tot en met 63 van de bij dit plan behorende de Staat van bedrijfsactiviteiten.

1.16 besluit externe veiligheid inrichtingen

Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen milieubeheer, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.17 bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.18 bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.19 bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk met een dak.

1.20 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.21 bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.22 bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.23 bouwmassa

Een verzameling gebouwen bestaande uit een vrijstaand hoofdgebouw, dan wel twee of meer aaneengebouwde hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen.

1.24 bouwperceel

Een (middels eigendom) aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten ten behoeve van één bedrijf.

1.25 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.26 bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.27 BVO c.q. bruto vloeroppervlak

De som van de bruto vloeroppervlakte van binnenruimten van gebouwen welke tot het complex behoren.

1.28 cultuurhistorische waarde

De aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur.

1.29 dak

Een gesloten bovenbeëindiging van een gebouw c.q. bouwwerk.

1.30 detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.31 dienstverlening

Het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden.

1.32 educatief medegebruik

Die vormen van gebruik van de natuur die gericht zijn op overdracht van kennis over natuur- en landschap en die ondergeschikt zijn aan de functie van de bestemming.

1.33 functie

Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

1.34 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.35 gebruiken

Het gebruiken, doen en laten gebruiken.

1.36 geluidzone - motorcrossterrein

Een zone als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege het motorcrossterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

1.37 geluidzoneringsplichtige inrichting

Inrichting als bedoeld in artikel 1, lid 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 2.1, lid 3, van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken.

1.38 hoofdgebouw

Een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken.

1.39 horeca-activiteiten

Het bedrijfsmatig verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken van etenswaren, en het ten gehore brengen van muziek, met uitzondering van mechanisch versterkte muziek, en/of het geven van gelegenheid tot dansbeoefening, maar met uitzondering van erotisch getinte vermaaksfunctie en dat overdag en/of in de avond

1.40 kantoorvoorziening

Een gedeelte van een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve, boekhoudkundige, financiële, technische, organisatorische en/of zakelijke dienstverlening, niet zijnde detailhandel, al dan niet met een publieksgerichte baliefunctie.

1.41 langzaam verkeer

weggebruikers in de vorm van niet-motorvoertuigen, (brom-)fietsers, voetgangers, geleiders/berijders van een dier en motorvoertuigen met een snelheidsbeperking, zoals landbouwvoertuigen.

1.42 maaiveld

Hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning.

1.43 natuurwaarden

De aan een gebied toegekende waarden in verband met de aanwezige biotopen,bijzondere flora en fauna, ecologische samenhangen en structuren.

1.44 prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.45 recreatief medegebruik

Een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit gebruik is toegestaan.

1.46 recreatiewoning

Een gebouw bestemd voor verblijfsrecreatie ten dienste van een huishouden dat zijn hoofdverblijf elders heeft.

1.47 sheddak

Een dak bestaande uit een reeks achter elkaar geplaatste zadeldaken met ongelijke schilden.

1.48 seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.49 Staat van bedrijfsactiviteiten

Een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen.

1.50 stacaravan

Een onderkomen, onder welke benaming dan ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot logies-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen en dat door de aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wielen wel over korte afstand naar een vaste standplaats kan worden verreden, doch dat niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien dit onderkomen wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt het voor de toepassing van dit plan aangemerkt als stacaravan.

1.51 stedenbouwkundig oogpunt

Het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n).

1.52 verblijfsrecreatie

Een vorm van recreatief verblijf, waarbij sprake is van overnachtingen anders dan met gebruikmaking van een hotel, pension of woning dan wel een vaartuig.

1.53 voorgevel

De gevel van een gebouw, die gekeerd is naar de weg.

1.54 voorgevellijn

De denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen.

1.55 werk

Een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.

1.56 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Wet van 6 november 2008, Stb. 496, houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving zoals deze luidde op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.57 Wet geluidhinder

Wet van 16 februari 1979, Stb. 99, houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.58 Wet ruimtelijke ordening

Wet van 20 oktober 2006, Stb. 566, houdende nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.59 woning

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één of meerdere personen.

1.60 zakelijk verkeer

Vrachtwagens, bestelauto's, personenauto's dan wel andere motorvoertuigen die op naam staan van een bedrijf .

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand tot zijdelingse perceelsgrens

De kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend bouwwerk.

2.2 bebouwingspercentage

Het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van het bebouwbare oppervlak van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak.

2.3 breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren.

2.4 bruto vloeroppervlakte van een gebouw

Conform NEN 2508.

2.5 dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.6 goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van een gebouw of bouwwerk.

2.7 inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.8 (nok c.q bouw)hoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, tenzij in de regels anders is aangegeven.

2.9 oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwperceel ter plaatse van het bouwwerk.

2.10 peil

Voor bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 0,20 m;

in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwperceel vermeerderd met 0,20 m.

2.11 ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

2.12 meten

Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de (digitale) verbeelding.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven:
    • 1. in de sectoren transport en distributie, industrie, alsmede handel en dienstverlening, zoals opgenomen in de bij dit plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten en;
    • 2. die voorkomen in de categorie 3.1 tot en met 4.2 van de bij dit plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met dien verstande dat ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'bedrijf tot en met categorie' geen hogere categorie is toegestaan;
    • 3. zijnde een Bevi-inrichting, met dien verstande dat de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of - indien van toepassing - de afstand zoals bedoeld in artiek 5, lid 3, van het Besluit Externe veiligheid inrichtingen juncto artikel 2, lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen is gelegen binnen de plangrens;
    • 4. op een bouwperceel met een minimale grootte van 5.000 m2;
    • 5. die een relatie hebben met het ter plaatse gevestigde bedrijf en start-ups in dezelfde branche als het ter plaatse gevestigde bedrijf in de milieucategorie 1 en 2, waarbij de maximale bedrijfsvloeroppervlakte van deze bedrijven niet meer bedraagt dan 30% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte;
  • b. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. parkeren;
  • d. opslag ten dienste van de ter plaatse gevestigde bedrijven, voorzover deze is afgeschermd ten opzichte van de bestemmingen 'Gemengd' en 'Verkeer';

een en ander met bijbehorende voorzieningen en met in achtneming van het volgende:

  • e. geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn niet toegestaan;
  • f. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen
  • a. Per bouwperceel mag één gebouw worden opgericht.
  • b. De zijdelingse perceelgrens van twee naast elkaar gelegen bouwpercelen is over de gehele lengte haaks gesitueerd op de bestemming 'Verkeer'.
  • c. Gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht.
  • d. Bedrijven hebben een bebouwingspercentage van maximaal 100%.
    • 1. Het bebouwingspercentage wordt berekend over het bebouwbare oppervlak van het bouwperceel. Het bebouwbare oppervlak van een bouwperceel bestaat uit een bouwvlak dat met inachtneming van de in artikel 3.2 opgenomen bouwregels maximaal bebouwd mag worden.
    • 2. De wandafwerking van de parkeergarage dient uitgevoerd te worden met een geluidsabsorberende 'groene wand' met een absorptieniveau van minimaal 0,02 dB.
  • e. Gebouwen mogen zowel vrijstaand als aaneengesloten worden gebouwd.
  • f. Ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - calamiteitenroute' kunnen gebouwen worden opgericht op een afstand van 5 meter gerekend vanuit de berm van de weg.
  • g. Gebouwen moeten zijn voorzien van een plat dak of een sheddak.
  • h. Gebouwen moeten zijn voorzien van een warmtepomp die wordt toegepast voor de verwarming van het gebouw.
  • i. Ten aanzien van de minimale en maximale bouwhoogte van gebouwen geldt de aanduiding 'minimale - maximale bouwhoogte' zoals die ter plaatse is aangegeven op de verbeelding.
  • j. In afwijking van hetgeen hiervoor is opgenomen onder h kan ten behoeve van de opwekking van duurzame energie op een dak van een gebouw een constructie worden geplaatst met een maximale hoogte van 7,5 meter, gemeten vanaf het dak waarop de constructie is gevestigd tot hoogste punt van constructie.
  • k. Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, telecommunicatie, water- en energiedistributie gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de bebouwde oppervlakte mag per gebouw niet meer bedragen dan 15 m²;
    • 2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3,5 m.
  • l. Per bebouwingsvlak zal voorzien moeten worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, op basis van een normering van 9 plaatsen per 1.000 m² BVO.
3.2.2 Overige bouwwerken

De volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan:

  • a. binnen het bouwvlak:
    • 1. afschermingen voor opslag en stalling tot ten hoogste een gelijke hoogte als het binnen het bouwvlak gelegen gebouw;
    • 2. fietsenstalling met een bouwhoogte van maximaal 3 m;
    • 3. antennedragers tot een hoogte van 20 m;
    • 4. terreinverlichting tot een hoogte van 10 m;
  • b. buiten het bouwvlak:
    • 1. terreinverlichting tot een hoogte van 8 m;
    • 2. erfafscheidingen, mits geplaatst op dan wel achter de voorgevellijn, tot een hoogte van 2 meter, indien deze erfafscheiding wordt aangebracht aan de zijde van het bouwperceel dat grenst aan gronden met de bestemming 'Verkeer', in de overige gevallen is een hoogte tot 3 m toegestaan.
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Algemeen
  • a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de op de verbeelding aangegeven minimale bouwhoogte van 7 m en een 2 m kleinere of grotere hoogte toestaan, mits gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om efficiënt ruimtegebruik toe te passen, waaronder de mogelijkheden van verdiept en/of verhoogd bouwen of parkeren op of onder het gebouw en wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.3.1 onder d.
  • b. De in artikel 3.3.1 onder d bedoelde afwijking kan worden verleend onder de voorwaarden dat:
    • 1. het vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar wordt geacht;
    • 2. het vanuit beeldkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht;
    • 3. de ruimtelijke en functionele structuur niet onevenredig wordt aangetast;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast, en;
    • 5. de verkeersveiligheid, brandveiligheid c.q. brand- en rampbestrijding gewaarborgd is.
  • c. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.2.1 onder k en de aanleg van minder parkeerplaatsen toestaan, indien wordt aangetoond dat het aantal parkeerplaatsen dat moet worden aangelegd overeenkomstig de norm in artikel 3.2.1 onder k, niet passend is voor de huidige en toekomstige bedrijfsvoering van het bedrijf gelet op het aantal werknemers en het aantal bezoekers. Het bevoegd gezag kan in de omgevingsvergunning bepalen dat er ruimte moet worden gereserveerd om in de toekomst alsnog extra parkeerplaatsen aan te leggen, zodat alsnog aan de voorgeschreven norm kan worden voldaan.
3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Verbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.

3.4.2 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 3.4.1 wordt in elk geval gerekend:

  • a. het gebruik voor woondoeleinden;
  • b. de uitoefening van een andere tak van handel (inclusief detailhandel), bedrijf (waaronder het gebruik als zelfstandige kantoorruimte) of dienstverlening dan ingevolge het bepaalde in artikel 3.1 onder onder a is toegestaan, tenzij het bevoegd gezag een omgevingsvergunning hebben verleend voor de uitoefening hiervan;
  • c. het gebruik voor opslag die niet is afgeschermd ten opzichte van de bestemmingen 'Gemengd' en 'Verkeer'.
3.4.3 Voorwaardelijke verplichting

Bij het bouwen en/of gebruiken van gebouwen of bouwwerken dienen voor aanvang van het bouwen en/of gebruiken van de gebouwen en bouwwerken zoals bedoeld in dit artikel, de geluidsoverdrachtbeperkende maatregelen zoals omschreven in voetnoot 8 van het Akoestisch Rapport opgenomen in Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan, behoudens de daar genoemde aarden wal ten zuiden van de lange baan van 4m, te worden gerealiseerd en, zolang de gebouwen en bouwwerken in stand worden gehouden, te worden gehandhaafd.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Algemeen
  • a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in artikel 3.4.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
  • b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1,onder a, sub 2, en een bedrijf toestaan dat voorkomt in de Staat van bedrijfsactiviteiten en dat ressorteert onder één hogere categorie (maximaal categorie 5.1) dan ter plaatse op de verbeelding aangegeven aanduiding 'bedrijf tot en met categorie'. Dit bedrijf kan alleen toegelaten worden voorzover het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de op de verbeelding aangegeven toegelaten categorie van de Staat van bedrijfsactiviteiten.
  • c. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1, onder a, sub 2, en een bedrijf toestaan dat voorkomt in de Staat van bedrijfsactiviteiten in categorie 2. Dit bedrijf kan alleen toegelaten worden indien de omvang van het bedrijf en de verkeersaantrekkende werking de vestiging in dorpscentra, woonwijken en overige bedrijfsterreinen onacceptabel maakt en de oppervlakte van het bedrijf ten minste 5.000 m² bedraagt.
  • d. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.1, onder a, sub 2, en een bedrijf toestaan dat niet is opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Dit bedrijf is alleen toegestaan, voorzover het bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de op de verbeelding aangegeven toegelaten categorieën van de Staat van bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat geen geluidzoneringsplichtige inrichting is toegestaan.

Artikel 4 Gemengd

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bosontwikkeling, ter afscherming van het bedrijvenpark;
  • b. bedrijven en bedrijfsvloeroppervlakte ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van gemengd-bedrijf' die behoren bij het bedrijf dat is gevestigd binnen de aangrenzende bestemming 'Bedrijventerrein', waaronder in ieder geval begrepen ruimte(n) die dienst kunnen doen als ontvangst- of congresruimte voor informatieve doeleinden;
  • c. natuurontwikkeling, waaronder de uitvoering van het vastgestelde natuurcompensatieplan op grond waarvan 12,56 hectare nieuwe natuur gerealiseerd wordt ten noorden van de Kapelweg;
  • d. recreatief en educatief medegebruik;
  • e. waterhuishouding, waaronder infiltratie- en retentiegebieden voor hemelwater;
  • f. nutsvoorzieningen, waaronder blusvijvers;
  • g. groenvoorzieningen in de vorm van een bufferzone, alsmede bermen en beplanting;
  • h. verkeersdoeleinden in de vorm van voorzieningen ten behoeve van verbindingen voor verkeer van en naar de parkeergarage en het motorcrossterrein, voor langzaam verkeer, niet zijnde agrarisch verkeer, en voor de calamiteitenroute;
  • i. parkeergarage ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage'. Hiertoe dienen binnen het plangebied 9 plaatsen per 1.000 m² BVO te worden gerealiseerd;

met daaraan ondergeschikt:

  • j. verhardingen;

met de daarbijbehorende:

  • k. gebouwen, en
  • l. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen
  • a. Voor het bouwen van gebouwen die ten dienste staan van de bestemming en voor opslag gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de inhoud van een gebouw ten behoeve van beheer mag niet meer bedragen dan 50 m3;
    • 2. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m;
    • 3. de nokhoogte bedraagt niet meer dan 5 m.
  • b. Gebouwen moeten zijn voorzien van een warmtepomp die wordt toegepast voor de verwarming van het gebouw.
  • c. Voor het bouwen van gebouwen die ten dienste staan van de bestemming ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - bedrijf' gelden de volgende bepalingen:
    • 1. binnen de aanduiding is bebouwing toegestaan met een oppervlakte van maximaal 2.152 m² en is tevens onderkeldering mogelijk;
    • 2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 14 m;
    • 3. een parkeernorm van 9 plaatsen per 1.000 m² BVO.
  • d. Voor het bouwen van een parkeergarage ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de bouwhoogte bedraagt minimaal 4 m en maximaal 6 m;
    • 2. de wandafwerking van de parkeergarage dient uitgevoerd te worden met een geluidsabsorberende 'groene wand' met een absorptieniveau van minimaal 0,02 dB.
  • e. Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, telecommunicatie, water- en energiedistributie gelden de volgende bepalingen:
    • 1. de bebouwde oppervlakte mag per gebouw niet meer bedragen dan 15 m²;
    • 2. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3,5 m.
4.2.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:

Bouwwerk, geen gebouw zijnde   Maximale hoogte in m  
Bewegwijzeringen   7  
Licht- en andere masten   5  
Uitkijktoren   7  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   6  
4.2.3 Voorwaardelijke verplichting

Alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend voor de bouw van een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd-bedrijf', dient te worden aangetoond dat de uitvoeringswijze geen negatieve gevolgen heeft voor de capaciteit van de bluswatervoorziening.

4.3 Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Verbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.

4.3.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 4.3.1 wordt in ieder geval gerekend het gebruik:

  • a. voor parkeren, behoudens ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeergarage', laden en lossen.
4.3.3 Voorwaardelijke verplichting

Bij het bouwen en/of gebruiken van gebouwen of bouwwerken ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van gemengd-bedrijf' dienen voor aanvang van het bouwen en/of gebruiken van de gebouwen en bouwwerken zoals bedoeld in dit artikel, geluidsoverdrachtbeperkende maatregelen zoals omschreven in voetnoot 8 van het Akoestisch Rapport opgenomen in Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan, behoudens de daar genoemde aarden wal ten zuiden van de lange baan van 4m, te worden gerealiseerd en, zolang de gebouwen en bouwwerken in stand worden gehouden, te worden gehandhaafd.

4.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in artikel 4.3.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.5.1 Verbod uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

                • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden;
                • b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
                • c. het aanleggen van verharde en halfverharde wegen en paden;
                • d. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik en het educatief medegebruik;
                • e. het aanbrengen van drainage;
                • f. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen.
4.5.2 Uitzondering

Het in artikel 4.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
4.5.3 Voorwaarden

De in artikel 4.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuur- en/of landschappelijke waarden van de gronden.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden, zijn bestemd voor:

  • a. ontsluitingswegen, bestaande uit 2 rijstroken, een voorziening voor langzaam verkeer en bermen, met een totale breedte van maximaal 18 m;
  • b. ongelijkvloerse wegkruisingen, inclusief viaducten en tunnels met de daarbij behorende op- en afritten;
  • c. kruisingen van routes voor langzaam verkeer door middel van ongelijkvloerse kruisingen, inclusief viaducten en tunnels met de daarbij behorende op- en afritten;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - pergola, een pergola met een minimale doorrijdhoogte van 4 m;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke gebruiksaanduiding - calamiteitenroute', het gebruik als calamiteitenroute;
  • f. voet- en rijwielpaden;
  • g. onderhoudspaden;
  • h. groenvoorzieningen ten dienste van het aangrenzende bedrijf;
  • i. waterhuishouding;

met daaraan ondergeschikt:

  • j. nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen voor telecommunicatie, water- en energiedistributie gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bebouwde oppervlakte mag per gebouw niet meer bedragen dan 15 m²;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m.
5.2.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

Bouwwerk, geen gebouw zijnde   Maximale hoogte in m  
Palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer   12  
Viaducten:
- constructiedeel
- verlichtingsmasten/balustrades (gemeten vanaf bovenkant constructiedeel)  

8
8  
Alarmmasten   40  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   6  
5.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.1 teneinde ten behoeve van gebouwen voor telecommunicatie, water- en energiedistributie een bouwhoogte van maximaal 4 m toe te staan, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad.
  • b. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden.
  • c. De verkeersveiligheid mag niet in het gedrang komen.
5.4 Specifieke gebruiksregels
5.4.1 Verbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.

5.4.2 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 5.4.1, wordt in ieder geval gerekend het gebruik:

  • a. voor parkeren, laden en lossen;
  • b. opslag.
5.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.4.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Algemene aanduidingsregels

6.1 geluidzone - motorcrossterrein

Op de gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'geluidzone - motorcrossterrein' zijn, naast het bepaalde in de voor deze gronden aangewezen bestemmingen, geen nieuwe geluidgevoelige objecten toegestaan.

6.2 vrijwaringszone - weg 0-50 meter
  • a. Op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg 0-50 meter' mag, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen bebouwing worden opgericht.
  • b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het bepaalde in lid a na schrijftelijk advies te hebben ingewonnen bij de wegbeheerder.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Bestaande afmetingen, afstanden en percentages
  • a. In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige op de verbeelding aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.
  • b. In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
  • c. Hetgeen hiervoor onder a en b is opgenomen geldt niet indien sprake is van algemene sloop in combinatie met nieuwbouw ter plaatse.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Verbod

Het is verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming(en).

9.2 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 9.1 vervatte verbod indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

9.3 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik als bedoeld in dit artikel 9.1 wordt in ieder geval verstaan; voorzover niet rechtstreeks dienend voor het normale gebruik overeenkomstig de bestemming:

  • a. het gebruiken van onbebouwd blijvende gronden of het gebruik van opstallen ten behoeve van doeleinden van opslag, stort of lozing;
  • b. het in gebruik nemen van onbebouwd blijvende gronden of het gebruik van opstallen voor doeleinden van handel of bedrijf;
  • c. het in gebruik nemen van onbebouwd blijvende gronden of het gebruik van opstallen ten behoeve van geluidhinderlijke inrichtingen;
  • d. het in gebruik nemen van onbebouwd blijvende gronden of het gebruik van opstallen ten behoeve van verblijfsrecreatie;
  • e. het zelfstandig wonen in een bijgebouw;
  • f. het gebruik van een gebouw ten behoeve van een seksinrichting;
  • g. het permanent bewonen van een recreatiewoning/stacaravan;
  • h. het in gebruik nemen van onbebouwd blijvende gronden of het gebruik van opstallen voor horecadoeleinden.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

10.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • b. de bestemmingsregels ten aanzien van de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 m;
  • c. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits:
    • 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10 m² bedraagt, en;
    • 2. de hoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt.
10.2 Voorwaarden

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.1 kan slechts worden verleend, mits:

  • a. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen waardoor het mogelijk wordt af te wijken van bestemmingsgrenzen in het horizontale vlak op de verbeelding, mits en voor zover afwijking noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein en er geen dringende reden zijn die zich tegen de afwijking verzetten, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 2,5 m bedraagt.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2 Gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Partiële herziening KBP zuidoost, Hapert van de gemeente Bladel.