| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22AD Sint Jansklooster - Kindcentrum |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1708.STJKindcentrumOP-VA01 |
De gemeente Steenwijkerland is bezig met de ontwikkeling van een nieuwe school aan de Molenstraat en de Van Ommenstraat in Sint Jansklooster. Het gebied bestaat in de huidige situatie uit onbebouwde agrarische gronden en volkstuinen. De basisscholen Wiedewereld en GBS de Eben Haëzer worden in een gezamenlijk nieuw schoolgebouw gehuisvest. Hierbij wordt tevens kinderopvang toegevoegd. Met dit plan wordt het voornemen mogelijk gemaakt om op één locatie in Sint Jansklooster tot vervangende nieuwbouw van de huidige twee schoolgebouwen inclusief kinderopvang te komen.
De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de regels van het gemeentelijk omgevingsplan. Om deze reden is er een wijziging omgevingsplan opgesteld. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van het Tijdelijk Alternatieve Maatregel systematiek (TAM).
De opzet van deze motivering is in lijn met de instructies van het Handboek Omgevingsplan Steenwijkerland voor het wijzigen van het omgevingsplan middels TAM-IMRO. In hoofdlijnen wordt op basis van het handboek gekeken naar: Wat wil men (lees: planbeschrijving, Hoofdstuk 2), wat moet waar geregeld worden (lees: beleid en regelgeving, Hoofdstuk 3), hoe wil men het regelen (lees: juridische vormgeving, Hoofdstuk 4), de gevolgen van het plan (Hoofdstuk 5) en de uitvoering ervan (Hoofdstuk 6).
Daarnaast komen de volgende aspecten aan bod: kostenverhaal (Hoofdstuk 7), participatie (Hoofdstuk 8) en inbreng ketenpartners (Hoofdstuk 9).
Het plangebied ligt aan de westrand van het dorp Sint Jansklooster. De naam Sint Jansklooster verwijst naar het op deze plaats strategisch gesitueerde klooster, waarvan nog een muur resteert. Sint Jansklooster is oorspronkelijk ontstaan aan de Kloosterweg. De woningen aan deze weg hebben agrarische kenmerken. Door branden in de negentiende eeuw is veel van de oorspronkelijke agrarische bebouwing verloren gegaan. Later is Sint Jansklooster uitgebouwd langs de Molenstraat en de Monnikenweg. De stellingmolen van Sint Jansklooster is een rijksmonument. De bebouwing in Sint Jansklooster bestaat uit vrijstaande, halfvrijstaande en aaneengesloten woningen uit verschillende periodes. Doordat de gebouwen in het dorp uit verschillende tijden komen, is er een verschil in architectuur. Woonhuizen en boerderijen zijn met de voorgevel op de weg georiënteerd. In de uitbreidingswijken staan de woningen verder van de weg en hebben ze voortuinen.
De gronden van het plangebied hebben nu een agrarische bestemming en worden tevens gebruikt als volkstuinen. Aan de noord- en oostzijde wordt het gebied begrensd door respectievelijk de Molenstraat en de Van Ommenstraat. Aan de zuidzijde grenst het gebied aan sportvelden en aan de westzijde bevinden zich woningen. Op figuur 1 is de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1: Globale ligging plangebied (bron: PDOK viewer)
Om de realisatie mogelijk te maken is onderliggende wijziging omgevingsplan nodig. Dit gebeurt op basis van een TAM-IMRO.
De aard van de wijziging betreft een nieuw te ontwikkelen kindcentrum. In deze paragraaf is het plan nader toegelicht.
De schoolgebouwen van de basisscholen de Wiedewereld en de Eben Haëzer zijn verouderd en aan vervanging toe. De schoolbesturen hebben besloten om samen met de gemeente Steenwijkerland een nieuw kindcentrum te realiseren nabij de voetbalvelden aan de Molenstraat in Sint Jansklooster. Voor de nieuwbouw van de Eben Haëzer wordt uitgegaan van 139 leerlingen, die verdeeld zijn over zes groepen. Daarnaast wordt uitgegaan van kinderopvang, bestaande uit één daggroep van circa 16 kinderen en één peutergroep met circa 16 plaatsen. Hiervoor werkt de school samen met J/M Kinderopvang. Voor de nieuwbouw van de Wiedewereld wordt uitgegaan van 101 leerlingen, die verdeeld zijn over 4 groepen en één groep peuteropvang.
Het leerlingenaantal van beide scholen bedraagt 240 leerlingen. Beide scholen zien mogelijkheden voor het gezamenlijk gebruik van ruimten. Door dit efficiënte ruimtegebruik wordt meerwaarde gecreëerd voor het realiseren van andere, aanvullende ruimten voor beide scholen. Voor beide scholen wordt één kinderopvang gerealiseerd. Er komen verschillende gemeenschappelijke ruimten voor de scholen, waarbij gedacht moet worden aan een centrale ontmoetingsruimte, een atelierruimte, een centrale keuken, multifunctionele overlegruimten en een speellokaal. Er wordt tevens rekening gehouden met voldoende bergruimte.
Het gebouw krijgt twee bouwlagen, waarbij er ruimte is voor uitbreiding van de begane grond. Parkeren van de auto's vindt plaats op de al aanwezige parkeerplaatsen bij de voetbalvelden. Daarnaast wordt er een fietsenstalling gecreëerd voor de kinderen, maar ook voor het personeel en de bezoekers. Tot slot worden er verschillende pleinen ontwikkeld voor zowel de dagopvang als de peuters en onderbouw en de midden- en bovenbouw.
De volkstuinen die aan de oostzijde van het plangebied liggen blijven behouden.
Situering
Het kindcentrum wordt georiënteerd in de gevellijn van de Molenstraat. In het kader van geluid wordt het gebouw zo gesitueerd dat een buffer tussen het speelterrein en de noordelijk gelegen woningen ontstaat. Rondom het gebouw is ruimte voor groenstructuren en overgangszones waarbij het speelterrein in het zuidwestelijk deel van het plangebied wordt gerealiseerd.
Oriëntatie en ontsluiting
De entrees van het gebouw worden op functioneel logische plekken geplaatst ten opzichte van de omgeving en het gebruik van het gebouw. Fiets- en voetgangersverkeer krijgen prioriteit. Parkeren en halen en brengen locatie zijn geconcentreerd aan de zuidoost zijde op de bestaande parkeerplaats van de sportvereniging(en).
Voor het plangebied geldt het omgevingsplan gemeente Steenwijkerland. De beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 (vastgesteld 9 december 2014) en de correctieve herziening beheersverordening Buitengebied (vastgesteld 25 mei 2021) zijn in het tijdelijk deel van het omgevingsplan opgenomen. Op grond van het geldend planologisch kader heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Tevens is de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' van toepassing. Het realiseren van een kindcentrum is niet mogelijk binnen deze bestemming.
De planvorm betreft een Tijdelijke Alternatieve Maatregel omgevingsplan. Het plan wordt onderdeel van het omgevingsplan.
Het doel van de wijziging is om het voornemen, beschreven in 2.3, planologisch mogelijk te maken. Hierbij wordt de wijziging uiteindelijk in het omgevingsplan opgenomen.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
Het voornemen past binnen deze afwegingsprincipes. In de volgende paragrafen in dit hoofdstuk wordt hier verder op ingegaan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl artikel 5.129g) is bepaald dat de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna 'de Ladder') als instructieregel van toepassing is op plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder wordt doorlopen in paragraaf 5.2 van deze motivering.
Voor de provincie Overijssel staan twee beleidsdocumenten centraal, de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De laatste actualisatie voor de Omgevingsvisie Overijssel is van november 2023 (nu wel een ontwerp van 2025). Per 2024 is de Omgevingsverordening Overijssel in werking gegaan. Hierin is ook de actualisatie van de Omgevingsverordening voor 2023 meegenomen. Aan deze twee documenten wordt het plan getoetst wat betreft het provinciale beleid.
In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke en gebiedsspecifieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied. Onderstaand wordt op deze drie niveaus van het uitvoeringsmodel ingegaan.
Figuur 2: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes bepalen óf ontwikkelingen nodig, dan wel mogelijk zijn. In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema's en locaties. Dit zijn:
Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Deze Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking moeten doorlopen (paragraaf 3.1.2).
Deze Ladder voor duurzame verstedelijking stelt immers ook eisen aan het onderbouwen van de (regionale) behoefte en de regionale afstemming van stedelijke ontwikkelingen. De Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, en op welke wijze de regionale afstemming vormgegeven moet worden.
Afweging
In paragraaf 5.2 is de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Twee bestaande scholen worden gehuisvest op één locatie met een kinderopvang. Daarbij wordt nagedacht over zorgvuldig ruimtegebruik en of het voornemen past bij de behoefte om de scholen te clusteren. Het plan is daarmee ook in overeenstemming met de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.
Gebiedskenmerken
De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij de vraag hóé een initiatief ingepast kan worden. Aan een motivering wordt de eis gesteld dat inzichtelijk moet worden gemaakt hoe is omgegaan met de provinciale 'vierlagenbenadering' uit de Catalogus Gebiedskenmerken.
In de natuurlijke laag hoort het plangebied tot de 'Stuwwal'. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. De ruimtelijke kwaliteitsambities richten zich op de ontwikkeling van een robuust, aaneengesloten en natuurlijk landschap en het continu en leefbaar houden van het watersysteem als dragende structuur.
De tweede laag van het plangebied behoort tot de 'Oude hoevenlandschap'. Het landschap kenmerkt zich doordat het dezelfde opbouw kent als essenlandschap, alleen dan in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens een reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het is een samenhangend systeem van es en kamp, erf op de flank, natte laagtes en voormalig heidevelden. De erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken en recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan de kenmerkende structuren.
De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het plangebied bevindt zich niet in de stedelijke laag maar sluit wel aan bij de Woonwijken 1955 tot nu. De woonwijken van 1955 tot nu zijn plan matig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningen centra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezins woningen, flatwijken, villawijken en wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes.
In de laag van de beleving wordt het plangebied aangeduid als 'donkerte'. Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De sturing is in de donkere gebieden gericht op alleen minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht. Dit vereist het selectief inzetten en 'richten' van kunstlicht. Daarnaast moet er veel aandacht zijn voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied.
Afweging
Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit onbebouwde agrarische gronden. Bij de nadere invulling wordt daar waar mogelijk rekening gehouden met de bestaande karakteristieken van het gebied. Dit is nader beschreven in paragraaf 5.13.
Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermingsgebied en in het intrekgebied. In deze gebieden wordt het grondwater beschermd op zowel ruimtelijk als milieutechnisch niveau. Intrekgebieden zijn aangewezen gebieden rond grondwaterbeschermingszones en gebieden voor de bescherming van toekomstige drinkwaterwinningen. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een intrekgebied kan niet-risicovolle en risicovolle activiteiten toestaan als in de onderbouwing van het omgevingsplan met toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming verantwoord is voldaan aan het stand-still-principe. Nieuwe risicovolle activiteiten kunnen ook worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang waarvoor redelijke alternatieven ontbreken. Het intrekgebied levert feitelijk het grondwater voor de drinkwatervoorziening. In paragraaf 5.12 wordt hier nader op ingegaan.
Op 20 juni 2017 heeft de raad de Omgevingsvisie Steenwijkerland vastgesteld. De gemeente wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Op moment van schrijven ligt een omgevingsvisie als ontwerp ter inzage. Vanwege de status van dit document, wordt verwezen naar de omgevingsvisie die op 20 juni 2017 is vastgesteld. Omgevingskwaliteit is gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving. De schoonheid van de natuur en de bevaarbaarheid van het water in de Weerribben, het stationsplein van Steenwijk met de verbinding naar werk en voorzieningen, de culturele waarde van Giethoorn en de beleving ervan door grote aantallen buitenlandse toeristen.
De visie draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Deze kwaliteit is niet te meten. Alleen elementen ervan zijn meetbaar (zoals geluidswaarden) of aanwijsbaar (cultureel erfgoed). Een deel van de omgevingskwaliteit kun je slechts ervaren (sfeer, veiligheid). Het is de som der delen die de uiteindelijke kwaliteit bepaalt. Deze nieuwe definitie is betekenisvol: omgevingskwaliteit is het centrale doel van al het ruimtelijk handelen.
Elke kern heeft zijn eigen karakter. De opgaven in de kernen luiden: leegkomend vastgoed krijgt een nieuwe functie; leefbaarheid krijgt prioriteit; herbezinning uitbreiding capaciteit bedrijventerreinen; aantrekkingskracht Giethoorn zorgvuldig benutten; en kleine kernen bereikbaar houden.
Afweging
Dit plan draagt door de clustering van de scholen en een kinderdagverblijf bij aan de leefbaarheid van Sint Jansklooster. Het voornemen is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie.
Met het Integraal huisvestingsplan onderwijs Ruimte voor talent (IHP) uit 2017 geven de gemeente en de schoolbesturen gezamenlijk vorm en inhoud aan het streven om te werken aan een aantrekkelijk en duurzaam exploitabel leefklimaat in de gemeente. Hierbij geldt de ambitie, zoals weergegeven in figuur 3.
Figuur 3: Ambitie onderwijshuisvesting
Met het voortgangsdocument integraal huisvestingsplan Onderwijs uit 2023 geven de gemeente en schoolbesturen de planning van investeringen in de huisvesting van het onderwijs voor de komende 16 jaar aan. Bij de vaststelling van het IHP is aangegeven dat het IHP ambitieus is. Het is een routekaart die de gemeente nastreeft. Een bouwtraject van een kindcentrum is bijzonder complex en kent veel betrokkenen. De gemeente Steenwijkerland heeft toegezegd op verschillende momenten de voortgang van het document te beschrijven.
Afweging
De scholen de Wiedewereld en GBS de Eden Haëzer koersen op een ingebruikname van het kindcentrum in 2028. Indien mogelijk wordt het kindcentrum eerder in gebruik genomen. Met dit plan wordt het voornemen uit het Integraal huisvestingsplan Onderwijs mogelijk gemaakt om op één locatie in Sint Jansklooster tot vervangende nieuwbouw van de huidige twee gebouwen te komen. Hierbij wordt rekening gehouden met één gebouw van 1.800 m2. Een gedeelte van dit oppervlak wordt als verdieping gerealiseerd.
De gemeente Steenwijkerland wil zorgvuldig omgaan met de bebouwing in de gemeente. Zij wil ook haar inwoners inspireren en stimuleren zorgvuldig om te gaan met verbouwingen aan hun gebouwde eigendommen. De welstandsnota biedt de inwoner en de aanvrager van een bouwaanvraag inzicht en verheldering over de beoordeling van (zijn of haar) bouwplannen.
Het welstandsbeleid is uitgewerkt in gebiedsgerichte welstandscriteria. Het plangebied ligt binnen het stuwwallandschap van het land van Vollenhoven. Sint Jansklooster heeft in de welstandsnota haar eigen paragraaf. Hierbij zijn criteria gevormd voor de kern en de woonwijken.
Afweging
Het welstandsbeleid biedt geen passend beoordelingskader voor de ontwikkelingen in het plangebied. Om deze reden wordt er een beeldkwaliteitsplan met welstandscriteria opgesteld dat als aanvulling op het welstandsbeleid gaat gelden. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 1 van de regels van hoofdstuk 22AD van het omgevingsplan.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit Tam-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Sint Jansklooster - Kindcentrum , waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand [NL.IMRO.1708.STJKindcentrumOP-VA01] zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In paragraaf 2.1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. De regels zoals opgenomen in de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 en de Correctieve herziening beheersverordening Buitengebied worden vervangen door de regels in dit TAM-omgevingsplan. De wijziging heeft tot gevolg dat de locatie wordt voorzien van de functies maatschappelijk en groen.
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
Artikel 2 Algemene begripsbepalingen
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geldende begrippen.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
In dit artikel zijn begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld.
In het tweede lid is bepaald dat de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' overeenkomstig van toepassing blijft.
In het derde lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
In het vierde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.
Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen
Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
Artikel 6 Agrarisch met waarden
De gronden aan de westzijde van het kindcentrum zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden'. Het perceel mag gebruikt worden voor agrarische doeleinden. Binnen de functie mogen geen gebouwen worden gebouwd en is het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - spuitvrije zone' niet toegestaan.
De structuurbepalende groenzones in het plangebied zijn aangewezen als 'Groen'. Binnen 'Groen' is ook een regel over evenementen opgenomen, waarbij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'evenemententribune' evenementen georganiseerd kunnen worden.
De gronden waar het kindcentrum wordt gerealiseerd zijn aangewezen als 'Maatschappelijk'. Hierbinnen is één bouwvlak opgenomen, waarbinnen het kindcentrum moet worden gerealiseerd. De maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw is hier 9,5 meter. Het bouwvlak kan voor maximaal 35% worden bebouwd. Bijgebouwen kunnen ook worden gebouwd binnen het bouwvlak. De bouwhoogte van bijgebouwen is 3,5 meter en de maximale oppervlakte is 265 m2. Binnen deze functie zijn volkstuinen ook toegestaan en bestaat de mogelijkheid om een overdekte fietsenstalling te realiseren. Tot slot is er een regel opgenomen waarin staat dat het Beeldkwaliteitsplan aanvullende eisen stelt, zoals natuurinclusief bouwen. Welstand gaat via de welstandtoets zoals genoemd in artikel 22.29 van de Bruidsschat.
Artikel 9 Waarde - Archeologie 2
Ten behoeve van de bescherming van archeologische waarden is een deel van het gebied aangewezen als 'Waarde - Archeologie'. Dit betreft de gronden waar nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 11 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten
In dit artikel zijn aanvullende regels voor bouwactiviteiten opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 12 Verboden gebruiksactiviteiten
In dit artikel zijn regels voor functies opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied. In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
Artikel 13 Algemeen gebruiksverbod
Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod. Aanvullend gelden enkele specifieke gebruiksverboden.
Artikel 14 Regels met betrekking tot evenementen
In dit artikel zijn regels voor evenementen opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
Artikel 15 Regels met betrekking tot parkeren
In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen die gelden voor het gehele werkingsgebied.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (MER) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Of een besluit over een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor mer-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.
Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.
Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten (J11 van bijlage V Ob) geldt geen directe mer-plicht uit kolom 2. Wel geldt bij een aanleg, wijziging of uitbreiding in het kader van een wijziging van het omgevingsplan een mer-beoordelingsplicht. De mer-beoordeling voor dit voornemen is opgenomen als bijlage 1 van deze motivering.
De belangrijkste conclusie van de mer-beoordeling is dat voor het voornemen, gezien de aard en omvang van de effecten, geen MER doorlopen hoeft te worden.
Op grond van artikel 5.129g van het Bkl wordt, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden met de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen in en buiten stedelijk gebied, dan wel buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied.
De Ladder is onder andere van toepassing op bouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Het plan is gelet op de omvang van voornemen, het realiseren van een school en kinderdagverblijf, in relatie tot de omgeving aan te merken als een stedelijk ontwikkeling.
Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Het plangebied heeft op dit moment een agrarische bestemming. De transformatie naar kindcentrumgebied leidt tot een uitbreiding van de bestaande bouwmogelijkheden. Naar aard en omvang zijn er substantiële wijzigingen van de gebruiksmogelijkheden van het gebied ten opzichte van de bestaande mogelijkheden. Er is daarmee sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied voor het kindcentrum is beperkt tot Sint Jansklooster en directe omgeving.
Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven.
Met deze wijziging wordt het voornemen gerealiseerd om twee scholen op één locatie in Sint Jansklooster mogelijk te maken. De twee bestaande scholen worden gehuisvest op deze nieuwe locatie in één gebouw. In het nieuwe kindcentrum wordt ook een kinderopvang gehuisvest. Het bruto vloeroppervlak is circa 1.800 m2. Gesteld kan worden dat er een behoefte is aan deze ontwikkeling omdat de oude scholen verdwijnen.
Ligt de ontwikkeling in stedelijk gebied?
De definitie voor stedelijk gebied is onder het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) omschreven als: 'Het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Het betreft het samenstel van bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.'
Het plangebied ligt aan westzijde van Sint Jansklooster, aansluitend aan bestaand stedelijk gebied. Het plan is daarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Voor deze locatie is gekozen omdat binnen het bestaand stedelijk gebied geen mogelijkheid is om te verdichten of omdat gronden al zijn aangewezen voor andere functies. Daarnaast is de locatie tussen de woonwijk en de sportvoorzieningen gelegen waardoor dubbel ruimtegebruik tevens eenvoudig te realiseren is. Dit alles maakt de realisatie van een kindcentrum op de onderhavige locatie een logische en duurzame keuze.
Uit het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking volgt dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Desalniettemin is aangetoond dat er behoefte is aan de ontwikkelingen, binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied, terwijl het plan zich goed inpast op de beoogde locatie. Er daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met het oog op duurzame verstedelijking.
Op grond van de Dienstenrichtlijn mogen er geen economische motieven zijn voor regels voor diensten in een omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is hiervoor een instructieregel opgenomen, artikel 5.1a. Het begrip ‘dienst’ moet breed worden geïnterpreteerd. Ook detailhandel is een dienst. De instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5, van de Dienstenrichtlijn. Vestigingseisen voor diensten mogen bijvoorbeeld niet gebaseerd zijn op argumenten van concurrentiebeperking. Iedere verplichting, verbod, voorwaarde of beperking die aan toegang en uitoefening van dienstenactiviteiten wordt gesteld, valt onder de Dienstenrichtlijn.
Er wordt met het voornemen geen diensten mogelijk gemaakt waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn. Daarmee is de dienstenrichtlijn niet relevant voor het voornemen.
De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door de parkeernormen die in het omgevingsplan zijn opgenomen en/of de kencijfers van de CROW.
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is, waar mogelijk, de Nota parkeernormen van de gemeente Steenwijkerland gehanteerd. In overige gevallen zijn de kencijfers van de CROW gebruikt. Daarbij is in alle gevallen uitgegaan van de normen voor rest bebouwde kom. Op grond daarvan is er sprake van de volgende parkeerbehoefte:
| Functie | Hoeveelheid | Parkeernorm | Parkeerbehoefte |
| Basisonderwijs | 11 leslokalen | 0,5 per leslokaal | 5,5 |
| Kinderdagverblijf | 200 m2 bvo | 1,3 per 100 m2 bvo | 2,6 |
| Totaal | 8,1 |
Naar boven afgerond is sprake van een parkeerbehoefte van 9 parkeerplaatsen. De normen voor een kindcentrum (school en kinderdagverblijf) zijn exclusief 'kiss & ride'.
De parkeervoorzieningen inclusief 'kiss & ride' wordt vormgegeven op de bestaande parkeerplaats van de sportverenigingen. Voor een groot deel kan op deze manier efficiënter gebruik gemaakt worden van de ruimte omdat de parkeerplekken voor de sportvereniging voornamelijk in de avond gebruikt worden. Voor de kinderen en leraren die met de fiets naar het kindcentrum gaan wordt een overdekte fietsenstalling van circa 165 m2 gerealiseerd. Het plan voldoet daarmee aan de parkeerbehoefte.
Verkeer
Het plangebied wordt voor autoverkeer via de Van Ommenstraat ontsloten op de Molenstraat en de Monnikenweg. Voor fietsers en voetgangers wordt het plangebied daarnaast ontsloten met voet- en fietspaden vanaf Koningsspil, Molenstraat en de Monnikenweg. Het aantal verkeersbewegingen is daarnaast geschat aan de hand van het aantal kinderen. De gemeente Steenwijkerland heeft een stedelijkheid van 'weinig stedelijk' en het plangebied bevindt zich in rest bebouwde kom. Het gaat hierbij om verkeersbewegingen per etmaal.
In totaal kan het voornemen 288 kinderen huisvesten. Voor de verkeersgeneratie is ervan uitgegaan dat 50% van de kinderen gebracht wordt met de auto, 144 voertuigen waarvan deze per schooldag 2 keer heen en 2 keer terug reizen. Dit betekent per schooldag 576 verkeersbewegingen ten behoeve van het brengen van kinderen. Daarnaast zijn 30 verkeersbewegingen ten behoeve van het personeel opgenomen. In totaal betekent dit dat dient te worden uitgegaan van 606 verkeersbewegingen per schooldag. Daarnaast verdwijnt er door de oprichting van het nieuwe kindcentrum ook een deel van het verkeer elders in het dorp. In het nieuwe kindcentrum worden namelijk twee bestaande scholen gehuisvest.
De verkeersbewegingen van het kindcentrum zijn voornamelijk 'kiss & ride', het grootste deel van het verkeer betreft het brengen en halen van kinderen. De 'kiss & ride' wordt aan de zuidoostzijde gerealiseerd. Gezien de ruime ontsluitingen van het plangebied wordt de hoeveelheid verkeersbewegingen per etmaal aanvaardbaar geacht.
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Daarmee is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft verkeer en parkeren.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over onder andere geluid en geur van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 en 5.1.4.6 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid en de geur van activiteiten op geur- en geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. In de aanwijzing van geur- en geluidsgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming. Daarom moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. De benodigde regels over geluid en geur van activiteiten zijn opgenomen in de bruidsschat.
Om na te gaan of het geluid door activiteiten op het plangebied aanvaardbaar is, is ervoor gekozen om de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering, editie 2009 te raadplegen. Er is in 2024 een nieuwe VNG-brochure uitgekomen, namelijk de brochure Milieuzonering nieuwe stijl. Omdat deze brochure voor bestaande situaties weinig concreet is, is ervoor gekozen in dit specifieke geval gebruik te maken van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering zoals hiervoor genoemd.
Door middel van zogeheten milieuzonering waarborgt men doorgaans dat er voldoende afstand wordt gehouden tussen hinderveroorzakende functies en gevoelige functies. Richtlijnen voor milieuzonering zijn opgenomen in de VNG-brochure zoals hiervoor genoemd.
De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als rustige woonwijk met in hoofdzaak woonfuncties. In de omgeving bevindt zich een aantal bestaande milieubelastende functies. Dit gaat om een sportpark. Daarnaast zijn er nabijgelegen bedrijfsactiviteiten in de vorm van dienstverlening en detailhandel en is er een molen met maatschappelijke functie aanwezig.
School
Het plan maakt de realisatie van een milieubelastende functie mogelijk, in de vorm van een school. Voor een school geldt een richtafstand tot milieugevoelige functies van 30 meter (voor het aspect geluid). De afstand van het schoolperceel tot de dichtstbijzijnde bestaande woningen aan de Molenstraat bedraagt 30 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand. Tevens is het schoolplein in het plan specifiek aangeduid aan de zuidwestzijde van het plangebied. Op deze manier wordt geluidoverlast zo veel als mogelijk voorkomen.
Met betrekking tot milieuzonering van milieubelastende functies maakt het voornemen een school mogelijk. Hierbij voldoet het voornemen aan de richtafstand. Conclusie hierbij is dat er sprake is van aanvaardbaar geluid en daarmee er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft geluid door activiteiten.
In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidsbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Wegverkeerslawaai
Uit de verkeersgegevens van de omgevingsdienst IJsselland blijkt dat de verkeersintensiteiten, voor het rekenjaar 2035, van de Van Ommenstraat, Molenstraat en Bergkampen onder de 1.000 motorvoertuigen/etmaal bedraagt. Daarmee zijn deze gemeentelijke wegen akoestisch niet relevant. Overige gemeentelijke wegen zijn ofwel verkeerskundig ondergeschikt aan eerdergenoemde wegen, of bevinden zich op een grotere afstand van het plangebied. De Flevoweg (N762) bevindt zich op circa 430 meter afstand van het plangebied, ruim boven de afstand van de geluidzone van provinciale wegen zonder vastgestelde geluidproductieplafond. Op Atlas Leefomgeving is te zien dat rondom de gemeentelijke wegen overal voldaan kan worden aan de standaardwaarde. Nader akoestisch onderzoek naar geluid van wegverkeer is daarmee niet aan de orde. Op onderstaande kaart is het plangebied aangewezen met een blauwe ''i''.
Figuur 4: kaart geluid van weg (bron: Atlas Leefomgeving)
Op basis van verkeersgegevens en de afstand van de Flevoweg tot het plangebied is nader akoestisch onderzoek niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft geluid.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Steenwijkerland is niet aangewezen als concentratiegebied.
Niet in betekende mate
De scholen betreffen reeds functies die in het dorp aanwezig zijn. Het betreft hiermee geen nieuwe functie, maar een verplaatsing van bestaande voorzieningen. Het plan leidt daarmee niet tot extra verkeersbewegingen en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.
Het plan moet worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek kan achterwege blijven. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft luchtkwaliteit.
In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.
De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.
Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:
Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden.
Als in het omgevingsplan regels over geur vanwege rwzi's of agrarische activiteiten zijn opgenomen, dan moet er ook een bebouwingscontour geur worden vastgelegd. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor:
Ook de openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur die bij deze bebouwing horen, vallen onder dit samenstel.
Zolang het tijdelijke omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat (BS) van toepassing. En dus ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 BS), in plaats van een bebouwingscontour geur. De Bruidsschat bevat regels over:
Er wordt een geurgevoelig gebouwen mogelijk gemaakt met het voornemen. Het dichtstbijzijnde geurhoudend bedrijf (fokken en houden van rundvee) ligt op een afstand van 250 meter. De richtafstand van dit bedrijf met geur veroorzakende activiteiten is 100 meter. Hiermee ligt het plangebied op ruime afstand van het geurhoudende bedrijf. Verdere onderzoek naar het aspect geur kan daarom achterwege blijven.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geur.
Het aspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 BS en 5.87a Bkl.
Er zijn geen bronnen van trillingen in de omgeving van het plangebied. Daarmee is verdere onderzoek overbodig.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft trillingen.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
In augustus 2025 is door Sigma Bouw & Milieu een verkennend bodemonderzoek gedaan naar de milieuhygiënische staat van het plangebied (bijlage 2). In de bovengrond en het grondwater zijn enkele stoffen verhoogd gemeten ten opzichte van de achtergrondwaarde en streefwaarde. Echter, deze waarden overschrijden de indicatiewaarde of signaleringsparameters voor nader onderzoek niet, er is aangetoond dat er geen bijzonderheden zijn. Voor het mogelijk maken van het voornemen is wat betreft de bodem geen nader onderzoek nodig.
Er zijn geen bijzonderheden aangetoond in het verkennend bodemonderzoek, daarmee vormt het aspect bodem geen belemmering voor het voornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft bodem.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgevonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
In het plangebied wordt een kwetsbaar object gerealiseerd. Dit gaat om de bouw van een nieuwe school. De risicokaart (figuur 5) is geraadpleegd om eventuele risico's wat betreft omgevingsveiligheid in kaart te brengen.
Buisleidingen
In of nabij het plangebied bevinden zich geen buisleidingen die relevant zijn in het kader van omgevingsveiligheid. De dichtstbijzijnde leidingen bevinden zich op een afstand van circa 450 meter ten noordoosten van het plangebied. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze leidingen.
Activiteiten
In of nabij het plangebied bevinden zich geen inrichtingen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid.
Transport
In of nabij het plangebied bevinden zich geen wegen, spoorwegen of waterwegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Figuur 5: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Op bovenstaande uitsnede wordt door middel van de blauwe ''i'' aangegeven waar het plangebied ligt. Uit bovenstaande inventarisatie blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transporten ligt. Een nadere verantwoording van het groepsrisico wordt gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot risicobronnen niet noodzakelijk geacht.
Er zijn geen risicobronnen in of nabij het plangebied. Verdere onderzoek met betrekking tot omgevingsveiligheid is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft omgevingsveiligheid.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Grondwaterbeschermings- en intrekgebied
Het plangebied ligt in een grondwaterbeschermings- en intrekgebied. In deze gebieden wordt het grondwater beschermd op zowel ruimtelijk als milieutechnisch niveau. Intrekgebieden zijn aangewezen gebieden rond grondwaterbeschermingszones en gebieden voor de bescherming van toekomstige drinkwaterwinningen. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een intrekgebied kan niet-risicovolle en risicovolle activiteiten toestaan als in de onderbouwing van het omgevingsplan met toepassing van de methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming verantwoord is voldaan aan het stand-still-principe. Nieuwe risicovolle activiteiten kunnen ook worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang waarvoor redelijke alternatieven ontbreken.
Zoals besproken is in paragraaf 3.3.1 ligt het plan in een intrekgebied. Nieuwe risicovolle activiteiten zijn toegestaan als ze noodzakelijk zijn vanuit een zwaarwegend maatschappelijk gebied waarvoor redelijke alternatieven ontbreken. Het beleid in dit gebied is gericht op het verminderen van risico's op de verontreiniging van het grondwater. Om die reden is er advies aangevraagd bij het waterschap.
Daarnaast neemt de verharding in het plangebied met meer dan 500 m2 toe. Daarvoor is eveneens overleg nodig met het waterschap. Op 14 juli 2025 is daarom een wateradvies aangevraagd (bijlage 5). Op basis van dit wateradvies heeft het waterschap een uitgangspuntennotitie beperkt waterbelang opgesteld. Deze notitie is als bijlage opgenomen en onderstaand beschreven.
Invloed op de waterhuishouding
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 cm. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Het waterschap adviseert om bij de nadere uitwerking van het plan onderzoek te doen naar de GHG.
Afvoer afvalwater en hemelwater
Bij de nadere uitwerking van het plan wordt in de toekomstige situatie uitgegaan een gescheiden afvoer van afvalwater en hemelwater. Uitgangspunt moet zijn: het watersysteem ontlasten en gebiedseigen water daar vast houden waar het valt. Het afvalwater wordt aangesloten op het riool.
Compenserende maatregelen
Met een toename aan verhard oppervlak dienen compenserende maatregelen getroffen te worden. Dit ter compensatie van versnelde afvoer van het hemelwater. Voor het berekenen van de compensatie wordt gebruik gemaakt van de standaard formule van het waterschap (m2* 0.08 = m3). Bij de nadere uitwerking van het plan wordt hier invulling aan gegeven. Binnen de locatie is voldoende ruimte aanwezig om aan deze compenserende maatregel te voldoen.
Grondwaterbeschermingsgebied en drinkwaterwinning
De ruimtelijke voorziening voorziet niet in een risicovolle activiteit en voorziet derhalve niet in schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en drinkwaterwinning.
Het aspect water vormt geen belemmering voor het voornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect water.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Archeologie
Het plangebied heeft in het tijdelijke deel van het omgevingsplan een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. Voor deze dubbelbestemming geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bouwwerkzaamheden groter dan 250 m2 binnen de bebouwde kom. De ingrepen die deze wijziging omgevingsplan mogelijk maakt, overschrijden deze oppervlakte. Om die reden is er verkennend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd op de locatie van het kindcentrum. Het archeologisch onderzoek is als bijlage 3 toegevoegd.
Op grond van de verzamelde gegevens uit het onderzoek is gebleken dat voor het plangebied een hoge kans is op het voorkomen van vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Midden-Neolithicum en de Volle Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Er bestaat een lage kans op het voorkomen van vindplaatsen uit het Midden-Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen.
In het kader van de hoge kans op het voorkomen van vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Midden-Neolithicum en de Volle Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd is er nader archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit nader archeologisch onderzoek is als bijlage 4 opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat er niets noemenswaardig is gevonden en dat nader onderzoek of ontgravingen niet nodig zijn. Het archeologisch bureau adviseert om het onderzochte gebied vrij te geven.
Cultuurhistorie
Sint Jansklooster is gelegen in het stuwwallandschap van het land van Vollenhoven. Het landschap kenmerkt zich door hoogteverschillen, houtwallen, bos en lintbebouwing. De wegenstructuur is deels organisch gegroeid en kenmerkt zich door zachte kronkels en een informele opzet. Dit draagt bij aan het landelijke karakter en de ontspannen sfeer van de plek. De verkaveling in de omgeving bestaat uit langgerekte stroken, typerend voor het voormalige agrarische gebruik van het gebied. Deze stroken worden veelal begeleid door laanstructuren en beplanting die de lijnen in het landschap versterken. Het laankarakter is op diverse plekken nog goed zichtbaar en biedt aanknopingspunten voor een passende landschappelijke inpassing van het educatief centrum.
Overig cultureel erfgoed
Er bevinden zich geen karakteristieke panden, monumenten, beschermde gezichten of monumentale bomen in het plangebied. In het gebied komt geen bebouwing voor en verbouwd of gebouwd wordt er nauwelijks. Het plangebied bevindt zich aan de westkant van Sint Jansklooster en bestaat uit onbebouwd agrarische grond.
Wel is er in het dorp Sint Jansklooster nog een subtiele aanwezigheid van cultureel erfgoed. De historische verbondenheid met het voormalige klooster is op symbolisch niveau nog voelbaar in de ruimtelijke structuur en de naamgeving van het dorp. Bovendien zijn restanten van het klooster zichtbaar op de Kloosterweg, ten oosten van het plangebied. De molen ten westen van het plangebied behoort eveneens tot cultureel erfgoed. Deze referenties zijn in de directe omgeving van de locatie inspiratie voor een zorgvuldige omgang met architectuur en buitenruimte, waarin rust, gemeenschap en verbinding centraal staan.
Er is voldoende rekening gehouden met het erfgoedelijke waarde van het gebied. Een gedeelte is daarmee vrijgegeven wat betreft archeologie. Qua archeologie is er onderzoek gedaan naar de archeologische waarde van het plangebied. Een deel van het gebied blijft opgenomen als archeologisch waardevol. Cultuurhistorisch sluit het initiatief aan op de heersende vorm en structuur. Ander erfgoed is niet aan de orde in het gebied. Cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor het voornemen.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.
Stikstof
Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de, nader te bepalen, datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Soortenbescherming
Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit zal geen vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
In augustus 2025 is door BügelHajema Adviseurs een natuurtoets gedaan naar de uitvoerbaarheid van het plan in het kader van ecologie (bijlage 7). Onderstaand zijn de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming besproken.
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Het dichtstbijzijnde in Natura 2000-gebied is De Wieden. Dit gebied ligt op circa 550 meter ten noorden en oosten van het plangebied. Dit gebied is aangewezen als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied.
Directe effecten op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied, zoals oppervlakteverlies, versnippering en verstoring, kunnen op voorhand uitgesloten worden, mede gelet op de beperkte omvang en afstand van het plan.
Er kan in potentie wel sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, wat negatieve effecten kan hebben op habitattypen of leefgebieden van kwalificerende soorten. Voor zowel de bouw als gebruik kan er sprake zijn van stikstofdepositie. Daarom is een AERIUS-berekening gemaakt.
Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie boven de 0,00 mol N/ha/ja in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten binnen De Wieden. De AERIUS-berekeningen zijn toegevoegd als bijlagen 8 en 9. Tevens is voor de gebruiksfase de nader toelichting als bijlage 10 opgenomen.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het Natura 2000-gebied De Wieden is ook het dichtstbijzijnde NNN-gebied. Dit gebied ligt op circa 550 m ten noorden en oosten van het plangebied.
Gezien de terreinomstandigheden, de ligging buiten het NNN, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van de ontwikkeling, kunnen met betrekking tot het voorgenomen plan negatieve effecten op het NNN worden uitgesloten. Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.
Soortenbescherming
Vogels
Als gevolg van de ontwikkeling gaan geen jaarrond beschermde nesten van vogels in het plangebied verloren. Het plangebied vormt mogelijk onderdeel van het foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten. In de directe omgeving van het plangebied is echter in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op.
Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van algemene vogelsoorten kunnen worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen.
Vleermuizen
Als gevolg van de plannen gaan geen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van verblijfplaatsen kan worden uitgesloten. Het plangebied vormt mogelijk wel onderdeel van het foerageergebied van vleermuizen. In de directe omgeving is echter voldoende alternatief foerageerbied aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied kunnen worden uitgesloten.
Hiernaast zijn de bomenrijen direct ten noorden en ten zuiden van het plangebied mogelijk onderdeel van een essentiële vliegroute van vleermuizen. Deze bomen blijven behouden. Wel moet lichtuitstraling op de bomen voorkomen worden. Dit kan bijvoorbeeld door geen verlichting nabij de bomen te plaatsen en/of gebruik te maken van naar beneden schijnende lichtarmaturen. Kan lichtuitstraling niet voorkomen worden, dan is nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van een essentiële vliegroute van vleermuizen nodig.
Grondgebonden diersoorten
Het grasland en de volkstuinen in het plangebied vormen geen onderdeel van het leefgebied van beschermde grondgebonden zoogdieren. Het struweel aan de zuidzijde van het plangebied kan echter wel verblijfplaatsen van wezel bevatten. Als aan dit struweel werkzaamheden worden uitgevoerd dan kunnen deze verblijfplaatsen verloren gaan. In dat geval is nader onderzoek naar de aan- of afwezigheid van wezel nodig.
Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen daarnaast enkele verblijfplaatsen van algemene zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene en rode lijstsoorten vallen onder de vergunningvrije gevallen, zoals benoemd in de Omgevingsverordening Overijssel. Voor deze soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. Wel gelden voor deze soorten de zorgplichten van de Omgevingswet. Er worden maatregelen genomen om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen of verminderen.
Overige soorten
Voor de overige soort groepen is binnen het plangebied geen geschikte biotoop aanwezig of zijn geen negatieve effecten te verwachten.
Mits er rekening gehouden wordt met de eerder genoemde voorwaarden wat betreft soortenbescherming zijn er geen onoverkomelijkheden wat betreft natuur. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor dit aspect.
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.
In het beeldkwaliteitsplan wordt er rekening gehouden met natuurinclusief bouwen. Hierbij wordt rekening gehouden met het toepassing van relatief simpele voorziening voor vogels, vleermuizen en wilde bijen. Daarnaast is de openbare ruimte qua groeninrichting opgezet met inheemse, bij voorkeur streekeigen soorten. Er is een variatie aan beplantingen gebruikt om de biodiversiteit te vergroten. Voor watergangen worden natuurlijke flauwe oevers toegepast. Voor zo ver mogelijk wordt het zogenoemde groen-blauwe casco intact gehouden. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat bestaande houtopstanden, waar mogelijk, behouden worden.
De nieuwbouw zal bijna volledig energieneutraal zijn en aardgasloos bouwen is de norm. Ten tijde van het uitvoeren van het plan wordt hier aandacht aan besteed.
Het voornemen is in lijn met de doelen van een duurzame ontwikkeling, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft duurzaamheid.
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren.
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.
Bij dit initiatief wordt met name gekeken naar een gezond leefmilieu (aanwezigheid van milieuhinder, waterkwantiteit en -kwaliteit). Ook aspecten zoals biodiversiteit, natuurinclusief bouwen en een schone bodem zijn relevante onderdelen van een gezond leefmilieu. Zaken zoals geur, geluid, bodem en water worden in de andere paragrafen van dit hoofdstuk nader behandeld.
Met het beeldkwaliteitsplan worden bovenstaande aspecten ook geborgd bij nieuwbouw. Het beeldkwaliteitsplan is verwerkt in de regels bij dit wijziging omgevingsplan, waarbij het bouwplan moet passen binnen de gestelde voorwaarden uit het beeldkwaliteitsplan. Daarmee is er sprake van een toegevoegde waarde wat betreft gezondheid.
Er wordt rekening gehouden met het aspect gezondheid in de planvorming. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft gezondheid.
Procedure en zienswijzen
Vanaf 3 december 2025 heeft het Ontwerp TAM-omgevingsplan met de bijbehorende stukken voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen op het ontwerpbesluit. Tegen deze wijziging van het omgevingsplan is geen zienswijze ingediend. Derhalve wordt het omgevingsplan ongewijzigd vastgesteld.
Financiële uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. De gemeente heeft in de gemeentelijke begroting rekening gehouden met de financiering voor dit project en financiert de realisatie van het project. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).
Nadeelcompensatie
In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
De hieronder beschreven participatie heeft betrekking op de realisatie van één locatie in Sint Jansklooster met vervangende nieuwbouw van de huidige twee scholen Wiedewereld en Eben Haëzer.
Informatieavonden
Op dinsdag 18 juni, woensdag 19 juni en maandag 30 september 2024 zijn er informatieavonden geweest. De omwonenden, de moestuinenvereniging, Plaatselijk belang, VHK en (ouders en leerlingen van) de scholen zijn uitgenodigd voor de bijeenkomsten.
Tijdens de eerste bijeenkomst op dinsdag 18 juni zijn de beschikbare locaties besproken voor het nieuwe kindcentrum: het evenemententerrein en de locatie achter de moestuinen. De locatie achter de moestuinen is aangewezen als voorkeurslocatie door de gemeente. Tijdens de eerste bijeenkomst zijn de reacties over de beoogde locatie positief. Er zijn ook zorgen bij de aanwezigen. De zorgen zitten vooral op de verkeer- en parkeerafwikkeling en mogelijk overlast daarvan. Geluidsoverlast wordt ook als aandachtspunt besproken, alhoewel voldoende afstand mogelijk is van het gebouw tot de woningen.
Tijdens de tweede bijeenkomst zijn de reacties over de beoogde locatie positief. Er wordt vanuit de belanghebbenden gevraagd om snelheid in het plan te houden. Daarnaast wordt er aangegeven dat het jammer is als de huidige locatie van de Eben Haëzer zal verdwijnen. De gemeente geeft aan dit nogmaals te onderzoeken en komt erop terug. Er zijn ook zorgen bij de aanwezigen. De zorgen zitten vooral op de verkeersveiligheid rondom het kindcentrum en de routes naar het kindcentrum. De verkeerssituatie is een belangrijk aandachtspunt.
De gemeente ziet voldoende draagvlak om verder te gaan met de planvorming. Vanuit de tweede bijeenkomst is gebleken dat er vraag is om de huidige locatie van de Eben Haëzer nogmaals te onderzoeken. Uit dit vervolgonderzoek van de gemeente is uiteindelijk gebleken dat de beoogde locatie in Sint Jansklooster te rechtvaardigen is en dat zij vasthouden aan deze locatie. Op 15 juni zijn de ouders via de scholen geïnformeerd en er blijkt uit de achtergelaten reactieformulieren voldoende draagvlak te zijn. De gemeente gaat verder met de voorbereiding en uitwerking van de scholen op de beoogde locatie.
Op maandag 30 september 2024 is er tijdens de informatiebijeenkomst een terugblik gegeven op de informatieavonden op 18 en 19 juni 2024. De locatie, achter de moestuinen, heeft de voorkeur en er blijkt voldoende draagvlak te zijn voor het realiseren van een kindcentrum aan de Van Ommenstraat/Molenstraat in Sint Jansklooster en een omgevingsplan op te stellen voor het planologisch mogelijk maken van het realiseren van het schoolgebouw op deze locatie. Daarnaast wordt er ook een Programma van Eisen opgesteld voor de bouw van het kindcentrum. Een aantal vragen zijn gesteld tijdens de bijeenkomst. Deze worden besproken tijdens de bijeenkomst:
Het bouwvlak en de vorm van het kindcentrum ligt nog open. Het moet passend zijn binnen de omgeving en qua omvang wordt het bepaald door het aantal leerlingen. Vanuit de gemeente wordt gedacht aan een 70/30-verdeling met twee bouwlagen. Bepaalde voorzieningen en groepen worden naar alle waarschijnlijkheid op de begane grond gesitueerd.
Dit is nog een onderwerp van gesprek. In theorie zou het goed passen bij het kindcentrum. Dit leidt wel tot meer m2 en daardoor ook meer bouwkosten. Of het wenselijk en financieel haalbaar is, moet blijken uit de komende tijd.
Hier wordt door de gemeente nog over nagedacht.
Er komt een plein van voldoende omvang op de kavel van het kindcentrum. Er zijn natuurlijk wel kansen om meer sport samen te doen en dit zal dan bijvoorbeeld in samenwerking gaan met de voetbal. De impact hiervan op de buurt wordt daarin meegenomen en afgewogen.
Tijdens deze bijeenkomst wordt een schets getoond en blijkt er vanuit de omgeving behoefte te zijn aan een groene afscheiding om zicht op het kindcentrum te beperken en een andere ingang voor het kindcentrum en de parkeerplekken. De zorgen rondom geluidsoverlast en verkeersveiligheid worden gedeeld en besproken.
De gemeente heeft aangegeven toe te willen werken naar een werkgroep waarin de buurt, de moestuinenvereniging, Plaatselijk belang en VHK zijn vertegenwoordigd.
De verslagen zijn als Bijlage 11, Bijlage 12 en Bijlage 13 toegevoegd.
Vervolg informatiebijeenkomst onderwijshuisvesting
Op 14 januari 2025 is er een bijeenkomst geweest, bedoeld om input en aandachtspunten op te halen van Plaatselijk belang, de moestuinenvereniging en VHK. Er wordt positief gereageerd op de beoogde locatie en de nieuwbouw. Er zijn nog wel vragen over de verplaatsing van de moestuinen en de gemeente wordt geattendeerd op de tribune speciaal voor blinden, die in de bocht staat en daarmee komt de gemeente tot de conclusie dat zij in gesprek moeten met de corsovereniging, omdat de route van de corso aan het kindcentrum ligt.
Het verslag is als Bijlage 14 toegevoegd.
Inloopavond 14 oktober 2025
Deze avond is een vervolg op de eerdere bijeenkomsten die er zijn geweest voor heel Sint Jansklooster en de direct belanghebbenden (omwonenden, VHK, moestuinvereniging). Tijdens de avond is een toelichting op het omgevingsplan en het beeldkwaliteitsplan gegeven. Ook is de te doorlopen procedure uitgelegd en de verbeelding getoond.
De vorige bijeenkomsten gingen over de locatie. Er bleek breed draagvlak te zijn voor de beoogde locatie aan de Molenstraat. Ingebrachte alternatieven (Kadoelen en Molenkampen IV) zijn daarna nog een keer bekeken, maar definitief afgevallen. Via een brief die naar de ouders van de scholen, Plaatselijk Belang, VHK en moestuinvereniging is gegaan zijn mensen hierover geïnformeerd. Voor de volledigheid is deze brief van vorig jaar nu bij dit verslag als bijlage opgenomen. Verder zijn uit deze sessies als belangrijkste aandachtspunten meegegeven:
Verkeer en parkeren is altijd een belangrijk aandachtpunt bij een kindcentrum. De huidige verkeerssituatie is in beeld gebracht. Met een aantal uitgangspunten probeert de gemeente hier zo goed mogelijk vorm aan te geven. Het begint met het stimuleren van voet- en fietsverkeer. Auto’s en fietsers/voetgangers zoveel mogelijk van elkaar scheiden en zorgen dat er geen halen/brengen langs de weg is. Met aanpassingen/maatregelen kun je de situatie zo veilig mogelijk maken. Hiervoor zijn meerdere mogelijkheden. Uitwerking hiervan komt als het ontwerp omgevingsplan er ligt. Hier liggen ook kansen. De situatie zal zeker veiliger worden dan nu het geval is. Vanuit de zaal wordt er aandacht gevraagd voor het meenemen van de veiligheid via belangrijke ‘aanvoerroutes’. Ook over parkeren bij grotere evenementen zijn zorgen. Parkeren bij een kindcentrum is veelal kortdurend met 2 piekmomenten per dag. Parkeerplaats VHK is juist op andere tijden/dagen. Dit maakt combinatiegebruik juist goed mogelijk. Bij de ontwerpschets en uitwerking van de verkeersmaatregelen op locatie wordt door de gemeente weer input opgehaald.
Het verslag van de avond is als Bijlage 15 toegevoegd.
Voor het onderhavig omgevingsplan hebben de ketenpartners geen specifieke inbreng aangeleverd.