direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Taaijersweg 12 Kerkwerve en Lageweg ong. Sirjansland
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op twee in het buitengebied van de gemeente Schouwen-Duiveland gelegen locaties: namelijk de locatie van een voormalige pluimveehouderij aan de Taaijersweg 12 noordwestelijk van Kerkwerve en een onbebouwde locatie aan de Lageweg in de oostelijke kernrandzone van Sirjansland.

Naar aanleiding van de bedrijfsbeëindiging van het pluimveehouderijbedrijf is bij de gemeente een initiatief ingediend dat voorziet in:

  • op de locatie Taaijersweg 12: het laten vervallen van het agrarisch bouwblok, de sloop van verouderde (niet cultuurhistorische waardevolle) bedrijfsgebouwen, het intrekken van de vergunning voor het uitoefenen van een akkerbouwbedrijf en het houden van 10.000 legkippen en het deels omzetten van de agrarische bestemming in een woonbestemming;
  • en in combinatie daarmee (als compensatie voor het vervallen van het agrarisch bouwblok, de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen en de vergunning intrekking) op de locatie aan de Lageweg het realiseren van een landschappelijk ingepaste ruimte voor ruimte woning.

De gemeente is bereid mee te werken aan dit initiatief, omdat daarmee een milieu- en ruimtelijk knelpunt wordt opgelost.

Doel van dit bestemmingsplan is dan ook om een planologisch kader te bieden waarbinnen deze ontwikkeling mogelijk is. Dit nieuwe bestemmingsplan is noodzakelijk omdat de ter plaatse geldende bestemmingsregeling zoals vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied (2009) daarvoor onvoldoende toereikend is.

Noot:

Per 1 januari 2024 zijn de Wet ruimtelijke ordening en het instrument bestemmingsplan komen te vervallen. In plaats daarvan geldt de Omgevingswet en beschikt de gemeente voor de gehele gemeente over een omgevingsplan. Omdat het ontwerpbestemmingsplan voor genoemde datum ter inzage is gelegd, kan het bestemmingsplan nog onder de oude wetgeving worden afgewikkeld en vastgesteld.

1.2 Ligging plangebied

De deelgebieden zijn in figuur 1.1. globaal aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging Taaijersweg 12 te Kerkwerve (rode stip) en Lageweg te Sirjansland (blauwe stip) op het eiland Schouwen-Duiveland (bron: Basisviewer Rho)

1.3 Geldende bestemmingsregeling

Beide locaties zijn planologisch-juridisch geregeld in het bestemmingsplan 'Buitengebied' dat op 6 maart 2009 door de gemeenteraad is vastgesteld. De locaties hebben daarin de enkelbestemming Agrarisch'. De in dit bestemmingsplan opgenomen ruimte voor ruimte regeling is nog gebaseerd op de oude (niet meer geldende) woonvisie van de gemeente. Deze is, in tegenstelling tot de in de nieuwe woonvisie opgenomen regeling, niet toereikend voor de beoogde ontwikkeling.

1.4 Leeswijzer

In het Besluit ruimtelijke ordening is aangegeven waaraan een toelichting op een bestemmingsplan moet voldoen. De in het plan gemaakte keuze van bestemmingen moeten worden verantwoord en er moet inzicht worden gegeven over de uitvoerbaarheid van een plan. In verband hiermee heeft deze toelichting de volgende opzet.

  • In hoofdstuk 2 worden per locatie de huidige situatie (feitelijk aanwezig en planologische regeling) beschreven. Vervolgens worden de nieuwe situatie toegelicht. De wijze waarop die planologisch-juridisch is verwerkt in deze herziening wordt toegelicht in hoofdstuk 5.
  • In hoofdstuk 3 is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan vastgesteld beleid van verschillende overheden.
  • In hoofdstuk 4 is het plan getoetst aan omgevingsaspecten (sectorale wetgeving).
  • In hoofdstuk 6 en 7 wordt ingegaan op respectievelijk de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt per locatie ingegaan op de feitelijke situatie (wat is er nu aanwezig en indien van belang wat zijn de kwaliteiten ervan?), de huidige planologische regeling (wat mag er nu?) en wat is de toekomstige situatie (wat willen de eigenaren/initiatiefnemers met hun locaties). Voor de wijze waarop dit planologisch wordt geregeld in voorliggende herziening (op welke punten dient de regeling te worden aangepast?) wordt verwezen naar hoofdstuk 5.

2.1 Locatie 1: Taaijersweg 12 Kerkwerve

2.1.1 Uitgangssituatie

De locatie die in dit bestemmingsplan wordt herzien is aangeduid in figuur 2.1. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Middenschouwen, sectie H, nummer 420. Het perceel heeft een omvang van ca. 14.000 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0002.png"

Figuur 2.1 De locatie Taaijersweg 12 te Kerkwerve (Foto: Provincie Zeeland)

Op de locatie was tot 2015 een pluimveehouderijbedrijf gevestigd, een intensieve veehouderij met vergunning voor het houden van maximaal 10.000 legkippen. Het pluimvee was ondergebracht in de achterste 2 stallen op het perceel en na 1992 alleen in de meest noordelijke stal (zie ook figuur 2.2.). Die stal dateert uit 1979 en heeft een oppervlakte van 471 m2. Tegen deze stal is een electragebouw gebouwd (oppervlakte 42 m2).

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0003.jpg"

Figuur 2.2 Noordelijke pluimveestal met links daarvan het electragebouw (foto: C. Roskam)

De andere stal (zie figuur 2.3) staat daar haaks op, dateert uit 1969 en heeft een oppervlakte van 244 m2. Deze stal wordt sinds 1992 gebruikt voor caravanstalling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0004.jpg"

Figuur 2.3 Zuidelijke pluimveestal (foto: C. Roskam)

De pluimveestallen zijn in een slechte bouwtechnische staat en ook voorzien van een asbestdakbedekking. In beide stallen worden nu een aantal caravans gestald.

Daarnaast zijn op het perceel een aardappelbewaarloods (bouwjaar 1991, 503 m2) en een paardenstal (bouwjaar 1990, 235 m2) aanwezig. Beide zijn nog in goede staat. De aardappelbewaarloods wordt gebruikt voor het opslaan van agrarische producten (veelal uien) van een familielid die agrariër is. Dit is een belangrijke inkomstenbron voor de huidige bewoner aan de Taaijersweg 12.

In de paardenstal staan nu 3 paarden voor eigen gebruik, een paardentrailer, een grasmaaier en 2 campers. Het voorste gedeelte van de schuur zijn twee garages voor de auto. Daarnaast wordt de stal gebruikt voor de opslag van hooi en stro.

De gronden aan weerszijden van de noordelijke pluimveestal worden momenteel gebruikt als paardenweide (hobbymatig). Rondom de westelijke, noordelijke en oostelijke rand van het perceel is een 7 tot 9 meter brede randbeplanting aanwezig die bestaat uit bomen en hoogopgaande onderbegroeiing. Alleen globaal in het verlengde van de noordelijke pluimveestal is een coupure in de beplanting aanwezig. De ruimten tussen de gebouwen is verhard met beton en tegels.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0005.jpg"

Figuur 2.4 Paardenweide en groensingel aan de oostzijde van het perceel

2.1.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie krijgt het voorste deel van het perceel een woonbestemming. De huidige bedrijfswoning wordt een burgerwoning. De achterste 2 stallen op het perceel en het electragebouw worden gesloopt. Bij elkaar is dit 757 m2. Met de sloop van de gebouwen vervalt de caravanstalling. De sloop van de gebouwen wordt gekoppeld aan de ontwikkeling aan de Lageweg (zie paragraaf 2.2.2) en zal plaatsvinden voorafgaand aan de realisatie van de woning op die locatie. Het gebruik van de aardappelopslagloods voor de opslag van agrarische producten wordt gecontinueerd.

Ook het huidige gebruik van de paardenstal wordt voortgezet.

Na de sloop van de gebouwen wordt het achterste gedeelte van het perceel gebruikt als paardenweide. Er wordt geen paardenbak aangelegd.

De bestaande groensingel wordt behouden. Dat wordt blijvend gewaarborgd in de regeling van dit bestemmingsplan (zie paragraaf 5.2) en wordt ook privaatrechtelijk geregeld (overeenkomst met gemeente).

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0006.png"

Figuur 2.5 Beoogde situatie Taaijersweg 12 te Kerkwerve

De kwaliteitswinst, zowel in ruimtelijk als in milieu opzicht, door de beëindiging van de pluimveehouderij met de daarbij behorende stallen is groot. Wat resteert is een perceel waarbinnen de bebouwing geconcentreerd staat met daaromheen een gedegen landschappelijke inpassing in de vorm van een al aanwezige beplantingssingel.

2.2 Locatie 2: Lageweg Sirjansland

2.2.1 Huidige situatie

De locatie aan de Lageweg ong. is in gebruik als agrarische cultuurgrond (akkerbouw). De locatie heeft een totale omvang van circa 4.800 m2 en ligt gedeeltelijk op kadastraal perceel gemeente Duiveland, sectie H nummer 996 en gedeeltelijk op nummer 49. Beide kadastrale percelen zijn volledig in een eigendom. In figuur 2.6 is de ligging van deze locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0007.png"

Figuur 2.6 De locatie Lageweg ong. te Sirjansland (Bron: Provincie Zeeland)

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0008.jpg"

Figuur 2.7 Planlocatie met op voorgrond een dichtgegroeide sloot, situatie november 2019 (foto: M & A Milieuadviesbureau BV)

Het deel van de Lageweg waaraan de locatie ligt, is een doodlopende straat die voor de ontsluiting dient van de aanliggende woningen en enkele akkers.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0009.jpg"

Figuur 2.8 De Lageweg in de richting van het dorp, situatie november 2019 (foto: M & A Milieuadviesbureau BV)

Langs de west- en zuidrand van de locatie is een waterloop aanwezig. Ter hoogte van het plangebied zijn 2 duikers aangelegd, waarover het plangebied en aangrenzende akker bereikbaar zijn. Naast de meest oostelijke duiker is een persgemaal van het waterschap aanwezig met daarbij een parkeervoorziening voor onderhoud aan dit gemaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0010.png"

Figuur 2.9 Persgemaal waterschap ter hoogte van het plangebied

Ten westen en zuidwesten van de planlocatie ligt de woonbebouwing van Sirjansland, aan de andere zijden het open landschap van het agrarisch buitengebied. Vrijwel direct tegenover de locatie, aan de overzijde van de Lageweg, zijn een rij knotwilgen aanwezig, een paardenstal en -bak aanwezig. Op verdere afstand liggen een agrarische bouwstede (100 meter) en enkele grotere glastuinbouwbedrijven (330 meter en verder).

De in de directe omgeving aanwezige bebouwing heeft overwegend één bouwlaag met kap en een maximum nokhoogte van circa 8 tot circa 9 meter.

Bij hevige regenval ontstaat er aan weerszijden van dit deel van de Lageweg en dus ook in de direct omgeving van de planlocatie wateroverlast. Dit komt onder andere door relatief (enkele tientallen centimeters) lagere ligging ten opzichte van het omringende van het gebied (zie ook bijlage 8). Een gedeelte van het hemelwater van de woonkern wordt via de projectlocatie afgevoerd.

2.2.2 Toekomstige situatie

Uitgangspunten voor de ontwikkeling van de locatie

In samenhang met de hiervoor aangegeven planontwikkeling aan de Taaijersweg wordt (als compensatie voor het vervallen van het agrarisch bouwblok, de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen en het intrekken van de milieuvergunning ) een nieuwe levensloopbestendige woning, die geschikt is voor de doelgroep 1- en 2-persoonshuishoudens van 55-plus, beoogd aan de Lageweg.

De gemeente heeft aan de initiatiefnemer (een zogenoemde 'maatschap') hiervoor de volgende stedenbouwkundige uitgangspunten meegegeven waaraan moet worden voldaan:

  • 1. Geen bebouwing binnen 10 meter uit de achterste (noordelijke)perceelsgrens en 5 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen.
  • 2. Voor het hoofdgebouw:
    • a. maximaal 1 bouwlaag met kap c.q. nok-/bouwhoogte maximaal 10 meter en goothoogte maximaal 4 meter;
    • b. inhoud maximaal 750 m3.
  • 3. Voor bijgebouwen:
    • a. minimaal 3 meter achter de voorgevellijn van de woning;
    • b. maximaal 100 m2 gezamenlijke oppervlakte, max nok- en goothoogte van 6 m respectievelijk 3,3 meter;
    • c. inhoud maximaal 750 m3.
  • 4. Aanhouden van een bebouwingsvrije afstand van minimaal 50 meter tot de paardenstal aan de overzijde van de Lageweg (hieronder wordt ook de bijbehorende paardenbak verstaan).
  • 5. Landschappelijke inpassing: gezorgd moet worden voor een goede landschappelijke afscherming langs de buitenste perceelgrenzen (de grenzen met het landelijk gebied). Het perceel moet vanaf de Dillingsweg aan het zicht worden onttrokken.

De realisering van deze woning kan alleen als de pluimveestallen aan de Taaijersweg 12 Kerkwerve daadwerkelijk zijn gesloopt. Daarnaast moet de woning voor oktober 2025 worden opgeleverd, anders vervalt de bouwtitel.

Op de locatie Lageweg mag op basis van actuele regelgeving en gelet op de omvang van het perceel ook maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken (zoals bijv. bijkeuken, serre, schuur, garage, plantenkas of carport) vergunningvrij worden gebouwd.

Toelichting op het planvoornemen

In aansluiting op de in de directe omgeving aanwezige bebouwingskarakteristiek voorziet de planontwikkeling in de realisering van een vrijstaande woning.

Met in achtneming van de aangeven uitgangspunten voor de ontwikkeling zijn een stedenbouwkundige inrichtingstekening (zie figuur 2.9) en een voorlopig schetsontwerp (voor de woning (zie bijlage 1) opgesteld waarbij uitgegaan wordt van een woning bestaande uit één bouwlaag met een kap met een hellinghoek van minimaal 30 en maximaal 60 graden. Tegen de woning wordt een serre gebouwd en achterliggende erfbebouwing (schuur) in de noordoosthoek van het perceel.

Het perceel wordt vanwege de ligging in het overgangsgebied dorpskern – buitengebied op een landschappelijk verantwoorde wijze ingepast. Ten behoeve hiervan is in december 2020 door Stichting Landschapsbeheer (hierna: SLZ) in samenspraak met Rho adviseurs voor leefruimte het "Plan landschappelijke inpassing Bouwlocatie Lageweg Sirjansland" opgesteld. In dit plan, dat is opgenomen in bijlage 2 en waarop in figuur 2.10 is ingezoomd, wordt de woning gebouwd op een afstand van circa 30 meter uit de rand van de Lageweg en circa 35 meter uit de westelijke perceelgrens. Met het waterschap is overeengekomen dat de bestaande, meest oostelijk gelegen duiker over de waterloop, 4 meter in westelijke richting verplaatst. Dit is vanwege de aanwezigheid van het persgemaal en heeft tot doel het zicht vanaf het perceel op de weg te verbeteren.

Het zuidelijk en westelijk gedeelte van het perceel blijft vrij van bebouwing en wordt ingericht als groene tuin.

In het plan wordt verder uitgegaan van de aanleg van een circa 70 meter lange groensingel aan de noordzijde van het perceel, die aan de noordoostzijde een kort stuk de hoek om buigt. Tussen de groensingel en erfbebouwing wordt een afstand van circa 5 meter aangehouden.

De groensingel wordt ingevuld met bomen met daaronder een dichte haag die bestaat uit diverse struiken. Er wordt gekozen voor streekeigen soorten: Zwarte els, Zomereik of Kleinbladige linde, Veldesdoorn, Hazelaar, Vogelkers, Gewone liguster, Wilder liguster, Gelderse roos, Zwarte els).

Door aanplant in groepen van 3-8 stuks per soort ontstaat in de loop der jaren een afwisselend beeld. De diverse struiksoorten zorgen voor een fraaie bloeiwijze en bessen voor een prima biotoop voor onder ander kleine zangvogels. De struiken worden geplant in drie rijen op een onderlinge afstand van 1,5 meter in de rij.

De bebouwing wordt achter de groensingel gesitueerd. Op deze wijze wordt bebouwing op het perceel vanaf de Dillingsweg aan het zicht onttrokken en is sprake van ruime bebouwingsvrije afstanden tot de achterste en zijdelingse perceelsgrenzen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0011.jpg"

Figuur 2.10 Fragment inrichtingstekening van Lageweg ong. te Sirjansland (bron: Rho adviseurs)

Op het perceel, aan de westzijde, wordt de bestaande watergang van het waterschap verdubbeld in breedte en voorzien met een langzaam oplopende natuurvriendelijke oever. Dit voegt ruimtelijke kwaliteit aan het plan toe en zorgt voor waterberging. Aan de noordzijde wordt in het verlengde van de waterloop achter het perceel Lageweg 19 een sloot gegraven. Deze sloot vormt de scheiding met het aangrenzende agrarisch perceel en zorgt eveneens voor waterberging. Voor meer informatie over de benodigde waterberging wordt verwezen naar paragraaf 4.6 en bijlage 8. Het onderhoud van deze nieuwe sloot vindt plaats vanaf het landbouwperceel aan de noordzijde.

De uitkomende grond wordt verdeeld over de rest van het bouwperceel, dat daarmee iets wordt opgehoogd.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleidskader

3.1 Europees, rijks- en provinciaal beleid

3.1.1 Europees beleid

Van de verschillende Europese beleidskaders is de Kader Richtlijn Water de meest relevante. De voornaamste beleidsuitgangspunten richten zich op het verbeteren van milieu- en natuurlijke kwaliteiten. Dit heeft in Nederland zijn vertaling gekregen in wetgeving op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau.

3.1.2 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Samenvatting beleidskader

Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) kiest het Rijk voor een selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken.

Toetsing en conclusie

Eén van de nationale belangen die relevant is voor het voorliggende bestemmingsplan is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Hier wordt aan voldaan. Voor het overige is in de SVIR geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend bestemmingsplan. De in de SVIR genoemde nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet geschaad.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent een aantal nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Dit plan raakt geen rijksbelangen uit het Barro.

Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking

Samenvatting beleidskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De reden hiervoor is om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. Een stedelijke ontwikkeling houdt in dat er nieuwe bebouwing wordt toegevoegd aan de huidige bebouwing. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Toetsing en conclusie

Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak (jurisprudentie) dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Omdat voorliggend plan slechts één nieuwe woning omvat hoeft de ladder voor duurzame verstedelijking niet te worden toegepast.

3.1.3 Provinciaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2018 en Provinciale Omgevingsverordening 2018

In het Omgevingsplan Zeeland 2018 en de bijbehorende Omgevingsverordening Zeeland 2018 zijn de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving vastgelegd. Het gaat over economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Belang wordt gehecht aan waarborging en versterking van omgevings- en milieukwaliteit(en), bundeling van functies, en aan zorgvuldig ruimtegebruik (inbreiding en hergebruik. De volgende onderwerpen of thema's zijn voor de beoordeling van de beoogde ontwikkelingen van belang.

Wonen

De positie en de functie van het landelijk gebied veranderen. De woonfunctie kan een bijdrage leveren aan dit veranderingsproces, doordat bijvoorbeeld voormalige boerderijen worden hergebruikt als woning. Daarnaast kunnen woningen (naast recreatievoorzieningen en bedrijfsmatige activiteiten) worden gebruikt als kostendrager bij het oplossen van problemen en/of het stimuleren van gewenste ontwikkelingen in het landelijk gebied. Op deze manier kan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering bereikt worden en landschappelijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven of worden versterkt. Uitgangspunt is dat wonen in het landelijk gebied géén doel op zich is, maar in het teken staat van bovenstaande ontwikkelingen en voorziet in een regionale behoefte. Met de zogenoemde ruimte voor ruimte regeling biedt de provincie de mogelijkheid om ongewenste of in onbruik geraakte en niet-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een woon- of recreatieve functie. Daarbij is de bouw van woningen in het landelijk gebied mogelijk , mits hier de sloop van agrarische bebouwing en het inleveren van milieuruimte tegenover staat. Aan de uitvoer van deze ruimte voor ruimte regeling op gemeentelijk niveau worden de volgende voorwaarden gesteld.

  • 1. Er kunnen maximaal 3 compensatiewoningen worden gerealiseerd. Voor de realisatie van een woning/bouwkavel wordt uitgegaan van een te slopen oppervlak van 500 m² schuur of 0,5 ha glas of andere bebouwing van een vergelijkbare grootte. Hiervan kan worden afgeweken indien
    • a. uit een financiële onderbouwing blijkt dat onvoldoende kostendragers kunnen worden gegenereerd voor de sloop van het betreffende object en
    • b. dit aantoonbare meerwaarde oplevert voor het landschap.
  • 2. Het dient te gaan om niet-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
  • 3. Sloop en het voorkomen van heroprichting dienen te worden gewaarborgd.


Toetsing

Met de sloop van 757 m2 verouderde (niet cultuurhistorisch waardevolle) pluimveestallen en aangrenzend electragebouw aan de Taaijersweg en de intrekking van de vergunning voor het uitoefenen van een akkerbouwbedrijf en het houden van 10.000 legkippen wordt concreet invulling gegeven aan de behoefte aan kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Schouwen-Duiveland. Deze kwaliteitsverbetering wordt financieel mogelijk door realisering van de beoogde woning aan de Lageweg. Deze ontwikkeling past binnen de ruimte voor ruimte-regeling.

Voor het bouwen van een woning op het adres Lageweg zullen dus eerst de pluimveestallen op het perceel Taaijersweg 12 moeten zijn gesloopt. Dit wordt met een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd (zie ook paragraaf 5.2.1). Met het doorvoeren van de in dit bestemmingsplan opgenomen nieuwe (woon)bestemming voor het perceel aan de Taaijersweg is heroprichting van de te slopen bebouwing ter plaatse niet meer mogelijk.


Verder is de nieuwe woning aan de Lageweg opgenomen in de gemeentelijke woningbouwlijst en past daarmee binnen de regionale woningmarktafspraken voor Schouwen-Duiveland.

Landschap en natuur

Nieuwe ontwikkelingen mogen geen afbreuk doen aan landschappelijke waarden. Een nieuwe ontwikkeling in het landelijk gebied moet zodanig in het landschap worden ingebed dat deze, als een logisch onderdeel, deel uitmaakt van het landschap. Hiervoor wordt uitgegaan van een 10 meter brede afschermende groengordel. Wanneer alternatieve maatregelen worden getroffen, dient uit de onderbouwing te blijken dat de maatregelen die worden getroffen qua investering gelijkwaardig zijn aan het realiseren van een 10 meter brede afschermende groengordel. Maatwerk behoort hierdoor tot de mogelijkheden. Afspraken over de realisatie van de landschappelijke inpassing moeten dan in een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer(s) worden vastgelegd.


Toetsing

Voor de locatie aan de Taaijersweg geldt dat de sloop van de bebouwing sterk bijdraagt aan verbetering van de landschappelijke kwaliteiten ter plaatse.

Voor het bouwen van de nieuwe woning aan de Lageweg heeft de gemeente aan de initiatiefnemer stedenbouwkundige uitgangspunten meegegeven (zie ook paragraaf 2.2.2). Een daarvan is het zorgdragen van een goede landschappelijke afscherming langs de buitenste perceelgrenzen (de grenzen met het landelijk gebied). Hiervoor is het "Plan landschappelijke inpassing Bouwlocatie Lageweg Sirjansland" opgesteld, dat is opgenomen in bijlage 2.

Om de bebouwing op landschappelijk verantwoorde wijze aan het zicht te onttrekken, wordt in het plan uitgegaan van de aanleg van een circa 70 meter lange Zeeuwse haag/groensingel aan de noordzijde van het perceel, die aan de noordoostzijde een kort stuk de hoek om buigt. De groensingel wordt ingevuld met laanbomen met daaronder een dichte 3 meter brede Zeeuwse haag die bestaat uit diverse struiken. De verplichting om de landschappelijke inpassing te realiseren en in stand te houden wordt in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer(s) vastgelegd.

Nieuwe economische dragers in het landelijk gebied

De provincie hecht grote waarde aan behoud van de vitaliteit van het landelijk gebied en streeft daarom naar voldoende ruimte voor zowel nieuwe als uitbreiding van bestaande niet-agrarische en semi-agrarische activiteiten in het landelijk gebied. Voorwaarde is dat deze activiteiten qua aard, schaal, omvang en verkeer aantrekkende werking passen in het landelijk gebied. Bovendien wenst de provincie verstening van het landelijk gebied tegengaan. Een nieuwe activiteit dient daarom een bijdrage te leveren aan de herbestemming of sanering van vrijkomende (agrarische) bebouwing of het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De kaders en voorwaarden waarbinnen een gemeente uitwerking kan geven aan het realiseren van deze zogenaamde Nieuwe Economische Dragers (NED's) in het landelijk gebied zijn opgenomen in de Omgevingsverordening.

Toetsing

Dit onderwerp is van belang voor de locatie Taaijersweg 12. De agrarische bestemming van het pluimveehouderijbedrijf wordt gewijzigd in een woonbestemming, waarbij de opslag van agrarische producten in de aardappelbewaarloods blijft gehandhaafd en positief wordt bestemd. Van een nieuwe activiteit is overigens geen sprake. De (continuering) van de aardappelloods past in NED-regeling.

Waardevolle leefomgeving

Biodiversiteit overal, soortenbeleid en bescherming natuurgebieden en landschap en erfgoed. De kwaliteiten met een provinciaal belang krijgen een basisbescherming via de ruimtelijke verordening. Ingrijpende aantasting van de kernkwaliteiten is niet toegestaan.

Toetsing

Voor wat betreft toetsing aan het aspect ecologie wordt verwezen naar paragraaf 4.11. Voor landschap en erfgoed naar paragraaf 4.3.3.

Gezonde leefomgeving: milieukwaliteit

Binnen het agrarisch gebied dient rekening gehouden te worden met de aan te houden afstanden tot woon- en verblijfsrecreatiegebieden.

Toetsing

Dit onderwerp is van vooral belang voor de locatie Lageweg ong. omdat er een woonbestemming in het agrarisch gebied van Schouwen-Duiveland worden toegevoegd. Voor de locatie Taaijersweg 12 verandert er feitelijk niets. Voor wat betreft toetsing wordt verwezen naar paragraaf 4.8.

Klimaatbestendige en -neutrale samenleving

De provincie streeft verder ook naar een klimaatbestendige en -neutrale samenleving en wil daartoe binnen haar mogelijkheden haar bijdrage leveren aan het beperken van het klimaatprobleem; zowel aan de bron als in de gevolgen. Onder andere wordt ingezet op besparing van energie en grondstoffen, gestreefd naar een circulaire economie en belang gehecht aan klimaatadaptatie.

Toetsing

Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.12.

Duisternis 

Duisternis is een kwaliteit die in Zeeland nog aanwezig is en door de recreant en bewoner heel erg wordt gewaardeerd vooral in het buitengebied en de natuur. De provincie wil delen van Zeeland waar de donkerte een echte meerwaarde heeft beschermen tegen onnodige lichthinder zonder belemmerend te werken.

Toetsing

Bij de verlening van omgevingsvergunningen zal dit onderwerp worden getoetst. In de regels van dit bestemmingsplan zal de algemene voorwaarde worden opgenomen dat de uitstraling van licht naar de omgeving tot een minimum dient te worden beperkt. Verwezen wordt naar paragraaf 4.13.

Bufferzones

Nieuwe ontwikkelingen mogen het agrarisch gebruik niet belemmeren. Voor een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal woonbestemmingen worden aangewezen, worden nieuwe woonfuncties niet worden toegelaten binnen een afstand van:

  • 100 meter tot buiten de bebouwde kom gesitueerde gronden waarop agrarische gebouwen anders dan kassen zijn toegelaten.
  • 50 meter vanaf buiten de bebouwde kom gesitueerde kassen en, primair, vanaf daarvoor aangewezen bouwvlakken alsmede vanaf buiten de bebouwde kom gesitueerde gronden waarop fruitteelt is toegelaten.

Een kleinere afstand kan worden gehanteerd indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen of nagenoeg geen hinder optreedt bij woonfuncties en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven.

Toetsing

Het wijzigen van de agrarische bestemming van het perceel Taaijersweg 12 in Wonen levert geen onevenredige beperkingen op in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Er is namelijk al heel lang een woning aanwezig en die wordt in de milieuwetgeving aan gemerkt als een woning van derden waarmee rekening moet worden gehouden.

De nieuwe woning aan de Lageweg ong. in Sirjansland wordt niet gebouwd binnen een afstand van 100 meter van een agrarisch bouwvlak.

Voor beide locaties geldt dat aan de afstandsmaat van 50 meter voor fruitteelt wordt voldaan. In artikel 3, lid 3.5 onder v van het bestemmingsplan Buitengebied is namelijk een regeling opgenomen dat fruitteelt ter plaatse van gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden niet is toegestaan. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 4.8.

3.2 Regionaal beleid

Het bestemmingsplan sluit aan op het regionale veiligheids- en milieukwaliteitsbeleid. In dit bestemmingsplan is ruimschoots aandacht besteed aan de aspecten veiligheid en milieukwaliteit (zie hoofdstuk 4). Waar nodig zijn/worden maatregelen getroffen.

Regionale energie Strategie (RES)

Gedurende 2018 tot en met 2020 is er met verschillende partijen een concept-RES opgesteld voor Zeeland. Belangrijke thema's binnen de RES zijn: de Gebouwde Omgeving, Elektriciteit en Mobiliteit. Voor de gebouwde omgeving is de ambitie dat deze in 2050 bestaat uit goed geïsoleerde woningen en bedrijven die we met duurzame energie verwarmen. De ambitie voor 2030 is een CO2 reductie van 400 Kton CO2 door het verminderen van de energievraag, verduurzaming van het energieaanbod en toepassing van duurzame installaties en producten.

Eind 2021 moeten alle Zeeuwse gemeenten een Transitievisie Warmte klaar hebben met daarin een tijdpad voor de ontwikkeling van een alternatieve energievoorziening en het geleidelijk vervangen van aardgas. De visie voor 2050 is dat de Zeeuwse Gebouwde Omgeving bestaat uit goed geïsoleerde woningen en gebouwen die met duurzame energie verwarmd worden. Voor nieuwbouw geldt dat deze niet meer worden aangesloten op het aardgasnet.

In dit bestemmingsplan en bij de verdere planuitwerkingen (zoals verlenen omgevingsvergunning, bouw woning aan de Lageweg e.d.) wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van de Regionale Energie Strategie.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Woningbeleid

Structuurvisie Buitengebied en bestemmingsplan Buitengebied

De in de structuurvisie en in het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen regeling is nog gebaseerd op de oude woonvisie. Inmiddels moet worden uitgegaan van de nieuwe Woonvisie 2018-2027 Schouwen-Duiveland (vastgesteld 28 juni 2018).

Woonvisie 2019-2027

In de gemeentelijk Woonvisie is bewust gekozen voor kwaliteit boven kwantiteit. Er is veel aandacht voor het behouden en versterken van de bestaande woonkwaliteit (woningen en woonomgeving) en de leefbaarheid in de kernen door:

  • het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad;
  • het onttrekken van woningen die verouderd of incourant zijn;
  • het toevoegen van woningen, waar er te weinig van zijn.

Ten aanzien van nieuwe woningbouwprojecten gelden de volgende aandachtspunten:

  • er is nog maar beperkt behoefte aan uitbreiding van de woningvoorraad in de groeikernen;
  • in balans- en transitiekernen wordt in principe alleen nog nieuwbouw door sloop of wegbestemmen van woontitels elders;
  • voor behoud leefbare kernen wordt nieuwbouw gerealiseerd op structuurversterkende plekken binnen de kernen;
  • uitbreiding van woningen in het buitengebied is niet meer gewenst (een regeling om vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied te koppelen aan het realiseren van een nieuwe woning in een kern moet nog nader worden opgesteld);
  • aanvullend nieuwbouw wordt vooral gerealiseerd voor de doelgroep 1- en 2 persoonshuishoudens van 55-plus;
  • een bijdrage aan een Transitiefonds is (behoudens een aantal uitzonderingsgevallen) noodzakelijk bij de realisatie van nieuwe woningen;
  • uitruilen van bouwtitels is onder voorwaarden ook mogelijk;

Als onderdeel van het Uitvoeringsprogramma Woonvisie is afgesproken om de bestaande harde planvoorraad en langer lopende nieuwe ontwikkelingen te toetsen aan de uitgangspunten van de nieuwe Woonvisie 2018-2027. De beoogde ontwikkeling maakte onderdeel uit van deze toetsing. Ondanks dat de ontwikkeling op basis van bovenstaande aandachtspunten niet direct een gewenste ontwikkeling is, is er toch voor gekozen om medewerking te verlenen aan dit plan. In de afgelopen jaren zijn door raad en college vergaande toezeggingen gedaan en verwachtingen gewekt dat het vanuit zorgvuldig bestuurlijk handelen niet gewenst is om geen medewerking te verlenen aan deze ontwikkelingen. Daarnaast wordt met deze ontwikkeling ingespeeld (loopt vooruit) op de nog op te stellen nadere regeling om vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied te koppelen aan het realiseren van een nieuwe woning in of direct grenzend aan een kern. Bij deze ontwikkeling wordt er aangrenzend aan een kern een levensloopbestendige woning voor de doelgroep 1- en 2-persoonshuishoudens van 55-plus gerealiseerd en wordt er een bijdrage gedaan aan het nog op te richten Transitiefonds (waarbij in de nabije toekomst incourante woningen uit de markt kunnen worden gehaald).

3.3.2 Wijziging van de agrarische bestemming na bedrijfsbeëindiging

In het bestemmingsplan Buitengebied heeft het perceel Taaijersweg 12 de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming zijn grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Het huidige gebruik van de aardappelloods valt daaronder. Naast regels die het direct toelaatbaar gebruik en het bouwen regelen, zijn binnen deze bestemming verschillende ontheffings- en wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen.1 Voor de beoordeling van de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel Taaijersweg 12 is alleen de bevoegdheid in artikel 3 lid 3.7.6 van belang waarmee na bedrijfsbeëindiging de agrarische bestemming kan worden gewijzigd in onder andere de bestemmingen 'Wonen' met de aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' en 'Wonen met de aanduiding nieuwe economische drager'. Hieraan worden de volgende voorwaarden gesteld:

  • Het agrarische bedrijf is beëindigd;
  • het gebruik van een bestaande nieuwe economische drager (NED) mag worden voortgezet;
  • wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van naastgelegen percelen.

Het bestemmingsplan bevat dus een regeling om de agrarische bestemming van het perceel Taaijersweg 12 om te zetten in een woonbestemming maar vanwege de samenhang met de locatie aan de Lageweg is niet gekozen voor een wijzigingsplan maar voor een herziening van het bestemmingsplan. Niettemin zijn de voorwaarden wel relevant. In dit verband wordt ook verwezen naar artikel 15 lid 15.6.4 waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om - als de bestemming is gewijzigd in de bestemming Wonen met de aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' - wijzigen ten behoeve van het vestigen van een NED door het opnemen van de aanduiding 'NED'. Ook deze wijzigingsbevoegdheid wordt niet toegepast, maar de voorwaarden zijn wel relevant.

De opslag van agrarische producten is een activiteit die is vermeld in de positieve lijst van NED's (bijlage 1 van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied).

Het huidige gebruik van de aardappelbewaarloods past binnen de NED-regeling. Feitelijke gezien blijft het gebruik van de loods ongewijzigd, enkel het planologische regime wordt aangepast. De activiteit mag alleen in de bestaande loods worden uitgeoefend.

De aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' maakt onder andere het mogelijk om een andere NED te gaan uitoefenen. Daarvoor bestaan op dit moment geen plannen.

3.3.3 Energie, klimaat en kringloopeconomie

Energie-agenda

De algemene doelstelling binnen de gemeentelijke Energie-Agenda is het realiseren van een energieneutraal Schouwen-Duiveland in 2040. Specifieke doelstellingen voor 2023 zijn het realiseren van een energiebesparing van 3% ten opzichte van het huidige gebruik (referentiejaar 2017) en 16% van het energieverbruik wordt duurzaam opgewekt.

Klimaatadaptatiestrategie 

In het kader van het nationale deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust is ingericht. Inzet is dat overheden er samen met andere partijen voor gaan zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt. De overheden gaan, in nauwe samenwerking met bedrijven en maatschappelijke organisaties, in drie stappen te werk:

  • 'Weten': analyseren wat de gevolgen zijn van klimaatverandering voor de diverse functies in een
  • gebied in de periode tot 2050 (met een doorkijk naar 2100) zijn;
  • 'Willen': concrete doelen stellen voor het verbeteren van de waterrobuustheid en
  • klimaatbestendigheid in de periode tot 2050 en een daarbij passende strategie formuleren;
  • 'Werken': de doelen en de strategie vastleggen in bijvoorbeeld beleidsplannen, wetten en regels en programma's voor uitvoering, beheer en 'groot' onderhoud.

Doelstelling voor Schouwen-Duiveland is om in 2050 klimaatbestendig en water robuust te zijn. Momenteel wordt er in samenspraak met andere partijen in Zeeland een klimaatadaptatiestrategie opgesteld.

Het wordt steeds belangrijker om het regenwater wat er valt te hergebruiken, omdat de kans op schaarste van zoet water steeds groter wordt in de toekomst. Zoetwater bergen voor de landbouw is dan een goede mogelijkheid, naast het gebruik van regenwater voor een grijswatercircuit (onder meer spoelen toiletten).

Door klimaatverandering is de verwachting dat er steeds langere perioden van droogte en hitte ontstaan. Zorg voor voldoende opgaande beplanting. Beplanting kan voor schaduw zorgen, maar ook rond de beplanting is door water verdamping uit de plant de lucht koeler. Daarnaast kan beplanting zorgen dat wateroverlast minder wordt, doordat het water opgenomen wordt door de plant, en het water in de bodem opgenomen wordt, waardoor de bodem minder snel uitdroogt.

Kringloopeconomie 

De circulaire of kringloop economie is een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waarde vernietiging te minimaliseren. Anders dan in het huidige lineaire systeem, waarin grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd. De landelijk doelstelling is om in 2030 een halvering van het grondstoffengebruik te halen en in 2050 volledig circulair te zijn. Doelstelling voor Schouwen-Duiveland is bij te dragen aan een economisch systeem waarbij geen eindige grondstofvoorraden worden uitgeput en waarin reststoffen volledig opnieuw worden ingezet in het systeem.

3.3.4 Ruimtelijke kwaliteit en welstandsbeleid

Complexere ruimtelijke initiatieven worden beoordeeld door de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Bij de start van een ruimtelijk initiatief speelt de commissie voor de aanvrager een adviserende rol (bij een vooroverleg of principeverzoek). Bij de afhandeling van aanvragen toetst de commissie aan de Welstandsnota 2012 en adviseert het college over vergunningverlening.

De Welstandsnota 2012 deelt Schouwen-Duiveland in, in verschillende deelgebieden, zoals bijvoorbeeld de verschillende historische kernen, de dijkdorpen en het buitengebied. Deze indeling is gebaseerd op ruimtelijke kenmerken. De nota beschrijft per deelgebied de welstandscriteria.

Een bouwplan is aanvaardbaar in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context. De karakteristiek per deelgebied staat beschreven in de gebiedsomschrijvingen.

Voor het gehele agrarisch landschap geldt het welstandsniveau 3; zijnde een regulier welstandsgebied. Hierna wordt de bouw van de woning aan de Lageweg in Sirjansland getoetst aan de welstandscriteria.

Algemeen     
Behouden en waar noodzakelijk versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische identiteit en waarde van het agrarische landschap als geheel.   De bouw van de woning aan de Lageweg ong. in Sirjansland doet geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten van het landschap. In tegendeel; er wordt geïnvesteerd in groen en water  
Respecteren van de karakteristieke openheid van het landschap. Handhaven van de bestaande zichtlijnen en doorzichten langs de landschappelijke hoofdstructuren.   De groensingel langs de noordrand van het nieuwe perceel aan de Lageweg wordt aan de westzijde onderbroken zodat zicht op het achterliggende landschap mogelijk blijft. Omgekeerd zorgt de groensingel ervoor dat het zicht op de woning vanaf de Dillingsweg wordt afgeschermd.  
(Vervangende) nieuwbouw vormgeven in relatie tot het omliggende landschap.   Op het perceel Lageweg voegt zich wat betreft situering en bouwhoogten goed in het omliggende landschap.  
Plaatsing     
Respecteren van het bestaande gespreide bebouwingspatroon.   De nieuw te bouwen woning aan de Lageweg past in het aanwezige bebouwingspatroon en wordt gebouwd als laatste in het lint.  
Respecteren van de bestaande omliggende bebouwing en het ensemble van gebouwen op het erf als geheel bij (vervangende) nieuwbouw.   Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Verwezen wordt naar paragraaf 2.2.2.  
Massa en vorm    
Afstemmen van (vervangende) nieuwbouw op de bebouwings­hoogte en –massa van de omliggende bebouwing of het ensemble van gebouwen als geheel.   Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Verwezen wordt naar paragraaf 2.2.2.  
Gevelkarakteristiek     
Respecteren van de oorspronkelijke bouwstijl en materialisering bij renovatie of verbouwing. Detaillering, kleur en materiaal ?
Uitsluiten van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen.
Respecteren van de oorspronkelijke detaillering en ornamentiek bij renovatie of verbouwing.
Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan  
Dit zijn aspecten die bij de beoordeling van het concrete bouwplan en het verlenen van de omgevingsvergunning aan de orde komen.  

Hoofdstuk 4 Sectorale onderzoeken

4.1 Toetsing aan Besluit milieueffectrapportage

4.1.1 Toetsingskader

In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onder deze drempelwaarden is een ontwikkeling niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.

Er is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan - ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een “vormvrije” mer-beoordeling.

Voor de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan moet een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

4.1.2 Toetsing

De voorgenomen sloop van de gebouwen op het perceel Taaijersweg zijn geen activiteiten die zijn vermeld in de bijlage van het Besluit m.e.r.

De bouw van de woning aan de Lageweg is geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, gelet op de aard en het beperkte ruimtebeslag en bebouwing op het perceel.

4.1.3 Conclusie

Voor het plan hoeft geen (vormvrije) m.e.r-beoordeling te worden opgesteld of een MER te worden doorlopen.

4.2 Verkeersaspecten

4.2.1 Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er in de gebruiksfase de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is.

Voor de beoogde ontwikkeling kan de verkeersgeneratie worden berekend op basis van kencijfers uit publicatie 381 van kennisplatform CROW (Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen). Hiervan kan worden afgeweken, maar dan zal dit goed moeten worden gemotiveerd of onderbouwd.

Bij nieuwbouw en/of uitbreiding van gebouwen dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien en in stand te worden gehouden, overeenkomstig het 'Parkeerbeleid 2017-2020' zoals vastgesteld op 28 september 2017 door de gemeenteraad of het daarvoor in de plaats tredende parkeerbeleid. In het parkeerbeleid zijn bewust geen parkeernormen opgenomen, omdat situaties vaak erg specifiek zijn en maatwerk vaak nodig is. Vanwege deze reden worden de kencijfers van het kennisplatform CROW gehanteerd. Deze liggen vast in CROW publicatie nummer 317 “kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. Overigens is deze publicatie geactualiseerd met de hiervoor genoemde CROW publicatie 381.

Bij het hanteren van de kencijfers van het CROW zijn de stedelijkheidsgraad van de gemeente en de ligging van de locatie van belang. Het CROW onderscheidt volgens de systematiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vijfstedelijkheidsgraden aflopend van “zeer sterk stedelijk” tot “niet stedelijk. Binnen elke stedelijkheidsklasse wordt door het CROW onderscheid gemaakt in centrum, schil/overloopgebied en rest bebouwde kom.

De gemeente Schouwen-Duiveland is gekarakteriseerd als weinig stedelijk. De ligging van de beide locaties is buitengebied. In de publicatie is voor het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte een bandbreedte aangegeven (minimum en maximumkencijfers). Het CBS geeft aan dat ten aanzien van het autobezit en stedelijkheidsgraad op Schouwen-Duiveland mag worden uitgegaan van het gemiddelde kencijfer.

4.2.2 Toetsing

Taaijersweg 12 Kerkwerve

De bedrijfsbeëindiging heeft gezorgd voor een afname van het aantal verkeersbewegingen. Wat resteert is een burgerwoning met een aardappelbewaarloods als NED. Het gebruik hiervan geeft geen verkeerskundige aandachtspunten. Op eigen terrein is voldoende parkeerruimte aanwezig.

Lageweg ong. te Sirjansland

De Lageweg waaraan de locatie ligt, is een erftoegangsweg en sluit in westelijke richting aan op de Bredeweg, een gebiedsontsluitingsweg, en vervolgens op de N59.

De toevoeging van een enkele vrijstaande woning leidt tot een zeer beperkte toename van hiermee samenhangend bestemmingsverkeer, namelijk circa 8 motorvoertuigen per etmaal).

Voor een vrijstaande woning in het buitengebied wordt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Op eigen terrein is voldoende ruimte hiervoor aanwezig.

4.2.3 Conclusie

Het aspect verkeer vormt geen enkele belemmering of aandachtspunt voor de voorgenomen ontwikkelingen.

4.3 Cultuurhistorie

4.3.1 Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Ook dienen de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging.

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten.

Ten aanzien van het aspect archeologie zijn in het proces van de ruimtelijke ordening twee onderdelen van bijzonder belang:

  • De verplichting dat gemeenten bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen er zorg voor dragen dat archeologische waarden meegewogen worden in de besluitvorming, en zo nodig de schade aan het bodemarchief beperken via voorschriften. Concreet betekent dit dat gemeenten verplicht zijn archeologische waarden in hun bestemmingsplannen te beschermen. Dat vertaalt zich doorgaans in een regeling waarin wordt bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen. Hieruit moet blijken dat de archeologische waarde van het terrein die volgens de aanvraag wordt verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.
  • De introductie van het “de veroorzaker betaalt principe”, waarmee bedoeld wordt dat de kosten van archeologisch onderzoek of andere maatregelen voor rekening kunnen komen van de initiatiefnemer of ontwikkelaar in plaats van de overheid.

Beleidsplan Archeologie gemeente Schouwen-Duiveland

In dit gemeentelijk beleidsplan uit 2008 is voor het gehele eiland vastgelegd welke archeologische verwachtingswaarden er zijn. Hieraan zijn beleidsadviezen gekoppeld die als basis dienen voor de voorwaarden bij op te stellen bestemmingsplannen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen, van archeologische monumenten tot gebieden waar geen enkele archeologische verwachtingswaarde is.

Overeenkomstig het gemeentelijke beleid, dat is samengevat in de volgende tabel, gelden voor ieder gebiedstype eigen uitgangspunten, randvoorwaarden en drempelwaarden en een eigen beschermende planologische regeling.

Tabel 4.1 Archeologische waarden en beschermende planologische regeling

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0012.png"

Wettelijke meldingsplicht

Ook als er bij vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden worden aangetroffen, is de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten.

4.3.2 Toetsing archeologie

Taaijersweg 12 Kerkwerve

In het bestemmingsplan Buitengebied hebben de gronden waarop de te slopen bedrijfsbebouwing aan de Taaijersweg 12 staat de dubbelbestemming Waarden - Archeologisch Onderzoeksgebied A. Binnen deze bestemming dient bij bodemingrepen dieper dan 50 cm over een oppervlakte groter dan 2.500 m2 nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De totale bodemverstoring blijft binnen deze grenzen. Er wordt 757 m2 bedrijfsbebouwing gesloopt. De verwachting is bovendien dat de grond onder de gebouwen bij de bouw al is geroerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0013.png"

Figuur 4.1 Uitsnede archeologische beleidskaart Schouwen-Duiveland locatie Taaijersweg 12 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Lageweg ong. te Sirjansland

Voor het beoogde woonperceel aan de Lageweg gelden de dubbelbestemmingen Waarden - Archeologisch Onderzoeksgebied A en B.

  • Binnen onderzoeksgebied A dient bij bodemingrepen dieper dan 50 cm over een oppervlakte groter dan 2.500 m2 nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. In het plan worden een sloot verbreed en een sloot aangelegd. Bij elkaar wordt ten minste 485 m2 uitgegraven. Er wordt gewerkt met een gesloten grondbalans. Vrijkomende grond wordt gebruikt om het perceel op te hogen. Daarbij zal de hiervoor vermelde omvang van 2.500 m2 binnen dit onderzoeksgebied niet worden overschreden.
  • Bij onderzoeksgebied B geldt dit voor oppervlakten groter dan 5.000 m2. Hiervan is geen sprake. De locatie heeft een totale omvang van circa 4.800 m2. Het gedeelte dat binnen onderzoeksgebied B valt is, iets meer dan de helft daarvan. De hiervoor vermelde grens van 5.000 m2 wordt aldus niet overschreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0014.png"

Figuur 4.2 Uitsnede archeologische beleidskaart Schouwen-Duiveland locatie Lageweg ong. (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

4.3.3 Toetsing overige cultuurhistorische waarden

Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie zijn de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland en historische luchtfoto's en kaarten beschikbaar.

Taaijersweg 12 Kerkwerve

Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland is de boerderij aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Uit de beschrijving blijkt dat het gaat om een wederopbouwboerderij uit 1957 bestaande uit een schuur van 175 m2 en een woonhuis. Beide zijn vrijwel nog in oorspronkelijke staat (zie figuur 4.3.). Het woongedeelte bevindt zich ten dele in de schuur. Er zijn geen plannen om deze boerderij aan te passen of te slopen. Het enige dat rest van de situatie van voor 1953 is een voormalig varkenshok van 12 m2, dat nu wordt gebruikt als tuinhuis. Het erf is aangepast ten behoeve van 4 moderne schuren, waarvan er dus nu 2 worden gesloopt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0015.jpg"

Figuur 4.3. Wederopbouwboerderij Taaijersweg 12 (foto: provincie Zeeland)

In de beschrijving wordt ook de brede randbeplanting genoemd; een jonge aanplant van bomen en heesters. Deze randbeplanting wordt gehandhaafd en in dit bestemmingsplan ook planologisch-juridisch beschermd (zie paragraaf 5.2) Voor het overige zijn op de locatie en directe omgeving geen cultuurhistorische waarden aanwezig.

Uit een vergelijking van kaartmateriaal uit 1925 met de huidige situatie (zie figuur 4.4) blijkt dat van het oorspronkelijke kavelpatroon en landschap niets meer waarneembaar is. Alle sporen zijn als gevolg van de watersnoodramp in 1953 verloren gegaan. De Taaijersweg lag vroeger wat zuidelijker en had een wat bochtiger verloop.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0016.png"

Figuur 4.4. Kaart uit 1925 met daarover geprojecteerd deellocatie Taaijersweg (kaart: provincie Zeeland)

Lageweg ong. Sirjansland

De deellocatie aan de Lageweg is nu onbebouwd en dus zijn er geen monumenten of monumentale gebouwen aanwezig. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland is te zien dat naast het plangebied (Lageweg 19 in Sirjansland) een historische boerderij is. In de verdere omgeving zijn een Rijksmonument, enkele MIP's en meerdere historische boerderijen aanwezig. Dit is echter voor de beoordeling van het initiatief niet van belang.

Als kaartmateriaal uit 1925 wordt vergeleken met de huidige situatie (zie figuur 4.5) dan blijkt dat ook hier van het oorspronkelijke kavelpatroon en landschap niets meer waarneembaar is. De ligging van de Lageweg is niet veranderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0017.png"

Figuur 4.5 Kaart uit 1925 met daarover geprojecteerd deellocatie Lageweg (kaart: provincie Zeeland)

4.3.4 Conclusie

Archeologische waarden

In het kader van dit bestemmingsplan is geen archeologisch vooronderzoek noodzakelijk omdat op beide locaties de beoogde ontwikkelingen de vrijstellingsgrenzen niet overschrijden. Archeologisch zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen. De kans op verstoring van archeologische resten wordt op basis van de onderzoeksresultaten voor beide locaties zeer klein geacht. Voor eventuele vondsten geldt een meldingsplicht.

In onderhavige bestemmingsplan is een regeling nodig die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. De regeling in het bestemmingsplan Buitengebied wordt in voorliggend bestemmingsplan overgenomen, met dien verstande dat de namen van de bestemmingen zijn afgestemd op tabel 4.1. en daarmee op recenter vastgestelde bestemmingsplannen. Het opnemen van archeologische dubbelbestemmingen betekent dat het onderzoek, indien dat noodzakelijk mocht blijken, wordt doorgeschoven naar de omgevingsvergunningaanvraag.

Overige cultuurhistorische waarden

Uit de voorgaande toetsing blijkt dat alleen op het perceel Taaijersweg cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het gaat om de wederopbouwboerderij en om de brede randbeplanting. Deze worden gehandhaafd. Voor de beplanting wordt in dit bestemmingsplan een beschermende regeling opgenomen.

In de directe omgeving van het plangebied (beide locaties) zijn geen monumenten en overige cultuurhistorische waarden aanwezig waarmee bij de planontwikkeling rekening moet worden gehouden.

4.4 Bodemkwaliteit

4.4.1 Toetsingskader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

In geval van sloop van gebouwen waarbij asbest is toegepast, gelden richtlijnen met betrekking tot asbest die zijn opgenomen in bijlage 3 bij Circulaire bodemsanering 2013. Daar asbest heel specifieke chemische en fysische eigenschappen heeft, is voor asbest separaat het ‘Milieuhygiënisch saneringscriterium, protocol asbest’ ontwikkeld (zie bijlage 3 van de circulaire).

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS, zoals die heterogeen verspreid in Nederland in de toplaag voor kan komen.

4.4.2 Onderzoeken

Locatie Taaijersweg 12

Voor de bestemmingsplanherziening van deze locatie behoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd omdat de agrarische bestemming van de gronden ter plaatse van de twee schuren die worden gesloopt, worden gehandhaafd. Er is hier dus geen sprake van een functiewijziging als bedoeld in paragraaf 4.4.1. Omdat voor de schuren asbest is toegepast, zullen deze door een gecertificeerd bedrijf moeten worden gesloopt. Hiervoor moet eerst een asbestinventarisatierapport opgesteld worden door een gecertificeerd inventarisatiebedrijf. Voor de verwijdering moet hiervan melding gedaan worden bij het bevoegd gezag. Na de sloop zullen het terrein en eventueel uitkomende grond, visueel moet worden beoordeeld op asbest. Als dit wordt geconstateerd, is beoordeling op feitelijke verontreiniging nodig.

Voor de loods aan de westzijde van de woning is van belang dat in dit bestemmingsplan is geregeld dat deze uitsluitend mag worden gebruikt als aardappelbewaarloods. Het gaat hier om een voortzetting van bestaand gebruik.

Voor het overige gaat het om een bestaande woning met bijbehorende erfbebouwing. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is niet in het geding. In geval van sloop en nieuwbouw van bebouwing zal in het kader van de omgevingsvergunning een bodemonderzoek worden uitgevoerd.

Locatie Lageweg (ong)

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Daaruit blijkt dat er geen verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden zijn geconstateerd in de grond- en het grondwater. De hypothese "onverdachte locatie" kan worden aanvaard.

In het onderzoek is geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn tegen de bestemmingswijziging van het perceel voor de realisatie van een woning op het perceel uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid.

Indicatief wordt gesteld dat, in verband met het hergebruik van grond, de grond van de onderzoekslocatie multifunctioneel toepasbaar is. Hergebruik dient echter te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het bodem beleid van de gemeente Schouwen Duiveland.

In bijlage 1a van het bodemonderzoek is een overzicht opgenomen van de boorpunten. Het plangebied is nu aan de oostzijde iets uitgebreid. Die strook maakt deel uit van het zelfde stuk landbouwgrond van in initiatiefnemer en dat is al lange tijd zo. Redelijkerwijs kan worden verwacht dat dit geen probleem is, gelet op de resultaten van het onderzoeksgebied in het in bijlage 1a.

4.4.3 Conclusie

Locatie Taaijersweg 12

Voor de bestemmingsplanherziening van deze locatie behoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Dit is omdat er voor een deel geen sprake is van een bestemmingswijziging, voor een ander deel sprake van voortzetting bestaand gebruik en omdat bij het aanvragen van omgevingsvergunningen voor sloop en herbouw een bodemonderzoek moet worden overlegd.

Voor de te slopen schuren waarin asbest is toegepast, is nu geen onderzoek nodig. Deze zullen door een gecertificeerd bedrijf moeten worden gesloopt, die de gronden 'schoon' moet opleveren, dat wil zeggen in overeenstemming met de daarvoor geldende normen.

Locatie Lageweg (ong)

Uit onderzoek is gebleken dat het aspect bodem de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.

4.5 Niet-gesprongen explosieven

4.5.1 Toetsingskader

In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II).

4.5.2 Toetsing

De gemeente Schouwen-Duiveland beschikt over een Beleidsnota Conventionele Explosieven met bijbehorende beleidskaart met daarop de locaties waar mogelijk niet gesprongen explosieven (NGE's) in de bodem kunnen voorkomen. De kaart is opgesteld op basis van historisch onderzoek en wordt regelmatig geactualiseerd. Uit de kaart blijkt dat beide locaties niet liggen in een aandachtsgebied en is daarmee niet verdacht op het voorkomen van NGE's.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0018.png"

Figuur 4.6 Aandachtsgebieden en - punten niet-gesprongen explosieven

Om de kans op aantreffen van NGE's niet uit te sluiten moet het protocol “Toevalstreffer CE uit de Tweede Wereldoorlog” uit de genoemde beleidsnota worden gevolgd.

4.5.3 Conclusie

Het aspect niet-gesprongen conventionele explosieven vormt geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan.

4.6 Watertoets

4.6.1 Toetsingskader

Voor ruimtelijke plannen en besluiten dient met een watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is het Waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Het waterschap zal het wateradvies geven in het kader van het vooroverleg.

4.6.2 Toetsing

Toetsing

Om na te gaan of het voorliggend bestemmingsplan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, zijn de beoogde ontwikkelingen getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd en die in bijlage 8 is opgenomen. Uit toetsing aan deze criteria blijkt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

Wel zal op de locatie aan de Lageweg ong. te Sirjansland naar verwachting ruim 100 m3 moeten worden geborgen. Het gaat om schoon hemelwater dat afkomstig is van dakvlakken en oppervlakteverhardingen waar geen auto's komen. Een dergelijk volume kan eenvoudig worden geborgen in de sloot die wordt verbreed en de noordelijke sloot die worden aangelegd.

Met het waterschap heeft overleg plaatsgevonden over de ontwikkeling aan de Lageweg en de situatie aan de Taaijersweg 12. De resultaten daarvan zijn vermeld in paragraaf 7.1.

4.6.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Voor de locatie Lageweg ong. te Sirjansland zijn met het waterschap maatregelen overeengekomen. Voor verharding van de uitrit én aansluiting op de weg van het waterschap wordt een ontheffing Keur wegen aangevraagd. De verwachting is dat deze wordt verleend.

4.7 Geluid

4.7.1 Inleiding

Het aspect geluid kan betrekking hebben op:

  • wegverkeerslawaai;
  • industrielawaai;
  • inrichtingslawaai.

De locatie valt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein. Het aspect industrielawaai is daarom niet relevant. Evenmin is in de omgeving van beide deellocaties een inrichting aanwezig die lawaai produceert. Blijft over het aspect wegverkeerslawaai. Daarop wordt in deze paragraaf ingegaan.

4.7.2 Toetsingskader wegverkeerslawaai

Algemeen

Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder. Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van o.a. wegverkeerslawaai. Indien een bestemmingsplan een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk maakt, dan is volgens de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau.

Geluidszones langs wegen

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal.

Wettelijke normen

Als de Wet geluidhinder van toepassing is dan dient een nieuwe geluidgevoelige functie te voldoen aan bepaalde wettelijke normen. Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk (53 dB voor een buitenstedelijke autoweg). De geluidwaarde binnen de geluidgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB(A).

4.7.3 Toetsing

Taaijersweg 12

Aan de Taaijersweg wordt geen nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk gemaakt. De bestaande woning is weliswaar een geluidgevoelige functie, maar deze blijft gehandhaafd en in gebruik als woning. Voor een bestemmingswijziging van een bedrijfs- naar een burgerwoning is in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek nodig.

Lageweg ong. te Sirjansland

Op de locatie aan de Lageweg wordt wel een nieuwe woning/geluidgevoelige functie mogelijk gemaakt.

Op de Lageweg geldt een maximum snelheid van 30 km/uur. Dat betekent dat langs deze weg geen geluidzones van kracht zijn. Gelet hierop hoeft vanuit de Wet geluidhinder en is uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen akoestisch onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd.

Ook uit oogpunt van een goede ruimtelijke onderbouwing is akoestisch onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai niet nodig. In paragraaf 2.2.1 is geschreven dat het deel van de Lageweg waaraan de locatie ligt, een doodlopende straat is die voor de ontsluiting dient van de aanliggende woningen en enkele akkers. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie rijdt hier nauwelijks verkeer en de rijsnelheden zijn vanwege het smalle wegprofiel erg laag. Op de locatie zal altijd sprake zijn van een aanvaardbaar geluidniveau vanwege wegverkeerslawaai.

Conclusies

Het aspect geluid vormt geen belemmering of aandachtspunt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Voor beide locaties geldt dat sprake is van meer dan aanvaardbaar geluidniveau vanwege wegverkeerslawaai.

4.8 Milieuhinder en bedrijven

4.8.1 Toetsingskader

Voor de toetsing aan het aspect milieuhinder dient rekening te worden gehouden met de bepalingen uit de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 2.25). In voorkomend geval is ook de Wet geurhinder en veehouderij van belang.

Daarnaast geldt op basis van jurisprudentie dat te alle tijde sprake moet zijn van een "goede ruimtelijke ordening". Voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen indien sprake is van een milieuhinderlijk en/of milieugevoelige functie.

Milieuzonering

Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt in eerste instantie door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). In deze publicatie is voor elke bedrijfsactiviteit voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten een richtafstand ten opzichte van een 'rustige woonwijk' en/of een 'rustig buitengebied' vermeld. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand. Alleen voor het aspect gevaar is reduceren van de richtafstand met één afstandsstap niet zonder meer mogelijk. Het hanteren van kleinere richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. waarbij milieuhinder wordt voorkomen.

Het gaat hierbij uitdrukkelijk om indicatieve afstanden. In een concrete situatie dient de werkelijk aan te houden afstand nader te worden bepaald. De richtafstanden worden gemeten van de bestemmingsgrens van de milieuhinderlijke inrichting ten opzichte van de gevels van de woningen van derden.

Gebruik bestrijdingsmiddelen

Zowel in de fruitteelt als in de akkerbouw worden bestrijdingsmiddelen toegepast. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan drift (overwaaien) van bestrijdingsmiddelen optreden. Om risico's voor de volksgezondheid te beperken, moet op grond van jurisprudentie een afstand van 50 meter aangehouden worden tussen een gevoelige functie (zoals woningen) en een boomgaard of akker.

Over fruitteelt kan worden gemeld dat in artikel 3, lid 3.5 onder v van het bestemmingsplan Buitengebied is bepaald dat fruitteelt binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden niet is toegestaan. Er is momenteel geen fruitteelt binnen deze afstand aanwezig en die kan er dus ook niet komen.

Ten aanzien van akkerbouw ligt de situatie anders. Dat is volgens het hiervoor genoemde bestemmingsplan wel toegestaan.

Aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de open teelt worden in het Activiteitenbesluit milieubeheer eisen gesteld. In dat besluit staat dat een spuittechniek moet worden toegepast die de drift met ten minste 75% dan wel 90% reduceert ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek.

Voor het toepassen gewasbeschermingsmiddelen (en overigens ook van meststoffen) naast oppervlaktewater gelden extra eisen. Zo geldt dat een strook land naast oppervlaktewater niet mag worden bespoten of bemest. Deze teeltvrije zone mag men ook niet gebruiken voor het telen van een gewas. Afhankelijk van het gewas is de teeltvrije zone breder of smaller.

Tot slot kan door het treffen van maatregelen de drift op grotere afstand worden beperkt. De effectiviteit daarvan moet blijken uit het hiervoor genoemde locatiespecifieke onderzoek.

4.8.2 Toetsing

Taaijersweg 12 te Kerkwerve

Ten aanzien van de afstemming op de directe omgeving van deze locatie wordt opgemerkt dat er geen bedrijven aanwezig zijn waarmee rekening moet worden gehouden. Aan de Taaijersweg 5-7 was een agrarisch bedrijf aanwezig, maar de agrarische bestemming daarvan is met een wijzigingsplan omgezet in de bestemming Wonen met de aanduiding voormalig agrarisch bedrijf (VAB).

Op het perceel zelf blijft de aardappelbewaarloods in gebruik. Om te borgen dat (toekomstige) bewoners van de burgerwoning geen overlast zullen ondervinden zullen de loods en de burgerwoning van dezelfde eigenaar moeten blijven (geen gescheiden verkoop), althans zolang de loods wordt gebruikt voor een nieuwe economische drager (i.c.de opslag van agrarische producten). Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan en wordt ook in de overeenkomst met initiatiefnemer vastgelegd.

Omdat gebruik van de aardappelloods niet wijzigt en de bestemming hierop is toegesneden, verandert er voor de dichtstbij gelegen woningen in de omgeving (Taaijersweg 3 en 7) niets. Bovendien liggen deze woningen op grote / ruim voldoende afstand (circa 125 m en 195 m).

Ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (bestrijdingsmiddelen) op naastgelegen agrarische percelen wordt opgemerkt dat voor wat betreft de woning Taaijersweg 12 sprake is van een bestaande situatie. Bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen moet nu ook al rekening worden gehouden met de aanwezigheid van deze woning. De afstand van de woning tot het perceel ten westen van de locatie is vrij groot (meer dan 50 meter) en binnen deze afstand staat de aardappelbewaarloods die ook voor afscherming zorgt. Aan de oostzijde bedraagt de afstand tot het naastgelegen agrarisch perceel ten minste 30 meter. Aan beide zijden zijn echter groensingels aanwezig bestaande uit bomen en onderbegroeiing. De breedte van de groensingels varieert van 4,5 tot 6 meter en de hoogte van de beplanting is meer dan 2 meter. Hierdoor wordt het risico op gezondheidsschade verkleind. De instandhouding van deze groensingels is in dit bestemmingsplan geborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0019.png"

Figuur 4.7 Groensingel langs het perceel Taaijersweg (foto links: Habitus; foto rechts: W. Roskam)

Voor het noordelijk gedeelte van het perceel waarop de twee te slopen schuren staan, stemt de huidige eigenaar en mede-initiatiefnemer van dit plan in met een verbod om binnen een afstand van 50 meter van de woning bestrijdingsmiddelen te gebruiken ten behoeve van agrarische activiteiten. Aan de zuidzijde, aan weerszijden van de Taaijersweg liggen 2 (berm)sloten, die volgens de Legger van het Waterschap Scheldestromen een functie hebben als secundaire waterloop (zie figuur 4.8). Dat betekent dat hier beperkingen gelden ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De afstand aan deze zijde is daarmee ten minste 38 meter. Aan deze zijde is geen afscherming door opgaande beplanting aanwezig. Wijziging van de agrarische bestemming in de bestemming Wonen maakt de situatie niet anders. Zoals hiervoor geschreven, is er feitelijk sprake van voortzetting van een bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0020.png"

Figuur 4.8 Secundaire waterlopen langs de Taaijersweg (bron: Waterschap Scheldestromen)

Lageweg te Sirjansland

Agrarische bedrijfsactiviteiten

In de directe omgeving van deze locatie zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Wel worden aan de overzijde van de weg, op het perceel Lageweg 50, hobbymatig paarden gehouden. Voor dit perceel geldt op grond van het bestemmingsplan Zonnemaire Ouwerkerk Sirjansland een woonbestemming.

Hoewel bij het hobbymatig houden van dieren wordt verondersteld dat er geen geuroverlast plaatsvindt, verdient het aanbeveling om bij de situering van de beoogde woning enige afstand aan te houden vanaf de paardenstal en -bak. In genoemde VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn voor het hobbymatig houden van paarden geen richtafstanden aangegeven. Er kan worden aangesloten bij de richtafstanden voor paardenfokkerijen. De grootste afstand geldt voor het milieuaspect geur en bedraagt 50 meter (zie figuur 4.9). Met een dergelijke afstand kan een goed woon- en leefklimaat voldoende worden geborgd. Vandaar dat dit ook een uitgangspunt is voor planologische medewerking (zie paragraaf 2.2.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0021.jpg"

Figuur 4.9 Richtafstand van 50 meter ten opzichte van paardenstal en -bak.

Ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op naastgelegen agrarische percelen wordt opgemerkt dat de locatie is geprojecteerd op gronden die eigendom zijn van één van de initiatiefnemers, namelijk de toekomstige bewoner van de nieuwe woning. Het beperken van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op die gronden is dan ook eenvoudig te effectueren. Bovendien wordt hier ook een waterloop gegraven die beperkingen oplegt aan het spuiten (aanhouden 3 meter afstand) en is aan de noordzijde van het nieuwe woonperceel een groensingel gepland. De instandhouding van deze groensingel is in het bestemmingsplan planologisch geborgd (middels artikel 5 lid 5.2.1 onder b en lid 5.4.1 onder b). Daarmee is de kans op neerslag van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de woning gering.

Aan de overzijde van de Lageweg is ook een agrarisch perceel aanwezig. De afstand van de nieuwe woning tot dit perceel is minimaal 40 meter. Omdat het perceel in gebruik is als grasland worden ter plaatse geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Bovendien liggen tussen de beoogde woning en dit perceel waterlopen waarmee rekening moet worden gehouden en is opgaande beplanting aanwezig die zorgt voor afscherming. Op grond van deze gegevens wordt ter plaatse van de woning geen neerslag van gewasbeschermingsmiddelen verwacht.

Dit leidt tot de conclusie dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op aangrenzende percelen geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Evenmin zorgt de nieuwe woning voor een belemmering van agrarische bedrijven in de omgeving.

Voor het overige vindt in de directe omgeving geen andersoortige bedrijvigheid plaats. Hinder kan dan ook uitgesloten worden.

4.8.3 Conclusie

Het aspect milieuhinder en bedrijven staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

4.9 Luchtkwaliteit

4.9.1 Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer, de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM.

Het genoemde onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen en luchtkwaliteitseisen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in 4.1 weergegeven.

Tabel 4.2. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2))   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  
Fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

In het Besluit NIBM is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg.
4.9.2 Toetsing

Op basis van de monitoringtool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) kan worden vastgesteld dat op beide locatie ruimschoots aan de hiervoor vermelde grenswaarden wordt voldaan.

Taaijersweg 12 te Kerkwerve

De functiewijziging en de verkeersdaling als gevolg daarvan leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek is niet noodzakelijk aangezien het project niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit.

Lageweg ong. te Sirjansland

Dit plan valt in de categorie “niet in betekenende mate” omdat het gaat om minder dan 1.500 woningen. Dergelijke plannen hoeven volgens de Wet milieubeheer niet langer getoetst te worden aan de grenswaarden, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. Dit is in het voorliggende planvoornemen niet aan de orde. Een overschrijding van de grenswaarden door het onderhavige plan is dan ook niet aan de orde en nader onderzoek is niet nodig.

4.9.3 Conclusie

De conclusie is dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse van zowel het plangebied als nabijgelegen woningen.

4.10 Externe veiligheid

4.10.1 Toetsingskader

Bij nieuwe (ruimtelijke plannen) dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het toetsingskader zijn de onder volgende besluiten:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen;
  • Besluit externe veiligheid transportroutes en Regeling Basisnet;
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen.

De besluiten zijn uitgewerkt in regelingen.

4.10.2 Toetsing

Risicovolle inrichtingen

Uit de professionele risicokaart voor Nederland en het Risico Portaal Zeeland blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied (beide locaties) geen risicovolle inrichtingen of installaties aanwezig zijn met een plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied voor het groepsrisico dat reikt tot het plangebied.

Vervoer gevaarlijke stoffen

Andere relevante risicovolle bronnen zijn geen belemmering of van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen (vaar)wegen of buisleidingen in de omgeving van het plangebied.

4.10.3 Conclusie

Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggende herziening van het bestemmingsplan Buitengebied.

4.11 Ecologie

4.11.1 Toetsingskader

Inleiding

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient te worden onderzocht of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Bij de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • a. Natura-2000 gebieden;
  • b. Bijzondere nationale natuurgebieden;
  • c. NatuurNetwerk Nederland (NNN).

Daarvan zijn de Natura-2000-gebieden en het NatuurNetwerk Zeeland (als onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland) van belang.

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

De voorgenomen sloop van de pluimveestallen op het adres Taaijersweg 12 noordwestelijk van Kerkwerve en de bouw van een nieuwe woning aan de Lageweg in de oostelijke kernrandzone van Sirjansland kunnen zorgen voor stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Als deze activiteiten afzonderlijk of in combinatie significante negatieve effecten kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, dan is hiervoor een vergunning op grond van de Wnb nodig.

NatuurNetwerk Nederland

Gebieden die deel uitmaken van het NNN worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Rond de natuurgebieden van het Natuurnetwerk Zeeland geldt een zone van 100 meter waarbij nieuwe ontwikkelingen worden beoordeeld op gevolgen voor de natuur.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en
  • c. de bescherming van overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor het doden van overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Deze lijst is in de provincie Zeeland ongeveer vergelijkbaar met de “Tabel 1-soorten”, dus de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er overigens geen beleidsruimte en blijft de bescherming onveranderd.

Algemene zorgplicht

Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild aanwezige planten en dieren en hun leefomgeving. Bij aanvang en tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met algemene soorten, en moet duidelijk zijn dat er geen vogels in het plangebied of de directe omgeving aan het broeden zijn. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of wanneer er geen broedgeval aanwezig is.

In het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).

4.11.2 Toetsing

Taaijersweg 12 Kerkwerve

De activiteiten op dit perceel betreft het slopen van 2 voormalige pluimveestallen en een electragebouw en het egaliseren en herinrichten van het perceel. De verharding tussen de voormalige pluimveestallen wordt mogelijk verwijderd. De verharding tussen de zuidelijke pluimveestal en de paardenstal wordt gehandhaafd. Deze blijft namelijk nodig in verband met het uitmesten van de paarden.

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebied

Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied, effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Gezien de grote afstand (ten minste circa 1,2 kilometer) tot het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied Oosterschelde en de voorgenomen werkzaamheden kunnen ook effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding en daarmee op beschermde soorten worden uitgesloten.

Omdat de sloop samenhangt met de formele beëindiging van een pluimveehouderij, dat veel stikstofuitstoot kan veroorzaken, wordt verwacht dat per saldo sprake zal zijn van een forse vermindering van stikstofemissie en daarmee van depositie in Natura 2000-gebieden.

Voor het bedrijf is nooit een Wnb-vergunning verleend. Het was al in bedrijf toen de natuurwetgeving van kracht werd. Dit gegeven en het feit dat de pluimveehouderij al in 2015 is beëindigd, zorgt ervoor dat hiermee niet meer kan worden gesaldeerd.

Niettemin zal het verkeer in de gebruiksfase niet toenemen en dus is er vanuit dat oogpunt geen sprake van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Bij het slopen van de gebouwen komt wel stikstof vrij, namelijk van het materieel dat ter plaatse wordt ingezet en van het transport van het materieel van en naar de locatie en afvoer van sloopmateriaal. In verband hiermee is voor de sloopfase een berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie (overbelaste) stikstofgevoelige habitats in binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. Voor de sloop van de gebouwen aan de Taaijersweg is door een sloopbedrijf informatie aangeleverd over het materieel dat wordt ingezet en de bedrijfsduur ervan. De berekening is gecombineerd met de activiteiten die op de locatie aan de Lageweg ong. worden uitgevoerd. In bijlage 3 zijn invoergegevens en de resultaten van de berekeningen opgenomen, voorzien van een korte toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat er zowel voor de sloop- en bouwfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten zijn boven 0,00 mol/ha/jr.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0022.png"

Figuur 4.10 Ligging Taaijersweg 12 ten opzichte van Natura 2000-gebied Oosterschelde (groene gebieden; bron: provincie Zeeland)

Soortenbescherming

Om de effecten op beschermde soorten te kunnen bepalen, is voor deze locatie een ecologische quickscan uitgevoerd. Daarin is rekening gehouden met de sloop van gebouwen. Bijzondere aandacht is besteed aan het voorkomen van beschermde diersoorten zoals vleermuizen en gierzwaluwen in de te slopen gebouwen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 4.

In de quickscan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling naar verwachting in strijd is met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. Er kunnen namelijk nesten/verblijfplaatsen van huismus, kerkuil, steenmarter en 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' op de planlocatie aanwezig zijn. Nader onderzoek naar deze soorten is voor deze soorten nodig en uitgevoerd in de periode maart- mei 2022.

Het valt overigens niet te verwachten dat de steenmarter verblijft in de achterste schuur. Dan had de voormalige ondernemer dan bij de uitoefening van zijn kippenboerderij dit gemerkt en maatregelen getroffen.

In de quickscan is ook vermeld dat in het plangebied verschillende diersoorten aanwezig zijn die relevant zijn om rekening mee te houden tijdens de voorgenomen ontwikkeling. Genoemd worden soorten als haas, konijn, woelrat en gewone pad. Deze kunnen in het grasland aanwezig zijn. Voor deze diersoorten geldt een zorgplicht. Als deze diersoorten al aanwezig zijn, dan gaat om een tijdelijke verstoring. Het grasland wordt niet verkleind. Het tegendeel is uiteindelijk het geval.

Daarnaast kan rugstreeppad zich in de toekomst vestigen, als er geen voorzorgsmaatregelen worden genomen. Voorgestelde maatregelen zijn:

  • 1. voorkom dat er in de periode april t/m eind augustus ondiepe wateren ontstaan of zorg dat deze direct gedempt worden. Denk hierbij aan regenplassen en bandensporen. Deze maatregel is enkel toepasbaar om nieuwe vestiging in geschikt voortplantingsbiotoop te voorkomen.
  • 2. voorkom dat er in de periode april t/m eind november nieuwe zomer- en/of winterverblijfplaatsen ontstaan, zoals hopen vergraafbaar zand, bouwmateriaal (bijv. puin), hopen houtafval of stenen. Verwijder dit direct uit het plangebied.

Indien het niet mogelijk is om aan deze maatregelen te voldoen, dan dient nader onderzoek te worden verricht. Indien voldaan kan worden aan de maatregel, is nader onderzoek naar deze soort niet nodig.

Na de oplevering van de quickscan, namelijk op 8 december 2020 is de provinciale verordening gewijzigd in die zin dat er geen algemene vrijstelling meer is voor het doden van bunzing, haas en konijn. Omdat het gaat om een tijdelijke verstoring van een niet essentieel leefgebied, er meer dan genoeg uitwijkmogelijkheden zijn voor hazen en konijnen, er geen belemmeringen rondom de planlocatie staan voor deze diersoorten en deze ook niet zullen worden gedood, is geen vergunning Wet natuurbescherming nodig.

Resultaten Quickscan Taaijersweg 12 te Kerkwerve

In de quickscan is het habitat voor 3 beschermde soorten aangetoond (huismus, kerkuil en steenmarter). Deze soorten vallen onder de jaarrond beschermde soorten zonder vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Huismus

Voor de huismus is het zeker dat nestplaatsen verloren gaat. Het exacte aantal wordt vastgesteld in het vervolgonderzoek (zie hierna in deze paragraaf). Als mitigatiemaatregel wordt een drievoud van het huidige aantal verblijfplaatsen aangebracht. De aangebrachte vervangende broedplaatsen moeten voldoen aan de in het 'kennisdocument huismus' gegeven voorwaarden. Dit houdt in dat de vervangende verblijfplaatsen binnen 200 meter van de huidige locatie worden geplaatst en ten minste 3 maanden voor de aanvang van werkzaamheden. Locaties voor de vervangende verblijfplaatsen zullen worden verdeeld over de al aanwezig bebouwing voor een zo divers en duurzaam mogelijke mitigatie. Bij de ontwikkeling blijft het leefgebied van de soort binnen het plangebied in stand. Omdat zal worden gewerkt volgens het hiervoor genoemde kennisdocument is de verwachting dat de noodzakelijke ontheffing Wnb zal worden verleend.

Kerkuil

Als een of meer verblijf- en/of rustplaatsen van de kerkuil in de schuur worden aangetoond, worden ten minste 3 maanden voor de start van de sloopwerkzaamheden 3 nieuwe verblijfplaatsen per aangetoonde verblijfplaats als mitigatiemaatregel aangebracht. Deze nieuwe verblijfplaatsen zijn in ieder geval al aanwezig in de periode september tot december. Vervangende verblijfplaatsen worden bij voorkeur aangebracht in overblijvende schuren die vanwege de sloop moet wijken. Voor rustplaatsen geldt dat de mitigatie niet noodzakelijk uit een kast hoeft te bestaan. Het kan ook een nieuwe toegang zijn in (andere) gebouwen. Verwezen wordt naar de eisen in het 'kennisdocument kerkuil'. Ook hiervoor geldt dat de verwachting dat de noodzakelijke ontheffing Wnb zal worden verleend.

Steenmarter

Als de steenmarter wordt aangetroffen in het plangebied, wordt een marterhoop aangelegd aan de hand van de 'handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming' van de zoogdiervereniging. Deze wordt minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden aangelegd, op een groene locatie waar deze permanent aanwezig kan blijven. Een mogelijke locatie zou de noordoosthoek, of de zuidwesthoek van het perceel zijn. Met deze mitigerende maatregel is de verwachting dat de noodzakelijke ontheffing Wnb zal worden verleend.

In alle gevallen is dus de verwachting dat de eventueel noodzakelijke ontheffing Wnb zal worden verkregen. Mitigatie voor de mogelijk aanwezige soorten is namelijk goed mogelijk en eenvoudig te realiseren bij een juiste uitvoering. De exacte invulling van de mitigerende maatregelen staat weliswaar nog niet vast, maar vast staat dat de maatregelen uitvoerbaar zijn.

Resultaten nader onderzoek Taaijersweg 12

Het nader ecologisch onderzoek naar het voorkomen van de hiervoor genoemde diersoorten is in het voorjaar van 2022 in 3 ronden uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 5. In dit nader onderzoek is in het plangebied geen functioneel leefgebied vastgesteld van de kerkuil en de steenmarter. Tijdens het onderzoek met cameravallen is een aantal soorten waargenomen, die bij het werken volgens de algemene zorgplicht redelijkerwijs geen hinder ondervinden van de ruimtelijke ingreep. Er is verder sprake van fourageergebied van huismussen, dat in stand blijft tijdens de ruimtelijke ingreep. Verder zijn rondom het plangebied fouragerende gele kwikstaarten en putters waargenomen. De functie vals leefgebied van deze soorten blijft in tact in de nieuwe situatie. Gelet op het voorgaande is het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming niet nodig.

Er zal gewerkt worden conform de algemene zorgplicht. Een belangrijke maatregel in dat kader is het langzaam van zuid naar noord te werken tijdens de sloop.

Lageweg ong. te Sirjansland

De activiteiten op dit perceel betreft het verbreden van een sloot en het graven van een nieuwe sloot, het bouwrijp maken van het terrein (vergraven, egaliseren, ophogen), het aanleggen van verhardingen en ondergrondse leidingen, het aanleggen van beplanting en het oprichten van bebouwing.

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebied

Ook deze locatie ligt niet in Natura 2000-gebied, effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom eveneens worden uitgesloten. De afstand tot het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied Grevelingen bedraagt ten minste circa 575 meter (binnendijks gebied) en ten minste 860 meter (buitendijks gebied). Gezien deze grote afstanden en de kleinschaligheid van de ontwikkeling kunnen voor deze locatie effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding en daarmee op beschermde soorten worden uitgesloten.

De te bouwen woning is volledig gasloos waardoor er geen sprake is van een gebouwemissie van stikstof. De enige overblijvende emissies zijn die van het verkeer in de bouwfase en de gebruiksfase en het materieel dat wordt ingezet op de locatie tijdens de bouw van de woning en de inrichting van het perceel. Voor de bouw van de woning en de herinrichting van het perceel aan de Lageweg is op dit moment nog niet exact bekend welk materieel wordt gebouwd en grondwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd. Hiervoor zijn aannames gedaan op basis van ervaringen elders. De initiatiefnemer is voornemens om met een kleine lokale aannemer een gemetselde stenen woning te bouwen. Zodra het initiatief meer concreet is geworden, zal een nieuwe berekening worden gemaakt.

Om de stikstofdepositie op (overbelaste) stikstofgevoelige habitats in binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, is voor de bouwfase en de gebruiksfase een berekening uitgevoerd. De berekening is gecombineerd met de activiteiten die op de locatie aan de Taaijersweg 12 worden uitgevoerd. Zoals eerder vermeld heeft de combineerde berekening (zie bijlage 3) geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr opgeleverd.


afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0023.png"

Figuur 4.11 Ligging Lageweg ong. ten opzichte van Natura 2000-gebied Grevelingen (groene gebieden; bron: provincie Zeeland)

Natuurnetwerk Zeeland

Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het NNZ. De dichtstbijzijnde gebieden liggen op ongeveer 700 meter. Dit is het natuurgebied 'bosje Sirjansland', daaraan grenzend ligt het grotere natuurgebied 'Dijkwater'. Ook ligt ten noorden van het plangebied 'dijken binnendijk nieuw'. De geplande activiteit heeft geen effect negatief op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01_0024.png"

Figuur 4.12 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: Provincie Zeeland)

Soortenbescherming

Om de effecten op beschermde soorten te kunnen bepalen is voor deze locatie een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 6. Tijdens het veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan van schaarse of bedreigde soorten. Geconcludeerd is dat door de nieuwbouw van de woning, het karakter van het gebied in geringe mate wordt beïnvloed. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Het is onwaarschijnlijk dat broedende soorten in de omgeving door de werkzaamheden worden verstoord. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.

Tijdens het bouwen zal aandacht worden besteed aan het niet creëren van nieuw leefgebied zeker voor het konijn. Concreet betekent dit dat zandhopen zullen worden vermeden of anders worden afgedekt dan wel op een alternatieve manier ontoegankelijk worden gemaakt voor konijnen.

4.11.3 Conclusie

Beide deelgebieden liggen niet in een beschermd natuurgebied. Uit het stikstofdepositieonderzoek dat voor beide locaties in verband met de voorgenomen sloop- en bouwactiviteiten en de gebruiksfase tezamen is uitgevoerd blijkt dat er geen depositieresultaten op overbelaste stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden zijn boven 0,00 mol/ha/jr.

Uit de quickscan voor de Taaijersweg is gebleken dat nader ecologisch onderzoek voor sloop van de gebouwen nodig is. Tijdens het onderzoek dat voor de quickscan is uitgevoerd zijn geen soorten aangetroffen die het bestemmingsplan onuitvoerbaar maken, wel moeten er mitigerende maatregelen worden getroffen. De verplichte maatregelen volgen uit het vervolgonderzoek naar de mogelijk aanwezige soorten.

Uit de resultaten van het nader ecologisch onderzoek dat in het voorjaar van 2022 is uitgevoerd, blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat er beschermde diersoorten aanwezig zijn.

Uit de quickscan voor de locatie Lageweg ong. blijkt dat er geen beschermde soorten aanwezig zijn waarvoor een ontheffing van GS nodig is. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkelingen niet in de weg.

Tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase moet iedereen voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels en de vestigingsmogelijkheid van de rugstreeppad.

4.12 Duurzaamheid en energie

4.12.1 Beleids-/toetsingskader

Duurzaam bouwen

Het begrip 'duurzaam bouwen' is door het ministerie van VROM in 1995 geïntroduceerd om de kwaliteit van het bouwen te verhogen en de duurzaamheid van de te gebruiken materialen, alsmede de te onderscheiden processen te waarborgen.

Energie, Klimaat en Kringloopeconomie

Op dit moment zijn er een aantal transities die onder het begrip duurzaamheid vallen. De energietransitie, (het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie 2) de ruimtelijke adaptatie voor de klimaatverandering (het aanpassen van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te nemen) en de overgang naar kringloopeconomie (gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen). Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden.

Vanaf 1 januari 2021 moeten alle vergunningsaanvragen voor nieuwbouw (woningbouw en utiliteitsbouw) voldoen aan de norm voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG). De energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen wordt vastgelegd aan de hand van 3 eisen:

  • 1. maximale energiebehoefte in kWh per m2;
  • 2. maximale primaire fossiel energiegebruik in kWh / m2 en
  • 3. minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Aanvragen van de Omgevingsvergunning voor nieuwbouw moeten vanaf 1 januari 2021 voldoen aan deze BENG norm.

In het kader van de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) is de aansluitingsplicht van aardgas voor kleinverbruikers bij nieuwbouw per 1 juli 2018 geschrapt en vervangen door een warmterecht, waarmee eindgebruikers aanspraak kunnen maken op een aansluiting op een (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet.

Uit informatie van de provincie Zeeland blijkt dat voor wat betreft warmte-koude opslag beide locaties liggen in een kansrijk gebied voor bodemenergie.

Voor wat betreft circulaire economie is in het Bouwbesluit opgenomen dat bij de aanvraag Omgevingsvergunning het onder andere bij nieuwbouwwoningen groter dan 100 m2 verplicht is om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) te overleggen. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw.

Verder is op het niveau van het bestemmingsplan de duurzame combinatie tussen water en ruimtelijke ontwikkeling van belang.

De overige thema's spelen vooral op het niveau van bouwplannen een rol.

4.12.2 Toetsing

Locatie Taaijersweg 12

Op deze locatie wordt niet gebouwd, maar gesloopt. Vanwege de aanwezigheid van asbest zal dit door een gecertificeerd bedrijf moeten plaatsvinden. Er is op dit moment nog niets te zeggen over mogelijk hergebruik van materialen. Als zekerheid bestaat over de toekomstmogelijkheden van de voormalige boerderij is het benutten van bodemenergie een overweging.

Locatie Lageweg ong. Sirjansland

De nieuwe woning zal voldoen aan alle voorwaarden met betrekking tot duurzaamheid uit het Bouwbesluit. Er zal gebruik worden gemaakt van duurzame materialen, dat wil zeggen hout, betongranulaat, pvc, gips en zo min mogelijk tot geen lood en geen koper. Kozijnen, goten, windveren worden uitgevoerd in kunststof. Lood door loodvervangers waar mogelijk.

Uit het voorgaande blijkt dat voor het plan voor de bouw van woningen niet meer de verplichting geldt om op het gasnet te worden aangesloten. Dat wordt dan ook niet gedaan. Initiatiefnemer wenst een ecologische woning te realiseren. De woning wordt gebouwd zonder gasaansluiting en er wordt gestreefd naar 0 op de meter. Hiermee wordt voldaan aan de BENG-norm.

Dit betekent dat er zal worden geïnvesteerd in een optimale isolatie en zonnepanelen. Nadere uitwerking van deze ideeën vindt in een later, concreter, stadium plaats, omdat de ontwikkelingen op dit vlak niet stil staan.

De woning krijgt een grondoppervlak dat groter is dan 100 m2 en dus zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een MPG worden gevoegd.

De initiatiefnemer voor deze locatie wenst gebruik te maken bodemenergie. De haalbaarheid wordt onderzocht met een hydroloog. Mogelijk wordt het een pilotproject in de omgeving van Sirjansland.  

Met betrekking tot het thema water en ruimtelijke ontwikkeling kan worden gemeld dat op het woonperceel wordt voorzien in een redelijk forse hoeveelheid water(berging) die een belangrijke bijdrage levert aan het opvangen van hemelwater en aan het reduceren van de in deze omgeving aanwezige wateroverlast. Er wordt gewerkt met een gesloten grondbalans. Vrijkomende grond wordt gebruikt om het perceel op te hogen. Hiermee wordt de kans op wateroverlast op het perceel verkleind. Het definitieve bouwpeil zal nog moeten worden bepaald.

4.12.3 Conclusie

Voor de locatie Taaijersweg 12 is nog onduidelijk of er iets kan worden gedaan met het thema 'duurzaamheid en energie'. Voor de locatie Lageweg ong. wordt ingezet op een ecologische en energieneutrale woning waarbij de mogelijkheid van het benutten van bodemenergie wordt onderzocht. Voor het overige zal de nieuwe woning voldoen aan alle voorwaarden met betrekking tot duurzaamheid uit het Bouwbesluit. Ook bij de inrichting van het terrein wordt rekening gehouden met het aspect duurzaamheid. Alle grond die vrijkomt op het perceel, wordt gebruikt om hetzelfde perceel op te hogen.

4.13 Licht en duisternis

4.13.1 Toetsingskader

In de gemeente Schouwen-Duiveland kan nog werkelijk duisternis worden ervaren. Om deze te behouden, voeren zij een actief beleid op dit vlak volgens het ordeningsprincipe 'Niet verlichten, slim verlichten, gericht verlichten en bewust verlichten'.

De uitgangspunten met betrekking tot buitenverlichting aan gevels en op de percelen zijn:

  • alleen noodzakelijke verlichting
  • alle buitenverlichting dynamisch (bewegingssensor), en alleen neerwaarts gericht en zodanig aangebracht dat er van buiten het terrein geen zicht is op de lichtbron;
4.13.2 Toetsing

Taaijersweg 12

Feitelijk verandert er op dit perceel niets. Als er nieuwe verlichting wordt aangebracht zal dit (dimbare) LED-verlichting zijn die neerwaarts gericht moet zijn. Van afstand en zeker van buiten het terrein zal geen direct zicht op de lampen zijn. Ook zal er dan terughoudend worden omgegaan met wit licht (licht dat relatief veel blauw bevat). Dat betekent een kleurtemperatuur tot maximaal 2.700 Kelvin (K).

Lageweg ong.

In het bouwplan zal aandacht worden besteed aan verlichting. Rondom het gebouw zal zeer terughoudend worden omgegaan met het verlichten. Er wordt namelijk alleen bij de entrees van het gebouw en de individuele woningen buitenverlichting aangebracht. Er wordt (dimbare) LED-verlichting toegepast die neerwaarts is en die geen licht verstrooit. Van afstand en zeker van buiten het terrein zal geen direct zicht op de lampen zijn.

De kleur zal amberkleurig tot (zeer) warmwit zijn, ofwel kleurtemperatuur tot maximaal 2.700 K. Alle nieuwe verlichting wordt geschakeld door middel van een schemer-, en bewegingsschakelaar. Bij de bouwaanvraag zal een lichtplan worden gevoegd waarin de lichtpunten en het soort verlichting worden aangegeven.

Voor de realisatie van de woning aan de Lageweg is het niet noodzakelijk om extra straatverlichting te plaatsen.

4.13.3 Conclusie

Als er verlichting wordt toegepast, zal dit (dimbare) LED-verlichting zijn die neerwaarts is gericht en die geen licht verstrooit zo dat de lichtuitstraling naar de omgeving tot een minimum wordt beperkt.

4.14 Planologisch relevante kabels en leidingen

4.14.1 Toetsingskader

Inleiding

Het relevante toetsingskader ten aanzien van planologisch relevante kabels en leidingen is:

  • Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen;
  • de Wet ruimtelijke ordening (criterium 'goede ruimtelijke ordening)
  • het provinciaal Omgevingsplan Zeeland (zie paragraaf 3.2)
  • Advies van het Ministerie van Infrastructuur en milieu met betrekking tot hoogspanningslijnen

Planologisch relevantie

Planologisch relevante kabels en leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden geregeld (lees: te worden beschermd). Deze zijn namelijk van groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang. Deze kabels en leidingen hebben een relatief grote invloed op het gebruik van gronden in de directe omgeving of dienen te worden beschermd tegen invloeden van buitenaf. In ieder geval zijn buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revn) planologisch relevant. Deze leidingen hebben externe veiligheidscontouren. `

Naast buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn er nog andere buisleidingen die planologisch relevant worden geacht. Het gaat om leidingen met een (boven)regionale transportfunctie of leidingen die op een andere manier risico's met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.

Ook afvalwaterpersleidingen met bepaalde diameter, buisleidingen tussen internetdistributiepunten/dataopslagcentra verdienen nadrukkelijk de aandacht. Voor zover er geen wettelijke verplichting is om al dit soort buisleidingen in een bestemmingsplan op te nemen, is de vraag relevant of het maatschappelijk belang van een buisleiding bescherming vanuit een bestemmingsplan wenselijk is. Afstemming met de leidingexploitant kan hieromtrent duidelijkheid geven. De netwerkconfiguratie is hierbij van belang.

Er is voor deze leidingen geen sprake van externe veiligheidscontouren. De leidingen vallen niet onder het Bevb. Wel krijgt een dergelijke leiding ter bescherming van de leiding en om beheer en onderhoud niet onmogelijk te maken, een dubbelstemming ter grootte van de belemmeringenstrook of zakelijk rechtstrook (aan weerszijden van de leiding).

Behalve buisleidingen kunnen hoogspanningsverbindingen vanaf een bepaald voltage planologisch relevant zijn. Door de gemeente Schouwen-Duiveland worden hoogspanningsleidingen en -verbindingen van 50 kV en hoger die geen deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer als planologisch relevant aangemerkt.

Met eventueel aanwezige overige (planologische niet relevante) leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Dergelijke kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie met aanwezige infrastructuur.

Grondroeringsregeling (WION)

In principe zijn leidingen ook beschermd tegen schade door graafwerkzaamheden vanwege de meldingsplichtig op basis Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION). De WION verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.

4.14.2 Onderzoek en conclusie

Op grond van het geldende bestemmingsplan Buitengebied wordt geconcludeerd dat op geen van beide locaties, Taaijersweg 12 en Lageweg ong. en in de directe omgeving daarvan planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn.

In verband met eventueel aanwezige niet planologische relevante leiding zal op het moment van daadwerkelijke realisering van de voorgenomen ontwikkeling ten minste 3 werkdagen voor de aanvang van graafwerkzaamheden door degene die de graafwerkzaamheden uitvoert contact (moeten) worden opgenomen met het KLIC, waarbij dient te worden gemeld waar en wanneer wordt gegraven.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de juridische regeling in dit bestemmingsplan

5.1 Wettelijk kader

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de gemeentelijke standaardregels voor de bestemmingsplannen (die ten grondslag liggen aan het geldende bestemmingsplan Kom Domburg) zijn van belang voor bestemmingsplannen.

5.2 Toelichting op de regels

Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde.

  • In de inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.
  • In de bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen, zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.
  • De algemene regels bevatten een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel en de algemene bouwregels.
  • De overgangs- en slotregels geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.
5.2.1 Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

Verbeelding

Taaijersweg

In overeenstemming met de feitelijke situatie worden de gronden met de overblijvende gebouwen bestemd voor Wonen. Een gedeelte van het perceel behoudt de agrarische bestemming. Het agrarisch bouwvlak is echter verwijderd. De aanduidingen 'bouwvlak' en 'intensieve veehouderij' komen te vervallen. In verband met de aardappelbewaarloods is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nieuwe economische drager' opgenomen.3 De opslag van agrarische producten is vermeld op de Positieve lijst NED's (bijlage 1 van de voorschriften op het geldende bestemmingsplan Buitengebied, tevens Bijlage 3 van de regels op voorliggend bestemmingsplan). Deze aanduiding wordt in het geldende bestemmingsplan gebruikt in combinatie met verschillende ontheffingen van de bouwregels en is gekoppeld aan (sloop van) bestaande gebouwen. Het plan beoogt niet andere NED's in het gebouw mogelijk te maken. In voorkomend geval zal hiervoor een aparte planologische afweging moeten worden gemaakt en procedure worden doorlopen. Gelet op de systematiek in het bestemmingsplan Buitengebied is de aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' opgenomen. Aan deze aanduiding zijn wijzigingsbevoegdheden gekoppeld om een andere NED en vervangende nieuwbouw mogelijk te maken.

Aan weerszijden van de woonbestemming zijn 7 meter brede stroken voorzien van de bestemming Groen. Dit houdt verband met de aanwezige randbeplanting die niet verloren mag gaan. Deze beplanting heeft namelijk een functie in het verminderen van de drift van bestrijdingsmiddelen op het woonperceel.

Lageweg ong. Sirjansland

In lijn met de systematiek van bestemmen in het bestemmingsplan Buitengebied is voor het gehele perceel een woonbestemming opgenomen. Daarbinnen is een bouwvlak vastgelegd, waarbinnen de woning moet worden gebouwd. De situering van het bouwvlak is afgestemd inrichtingsschets, in casu de 50 meter afstand die moet worden aangehouden tot de paardenstal aan de overzijde van de Lageweg. In afwijking van het bestemmingsplan Buitengebied zijn de maximum goot- en bouwhoogte in het bouwvlak met aanduidingen vastgelegd. Aan alle zijden van het bouwvlak is de aanduiding 'zonder gebouwen' opgenomen. Dit houdt verband met de beoogde kwaliteitseisen die aan de inrichting van het perceel worden gesteld: bouwen op voldoende afstand tot de weg, aanleg waterberging en realisering en instandhouding van de groensingel aan de noordzijde.

Voor beide locaties geldt dat de archeologische dubbelbestemmingen zijn gehandhaafd.

Regels

Artikel 3 Agrarisch

Binnen deze bestemming is bepaald dat de gronden mogen worden gebruikt voor de uitoefening van grondgebonden agrarische activiteiten. Het woord 'activiteiten' is bewust gekozen omdat er geen agrarisch bedrijf aanwezig is (redactie in bestemmingsplan Buitengebied). In de regels is de bestaande groensingel bestemd en beschermd (lid 3.1 onder b juncto lid 3.5). Er mogen op de gronden alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd met een maximum bouwhoogte van 2 meter. Dit is 1 meter hoger dan in het bestemmingsplan Buitengebied, maar in dat plan was een ontheffing (artikel 3.3.12) opgenomen voor een dergelijke hoogte met daaraan gekoppeld een verplicht schriftelijk advies van de agrarisch deskundige. Gezien de ligging van het perceel en het feit dat de bestaande groensingel wordt gehandhaafd, is dit aanvaardbaar.

In de 'Specifieke gebruiksregels' (lid 3.4) zijn beperkingen aan het agrarisch grondgebruik opgenomen. Deze zijn ontleend aan het bestemmingsplan Buitengebied. Een daarvan is de regel dat paardenbakken of buitenbakken niet zijn toegestaan. De gronden mogen wel worden gebruikt als paardenweide, maar aanbrengen van een zandpakket met omheining niet.

Fruitteelt ter plaatse van gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden, of terreinen bestemd voor verblijfsrecreatie (minicampings daaronder inbegrepen) is niet toegestaan.

Artikel 4 Groen

Hiervoor is al geschreven dat de bestemming Groen is opgenomen voor de aanwezige randbeplanting die niet verloren mag gaan. De opgaande beplanting vermindert namelijk de drift van bestrijdingsmiddelen op het woonperceel Taaijersweg 12. Om te waarborgen dat deze beplanting wordt behouden, is in dit artikel het vereiste van een omgevingsvergunning (lid 4.3) opgenomen voor het verwijderen, kappen of rooien van de beplanting. Een dergelijke vergunning kan alleen worden verleend als de afschermende werking van de beplanting niet verloren gaat dan wel dat op de aangrenzende agrarische gronden geen bestrijdingsmiddelen meer worden toegepast. In de praktijk zal dit moeten worden bevestigd met een schriftelijke verklaring van de betreffende agrariër.

Artikel 5 Wonen

De regeling is in belangrijke mate overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied en behoeft dan ook geen uitgebreide toelichting.

Voor de locatie aan de Taaijersweg is van belang dat binnen de woonbestemming woning ten hoogste 100 m2 aan bijgebouwen en overkappingen toegestaan. De omvang van de voormalige bedrijfsgebouwen is veel groter. Deze bebouwing valt onder de regeling van artikel 9 lid 9.2 'Bestaande maten' en valt dus niet onder het overgangsrecht.

Het huidige gebruik van de aardappelbewaarloods past binnen de regeling voor Nieuwe Economische Dragers. De activiteit mag alleen in de bestaande loods worden uitgeoefend.

Toelichting op de bouwregels

In de bouwregels van de bestemming Wonen is naast de gebruikelijke bouwregels onder andere bepaald dat voor het bouwen van een woning op het adres Lageweg ong. eerst de 2 pluimveestallen op het perceel Taaijersweg 12 moeten zijn gesloopt.

Voor de locatie aan de Lageweg is daarnaast van belang dat:

  • de te verbreden sloot en de te graven sloot moeten zijn gerealiseerd (lid 5.2.1 onder b).
  • de gebouwen worden afgedekt met een kap; de hellende dakvlakken moeten een dakhelling hebben van ten minste 30° en mogen ten hoogste 60° hellen (lid 5.2.2 onder i).

Toelichting op de voorwaardelijke verplichtingen voor het bouwen en het gebruik

In dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de wet biedt om voorwaardelijke verplichtingen in de regels op te nemen. Een voorwaardelijke verplichting is een regel in het bestemmingsplan waarmee bijvoorbeeld wordt bepaald dat een nieuwe functie wel is toegestaan of dat een bepaald gebouw mag worden gebouwd, maar alleen als óók de benodigde maatregelen worden getroffen en deze maatregelen in stand worden gelaten.

In het bestemmingsplan is onderscheid gemaakt in voorwaardelijke verplichtingen die zijn verbonden aan het bouwen en voorwaardelijke verplichtingen die zijn verbonden aan het gebruik. De basis hiervoor is artikel 2.22 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Binnen de bestemming Wonen zijn verschillende voorwaardelijke verplichtingen voor het bouwen opgenomen die:

  • een goede milieuafstemming tussen het gebruik van de woning en van de aardappelloods op het perceel Taaijersweg 12 moet borgen;
  • de harde koppeling leggen tussen de sloop van de aanwezige pluimveestallen op het perceel Taaijersweg 12 en de bouw van de woning op het perceel aan de Lageweg in Sirjansland;
  • de landschappelijke inpassing van het perceel Taaijersweg moeten borgen en de tijdige aanvraag van een omgevingsvergunning van de beoogde woning op dit perceel.

In de specifieke gebruiksregels van de bestemming Wonen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee is bepaald dat de landschappelijke inpassing aan de noordzijde van het perceel binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de bouw van woning op hetzelfde bouwperceel moet zijn gerealiseerd. De termijn van 18 maanden houdt verband met een plantseizoen en een periode van aanleg.

Toelichting op de overige specifieke gebruiksregels

Naast de voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van het gebruik van gronden en opstallen zijn specifieke gebruiksregels opgenomen die ook in andere bestemmingsplannen voorkomen. Het gaat daarbij om onder andere regels voor de opslag van goederen, omtrent een NED, voor een beroeps- of bedrijfsmatig gebruik van de woning en het aanbieden van bed & breakfast. Verder zijn seksinrichtingen niet toegestaan en zijn eisen gesteld aan lichtuitstraling naar het buitengebied. Omdat duisternis een omgevingskwaliteit is, is vastgelegd dat lichtmasten en lichtreclame niet zijn toegestaan en is de kleurtemperatuur van verlichting beperkt tot ten hoogste 2.700 Kelvin.

Verder is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee de bestemming Wonen (terug) kan worden gewijzigd in de bestemming Agrarisch als er geen woning is gebouwd of in aanbouw is en in het geval er geen ontvankelijke aanvraag is ingediend.

Artikel 6 Waarde - Archeologie - 6 en Artikel 7 Waarde - Archeologie - 7 

In het bestemmingsplan zijn 2 archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. De dubbelbestemmingen zijn met een arcering op de verbeelding weergegeven. De regeling heeft tot doel het behoud en de bescherming van het archeologisch erfgoed in de bodem. Hiervoor is het beleid zoals dat is vermeld in paragraaf 4.3.4 leidend. De regeling is gebaseerd op het bestemmingsplan Buitengebied

5.2.2 Toelichting op de overige regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Dit artikel is verplicht voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Bro. Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Om hiervan een voorbeeld te geven: stelt dat binnen de bestemming Wonen een bepaald percentage van het erf mag worden bebouwd. Indien het absolute oppervlak (uitgedrukt in m²) niet is bereikt, kan door het bijkopen van een stuk erf van het aangrenzend perceel extra bebouwing tot dit maximum worden gerealiseerd. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken.

Artikel 9 Algemene bouwregels 

Dit artikel bevat twee leden.

  • In lid 9.1 is een regeling opgenomen voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Deze bouwvlakken zijn op de verbeelding aangeduid met een dikke lijn.
  • Lid 9.2 bevat een regeling voor bestaande maten die afwijken van de voorgeschreven maten in deze regels. Het artikel betreft uitsluitend een bouwbepaling en geen gebruiksbepaling. Met deze bepaling wordt voorkomen dat bestaande bouwwerken, die wat betreft afstandsmaten of andere maten afwijken van de maatvoering zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan, - onbedoeld - geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht komen te vallen. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (3 augustus 2005) blijkt dat deze algemene bepaling aanvaardbaar is. Een gedetailleerde inventarisatie en individuele beoordeling van afwijkingen zijn niet nodig. Essentieel is dat het gaat om bevestiging van bestaande, afwijkende situaties, zodat bij beoordeling van bouwaanvragen direct duidelijk is welke maat bepalend is: namelijk de bestaande maat. Hiermee ligt objectief de strekking van de bepaling vast. Daar waar daadwerkelijk andere situaties worden nagestreefd, is dit door andere bestemmingen of bouwbepalingen vastgelegd. Dit komt overigens in dit bestemmingsplan niet voor. In de bepaling is nadrukkelijk vastgelegd dat op de bedoelde bestaande afwijkingen het overgangsrecht niet van toepassing is. Onder de oppervlaktematen valt ook het bebouwingspercentage.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

Dit artikel bevat slechts één bepaling, namelijk lid 10.1. Dit lid is een algemene flexibiliteitsbepaling om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. In de meeste gevallen gaat het om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad.

Deze bepaling gaat verder dan die van artikel 9 lid 9.1. Vandaar dat hier altijd een omgevingsvergunning voor afwijken voor nodig is.

Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig, gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels

Met de in lid 9.1 opgenomen regeling kunnen alleen grenzen van bouwvlakken worden overschreden omdat daarmee geen strijdig gebruik ontstaat. Om in voorkomende gevallen bestemmingsgrenzen beperkt te kunnen overschrijden, is in artikel 11 een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen om de in het plan opgenomen bestemmingen te kunnen wijzigen.

Artikel 12 Overige regels

Dit artikel bevat één bepaling, namelijk "Werking wettelijke regeling". In de regels van bestemmingsplannen wordt met enige regelmaat verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en / of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard). Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel "Wettelijke regelingen" op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In artikel 13 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 13.2 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 13.1 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.

Hoofdstuk 6 Financiële uitvoerbaarheid

Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemers (eigenaren van de in dit bestemmingsplan voorliggende locaties).

In de Wet ruimtelijke ordening zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente indien nieuwe bouwplannen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt door middel van een bestemmingsplan en er voor de gemeente sprake is van verhaalbare kosten (kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening). Doel hiervan is om bij de ontwikkeling van bouwlocaties een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen.

Alle aan de planontwikkeling verbonden kosten (zoals bijvoorbeeld plan- en procedurekosten, onderzoeken, gemeentelijke begeleiding eventuele claims voor planschade) zijn geheel voor rekening van initiatiefnemers. Dit wordt met beide initiatiefnemers anterieur geregeld in exploitatieovereenkomsten met de gemeente Schouwen-Duiveland. Daarnaast worden in deze overeenkomsten onder andere ook voorwaarden voor de realisering, beheer en onderhoud van de ruimtelijke kwaliteitswinst van de planontwikkeling vastgelegd. Enkele voorwaarden zijn het intrekken vergunningen op het Taaijersweg, het voorzetten van het gebruik van de aardappelloods en de onlosmakelijke samenhang tussen de locaties Taaijersweg en Lageweg en het realiseren van voldoende waterberging op laatstgenoemde locatie.

Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gegarandeerd. Voor de gemeente zijn er geen kosten en/of risico's verbonden aan de verwezenlijking van de (bestemmings)planontwikkeling. De ontwikkeling komt niet ten laste van de publieke middelen.

Hoofdstuk 7 Resultaten maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Resultaten vooroverleg

Het concept van het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) toegezonden aan de Provincie Zeeland, het Waterschap Scheldestromen en de Veiligheidsregio Zeeland. Van de veiligheidsregio is geen overlegreactie ontvangen. De provincie Zeeland heeft in een brief van 27 juli 2021 te kennen gegeven naar aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan geen opmerkingen te hebben.

Het Waterschap Scheldestromen heeft per e-mails van 29 juli 2021 en 4 augustus 2021 gereageerd (zie bijlage 9). Daarna heeft het waterschap op 10 augustus 2021 telefonisch gemeld dat de in hun mail van 4 augustus 2021 voor de Lageweg geuite wens voor verlegging van de bebouwde kom grens of anders overdacht van de weg naar de gemeente komt te vervallen. Deze is planologisch niet relevant voor voorliggende planontwikkeling. Het is louter bedoeld als melding van een wens die het waterschap zelf in een overleg met gemeente mogelijk nog ter bespreking zal inbrengen.

Voor het overige zijn de door het waterschap gemaakte opmerkingen als volgt samengevat en voorzien van een gemeentelijk antwoord.

Wegontsluiting (Taaijersweg 12, Kerkwerve en Lageweg ong. Sirjansland)

Overlegreactie

Beide percelen hebben een ontsluiting op wegen in beheer van het waterschap. Het waterschap attendeert de initiatiefnemers op de verkeersveiligheid bij het verlaten van de percelen en heeft aldus ten aanzien van het perceel Lageweg bedenkingen tegen het gebruik van de bestaande dam naast het persgemaal. Ruime obstakelvrije zichthoeken geven de perceelseigenaren zicht op een veilig gebruik van de weg (bij vertrek) én andere weggebruikers de mogelijkheid de snelheid aan te passen. De initiatiefnemer wordt verzocht de andere locatie voor de ontsluiting te gebruiken. Voor verharding van de uitrit én aansluiting op de weg van het waterschap is een ontheffing Keur wegen nodig.

Antwoord

De initiatiefnemer van de bouw van de woning op het perceel aan de Lageweg heeft naar aanleiding van deze reactie contact gehad (per e-mail en telefonisch op 24 november 2021) met de opzichter van het waterschap. Die heeft geadviseerd de dam naast het gemaal 4 meter in westelijke richting te verleggen. Initiatiefnemer en waterschap hebben dat er 3 dammen worden verwijderd (inclusief de dam naast het persgemaal) waarna er een wordt terug geplaatst, 4 meter ten westen van de huidige dam naast het persgemaal. De noodzakelijk ontheffing van het Keur wegen wordt aangevraagd. Gezien de overeenstemming die partijen hebben bereikt, is de verwachting dat deze ontheffing wordt verkregen.

Voor de locatie Taaijersweg 12 Kerkwerve heeft een woordvoerder van het waterschap bij nader inzien aangegeven dat de verkeerssituatie daar overzichtelijk is en dat er in principe niets verandert - een wateradvies voor afbraak van een gebouw is niet nodig.

Waterbeheer (Lageweg ong. Sirjansland)

Overlegreactie

Over dit initiatief (om een woning te bouwen) is eerder met het waterschap gesproken. In het toegestuurde plan ziet het waterschap een aantal wijzigingen die aandacht vragen. De ontwikkeling van een wadi aan de westzijde van het plangebied vraagt om een nader overlegmoment over beheer en onderhoud van oppervlaktewater. Ook de sloot aan de noordkant van het perceel is mogelijk onder voorwaarden én waarschijnlijk met een watervergunning.

Antwoord

Ook over deze reactie heeft de initiatiefnemer contact gehad met het waterschap. Het aanleggen van een nieuwe sloot aan de noordzijde van het bouwperceel en het verbreden van de bestaande sloot aan de westzijde van het perceel zorgen voor ruim voldoende waterberging ter plaatse. De wadi blijkt een verkeerde benaming voor een verbrede sloot waar waterdoorvoer plaats vindt. De maximale breedte wordt 2x de breedte van de nu aanwezige sloot. Dit is volgens een woordvoerder van het waterschap voldoende en bovendien praktisch met het oog op onderhoud. Onderhoud zal op de gebruikelijke manier plaats vinden, conform de keur van het waterschap.

De strook tussen de groensingel en de nieuw te graven sloot aan de noordzijde kan 3 meter blijven. Het onderhoud kan over het landbouwperceel ten noorden van de te graven sloot onderhoud worden verricht.

Voor het graven van de nieuwe sloot, het verbreden van de bestaande sloot, het verwijderen van de dammen en het plaatsen van de nieuwe dam wordt een watervergunning aangevraagd.

7.2 Resultaten zienswijzenprocedure

Het ontwerpbestemmingsplan heeft in het kader van de vaststellingsprocedure ex artikel 3.8 van de Wet ruimtelijk ordening 11 juli tot en met maandag 5 september 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder de gelegenheid geboden een zienswijze te geven op dit plan. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt: er zijn geen zienswijzen ingediend.

Hoofdstuk 8 Bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen

Na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan heeft met de initiatiefnemers verder overleg plaatsgevonden en zijn nadere afspraken gemaakt. Hierdoor is de gebruikelijke termijn waarbinnen een bestemmingsplan aan de raad wordt aangeboden voor vaststeling niet gehaald. De in het ontwerpbstemmingsplan genoemde termijn waarbinnen een ontvankelijke aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van een woning moest worden ingediend is daarmee gepasseerd. De termijn (opgenomen in artikel 5.2.1. onder c) is vanwege voorgaande redenen geschrapt. Dat geldt ook voor de beperking (in artikel 5.4.1. onder a) voor het uitoefenen van een nieuwe economische drager op het perceel Taaijersweg 12 en de datum van waaraf burgemeester en wethouders de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in 5.6.1 konden toepassen.

In verband met de aanpassingen die hiervoor zijn beschreven, is de toelichting op enkele kleine punten aangepast. De toelichting maakt geen deel uit van het juridische plan en voor de aanpassing daarvan is geen gewijzigde vaststelling nodig. Voorts is het stikstofonderzoek geactualiseerd. Dit heeft ook geleid tot kleine aanpassingen in de memo die is opgenomen in bijlage 3.