direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Buitengebied veegplan 2026
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1667.BPGveeg5019-VAST

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van diverse ontwikkelingen binnen het buitengebied van Reusel-De Mierden en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Reusel-De Mierden. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Reusel-De Mierden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. Bijlage 1 bij dit 'TAM-omgevingsplan Buitengebied veegplan 2026' bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan.
  • 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-omgevingsplan Buitengebied veegplan 2026', tenzij in Bijlage 1 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

bij toepassing van een dakkapel of dakopbouw met een breedte van meer dan 50% van het dakvlak wordt de bovenzijde daarvan als dakvlak aangemerkt;

2.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.6 peil:

de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse vanwaar het gebouw voornamelijk toegankelijk is dan wel de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwperceel;

2.7 toepassing van maten:

de in deze regels gegeven bepalingen omtrent plaatsing, afstanden en maten zijn niet van toepassing op goot- en kroonlijsten, schoorstenen, gasafvoer- en ontluchtingskanalen, antennes, balkons, galerijen, noodtrappen, luifels, liftkokers, ventilatiekanalen, afvoerpijpen van hemelwater, zonnepanelen, gevellijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en dergelijke bouwonderdelen.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2 van dit omgevingsplan, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'Buitengebied, veegplan 2026', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1667.BPGveeg5019-VAST zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Gebruiksdoel van gronden en bouwwerken (regels over gebruik)

Artikel 4 Algemeen

4.1 Toepassingsbereik

Hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan heeft betrekking op het gebruiksdoel en het gebruik van gronden en bouwwerken.

4.2 Vangnetbepaling

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een in hoofdstuk 2 aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 2 en 3.

4.3 Seksinrichting

Het is verboden gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens te gebruiken voor een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie.

4.4 Landschappelijke, cultuurhistorische- en natuurwaarden
4.4.1 Landschappelijke en cultuurhistorische waarden

Behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het algemeen en in het bijzonder de volgende landschappelijke en cultuurhistorische waarden:

4.4.2 Natuurwaarden

Gestreefd wordt naar behoud, herstel en ontwikkeling van natuurwaarden. Dit houdt in dat:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' het beleid is gericht op de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Maatregelen worden uitgevoerd op het gebied van de morfologie, zoals het laten hermeanderen van beken, het aanleggen van plas-draszones en het herstel van kwel. Naast de waterloop is ruimte nodig om de maatregelen goed te kunnen uitvoeren;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant' is het beleid gericht op het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.
4.4.3 Nota ruimtelijke kwaliteit

Bij de beoordeling van initiatieven, waaronder de beoordeling van de landschappelijke inpassing, vormen - met betrekking tot de bescherming en ontwikkeling landschapswaarden/ landschappelijke waarden - de gebiedspaspoorten, als opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit, mede het toetsingskader.

Artikel 5 Agrarisch

5.1 Algemene regels
5.1.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel Agrarisch

Dit artikel is van toepassing op de locatie 'Agrarisch'.

5.1.2 Toegestane agrarische activiteiten

Ter plaatse van 'Agrarisch' zijn de volgende agrarische activiteiten toegestaan:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. agrarische bedrijvigheid in de vorm van een (vollegronds) teeltbedrijf;
  • c. wonen in een bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • d. aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-verbonden bedrijf;
  • e. mestbewerking voor ter plaatse, op het eigen bedrijf, geproduceerde mest;
  • f. behoud en bescherming van de landschappelijke waarden;
  • g. behoud en bescherming van de natuurwaarden;
  • h. behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. extensief recreatief medegebruik;
  • k. nutsvoorzieningen;
  • l. erfbeplanting;
  • m. bestaande (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • n. perceelsontsluitingen;met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en met inachtneming van het bepaalde in 5.1.3.
5.1.3 Specifieke activiteiten
a Specifieke agrarische activiteiten

Ter plaatse van onderstaande aanduidingen zijn naast 5.1.2 ook de volgende activiteiten toegestaan, waarvoor aanvullende regels gelden:

Specifieke vorm van agrarisch - loonwerk  
Toegestane bedrijvigheid
   
een agrarisch loonbedrijf    
b Aan huis-verbonden-beroep- en bedrijf

De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een aan-huis-verbonden bedrijf, zoals opgenomen in Bijlage 3 Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, is toegestaan als ondergeschikte activiteit in bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt maximaal 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 45 m²;
  • b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  • c. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woon- en bedrijfsomgeving;
  • d. detailhandel is niet toegestaan;
  • e. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner.
c Overige toegestane activiteiten

Het hiernavolgende gebruik van gronden en opstallen is toegestaan:

  • a. het bouwen van carnavals- en corsowagens binnen het bouwvlak;
  • b. het verharden van gronden voor perceelsontsluiting binnen de aanduiding 'bouwvlak' alsmede tussen de voorzijde van de aanduiding 'bouwvlak' en de openbare weg waarop het bouwperceel ontsloten wordt;
  • c. productiegebonden detailhandel als nevenactiviteit, waarbij de totale gezamenlijke verkoopvloeroppervlakte per agrarisch bedrijf maximaal 100 m2 bedraagt;
  • d. statische opslag als nevenactiviteit en uitsluitend inpandig, waarbij de totale gezamenlijke vloeroppervlakte per agrarisch bedrijf maximaal 1.000 m2 bedraagt;
  • e. het inrichten en gebruiken van een boerenterras met een totale gezamenlijke oppervlakte per agrarisch bedrijf van maximaal 50 m2, waarbij parkeren voor het boerenterras op eigen terrein dient plaats te vinden.
5.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
5.2.1 Omgevingsvergunning nevenactiviteit
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning andere nevenactiviteiten te verrichten dan de activiteiten in artikel 5.1.
  • 2. De omgevingsvergunning, bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. de agrarische functie op het perceel als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar blijft;
    • b. voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten geldt dat de volgende functies bij het agrarische bedrijf zijn toegestaan:
      • recreatieve voorzieningen met een maximum van 750 m²;
      • zorgboerderij met een maximum van 375 m²;
      • bed & breakfast, met maximaal 5 kamers/logeereenheden tot een maximum van in totaal 150 m²;
      • een overig niet-agrarisch bedrijf met een maximum van 400 m².

met dien verstande dat bij cumulatie van meerdere vormen van verbrede landbouw en/of nevenactiviteiten, met uitzondering van opslag/kleinschalig kamperen, het totale daarvoor te gebruiken bedrijfsvloeroppervlakte niet mag meer bedragen dan 25% van het bedrijfsvloeroppervlakte tot een maximum van 750 m².

    • a. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • b. de verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
    • c. de verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven
    • d. er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.2.2 Omgevingsvergunning tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (gebruik)
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' te gebruiken voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn.
  • 2. De omgevingsvergunning, bedoeld in lid 1 wordt verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. de oppervlakte bedraagt maximaal 2,5 ha;
    • b. de in 4.4 aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
5.2.3 Omgevingsvergunning spuitzone
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kleinere afstand te hanteren dan opgenomen in 5.3 sub f.
  • 2. De omgevingsvergunning, bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend als het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of van het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies.
5.2.4 Omzetten bouwvlak naar overig agrarisch bedrijf
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning om te schakelen naar een overig agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij- of glastuinbouwbedrijf, binnen een bestaand bouwvlak.
  • 2. De omgevingsvergunning, bedoeld in lid 1 wordt verleend als:
    • a. er is geen sprake van toename van de stikstofemissie;
    • b. de omvang van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 1,5 ha.;
    • c. er dient vooraf advies te worden ingewonnen bij een agrarisch adviseur inzake de volwaardigheid van het agrarische bedrijf en de noodzaak van een bedrijfswoning;
    • d. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
    • e. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • f. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    • g. op de locatie is geen sprake geweest van een sloopregeling van bedrijfsgebouwen zoals de regeling “Ruimte-voor-ruimte” of Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV);
    • h. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel en als dit bijdraagt aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied;
    • i. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
5.2.5 Ontwikkelmogelijkheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning als bedoeld in 21.4 de volgende activiteiten aan te vangen:

  • a. wonen in een voormalige agrarische bedrijfswoning;
  • b. een niet-agrarisch bedrijf;
  • c. statische opslag;
  • d. een recreatiebedrijf in de vorm van dag- en/of verblijfsrecreatie;
  • e. een horecabedrijf;
  • f. maatschappelijke- en/of zorgvoorzieningen;
  • g. duurzame energie in de vorm van zonnepanelen op gronden.
5.2.6 Ontwikkelmogelijkheden agrarisch bedrijf

Ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' en/of de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' is een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij door het oprichten van bebouwing en/of door het in gebruik nemen van aanwezige bebouwing als dierenverblijf uitsluitend toegestaan na verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in 21.5;
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' geldt het bepaalde in 20.3.
5.3 Verboden activiteiten

De volgende activiteiten zijn verboden:

  • a. het houden van dieren op meer dan één bouwlaag binnen bedrijfsgebouwen, met uitzondering van:
    • 1. volière- en scharrelstallen voor legkippen waar maximaal twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
    • 2. legaal bestaande situaties;
  • b. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn;
  • c. uitbreiding voor een geitenhouderij(tak) is niet toegestaan;
  • d. mestbewerking anders dan voor ter plaatse, op het eigen bedrijf, geproduceerde mest;
  • e. opslag buiten de aanduiding 'bouwvlak';
  • f. de uitoefening van (vollegronds)fruit- en/of boomteelt binnen een afstand van 50 m tot de grenzen van de locatiegrenzen van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, behoudens:
    • 1. bestaand gebruik van de gronden ten behoeve van (vollegronds)fruit- en/of boomteelt;
    • 2. indien het biologische (vollegronds)fruit- en/of boomteelt betreft;
  • g. een kleinschalig kampeerterrein binnen 50 m van bestaande (vollegronds)fruit- en/of boomteelt;
  • h. het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken.
5.4 Ruimtelijke regels over bouwwerken
5.4.1 Algemeen
  • 1. Dit lid is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
  • 2. Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in dit lid opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
  • 3. Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met:
    • a. een ter plaatse geldend gebruiksdoel, bedoeld in Artikel 5; of
    • b. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
5.4.2 Regels bouwvlak

Voor het bouwen gelden de volgende algemene regels:

  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - onbebouwd bouwvlak' geen bebouwing is toegestaan;
  • b. er mogen uitsluitend bouwwerken voor reëel agrarische bedrijven worden gebouwd. Hiertoe kan advies van een agrarisch adviseur worden ingewonnen;
  • c. per aanduiding 'bouwvlak' is maximaal één bedrijf toegestaan;
  • d. per aanduiding 'bouwvlak' is maximaal één bedrijfswoning met daarbij behorende bijgebouwen toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' een bedrijfswoning is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het met deze aanduiding aangegeven aantal woningen als maximum aantal bedrijfswoningen geldt.
5.4.3 Maatvoering en situering bouwwerken binnen bouwvlak
Bouwwerken algemeen    
Situering bouwwerken algemeen     niet vóór de voorgevel van de bedrijfswoning en het
verlengde daarvan indien geen bedrijfswoning aanwezig is, dan minimaal 15 m tot de as van de openbare weg

bovenstaande situeringseisen gelden niet voor erfafscheidingen met een bouwhoogte van max. 1 m  
Afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste bouwgrens     min. 5 m    
Bedrijfsgebouwen    
Goothoogte   ter plaatse van de aanduiding overige zone - buurtschappen en linten: max 4 m.
overig: max. 5 m    
Bouwhoogte   ter plaatse van de aanduiding overige zone - buurtschappen en linten: max 10 m.
overig: max . 12 m    
Dakhelling   minimaal 12° en maximaal 60°    
Ruimtelijke kwaliteitsborging     nieuwe bedrijfsgebouwen met een bebouwde oppervlakte groter dan 100 m2 zijn uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat het bouwvlak is voorzien van een zorgvuldige landschappelijke inpassing en deze ook duurzaam in stand wordt gehouden.    
Teeltondersteunende kassen    
Situering   binnen een bouwvlak    
Bouwhoogte   max. 5 m    
Oppervlakte   max. 5.000 m2    
Bedrijfswoningen    
Goothoogte   max. 4 m    
Bouwhoogte   max 10 m    
Dakhelling   minimaal 20° en maximaal 60° met uitzondering van ondergeschikte delen, zoals serres    
Inhoud   max. 750 m3
indien de feitelijk aanwezige, legale inhoudsmaat meer bedraagt dan de hiervoor aangegeven maximaal toegestane inhoud, geldt de feitelijk aanwezige, legale inhoudsmaat als de maximale toegestane inhoud  
Situering
   
bij vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning(en) mag de bedrijfswoning uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande funderingen en, in geval van uitbreiding, daar direct op aansluitend; de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en) en de maximale inhoud van de nieuw te bouwen bedrijfswoning bedraagt 750 m3    

Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen    
Situering     min. 3 m achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning
max. 20 m van de bedrijfswoning    
Goothoogte   max. 3,2 m   
Bouwhoogte   max 5,5 m    
Dakhelling   minimaal 20° en maximaal 60° met uitzondering van ondergeschikte delen, zoals serres    
gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning   max. 150 m2    
Sloop bonus regeling     bij sloop van een legaal feitelijk aanwezig bijbehorend bouwwerk, mag de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken worden verruimd met 50% van de te slopen oppervlakte tot een maximum van 200m²  
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde    
Bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw   max. 1 m    
Bouwhoogte overige erf- en terreinafscheidingen   max. 2 m    
Bouwhoogte teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen   max. 3,5 m    
Bouwhoogte van kleinschalige windmolens   max. 12 m
maximaal 1 kleinschalige windmolen per bouwvlak    
Bouwhoogte torensilo's en voedersilo's   max. 12 m    
Bouwhoogte mestsilo's   max. 8,5 m    
Bouwhoogte sleufsilo's   max. 2,5 m    
Bouwhoogte mestbewerkingsinstallatie   max. 12 m    
Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde   max. 4 m    
Ruimtelijke kwaliteitsborging

   
nieuwbouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bebouwde oppervlakte groter dan 100 m2 zijn uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat het bouwvlak is voorzien van een zorgvuldige landschappelijke inpassing en deze ook duurzaam in stand wordt gehouden    
Onoverdekte zwembaden    
Situering     achter de achtergevelrooilijn van de bedrijfswoning
max. 20 m van de bedrijfswoning af  
Oppervlakte   max. 100 m²    
Carports        
Situering   achter de voorgevel van de bedrijfswoning    
Bouw- en goothoogte   max. 3,2 m    
Oppervlakte   max. 30 m²    
5.4.4 Maatvoering en situering bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde    
Bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen   max. 1 m    

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen    
Situering     niet ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' en/of 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied'    
Bouwhoogte   max. 3,2 m    
Oppervlakte   max. 2,5 ha    
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde    
Bouwhoogte     max. 2 m    
5.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
5.5.1 Bouwen op kleinere afstand tot de as van de openbare weg
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan te bouwen op een kleinere afstand tot de as van de openbare weg.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving;
    • b. het stedenbouwkundig en landschappelijk beeld niet worden aangetast;
    • c. de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
    • d. de wegbeheerder wordt gehoord;
    • e. indien het een woning of ander geluidsgevoelig object betreft, wordt voldaan aan de geluidnormen zoals opgenomen in het Bkl;
    • f. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
5.5.2 Het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse en/of achterste bouwgrens
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan te bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse en/of achterste bouwgrens als opgenomen in lid 5.4.3.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving;
    • b. het stedenbouwkundig en landschappelijk beeld niet worden aangetast;
    • c. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
    • d. aannemelijk kan worden gemaakt dat voldoende ruimte aanwezig is rondom het nieuw te bouwen gebouw voor eventueel benodigde erfverharding, silo's en luchtwassers.
5.5.3 Het bouwen van gebouwen/bouwwerken vóór de voorgevel van de bedrijfswoning en het verlengde daarvan worden gesitueerd
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan het bouwen van gebouwen/bouwwerken voor de voorgevel van de bedrijfs en het verlengde daarvan worden gesitueerd.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving;
    • b. indien het een woning of ander geluidsgevoelig object betreft, wordt voldaan aan de geluidnormen zoals opgenomen in het Bkl;
    • c. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
5.5.4 Omgevingsvergunning voor het afwijken van de maatvoering
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan de volgende activiteiten te verrichten, waarbij wordt afgeweken van de maatvoering zoals opgenomen in 5.4.3:
    • a. het bouwen met een hogere goothoogte voor bedrijfswoningen tot maximaal 5 m, mits gelegen binnen de jonge heideontginningen of bossen/vennen zoals opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit;
    • b. het bouwen met een hogere goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen tot maximaal 7 m respectievelijk 13 m;
    • c. het bouwen van kassen bij een glastuinbouwbedrijf met een grotere hoogte tot maximaal 7 m goothoogte en een bouwhoogte van maximaal 10 m;
    • d. het bouwen van teeltondersteunende kassen met een grotere hoogte tot maximaal 7 m;
    • e. het bouwen van een lagere dakhelling bij bedrijfswoningen, indien dit beter past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van het gebouw ten opzichte van de omgeving;
    • f. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk op een afstand van meer dan 20 m van de bedrijfswoning indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel;
    • g. het bouwen van terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn met een hoogte van maximaal 2 m
    • h. het bouwen van kleinschalige windmolens tot een hoogte van maximaal 15 m;
    • i. het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde tot een hoogte van maximaal 6 m;
    • j. het bouwen van een dak op een mestsilo binnen het bouwvlak tot een maximale bouwhoogte van 12 meter;
    • k. het bouwen van een kap op een carport.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving.
5.5.5 Omgevingsvergunning inpandige uitbreiding bedrijfswoning
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van de maatvoering zoals opgenomen in 5.4.3, niet toegestaan het bouwen van een bedrijfswoning met een inhoud groter dan 750 m3.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. de bedrijfswoning onderdeel is van een woonboerderijpand, waarbij de voormalige agrarische inpandige stalgedeelten bij de woning kunnen worden gevoegd;
    • b. er is uitsluitend sprake van inpandige verbouw;
    • c. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf;
    • d. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
    • e. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;
    • f. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • g. er moet voldaan worden aan de eisen die gelden ingevolge het Bkl.
5.5.6 Omgevingsvergunning herbouw bedrijfswoning
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, niet toegestaan een bedrijfswoning te herbouwen op een andere locatie dan als bepaald in 5.4.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. Bij herbouw van de bedrijfswoning zijn de bouwregels van artikel 5.4 onverminderd van toepassing.
    • b. De herbouw dient op de andere locatie stedenbouwkundig aanvaardbaar te zijn.
  • 3. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
  • 4. De ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt.
  • 5. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • 6. Er moet voldaan worden aan de eisen die gelden ingevolge de Besluit kwaliteit leefomgeving.
  • 7. De voormalige bedrijfswoning dient te worden gesloopt.
5.5.7 Omgevingsvergunning bouwwerken voor tijdelijke werknemers
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan om een logiesverblijf voor tijdelijke werknemers te realiseren.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het logiesverblijf dient in legaal aanwezige of te realiseren bedrijfsgebouwen te worden gerealiseerd;
    • b. de huisvesting is nodig voor een doelmatige bedrijfsvoering. De huisvesting dient te worden gebruikt voor de huisvesting van personen, wier huisvesting daar ter plaatse gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is vanwege een tijdelijk grote arbeidsbehoefte op het eigen bedrijf;
    • c. de huisvesting kan niet plaats vinden in de eigen bedrijfswoning;
    • d. huisvesting in legaal aanwezige bedrijfsbebouwing is toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 160 m² per bedrijf (incl. sanitair en gemeenschappelijk verblijf) gedurende maximaal 8 maanden;
    • e. in afwijking van het bepaalde onder c. kunnen maximaal 3 woonunits worden toegestaan, indien de bestaande bedrijfsbebouwing ontoereikend is, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • de woonunits zijn gedurende een periode van maximaal 8 maanden toegestaan;
      • de gezamenlijke oppervlakte van de woonunits bedraagt maximaal 90 m2.
    • f. er dient te worden voldaan aan de regels van het SNF keurmerk; eisen aan huisvesting gesteld door de Stichting Normering Flexwonen (SNF) of diens rechtsopvolger(s), aan te tonen door een certificaat;
    • g. permanente bewoning is niet toegestaan;
    • h. er dient vooraf advies te worden ingewonnen van een agrarisch adviseur inzake de noodzaak van de huisvesting van tijdelijke werknemers in het licht van een doelmatige bedrijfsvoering;
    • i. er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen;
    • j. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
    • k. er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
    • l. er dient op eigen terrein te worden voldaan aan de parkeerbehoefte;
    • m. de verkeersaantrekkende werking dient afgestemd te zijn op de feitelijke ontsluitingssituatie.
5.5.8 Omgevingsvergunning schuilhutten
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan om schuilhutten te realiseren.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het perceel is gelegen binnen de kernrandzone;
    • b. de bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 20 m2 per 1,5 ha;
    • c. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m;
    • d. aangetoond moet zijn dat het noodzakelijk is de schuilhut buiten de aanduiding 'bouwvlak', dan wel functievlak 'Wonen' te situeren;
    • e. uitsluitend hobbymatig gebruik is toegestaan;
    • f. de in de functieomschrijving opgenomen waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
    • g. er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
5.5.9 Omgevingsvergunning tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan om tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren binnen de gebieden 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' en/of 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied'.
  • 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het vergroten van de maximaal toegestane oppervlakte naar maximaal 5 ha, mits:
      • aangetoond is dat deze vergroting noodzakelijke is uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling, hierover kan advies gevraagd worden aan een agrarisch adviseur;
      • de vergroting niet plaatsvindt ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied' en/of 'overige zone - behoud en herstel watersystemen', tenzij is aangetoond dat de aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast';
      • de vergroting niet leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
5.5.10 Omgevingsvergunning bouwen buiten bouwvlak
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan om de gebouwen en/of bouwwerken aangegeven in 5.4.2 en 5.4.4 buiten het bouwvlak te bouwen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' mag het toekomstig herstel van het natuurlijk watersysteem, niet worden geschaad;
    • b. oprichting van bebouwing buiten het bouwvlak niet mag leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB;
    • c. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen:
      • Landschappelijke inpassing: er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan. Voor veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' geldt dat de oppervlakte van de inpassing minimaal 10% van de gezamenlijke oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' en de bebouwing waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend dient te bedragen. Voor de landschappelijke inpassing vormen de gebiedspaspoorten van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit het toetsingskader.
      • kwaliteitswinst: er vindt een kwaliteitswinst van het landschap plaats;
    • d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    • e. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • f. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf;
    • g. het oprichten van bebouwing buiten de aanduiding 'bouwvlak' is noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling, waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen;
    • h. advies kan worden gevraagd aan een agrarisch adviseur over het bepaalde onder f en g;
    • i. voldaan wordt aan de maatvoeringseisen als opgenomen in 5.4;
    • j. de ontwikkeling mag niet leiden tot een toename van stikstofemissie vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
    • k. er is sprake van hydrologisch neutraal bouwen;
    • l. voor (vollegronds)teeltbedrijven gelden de volgende bepalingen:
      • de gezamenlijke oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' en de bebouwing buiten het bouwvlak waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend bedraagt maximaal 2,0 ha;
      • indien de aanduiding 'bouwvlak' groter is dan 2,0 ha, kan in afwijking van het bepaalde onder 1. een omgevingsvergunning voor het oprichten van bebouwing buiten het bouwvlak met een oppervlakte van maximaal 25% van de oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' worden verleend;
      • indien de aanduiding 'bouwvlak' groter is dan 2,0 ha, kan in afwijking van het bepaalde onder 1. een omgevingsvergunning voor het plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak worden verleend indien dit noodzakelijk is en met dien verstande dat de gezamenlijke omvang van permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen en buiten de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 3,0 ha mag bedragen;
      • de bouw of uitbreiding van kassen is niet toegestaan;
    • m. voor glastuinbouwbedrijven ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' geldt dat een uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan.
5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.6.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. Algemeen:
    • 1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen':
    • 1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlaktes;
    • 2. het ophogen van gronden;
  • c. er plaatse van de aanduiding 'overige zone - openheid' :
    • 1. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie, behoudens het aanleggen en/of aanplanten in het kader van landschappelijke inpassing;
    • 2. het aanleggen of aanplanten van hoger dan 1,5 m opgaand of dieper dan 0,40 m wortelend houtgewas (en bamboe) met agrarische productiefunctie.
  • d. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied':
    • 1. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,40 m wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van een steilrand worden gewijzigd;
    • 2. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren;
    • 3. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
    • 4. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
    • 5. het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilrand en het verwijderen van paden of onverharde wegen;
    • 6. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
5.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 5.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. welke plaatshebben ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • c. welke ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan legaal in uitvoering waren;
  • d. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer;
  • e. die worden verricht in het kader van vruchtwisseling.
5.6.3 Beoordelingsregels

De in 5.6.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. het bepaalde in 5.6.1 noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dan wel voor landschapsbeheer;
  • b. na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 5.1.

Artikel 6 Agrarisch met waarden - Landschap

6.1 Algemene regels
6.1.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel Agrarisch met waarden - Landschap

Dit artikel is van toepassing op de locatie 'Agrarisch met waarden - Landschap'.

6.1.2 Toegestane agrarische activiteiten

Ter plaatse van 'Agrarisch met waarden - Landschap' zijn de volgende agrarische activiteiten toegestaan:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. agrarische bedrijvigheid in de vorm van een (vollegronds) teeltbedrijf;
  • c. wonen in een bedrijfswoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • d. aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-verbonden bedrijf;
  • e. mestbewerking voor ter plaatse, op het eigen bedrijf, geproduceerde mest;
  • f. behoud en bescherming van de landschappelijke waarden;
  • g. behoud en bescherming van de natuurwaarden;
  • h. behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. extensief recreatief medegebruik;
  • k. nutsvoorzieningen;
  • l. erfbeplanting;
  • m. bestaande (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • n. perceelsontsluitingen;
  • o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschappelijke inpassing tevens voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen;
  • p. met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en met inachtneming van het bepaalde in 6.1.3.
6.1.3 Specifieke activiteiten
a Specifieke grrische activiteiten

Ter plaatse van onderstaande aanduidingen zijn naast 6.1.2 ook de volgende activiteiten toegestaan, waarvoor aanvullende regels gelden:

Glastuinbouw    
Toegestane bedrijvigheid
   
een glastuinbouwbedrijf    
Grondgebonden veehouderij  
Toegestane bedrijvigheid
   
een grondgebonden veehouderij; en/of
een melkrundveehouderij,
uitsluitend voor met een vergunning en/of melding toegestane diersoort(en)
   
Voorwaarden voor houden van dieren

   
geen uitbreiding dierenverblijven
 
b Aan huis-veronden-eroep- en bedrijf

De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een aan-huis-verbonden bedrijf, zoals opgenomen in Bijlage 3 Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, is toegestaan als ondergeschikte activiteit in bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt maximaal 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 45 m²;
  • b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  • c. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woon- en bedrijfsomgeving;
  • d. detailhandel is niet toegestaan;
  • e. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner.
c Overige toegestane ativiteiten

Het hiernavolgende gebruik van gronden en opstallen is toegestaan:

  • a. het bouwen van carnavals- en corsowagens binnen het bouwvlak;
  • b. het verharden van gronden voor perceelsontsluiting binnen de aanduiding 'bouwvlak' alsmede tussen de voorzijde van de aanduiding 'bouwvlak' en de openbare weg waarop het bouwperceel ontsloten wordt;
  • c. productiegebonden detailhandel als nevenactiviteit, waarbij de totale gezamenlijke verkoopvloeroppervlakte per agrarisch bedrijf maximaal 100 m2 bedraagt;
  • d. statische opslag als nevenactiviteit en uitsluitend inpandig, waarbij de totale gezamenlijke vloeroppervlakte per agrarisch bedrijf maximaal 1.000 m2 bedraagt;
  • e. het inrichten en gebruiken van een boerenterras met een totale gezamenlijke oppervlakte per agrarisch bedrijf van maximaal 50 m2, waarbij parkeren voor het boerenterras op eigen terrein dient plaats te vinden.
6.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
6.2.1 Omgevingsvergunning nevenactiviteit
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning andere nevenactiviteiten te verrichten dan de activiteiten in artikel 6.1.
  • 2. De omgevingsvergunning, bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • a. de agrarische functie op het perceel als hoofdfunctie aanwezig en herkenbaar blijft;
    • b. voor verbrede landbouw en nevenactiviteiten geldt dat de volgende functies bij het agrarische bedrijf zijn toegestaan:
      • recreatieve voorzieningen met een maximum van 750 m²;
      • zorgboerderij met een maximum van 375 m²;
      • bed & breakfast, met maximaal 5 kamers/logeereenheden tot een maximum van in totaal 150 m²;
      • een overig niet-agrarisch bedrijf met een maximum van 400 m².

met dien verstande dat bij cumulatie van meerdere vormen van verbrede landbouw en/of nevenactiviteiten, met uitzondering van opslag/kleinschalig kamperen, het totale daarvoor te gebruiken bedrijfsvloeroppervlakte niet mag meer bedragen dan 25% van het bedrijfsvloeroppervlakte tot een maximum van 750 m².

    • a. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • b. de verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
    • c. de verbrede landbouw en/of nevenactiviteit mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven
    • d. er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
6.2.2 Omgevingsvergunning spuitzone
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een kleinere afstand te hanteren dan als opgenomen in 6.3 sub e en f.
  • 2. De omgevingsvergunning, bedoeld in lid 1 wordt alleen verleend als het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of van het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies.
6.2.3 Omzetten bouwvlak naar overig agrarisch bedrijf
  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning om te schakelen naar een overig agrarisch bedrijf binnen het bouwvlak.
  • 2. De omgevingsvergunning, bedoeld in lid 1 wordt verleend als:
    • a. er is geen sprake van toename van de stikstofemissie;
    • b. de omvang van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 1,5 ha.;
    • c. er dient vooraf advies te worden ingewonnen bij een agrarisch adviseur inzake de volwaardigheid van het agrarische bedrijf en de noodzaak van een bedrijfswoning;
    • d. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
    • e. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • f. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    • g. op de locatie is geen sprake geweest van een sloopregeling van bedrijfsgebouwen zoals de regeling “Ruimte-voor-ruimte” of Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV);
    • h. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gaat de ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de groenblauwe mantel en als dit bijdraagt aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied;
    • i. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
6.2.4 Ontwikkelmogelijkheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsplan zoals bedoeld in 21.4 de volgende activiteiten aan te vangen:

  • a. wonen in een voormalige agrarische bedrijfswoning;
  • b. een niet-agrarisch bedrijf;
  • c. statische opslag;
  • d. een recreatiebedrijf in de vorm van dag- en/of verblijfsrecreatie;
  • e. een horecabedrijf;
  • f. maatschappelijke- en/of zorgvoorzieningen;
  • g. duurzame energie in de vorm van zonnepanelen op gronden.
6.2.5 Ontwikkelmogelijkheden agrarisch bedrijf

Ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' en/of de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' is een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij door het oprichten van bebouwing en/of door het in gebruik nemen van aanwezige bebouwing als dierenverblijf uitsluitend toegestaan na verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in 21.5;
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' geldt het bepaalde in 20.3.
6.3 Verboden activiteiten

De volgende activiteiten zijn verboden:

  • a. het houden van dieren op meer dan één bouwlaag binnen bedrijfsgebouwen, met uitzondering van:
    • 1. volière- en scharrelstallen voor legkippen waar maximaal twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
    • 2. legaal bestaande situaties;
  • b. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor zover deze geen bouwwerken zijn;
  • c. mestbewerking anders dan voor ter plaatse, op het eigen bedrijf, geproduceerde mest;
  • d. opslag buiten de aanduiding 'bouwvlak';
  • e. de uitoefening van (vollegronds)fruit- en/of boomteelt binnen een afstand van 50 m tot de grenzen van de locatiegrenzen van voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, behoudens:
    • 1. bestaand gebruik van de gronden ten behoeve van (vollegronds)fruit- en/of boomteelt;
    • 2. indien het biologische (vollegronds)fruit- en/of boomteelt betreft;
  • f. en kleinschalig kampeerterrein binnen 50 m van bestaande (vollegronds)fruit- en/of boomteelt;
  • g. het gebruik van gronden en bouwwerken, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden of bouwwerken.
6.4 Ruimtelijke regels over bouwwerken
6.4.1 Algemeen
  • 1. Dit lid is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
  • 2. Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in dit lid opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
  • 3. Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met:
    • a. een ter plaatse geldend gebruiksdoel, bedoeld in Artikel 6; of
    • b. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
6.4.2 Regels bouwvlak

Voor het bouwen gelden de volgende algemene regels:

  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. er mogen uitsluitend bouwwerken voor reëel agrarische bedrijven worden gebouwd. Hiertoe kan advies van een agrarisch adviseur worden ingewonnen;
  • c. per aanduiding 'bouwvlak' is maximaal één bedrijf toegestaan;
  • d. per aanduiding 'bouwvlak' is maximaal één bedrijfswoning met daarbij behorende bijgebouwen toegestaan, met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' een bedrijfswoning is toegestaan.
6.4.3 Maatvoering en situering bouwwerken binnen bouwvlak
Bouwwerken algemeen    
Situering bouwwerken algemeen     niet vóór de voorgevel van de bedrijfswoning en het
verlengde daarvan indien geen bedrijfswoning aanwezig is, dan minimaal 15 m tot de as van de openbare weg

bovenstaande situeringseisen gelden niet voor erfafscheidingen met een bouwhoogte van max. 1 m  
Afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste bouwgrens     min. 5 m    
Bedrijfsgebouwen    
Goothoogte   ter plaatse van de aanduiding overige zone - buurtschappen en linten: max 4 m.
overig: max. 5 m    
Bouwhoogte   ter plaatse van de aanduiding overige zone - buurtschappen en linten: max 10 m.
overig: max . 12 m    
Dakhelling   minimaal 12° en maximaal 60°    
Ruimtelijke kwaliteitsborging     nieuwe bedrijfsgebouwen met een bebouwde oppervlakte groter dan 100 m2 zijn uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat het bouwvlak is voorzien van een zorgvuldige landschappelijke inpassing en deze ook duurzaam in stand wordt gehouden.    
Maximum omvang bedrijfsgebouwen   ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' bedraagt de maximum oppervlak aan bedrijfsgebouwen niet meer dan is aangegeven.  
Kassen glastuinbouwbedrijf    
Situering   ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw'    
Goothoogte   max. 6 m    
Bouwhoogte   max. 7,5 m    
Oppervlakte   max. 4,33 ha    
Teeltondersteunende kassen    
Situering   binnen een bouwvlak    
Bouwhoogte   max. 5 m    
Oppervlakte   max. 5.000 m2    
Bedrijfswoningen    
Goothoogte   max. 4 m    
Bouwhoogte   max 10 m    
Dakhelling   minimaal 20° en maximaal 60° met uitzondering van ondergeschikte delen, zoals serres    
Inhoud   max. 750 m3
indien de feitelijk aanwezige, legale inhoudsmaat meer bedraagt dan de hiervoor aangegeven maximaal toegestane inhoud, geldt de feitelijk aanwezige, legale inhoudsmaat als de maximale toegestane inhoud  
Situering
   
bij vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning(en) mag de bedrijfswoning uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande funderingen en, in geval van uitbreiding, daar direct op aansluitend; de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en) en de maximale inhoud van de nieuw te bouwen bedrijfswoning bedraagt 750 m3    

Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen    
Situering     min. 3 m achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning
max. 20 m van de bedrijfswoning    
Goothoogte   max. 3,2 m   
Bouwhoogte   max 5,5 m    
Dakhelling   minimaal 20° en maximaal 60° met uitzondering van ondergeschikte delen, zoals serres    
gezamenlijke oppervlakte per bedrijfswoning   max. 150 m2    
Sloop bonus regeling     bij sloop van een legaal feitelijk aanwezig bijbehorend bouwwerk, mag de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken worden verruimd met 50% van de te slopen oppervlakte tot een maximum van 200m²  
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde    
Bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw   max. 1 m    
Bouwhoogte overige erf- en terreinafscheidingen   max. 2 m    
Bouwhoogte teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen   max. 3,5 m    
Bouwhoogte van kleinschalige windmolens   max. 12 m
maximaal 1 kleinschalige windmolen per bouwvlak    
Bouwhoogte torensilo's en voedersilo's   max. 12 m    
Bouwhoogte mestsilo's   max. 8,5 m    
Bouwhoogte sleufsilo's   max. 2,5 m    
Bouwhoogte mestbewerkingsinstallatie   max. 12 m    
Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde   max. 4 m    
Ruimtelijke kwaliteitsborging

   
nieuwbouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een bebouwde oppervlakte groter dan 100 m2 zijn uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat het bouwvlak is voorzien van een zorgvuldige landschappelijke inpassing en deze ook duurzaam in stand wordt gehouden    
Onoverdekte zwembaden    
Situering     achter de achtergevelrooilijn van de bedrijfswoning
max. 20 m van de bedrijfswoning af  
Oppervlakte   max. 100 m²    
Carports        
Situering   achter de voorgevel van de bedrijfswoning    
Bouw- en goothoogte   max. 3,2 m    
Oppervlakte   max. 30 m²    
6.4.4 Maatvoering en situering bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde    
Bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen   max. 1 m    

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen    
Situering     niet ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' en/of 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol object'    
Bouwhoogte   max. 3,2 m    
Oppervlakte   max. 2,5 ha    
Overige voorzieningen, zoals mestsilo's, sleufsilo's, paardenbakken, opslag, mestbassins, waterbassins, permanente teeltondersteunende voorzieningen e.d.    
Situering ruwvoeropslag veehouderij     ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ruwvoeropslag' is uitsluitend ruwvoeropslag toegestaan.  
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde    
Bouwhoogte     max. 2 m    
6.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
6.5.1 Bouwen op kleinere afstand tot de as van de openbare weg
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan te bouwen op een kleinere afstand tot de as van de openbare weg.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving
    • 2. het stedenbouwkundig en landschappelijk beeld niet worden aangetast;
    • 3. de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
    • 4. de wegbeheerder wordt gehoord;
    • 5. indien het een woning of ander geluidsgevoelig object betreft, wordt voldaan aan de geluidnormen zoals opgenomen in het Bkl;
    • 6. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
6.5.2 Het bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse en/of achterste bouwgrens
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan te bouwen op een kortere afstand tot de zijdelingse en/of achterste bouwgrens als opgenomen in lid 6.4.3.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving;
    • b. het stedenbouwkundig en landschappelijk beeld niet worden aangetast;
    • c. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;
    • d. aannemelijk kan worden gemaakt dat voldoende ruimte aanwezig is rondom het nieuw te bouwen gebouw voor eventueel benodigde erfverharding, silo's en luchtwassers.
6.5.3 Het bouwen van gebouwen/bouwwerken vóór de voorgevel van de bedrijfswoning en het verlengde daarvan worden gesitueerd
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan het bouwen van gebouwen/bouwwerken voor de voorgevel van de bedrijfs en het verlengde daarvan worden gesitueerd.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving;
    • b. indien het een woning of ander geluidsgevoelig object betreft, wordt voldaan aan de geluidnormen zoals opgenomen in het Bkl;
    • c. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
6.5.4 Omgevingsvergunning voor het afwijken van de maatvoering
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan de volgende activiteiten te verrichten, waarbij wordt afgeweken van de maatvoering zoals opgenomen in 6.4.3:
    • a. het bouwen met een hogere goothoogte voor bedrijfswoningen tot maximaal 5 m, mits gelegen binnen de jonge heideontginningen of bossen/vennen zoals opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit;
    • b. het bouwen met een hogere goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen tot maximaal 7 m respectievelijk 13 m;
    • c. het bouwen van kassen bij een glastuinbouwbedrijf met een grotere hoogte tot maximaal 7 m goothoogte en een bouwhoogte van maximaal 10 m;
    • d. het bouwen van teeltondersteunende kassen met een grotere hoogte tot maximaal 7 m;
    • e. het bouwen van een lagere dakhelling bij bedrijfswoningen, indien dit beter past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van het gebouw ten opzichte van de omgeving;
    • f. het bouwen van een bijbehorend bouwwerk op een afstand van meer dan 20 m van de bedrijfswoning indien dit noodzakelijk is in verband met een doelmatige inrichting van het perceel;
    • g. het bouwen van terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn met een hoogte van maximaal 2 m
    • h. het bouwen van kleinschalige windmolens tot een hoogte van maximaal 15 m;
    • i. het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde tot een hoogte van maximaal 6 m;
    • j. het bouwen van een dak op een mestsilo binnen het bouwvlak tot een maximale bouwhoogte van 12 meter;
    • k. het bouwen van een kap op een carport.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het past bij de stedenbouwkundige en architectonische uitstraling van de omgeving.
6.5.5 Omgevingsvergunning inpandige uitbreiding bedrijfswoning
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van de maatvoering zoals opgenomen in 6.4.3, niet toegestaan het bouwen van een bedrijfswoning met een inhoud groter dan 750 m3.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. de bedrijfswoning onderdeel is van een woonboerderijpand, waarbij de voormalige agrarische inpandige stalgedeelten bij de woning kunnen worden gevoegd;
    • b. er is uitsluitend sprake van inpandige verbouw;
    • c. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf;
    • d. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
    • e. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet onevenredig worden beperkt;
    • f. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • g. er moet voldaan worden aan de eisen die gelden ingevolge het Bkl.
6.5.6 Omgevingsvergunning bouwwerken voor tijdelijke werknemers
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan om een logiesverblijf voor tijdelijke werknemers te realiseren.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het logiesverblijf dient in legaal aanwezige of te realiseren bedrijfsgebouwen te worden gerealiseerd;
    • b. de huisvesting is nodig voor een doelmatige bedrijfsvoering. De huisvesting dient te worden gebruikt voor de huisvesting van personen, wier huisvesting daar ter plaatse gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is vanwege een tijdelijk grote arbeidsbehoefte op het eigen bedrijf;
    • c. de huisvesting kan niet plaats vinden in de eigen bedrijfswoning;
    • d. huisvesting in bestaande bedrijfsbebouwing is toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 160 m² per bedrijf (incl. sanitair en gemeenschappelijk verblijf) gedurende maximaal 8 maanden;
    • e. in afwijking van het bepaalde onder c. kunnen maximaal 3 woonunits worden toegestaan, indien de bestaande bedrijfsbebouwing ontoereikend is, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
      • de woonunits zijn gedurende een periode van maximaal 8 maanden toegestaan;
      • de gezamenlijke oppervlakte van de woonunits bedraagt maximaal 90 m2.
    • f. er dient te worden voldaan aan de regels van het SNF keurmerk; eisen aan huisvesting gesteld door de Stichting Normering Flexwonen (SNF) of diens rechtsopvolger(s), aan te tonen door een certificaat;
    • g. permanente bewoning is niet toegestaan;
    • h. er dient vooraf advies te worden ingewonnen van een agrarisch adviseur inzake de noodzaak van de huisvesting van tijdelijke werknemers in het licht van een doelmatige bedrijfsvoering;
    • i. er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen;
    • j. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
    • k. er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
    • l. er dient op eigen terrein te worden voldaan aan de parkeerbehoefte;
    • m. de verkeersaantrekkende werking dient afgestemd te zijn op de feitelijke ontsluitingssituatie.
6.5.7 Omgevingsvergunning schuilhutten
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan om schuilhutten te realiseren.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. het perceel is gelegen binnen de kernrandzone;
    • b. de bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 20 m2 per 1,5 ha;
    • c. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m;
    • d. aangetoond moet zijn dat het noodzakelijk is de schuilhut buiten de aanduiding 'bouwvlak', dan wel functievlak 'Wonen' te situeren;
    • e. uitsluitend hobbymatig gebruik is toegestaan;
    • f. de in de functieomschrijving opgenomen waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
    • g. er dient te worden voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
6.5.8 Omgevingsvergunning tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
6.5.9 Omgevingsvergunning bouwen buiten bouwvlak
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan om de gebouwen en/of bouwwerken aangegeven in 6.4.2 en 6.4.4 buiten het bouwvlak te bouwen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' mag het toekomstig herstel van het natuurlijk watersysteem, niet worden geschaad;
    • b. oprichting van bebouwing buiten het bouwvlak niet mag leiden tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB;
    • c. er dient te worden voldaan aan de volgende landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitseisen:
      • Landschappelijke inpassing: er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan. Voor veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' geldt dat de oppervlakte van de inpassing minimaal 10% van de gezamenlijke oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' en de bebouwing waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend dient te bedragen. Voor de landschappelijke inpassing vormen de gebiedspaspoorten van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit het toetsingskader.
      • kwaliteitswinst: er vindt een kwaliteitswinst van het landschap plaats;
    • d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    • e. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • f. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf;
    • g. het oprichten van bebouwing buiten de aanduiding 'bouwvlak' is noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling, waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen;
    • h. advies kan worden gevraagd aan een agrarisch adviseur over het bepaalde onder f en g;
    • i. voldaan wordt aan de maatvoeringseisen als opgenomen in 6.4;
    • j. de ontwikkeling mag niet leiden tot een toename van stikstofemissie vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
    • k. er is sprake van hydrologisch neutraal bouwen;
    • l. voor agrarische bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' gelden de volgende aanvullende bepalingen:
      • er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden voor een veehouderij, zoals opgenomen in 21.5.2 
      • indien sprake is van een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden zoals opgenomen in 21.5.1;
      • de bebouwing en voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan voor de ter plaatse toegestane diersoorten als bedoeld in 6.1.3;
      • de gezamenlijke oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' en de bebouwing waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend bedraagt maximaal 1,5 ha, waarbij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak bij deze oppervlakte meetelt;
      • in afwijking van het bepaalde onder 4e bullit van sub l. mag de gezamenlijke oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' en de bebouwing waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend maximaal 2,0 ha bedragen, waarbij de oppervlakte van een eventueel differentiatievlak bij deze oppervlakte meetelt, mits:
      • de veehouderij vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
      • de toegestane oppervlakte boven de 1,5 ha uitsluitend wordt gebruikt voor voorzieningen - geen gebouwen zijnde - voor de opslag van ruwvoer, aansluitend aan de aanduiding 'bouwvlak';
    • m. voor (vollegronds)teeltbedrijven gelden de volgende bepalingen:
      • de gezamenlijke oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' en de bebouwing buiten het bouwvlak waarvoor omgevingsvergunning wordt verleend bedraagt maximaal 2,0 ha;
      • indien de aanduiding 'bouwvlak' groter is dan 2,0 ha, kan in afwijking van het bepaalde onder 1. een omgevingsvergunning voor het oprichten van bebouwing buiten het bouwvlak met een oppervlakte van maximaal 25% van de oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak' worden verleend;
      • indien de aanduiding 'bouwvlak' groter is dan 2,0 ha, kan in afwijking van het bepaalde onder 1. een omgevingsvergunning voor het plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak worden verleend indien dit noodzakelijk is en met dien verstande dat de gezamenlijke omvang van permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen en buiten de aanduiding 'bouwvlak' maximaal 3,0 ha mag bedragen;
      • de bouw of uitbreiding van kassen is niet toegestaan;
    • n. voor glastuinbouwbedrijven ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' geldt dat een uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan.
6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.6.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. Algemeen:
    • 1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
    • 2. het verwijderen van perceelrandbegroeiingen in de vorm van bomen en struiken;
    • 3. het aanbrengen van lage en hoge (voorzover het geen bouwwerken betreft) tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden, in de vorm van insectengaas, afdekfolies, tunnels, wandelkappen, schaduwhallen, hagelschermen e.d., waarbij:
      • de oppervlakte bedraagt maximaal 2,5 ha;
      • de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ´overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied´;
      • afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem;
      • vellen of rooien van houtgewas;
      • het dempen van poelen, sloten en greppels;
      • het graven van poelen, sloten en greppels;
      • de aanleg van drainage.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen':
    • 1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlaktes;
    • 2. het ophogen van gronden;
    • 3. Hiertoe wordt het betrokken waterschapsbestuur gehoord.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied':
    • 1. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,40 m wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van een steilrand worden gewijzigd;
    • 2. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren;
    • 3. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
    • 4. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
    • 5. het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilrand en het verwijderen van paden of onverharde wegen;
    • 6. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
6.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 6.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. welke plaatshebben ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • c. welke ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan legaal in uitvoering waren;
  • d. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer;
  • e. die worden verricht in het kader van vruchtwisseling.
6.6.3 Beoordelingsregels

De in 6.6.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. het bepaalde in 6.6.1 noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dan wel voor landschapsbeheer;
  • b. na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 6.1

Artikel 7 Groen - Landschappelijke inpassing

7.1 Algemene regels
7.1.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel Groen - Landschapselement

Dit artikel is van toepassing op de locatie 'Groen - Landschappelijke inpassing'.

7.1.2 Toegestane activiteiten

Ter plaatse van 'Groen - Landschappelijke inpassing' zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan:

  • a. het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen.
7.2 Verboden activiteiten

De volgende activiteiten zijn verboden:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover noodzakelijk is voor het op de toegestane gerichte gebruik van de grond;
  • b. het aanbrengen van verhardingen, anders dan bedoeld in 7.4.
7.3 Ruimtelijke regels over bouwwerken
7.3.1 Algemeen

Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van een erfafscheiding worden gebouwd.

7.3.2 Maatvoering bouwwerken
Erfafscheiding  
Bouwhoogte
   
max. 3 m    
Vorm   uitsluitend in de vorm van een open constructie  
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.4.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen als doorgang;
  • b. het verwijderen van houtopstanden voor een doorgang.
7.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in 7.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan.
7.4.3 Beoordelingsregels

De in 7.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits is aangetoond dat na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de landschappelijke inpassing als opgenomen in 7.1.2. Voor de belangenafweging zijn in onderstaande schema de toetsingscriteria weergegeven:

Omgevingsvergunningplichtige werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden   Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden  
het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen als doorgang   - de wegen en overige verhardingen moeten noodzakelijk zijn voor het (agrarisch) gebruik, behorende bij de naastgelegen gebruiksdoel;

- de wegen en overige verhardingen betekenen geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing, danwel er wordt anderszins voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing  
het verwijderen van houtopstanden voor een doorgang   - het verwijderen moet noodzakelijk zijn voor het (agrarisch) gebruik, behorende bij de naastgelegen gebruiksdoel;

- het verwijderen betekent geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing, danwel er wordt anderszins voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing  

Artikel 8 Groen - Landschapselement

8.1 Algemene regels
8.1.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel Groen - Landschapselement

Dit artikel is van toepassing op de locatie 'Groen - Landschapselement'.

8.1.2 Toegestane activiteiten

Ter plaatse van 'Groen - Landschapselement' zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan:

  • a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van het groen/landschapselementen en de bijbehorende groeiplaats;
  • b. extensief recreatief medegebruik;
  • c. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en natuurwaarden;
  • d. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden en de hydrologische betekenis;
  • e. behoud van de archeologische waarden en behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden;
  • f. behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en met inachtneming van het bepaalde in 4.4.3.
8.2 Ruimtelijke regels over bouwwerken
8.2.1 Algemeen
  • a. Op of in deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van extensief recreatief medegebruik.
  • b. Onder bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van extensief recreatief medegebruik worden onder meer informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken verstaan.
8.2.2 Maatvoering bouwwerken
Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van extensief recreatief gebruik    
Bouwhoogte
   
max. 3 m    
8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.3.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. in het algemeen:
    • 1. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,40 m wordt gewijzigd of waarbij maaiveldniveaus (steilranden) worden gewijzigd;
    • 2. Het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,40 m onder maaiveld;
    • 3. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem;
    • 4. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
    • 5. het verlagen van de waterstand anders dan door sloten/greppels of drainage m.u.v. grondwateronttrekkingen;
    • 6. het vellen of rooien van bos en/of het verwijderen van houtopstanden;
    • 7. het verwijderen van natuur- en landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
    • 8. het beplanten van gronden met bos, hoger dan 2,5 m, opgaand houtgewas in verband met boomteelt of houtteelt;
    • 9. het verwijderen van perceelsindelingen, paden en onverharde wegen;
    • 10. het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen.
8.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in 8.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan.
8.3.3 Beoordelingsregels

De in 8.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, mits is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig zijn met de belangen van de in artikel 8.3.1 bedoelde landschappelijke waarden waarbij mede wordt getoetst aan de volgende belangen:

  • a. verlies aan biotopen voor levensgemeenschappen van struweel, houtwallen, bos;
  • b. verlies aan oriëntatiepunten en -lijnen voor veel diersoorten (o.a. vlinders, vleermuizen, marterachtigen);
  • c. verlies aan slaap/schuilplaatsen, nestgelegenheid, dekking tegen weersomstandigheden;
  • d. grotere openheid, betekent soms toename leefgebied weidevogels;
  • e. verlies aan landschapselementen (landschappelijk, cultuurhistorisch aspect);

Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij de waterbeheerder, voor zover de afweging mede betrekking heeft op hydrologische waarden dan wel de hydrologische betekenis in het watersysteem.

Artikel 9 Natuur

9.1 Algemene regels
9.1.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel Natuur

Dit artikel is van toepassing op de locatie 'Natuur'.

9.1.2 Toegestane activiteiten

Ter plaatse van 'Natuur' zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan:

  • a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur/landschapselementen en de bijbehorende groeiplaats;
  • b. extensief agrarisch grondgebruik gericht op natuurbeheer in de vorm van het laten grazen van dieren;
  • c. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en natuurwaarden;
  • d. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden en de hydrologische betekenis;
  • e. behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden;
  • f. behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. extensief recreatief medegebruik;
  • i. nutsvoorzieningen;
  • j. met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en met inachtneming van het bepaalde in 4.4.
9.2 Ruimtelijke regels over bouwwerken
9.2.1 Algemeen
  • 1. Dit lid is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
  • 2. Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in dit lid opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
  • 3. Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met:
    • a. een ter plaatse geldend gebruiksdoel, bedoeld in Artikel 9; of
    • b. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
9.2.2 Toegestane bebouwing
  • 1. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van bos- en natuurbeheer alsmede ten behoeve van extensief recreatief medegebruik.
  • 2. Onder bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van extensief recreatief medegebruik worden onder meer informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken verstaan.
9.2.3 Maatvoering bouwwerken
Situering bouwwerken algemeen
 
Binnen het vlak gebruiksdoel  
Gebouwen voor bos en natuurbeheer en extensief recreatief medegebruik  
Goothoogte
   
max. 3,2 m    
Bouwhoogte   max. 4m  
Oppervlakte aan gebouwen
 
max. 20 m2 per 2,5 ha bosgebied  
Inhoud gebouwen   max. 60 m3  
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde  
Bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen
 
max. 2m  
Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde   max. 3m

 
9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.3.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,40 m wordt gewijzigd of waarbij maaiveldniveaus (steilranden) worden gewijzigd;
  • b. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,40 m onder maaiveld;
  • c. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen in de bodem;
  • d. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten, of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • e. aanleg van drainage;
  • f. het verlagen van de waterstand anders dan door sloten/greppels of drainage m.u.v. grondwateronttrekkingen;
  • g. het vellen of rooien van bos en/of het verwijderen van houtopstanden;
  • h. het verwijderen van natuur- en landschapselementen die ten tijde van het van kracht worden van het plan aanwezig waren;
  • i. het verwijderen van perceelsindelingen, paden en onverharde wegen;
  • j. het aanleggen en/of verharden van wegen of paden, dan wel aanbrengen van andere niet omkeerbare oppervlakteverhardingen.
9.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in 9.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan legaal in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer;
  • d. die worden verricht in het kader van vruchtwisseling.
9.3.3 Beoordelingsregels

De in 9.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 9.1.

Artikel 10 Verkeer

10.1 Algemene regels
10.1.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel Verkeer

Dit artikel is van toepassing op de locatie 'Verkeer'.

10.1.2 Toegestane activiteiten

Ter plaatse van 'Verkeer' zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan:

  • a. voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen, paden en parkeervoorzieningen, met maximaal het bestaande aantal rijstroken;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. kabels en leidingen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. behoud van landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in de vorm van wegbeplanting of laan beplanting.
  • g. met bijbehorende voorzieningen zoals wildbegeleidende- en wildbeschermingsvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, bermen, sloten en wegbeplantingen.
10.2 Ruimtelijke regels over bouwwerken
10.2.1 Algemeen
  • 1. Dit lid is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
  • 2. Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in dit lid opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
  • 3. Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met:
    • a. een ter plaatse geldend gebruiksdoel, bedoeld in Artikel 10; of
    • b. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
10.2.2 Toegestane bebouwing

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van nutsgebouwen.

10.2.3 Maatvoering bouwwerken
Situering bouwwerken algemeen
 
Binnen het vlak gebruiksdoel  
Nutsgebouwen  
Bouwhoogte
   
max. 5 m    
Oppervlakte gebouwen   max. 50m2  
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde  
Bouwhoogte palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer   max. 12m  
Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde   max. 4m  
10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.3.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. het verharden van onverharde wegen.
10.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in 10.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan legaal in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.
10.3.3 Beoordelingsregels

De in 10.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 11 Wonen

11.1 Algemene regels
11.1.1 Toepassingsbereik gebruiksdoel Wonen

Dit artikel is van toepassing op de locatie 'Wonen'.

11.1.2 Toegestane woonactiviteiten

Ter plaatse van 'Wonen' zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. wonen;
  • b. aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-verbonden bedrijf;
  • c. het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de natuurwaarden en cultuurhistorische waarden;
  • d. tuinen en erfverhardingen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. erfbeplanting;
  • g. voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen en paden, erven en parkeervoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - landschappelijke inpassing tevens voor het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen;
  • j. met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en met inachtneming van het bepaalde in 4.4.
11.1.3 Aan-huis-verbonden beroep- en bedrijf

De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een aan-huis-verbonden bedrijf, zoals opgenomen in Bijlage 3 Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, is toegestaan als ondergeschikte activiteit in woningen en bijbehorende bouwwerken, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. de omvang van de activiteit bedraagt maximaal 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 45 m²;
  • b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
  • c. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woon- en bedrijfsomgeving;
  • d. detailhandel is niet toegestaan;
  • e. de activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner.
11.2 Ruimtelijke regels over bouwwerken
11.2.1 Algemeen
  • 1. Dit lid is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.
  • 2. Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in dit lid opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.
  • 3. Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met:
    • a. een ter plaatse geldend gebruiksdoel, bedoeld in Artikel 11; of
    • b. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
11.2.2 Regels bouwvlak
  • 1. Indien en voor zover binnen het bestemmingsvlak de aanduiding 'bouwvlak' is opgenomen, mogen woningen uitsluitend binnen het aangeduide bouwvlak worden gebouwd.
  • 2. Per functievlak is maximaal één woning met daarbij behorende bijbehorende bouwwerken toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het met deze aanduiding aangegeven aantal woningen als maximum aantal woningen geldt.
11.2.3 Maatvoering en situering bouwwerken
Bouwwerken algemeen   
Afstand van gebouwen tot de zijdelingse grens bouwperceel     min. 5 m    
Woningen    
Goothoogte    max. 4 m    
Bouwhoogte    max 10 m    
Dakhelling
   
minimaal 20° en maximaal 60° met uitzondering van ondergeschikte delen, zoals serres    
Inhoud woning
   
max. 650 m3, tenzij een andere maximum inhoudsmaat is aangeduid en met dien verstande dat:
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' een maximum inhoudsmaat van 1.000 m3 geldt

indien de feitelijk aanwezige, legale inhoudsmaat meer bedraagt dan de hiervoor aangegeven maximaal toegestane inhoud, geldt de feitelijk aanwezige, legale inhoudsmaat als de maximale toegestane inhoud
   
Situering
   
bij vervangende nieuwbouw van de woning(en) mag het hoofdgebouw uitsluitend gesitueerd worden ter plaatse van de bestaande funderingen en, in geval van uitbreiding, daar direct op aansluitend; de bouwwijze (d.w.z. vrijstaand, halfvrijstaand of aaneengebouwd) van de te herbouwen woning(en) wijkt niet af van de bouwwijze van de oorspronkelijke woning(en)  
Bijbehorende bouwwerken bij woningen    
Situering     min. 3 m achter de voorgevelrooilijn van de woning met dien verstande dat carports achter de voorgevelrooilijn van de woning mogen worden gebouwd.

De afstand tot de bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 2 m.

de afstand van vrijstaande bijbehorende bouwwerken tot de woning bedraagt maximaal 20 m  
Goothoogte   max. 3,2 m    
Bouwhoogte   max 5,5 m    
Dakhelling
   
minimaal 20° en maximaal 60° met uitzondering van ondergeschikte delen, zoals serres    
Gezamenlijke oppervlakte (incl. carports en overkappingen) per woning
   
max. 150 m2;
met dien verstande dat :

op bouwpercelen groter dan 1.000 m2 een maximum toegestane oppervlakte van 200 m2 geldt;

de bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen (m2)' niet meer mag bedragen dan de met deze aanduiding aangegeven bebouwde oppervlakte.  
Sloop bonus regeling     bij sloop van een legaal feitelijk aanwezig bijbehorend bouwwerk, mag de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken worden verruimd met 50% van de te slopen oppervlakte tot een maximum van 200m²

In afwijking van deze bepaling geldt dat de bebouwde oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte bijgebouwen (m2)' niet meer mag bedragen dan de met deze aanduiding aangegeven bebouwde oppervlakte;

bij sloop van de legaal aanwezige overtollige bebouwing geldt dat per 50 m2 aan legale bebouwing een inhoudsvergroting van 10 m3 mag worden toegevoegd aan de inhoud van de woning tot een maximum van 900 m3, ofwel 20% van de oppervlakte van de overtollige legale bebouwing mag worden toegevoegd aan de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 400 m2 per woning.    
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde    
Bouwhoogte erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw   max. 1 m    
Bouwhoogte overige erf- en terreinafscheidingen   max. 2 m    
Bouwhoogte van kleinschalige windmolens   max. 12 m
maximaal 1 kleinschalige windmolen per woning    
Bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouw zijnde   max. 4 m    
Oppervlakte     max. 30 m2  
Onoverdekte zwembaden    
Situering    achter de achtergevelrooilijn van de woning max. 20 m van de woning af  
Oppervlakte    max. 100 m²    
Carports        
Situering    achter de voorgevel van de woning    
Bouwhoogte en/of goothoogte)   max. 3,2 m    
Oppervlakte carports   max. 30 m²    
11.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
11.3.1 Woningsplitsing woonboerderij
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een voormalige boerderij met woning ofwel woonboerderij te splitsen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldoen wordt aan de volgende voorwaarden:
    • a. splitsing is alleen toegestaan indien kan worden aangetoond dat de splitsing bijdraagt aan het behoud van de cultuurhistorische waarde; hiervan is sprake indien de aanvraag een woonboerderij met Waarde - Cultuurhistorische elementen betreft, waarvan aanvrager met een bouwhistorisch onderzoek aantoont dat het een pand met cultuurhistorische waarde betreft en dat de splitsing bijdraagt aan de instandhouding of het versterken van de aanwezige cultuurhistorische waarden;
    • b. de bouwmassa van de te splitsen woonboerderij dient een inhoud te hebben van minimaal 900 m3;
    • c. bij splitsing mogen maximaal twee volwaardige woningen ontstaan, met beide een inhoud van minimaal 400 m3;
    • d. het bestaande architectonische karakter van de boerderij en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden, mogen niet worden aangetast. Beoordeling vindt plaats door de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden;
    • e. voldaan dient te worden aan de eisen ten aanzien van geluid in de Besluit kwaliteit leefomgeving;
    • f. de vestiging van de nieuwe woning mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
    • g. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
    • h. voor zover er sprake is van de aanwezigheid van meer bedrijfsgebouwen/bijbehorende bouwwerken dan op basis van het bepaalde in 11.1 is toegestaan, dienen die gebouwen te worden gesloopt;
    • i. bij sloop van de overtollige bedrijfsbebouwing geldt dat 10% van de oppervlakte van de overtollige bedrijfsgebouwen mag worden toegevoegd aan de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 240 m² voor beide woningen tezamen. Sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is niet toegestaan.
11.3.2 Bed & Breakfast
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een Bed & Breakfast- voorziening te realiseren.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldoen wordt aan de volgende voorwaarden:
    • a. tot maximaal 5 kamers, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden;
    • b. de kamers/logeereenheden dienen een plek te krijgen binnen de bestaande bebouwing;
    • c. de totale oppervlakte voor logeereenheden bedraagt maximaal 50% van de gezamenlijke vloeroppervlakte bedragen tot een maximum van 150 m²;
    • d. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
    • e. er moet sprake zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
    • f. omringende (agrarische bedrijven) mogen niet onevenredig worden beperkt als gevolg van de Bed & Breakfast;
    • g. er dient op eigen terrein aan de parkeerbehoefte te worden voldaan.

Artikel 12 Waarde - Aardkundig waardevol gebied

12.1 Algemene regels
12.1.1 Toepassingsbereik

De voor 'Waarde - Aardkundig waardevol gebied' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en herstel van aardkundige waarden.

12.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.2.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,40 m wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van een steilrand worden gewijzigd;
  • b. het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,60 m onder maaiveld;
  • c. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of bemaling;
  • d. het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren.
12.2.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 12.2.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. die op basis van het voorheen geldende plan niet vergunningplichtig waren en die reeds in uitvoering ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een ten tijde van de inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden.
12.2.3 Beoordelingsregels

De in 12.2.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien de werken en/of werkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de aardkundige waarden en mede strekken tot het behoud hiervan.

Artikel 13 Waarde - Attentiezone waterhuishouding

13.1 Algemene regels
13.1.1 Toepassingsbereik

De voor 'Waarde - Attentiezone waterhuishouding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de nabijgelegen natte natuurparel en het als 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant' aangeduid Natuur Netwerk Brabant.

Deze regel werkt primair ten opzichte van de andere regels in dit TAM-omgevingsplan.

13.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.2.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. het verzetten van grond van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 60 cm onder maaiveld, een en ander voor zover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;
  • b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds aanwezige drainage;
  • c. het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  • d. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten
13.2.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het onder 13.2.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan reeds een aanlegvergunning of omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan legaal in uitvoering waren;
  • c. welke betreffen het normale onderhoud en/of plaatsvinden in het kader van het normale beheer en gebruik van de gronden;
  • d. die plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • e. welke onderdeel uitmaken van de werkzaamheden zoals benoemd in het plan 'Cultuurhistorie en natuurontwikkeling De Utrecht' dat als Bijlage 2 bij dit TAM-omgevingsplan is opgenomen.
13.2.3 Beoordelingsregels

De in 13.2.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend:

  • a. indien met de betreffende werken/ werkzaamheden dan wel door de directe of indirecte gevolgen van deze werken/werkzaamheden de waterhuishoudkundige situatie van de binnen het attentiegebied gelegen Natuur Netwerk Brabant niet onevenredig wordt aangetast of kan worden aangetast;
  • b. de werken/werkzaamheden mogen geen aantasting geven van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant;
  • c. geen onevenredige afbreuk doen aan de aardkundige waarden en mede strekken tot het behoud hiervan;
  • d. alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in bij het betrokken waterschapsbestuur.

Artikel 14 Waarde - Cultuurhistorisch ensemble

14.1 Algemene regels
14.1.1 Toepassingsbereik

De voor 'Waarde - Cultuurhistorisch ensemble' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en versterking van het cultuurhistorisch waardevol ensemble.

14.2 Ruimtelijke regels over bouwwerken
14.2.1 Aanvullende beoordelingsregel bouwen
  • 1. Op de gronden binnen 'Waarde - Cultuurhistorisch ensemble' mag uitsluitend worden gebouwd als voldaan wordt aan de beoordelingsregels zoals opgenomen in lid 2.
  • 2. Een omgevingsvergunning voor bouwen als bedoeld in lid kan uitsluitend worden verleend indien:
    • a. op basis van een cultuur-/bouwhistorisch onderzoek blijkt, dat de cultuurhistorische waarden niet op onaanvaardbare wijze worden aangetast; of
    • b. passende maatregelen zijn genomen om de aanwezige cultuurhistorische waarden veilig te stellen:
      • zoals het treffen van technische maatregelen waardoor cultuurhistorische waarden behouden blijven;
      • het documenteren van de cultuur-/bouwhistorische waarde of andere met het bevoegd gezag overeengekomen maatregelen;
    • c. schriftelijk advies is ingewonnen bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden.
14.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.3.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. het ontgronden, verlagen of afgraven, het ophogen of egaliseren van de bodem dieper dan 0,30 m.;
  • b. het rooien van bomen en opgaande beplanting en heggen, anders dan voor de effectuering van een omgevingsvergunning;
  • c. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, parkeergelegenheden, pleinen, straten en paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, anders dan de normale verhardingswerkzaamheden bij woningen, zoals garage-inritten, terrasverhardingen en tuinpaden;
  • d. het graven of dempen en/of verleggen van watergangen, vijvers of vaarten;
  • e. alle overige grondwerkzaamheden die de cultuurhistorische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein.
14.3.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder 14.3.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. welke ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan legaal in uitvoering waren;
  • b. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.
14.3.3 Beoordelingsregels

De in 14.3.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. het maatschappelijke belang van aanleggen zwaarder weegt dan het cultuurhistorische belang van behoud;
  • b. de waarde van het cultuurhistorisch ensemble niet te lijden heeft onder de aanleg.
  • c. schriftelijk advies is ingewonnen bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden.
14.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
14.4.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen.

14.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder 14.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. al legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  • c. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit plan omgevingsvergunning is verleend;
  • d. uitsluitend leiden tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het pand of object dat uit het oogpunt van de erfgoedwaarden geen waarde heeft;
  • e. betrekking hebben op een verandering van de achtergevel of het achterdakvlak en dus niet zichtbaar is vanaf een openbaar toegankelijk gebied.
14.4.3 Beoordelingsregels

De in 14.4.3 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. het maatschappelijke belang van sloop zwaarder weegt dan het cultuurhistorische belang van behoud;
  • b. voor het geheel of gedeeltelijk te slopen cultuurhistorisch waardevol object een bouwhistorisch onderzoek is overgelegd;
  • c. de waarde van het cultuurhistorisch ensemble niet te lijden heeft onder sloop;
  • d. schriftelijk advies is ingewonnen bij de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden.

Artikel 15 Waarde - Cultuurhistorische elementen

15.1 Algemene regels
15.1.1 Toepassingsbereik

De voor 'Waarde - Cultuurhistorische elementen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande cultuurhistorisch waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing) en patronen (beplantingspatronen).

15.2 Ruimtelijke regels over bouwwerken
15.2.1 Aanvullende beoordelingsregel bouwen
  • 1. Op de gronden binnen 'Waarde - Cultuurhistorische elementen' met daarop beschermde rijksmonumenten en beeldbepalende panden mag uitsluitend worden gebouwd als voldaan wordt aan de beoordelingsregels zoals opgenomen in lid 2.
  • 2. Een omgevingsvergunning voor bouwen als bedoeld in lid kan uitsluitend worden verleend indien geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld, bepaalt door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling, dat met inbegrip van waardevolle details als erkers, dakkapellen, kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen, zoals vastgelegd in het besluit tot aanwijzing van de rijks- en gemeentelijke monumenten.
15.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.3.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. het aanplanten van bomen en/of houtgewas voor zover niet gelegen binnen een bouwperceel;
  • b. het kappen en/of rooien van bomen en houtgewas;
  • c. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden over een oppervlakte groter dan 0,25 hectare, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 30 cm;
  • d. het aanleggen van voorzieningen voor het recreatief medegebruik;
  • e. het wijzigen van de grondsamenstelling en/of het aanbrengen van voorzieningen, waaronder afschermende materialen;
  • f. het graven of dempen van sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen, uitsluitend als dit een wijziging van het kavelpatroon tot gevolg heeft.
15.3.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder 15.3.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. welke ten tijde van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan legaal in uitvoering waren;
  • b. welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.
15.3.3 Beoordelingsregels

De in 15.3.1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden.

15.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
15.4.1 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen.

15.4.2 Uitzondering vergunningplicht

Het onder 15.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. al legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  • c. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit plan omgevingsvergunning is verleend.
15.4.3 Beoordelingsregels

De in 15.4.3 bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. de cultuurhistorische waarden van de gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet worden verkleind;
  • b. In afwijking van het bepaalde in sub a kan een omgevingsvergunning worden verleend als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
  • c. Als het bevoegd gezag voornemens is om de omgevingsvergunning te verlenen op basis van het gestelde in sub a of b, wordt de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden om advies gevraagd.

Hoofdstuk 3 Overige regels over het gebruik van gronden en bouwwerken

Artikel 16 Voorwaardelijke verplichtingen

16.1 Haarweg 2

Het gebruik en het laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken conform dit TAM-omgevingsplan op de locatie 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1' is alleen toegestaan als:

  • a. de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 4 is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. De inpassing moet uiterlijk binnen twee jaar na het eerstvolgende plantseizoen na realisatie van de nieuwe bebouwing worden aangebracht en in stand worden gehouden;
  • b. binnen één jaar na realisatie van de nieuwe woning de bestaande woning aan de voorzijde van de stal is gesloopt zoals opgenomen in Bijlage 4. Alvorens tot sloop wordt overgegaan dient er een onderzoek in het kader van flora en fauna te zijn uitgevoerd. Eventuele maatregelen op basis van dit onderzoek dienen te zijn genomen alvorens er mag worden gesloopt;
  • c. binnen één jaar na realisatie van de nieuwe loods zoals aangeduid in Bijlage 4 is voorzien in het aanleggen van een retentievoorziening zoals aangeduid in Bijlage 4 met een oppervlakte van minimaal 258 m3 en als zodanig in stand wordt gehouden;
  • d. de nieuw te bouwen loods zoals opgenomen in Bijlage 4 uitsluitend wordt gebruikt voor de opslag van aardappelen, uien en landbouwmachines;
  • e. voor het bouwen van de nieuwe bedrijfswoning zoals opgenomen in Bijlage 4 geen toename plaatsvindt van stikstofemissie;
  • f. voor de start van bouwactiviteiten die zijn toegestaan op de locatie 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1', al dan niet met een omgevingsvergunning, een bodemonderzoek is uitgevoerd waarbij de rapportage van het bodemonderzoek door het college van B&W dient te zijn goedgekeurd.
16.2 Vooreind 11-11a

Het gebruik en het laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken conform dit TAM-omgevingsplan op de locatie 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 2' is alleen toegestaan als:

  • a. de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 5 is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. De inpassing moet uiterlijk binnen twee jaar na het eerstvolgende plantseizoen na inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan worden aangebracht en in stand worden gehouden.
16.3 Kattenbos 7, 12 en 12a

Het gebruik en het laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken conform dit TAM-omgevingsplan op de locatie 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 3' is alleen toegestaan als:

  • a. de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 6 is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. De inpassing moet uiterlijk binnen twee jaar na het eerstvolgende plantseizoen na realisatie van de nieuwe bebouwing worden aangebracht en in stand worden gehouden;
  • b. een omgevingsvergunning voor de realisatie van de woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' kan pas worden verleend wanneer de bebouwing zoals aangegeven in Bijlage 10 is gesloopt;
    er binnen één jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgvingsplan is voorzien in de aanleg van retentievoorzieningen (in de vorm van poelen) zoals opgenomen in Bijlage 6 en als zodanig in stand wordt gehouden;
  • c. voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning zoals opgenomen in Bijlage 6 een bodemonderzoek is uitgevoerd.
16.4 Kuilenrode 9

Het gebruik en het laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken conform dit TAM-omgevingsplan op de locatie 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 4' is alleen toegestaan als:

  • a. de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 7 is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. De inpassing moet uiterlijk binnen twee jaar na het eerstvolgende plantseizoen na realisatie van de nieuwe bebouwing worden aangebracht en in stand worden gehouden;
  • b. een omgevingsvergunning voor de realisatie van de woning ter plaatse van het bouwvlak kan pas worden verleend wanneer de bebouwing zoals aangegeven in Bijlage 7 is gesloopt.
16.5 Rouwenbogt 4-6

Het gebruik en het laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken conform dit TAM-omgevingsplan op de locatie 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 5' is alleen toegestaan als:

  • a. de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 8 is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. De inpassing moet uiterlijk binnen twee jaar na het eerstvolgende plantseizoen na realisatie van de nieuwe bebouwing worden aangebracht en in stand worden gehouden;
  • b. voorafgaand aan het verrichten van bouwactiviteiten dan wel werken en werkzaamheden binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde, zoals opgenomen in Artikel 17 een proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden;
  • c. voorafgaand aan de ontwikkeling van de locatie zoals opgenomen in Bijlage 8 een aanvullend bodemonderzoek is verricht. In het aanvullend bodemonderzoek dient in ieder geval onderzoek plaats te vinden ter plaatse van de in het verleden gesloopte loodsen/stallen, de voormalige dieseltank en de vier verontreinigingsspots zoals beschreven in het bodemonderzoek die in Bijlage 5 van de motivering is toegevoegd. Mocht uit dit aanvullend onderzoek een sanering voortkomen zal ook deze sanering vooraf aan de ontwikkeling (ook vooraf aan eventuele sloopactiviteiten) uitgevoerd moeten worden;
  • d. een omgevingsvergunning voor de realisatie van de woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' kan pas worden verleend wanneer de bebouwing zoals aangegeven in Bijlage 8 is gesloopt.
16.6 Postelsedijk 7-9

Het gebruik en het laten gebruiken van de gronden en/of bouwwerken conform dit TAM-omgevingsplan op de locatie 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 6' is alleen toegestaan als:

  • a. de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 9 is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden. De inpassing moet uiterlijk binnen twee jaar na het eerstvolgende plantseizoen na realisatie van de nieuwe bebouwing worden aangebracht en in stand worden gehouden;
  • b. er binnen één jaar wordt voorzien in het aanleggen van een retentievoorziening zoals opgenomen in Bijlage 9 en als zodanig in stand wordt gehouden.

Artikel 17 Archeologische (verwachtings)waarde

17.1 Algemene bepalingen
17.1.1 Toepassingsbereik

De binnen een 'Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3, Waarde - Archeologie 4 en Waarde - Archeologie 5' liggende gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor het behoud en bescherming van (potentieel) aanwezige archeologische waarden.

17.1.2 Bevoegdheid stellen maatwerk- en vergunningvoorschriften
  • 1. Er kunnen maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De voorschriften zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
  • 2. Aan een omgevingsvergunning worden één of meerdere van de volgende voorschriften verbonden indien archeologische waarden door sloopactiviteiten, bouwactiviteiten of werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
    • c. het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
17.1.3 Aanvraagvereisten vergunningplichtige activiteiten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor vergunningplichtige bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden in een 'Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3, Waarde - Archeologie 4 en Waarde - Archeologie 5' op grond van dit artikel worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. indien niet reeds aanwezig: archeologisch onderzoek.
17.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
17.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden om binnen een 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten ten dienste van de ter plaatse geldende functie(s).
  • 2. De in het eerste lid genoemde vergunningplicht is van toepassing op:
    • a. voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en bouwwerken die dieper gaan dan 0,4 meter onder het maaiveld voor gronden gelegen binnen 'Waarde - Archeologie 2';
    • b. voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m² en bouwwerken die dieper gaan dan 0,4 meter onder het maaiveld voor gronden gelegen binnen 'Waarde - Archeologie 3';
    • c. voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en bouwwerken die dieper gaan dan 0,4 meter onder het maaiveld voor gronden gelegen binnen 'Waarde - Archeologie 4';
    • d. voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en bouwwerken die dieper gaan dan 0,4 meter onder het maaiveld voor gronden gelegen binnen 'Waarde - Archeologie 5';
17.2.2 Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten

De volgende algemene voorwaarden zijn van toepassing op vergunningplichtige bouwactiviteiten:

  • a. uit het archeologisch onderzoek blijkt dat:
    • 1. er zijn geen archeologische waarden aanwezig;
    • 2. de archeologische waarden worden door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad; of;
    • 3. de archeologische waarden kunnen worden verstoord maar worden op andere wijze geborgd door middel van voorschriften zoals bedoeld in 17.1.2.
17.3 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden
17.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden
  • 1. Het is verboden om binnen een 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden te verrichten ten dienste van de ter plaatse geldende functie(s):
    • a. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, indrijven, frezen, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
    • b. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels;
    • c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,4 meter onder het maaiveld.
  • 2. De in het eerste lid genoemde vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
    • a. het werken of werkzaamheden betreft onder het bestaande maaiveld waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan:
      • voor 'Waarde - Archeologie 2' de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 100 m²;
      • voor 'Waarde - Archeologie 3' de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 250 m²;
      • voor 'Waarde - Archeologie 4' de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 500 m²;
      • voor 'Waarde - Archeologie 5' de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 2.500 m²;
    • b. het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
    • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel;
    • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
    • e. worden verricht op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag;
17.3.2 Beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden

De volgende algemene voorwaarden zijn van toepassing op vergunningplichtige werken en werkzaamheden:

  • a. de genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden;
  • b. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

Artikel 18 Waterberging

  • 1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk is verzekerd dat in voldoende mate in het bergen van hemelwater wordt voorzien, overeenkomstig het "Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Reusel-De Mierden 2017-2021” (vastgesteld d.d. 20-12-2016);
  • 2. Indien het "Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Reusel-De Mierden 2017-2021” als bedoeld onder 1 wordt gewijzigd of herzien, moet rekening worden gehouden met deze wijziging dan wel herziening.

Artikel 19 Parkeren en laden/lossen

  • 1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor wijziging van het gebruik moet op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid worden gerealiseerd en vervolgens in stand worden gehouden.
  • 2. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid als bedoeld onder a. als wordt voldaan aan het beleid zoals opgenomen in 'Module 8. Ruimtelijke Ontwikkelingen' van het 'Gemeentelijk Verkeers- en VervoersPlan (GVVP)' d.d. 19 september 2017, dan wel als dit beleid wordt gewijzigd of herzien, wordt voldaan aan het actuele beleid op het moment dat de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend.
  • 3. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor wijziging van het gebruik moet, als het beoogde gebruik van een bouwwerk en/of gronden aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort, en vervolgens in stand worden gehouden.
  • 4. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 1 en 3 als bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt aangetoond dat anderszins is geborgd dat onevenredige parkeeroverlast en onevenredige verkeersoverlast als gevolg van het laden en lossen van goederen in het openbaar gebied wordt voorkomen.

Artikel 20 Algemene aanduidingsregels

20.1 milieuzone - stiltegebied

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - stiltegebied' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud van stilte en rust in het gebied.

20.2 overige zone - behoud en herstel watersystemen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - behoud en herstel watersystemen' gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de functie waarbinnen dit geldt.

20.3 overige zone - beperkingen veehouderij

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' geldt (in afwijking van het bepaalde in de andere daar voorkomende artikelen) het volgende:

  • a. uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij is niet toegestaan;
  • b. toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is niet toegestaan;
  • c. toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken geen gebouwen is niet toegestaan
  • d. als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, als bedoeld onder b en c. geldt de oppervlakte die:
    • 1. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering waren; of
    • 2. gebouwd mogen worden krachtens een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning;
  • e. het bepaalde onder a. b en c. is niet van toepassing is als sprake is van een grondgebonden veehouderij die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten.
20.4 overige zone - bestendigen bestaande situatie

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bestendigen bestaande situatie' is het beleid gericht op het behouden van de bestaande natuur- en landschapswaarden.

20.5 overige zone - buurtschappen en linten

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - buurtschappen en linten' is het beleid gericht op de instandhouding van de historische bebouwingsclusters met een menging van functies een kleinschalige schaalgrootte.

20.6 overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied' gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de functies waarbinnen dit geldt.

20.7 overige zone - cultuurhistorisch waardevol object

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol object' gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de artikelen waarbinnen dit geldt en in het hiernavolgende sloopverbod:

20.7.1 Sloopverbod

Het is verboden om op de gronden met de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol object' bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen en ingrijpende aanpassingen te verrichten zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag (sloopvergunning); het aantasten of vernietigen van cultuurhistorische waardevolle objecten wordt gelijkgesteld met het geheel of gedeeltelijk slopen van bouwwerken.

20.7.2 Uitzondering

Het in lid 20.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. al legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  • c. waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van dit plan omgevingsvergunning is verleend.
20.7.3 Beoordelingsregel
  • 1. De in lid 20.7.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als de cultuurhistorische waarden van de gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet worden verkleind.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsvergunning worden verleend als op basis van technische en economische overwegingen instandhouding van het bouwwerk redelijkerwijs niet kan worden verlangd.
  • 3. Als het bevoegd gezag voornemens is om de omgevingsvergunning te verlenen op basis van het gestelde in lid 1 en 2, wordt de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden om advies gevraagd.
  • 4. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien en nadat het college het advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden in overweging heeft genomen en een positief besluit heeft genomen.
20.8 overige zone - groenblauwe mantel

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groenblauwe mantel' gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de functies waarbinnen dit geldt.

20.9 overige zone - Natuur Netwerk Brabant

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant' geldt dat de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken dient te worden geborgd waarbij ook rekening wordt gehouden met andere aanwezige waarden zoals rust en stilte; en voorts gelden de volgende specifieke regels:

  • a. tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant' voor de volgende werken en werkzaamheden:
    • 1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen;
    • 2. het verwijderen van houtopstanden.
20.10 overige zone - openheid

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - openheid' gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de functies waarbinnen dit geldt.

20.11 overige zone - primaat landbouw 1

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - primaat landbouw 1' is het beleid gericht op de verdere ontwikkeling en het stimuleren van innovaties in grootschalige intensieve dierhouderij, rekening houdend met milieu- en gezondheidsrisico's, alsmede grootschalige energieopwekking, in combinatie met het tegengaan van nieuwe gevoelige functies zoals wonen.

20.12 overige zone - primaat landschap

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - primaat landschap' is het beleid gericht op de versterking van het Kempisch kleinschalig karakter in landschappelijke en cultuurhistorische zin, met bebouwing en functies die passen bij de omgeving.

20.13 overige zone - primaat water en klimaatadaptatie

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - primaat water en klimaatadaptatie' is het beleid gericht op het vergroten van de wisselwerking tussen de functies waterberging, waterkwaliteit en natuur (ecologische verbinding) in combinatie met een betere recreatieve beleving.

20.14 overige zone - ruimte voor gebiedsontwikkeling

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ruimte voor gebiedsontwikkeling' is het beleid gericht op het bieden van ruimte aan niet belastende “rode” functies onder harde voorwaarden, waaronder tegelijkertijd aanleg van bos en/of natuur en een goede, landschappelijke inpassing.

20.15 overige zone - ruwvoeropslag

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ruwvoeropslag' gelden specifieke regels. Deze specifieke regels zijn opgenomen in de functies waarbinnen dit geldt.

Artikel 21 Gebruik

21.1 Verboden gebruiksactiviteiten
21.1.1 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
  • a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens voor een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  • b. het gebruik van gronden voor evenementen, tenzij dit op grond van de regels expliciet is toegestaan;
  • c. het gebruik van gronden voor kleinschalig kamperen, tenzij dit op grond van de regels expliciet is toegestaan;
  • d. het gebruik voor wonen van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning.
21.2 Wijziging erfinrichtingsplan voor landschappelijke inpassing
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning af te wijken van de vereiste landschappelijke inpassing, zoals bepaald in een erfinrichtingsplan dat onderdeel is van de planregels (bijlage bij de regels) of een verleende omgevingsvergunning.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. er is sprake van een nog niet gerealiseerde landschappelijke inpassing;
    • b. er wordt een nieuw (erf)inrichtingsplan ingediend welke goedgekeurd moet worden door het bevoegd gezag;
    • c. het stedenbouwkundig en landschappelijk beeld mag met het nieuwe (erf)inrichtingsplan niet worden aangetast;
    • d. gronden die als 'Groen – Landschappelijke inpassing' zijn bestemd, mogen conform het onder lid b bedoelde goedgekeurd (erf)inrichtingsplan op die manier anders worden gebruikt;
    • e. de landschappelijke inpassing voldoet aan de richtlijnen zoals opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit, deel buitengebied;
    • f. de landschappelijke inpassing mag zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gerealiseerd;
    • g. de landschappelijke inpassing is qua omvang minimaal gelijk aan de eerder overeengekomen (erf)inrichtingsplan;
    • h. in aanvulling op lid f, bedraagt de oppervlakte bij agrarische en niet-agrarische bedrijven minimaal 10% van het bouwvlak, dan wel het functie;
    • i. in aanvulling op lid f en g wordt een aanvullende inspanning gevraagd van 10% van de oppervlakte aan landschappelijke inpassing.
21.3 Paardenbak

Het bevoegd gezag verleend een omgevingsvergunning voor het realiseren van een paardenbak, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. Het betreft uitsluitend voor hobbymatig gebruik van de paardenbak.
  • b. Aangetoond wordt dat situering van de paardenbak binnen de functie ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' binnen de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap en/of de bestemming en/of Wonen niet mogelijk is.
  • c. Paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan in de agrarische functies Agrarisch met waarden - Landschap, bij voorkeur aan de achterzijde, mits dit geen Natuur Netwerk Brabant betreft.
  • d. Lichtmasten, geluidsinstallaties en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan.
  • e. De totale oppervlakte, zowel binnen als buiten het bouwvlak, bedraagt maximaal 1.000 m2.
  • f. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing vormt de Nota Ruimtelijke Kwaliteit het toetsingskader.
21.4 Ontwikkelmogelijkheden
21.4.1 Omgevingsvergunning andere activiteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende activiteiten zoals opgenomen in 5.2.5 en 6.2.4 aan te vangen:

  • a. wonen in een voormalige agrarische bedrijfswoning;
  • b. een niet-agrarisch bedrijf;
  • c. statische opslag;
  • d. een recreatiebedrijf in de vorm van dag- en/of verblijfsrecreatie;
  • e. een horecabedrijf;
  • f. maatschappelijke- en/of zorgvoorzieningen;
  • g. duurzame energie in de vorm van zonnepanelen op gronden.
21.4.2 Uitzondering omgevingsvergunning

Het in 21.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op activiteiten die op basis van de regels in Agrarisch en Agrarisch met waarden - Landschap zijn toegestaan.

21.4.3 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 21.4.1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de betreffende activiteit ter plaatse van de betreffende gebiedsaanduiding kan uitsluitend worden toegestaan indien in onderstaande tabel 'X1', 'X2' of 'X3' is opgenomen;
Gebieds-
aanduiding    
Activiteit  
    Wonen in voormalige (agrarische) bedrijfs- woning     Niet- agrarisch bedrijf, anders dan recreatie- of horeca- bedrijf     Statische opslag     Recreatiebedrijf     Horeca- bedrijf     Maatschap- pelijke- en/of zorg- voorzieningen     Duurzame energie in de vorm van zonne- panelen op gronden    
overige zone - primaat landbouw 1     -     -     -     -     -     -     -    
overige zone - primaat landschap     X1     X1     X1     X1     X1     X1     X3    
overige zone - primaat water en klimaatadaptatie     X2     -     -     X2     -     X2     X3    
overige zone - ruimte voor gebiedsontwikkeling     X1     X2     -     X1     X2     X1     X3    
overige zone - bestendigen bestaande situatie     X2     X2     X2     X2     X2     X2     X3    
overige zone - buurtschappen en linten     X1     X2     X2     X2     X2     X2     X3    

Voorwaarden voor alle functies

  • a. aangetoond moet zijn dat het (agrarisch) bedrijf ter plaatse definitief is beëindigd; hierbij wordt in elk geval aangetoond dat de milieuvergunningen zijn ingeleverd;
  • b. de betreffende activiteit is passend op de locatie en passend in de omgeving:
    • 1. de activiteit mag geen onevenredige beperking opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
    • 2. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • 3. de activiteit mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
    • 4. de activiteit past qua aard, omvang en ruimtelijke uitstraling in de omgeving; daartoe vormt mede de Nota Ruimtelijke Kwaliteit het toetsingskader;
    • 5. er dient sprake te blijven van maximaal één bedrijf: de beoogde ontwikkeling leidt niet tot splitsing van het bouwperceel;
    • 6. externe veiligheid: indien sprake is van het realiseren van een (beperkt) kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een risicobron vindt een verantwoording van het groepsrisico plaats;
    • 7. bodem: de bodemkwaliteit is geschikt voor de activiteit;
    • 8. water: er is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen;
  • c. er is sprake van een verbetering van de omgevingskwaliteit Bij de beoordeling van initiatieven vormen - met betrekking tot de bescherming en ontwikkeling landschapswaarden/ landschappelijke waarden - de gebiedspaspoorten, als opgenomen in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit, mede het toetsingskader:
    • 1. de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing dient door sloop van overtollige bedrijfsbebouwing te zijn teruggebracht tot maximaal 400 m², met dien verstande dat sloop van cultuurhistorische waardevolle bebouwing waaronder bebouwing ter plaatse van de aanduiding overige zone - cultuurhistorisch waardevol object niet is toegestaan;
    • 2. voor de activiteiten ter plaatse van de gebiedsaanduidingen waarbij in de tabel onder a. 'X1' is aangegeven, geldt dat in aanvulling op het bepaalde onder 1. de toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mag worden vermeerderd met 20% van de oppervlakte aan te slopen overtollige bedrijfsbebouwing tot een maximum van 1.000 m2;
    • 3. voor de activiteiten ter plaatse van de gebiedsaanduidingen waarbij in de tabel onder a. 'X2' is aangegeven, geldt dat in aanvulling op het bepaalde onder 1. de toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mag worden vermeerderd met 15% van de oppervlakte aan te slopen overtollige bedrijfsbebouwing tot een maximum van 800 m2;
    • 4. voor de activiteiten ter plaatse van de gebiedsaanduidingen waarbij in de tabel onder a. 'X3' is aangegeven, geldt dat in afwijking van het bepaalde onder 1. alle voormalige bedrijfsbebouwing dient te zijn gesloopt;
    • 5. de gebruiksoppervlakte bedraagt maximaal 60% van de oppervlakte van de aanduiding 'bouwvlak', met dien verstande dat voor de functie duurzame energie in de vorm van zonnepanelen op gronden geldt dat deze alleen van toepassing is als de zonnepanelen al aanwezig en aangesloten op het elektriciteitsnet zijn en tevens geldt een absoluut maximum van 5.000 m2 binnen het oorspronkelijke bouwvlak;
    • 6. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan en er vindt een kwaliteitswinst van het landschap plaats;
    • 7. de activiteit mag niet leiden tot een toename van stikstofemissie vanuit de betreffende gronden of bouwwerken;
  • d. de volgende activiteiten zijn niet toegestaan:
    • 1. buitenopslag;
    • 2. opslag voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf;
    • 3. een kantoorvoorziening met een baliefunctie;
    • 4. mestbewerking;
    • 5. lawaaisport;
    • 6. detailhandel;


Specifieke voorwaarden voor wonen in een voormalige (agrarische) bedrijfswoning
Voor de functie wonen in een voormalige (agrarische) bedrijfswoning gelden in aanvulling op het bepaalde onder a t/m d de volgende specifieke voorwaarden:

  • a. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • b. splitsing van de voormalige (agrarische) bedrijfswoning in twee woningen is uitsluitend toegestaan indien:
  • c. kan worden aangetoond dat de splitsing bijdraagt aan het behoud van de cultuurhistorische waarde; hiervan is sprake indien de aanvraag een woonboerderij met de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorische elementen betreft, waarvan aanvrager met een bouwhistorisch onderzoek aantoont dat het een pand met cultuurhistorische waarde betreft en dat de splitsing bijdraagt aan de instandhouding of het versterken van de aanwezige cultuurhistorische waarden;
  • d. het bestaande architectonische karakter van het pand en de daaraan te onderkennen cultuurhistorische waarden niet worden aangetast. Beoordeling vindt plaats door de Adviescommissie omgevingskwaliteit Reusel-De Mierden;
  • e. de bouwmassa van het te splitsen pand een inhoud heeft van minimaal 900 m3;
  • f. bij splitsing maximaal twee volwaardige woningen ontstaan, met beide een inhoud van minimaal 400 m3;


Specifieke voorwaarden voor niet-agrarisch bedrijf, anders dan recreatie- of horecabedrijf
Voor de activiteit niet-agrarisch bedrijf, anders dan recreatie- of horeca bedrijf, geldt in aanvulling op het bepaalde onder a t/m d dat detailhandel uitsluitend is toegestaan als ondergeschikte functie bij de te vestigen hoofdfunctie tot een maximale verkoopvloeroppervlakte van 200 m2;


Specifieke voorwaarden recreatiebedrijf
Voor de functie recreatiebedrijf gelden in aanvulling op het bepaalde onder a t/m d de volgende specifieke voorwaarden:

  • a. indien er recreatiewoningen op een verblijfsrecreatief terrein worden mogelijk gemaakt, dienen de recreatiewoningen bedrijfsmatig te worden beheerd;
  • b. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie bij de te vestigen hoofdfunctie tot een maximale verkoopvloeroppervlakte van 200 m2;
  • c. bij verblijfsrecreatie dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.


Aanvullende voorwaarden maatschappelijke- en/of zorgvoorzieningen
Voor de activiteit maatschappelijke- en/of zorgvoorzieningen gelden in aanvulling op het bepaalde onder a t/m d de volgende specifieke voorwaarden:

  • a. detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte functie bij de te vestigen hoofdfunctie tot een maximale verkoopvloeroppervlakte van 200 m2;
  • b. ondersteunende horeca aan de hoofdfunctie is toegestaan;
  • c. er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
21.5 Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijen

Onderstaande regels met betrekking tot ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen gelden uitsluitend in combinatie met de regels in de betreffende gebruiksdoel zoals het bepaalde in 5.2.6 en 6.2.5. In de betreffende gebruiksdoel is verwezen naar de hieronder opgenomen bepaling(en):

21.5.1 Omgevingsvergunning toename bestaande oppervlakte dierenverblijf
  • 1. Het is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning niet toegestaan een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij, niet zijnde een geitenhouderij(tak), te realiseren, door het oprichten van bebouwing en/of door het in gebruik nemen van aanwezige bebouwing als dierenverblijf.
  • 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    • a. er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden voor een veehouderij, zoals opgenomen in 21.5.2;
    • b. indien sprake is van een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf ten behoeve van een hokdierhouderij, wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden voor hokdierhouderijen zoals opgenomen in 21.5.3;
    • c. de uitbreiding is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' en/of de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' en uitsluitend ten behoeve van de ter plaatse toegestane diersoort(en) (omgevingsvergunning milieu c.q. melding in het kader van het activiteitenbesluit) en met dien verstande:
      • een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een pluimveehouderij(tak) uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - pluimvee';
    • d. er dient sprake te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf;
    • e. de uitbreiding is noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling;
    • f. advies kan worden gevraagd aan een agrarisch adviseur over het bepaalde onder d. en e.;
    • g. voldaan wordt aan de bouwregels voor bedrijfsgebouwen als opgenomen in de desbetreffende gebruiksdoelen;
    • h. binnen gebouwen mogen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de begane grondlaag worden gehouden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden;
    • i. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
    • j. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
    • k. de ontwikkeling mag niet leiden tot een toename van stikstofemissie vanuit de betreffende gronden;
    • l. er is sprake van hydrologisch neutraal bouwen.
21.5.2 Algemene voorwaarden veehouderijen
  • a. Voor een uitbreiding van een veehouderij en/of een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een veehouderij gelden de volgende bepalingen:
    er worden maatregelen getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij, welke zijn opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten;
  • b. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke minimaal de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
  • c. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
21.5.3 Aanvullende voorwaarden hokdierhouderijen

In het kader van staldering gelden de volgende bepalingen:

  • a. Een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor een hokdierhouderij is uitsluitend toegestaan indien bewijs is overlegd dat:
    • 1. binnen het stalderingsgebied als bedoeld in de Omgevingsverordening Noord-Brabant dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;
    • 2. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:
      • ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
      • ingeval van herbestemming, minimaal 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;
    • 3. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling;
  • b. als bestaande oppervlakte dierenverblijf als bedoeld onder a. geldt het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer;
  • c. het te saneren dierenverblijf als bedoeld onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden:
    • 1. het betreft een legaal opgericht feitelijk aanwezig dierenverblijf;
    • 2. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren.
  • d. het bewijs dat aan de voorwaarden van het bepaalde onder a. tot en met c. is voldaan, is uitgegeven door of namens Gedeputeerde Staten.

Artikel 22 Bouwen

22.1 Algemene bepalingen
22.1.1 Anti-dubbeltelregel
  • 1. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
  • 2. Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijven bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
22.1.2 Bestaande maatvoering toegestaan

In die gevallen, dat de bestaande (goot-/bouw)hoogte, de bestaande oppervlakte, de bestaande inhoud, een bestaand bebouwingspercentage en/of de bestaande afstand tot de as van de openbare weg, bouwperceelgrenzen of de functiegrenzen, en andere bestaande maten, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder respectievelijk meer bedraagt dan in de bouwregels in Hoofdstuk 2 van deze regels als minimum is voorgeschreven respectievelijk als maximum is toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

22.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
22.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten

Het bevoegd gezag verleend in de volgende situaties een omgevingsvergunning:

    • a. de bebouwingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
    • b. toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes voor het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes voor de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
      • de oppervlakte per gebouwtje bedraagt maximaal 20 m²;
      • de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,5 m;
      • het bouwwerk mag geen aantasting geven van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant,
    • c. de bepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, wordt vergroot:
      • voor kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m;
      • voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen tot maximaal 3,50 m;
      • voor vrijstaande antennemasten tot maximaal 18 m;
      • voor lichtmasten en vlaggenmasten tot maximaal 8 m;
    • d. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits:
      • de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het bouwwerk bedraagt;
      • de bouwhoogte maximaal 1,50 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt;
    • e. de bepalingen voor de bouw van gebouwtjes voor bancaire dienstverlening, met dien verstande, dat:
      • de bebouwde oppervlakte maximaal 5 m² bedraagt;
      • de bouwhoogte maximaal 2,5 m bedraagt;
    • f. de bepalingen om trekkershutten te kunnen realiseren, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
      • Het aantal trekkershutten bedraagt maximaal 3.
      • De totale oppervlakte bedraagt maximaal 100 m².
      • Trekkershutten zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' binnen de bestemming Agrarisch, Agrarisch met waarden - Landschap en/of de bestemming Wonen.
      • In afwijking van de 3e bullit van sub e zijn er - indien er hierbinnen onvoldoende ruimte is - trekkershutten als kleinschalige voorziening toegestaan in de direct aangrenzende agrarische bestemming, mits:
      • er sprake is van een kernrandzone, dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone;
      • de totale oppervlakte bedraagt maximaal 90 m2.
      • De aangegeven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
      • Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing vormt de Nota Ruimtelijke Kwaliteit het toetsingskader.
      • Het mag geen aantasting geven van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.
    • g. de onder a tot en met f genoemde vergunningplichtige activiteiten kunnen uitsluitend verleend worden, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • de natuurwaarden van het Natuurnetwerk Brabant.
22.3 Verboden bouwactiviteiten
22.3.1 Aanwijzing verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 23 Overgangsrecht

23.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
23.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Artikel 24 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'TAM-omgevingsplan Buitengebied veegplan 2026'.

Bijlagen bij regels

Bijlage 1 Begrippen

Bij artikel 1 (Begripsbepalingen)

In dit 'TAM-omgevingsplan Buitengebied veegplan 2026' wordt verstaan onder:

plan:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Veegplan buitengebied Reusel-De Mierdent'.

omgevingsplan:

het omgevingsplan van de gemeente Reusel-De Mierden;

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

aan-huis-verbonden bedrijf:

het door een bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, uitgezonderd detailhandel, zoals weergegeven in Bijlage 3;

aan-huis-verbonden beroep:

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, uitgezonderd detailhandel, zoals weergegeven in Bijlage 3;

aardkundige waarden en kenmerken:

waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem van belang zijn;

achtergevelrooilijn:

de denkbeeldige lijn die strak langs de achtergevel van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd, zonder bijbehorende bouwwerken, alsmede het verlengde daarvan;

agrarisch adviseur:

een onafhankelijk deskundig adviseur op het gebied van agrarische bedrijfsvoering en bedrijfsexploitatie zoals de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB);

agrarisch bedrijf:

een bedrijf die is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig agrarisch bedrijf;

glastuinbouwbedrijf:

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt;

veehouderij:

agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren;

grondgebonden veehouderij:

een veehouderij(tak) waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving liggen van de bedrijfslocatie;

intensieve veehouderij:

een veehouderij(tak) met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is gericht op het houden van dieren, zoals rundveemesterij (exclusief vetweiderij), varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of pelsdierhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen;

overig agrarisch bedrijf:

agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, (vollegronds)teeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt; overige agrarische bedrijf zijn o.a. champignonkwekerijen, wormen- en insectenkwekerijen en productiegerichte paardenhouderijen;

(vollegronds)teeltbedrijf:

agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

agrarisch loon(werk)bedrijf:

een agrarisch-technisch hulpbedrijf dat voornamelijk met behulp van landbouwwerktuigen diensten verleent aan, dan wel composteert en/of mest opslaat voor (hoofdzakelijk), agrarische bedrijven;

agrarisch-technisch hulpbedrijf

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking;

agrarisch verwant bedrijf:

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking;

ambachtelijk bedrijf:

een bedrijf dat, geheel of overwegend door middel van handwerk, goederen vervaardigt, bewerkt of herstelt en installeert, alsook het verkopen en/of leveren van goederen die verband houden met het ambacht als ondergeschikte activiteit;

archeologische waarden:

cultuurhistorische waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigd;

bebouwing:

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde;

bebouwingscluster:

vlakvormige verzameling van bebouwing buiten bestaand stedelijk gebied;

bebouwingsconcentratie:

kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster;

bebouwingslint:

min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten bestaand stedelijk gebied;

bed & breakfast:

een kleinschalige recreatieve activiteit in de vorm van het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, namelijk één tot enkele nachten, ter plaatse verblijft; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid;

bedrijfsgebouw:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

bedrijfsvloeroppervlakte (bvo):

de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een bouwwerk en/of op een terrein die wordt gebruikt voor de uitoefening een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) één persoon of gezin, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

beeldbepalend pand:

te handhaven gebouw of bouwwerk gezien het karakter en de betekenis voor het stedenbouwkundig beeld ter plaatse;

bestaand:

  • t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde en vervolgens verleende vergunning;
  • t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;

bestaande oppervlakte dierenverblijf:

hetgeen gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer (en opvolgende wet- en regelgeving);

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw/kelder en zolder;

bouwmassa:

een verzameling van bij elkaar behorende gebouwen bestaande uit een vrijstaand hoofdgebouw, dan wel twee of meer aaneengebouwde hoofdgebouwen inclusief aan- en uitbouwen;

bouwperceel:

aaneengesloten virtueel of aangeduid vlak, waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningsvrije bouwwerken zijn toegestaan;

bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij

een provinciaal beleidsinstrument dat door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant als beleid is vastgesteld en dat maatregelen benoemt voor individuele bedrijven die de transitie naar zorgvuldige veehouderij bevorderen;

caravan:

een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot logies-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze wagen of dit voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt hij voor de toepassing van dit plan aangemerkt als caravan;

carport:

een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen. Als de carport niet gesitueerd wordt tussen belendende gebouwen mag deze maximaal voorzien worden van 1 gevel. Een carport is bedoeld voor het stallen van voertuigen en dient bereikbaar te zijn vanaf het openbaar gebied (weg);

cultuurhistorische waarden en kenmerken:

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;

dagrecreatie:

recreatieve activiteit die niet langer duurt dan een dag;

dak:

een gesloten bovenbeëindiging van een gebouw, c.q. bouwwerk;

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Webwinkels vallen niet onder het begrip detailhandel, tenzij er sprake is van uitstalling en levering van producten ter plaatse;

1.56 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling:

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

diepploegen:

een kerende grondbewerking door middel van een ploeg, die dieper gaat dan de teeltlaag;

diepwoelen:

een grondbewerking, gericht op het losbreken van storende lagen in de ondergrond, tot maximaal 90 cm;

doelmatige bedrijfsvoering:

het op een efficiënte, effectieve, economische en bedrijfstechnisch correcte wijze uitvoeren van de bedrijfsprocessen van een bedrijf met inbegrip van de resulterende producten en diensten en de externe relaties met klanten, leveranciers, partners en anderen;

erfbeplanting:

een visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie;

erfbeplantingsplan:

plan voor de aanleg en het beheer van erfbeplanting;

escortbedrijf:

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een ander plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus;

extensief recreatief medegebruik:

een recreatief gebruik van gronden, zonder nachtverblijf, dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en waarbij het gebruik weinig invloed heeft op de doeleinden binnen de bestemming;

functie:

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan;

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

gesplitste (woon)boerderij:

een (woon)boerderij die bestaat uit meerdere woningen;

geurgevoelige objecten:

gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt;

geurverordening:

Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Reusel-De Mierden 2013, vastgesteld 17 december 2013, alsmede de opvolgers hiervan;

goed / aanvaardbaar woon- en leefklimaat:

van een goed/aanvaardbaar woon- en leefklimaat is sprake als in ieder geval wordt voldaan aan de wettelijke normen van alle relevante milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit en externe veiligheid;

groenblauwe mantel:

gebieden met een belangrijke nevenfunctie voor natuur en water die overwegend grenzen aan het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszone of die deze verbinden;

hokdierhouderij:

veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij;

hoofdfunctie:

een functie waarvoor het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt;

hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken;

huishouden:

persoon of groep personen die één huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan;

huisvesting tijdelijke werknemers:

het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten, voorzover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;

hydrologische waarden:

waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie voor daaraan gebonden organismen (planten en dieren), leefgemeenschappen en potenties voor de ontwikkeling daarvan, met daarbij behorende kwantitatieve aspecten (zoals hoge waterstand, stabiel waterpeil) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild), zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang;

kampeermiddel:

een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;

enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde,

één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

kas:

agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 meter;

kassen, hoge tunnels:

gebouwen en/of bouwwerken, met een hoogte tot maximaal 4 m, waarvan de wanden en het dak of de bedekking voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, die dienen tot het kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, groenten, bloemen, bloembollen, planten of bomen alsmede, in voorkomende gevallen, tot bescherming van de omgeving en/of bodem tegen milieubelastende stoffen;

kelder:

een geheel of gedeeltelijk ondergronds gelegen ruimte, die grotendeels is gesitueerd onder een bijbehorende bovengronds bouwwerk;

kernrandzone:

overgangsgebied naar het buitengebied, gelegen langs bestaand stedelijk gebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar en met een ondergeschikte of afnemende agrarische functie, dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone in gemengd landelijk gebied;

kleinschalig kamperen:

kamperen op een terrein waarop maximaal 25 kampeermiddelen mogen worden geplaatst;

kleinschalige bebouwing of -voorziening:

bebouwing, al dan niet voor een voorziening, met een gezamenlijke omvang van maximaal 90 m2;

kwaliteitswinst van het landschap:

kwaliteitswinst van het landschap; in dit kader dient een minimale basisinspanning te worden geleverd van 20% van de waardevermeerdering van de grond en/of het object;

kwekerij:

een bedrijf waarin gewassen worden geteeld, waarbij de productie gedeeltelijk plaatsvindt in kassen bij het bedrijf;

landschappelijke inpassing:

een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande dan wel nog te ontwikkelen landschappelijke (ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische) landschapskwaliteiten. Dit kan door middel van: architectuur (vormgeving, situering bebouwing, materiaalgebruik), aanleg van landschappelijke en/of natuurlijke elementen al dan niet in combinatie met sloop;

landschapselementen:

groenelementen met landschappelijke waarden die bepalend zijn voor het omliggende landschap en in hoofdzaak bestaan uit met name inheemse beplanting in de vorm van struiken, bomen en kruidenlaag.

landschapswaarden/landschappelijke waarden:

bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang. Bij de beoordeling van initiatieven vormen - met betrekking tot de bescherming en ontwikkeling landschapswaarden/ landschappelijke waarden - de gebiedspaspoorten, als opgenomen in Nota Ruimtelijke Kwaliteit, mede het toetsingskader;

maaiveld:

gemiddelde hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning;

melkrundveehouderij:

Onder melk- en rundveeveehouderij worden de volgende diercategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij (en opvolgende wet - en regelgeving) verstaan, met tussen haakjes de bijbehorende RAV-code:

  • melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar (A1);
  • vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (A3);
  • dieren die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak voor natuurbeheer;

mestbewerking:

de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigingen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest;

Nadere regels zorgvuldige veehouderij:

Uitwerking van maatregelen, die nadere invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij op basis van de Brabantse zorgvuldigheidsscore, zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 1 augustus 2022, alsmede de opvolgers hiervan.

Natura 2000-gebied:

de definitie als opgenomen in de Wet natuurbescherming (en opvolgende wet- en regelgeving)

Natuur Netwerk Brabant:

samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden, zoals door Gedeputeerde Staten is aangewezen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en eventuele opvolgers daarvan;

nevenactiviteit:

activiteit die naast de hoofdactiviteit plaatsvindt en minder dan de helft van het inkomen genereert;

niet-agrarische bedrijven:

een agrarisch loonwerkbedrijf, een agrarisch-verwant bedrijf, buitengebied-gebonden bedrijf, horecabedrijf, recreatiebedrijf of een ander niet-agrarisch bedrijf;

Nota Ruimtelijke Kwaliteit:

Nota Ruimtelijke Kwaliteit, deel buitengebied, vastgesteld 2 november 2021, alsmede de opvolgers hiervan;

nutsvoorzieningen:

gebouwde voorzieningen van openbaar nut, zoals de energie-, warmte- en telecommunicatievoorziening, drinkwaterwinning en afvalwaterzuivering en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

omgevingskwaliteit:

de kwaliteit van een plek of gebied die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde;

oomschakeling:

geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm;

ondergeschikte activiteit:

een activiteit van zeer beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft;

ondergeschikte functie:

functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt;

onderkomens:

voor verblijf geschikte al dan niet aan de bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, arken, caravans en stacaravans voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, alsook tenten;

overkapping:

een dakconstructie die aan maximaal drie zijden begrensd is door de gevels van belendende gebouwen. Als de overkapping niet gesitueerd wordt tussen belendende gebouwen mag deze maximaal voorzien worden van 2 gevels;

paardenbak:

een onoverdekt al dan niet omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen door zand of een ander waterdoorlatend materiaal ten behoeve van het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport;

paardenhouderij:

een uit bedrijfseconomisch oogmerk opgezette houderij voor paarden die uitsluitend of in hoofdzaak is gericht op het fokken, trainen, africhten, berijden en verhandelen van paarden, waarbij tevens als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan het geven van instructie aan ruiter en paard. Hierbij zijn publieks- en/of verkeersaantrekkende activiteiten niet toegestaan.

De paardenhouderijen zijn nader te onderscheiden in:

  • productiegerichte paardenhouderij: een agrarische bedrijfsactiviteit, waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het fokken, africhten, trainen en verhandelen van paarden;
  • gebruiksgerichte paardenhouderij: het bedrijfsmatig, niet op agrarische productie gericht houden en stallen van paarden en pony's, met als ondergeschikte nevenactiviteit het fokken, africhten, trainen en berijden van paarden en pony's;

permanente bewoning:

bewoning door eenzelfde persoon of groep van personen buiten het zomerseizoen in een kalenderjaar gedurende meer dan 70 nachten, terwijl elders niet daadwerkelijk over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt;

productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

raamprostitutie:

een seksinrichting bestemd voor of in gebruik voor het zich vanaf de openbare weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats, zichtbaar ter beschikking stellen tot het tegen betaling verlenen van seksuele diensten aan anderen (prostitutie);

recreatie:

vrijetijdsbesteding zoals dagrecreatie, verblijfsrecreatie en (extensief) recreatief medegebruik;

recreatiebedrijf:

een bedrijf dat het bedrijfsmatig verstrekken van verblijfs- of dagrecreatie tot doel heeft;

recreatief medegebruik:

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

recreatieve voorziening:

voorzieningen bedoeld voor de ondersteuning van het recreatief hoofdgebruik (dagrecreatie en/of verblijfsrecreatie) zoals sport- en speelterreinen, speeltoestellen, picknickplaatsen en sanitaire units;

recreatiewoning:

een gebouw bestemd voor verblijfsrecreatie ten dienste van een huishouden dat zijn hoofdverblijf elders heeft;

reëel agrarisch bedrijf:

een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of -omvang heeft van minimaal een halve arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen, en waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd, dat wil zeggen in zowel bedrijfseconomisch opzicht als op milieuhygiënisch verantwoorde wijze (NB een volwaardig agrarisch bedrijf heeft een omvang van één volledige arbeidskracht);

rotor:

het samenstelsel van drie rotorbladen (ook wel wieken genoemd) en hub (ook wel de neus genoemd) van een windturbine;

rotordiameter:

de diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven;

ruimtelijke kwaliteit:

de kwaliteit van de ruimte (woon-, werk- en leefomgeving) als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte, deze wordt bepaald door expliciete aandacht voor de ruimtelijk-functionele kwaliteit, stedenbouwkundige kwaliteit, beeldkwaliteit, architectonische kwaliteit, landschappelijke - en cultuurhistorische kwaliteit van objecten en terreinen, mede in relatie tot het streekeigen karakter van de directe omgeving;

schuilhut:

een bouwwerk dat uitsluitend dient als schuilgelegenheid voor het houden van dieren en het toebehorende dierenvoer;

seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

stacaravan:

een onderkomen, onder welke benaming ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot logiesdag- of nachtverblijf van een of meer personen en dat door de aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wielen wel over korte afstand naar een vaste standplaats kan worden verreden, doch dat niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien dit onderkomen wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt het voor de toepassing van dit plan aangemerkt als stacaravan;

stalderingsgebied:

gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel de regionale concentratie van vee te reguleren en verdere leegstand te voorkomen;

De gemeente Reusel-De Mierden is in een regio ingedeeld samen met de gemeenten Oirschot, Bladel, Eersel en Bergeijk.

statische opslag:

binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke;

stedenbouwkundig beeld:

het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa’s bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n);

steilrand:

een abrupte overgang in het landschap als gevolg van de werking van water, wind en/of tektoniek, bijvoorbeeld in de vorm van een terrasvormig hoogteverschil tussen vlakgelegen gebieden, breukranden, beekdalranden, etc.;

straatprostitutie:

het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken;

(teelt)ondersteunende voorzieningen:

(teelt)ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegronds tuinbouwbedrijf(stak), boom- of vaste plantenteeltbedrijf(stak) en die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren; hierdoor vindt (een deel van) de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd kan worden voor een verbetering van de productiekwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of –verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik;

(teelt)ondersteunende kas:

een teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden. Hieronder vallen ook schuurkassen en permanente tunnel- en/of boogkassen (>1,5 meter).

permanente (teeltondersteunende) voorzieningen:

teeltondersteunende voorzieningen die voor onbepaalde tijd worden gebruikt, niet zijnde teeltondersteunende kassen. Hieronder vallen permanente containervelden en boomteelthekken.

tijdelijke (teeltondersteunende) voorzieningen:

teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten, met daarbij het volgende onderscheid:

hoge tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen:

teeltondersteunende voorzieningen, anders dan teeltondersteunende kassen, die in de regel hoger zijn dan 1,5 m. Hieronder worden in ieder geval verstaan: teeltbakken in stellingen of teelttafels, eventueel met regenkappen; plastic-/foliekassen, -tunnels en –regenkappen.

lage tijdelijke (teelt)ondersteunende voorzieningen:

(teelt)ondersteunende voorzieningen voor plantaardige teelten, die op nabij de grond worden aangebracht, met een maximale hoogte van 1,5 .m Hieronder wordt in ieder geval verstaan: lage tunnels (halfronde bogen waarover plastic of gaasdoek wordt gespannen) insectengaas, afdekfolies, acryldoek, vlakveldfolies en vraatnetten.

toegestane diersoorten:

onder toegestane diersoorten wordt landbouwhuisdieren zoals rundvee, pluimvee, varkens e.d. verstaan, waarvoor een vergunning is verkregen of melding is gedaan;

toename van stikstofemissie:

  • a. Er is sprake van een toename van stikstofemissie door het gebruik van gronden en bouwwerken wanneer de emissie van stikstof (N/kg/jaar*) meer bedraagt dan de emissie van stikstof (N/kg/jaar*) afkomstig van het feitelijk bestaande, planologisch legale gebruik van gronden en bouwwerken, voorafgaand aan de vaststelling van het plan, waarbij aan de bedrijfsvoering inherente (gehele of gedeeltelijke) leegstand/uitval of (gehele of gedeeltelijke) leegstand/uitval als gevolg van buitengewone omstandigheden buiten beschouwing blijft.
  • b. Indien sprake is van een gelijkblijvende of een afname van emissie N/kg/jaar afkomstig van het, ten tijde van de vaststelling van het plan feitelijk aanwezige en planologisch legale, gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken, maar wel sprake is van een hogere stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied ten opzichte van de referentiesituatie, dan wordt dit eveneens beschouwd als een toename van stikstofemissie;
  • c. Als uitzondering op lid a en lid b van deze bepaling geldt het volgende:
    • 1. er is geen sprake van een toename van stikstofemissie wanneer er sprake is van de volgende situatie:
    • 2. de toename van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige en voor stikstof overbelaste habitats in een Natura 2000-gebied ten gevolge van een toename van stikstofemissie zoals bedoeld in lid a en lid b van deze bepaling, is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar, berekend met de Aerius-calculator.
    • 3. wanneer in deze regels 'emissie N/kg/jaar' wordt gebruikt, wordt de hiervan onderdeel uitmakende hoofdletter 'N' bedoeld als verzamelnaam voor NH3 en NOx;

trekkershut:

een eenvoudig gebouw met beperkte inhoud en beperkte voorzieningen, bestemd voor recreatief nachtverblijf voor personen die hun hoofdverblijf elders hebben;

tuin:

de gronden van een (bouw)perceel behorende bij een woning;

veehandelsbedrijf:

een bedrijf, dat in hoofdzaak gericht is op het verhandelen en transporteren van vee;

veldschuur:

een reeds aanwezig gebouw buiten een agrarisch bouwvlak of een detailbestemmingsvlak met bouwmogelijkheden, dat buiten de reguliere bouwregels valt en wel als zodanig bestemd dient te worden. Het gaat hierbij onder meer om dierenverblijven, schuilhutten, schuilgelegenheden, schuren voor opslag, kapschuren etc.;

verblijfsrecreatie:

een vorm van recreatief verblijf, waarbij sprake is van overnachtingen anders dan met gebruikmaking van een hotel, pension of woning danwel een vaartuig;

verbrede landbouw:

activiteiten bij een agrarisch bedrijf die voortvloeien uit de agrarische bedrijfsvoering en die ten dienste staan van het agrarische bedrijf zoals agrotoerisme, boerenterras, agrarisch natuurbeheer, bewerking en waardevermeerdering van ter plaatse geproduceerde producten en zorgboerderijen;

vergisting:

het omzetten van koolhydraten door micro-organismen door middel van een anaeroob dissimilatieproces (waarbij biogas wordt geproduceerd);

verkoopvloeroppervlakte:

voorkomende hoeveelheid bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen of het verlenen van aanverwante diensten;

vestiging:

mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond van het geldend planologisch regime niet is toegelaten op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan;

(vollegronds)fruit- en/of boomteelt:

het telen van fruit (fruitteelt) en/of het telen van bomen, struiken en aanverwante houtgewassen (boomteelt); voorzover dat niet in gebouwen plaatsvindt;

volwaardig agrarisch bedrijf:

een agrarisch bedrijf dat de arbeidsomvang heeft van tenminste één volledige arbeidskracht en waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd, dat wil zeggen in zowel bedrijfseconomisch opzicht als op milieuhygiënisch verantwoorde wijze;

voorgevelrooilijn:

langs een wegzijde met een (nagenoeg) regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdige aan de as van de openbare weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van deze bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg aangeeft;

langs een weg zijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd tot de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de openbare weg;

voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies:

alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen (kunnen) verblijven; dit betekent dat in dit TAM-omgevingsplan de volgende functies als voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies worden aangemerkt: Agrarisch met waarden - Landschap en Wonen, alsmede kleinschalige kampeerterreinen. Voor de functie Agrarisch met waarden - Landschap betreft het uitsluitend de agrarische bouwvlakken, met uitzondering van het bouwvlak behorende bij het bedrijf dat de (vollegronds)fruitteelt en/of boomteelt uitoefent;

ormverandering:

wijziging van de begrenzing van een aanduiding 'bouwvlak' zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte;

water en waterhuishoudkundige voorzieningen:

Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen en inlaten;

werk:

een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde;

winkel:

een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor de detailhandel;

wonen:

het bewonen van een zelfstandige woning of als zodanig bestemd gebouw voor zelfstandige woningen;

woning/wooneenheid:

een verblijfsobject dat wordt ontsloten via een eigen toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte dat bestemd is voor de huisvesting van één huishouden of een groep van maximaal vijf personen die geen gezamenlijk huishouden vormt.

(woon)boerderij:

een gebouw dat bestaat uit een (voormalige) agrarische bedrijfswoning met de in dezelfde bouwmassa opgenomen (voormalige) agrarische bedrijfsruimten;

zomerseizoen:

de periode van 1 mei tot 1 oktober;

zorgboerderij:

een zorgfunctie waarbij de sociaal-medische opvang van personen - al dan niet in de vorm van het ter plaatse woonachtig zijn - gecombineerd wordt met agrarische activiteiten in dié zin dat de personen behulpzaam zijn bij de agrarische of natuurbeherende activiteiten;

zorgvuldige veehouderij:

veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.