| Plan: | TAM-omgevingsplan Milheesestraat, Milheeze |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1652.TAMopMilheesestr-VA01 |
Keizersberg Vastgoed is voornemens om aan de Milheesestraat te Milheeze een uitbreidingswijk voor Milheeze en omgeving te realiseren in de vorm van 87 woningen en een supermarkt. Voor deze ontwikkeling is tussen Keizersberg Vastgoed en de gemeente Gemert-Bakel een anterieure overeenkomst gesloten.
De te realiseren wijk ligt aan de zuidoostzijde van Milheeze en wordt ingesloten door het landelijk gebied aan de ene zijde en het bebouwde gebied van Milheeze aan de andere zijde. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van 87 woningen en een supermarkt inclusief infrastructuur, groen en water.
Het ter plaatse geldende omgevingsplan (er geldt altijd maar één omgevingsplan) staat de ontwikkeling niet toe. De beoogde herontwikkeling past niet in het tijdelijk deel van het omgevingsplan; het geldende bestemmingsplan 'Gemert-Bakel Buitengebied 2017'. De gemeente Gemert-Bakel heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het opstellen van een nieuw juridisch-planologisch kader. Dit TAM-omgevingsplan voorziet hierin. Een wijziging van het omgevingsplan dient te worden getoetst aan het geldende beleid en moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de instructieregels van het Rijk- en de provincie Noord-Brabant. De voorliggende motivering voorziet daarin en is onderdeel van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel.
Het plangebied ligt aan de oostkant van Milheeze, ten zuiden van de Milheesestraat, en omvat globaal de eerste agrarische percelen die aan de oostzijde van het dorp liggen. Deze beslaan bij elkaar ongeveer 3,3 hectare en worden omringd door agrarisch cultuurlandschap aan de zuid- en oostzijde, terwijl aan de westkant een rand van woningen het gebied begrenst. Aan de noordzijde wordt het gebied begrensd door de Milheesestraat.
Figuur 1.1: Ligging plangebied
Figuur 1.2: Luchtfoto plangebied
Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet zijn alle op 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege één omgevingsplan geworden. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan bestemmingsplannen niet meer.
Het omgevingsplan is in te zien via Regels op de kaart in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl). Hier vindt je de van rechtswege in het omgevingsplan opgegane bestemmingsplannen en de vanuit de wet gekregen 'bruidsschat'. Dat zijn de bouw- en milieuregels die voorheen landelijk golden, maar die het Rijk voortaan over laat aan de gemeente.
Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn op het plangebied de volgende bestemmingsplannen van toepassing, namelijk:
Bestemmingsplan 'Gemert-Bakel Buitengebied 2017' (vastgesteld 5 juli 2018)
Het plangebied heeft volgens het geldende bestemmingsplan 'Gemert-Bakel Buitengebied 2017' de volgende bestemmingen en aanduidingen:
De gronden binnen de enkelbestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor al dan niet bedrijfsmatig agrarisch grondgebruik inclusief tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. De gronden binnen de enkelbestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zijn daarnaast bestemd voor de uitoefening van verschillende vormen van agrarische bedrijvigheid.
Ter plaatse van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Oude akker' zijn de gronden mede bestemd voor de instandhouding en de bescherming van cultuurhistorische waarden en daarmee voor het behoud en/of herstel van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Gemert-Bakel Buitengebied 2017' (bron: omgevingswet.overheid.nl/ regels-op-de-kaart)
Daarnaast gelden aanvullende/gewijzigde regels vanuit de bestemmingsplannen 'Tijdelijke huisvesting werknemers, Boerderijsplitsing, Uitbreiding oppervlak bijbehorende bouwwerken' (vastgesteld 7 oktober 2021), 'Reparatie Gemert-Bakel Buitengebied 2021' (vastgesteld 11 november 2021) en 'Buitengebied reparatie uitbreiding dierenverblijf Gemert-Bakel' (vastgesteld 16 december 2021).
Strijdigheid
De beoogde ontwikkeling is strijdig met het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel. Meer specifiek met het voorheen geldende bestemmingsplan 'Gemert-Bakel Buitengebied 2017' op grond waarvan de beoogde bouw- en gebruiksactiviteiten niet zijn toegestaan.
In hoofdstuk 2 is de beschrijving van de huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie Noord-Brabant, het waterschap en de gemeente Gemert-Bakel. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid van het plan en de procedure aan de orde. In hoofdstuk 7 tenslotte is de conclusie en de belangenafweging opgenomen.
Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van Milheeze aan de zuidzijde van de Milheesestraat. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Milheesestraat, ten zuiden en oosten aan agrarische percelen en ten westen aan woonpercelen. De locatie heeft in hoofdzaak een agrarisch karakter. Binnen het plangebied ligt een voormalig agrarische woning met bedrijfsgebouwen.
In het plangebied zijn de contouren van een aantal historische lijnen en patronen leesbaar, zoals een oude landweg die Milheeze verbond met de Kaweische Loop en het aan de overzijde gelegen gehucht Wasberg. De zuidzijde van de locatie biedt een panoramisch uitzicht over het beekdal van de Kaweische Loop. Het uitzicht aan de oostzijde wordt begrensd door de Hoevensebaan, met daarachter de agrarische bebouwing en opgaande erfbeplanting aan de Heikamp en de Hoeven.
Figuur 2.1: Ligging plangebied in omgeving (Bron: SAB, november 2025)
Figuur 2.2: Locatie gezien vanaf de noordzijde (Bron: SAB, juni 2024)
Figuur 2.3: Locatie gezien vanaf de zuidzijde (Bron: SAB, juni 2024)
In en rondom het plangebied liggen belangrijke structuren waar in de stedenbouwkundige opzet van de nieuwe wijk rekening mee gehouden is.
Lagenbenadering
Middels een lagenbenadering (zie Bijlage 4) is onderzocht of de ontwikkeling van woningbouw aan de Milheesestraat in Milheeze een passende ontwikkelingsrichting is voor het gebied en welke uitgangspunten daarvoor van toepassing zijn. De uitgangspunten die gebaseerd zijn op de conclusies uit de lagenbenadering, waren het vertrekpunt voor het stedenbouwkundig plan.
Laag 1: ondergrond
De ondergrond geeft een goede basis voor een nieuwe functie als woongebied. De bodem is goed doorlaatbaar en de hoogteligging geeft een goede basis voor afwatering
van het gebied.
Er verdwijnt een deel van het karakteristieke oude akkerlandschap, maar er zijn historische elementen en lijnen die door behoud en herstel juist de herkenbaarheid
van de plek kunnen versterken. Het verleden van het gebied wordt hierdoor leesbaar gehouden.
Laag 2: netwerken
Een stedenbouwkundige uitbreiding aan de oostzijde van Milheeze sluit goed aan op het bestaande netwerk. Het gebied is goed te ontsluiten op de Milheesestraat met een secundaire aansluiting op de Millekens. Zowel voor fietsers, openbaar vervoer gebruikers en automobilisten zijn goede aansluitingen op de bestaande netwerken.
Nader onderzoek naar natuur en verkeer zijn van belang en in de planuitwerking dient aandacht te zijn voor waterbergende voorzieningen binnen het plangebied.
Laag 3: occupatie
De ontwikkeling aan de oostzijde van Milheeze vormt een nieuwe toevoeging aan de occupatielaag en biedt kansen om het dorp een fraaie afronding te geven. Historische lijnen en elementen bieden belangrijke uitgangspunten voor de planontwikkeling.
Het behoud van zichtlijnen vanaf de Milheesestraat, Millekens en de Hoevensebaan is een belangrijk uitgangspunt.
Bij de verdere uitwerking is onderzoek van geluid van vliegverkeer en wegverkeer noodzakelijk. Afhankelijk van uitkomsten kunnen extra voorwaarden aan de geluidwering van de woningen worden gesteld.
Daarnaast is advies van de GGD gewenst met betrekking tot de geitenboerderij binnen 2 km van het plangebied.
Conclusie
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant is het gebied aangeduid als ‘landelijk gebied’. Op basis van Art 5.12 is de lagenbenadering opgesteld. Hieruit zijn de volgende conclusies getrokken:
De ontwikkeling tot woongebied met een goed woon- en leefklimaat is ruimtelijk goed inpasbaar. Daarbij zijn er aanleidingen om de ondergrond leesbaar te maken en te houden. (laag 1). Nadere onderzoeken naar verkeer, water en natuur zijn noodzakelijk om een goede aansluiting op de netwerken te maken (laag 2). Met de realisatie van woningen ontstaat een nieuwe tijdlaag en kan Milheeze aan de oostzijde afgerond worden met een fraaie verbinding naar het landschap (laag 3). Cultuurhistorische elementen moeten aanleiding zijn in het ontwerp. Daarbij moet er bij de verdere uitwerking voor een goed woon- en leefklimaat aandacht zijn voor geluidsonderzoek naar vlieg- en wegverkeer en gezondheid (advies GGD).
Voor de ontwikkeling aan de Milheesestraat is een stedenbouwkundig plan opgesteld, zie Bijlage 1. Met de ontwikkeling wordt de oostelijke zone van Milheeze verder uitgebreid. Hiermee ontstaat een duidelijk grens van het bebouwde gebied van Milheeze. Het plangebied wordt ontwikkeld tot woningbouwlocatie voor maximaal 87 woningen. Daarnaast vormt een supermarkt onderdeel van de te realiseren functies. Ten behoeve van de woningen en de supermarkt worden er in totaal 191 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze zullen zowel in het openbaar gebied als op eigen terrein gerealiseerd worden.
De in het plangebied aanwezige agrarische bedrijfswoning en bebouwing wordt gesloopt.
Figuur 2.4: Stedenbouwkundig plan (Bron: Sab adviseurs, versie november 2025)
In het stedenbouwkundig plan staat de verwevenheid van de dorpsrand met het omringende landschap centraal. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is de oude akker waardevol. Vanaf de Hoevensebaan en de Milheesestraat zijn een aantal zichtlijnen opgenomen die zicht op het oude akkercomplex bieden.
Daarnaast is de steilrand (de rand van het oude akkercomplex) visueel versterkt door ten noorden hiervan een lager gelegen waterberging aan te leggen. Hier is ook ruimte voor een goed bereikbare speelplek. Bovendien wordt er zo voor gezorgd dat de erven aan de Milheesestraat los blijven liggen van de nieuwe dorpsuitbreiding.
Het verdwenen tracé van de oude Hoevense Akkerweg en de historische route in het zuiden van het plangebied worden deels teruggebracht. Deze historische elementen en lijnen zullen door behoud en herstel de plek leesbaar maken en de herkenbaarheid versterken.
Langs de Milheesestraat biedt een nieuw erf ruimte voor de supermarkt. De supermarkt versterkt de vitaliteit van het dorp en ligt op een strategische plek tussen het dorp en de Hoevensebaan. Het erf krijgt een goede landschappelijke inpassing. De supermarkt is toegankelijk vanaf de nieuwe ontsluitingsroute voor zowel auto's, fietsers als voetgangers.
Aan de westzijde zijn aansluitend op het bestaande erf een vrijstaande woning en een rijtje seniorenwoningen gepositioneerd die een landelijk karakter krijgen ("schuurwoningen"), zodat zij aansluiten bij het beeld van erven aan de Milheesestraat.
Markante plekken waar dorp en landschap elkaar treffen worden geaccentueerd. Zo komt er aan de zuidzijde van de steilrand een hofje met rug-aan-rugwoningen en een appartementengebouw met een dorpse schaal, als herkenbaar ensemble. De gebouwen vormen koppen richting het landschap en markeren tegelijkertijd de entree tot de nieuwe woonbuurt. De woningen zijn rond een collectieve tuin gesitueerd, waar jongeren boven kunnen wonen en ouderen beneden. Zo kunnen jong en oud elkaar ontmoeten. Door het hofje loopt de zichtlijn vanaf de Milheesestraat. De woningen parkeren geclusterd langs de hoofdontsluitingsweg.
Het woningbouwprogramma bestaat uit 87 grondgebonden woningen. Deze woningen bestaan uit een variatie aan huur en koop. De woningen worden in verschillende woningtypen gerealiseerd. Voor de woningbouwsegmentering wordt uitgegaan van:
Figuur 2.5: Woningbouwsegmentering (Bron: SAB, november 2025)
Voor de beoogde ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, zie Bijlage 3. In het beeldkwaliteitsplan is het plangebied onderverdeeld in drie zones: bebouwing Milheesestraat, dorpsrand en een welstandsvrije zone. Per zone is ingegaan op de woonbebouwing, algemeen sfeerbeeld, erfinrichtingen en bijbehorende regels.
Het plan voorziet in een dorpse, groene en gevarieerde woonomgeving met 87 woningen en een supermarkt aan de flanken van een oude akker. De open en afwisselende opzet sluit zorgvuldig aan op het bestaande dorp en het omliggende landschap. Daarbij staat de verwevenheid van de nieuwe dorpsrand met het landschap centraal.
Door behoud en herstel van (cultuur)historische elementen wordt de leesbaarheid en herkenbaarheid van de plek versterkt. Een verdwenen tracé wordt deels teruggebracht en zichtlijnen vanaf de Hoevensebaan en de Milheesestraat maken het akkercomplex beleefbaar. Ook wordt de bestaande steilrand in het gebied visueel versterkt. Langs de Milheesestraat voegen zich twee nieuwe eigentijdse erven in het bestaande lint. Het oostelijk erf biedt ruimte voor een supermarkt, terwijl het westelijk erf ruimte biedt voor een aantal schuurwoningen die aansluiten bij het karakter van de erven. De woonbuurt vormt een gevarieerde en afwisselende dorpsrand met korte blokjes langs de rand, waarbij de woningen gericht zijn op het landschap. Bijzondere woonmilieus markeren de plekken waar dorp en landschap elkaar ontmoeten.
De Milheesestraat vormt een belangrijke structuur in Milheeze en wordt gekenmerkt door een bebouwingslint met een landelijk-dorps karakter: woningen aan het lint en schuren daarachter. De nieuwe bebouwing sluit hierbij aan. De spelregels voor de woningen en de supermarkt worden afzonderlijk beschreven en waarborgen een landelijk-dorpse samenhangende uitstraling.
De oostelijke dorpsrand krijgt een ontspannen, landelijk-dorps karakter met grote variatie in woningtypes en groene ruimtes, die de wisselwerking tussen dorp en landschap versterken. De woningen zijn georiënteerd op het buitengebied en krijgen royale kappen. De spelregels waarborgen een landelijk-dorpse samenhangende uitstraling voor de dorpsrand.
De Milheesestraat vormt ter hoogte van het plangebied de overgang van het dorp naar het landschap.
Het bebouwingslint aan de Milheesestraat heeft een landelijk dorps karakter: woningen aan het lint en schuren daarachter. De nieuwe ontwikkeling borduurt hierop voort: de nieuwe woningen en de supermarkt worden vormgegeven als schuren en bevinden zich achter de bestaande hoofdwoningen aan het lint. Het landelijk-dorpse karakter uit zich in dominante kappen en ondergeschikte gevels. De schuren hebben een eenvoudige, ingetogen uitstraling. Binnen de landelijk-dorpse sfeer kan het gebouw zowel een eigentijdse als een meer traditionele vormgeving hebben.
De bebouwing aan de open akker vormt de nieuwe dorpsrand van Milheeze. In aansluiting op de uitbreiding rond de Millekens wordt de landelijk-dorpse sfeer doorgezet. Op markante plekken kunnen grotere volumes toch een landelijke uitstraling krijgen door te verwijzen naar traditionele landelijke bouwmassa's, zoals langgevelboerderijen of schuren. Ook dit sluit aan op de beeldkwaliteit rond de Millekens waar grotere volumes in vergelijkbare vormentaal zijn gerealiseerd.
In de landelijk-dorpse sfeer staan de royale kappen en ondergeschikte gevels centraal. De kappen hebben een herkenbare hoofdvorm, zoals een langskap of een mansarde. Het materiaalgebruik is ingetogen, met uitzondering van een witte detaillering. Kenmerkend voor de landelijke bouwstijl in Milheeze is bovendien het toepassen van een 'gevelplint' van circa 30–50 cm hoog, uitgevoerd in afwijkend metselwerk of pleisterwerk. Binnen de dorps-landelijke uitstraling kunnen de woningen zowel een eigentijdse of meer een traditionele vormgeving hebben.
De bebouwing aan de zuidwestzijde van het plangebied bevinden zich in een welstandsvrije zone. Dit geldt specifiek voor de op te richten hoofd- en bijgebouwen. In het omgevingsplan worden de belangrijkste spelregels om een dorps karakter te realiseren vastgelegd. Hierbij valt te denken aan bouwhoogtes en rooilijnen en een regeling voor aan- en bijgebouwen. Om de ruimtelijke kwaliteit, samenhang en het groene karakter te waarborgen zijn in de welstandsvrije zone wel regels met betrekking tot de erfafscheidingen van toepassing, zie Bijlage 3.
De ruimtelijke opzet bestaat uit een heldere opzet van (groen)structuren met woonvelden. De opzet van de groenstructuur draagt bij aan een zachte overgang van dorp naar landschap. Op een aantal plekken wordt het groen naar binnen getrokken, waardoor er vanuit de hoofdontsluiting fraai zicht op de akker is. Ten zuiden van het erf voor de supermarkt is een grotere groene ruimte, die door de lagere ligging voor de waterberging als ook als centrale speelplek gebruikt kan worden. Deze ruimte ligt wat lager en aan de zuidzijde kan de steilrand geaccentueerd worden als overgang naar de woonbuurt.
Groen
De ambitie is om een gevarieerd inheems groenaanbod te realiseren dat bijdraagt aan de biodiversiteit in het gebied. Langs de Milheesestraat wordt de hoofdgroenstructuur gehandhaafd en aangevuld. De belangrijkste hoofdontsluiting in de nieuwe woonbuurt wordt met bomen begeleid. Dit biedt tevens schaduw en voorkomt hittestress. Ook in de groene wiggen zorgen bomen en ander beplanting voor een gevarieerd groen beeld. Aan de zuidzijde worden bestaande bomen ingepast. Het supermarktterrein wordt landschappelijk ingepast met een robuuste struweelhaag aan de oost- en zuidzijde en een landschappelijke haag aan de west- en noordzijde. Aan de zuidelijkerand markeren bomen de erfzone. Daarnaast is de ambitie om verharding waar mogelijk te beperken en parkeerplaatsen zo veel mogelijk in grasbeton uit te voeren. Een concrete uitwerking van groen en water is opgenomen in het Landschappelijk inpassingsplan, zie Bijlage 2.
Water
Wadi's worden verspreid over de buurt aangelegd voor de opvang van regenwater. Het regenwater wordt zoveel mogelijk bovengronds afgevoerd naar deze wadi's, waarna het kan infiltreren. De wadi's worden vormgegeven als glooiende verlagingen en hebben een landschappelijke en natuurlijke uitstraling. Het talud is minimaal 1:3. Bij voorkeur zijn de taluds wisselender, zodat er een glooiend geheel ontstaat. Aan de randen van de wadi's staan bomen. Naar het noorden toe ligt het gebied lager, hier bevindt zich dan ook de grootste wadi.
Figuur 2.6: Themakaart groen en water (Bron: Stedenbouwkundig plan, SAB, november 2025)
Parkeren
Er zijn 126,3 (127) parkeerplaatsen in de (toekomstige) openbare ruimte benodigd voor de 87 woningen op basis van de parkeernormen van de gemeente Gemert-Bakel. In het stedenbouwkundig plan zijn 123 parkeerplaatsen opgenomen op (toekomstig) openbaar gebied. De overige 4 parkeerplaatsen zijn door middel van dubbelgebruik met de supermarkt beschikbaar. Ten behoeve van de supermarkt zijn er 68 parkeerplaatsen aanwezig.
Parkeren moet zich op acceptabele loopafstand tot de woningen bevinden. De gemeente Gemert-Bakel hanteert een acceptabele loopafstand van 100 meter tot de functie wonen. Op deze pagina is de spreiding van parkeerplaatsen weergegeven. De indeling in clusters is indicatief. In sommige clusters is een klein tekort, terwijl in naastgelegen clusters binnen 100 meter loopafstand een overschot is. Daarmee is er een sluitende parkeerbalans.
Figuur 2.7: Spreiding parkeren (Bron: SAB, november 2025)
Verkeer
De nieuwe wijk wordt aangesloten op de naastgelegen buurt door de verlenging van de Millekens richting de Milheesestraat.
In de nieuwe buurt ligt het accent op de verblijfskwaliteit. De openbare ruimte is hier autoluw van karakter. In lijn hiermee wordt de geparkeerde auto zo goed als mogelijk uit het straatbeeld geweerd. Om die reden gebeurt het parkeren zoveel mogelijk op de eigen kavel. Bij 2-onder-1 kapwoningen en vrijstaande woningen kan dit eenvoudig worden gerealiseerd. Bij rijwoningen vindt het parkeren plaats op langsparkeerstroken parallel aan de straat of in kleine clusters van haakse parkeervakken. Om hieraan een ruimtelijk kader te bieden en de auto’s zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken worden de parkeerplaatsen met hagen omzoomd en worden op wisselende afstand bomen tussen de parkeervakken geplant. Met deze aanplant krijgen de straatjes de allure van een laan.
Figuur 2.8 Hoofdontsluiting (Bron: SAB)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
De vier ambities uit de NOVI zijn verder uitgewerkt in 26 beleidskeuzes, die in de toelichting van de NOVI zijn vertaald naar 21 Nationale belangen. Gezien de aard van dit plan zijn vooral de volgende nationale belangen relevant:
(1) Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
(2) Realiseren van een goede omgevingskwaliteit;
(5) Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woningbehoeften;
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de nationale belangen zoals het tegengaan van het woningtekort. Er wordt een bijdrage geleverd aan nationale belangen door het toevoegen van woningbouw waarbij veel aandacht is voor groen, gezondheid en duurzaamheid.
Ten aanzien van nationaal belang 5 is de onderbouwing terug te vinden in paragraaf 4.1 (ladder voor duurzame verstedelijking). Uit die onderbouwing blijkt dat sprake is van een duurzame ontwikkeling die aansluit op de woningbehoeften.
Ten aanzien van nationaal belang 1 en 2 kan worden opgemerkt dat in Hoofdstuk 4 het plan aan de hand van de relevante aspecten in de fysieke leefomgeving is gemotiveerd, gevolgd door een algehele afweging van het plan in Hoofdstuk 7. Op deze plek volstaat de conclusie dat met het plan sprake is van een goede omgevingskwaliteit.
Overige nationale belangen zijn minder van relevant voor dit plan, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit plan onbelangrijk thema betrekking hebben.
Het plan past binnen de beleidskaders van de Nationale Omgevingsvisie.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.
Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan dan ook regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
Toetsing
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het plangebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit plan relevant zijn.
Voor zover verdere thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit plan, vindt een afweging van deze instructieregel plaats in Hoofdstuk 4 van deze motivering.
Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor dit plan, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit plan onbelangrijk thema betrekking hebben.
De ontwikkeling draagt bij aan het rijksbeleid.
In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:
Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling draagt bij aan onder andere 'goed wonen binnen de bebouwde omgeving'. Er wordt een nieuwe duurzame woonomgeving gerealiseerd. In een eerdere fase van het plan heeft er afstemming tussen de provincie en de gemeente plaatsgevonden. Voor sommige van deze ambities zijn regels nodig om ze te kunnen realiseren. Provincie Noord-Brabant heeft daarom een Omgevingsverordening vastgesteld. In de volgende subparagraaf wordt het plan getoetst aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Noord-Brabant in werking getreden.
In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening zijn zogenoemde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun omgevingsplannen. De instructieregels richten zich op een evenwichtige toedeling van functies. Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving. Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
In het geval van dit plan zijn rechtstreeks werkende regels en de instructieregels voor gemeenten relevant. Hierna wordt aan deze regels getoetst. Volgens de verbeelding van de Omgevingsverordening ligt het plangebied geheel binnen de volgende werkingsgebieden:
Uit de rechtstreeks werkende regels zijn geen relevante artikelen voor het gehele plangebied, aangezien zich hier geen veehouderij bevindt en geen sprake is van realisatie van grootschalige logistiek.
De ontwikkeling betreft een woningbouwontwikkeling, waarbij sprake is van uitbreiding van het stedelijk gebied. Voor een woningbouwontwikkeling zijn de volgende instructieregels relevant:
Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik
Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering
Artikel 5.10 Meerwaardecreatie
Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap
Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting
Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling
Artikel 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling
Toetsing
Uitbreiding van het stedelijk gebied is mogelijk, mits goed goed onderbouwd. Er is binnenstedelijk onvoldoende ruimte om in de (regionaal afgestemde) behoefte te voorzien. Uitbreiding aan de rand van stedelijk gebied is dan de meest logische stap. De uitbreiding is onderbouwd aan de hand van de lagenbenadering (Bijlage 4) die als basis heeft gediend voor het stedenbouwkundig plan. Deze uitbreidingsrichting is ook opgenomen in de gemeentelijke omgevingsvisie. In dit gebied wordt bij de ontwikkeling rekening gehouden met de groene en cultuurhistorische waarden. Er is sprake van een duurzame afronding van het stedelijk gebied. De meerwaarde wordt in het plangebied gerealiseerd.
Met de ontwikkeling van een uitbreidingswijk van maximaal 87 woningen wordt het plangebied betrokken bij het stedelijk gebied en wordt gezien als stedelijke uitbreiding. De beoogde supermarkt wordt ter plaatse van het bestaand bouwperceel van het agrarische bedrijf gerealiseerd. Op basis van artikel 5.55 verstedelijking afweegbaar is dit mogelijk. Hiervoor heeft een zorgvuldige afweging plaatsgevonden. Vanwege de uitbreiding in landelijk gebied is kwaliteitsverbetering noodzakelijk. In de 'Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap', de rood met groen koppeling d.d. 1 november 2011, wordt inzake kwaliteitsverbetering van het landschap ingeval van uitbreiding uitgegaan van een (minimale) basisinspanning van 1% van de uitgifte prijs. De uitgifteprijs kan worden bepaald op basis van het uitgeefbaar gebied (m²), verdeeld over de verschillende uitgiftecategorieën en de te hanteren uitgifteprijzen. De uitgiftecategorieën zijn in figuur 3.3.2 weergegeven.
De uitgifteprijzen zijn afkomstig uit de meest recente Nota Grondprijzen gemeente Gemert-Bakel.
Op basis van de oppervlakten van de uitgiftecategorieën en de bijbehorende uitgifteprijzen kan het 1% richtbedrag worden herleid. Uit de gronduitgifteberekening blijkt dat de opbrengsten van uitgifte van gronden in het plangebied nominaal
€ 5.097.364,- bedragen. Gegeven de bijdrage van 1% kan worden gesteld dat met de kwaliteitsverbetering ten minste een investering van € 50.973,64 gemoeid moet zijn.
Een nadere uitwerking van de kwaliteitsverbetering is in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Het landschappelijk inpassingsplan maakt als bijlage 1 onderdeel uit van de regels van het bestemmingsplan en is in figuur 3.1 weergegeven.
Figuur 3.1 Landschappelijke inpassingsplan (Bron: SAB, november 2025)
De wijze van kwaliteitsverbetering wordt in het landschappelijke inpassingsplan opgenomen. In bijlage 15 is een raming opgenomen die is opgesteld op basis van het landschappelijk inpassingsplan. Uit de raming blijkt dat de investering voor de realisatie van de kwaliteitsverbetering hoger is dan de 1%-norm. Ten behoeve van de borging van de kwaliteitsverbetering en de uitvoer en instandhouding van de landschappelijke inpassing is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.
Stalderingsgebied
Binnen het Stalderingsgebied (Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen) gelden regels over de toename van de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdieren op agrarische bedrijven. Dit project heeft geen betrekking op een bestaand of nieuw agrarisch bedrijf. De regels voor stalderingsgebieden zijn in dit geval dan ook niet relevant.
Beperkingen grootschalige logistiek
Artikel 5.56a (Grootschalige logistiek) stelt beperkingen aan de ontwikkeling van grootschalige logistiek. Deze regels zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit plan.
Norm wateroverlast stedelijk gebied
Artikel 2.2 (Omgevingswaarde wateroverlast stedelijk gebied) richt zich op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen en/of 1/10 per jaar voor overige gebieden.
In paragraaf 4.15 is omschreven op welke manier de berging en afvoer van water binnen de planlocatie is opgelost.
Diep grondwaterlichaam
Artikel 3.12 (diep grondwaterlichaam) beschrijft dat het verboden is om milieubelastende activiteiten, onconventionele winning van koolwaterstoffen, te verrichten binnen het diep grondwaterlichaam-gebied. Dit is bij de beoogde ontwikkeling niet aan de orde.
Geen attentiezone waterhuishouding
In Artikel 3.15 (Aanwijzing vergunningvrije gevallen open bodemenergiesysteem) staat dat een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem van het Bal niet is vereist als de onttrekking buiten de Attentiezone waterhuishouding ligt. Dit is het geval bij de beoogde ontwikkeling. Hoewel er geen omgevingsvergunning is vereist, zullen de in Artikel 3.15 genoemde activiteiten niet worden toegevoegd bij de beoogde ontwikkeling.
De beoogde ontwikkeling is passend binnen het provinciaal beleid.
In het gebied van het plan is waterschap Aa en Maas de waterbeheerder. De ‘Waterschapsverordening Waterschap Aa en Maas 2024’ is in werking getreden op 3 april 2024. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. De waterschapsverordening vervangt de Keur.
In de waterschapsverordening wordt met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening. In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is. Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn.
Toetsing
De toetsing aan de waterhuishouding is opgenomen in paragraaf 4.15.
De beoogde woningbouwontwikkeling met landschappelijke inpassing is passend binnen het beleid van het waterschap Aa en Maas.
Op 27 juni 2025 is de Omgevingsvisie Gemert-Bakel 2040 in werking getreden. De omgevingsvisie is één van de kerninstrumenten in de Omgevingswet. Hiermee wordt richting gegeven aan de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving op lange termijn. De omgevingsvisie beschrijft hoe er gezorgd kan worden dat de gemeente Gemert-Bakel ook in 2040 bestaat uit zeven vitale kerkdorpen en een toekomstbestendig buitengebied. Want ‘vitale kernen’ en ‘toekomstbestendig buitengebied’ zijn de twee ambities die de omgevingsvisie nastreeft. Om de kernen vitaal te houden wordt ingezet op beschikbaarheid van voldoende voorzieningen in alle kernen, voldoende woningen en een goede bereikbaarheid.
Naast het algemene deel van de omgevingsvisie is een gebiedsgerichte uitwerking opgesteld. Hierin zijn per kern de ambities opgenomen.
Milheeze wil inzetten op wonen (en leven) voor alle generaties. Op de plekken die binnen de kern en in de kernrandzones op kaart zijn aangewezen voor woningbouw, leeft de wens om ruimte te geven aan betaalbare (zorg) woningen voor starters en senioren. Voor ouderen wordt daarbij vooral gedacht aan levensloopbestendige woningen (hofjes met groen). De mogelijke uitbreidingsrichting voor de kern is voorzien in de noordelijke en oostelijke richting. Voor de oostelijke richting moet rekening gehouden worden met de aanwezige zandwelvingen en de beschermde status van de nabijgelegen oude akker.
Figuur 3.2: Uitsnede Omgevingsvisie Gemert-Bakel, plangebied rood omcirkeld (Bron: Gebiedsgerichte uitwerking Gemert-Bakel)
Toetsing
Milheeze kent een woningbouwopgave. Het plangebied is aangemerkt als als mogelijke uitbreidingsrichting van het woongebied. Met het planvoornemen worden onder meer woningen gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten op het toekomstperspectief van Milheeze. Verder wordt het plangebied aangeduid met 'Groen behouden/versterken cultuurhistorische waarden'. In paragraaf 2.2.3 en 4.12 is gemotiveerd hoe dit is meegenomen in het ontwerp.
In de vastgestelde Regionale Woondeal Zuidoost-Brabant heeft het Rijk prestatieafspraken gemaakt met onder andere de provincies en gemeenten. Deze Woondeal zuidoost-Brabant is vigerend. Echter de woningbouwopgave is geactualiseerd naar 2025. Voor Gemert-Bakel wordt vooralsnog uitgegaan van de volgende (concept) woningbouwaantallen.
De minimale opgave 2022 t/m 2030 voor de gemeente Gemert-Bakel is 1.750 woningen. De aantallen uit de regionale Ontwikkelstrategie gelden de komende jaren als richtinggevende ambitie. De opgave 2025 - 2040 is in Gemert-Bakel 3.655 woningen. De gemeente Gemert-Bakel komt de regionale afspraken na en zorgt dat de minimale woningbouwbehoefte gerealiseerd wordt.
Met de beoogde ontwikkeling wordt bijgedragen aan het gemeentelijke doel om in de periode 2025-2040 3.655 woningen te realiseren.
Met de Nota Parkeernormen biedt de gemeente een toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in de gemeente Gemert-Bakel om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. Met behulp van dit toetsingskader moet worden voorkomen dat als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen of wijzigingen parkeerproblemen in de openbare ruimte ontstaan.
Om deze doelstelling te halen wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:
Op 23 januari 2018 heeft de gemeenteraad van Gemert-Bakel het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren Gemert-Bakel' vastgesteld. De parkeernormen uit de nota zijn vertaald in dit bestemmingsplan en dienen toegepast te worden bij het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Toetsing
De toetsing aan de gemeentelijke parkeernormen vindt plaats in paragraaf 4.3. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden. De algemene parkeerregeling uit het paraplubestemmingsplan wordt overgenomen in de regels van dit TAM-omgevingsplan.
De visie ‘Samen Thuis in Gemert-Bakel, wonen – zorg – welzijn' is 21 november 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. De visie wordt als volgt beschreven:
"Met deze visie zetten we ons in voor een prettige woonomgeving, passende woningen en een zorgzame samenleving. We willen een groene leefomgeving met (sport-)voorzieningen en voldoende woningen voor iedereen: een gemeente waar het fijn leven is, een plek waar iedereen zich thuis voelt."
Gemert-Bakel wil een aantrekkelijke woongemeente zijn en blijven. Prettig en passend wonen draagt bij aan de kwaliteit van leven, van huishoudens, de leefbaarheid van buurten, dorpskernen en de gemeente als geheel. Daartoe werkt de gemeente samen met haar partners aan een goed functionerende woningmarkt. De woonzorgvisie is een sturingsinstrument in dit voortdurende streven.
Verschillende trends en ontwikkelingen hebben consequenties voor de woningvraag, woningvoorraad, zorgvraag en woonomgeving. Hier speelt de gemeente Gemert-Bakel met deze woonzorgvisie op in. Zo neemt het aantal huishoudens in de komende jaren toe als gevolg van bevolkingsgroei en krimp van de gemiddelde huishoudensomvang. In het bijzonder wordt geconstateerd dat de groep 65-plussers de komende jaren verder toeneemt. Zij blijven ook steeds vaker en langer zelfstandig wonen waardoor mede de vraag naar passende woningen toeneemt.
Op basis van de trends en ontwikkelingen zet de woonzorgvisie in op de volgende drie ambities:
Toetsing
In paragraaf 2.2.2 is het woningbouwprogramma opgenomen. Daaruit blijkt dat met de ontwikkeling wordt voorzien in een gevarieerd aanbod aan woningen in verschillende segmenten. De ontwikkeling maakt woningen mogelijk voor o.a. starters, ouderen en gezinnen. De segmentering van het woningbouwprogramma is verankerd in een met de initiatiefnemer gesloten overeenkomst.
De gemeente Gemert-Bakel heeft de ambitie een groene gemeente te willen zijn. Het streven is om een goede balans te vinden tussen ruimte, economie en leefbaarheid. De te respecteren uitgangspunten zijn cultuurhistorie, natuurvriendelijkheid en duurzaamheid. Bij nieuwe ontwikkelingen wil de gemeente de kwaliteit en de kwantiteit van het ruimtebeslag garanderen en waarborgen. Bij initiatieven met het toevoegen van woningen wordt als tegenprestatie 75 m2 extra groen per woning verwacht. Deze groennorm van 75 m2 dient als richtgetal voor een benodigde hoeveelheid recreatief groen in stedelijk gebied. De groennorm wordt toegepast voor alle initiatieven die een uitbreiding van het bestand aan woningen en appartementen tot doel hebben. De toepassing van de groennorm is uitgewerkt in 'Uitwerking groennorm Gemert-Bakel'. Eind 2024 is de groennorm geactualiseerd. Het doel van de Groennorm 2.0 is om de kwaliteit van de leefomgeving te garanderen door het stimuleren van de gezonde leefomstandigheden, klimaatrobuustheid en bevorderen van de biodiversiteit.
Per wooneenheid dient 'fysiek' 75 m2 groen met de eigenschap 'permanent openbaar toegankelijk' gerealiseerd te worden. Dit heeft vergaande consequenties voor de wijze van vormgeving en inrichting van het groen. Het te realiseren groen heeft door deze kwalificatie een blijvend, tenminste (semi-) openbaar karakter. Het groen hoeft niet per definitie eigendom van de gemeente te zijn (of te worden). Indien niet voorzien kan worden in de tegenprestatie is het mogelijk om een bedrag te storten in het Groenfonds. De mogelijkheid om geld te storten in het fonds dient als uitweg voor het geval dat een (gehele of gedeeltelijke) fysieke invulling van de groennorm onlogisch of onmogelijk is. Dit op basis van het beleid en afspraken tussen de gemeente en de initiatiefnemer. De Groennorm 2.0 staat voor herontwikkellocaties en inbreidingslocatie een saldering met bestaande verhardingen toe en relateert de benodigde groennorm beter aan de omvang van het te ontwikkelen gebied.
Als de directe leefomgeving rondom een initiatieflocatie beschikt over voldoende groen, dan is het niet nodig om van het inbreidingsinitiatief een volwaardige fysieke invulling van de groennorm ter plekke van het initiatief te eisen. Een geschikt groen- of uitloopgebied is permanent (24/7) openbaar toegankelijk, kan bestaan uit recreatief ontsloten parken, groenzones, speelterreinen en trapveldjes. Ook het buitengebied kan geschikt zijn voor het maken van 'ommetjes' via openbare routes of zandpaden. De werkelijke loopafstand van 300 m (enkele afstand) naar omliggend groen of het buitengebied wordt als norm gehanteerd.
Toetsing
De ontwikkeling aan de Milheesestraat betreft een stedelijke uitbreiding. Ondanks dat binnen het plangebied voormalige agrarische bebouwing aanwezig is, is gezien de omvang van het plangebied, van herontwikkeling geen sprake. Derhalve geldt voor deze ontwikkeling de norm van 75 m2 per woning. Voor de berekening van de groennorm is de rekentool Groennorm 2.0 doorlopen, zie Bijlage 5.
Voor de ontwikkeling van 87 woningen geldt een groennorm van 6.525 m2 (87*75 m2). Binnen het stedenbouwkundig plan wordt circa 12.793 m2 groen gerealiseerd. Dit groen betreft openbaar groen inclusief wadi's. In de rekentool is het landschappelijk inpassingsplan, dat tevens als bijlage van de regels onderdeel uitmaakt van dit Omgevingsplan, vertaald naar de verschillende groenwaarderingen. Voor het groen dat wel is opgenomen in het plangebied, maar géén onderdeel uitmaakt van het landschappelijk inpassingsplan is gekozen voor de waardering 'grasland'. Voor de bomen die wel zijn opgenomen in het stedenbouwkundig plan, maar geen onderdeel uitmaken van het landschappelijk inpassingsplan is gekozen voor 'bomen van de 3e orde'.
Op basis van bovenstaande uitgangspunten blijkt dat de ontwikkeling een groenscore heeft van 12.793 m2. Hieruit volgt dat met de beoogde groene inrichting voldoende kwalitatief groen wordt ontwikkeld en dat ruimschoots aan de groennorm wordt voldaan.
Het beoogde groen sluit grotendeels aan op omliggende groenstructuren. Het merendeel van het groen wordt als wadi ontworpen, ter berging van hemelwater bij hevige regenval. Hierdoor ontstaat dubbelgebruik van deze gronden. Aangezien ruim wordt voldaan en de groennorm en de wadi's enkel bij (en na) hevige regenval niet primair als recreatief groen gebruikt kunnen worden, is dit dubbelgebruik mogelijk. De toepassing van de wadi's is nader uitgewerkt in paragraaf 4.15. De exacte inrichting van het groen in de wijk, voor zover deze geen onderdeel uitmaakt van het landschappelijk inpassingsplan, wordt bij de verder ontworpen tijdens de civieltechnische uitwerking van het plan. In het stedenbouwkundige plan is hiervoor een globale inrichting opgenomen en zijn plant- en boomsoorten benoemd. Dit mede met als reden om voldoende flexibiliteit in de richting te behouden. Hierover zijn tussen ontwikkelaar en gemeente goede afspraken gemaakt die in de anterieure overeenkomst zijn vastgelegd.
Omdat ruimschoots wordt voldaan aan de groennorm zijn de aangrenzende hagen, die voortvloeien uit de 'themakaart erfafscheidingen' (zie Bijlage 1 stedenbouwkundig plan, hoofdstuk 5), niet opgenomen in de rekentool.
De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Het geldende omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In dit geval geldt er voor de locatie een agrarische bestemming, zie paragraaf 1.3. Het toevoegen van 87 woningen en een supermarkt wordt op deze plek gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat de locatie gelet op de agrarische bestemming buiten het bestaand stedelijk gebied ligt, dient tevens de locatie gemotiveerd te worden. In Bijlage 6 is de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen.
De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt invulling gegeven aan de woningbehoefte. Hiervoor is binnenstedelijk onvoldoende ruimte. Daarom is gekozen voor uitbreiding aangrenzend aan bestaand stedelijk gebied.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van circa 87 woningen en een supermarkt. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Hiervoor is een mer-beoordeling noodzakelijk. Op basis van deze aanmeldnotitie kan het bevoegd gezag het m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. In bijlage 28 is de M.e.r.-beoordeling opgenomen.
Uit de informatie in deze aanmeldingsnotitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten, mits de onderstaande maatregelen worden uitgevoerd. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
Maatregelen:
Uit de aanmeldingsnotitie blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Het doorlopen van een mer-procedure is niet noodzakelijk.
Op het gebied van verkeer en vervoer stellen de Ow, het Bkl en de provinciale TAM-omgevingsverordening geen (instructie)regels. Verkeer en parkeren moeten bij een ruimtelijk plan dat activiteiten mogelijk maakt als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.
De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel, 2017'. Het plangebied is gelegen op de grens tussen de bebouwde kom en het buitengebied. Veiligheidshalve is er daarom voor gekozen om binnen het gemeentelijke parkeernormenbeleid uit te gaan van een ligging in het gebiedsprofiel 'Rest bebouwde kom overige kernen'.
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW publicatie 744 'Toekomstbestendig parkeren'. Hierbij wordt voor het bepalen van de te hanteren kencijfers op basis van CBS data voor de gemeente Gemert-Bakel een stedelijkheidsgraad aangehouden van 'Matig stedelijk'. Voor de ligging van het plangebied wordt uitgegaan van 'Rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in de gemeente Gemert-Bakel, welke afkomstig zijn van het CBS, bij het bepalen van het juiste kencijfer, het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd.
Ten behoeve van het aspect verkeer en parkeren is een verkeersonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 7. Onderstaand wordt verder ingegaan op parkeren en verkeergeneratie.
Parkeren woningen
Het plangebied valt onder 'Rest bebouwde kom Overige kernen'. In onderstaande tabel is de parkeerberekening weergegeven.
Tabel parkeerberekening
Er zijn 124 parkeerplaatsen in de openbare ruimte benodigd voor de 87 woningen op basis van de parkeernormen van de gemeente Gemert-Bakel. Het stedenbouwkundig plan voorziet in 124 parkeerplaatsen op openbaar gebied. Parkeren bevindt zich op eigen terrein, langs de ontsluitingswegen en in parkeerclusters tussen de woonblokken.
Parkeren supermarkt
Voor de berekening van de parkeerbehoefte van de supermarkt is gebruik gemaakt van de categorie fullservice supermarkt van 1.000 m². Hiervoor geldt een parkeernorm van 6,6 per 100 m². Voor de supermarkt geldt dus een parkeerbehoefte van 66 parkeerplaatsen. Er zijn 68 parkeerplaatsen op het parkeerterrein gerealiseerd. Voor fietsparkeren is de norm 2,9 fietsen per 100 m² bvo. Dit betekent dat er 29 fietsparkeerplekken nabij de entree moeten komen.
Verkeersgeneratie
De ontwikkeling aan de Milheesestraat voorziet in 87 woningen en een supermarkt van 1.000 m² BVO. Hieraan gekoppeld wordt een nieuwe ontsluitingsweg beoogd (doortrekking doodlopend deel Millekens tot aan de Milheesestraat). De verkeersgeneratie van de ontwikkeling is bepaald aan de hand van de CROW-kencijfers (publicatie 744). Hierbij is Milheeze ingeschaald als "Weinig stedelijk gemeente" met ontwikkellocaties gelegen in de "Rest bebouwde kom". Het CROW hanteert veelal bandbreedtes bij de berekening van de verkeersgeneratie. Voor deze ontwikkelingen is uitgegaan van het gemiddelde over het minimale en maximale kencijfer.
In onderstaande tabellen is een overzicht gegeven van de berekening van de verkeersgeneratie van de ontwikkelingen. Voor de supermarkt is uitgegaan van een full-service supermarkt met een omvang van 1.000 m2 bvo. Dit levert cf. gemiddelde kencijfer een verkeersgeneratie van 1.292 mvt/etm op. De totale verkeersgeneratie voor de woningen komt uit op 569 mvt/etm.
Tabel Berekeningen verkeersgeneratie supermarkt
Tabel Berekening verkeersgeneratie woningen
Verkeersverschuivingen
In totaal geneert de ontwikkeling circa 1.900 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Bij de noordelijke ontsluiting op de Milheesestraat zijn de grootste toenames van verkeer zichtbaar. Op de zuidelijke ontsluiting op de Millekens is de toename zeer beperkt. Het verkeer verspreid zich verder in het heersende verkeersbeeld. Een deel verspreidt zich richting het westen naar Bakel en een groter deel naar het oosten richting Deurne.
Verkeersafwikkeling
In totaal zijn vier kruispunten getoetst op de verkeersafwikkeling. Dit betreft de volgende kruispunten:
1. Kerkeind - Milheesestraat – Antoniusstraat;
2. Milheesestraat – ontsluiting nieuwbouw;
3. Rotonde Milheesestraat - Hoevensebaan - Weijer – Peeldijk;
4. Millekens – Antoniusstraat – ontsluiting nieuwbouw.
Uit de kruispuntberekeningen in de Kruispuntwijzer blijkt dat alle kruispunten kunnen het verkeer in de referentiesituatie en in de plansituatie zowel in de ochtend- als avondspits goed verwerken. De gemiddelde totale verliestijd blijft in zowel de referentiesituatie 2040 als de plansituatie 2040 onder de 25 seconde.
Specifiek voor de aansluiting aan de supermarkt op de nieuwe ontsluitingsweg is het advies om de in- en uitrit aan de zuidkant van het perceel te voorzien. Om interactie met het kruispunt met de Millekens te voorkomen en voor piekdrukte een wachtrij van ca. 3 auto's mogelijk te maken, is minimaal 15 meter benodigd.
Verkeersveiligheid
Met behulp van de Wegenscan is op vier wegvakken een verkeersveiligheidstoets gedaan. Dit is uitgevoerd op de Schutboomsestraat, Kerkeind en op twee plekken op de Milheesestraat. Voor alle wegvakken zijn de toekomstige verkeersintensiteiten in zowel de referentiesituatie als de planvariant goed passend bij de huidige inrichting van de wegen. Ook wanneer het oostelijk deel van de Milheesstraat wordt aangepast naar een GOW30-profiel, cf. het westelijk deel van de Milheesestraat) zijn de verkersintensiteiten goed passend. De ontwikkeling aan De Milheesestraat leidt hier naar verwachting niet tot verkeersonveiligheid.
Een verbeterpunt betreft de aanwezige voorzieningen voor voetgangers. Bij realisatie van een supermarkt zijn goede voetgangersvoorzieningen van en naar de supermarkt gewenst. De huidige routes voor voetgangers over het fietspad zijn daarbij onvoldoende. Een oplossing / koppelkans is mogelijk het afwaarderen van het westelijk van de Milheesestraat naar een GOW30-profiel, zoals ook is toegepast op het Kerkeind. Hierbij kan worden overwogen om (deels) fietsstroken toe te passen, om zo ruimte te creeren voor voetpaden aan weerszijden van de weg.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Omgevingswet en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Omgevingswet voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het TAM-omgevingsplan.
De Omgevingswet maakt onderscheid tussen bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en bepalingen met betrekking tot de bescherming van dier- en plantensoorten.
Soortenbescherming
De activiteit die een TAM-omgevingsplan mogelijk maakt en die mogelijke gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.
Bij een wijziging van het omgevingsplan is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig.
In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
Soortenbescherming
Voor de beoogde ontwikkeling is op 17 maart 2025 een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 8. Op basis van de quickscan is onderstaande tabel opgesteld met bijbehorende conclusies.
Tabel Conclusies Quickscan Flora en Fauna
Er kan niet worden uitgesloten dat bepaalde diersoorten aanwezig zijn binnen het plangebied. Dit betreft de huismus, steenuil en gebouwbewonende vleermuis. Voor deze soorten dient nader onderzoek uitgevoerd te worden.
Nader onderzoek
Op 7 november 2025 is nader onderzoek naar de huismus, steenuil en de gebouwbewonende vleermuis uitgevoerd, zie Bijlage 9. Op basis van het nader onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden:
Gebouwbewonende vleermuizen
Naar aanleiding van het aanvullend onderzoek naar beschermde soorten aan de Milheesestraat te Milheeze kan met zekerheid gesteld worden dat binnen het plangebied sporadisch gefoerageerd wordt door de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Van de waargenomen vleermuissoorten kan met aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid geconcludeerd worden dat deze geen zomer-, kraam- paar- en/of winter-verblijfplaatsen hebben in de te slopen objecten.
De aangetroffen vliegroute wordt mogelijk negatief beïnvloed door de geplande ontwikkeling, afhankelijk van de inrichting van het gebied is het aanvragen van een vergunning is noodzakelijk.
Huismussen
Naar aanleiding van het aanvullend onderzoek naar beschermde soorten aan de Milheesestraat te Milheeze kan met zekerheid gesteld worden dat het dat het plangebied en direct aangrenzende omgeving geen deel uitmaakt van het leefgebied van huismussen. Het aanvragen van een vergunning is niet noodzakelijk.
Gierzwaluw
Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van gierzwaluwen in de te ontwikkelen bebouwing. Tijdens het onderzoek zijn geen gierzwaluwen of nesten van de gierzwaluw waargenomen binnen het plangebied en in de te ontwikkelen bebouwing. Negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. Te nemen mitigerende- en compenserende maatregelen zijn niet van toepassing. Ook is het aanvragen van een vergunning in het kader van een flora- en fauna-activiteit niet van toepassing.
Steenuil
Naar aanleiding van het aanvullend onderzoek naar beschermde soorten aan de Milheesestraat te Milheeze kan met zekerheid gesteld worden dat het plangebied en direct aangrenzende omgeving deel uitmaakt van het leefgebied van een paartje steenuilen. De functionaliteit van een vast rust- en verblijfplaats wordt negatief beïnvloed door de geplande ontwikkeling. Het toepassen van compenserende maatregelen en het aanvragen van een vergunning is noodzakelijk.
Mitigatie- en compensatieplan en ecologisch werkprotocol
Voor de aanvraag van de vergunning op Flora en Fauna activiteiten op de Omgevingswet dient voor de aanwezige beschermde soort een mitigatie- compensatieplan en een ecologisch werkprotocol opgesteld te worden. In het mitigatie- compensatieplan staat per beschermde soort op welke mate en manier de functie die negatief beïnvloed wordt gemitigeerd/gecompenseerd kan worden. Het ecologisch werkprotocol dient als leidraad voor de planning, werkzaamheden en verantwoordelijkheden tijdens het vervolgtraject, zodat binnen de wettelijke kaders gewerkt kan worden.
Zorgplicht
Te alle tijden geldt de algemene zorgplicht voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde). De zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn onder andere:
Indien tijdens de werkzaamheden dieren aangetroffen worden dient te alle tijden een ecoloog ingeschakeld te worden.
De geplande werkzaamheden aangaande de bebouwing kunnen pas uitgevoerd worden na verlening van een vergunning op Flora en Fauna activiteiten op de Omgevingswet en onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Om de vergunningsaanvraag te kunnen starten dient echter nog uitgebreid mitigatieplan opgesteld te worden door een ecoloog, in overleg met het Bevoegd gezag. Het mitigatieplan en een ecologisch werkprotocol dienen als onderbouwing voor de aanvraag.
Het aspect 'ecologie: soortenbescherming' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een wijziging van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Houtopstanden (bos)
Mocht de wijziging van het omgevingsplan gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Deurnsche Peel & Mariapeel, bevindt zich op circa 3,3 km afstand ten oosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten zoals geluid, licht en trilling, als gevolg van de voorgenomen plannen zijn gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie niet te verwachten.
Omdat significant negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie niet op voorhand zijn uit te sluiten, zijn stikstofdepositieonderzoeken verricht, zowel voor de realisatiefase als voor de gebruiksfase aslmede de combinatie, zie Bijlage 10, 11 en12 . De uitgangspunten en rekenresultaten zijn opgenomen in de memo stikstofberekening, welke is bijgevoegd in Bijlage 13.
Uit de berekening met AERIUS Calculator (2025) voor de sloop- en bouwfase en gebruiksfase blijkt dat er ten opzichte van de referentiesituatie geen toename is van stikstofdepositie. Er worden afnames berekend tot maximaal -0,06 mol N/ha/jaar. Ook wanneer de bouw- en gebruiksfase volledig met elkaar gecombineerd worden (worst-case) zijn er ten opzichte van de referentiesituatie geen depositietoenames aan de orde.
Uit berekeningen is gebleken dat door het toepassen van interne saldering een depositietoename op Natura 2000 kan worden voorkomen. Het toepassen van interne saldering verplicht tot het opstellen van een passende beoordeling. Deze passende beoordeling is opgenomen in bijlage 14. Uit de passende beoordeling blijkt dat er door het toepassen van interne saldering sprake is van een blijvende afname van de stikstofdepositie op een groot stikstofgevoelig Natura 2000-areaal. Daarnaast wordt voldaan aan het additionaliteitsvereiste.
Met het uitvoeren van de stikstofberekeningen en het uitvoeren van de passende beoordeling is de haalbaarheid van het ruimtelijk plan aangetoond.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen of nabij Natuurnetwerk Nederland/ Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het plangebied ligt op circa 240 meter afstand van NNB richting het oosten. Hiermee kan geconcludeerd worden dat door de werkzaamheden geen NNB verloren gaat. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.
Houtopstanden
De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. Binnen het plangebied zijn geen bos en bomen van een dergelijke omvang aanwezig.
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden. Het aspect gebiedsbescherming vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
De beschermde houtopstanden en waardevolle groenstructuren zijn opgenomen op de Groene Kaart van de gemeente Gemert-Bakel. Voor het kappen van bomen of (delen van) houtopstanden op de Groene Kaart is een ontheffing nodig. Indien werkzaamheden in de nabijheid van beschermde houtopstanden en waardevolle groenstructuren kunnen leiden tot het geheel of gedeeltelijk teniet doen van deze elementen, moet er melding van deze activiteit gemaakt worden.
Als de aanvraag voor kap ingediend wordt omdat instandhouding van de boom niet langer verantwoord lijkt dan is aanvullend een rapportage noodzakelijk. Uit deze rapportage, opgesteld door een boomdeskundige (minimaal ETW gecertificeerd), blijkt dat de boom niet veilig in stand gehouden kan worden. Als de aanvraag voor kap ingediend wordt omdat instandhouding van de boom niet langer verantwoord lijkt dan is aanvullend een rapportage noodzakelijk. Uit deze rapportage, opgesteld door een boomdeskundige (minimaal ETW gecertificeerd), blijkt dat de boom niet veilig in stand gehouden kan worden.
Daarnaast zijn in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan mogelijk bepalingen opgenomen of voor het kappen van een boom of houtopstand een omgevingsvergunning noodzakelijk is.
In en of nabij het plangebied zijn volgens de Groene Kaart beschermde bomen en structuren aanwezig, zie figuur 4.6.1. Daarnaast geldt voor niet beschermde bomen een kapvergunningplicht bij bomen met een stamomvang groter dan 60 cm1 op 1,3 m1 hoogte boven het maaiveld.
Figuur 4.1 Overzicht waardevolle bomen en groenstructuren (bron: Groenekaart, Gemert-Bakel)
Binnet het plangebied zijn geen (waardevolle) bomen aanwezig volgens de overzichtskaart waardevolle bomen en groenstructuren. Direct grenzend aan het plangebied zijn wel beschermde groenstructuren aanwezig. Er moet aangetoond worden dat ontwikkelingen binnen het plangebied geen nadelige gevolgen hebben voor de instandhouding van de beschermde groenstructuren.
In het stedenbouwkundig plan, Bijlage 1, is rekening gehouden met de aanwezige groenstructuur grenzend aan het plangebied. Langs de Milheesestraat wordt de hoofdgroenstructuur gehandhaafd en aangevuld. Er wordt 1 boom gekapt ten behoeve van de hoofdontsluiting. Deze boom is echter nog niet volwassen. De groenstructuur ten noordoosten van het plangebied wordt doorgetrokken in het plangebied en hiermee in stand gehouden, dan wel niet versterkt.
Er zijn binnen het plangebied geen bomen aanwezig. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Wanneer een ontwikkeling betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze activiteit alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het Bkl bevat omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide, lood, en fijn stof (PM10 en PM2,5) (artikel 2.3 t/m 2.6 Bkl). Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De omgevingswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Tabel 5.5 Omgevingswaarden stikstofdioxide en fijn stof
| stof | toetsing van | omgevingswaarden | |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | ||
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ | |
Bestuursorganen kunnen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
"Niet in betekenende mate"(nibm)
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide (NO2) als fijn stof (PM10) van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Het gaat onder andere om het toelaten van:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Met de ontwikkeling wordt geen activiteit zoals genoemd in artikel 5.50 van het Bkl mogelijk gemaakt. De gemeente Gemert-Bakel is niet aangewezen als een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof artikel 5.51 van het Bkl. Het plangebied bevindt zich echter wel op korte afstand van de agglomeratie Eindhoven, gemeente Venray en gemeente Bernheze die wel aangewezen zijn als aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.
Met de ontwikkeling wordt een activiteit mogelijk gemaakt die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op de weg. Er moet daarom getoetst worden of het toelaten van de activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³. Om dit te beoordelen, is gebruik gemaakt van de NIBM-tool, zie onderstaande figuur. Op basis van de ingevulde NIBM-tool kan gesteld worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet-in-betekende-mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Figuur 4.2: NIBM-tool
In het kader van ETFAL dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de dichtstbijzijnde weg de Noord-Om ruimschoots onder de grenswaarden lagen, zie onderstaande figuur. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023: 11,4 µg/m³ voor NO2, 15,4 µg/m³ voor PM10 en 8,6 µg/m³ voor PM2,5. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan het projectgebied toe te kennen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie.
Figuur 4.3: Maatgevend toetspunt rood omcirkeld (bron: CIMLK)
De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor luchtkwaliteit omdat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
De ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat er ter plaatse de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof ruim onder de grenswaarden liggen. Met de ontwikkeling wijzigt dit niet.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. Geluid kan afkomstig zijn van (spoor)wegen, industrieterreinen en andere activiteiten. In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid afkomstig van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrieterreinen. In de volgende paragraaf (4.9) komt geluid vanwege activiteiten aan bod.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 5.6. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 5.6. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.
In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:
Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.
Tabel Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort
Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeersweglawaai uitgevoerd, zie Bijlage 16. In het onderzoek is de ontwikkeling getoetst aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en is aangegeven wat hiervan de consequenties zijn. Hierbij is rekening gehouden met het geluid door wegen op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Op basis van de resultaten is beoordeeld of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en is vervolgens beoordeeld of voor de ontwikkeling extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn.
Toetsing standaardwaarden en grenswaarden
Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 56 dB. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden maar de grenswaarde van 70 dB niet. Maatregelen worden niet doelmatig geacht.
Gevelwering en woon- en leefklimaat
Benodigde gevelwering
Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 57 dB ter plaatse van beoogde woningen
binnen het plangebied. In afbeelding 10 is de minimaal benodigde gevelwering per zijde weergegeven waar sprake is van een gezamenlijk geluid boven 53 dB. Deze gevelwering zal worden geborgd in het TAM-Omgevingsplan. In een later stadium zal door middel van een nader onderzoek ‘geluidwering gevels’ moeten worden aangetoond dat deze minimale gevelweringen daadwerkelijk worden behaald.
De overige woningen en geveldelen behoeven geen aanvullende gevelwering, hier volstaat de standaard gevelwering van 20 dB volgend uit het Bbl. Voor deze geveldelen is een nader onderzoek ‘geluidwering gevel’ niet nodig.
Aanvaardbaarheid gecumuleerd geluid
De milieukwaliteit wordt ter plaatse van de maatgevende (vijf) beoogde woningen geclassificeerd als ‘Matig’ tot ‘Zeer goed’. Voor de overige woningen binnen het plangebied geldt een milieukwaliteit welke gekwalificeerd wordt als ‘Redelijk’ tot ‘Zeer goed’.
Op basis van de toelichtingen in het onderzoeksrapport worden deze geluidniveaus als aanvaardbaar aangemerkt. Daarnaast wordt voldoende invulling gegeven aan de eisen uit het gemeentelijk beleid.
Het bevoegd gezag zal uiteindelijk integraal besluiten of hiermee sprake is van een ETFAL en welke voorwaarden daarbij zullen gelden.
Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. In deze paragraaf komt geluid vanwege activiteiten aan bod.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in de tabellen 5.7 en 5.8 (instructieregels Bkl).
Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
| 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur | |||
| LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A) | ||
| LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen | -- | 70 dB(A) | 70 dB(A) | ||
| LAmax door andere piekgeluiden | -- | 65 dB(A) | 65 dB(A) | ||
Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten
| 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur | |||
| LAr,LT als gevolg van activiteiten | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) | ||
| LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen | -- | 55 dB(A) | 55 dB(A) | ||
| LAmax door andere piekgeluiden | -- | 45 dB(A) | 45 dB(A) | ||
Met de ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt die geluidgevoelig zijn. In het kader van deze beoogde ontwikkeling, en vanwege de aanwezigheid van zowel
beoogde als bestaande geluidgevoelige gebouwen in de directe omgeving, is een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd, zie Bijlage 17.
In dit onderzoek zijn de te verwachten geluidniveaus vanwege de beoogde supermarkt aan de Milheesestraat in Milheeze ter plaatse van zowel bestaande woningen in de omgeving als nieuwe woningen binnen het plangebied bepaald.
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
Uit paragraaf 4.1 en 4.2 van het onderzoeksrapport blijkt dat ter plaatse van alle bestaande geluidgevoelige objecten in de omgeving én vrijwel alle beoogde geluidgevoelige objecten binnen het plangebied aan de geluidwaarden volgend uit het Omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel én de standaardwaarden volgend uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voldaan.
Een uitzondering daarop is de beoogde woning ten oosten van de beoogde supermarkt. In hoofdstuk 5 van het onderzoeksrapport zijn mogelijke maatregelen in beeld gebracht. In een later stadium zal worden bepaald of, en welke, maatregelen doelmatig en noodzakelijk worden geacht. Om dit te kunnen bepalen is een gedetailleerde invulling/vormgeving van de beoogde supermarkt nodig. Dit zal worden bepaald in overleg tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag.
Maximale geluidniveaus
Uit paragraaf 4.2 van het onderzoeksrapport blijkt dat ter plaatse van de beoogde geluidgevoelige objecten binnen het plangebied aan de geluidwaarden volgend uit het Omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel én de standaardwaarden volgend uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voldaan.
Verkeer
Uit paragraaf 4.3 van het onderzoeksrapport blijkt een waarde tot maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de beoogde geluidgevoelige objecten binnen het plangebied. Deze geluidwaarden voor het verkeer van en naar de supermarkt wordt als aanvaardbaar aangemerkt.
Beschouwing activiteit laden en lossen
Vanwege het laden en lossen worden ter plaatse van een aantal beoogde woningen binnen het plangebied geluidniveaus berekend tot ten hoogste 78 dB(A) in het kader van de maximale geluidniveaus in de dagperiode.
In hoofdstuk 5 van het onderzoeksrapport zijn mogelijke maatregelen in beeld gebracht. In een later stadium zal worden bepaald of, en welke, maatregelen doelmatig en noodzakelijk worden geacht. Om dit te kunnen bepalen is een gedetailleerde invulling/vormgeving van de beoogde supermarkt nodig. Dit zal worden bepaald in overleg tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag.
Er kan worden volstaan aan de standaardwaarden uit het Bkl. De bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering door de beoogde ontwikkeling.
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt.
Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen.
In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl).
Er dient inzichtelijk gemaakt te worden of het realiseren van het planvoornemen negatieve gevolgen heeft voor bedrijvigheid van veehouderijen in de omgeving en of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve is op 3 oktober 2024 een rapport opgesteld waar nader wordt ingegaan op de aspecten voor wat betreft geur en effecten op volksgezondheid afkomstig van veehouderijen in de omgeving, zie Bijlage 18.
In het rapport zijn de vaste afstanden bepaald, geurberekeningen uitgevoerd en volksgezondheid in relatie tot veehouderijen getoetst voor het plangebied aan de Milheesestraat te Milheeze. Op basis van de wettelijke eisen voor de voorgrond- en achtergrondbelasting kan er worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.
De vergunde rechten van alle agrarische bedrijven in de omgeving worden gerespecteerd en er vindt geen inbreuk op de mogelijkheden voor uitbreiding plaats. Omliggende woningen van derden zijn korter bij de (intensieve) veehouderijen gelegen, waardoor deze meer beperkend zijn.
Er wordt voldaan aan de instructieregels met betrekking tot geur. De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor geurhinder op een geurgevoelig gebouw en omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Daarnaast is in het Bkl is het risicobegrip breder: er zal gemotiveerd moeten worden dat bij risico's van branden, rampen en crisissen rekening gehouden wordt met het belang van:
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico/aandachtsgebieden
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Kwetsbare functies
Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:
Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.
Figuur 4.4: Uitsnede risciokaart met het plangebied rood omkaderd
De planlocatie bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied of binnen de risicocontour voor plaatsgebonden risico.
De ontwikkeling draagt voor het aspect omgevingsveiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat er met de ontwikkeling geen sprake is van de realisatie van een risicovolle functie. Ook is er sprake van een veilige leefomgeving ter plaatse van de planlocatie.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Gemeentelijk beleid
Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgestelde beleidsplan archeologie.
Het beleidsplan archeologie van de gemeente is vertaald in de diverse bestemmingsplannen, zo ook in het voor het plangebied geldende bestemmingsplan 'Gemert-Bakel Buitengebied 2017' en daarmee het nu geldende omgevingsplan. Hierin is voor het overgrote deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen, zie paragraaf 1.3. Binnen deze dubbelbestemmingen mogen alleen bouwwerken gebouwd worden tot een oppervlakte van respectievelijk maximaal 500 m² en 2.500 m2 of een oppervlakte van meer dan 2.500 m2, mits niet dieper dan 0,40 meter.
Het beoogde planvoornemen voorziet in bodemingrepen die in strijd zijn met genoemde dubbelbestemmingen. Derhalve is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd (bijlage 19). Op basis van dit bureauonderzoek is een selectiebesluit genomen waarin wordt geconcludeerd:
Gezien de uitkomsten van het archeologische vooronderzoek, die aantonen dat de kans op het aantreffen van archeologische waarden in het plangebied Milheesestraat hoog tot middelhoog is, achten wij archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven in plangebied noodzakelijk. Alleen de reeds met een proefsleuf gewaardeerde zone in het uiterste zuiden van het plangebied (mogelijk moet deze nog wat worden verkleind) hoeft niet (nogmaals) te worden onderzocht.
Op basis van een goedgekeurd Programma van Eisen is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 20. Hieronder wordt de conclusie en advies uit het onderzoeksrapport gegeven.
Vindplaats 1 bestaat uit bewoningssporen uit de volle middeleeuwen. Er zijn in ieder geval al twee huisplattegronden en drie waterputten vastgesteld en de hoeveelheid en aard van de overige sporen laat zien dat er zeer waarschijnlijk sprake is van meerdere structuren. Aan de hand van de aardewerkdeterminaties is duidelijk dat er waarschijnlijk sprake is van ten minste twee bewoningsfasen. Verwacht wordt dat de vindplaats bestaat uit meerdere erven of bewoningskernen die mogelijk gelijktijdig, maar ook opvolgend in gebruik zijn geweest. Deze vindplaats is behoudenswaardig gewaardeerd. Het advies is om vindplaats 1 in situ te behouden en wanneer dit niet mogelijk is verder te onderzoeken door middel van een archeologische opgraving.
Ook vindplaats 3 is voorlopig als behoudenswaardig aangemerkt. De ruimtelijke en functionele samenhang met de nabijgelegen nederzetting (vindplaats 1) is momenteel nog onvoldoende vastgesteld. Vergelijkbare situaties tonen aan dat nederzettingen uit de volle middeleeuwen zich veelal langs wegstructuren ontwikkelden. In dat perspectief is het aannemelijk dat de aangetroffen weg onderdeel vormt van het nederzettingscomplex, dan wel daar functioneel mee samenhangt. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat zich langs deze weg aanvullende archeologische resten bevinden, mogelijk ook uit eerdere perioden. Daarom is ook voor vindplaats 3 het advies om deze in situ te behouden en wanneer dit niet mogelijk is verder te onderzoeken door middel van een archeologische opgraving.
Geadviseerd wordt om vindplaats 1 en 3 in situ te behouden of verder te onderzoeken door middel van een opgraving. Het gaat hierbij om een gebied van circa 10.375 m². Deze oppervlakte en omtrek zijn een indicatie van het te behouden of te onderzoeken terrein en zijn geen definitieve lijnen of grenzen van het gebied.
In afwachting van een selectiebesluit op het evaluatierapport blijft de archeologische dubbelbestemming gehandhaafd.
Figuur 4.5: Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Noord-Brabant
De locatie zelf betreft oude akkers; een grote open ruimte zonder historische structuur en zonder historisch waardevolle bebouwing. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart bestaat de planlocatie uit archeologische landschappen. Een deel van de planlocatie heeft in het omgevingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - oude akker'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en de bescherming van de aanwezige cultuurhistorische waarden en daarmee voor het behoud en/of herstel van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden. In dit kader is een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd in novembert 2025, zie Bijlage 21. De bevindingen worden hieronder samengevat:
Het plangebied maakt deel uit van een oud akkercomplex dat in het gemeentelijke beleid als beschermingswaardig is aangemerkt. Uit het onderzoek blijkt echter dat de akker ter hoogte van het plangebied door diverse ingrepen in de 20e eeuw, zoals ontgrondingen, egalisatie, aanleg woonwijken, nieuw wegenpatroon en opbreken oude wegenpatroon, sterk is aangetast. De waardering dient hierdoor naar beneden te worden bijgesteld naar 9 punten en geadviseerd wordt om, conform de gemeentelijke waarderingscriteria27, de status van het gebied bij te stellen naar niet-behoudenswaardig. Er is derhalve vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen reden de geplande ontwikkeling in het plangebied tegen te houden.
Dit betekent niet dat het plangebied geen cultuurhistorische waarden bevat. Hoewel met de aanleg van een woonwijk op een oud, open akkercomplex de belangrijkste kenmerken (openheid en agrarisch gebruik) onherstelbaar worden aangetast, wordt wel geadviseerd om wel zoveel mogelijk rekening te houden met de overige cultuurhistorische waarden en waar mogelijk deze te versterken. Het plan voorziet hier voor een deel in. Ten aanzien van de oriëntatie van de gebouwen die gepland zijn in het plangebied, wordt verder gebroken met de naoorlogse zuidwaartse uitbreidingen van het dorp door grotere variatie. Men zou hier kunnen stellen dat die stedenbouwkundige plan dichter bij het ruimtelijke karakter van gehuchten aan het akkercomplex ligt dan de vroegere uitbreidingen. Het gehuchtconcept zou ook geprojecteerd kunnen worden op de volumes die tot stand worden gebracht. Deze zijn vrij groot in vergelijking tot de woningen die tijdens de Wederopbouwperiode werden gerealiseerd, maar redelijk in verhouding tot boerderijen (zowel hallenhuizen als langgevelboerderijen) die eeuwenlang bepalend zijn geweest voor het karakter van dit gebied. Sterkte in het plangebied is dat de overgang naar de akker niet hard begrensd is met verkeersweg, maar een meer geleidelijke overgang kent. Bij voorkeur worden panden niet ontworpen met hun voorgevel (de gevel met daarin de voordeur) op de akker gericht. Het dorpslint wordt van oudsher gevormd door hoofdzakelijk éénlaags woningen die met de achtergevel op het plangebied gericht zijn en waarvan de achtertuin overgaat op het akkercomplex. Ook boerderijen waren met de achtergevel naar de akker gekeerd. Historisch gezien is dit meer passend dan woningen die met hun voorgevel naar het landbouwgebied zijn gekeerd. Woningen zijn vanwege hun relatief geringe grootte makkelijker in te passen dan een supermarkt, die aan de Milheesestraat is voorzien.
In het plan is opgenomen om de oude akkerwegen, de Hoefsche Akkerweg door het plangebied en het onbenaamde pad langs de zuidgrens, als weg of wandelpad te herstellen. De akkerwegen worden echter (visueel) onderbroken door het nieuwe wegenpatroon of hebben ter hoogte van de zijwegen een kleine verspringing in het tracé (vermoedelijk om snelheid van autoverkeer te beperken). Geadviseerd wordt om de akkerwegen visueel als doorgaande lijn in het plan op te nemen en, indien mogelijk, de wegen als wandelpad ook buiten het plangebied door te trekken naar de Hoevensebaan als onderdeel van een ‘ommetje’. Op basis van dit advies is padenstructuur in zowel het stedenbouwkundig plan als het landschappelijk inpassingsplan gewijzigd om de uitkomsten van het cultuurhistorisch onderzoek te benadrukken.
Op basis van het rapport kan gesteld worden dat in het plan voldoende rekening is gehouden met de cultuurhistoriche geschiedenis van het gebied.
De beoogde ontwikkeling heeft geen impact op aanwezig cultureel erfgoed.
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.87i en 5.87j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.87i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Met de beoogde ontwikkeling worden bodemgevoelige gebouwen gerealiseerd. Op 28 maart 2025 is een verkennend bodem- en asbest onderzoek uitgevoerd om de geschiktheid van de bodemkwaliteit te bepalen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 22 en 23. Hieronder is per deelgebied binnen het plangebied de bodemkwaliteit omschreven:
Weilanden
De bodem is niet verontreinigd en voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetroffen met cadmium en zink. De signaleringsparameter grondwatersanering wordt niet overschreden. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Erf (Milheesestraat 16)
De bodemkwaliteit vormt in algemene zin geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling, mits de verontreinigingen met asbest worden gesaneerd. Op het erf is de bodem ter plaatse van de stallen en het puinpad sterk verontreinigd met asbest. De asbestverontreinigingen dienen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling te worden gesaneerd. Totdat een eventuele sanering heeft plaatsgevonden, wordt een algemene gebruiksregel (Art. 12, lid h) opgenomen om de kwaliteit van de bodem te borgen.”
Bij ontwikkelingen waar na de Tweede Wereldoorlog nog niet in de grond is geroerd en geen nadere onderzoeken hebben plaatsgevonden, is een kans aanwezig dat nog ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. In het kader van aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuw gebouw stemt de initiatiefnemer met de gemeente Gemert-Bakel af of en in hoeverre een detectie-onderzoek voor de betreffende bouwlocatie noodzakelijk is.
Op voorhand is niet uit te sluiten dat er geen indicaties zijn dat door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog ontplofbare oorlogsresten zijn achtergebleven in/op de (water)bodem binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. Derhalve is een vooronderzoek naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) uitgevoerd, zie bijlage 26.
Op basis van de resultaten van het Vooronderzoek Conflictperiode OO is vastgesteld dat er geen indicaties zijn dat door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog OO zijn achtergebleven in/op de (water)bodem binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is ONVERDACHT op OO.
Aangezien er tijdens de uitvoering van het Vooronderzoek Conflictperiode OO geen indicaties van oorlogshandelingen zijn aangetroffen en/of er contra-indicaties zijn aangetroffen, wordt geadviseerd om de voorgenomen bodemingrepen in het onderzoeksgebied regulier uit te voeren, dat wil zeggen zonder vervolgstappen in de opsporing van OO.
Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoer van de beoogde ontwikkeling.
Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst.
Waterschapsverordening
Het beleid ten aanzien van waterbeheer is op rijksniveau onder meer vastgelegd in het Nationaal Waterplan en op provinciaal niveau in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor het wettelijk kader in de vorm van de Waterschapsverordening wordt verwezen naar paragraaf 3.3.1.
Gemeentelijk beleid
Op 14 december 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Gemert-Bakel het nieuwe Gemeentelijk Watertakenplan (GWTP) vastgesteld. Dit wordt gebruikt om nu en in de toekomst aan de gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met dit waterbeleid.
Het veranderende klimaat en de verstedelijking brengen grote uitdagingen met zich mee. Regenbuien worden steeds extremer en komen vaker voor, met veel overlast en schade tot gevolg. Ook het vasthouden van het gewenste grondwaterpeil wordt moeilijker tijdens extreem lange droge of natte perioden. Omdat het aantal warme dagen toeneemt wordt hittestress ook een probleem, vooral in een bebouwde omgeving met weinig groen en veel verharding.
De zorg voor riolering draagt bij aan een gezonde leefomgeving. In het GWTP zijn de gemeente zorgplichten voor afvalwater, hemelwater (regenwater) en grondwater uitgewerkt. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Er dient rekening gehouden te worden met de verwerking van extreme neerslaghoeveelheden. Hemelwater moet zo lokaal mogelijk verwerkt worden. Dat betekent het volgende:
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het volgende:
Waterbergingsvoorziening binnen een ontwikkeling
Voor de waterberging die binnen een ontwikkeling wordt gerealiseerd gelden een aantal eisen. Eén van deze eisen is dat de waterbergingsvoorziening moet 60 liter met m2 verhard oppervlak probleemloos kunnen bergen. Daarnaast mag de afvoer uit een voorziening maximaal 2 l/s/ha zijn en moet binnen 5 dagen leeggelopen zijn.
Opnemen gebruiksregel waterbergingsvoorziening in bestemmingsplan
Voor (ver)nieuwbouw neemt de gemeente Gemert-Bakel bij bestemmingsplanwijzigingen een voorwaardelijke gebruiksregel in het bestemmingsplan op waarin de realisatie en instandhouding van een minimale hoeveelheid waterberging wordt voorgeschreven. Dit compenseert de versnelde afvoer van hemelwater naar de openbare ruimte of riolering vanaf verhard oppervlak. Alleen voor inbreidingslocaties is het mogelijk om af te wijken van deze gebruiksregel, als het redelijkerwijs niet mogelijk is om de vereiste waterberging binnen het plangebied te realiseren. Daarbij moet aangetoond worden dat de kans op wateroverlast niet toeneemt door het plan.
Aandachtspunten rondom lozing op de riolering
Om een doelmatige werking te kunnen garanderen hanteert de gemeente de volgende beleidsregels:
Aandachtspunten rondom aansluiting op de riolering
Voor het realiseren van de aansluiting op de gemeentelijke riolering moet rekening gehouden worden met een aantal voorwaarden. Zo dient het vuil water en (de overstort van) regenwater gescheiden te worden aangeboden op de perceelgrens. Daarnaast gelden nog een aantal technische eisen voor de rioolaansluiting.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 87 woningen en een supermarkt. Er is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Een beschrijving op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders is dan ook noodzakelijk.
Onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing is de ‘weging van het waterbelang’ waarbij een waterparagraaf wordt opgesteld. Hierin wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en water gerelateerde aspecten wordt omgegaan. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een hydrologische toets opgesteld, zie Bijlage 27. Hierin wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en water gerelateerde aspecten wordt omgegaan. Uit deze toets valt het volgende te concluderen:
Voor de ontwikkeling van het woningbouwplan en de supermarkt aan de Milheesestraat te Milheeze is een hemelwatersysteem met een bergingscapaciteit van 1.188 m3 nodig. In het stedenbouwkundig plan zijn een aantal wadi’s voorzien welke gezamenlijk een berging hebben van 1.339 m3. Op het perceel van de twee-onder-een-kap en vrijstaande woningen wordt een berging van 5 m3 op eigen terrein gemaakt (totaal 10 stuks) waarmee de totale bergingscapaciteit in het plangebied 1339 + (10*5) = 1.387 m³ wordt. Hiermee wordt voldaan aan de bergingseis.
Op basis van uitgevoerd infiltratieonderzoek, zie Bijlage 25, blijkt de ondergrond voldoende doorlatend te zijn zodat het water binnen 24 uur kan infiltreren.
Bij hevige regenval wordt circa 300 m³ opgevangen op de percelen langs de Milheesestraat. Door te bebouwen vervalt deze ruimte. In het inrichtingsplan wordt hier rekening mee gehouden.
De wadi’s hebben 430 m³ extra bergingscapaciteit in de wakingshoogte om bij extreme neerslag het hemelwater te kunnen bergen. Deze overcapaciteit kan worden ingezet om water dat bij hevige neerslag in de Milheesestraat (dus van buiten het plangebied) komt te staan, op te vangen. Dit draagt bij aan de neerslagbestendigheid van Milheeze
Bij volledige vulling van de wadi’s en aanhoudende neerslag zal door oppervlakkige afstroming het water richting de Milheeseweg stromen. Door de greppels aan beide zijden van de weg zal afvoer richting primaire watergang plaatsvinden. Hierdoor is overlast bij extreme neerslag niet te verwachten.
Voor het huishoudelijk afvalwater moet een verzamelleiding worden aangelegd dat wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijk rioolstelsel langs het plangebied. Gezien de geringe debieten kan worden volstaan met de minimaal gewenste diameter van 250 mm. Exacte locatie van de aansluiting op bestaand gemeentelijk rioolstelsel dient nog in nader overleg met de gemeente te worden vastgesteld.
Voor de nadere uitwerking van deze ontwikkeling wordt het volgende geadviseerd:
Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. Met het oog op die doelen moet het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst.
Als uitgangspunt geldt dat de nieuwe bebouwing een duurzaam karakter krijgt. De volgende suggesties dienen daarbij ter inspiratie.
Duurzame bebouwing
Duurzame tuinen
Een klimaatbestendige en biodiverse inrichting van de tuin draagt in belangrijke mate bij aan een duurzame woonbuurt. Ter inspiratie zijn hier enkele suggesties opgenomen die bijdragen aan een duurzame tuin:
De beoogde bebouwing zal voldoen aan alle hedendaagse duurzaamheidseisen. Daarnaast vormt de bebouwing onderdeel van de natuurinclusieve en klimaatadadptieve inrichting. De ontwikkeling bij aan een duurzame inrichting van het plangebied.
Eén van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Gezondheidsbescherming
Een deel van de in dit hoofdstuk beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Dit betreffen onder andere bodemkwaliteit, luchtkwaliteit en geluidhinder.
Naast het wettelijk kader, waarbij de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) het kader vormen, dient rekening gehouden te worden met de gevolgen voor de gezondheid als gevolg van de volgende milieubelastende activiteiten:
Gezondheidsbevordering
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. In het Bkl zijn ook nog andere onderwerpen opgenomen die een relatie hebben met gezondheid, zoals de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een handicap (artikel 5.162 Bkl).
Gemeentelijk beleid
Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving is voor vitale kernen en toekomstbestendig buitengebied een streven binnen de Omgevingsvisie Gemert-Bakel 2024, zie paragraaf 3.4.1. De manier waarop de leefomgeving is ingericht is van invloed op de mentale en fysieke gezondheid en veiligheid van mensen die in Gemert-Bakel wonen of de gemeente bezoeken. Het kan de leefstijl, het sociaal welbevinden en de levensverwachting van mensen positief of negatief veranderen.
Omdat de gemeente de lichamelijke en geestelijke gezondheid en het sociaal welbevinden van mensen wil beschermen en verbeteren heeft de omgevingsvisie aandacht voor gezondheid vanuit omgevings- en milieukwaliteit. Inzetten op omgevingskwaliteit betekent dat Gemert-Bakel de bestaande basis op orde houdt (gezondheidsbescherming) en bij het inrichten van de openbare ruimte ontwerpkeuzes maakt die uitnodigen tot spelen, sporten en bewegen voor iedereen (gezondheidsbevordering). De keuzes die de gemeente maakt over de ruimtelijke inrichting versterken de autonomie en zelfredzaamheid van onze inwoners, zodat iedereen mee kan doen. Bij milieukwaliteit wordt gedacht aan de luchtkwaliteit, geuroverlast en geluidshinder rondom industrie, wegen of veehouderijen en de gezondheidseffecten die dit heeft op de omgeving. Gestreefd wordt om overal te voldoen aan de wettelijke grenswaarden om de volksgezondheid te beschermen.
De omgevingsaspecten in relatie tot gezondheidsbescherming zijn in dit hoofdstuk uitgebreid onderzocht. Voor bijvoorbeeld de omgevingsaspecten bodemkwaliteit, waterkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder en omgevingsveiligheid blijkt dat aan de normen wordt voldaan, dan wel dat hiervoor de nodige maatregelen kunnen worden getroffen om aan deze normen te voldoen. Op deze plaats volstaat kort de conclusie dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling van woningen op de planlocatie.
Ten aanzien van gezondheidsrisico's vanwege omliggende veehouderijen, is een onderzoek woon- en leefklimaat veehouderijen opgesteld, zie 4.10 en Bijlage 18.
In het rapport zijn de vaste afstanden bepaald, geurberekeningen uitgevoerd en volksgezondheid in relatie tot veehouderijen getoetst voor het plangebied aan de Milheesestraat te Milheeze. Op basis van de wettelijke eisen voor de voorgrond- en achtergrondbelasting kan er worden geconcludeerd dat er sprake is van een afweegbaar aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde ontwikkeling.
Geitenhouderijen
Het plangebied ligt op circa 1.600 meter van de dichtsbijzijnde geitenhouderij. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand van 2 kilometer. Echter ligt de kern van Milheeze en dus bestaande woningen dichter bij de geitenhouderij dan het plangebied. De huidige gezondheidsrisico’s voor bestaande woningen worden vooralsnog aanvaard. Door niet dichterbij te bouwen wordt voorkomen dat eventuele toekomstige maatregelen om de gezondheidseffecten van geitenhouderijen te verminderen minder effectief worden of dat een grotere inspanning moet worden gedaan om te voldoen aan toekomstige eisen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Gewasbeschermingsmiddelen
Op naastgelegen agrarische gronden is het planologisch niet uitgesloten om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Bij de ontwikkeling van nieuwe gevoelige functies, moet rekening worden gehouden met mogelijke drift van bestrijdingsmiddelen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het aanhouden van een afstand van circa 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden in het algemeen niet onredelijk is. Deze afstand wordt aangeduid als een spuitzone.
Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen, is zowel bij de functie Detailhandel als de functie Wonen een specifieke bouwregel opgenomen. Er kan pas gebouwd worden als het gebruik van gewasmiddelennescherming planologisch niet meer mogelijk is of als uit locatiespecifiek onderzoek blijkt dat er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het toepassen van alternatieve maatregelen waaronder het opnemen van een groenbuffer behoort eveneens tot de mogelijkheden.
Vanuit het aspect gezondheidsbescherming is de beoogde ontwikkeling passend binnen het plangebied. De ontwikkeling zelf draagt bij aan gezondheidsbevordering.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten (met name geluid, geur, gevaar en stof) dient getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of bedrijven niet in hun bedrijfsuitoefening worden geschaad.
In het oude bestemmingplan is gebruik genaakt van milieucategorieën en richtafstanden conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onder de Omgevingswet wordt (voor nieuwe gevallen) gebruik gemaakt van milieuzonering nieuwe stijl, gebaseerd op milieugebruiksruimte. Om die reden wordt zowel onder de oude regeling als op basis van toekomstige regelingen beoordeeld of er sprake is van een goed woon- en leefmilieu en of er invloed is op de huidige bedrijfsvoering van bedrijven.
Een nieuwe ontwikkeling mag geen inbreuk maken op de milieugebruiksruimte van omliggende activiteiten enerzijds en anderzijds moet ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de aanwezige toegestane activiteiten zijn de aspecten geluid, geur en omgevingsveiligheid reeds getoetst in respectievelijk paragraaf 4.9, 4.10 en 4.11.
Hierna worden de bedrijfsactiviteiten rond het plangebied nader beschouwd. Rond het plangebied vinden verschillende bedijfsactiviteiten plaats. Deze liggen met name aan de overzijde van de Milheesestraat en ten oosten van het plangebied.
Zowel de bedrijven aan de noordoostzijde als de bedrijven aan de oostzijde van het plangebied liggen op meer dan 100 meter afstand ten opzichte van de beoogde gevoelige, woonfunctie. Bovendien zijn er tussen de bedrijfsfunctie en de beoogde woonfunctie reeds woningen toegestaan.
In paragraaf 4.9 en 4.10 is gemotiveerd dat deze omliggende milieubelastende activiteiten geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.
Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan liggen in en nabij de planlocatie geen planologisch relevant leidingen. In en nabij de planlocatie zijn dan ook geen planologisch relevante leidingen en/of telecommunicatieverbindingen aanwezig die een belemmering vormen voor de ontwikkeling of waarvoor de ontwikkeling een belemmering is.
Gelet op het voorgaande staat het aspect planologisch relevante leidingen de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.
Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan kan het noodzakelijk zijn in het kader van een evenwichting toedeling van functies aan locaties rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast (hinder of verstoring) daarvan. Conform artikel 4.1, lid 1 en 4.2, lid 1 Omgevingswet moet een motivering worden opgenomen omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Hinder of zelfs schade door trillingen kan ontstaan door:
Deze trillingen bewegen zich door de bodem. Trillingen nemen af als de afstand tot de bron groter wordt.
Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven t.a.v. van de beoordeling van het aspect trillingen. Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 meter van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 meter afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek.
Dit TAM-omgevingsplan maakt trillingsgevoelige functies mogelijk, namelijk woningen. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van het spoor. Trillingen als gevolg van verkeer over het spoor kan dan ook op voorhand worden uitgesloten.
In de buurt van het plangebied liggen drukke wegen (Milheesestraat en Hoevensebaan) met zwaar verkeer en tevens lijnbussen. Bekend is dat ook zware voertuigen en met name elektrische voertuigen (bussen) zwaardere trillingen veroorzaken dan 'traditionele voertuigen'. Trillingshinder als gevolg van de omliggende wegen is gezien de afstand tot de Milheesestraat en de Hoevensebaan op voorhand geheel uit te sluiten.
Gelet op het voorgaande is het voor het aspect trilling verantwoord om de functie wonen aan het plangebied toe te delen.
Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt (daglichttoetreding). Daarnaast is ook voldoende zonlicht op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken belangrijk. Een toename van schaduw kan ongewenst zijn. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden moeten worden met licht/schaduw.
Er bestaan in Nederland geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing. Om te bepalen of effecten voor de omgeving evenredig of onevenredig zijn wordt over het algemeen in stedelijke gebieden aangesloten bij de lichte bezonningsnormen van het TNO.
Met het planvoornemen worden enkel grondgebonden woningen, en gestapelde woningen van maximaal drie bouwlagen mogelijk gemaakt. De maximale nokhoogte bedraagt 11 meter. Gelet op de ligging van het plangebied (en de nieuw te realiseren woningen en supermarkt) ten opzichte van omliggende percelen met woningen is het effect van schaduwwerking op bestaande woningen nagenoeg uitgesloten. Een uitgebreide bezonningstudie naar schaduwwerking is niet noodzakelijk.
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot onevenredige effecten voor wat betreft bezonning en schaduwwerking.
Indien een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie behoort tot de kostenverhaalplichtige activiteiten. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
Op grond van artikel 8.14 kan het bevoegd gezag beslissen van het kostenverhaal af te zien. Dit kan in drie gevallen, namelijk als het totaal van de verschuldigde kosten minder dan € 10.000,- bedraagt, er geen verhaalbare kosten bouwrijp maken zijn (als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV) of de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.
De gemeente en initiatiefnemer hebben voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder meer het kostenverhaal is geregeld. Regels kostenverhaal in het TAM-omgevingsplan zijn om deze reden niet noodzakelijk. Een exploitatieplan is om deze reden niet noodzakelijk. Voor de sloop, sanering van de gronden en de planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd.
De gemeente en initiatiefnemer hebben voor deze ontwikkeling een overeenkomst voor nadeelcompensatie gesloten.
Het ontwerp TAM-IMRO omgevingsplan wordt toegezonden aan de diverse overleginstanties.
Op 3 juni 2025 heeft initiatiefnemer een informatieavond georganiseerd voor omwonenden. Op die avond zijn de resultaten van de stedenbouwkundige analyse en is de eerste opzet van het stedenbouwkundig raamwerk gepresenteerd. Aan de hand van opmerkingen van omwonenden, de resultaten van lopende onderzoeken en verdere stedenbouwkundige uitwerking is het stedenbouwkundig plan, beeldkwaliteitsplan en landschappelijk inpassingplan tot stand gekomen. Deze plannen zijn tijdens een tweede informatieavond gepresenteerd aan omwonenden op dinsdag 18 november 2025. Tegelijkertijd hebben er tussen initiatiefnemer en een aantal omwonenden persoonlijke gesprekken plaatsgevonden waarin afspraken zijn gemaakt over eventuele aanpassingen aan het plan. Het verslag van de informatieavonden zijn bijgevoegd als bijlage 29.
Het ontwerpbesluit wijziging omgevingsplan wordt voor zes weken ter visie gelegd voor het indienen van zienswijzen. Ingediende zienswijzen worden samengevat en van beantwoording voorzien.
Na het besluit tot vaststellen van het omgevingsplan wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Formeel treedt het plan na vier weken in werking indien er geen voorlopige voorziening is ingediend.
Toepassingsbereik
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling ten behoeve van met name woningbouw op de locatie Milheesestraat te Milheeze. Per gemeente geldt er altijd maar één omgevingsplan, momenteel is dit het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarin o.a. de Bruidsschat, bestemmingsplannen en verordeningen zijn opgenomen. Dit TAM-omgevingsplan maakt dan ook onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel. De regels behorende bij dit TAM-omgevingsplan zijn als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel.
De onderliggende bestemmingsplannen zijn niet meer van toepassing op de locatie waarvoor dit TAM-omgevingsplan is gemaakt. De overige onderdelen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, zoals de bodemkwaliteitskaarten, erfgoedverordening (voor wat betreft het onderdeel archeologie) en de geurverordening blijven op deze locatie nog wel van toepassing.
Verbeelding/ plankaart
Binnen het DSO is de publicatie van TAM-omgevingsplannen niet mogelijk. Daarom wordt gebruik gemaakt van de IMRO-standaarden, zoals voorheen toegepast bij een bestemmingsplan. Deze wordt gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl.
Onder de Omgevingswet maakt de geometrische weergave van het plangebied (de plankaart), met daarop de geometrisch begrensde planobjecten, niet van rechtswege deel uit van het TAM-IMRO omgevingsplan. Om de plankaart en de daarop aangegeven objecten een juridische status te geven in het TAM-IMRO omgevingsplan, is daarom een specifieke bepaling opgenomen met een verwijzing naar ruimtelijkeplannen.nl.
Begripsbepalingen
De begrippenlijst is beperkt tot planspecifieke bepalingen en indien niet elders geregeld. Zo is het begrip 'straatpeil' opgenomen in de Bruidsschat. Begrippen als 'bouwen' en 'bijbehorend bouwwerk' zijn respectievelijk in de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) opgenomen.
Regels voor functies en activiteiten
Binnen de artikelen voor functies en activiteiten zijn de locaties benoemd waar de gebruiks- en bouwactiviteiten mogelijk zijn. Deze zijn qua opzet redelijk vergelijkbaar met de bepalingen in bestemmingen zoals onder de Wro opgenomen in een bestemmingsplan.
De beoordelingsregels voor bouwen zijn een aanvulling op de beoordelingsregels die reeds in de Bruidsschat zijn opgenomen. De regels voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn afgestemd met de regels voor vergunningsvrije bouwwerken uit artikel 22.36 en 22.27 van de Bruidsschat. Bouwactiviteiten die op basis van de Bruidsschat of het Bbl (artikel 2.29) vergunningsvrij zijn komen niet terug in dit TAM-omgevingsplan, zoals de realisatie van nutsvoorzieningen, lichtmasten en straatmeubilair.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 4 en 5.
Getoetst is aan het geldende beleid op diverse overheidsniveaus. Hieruit is gebleken dat het plan past binnen de relevante beleidskaders en dat wordt voldaan aan instructieregels. Er heeft voor diverse omgevingsaspecten een afweging plaatsgevonden, waarbij steeds de conclusie kan worden getrokken dat het voorgenomen plan niet leidt tot onacceptabele effecten op de fysieke leefomgeving.
Als voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen zijn geluidregels opgenomen in dit TAM-omgevingsplan.
Gelet op het voorgaande is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de ontwikkeling van 87 woningen en een supermarkt.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en er is een uitgebreid participatietraject gevoerd.