| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Maaseikerweg 257 |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0988.TAMMaaseikerwg257-ON01 |
Op de locatie Maaseikerweg 257 is sprake van een aanwezigheid van een vijvercentrum met bijbehorende voorzieningen, een bedrijfswoning en agrarische gronden. Initiatiefnemer is voornemens om de locatie her te ontwikkelen naar woningbouw (vier nieuwe extra vrijstaande woningen) aan de Maaseikerweg en de Tungeler Dorpsstraat.
In onderstaande figuur wordt de ligging van het plangebied, bij de entree van Tungelroy weergegeven (rood omcirkeld).
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied (rood omcirkeld).
Ter plaatse van het plangebied vigeert het van rechtswege verkregen 'Omgevingsplan gemeente Weert' (hierna: het Omgevingsplan). Dit omgevingsplan is in werking getreden op 1 januari 2024. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn alle geldende ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, e.d.) onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Weert.
In het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels voor onderhavige locatie opgenomen. Daar er nog geen specifieke regels zijn vastgesteld in het omgevingsplan is voor onderhavige locatie het bestemmingsplan 'Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy', vastgesteld op 28 juni 2018 door de gemeenteraad van Weert, geraadpleegd.
Op het perceel geldt volgens het vigerende bestemmingsplan 'Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy' de enkelbestemming 'Detailhandel – Vijvercentrum' en 'Agrarisch'. Daarnaast geldt er gedeeltelijk een bouwvlak, de aanduiding 'bedrijf van categorie 1', 'opslag uitgesloten', 'parkeerterrein', 'groen'. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie hoog'.
Binnen de functie 'Detailhandel - Vijvercentrum' en 'Agrarisch' is de ontwikkeling van de beoogde woningen en sanering van het vijvercentrum niet in overeenstemming met het geldend planologisch-juridisch kader. Onderhavig voornemen is enkel mogelijk te maken middels een wijziging van het Omgevingsplan.
Aan de hand van voorliggende Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO.
Het gaat hierbij om de percelen kadastraal bekend als gemeente Weert, sectie AC, nummers 29, 34, 835, 996, en 631. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ca. 2,2 hectare.
Onderstaande luchtfoto en kadastrale kaart duiden de ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van de omgeving aan.
Uitsnede luchtfoto en kadastrale kaart met aanduiding plangebied.
In de bestaande situatie is sprake van de aanwezigheid van een bedrijfswoning met het vijvercentrum en omliggende agrarische gronden.
De bestaande situatie wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van navolgende oblique-luchtfoto's.
Oblique-luchtfoto's ter plaatse van het plangebied.
Initiatiefnemer is met het oog op de toekomst voornemens om het bedrijf niet verder te exploiteren, maar wel te blijven wonen. Derhalve wenst initiatiefnemer graag een herontwikkeling van de locatie.
Initiatiefnemer is met het Vijvercentrum Flinsenhof op kleine schaal begonnen in 1990 en heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een gerenommeerd bedrijf op het gebied van vijvers, tuinen en aquaria in zowel Nederland als België.
Inmiddels bestaat het bedrijf al 35 jaar, waarin initiatiefnemer met trots vele klanten en bedrijven van dienst heeft mogen zijn. Het doel was altijd het ontwerpen, aanleggen en verkopen van unieke, kwalitatieve hoogstaande en inspirerende tuin- en waterprojecten.
In die periode heeft initiatiefnemer aan tal van bijzondere projecten mogen werken, waaronder de Floriade en de aanleg van vijvers bij diverse Center Parcs locaties.
Hoewel het bedrijf nog steeds hoog aangeschreven staat, is initiatiefnemer toch op een punt gekomen waarbij belangrijke besluiten moeten worden genomen over de toekomst. Er zijn uitdagingen ontstaan die initiatiefnemer dwingen te overwegen over hoe we verder willen.
Zo heeft initiatiefnemer , net als veel andere bedrijven, te maken met een tekort aan deskundig personeel. Daarnaast spelen er veranderende maatschappelijke omstandigheden en persoonlijke factoren, zoals de leeftijd en gezondheid.
Bovendien moet initiatiefnemer in haar bedrijf blijven investeren om door te kunnen gaan. Dit is echter lastig als er geen opvolging voor het bedrijf aanwezig is.
Voorziene herontwikkeling
Om het bedrijf te kunnen beëindigen en zelf in de bedrijfswoning te kunnen blijven wonen, is een omvorming naar een burgerwoning van de bedrijfswoning noodzakelijk. Tevens dient het bedrijf in zijn geheel gesaneerd te worden.
Om deze sanering financieel mogelijk te kunnen maken (dit is immers een grote desinvestering/kostenpost) is het toevoegen van een waardevolle nieuwe functie noodzakelijk. In de plaats van de huidige bedrijfsbestemming is het realiseren van vier nieuwe bouwkavels derhalve een goede maar ook noodzakelijke oplossing.
Met de opbrengsten van de nieuwe bouwkavel kunnen de kosten worden gecompenseerd voor de sanering en wegbestemming van het bedrijf.
De opbrengsten van deze vier bouwkavels zijn noodzakelijk om de sloop en herbestemming te compenseren.
Ten aanzien van de boogde locatie is er voor gekozen om twee bouwkavels te laten aansluiten aan de bestaande bebouwing van de Tungeler Dorpsstraat, vervolgens een opening te creëren en voorbij het hoekpunt nabij de aanwezige bedrijfswoning de derde en vierde bouwkavel te positioneren. Door de opening blijft er een doorkijk naar het achterliggende landelijk gebied/kernrandzonegebied van Tungelroy hetgeen de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt.
Ter realisatie van onderhavig voorstel dienen de met 'Detailhandel - Vijvercentrum' en 'Agrarisch' aangewezen gronden te worden herbestemd tot 'Wonen' en 'Agrarisch'. Het gaat hierbij om de percelen kadastraal bekend als gemeente Weert, sectie AC, nummers 29, 34, 835, 996 en 631. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt ca. 2,2 hectare.
Er zijn vier bouwkavels voorzien voor de realisatie van reguliere vrijstaande woningen in de vrije (koop)sector. De locatie vormt de entree van het dorp Tungelroy waardoor nieuwe kwalitatief/architectonisch hoogstaande woningen hier een meerwaarde hebben in stedenbouwkundig opzicht.
Het plangebied komt in zijn geheel binnen de komgrens te liggen.
De bedrijfswoning met bijgebouwen, erf en tuin zal ook met de planologische omvorming een verbetering zijn door het wegvallen van het bedrijf dat er nu achter is gelegen.
Ieder bouwplan waarbij nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. De ruimtelijk-visuele effecten van onderhavig planvoornemen zijn in twee hoofdonderdelen samen te vatten, te weten de sanering van het vijvercentrum enerzijds en de bouw van vier woningen met bijbehorende voorzieningen anderzijds.
Ten aanzien van de beoogde locatie is ervoor gekozen om twee bouwkavels te laten aansluiten aan de bestaande bebouwing van de Tungeler Dorpsstraat, vervolgens een opening te creëren en voorbij het hoekpunt nabij de aanwezige bedrijfswoning eveneens twee bouwkavels te positioneren. Door de opening blijft er een doorkijk naar het achterliggende landelijk gebied/kernrandzonegebied van Tungelroy hetgeen de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Met dit voornemen wordt het oude bouwlint verder volgebouwd, maar er worden doorzichten behouden naar het achterland. De sloop van het vijvercentrum en de woningen met doorzichten naar het achterliggend agrarisch land passen bij een oud bouwlint en versterken daarmee de entree van Tungelroy. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is dit een gewenste invulling.
Gelet op vorenstaande overwegingen wordt geconcludeerd dat de ruimtelijk-visuele effecten aanvaardbaar zijn.
Ter plaatse van het plangebied vigeert het van rechtswege verkregen 'Omgevingsplan gemeente Weert' (hierna: het Omgevingsplan). Dit omgevingsplan is in werking getreden op 1 januari 2024. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn alle geldende ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, e.d.) onderdeel van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Weert.
In het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels voor onderhavige locatie opgenomen. Daar er nog geen specifieke regels zijn vastgesteld in het omgevingsplan is voor onderhavige locatie het bestemmingsplan 'Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy', vastgesteld op 28 juni 2018 door de gemeenteraad van Weert, geraadpleegd.
Ter plekke van onderhavige plangebied zijn de volgende planologisch-juridische relevante regels van toepassing.
Op basis van de 'oude' wetgeving is ter plaatse van onderhavige locatie het bestemmingsplan 'Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy' van kracht, vastgesteld op 28 juni 2018 door de gemeenteraad van Weert.
Op grond van het bestemmingsplan 'Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy' heeft het plangebied de functie 'Detailhandel - Vijvercentrum' (met nadere aanduidingen) en 'Agrarisch'. Op een deel van het plangebied is tevens de functie 'Waarde - Archeologie hoog' van kracht.
Een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan van rechtswege 'Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy' is opgenomen in onderstaande afbeelding.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Ysselsteyn' met aanduiding plangebied (rood omkaderd).
Het doorvoeren van de beoogde ontwikkelingen is in strijd met het omgevingsplan daar binnen de functie 'Detailhandel - Vijvercentrum' en 'Agrarisch' geen woningbouw - met in begrip van bijbehorende voorzieningen - is toegestaan binnen het geldend planologisch-juridisch kader. Onderhavig voornemen is enkel mogelijk te maken middels een wijziging van het Omgevingsplan.
Aan de hand van voorliggende Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid en wordt het project hieraan getoetst. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de instructieregels Rijk (AMvB's). Voor de beschrijving van het provinciaal beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Omgevingsverordening Limburg (OvL). Voor de beschrijving van het regionale beleid is gebruik gemaakt van de Regiovisie Midden-Limburg. Tot slot is het gemeentelijke beleid ontleend aan de Omgevingsvisie Weert.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: 'NOVI') vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden.
In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes:
In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen:
Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.
In de NOVI wordt ten aanzien van Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk.
Meer specifiek heeft het Rijk in de provincie Limburg enkele belangrijke gebieden aangewezen. Het Rijk kent de Greenport Venlo en Brainport Zuidoost Nederland een belangrijke waarde toe voor de concurrentiepositie van Nederland. Het verstedelijkte gebied rondom Sittard-Geleen en Maastricht is zodoende dan ook aangewezen als een voor de concurrentiepositie essentieel gebied. Met name de bereikbaarheid van deze gebieden verdient derhalve extra aandacht.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn met name de algemene belangen zoals het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte en het waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid van belang. Verder geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen zoals genoemd in de NOVI in het geding zijn. Onderhavige locatie valt niet binnen een door het rijk gekenmerkte opgaven en/of ontwikkeling. Kortom, de beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de NOVI.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB): het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit (Ob) richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels ter bescherming van de nationale belangen, waaronder:
Beoordeling
In Hoofdstuk 5 van deze motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in Hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder vereist is. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
Toetsing
Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de ladder voor duurzame verstedelijking betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. Dit wordt bepaald door de aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wanneer een ontwikkeling een 'stedelijke ontwikkeling' betreft.
Over de vraag wanneer precies sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich gebogen in een overzichtsuitspraak (d.d. 28 juni 2017, zaaknummer 201608869/1/R3). In deze uitspraak is onder andere overwogen dat een woningbouwplan van 12 of meer woningen een stedelijke ontwikkeling betreft. Daarnaast moet de Laddertoets alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Voorliggend voornemen ziet op een bouwplan van minder dan 12 woningen (vier nieuwe woningen). Hieruit kan geconcludeerd worden dat er middels onderhavig planvoornemen geen sprake is van een voldoende substantiële nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat onderhavige ontwikkeling geen stedelijke ontwikkeling betreft zoals bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde rijksinstructieregels. Het plan is passend binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling.
Op 15 december 2020 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarna vervolgens Provinciale Staten deze op 1 oktober 2021 hebben vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden.
In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen.
Hoofdopgaven
In de Omgevingsvisie worden door de provincie drie hoofdopgaven onderscheiden die Limburg-breed spelen. Weliswaar verschillen de accenten per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn:
Limburgse principes en algemene zonering
Bij het maken van afwegingen op het gebied van de fysieke leefomgeving hanteert de provincie de volgende principes:
Op basis van de POVI wordt onderscheid gemaakt tussen thematische visies en gebiedsgerichte visies hetgeen is onderverdeeld in 'zoneringen'. Onderhavig plangebied is, zoals onderstaande afbeelding weergeeft, gelegen in de zone 'Buitengebied'.
Uitsnede provinciale zoneringen met aanduiding plangebied.
Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo'n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Zuid-Limburg zijn er in Noord- en Midden-Limburg meer mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk.
Hoewel het plangebied op grond van de Omgevingsvisie Limburg binnen het 'buitengebied' ligt, is middels voorliggend voornemen sprake van een logische uitbreiding van de kern Ysselsteyn. Het voornemen sluit tevens direct aan op de 'landelijke kern' en aangrenzende woonwijk Kievitsakker I. Het voornemen is tevens gelegen binnen 'de ring' van Ysselsteyn.
Visie Wonen en leefomgeving
De provincie onderscheidt in de Omgevingsvisie diverse thematische visies. Per thema beschrijft de provincie in de Omgevingsvisie het provinciale belang, de opgave, de ambities en waar de provincie voor kiest. Voor onderhavige voornemen is sprake van een ontwikkeling gericht op wonen. Daarop wordt in de (provinciale) thematische visie ‘Wonen en leefomgeving’ ingegaan. Aangegeven wordt dat er op het gebied van wonen en leefomgeving veel uitdagingen en kansen liggen. Zo vermeldt de Omgevingsvisie het volgende:
"De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom kiezen wij voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee spelen we in op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van onze inwoners zijn hierbij leidend."
Voorts wordt het volgende aangegeven:
"Wat betreft onze ambitie is het succes van de woningmarkt onlosmakelijk verbonden met de sociaaleconomische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen en het voorkomen van segregatie. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kunnen we een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen."
Het provinciale beleid ten aanzien van wonen heeft een vertaling gekregen in de in maart 2023 door partijen (provincie Limburg, alle gemeenten in Limburg, woningcorporaties, en waterschap) ondertekende 'Limburgse Woondeal 2023-2030'. In deze woondeal is afgesproken dat voor de drie woonregio's in Limburg (Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg) er minimaal 26.550 woningen bij komen. Daarbij is tevens de ambitie uitgesproken voor nog eens 20.000 woningen extra. Op grond van de woondeal wordt gestreefd naar een productie van circa 3.000 woningen per jaar. Met de Woondeal Limburg wordt gestreefd naar betaalbaar wonen voor iedereen.
Onderhavig voornemen betreft de herontwikkeling van het vijvercentrum naar vier nieuwe levensloopbestendige woningen. Geconcludeerd kan worden dat middels voorliggend planvoornemen tegemoet wordt gekomen aan de provinciale doelen op het gebied van woningbouw.
Op 1 januari 2024 is de 'Omgevingsverordening Limburg' (OvL) in werking getreden De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de Omgevingsverordening Limburg.
In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:
Bij de OvL behoren een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn. Deze thematische kaart is in onderstaande afbeelding inzichtelijk gemaakt en vervolgens nader uitgewerkt.
Gebiedsaanwijzingen Omgevingsverordening Limburg ter plekke van plangebied.
Instructieregel buitengebied
Op basis van de OvL is onderhavig plangebied gelegen binnen een gebied gekenmerkt als 'Buitengebied' op grond waarvan volgens de Omgevingsverordening specifieke regels gelden met betrekking tot:
Onderhavige ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een vijvercentrum. Het voornemen is om het vijvercentrum te saneren, de bedrijfswoning om te vormen tot burgerwoning en vier nieuwe vrije sector woningen te realiseren. Volgens artikel 12.1 van de OvL 'Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen' beschrijft een motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen dat:
ad. a: Zie paragraaf 4.2. Aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
ad. b: Zie de in subparagraaf 4.1.3 opgenomen toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
ad. c: Onderhavig voornemen is passend binnen de doelstellingen en beleid van de regio Midden-Limburg. Ook is het voornemen regionaal afgestemd en 'akkoord' bevonden. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend planvoornemen. Aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
ad. d: Het plan wordt opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, plannen worden periodiek door de gemeente doorgegeven aan de provincie. Aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
ad. e: Tussen de gemeente Weert en initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst afgesloten. In deze anterieure overeenkomst is een realisatieplicht opgenomen waarmee aan bovenstaand onderdeel wordt voldaan.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de 'Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen' zoals opgenomen in artikel 12.1 van de OvL.
Instructieregel overstromingskansgebied C (Artikel 3.1 OvL)
Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor 'overstromingskansgebied C' een gemiddelde overstromingskans per jaar van 1:25 als omgevingswaarde.
De omgevingswaarden bedoeld in het OvL zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap waaraan uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan. Onderhavig planvoornemen levert geen strijdigheid op met onderhavige provinciale (instructie)regels. Op het aspect water wordt in paragraaf 5.9 van voorliggende motivering nader ingegaan.
Onderhavig plan levert geen strijd op met de Provinciale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde provinciale instructieregels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. Het plan is passend binnen de doelstellingen en beleid van de Provincie en er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend plan.
In de Regiovisie Midden-Limburg is een visie gegeven op de gebiedsontwikkeling van de zeven gemeenten in Midden-Limburg: Echt-Susteren, Maasgouw, Roerdalen, Roermond, Leudal, Weert en Nederweert. Deze gebiedsvisie richt zich, in lijn met het provinciaal beleid, op het creëren van sterke steden en een vitaal platteland.
Krimp en vergrijzing zullen Midden-Limburg steeds sterker raken. Ook de concurrentie vanuit omliggende regio's wordt steeds sterker. Tegelijkertijd melden euregionale partners zich voor samenwerking. Om deze samenwerking aan te kunnen gaan en de concurrentie het hoofd te bieden, is regionale samenwerking tussen de zeven gemeenten en de provincie noodzakelijk. De regionale visie is te vertalen in drie strategische keuzes:
1. Benutten en versterken van de regionale economie: ontwikkeling van een uniek toeristisch-recreatief
profiel, inrichting van regionale bedrijventerreinen, investeren in hoogwaardige landbouw en duurzame wooneconomie.
2. Versterking van de sociale structuur: versterking van de kracht van 'oude wijken', leefbaar houden van het platteland en ontwikkelen van een duurzaam, hoogwaardig en fijnmazig zorgnetwerk.
3. Verbeteren van het vestigingsklimaat: ontwikkeling van natuur en landschap, investeren in duurzame landbouw, ontwikkeling van een fijnmazig toeristisch-recreatief netwerk, herstructurering van bedrijventerreinen, ruimte voor hoogwaardige zorgvoorzieningen en uitzonderlijke woonmilieus.
De ontwikkeling van Midden-Limburg draait in essentie om het 'maken van kwaliteit'. Om dit te bewerkstelligen, is een integrale aanpak nodig, waardoor de regiovisie een gemeenschappelijk kader biedt. Het toevoegen van vier woningen in de vrije sector, levert geen strijdigheid op met de beleidsuitgangspunten van de Regiovisie Midden-Limburg.
Op het gebied van wonen wordt in Midden-Limburg al jaren regionaal samengewerkt door de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert. De hoofdlijnen van het hieruit volgende regionale woonbeleid zijn vastgelegd in de Regionale Structuurvisie Wonen Midden-Limburg. Binnen deze algemene kaders kunnen de gemeentes, indien gewenst, nadere lokale uitwerkingen vaststellen.
In de paragraaf gemeentelijk beleid wordt hier nader op ingegaan.
Onderhavig voornemen is passend binnen de doelstellingen en beleid van de regio Midden-Limburg. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend planvoornemen.
Op 12 juni 2024 heeft de gemeenteraad van Weert de Omgevingsvisie Weert vastgesteld. Dit is een algehele structuurvisie voor de gemeente Weert.
De gemeente Weert heeft beleid (Omgevingsvisie Weert) waarmee het mogelijk is om nieuwe bouwkavels te realiseren binnen kernrandzones.
In de omgevingsvisie is opgenomen dat er nieuwe woningen gerealiseerd kunnen worden in situaties waarbij bedrijfslocaties worden omgevormd. Hierbij wordt de bedrijfswoning getransformeerd naar een burgerwoning. Hier is sprake van maatwerk.
In onderhavig geval wordt een specifieke bedrijfslocatie voor een vijvercentrum dat wordt omgevormd naar woonbestemmingen (t.b.v. 4 nieuwe woningen en de omvorming van de bedrijfswoning tot burgerwoning met daarnaast het herbestemmen van de bedrijfslocatie tot agrarische landbouwgrond). Daarmee is sprake van een duidelijke kwaliteitsverbetering.
Uit de Omgevingsvisie volgt dat de gemeente Weert werkt aan vitale kernen, waarin wordt gewerkt aan een evenwicht tussen wonen, werken en klimaatopgaven. Diversiteit en kwaliteit van de omgeving staan daarbij centraal. Weert is mede door haar diversiteit een aantrekkelijke gemeente om in te wonen, werken, verblijven en recreëren. De gemeente is dan ook zuinig op de aanwezige kwaliteiten.
Onderhavig planvoornemen kan worden gezien als een opwaardering van een locatie aan de rand van de kern Tungelroy en entree van het dorp Tungelroy. Het planvoornemen draagt positief bij aan de doelmatige invulling van de kernrandzone en het hergebruiken van bebouwde ruimte. De ontwikkelingen die initiatiefnemer voor ogen heeft sluiten aan bij de Omgevingsvisie Weert.
Met het doorvoeren van deze ontwikkelingen worden de waarden in het gebied niet aangetast.
In de omgevingsvisie Weert is ook de 'Compensatieregeling Kwaliteitsverbetering' opgenomen (als vervanger van het gemeentelijk kwaliteitsmenu, GKW).
Op grond van de Compensatieregeling dienen de gronden gelegen te zijn binnen de hierbij aangegeven 'kernrandzone'. Dit is in het voorliggende plan het geval. De op te richten woningen dienen verder qua maat en schaal te passen bij de omgeving. Dit geldt voor de kaveloppervlakte, de bouwmassa, het karakter van de straat en het straatbeeld. Een nieuwe woning dient georiënteerd te zijn op de openbare ruimte. Voor het overige dient aan te worden gesloten op de standaardregels van de functie 'Wonen' in het omgevingsplan. Om dit initiatief te kunnen realiseren dienen de gronden met de functies 'Detailhandel - Vijvercentrum' en 'Agrarisch' ingevolge voornoemd omgevingsplan te worden herbestemd tot 'Wonen' en 'Agrarisch'.
In onderhavig geval is sprake van het realiseren van vier bouwkavels, waarbij ee bestaande bedrijfslocatie wordt gesaneerd en de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. De vier nieuwe bouwkavels betreffen bouwkavels met een oppervlakte van respectievelijk 730, 865, 1015 en 860 m2 (totaal 3.470m2), waarbij vrijstaande levensloopbestendige woningen gebouwd kunnen worden die de (nieuwe) entree van het dorp Tungelroy gaan vormen.
Met het realiseren van deze bouwkavels is sprake van een duidelijke kwaliteitsverbetering in deze kernrandzone van het dorp. In de Compensatieregeling is aangegeven dat het College via maatwerk kan afwijken van de regeling. In het onderhavige geval is sprake van maatwerk teneinde een passende planologische en kwalitatieve invulling voor deze locatie te creëren.
Ten aanzien van de beoogde locatie is ervoor gekozen om twee bouwkavels te laten aansluiten aan de bestaande bebouwing van de Tungeler Dorpsstraat, vervolgens een opening te creëren en voorbij het hoekpunt nabij de aanwezige bedrijfswoning eveneens twee bouwkavels te positioneren. Door de opening blijft er een doorkijk naar het achterliggende landelijk gebied/kernrandzonegebied van Tungelroy hetgeen de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Met dit voornemen wordt het oude bouwlunt verder volgebouwd, maar er worden doorzichten behouden naar het achterland. De sloop van het vijvercentrum en de woningen met doorzichten naar het achterliggend agrarisch land passen bij een oud bouwlint en versterken daarmee de entree van Tungelroy. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is dit een gewenste invulling.
Verder kan worden gesteld dat sanering van de locatie wenselijk is om leegstand en verloedering van solitaire bedrijfsgebouwen in het buitengebied tegen te gaan.
Om het bedrijf te kunnen beëindigen en zelf in de bedrijfswoning te kunnen blijven wonen, is een herontwikkeling van deze locatie noodzakelijk. Hierbij is een omvorming naar een burgerwoning van de bedrijfswoning noodzakelijk. Tevens dient het bedrijf in zijn geheel gesaneerd te worden. Om deze sanering financieel mogelijk te kunnen maken is het toevoegen van een waardevolle nieuwe functie noodzakelijk. In de plaats van de huidige bedrijfsbestemming is het realiseren van vier nieuwe bouwkavels een aanvaardbare, maar ook noodzakelijke oplossing. De locatie vormt de entree van het dorp Tungelroy waardoor nieuwe kwalitatief/architectonisch hoogstaande woningen hier een meerwaarde hebben.
Met de opbrengsten van de nieuwe bouwkavels kunnen de kosten worden gecompenseerd voor de sanering van wegbestemming van het bedrijf.
De opbrengsten van deze vier bouwkavels zijn noodzakelijk om de sloop en herbestemming te compenseren. Met de vier nieuwe bouwkavels worden er opbrengsten gecreëerd waardoor de sloopkosten en de sanering incl. afwaardering van de gronden voor een deel worden gecompenseerd.
Op basis van de Compensatieregeling Kwaliteitsverbetering is initiatiefnemer een bijdrage verschuldigd. De ontwikkeling van een woning op een perceel waar eerder geen woning was toegestaan leidt tot verstening en vermindering van kwaliteit/groen. Hiervoor is een financiële bijdrage verschuldigd ter waarde van € 150,- per m2 nieuw bouwperceel.
De saneringskosten van het vijvercentrum worden verrekend met deze kwaliteitsbijdrage.
Gelet op de vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.
Bij de realisering van een project moet rekening worden gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voor onderhavig project relevante aspecten.
Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Gelet hierop dient, indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving, te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid.
De regelgeving met betrekking tot de 'gezondheid' is sterk afhankelijk van het gemeentelijke beleid. Ter plaatse van onderhavige locatie zijn, op grond van het omgevingsplan gemeente Weert, diverse regels van toepassing ten behoeve van het beschermen van de gezondheid.
De hieronder genoemde artikelen uit het omgevingsplan gemeente Weert (afkomstig uit de Bruidsschat) hebben betrekking op gezondheid en zijn ter plaatse van onderhavige locatie van toepassing:
Onderhavig planvoornemen voldoet, daar waar nodig, aan bovenstaande artikelen uit de Bruidsschat zoals opgenomen in het omgevingsplan gemeente Weert. De genoemde artikelen vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt.
Binnen een afstand van 50 meter rondom het plangebied is één agrarisch perceel gelegen waarop mogelijk kan worden gespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Onderstaande afbeelding geeft de spuitcirkel van 50 meter rondom het plangebied weer. Op het gedeelte van het plangebied dat een agrarische functie krijgt binnen een afstand van 50 meter van de bestemming wonen zullen geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden. Dit wordt in de regels en op de verbeelding vastgelegd.
Situatietekening plangebied met spuitcirkel van 50 meter rondom bestemming 'wonen'.
In het kader van dit voornemen is overleg gevoerd met de eigenaar van dit agrarische perceel. De eigenaar is op dit moment bezig met het omvormen van de agrarische bedrijfswoning Tungeler Dorpstraat 8 in een burgerwoning en in dat kader wordt dezelfde grond voor deze omvorming ook bestemd tot een zone waar niet meer gespoten mag worden. Daarmee zijn er geen agrarische percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen toegepast mogen worden meer aanwezig binnen 50 meter van de nieuwe woningen.
Geizen bovenstaande is verzekerd dat ter plaatse van de toekomstige woningen binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect 'spuitzones'.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van gezondheid voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'gezondheid' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.).
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat').
Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het Omgevingsplan. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het Omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).
Onderhavig planvoornemen ziet op het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen (4 woningen). De ontwikkeling is niet gelegen in een zone of aandachtsgebied voor industrie- of railverkeerslawaai.
Omdat er nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd is de geluidsbelasting op de gevels van de woningen berekend ten gevolge van het omliggend wegennet. Deze geluidsbelasting van de gemeentewegen is getoetst aan de normstelling uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De geluidbelasting van de provinciale weg is getoetst aan de normstelling uit de Wet geluidhinder omdat op basis artikel 3.5 van de aanvullingswet geluid de Wet geluidhinder nog steeds van toepassing is. Dit is het geval zolang er voor een provinciale weg nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld.
De berekeningen van de gevelbelasting zijn uitgevoerd met behulp van de rekenmethode volgens de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet. Hiertoe is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu van DGMR. Het akoestisch onderzoek naar het de gevelbelasting ter plaatse van onderhavig voornemen is uitgevoerd door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV, de rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1 Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting, Aelmans ROM B.V. (d.d. 25-06-2025).
De conclusie van dit onderzoek is samengevat dat de geluidsbelasting voor de gemeentewegen en volgens reken- en meetvoorschrift geluid 2012 voor de provinciale wegen met 60 dB op de gevels van de nieuwe woningen te hoog is (hoger dan de voorkeursgrenswaarde) waardoor bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe woningen middels een gevelweringsonderzoek moet worden aangetoond dat het vereist binnenniveau van 33 dB wordt behaald.
Tevens dient een hoge waarde procedure doorlopen te worden omdat de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde veroorzaakt wordt door het wegverkeer op de provinciale weg.
Met de geluidwerende maatregelen die uitgevoerd moeten (en ook kunnen) worden is het vereiste binnenniveau te behalen. Daarnaast zal zoveel als mogelijk rekening worden gehouden bij de indeling van de woning met het positioneren van relatief ongevoelige ruimten als keuken, badkamer, hal e.d. aan de "(hoog) geluid belaste zijde" van de woning en de gevoelige ruimten als slaap- en woonkamers aan de rustige zijde.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
Met betrekking tot het aspect geluid kan in de fysieke leefomgeving sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsmatige activiteiten die plaatsvinden op of nabij onderhavige locatie. Dit aspect is nader beoordeeld in paragraaf 5.11.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen, industrieterreinen, e.d.) voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een goed woon- en leefklimaat evenals een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'geluid door activiteiten' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.
Als gevolg van voorliggend plan kunnen de nieuw activiteiten invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve hiervan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect.
Binnen de getalsmatige grenzen van de 'Standaardgevallen NIBM', zoals opgenomen in artikel 5.54 van het Bkl, draag in project altijd 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Volgens artikel 5.53 onder b. leidt het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van 1,2 µg/m³ of minder als het gaat over het toelaten van woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:
Bij voorliggend project is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang. Het voornemen ziet op het toelaten van 4 nieuwe wooneenheden. Gesteld kan worden dat het voornemen binnen de 'Standaardgevallen NIBM' en zo ook het 3% criterium van de NIBM-grens blijft. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van de kwaliteit van de buitenlucht voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
In de fysieke leefomgeving kunnen (bedrijfsmatige) activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving').
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.
In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen Omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.
In het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan.
Bij onderhavig planvoornemen is sprake van het realiseren van geurgevoelige objecten in het buitengebied. In de omgeving van het plangebied zijn aan alle zijden van de nieuw te realiseren woningen reeds geurgevoelige objecten aanwezig.
De enige veehouderij in de nabije omgeving betreft Tuurkesweg 4 te Weert. De afstand tot de dichtstbij gelegen stal van dit bedrijf tot de rand van onderhavig plangebied bedraagt ruim 130 meter.
Tussen dit bedrijf en het plangebied zijn echter twee geurgevoelige objecten gelegen waarmee dit bedrijf Tuurkesweg 4 reeds rekening moet houden. Op deze objecten moet dit bedrijf voldoen qua geurbelasting. Derhalve kan er vanuit worden gegaan dat de geurbelasting ter plaatse van het plangebied laag is en er derhalve sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen.
Het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van omliggende veehouderijen waardoor er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voorts vormt de realisatie van onderhavig voornemen geen belemmering vormt voor omliggende veehouderijen.
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van geur voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het aspect 'geur' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.
Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid i Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
Onderhavig planvoornemen, het herontwikkeling van een vijvercentrum naar vier nieuwe woningen met agrarische gronden, ziet op het mogelijk maken van nieuwe bodemgevoelige gebouwen, zijnde 4 woningen. In dat kader is ten behoeve van het project een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar het voorkomen van asbest uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde woonwijk. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6 Bodemonderzoek.
De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt:
'Aelmans Milieu heeft een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest op de Maaseikerweg 257 te Weert verricht. Aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek betreft de voorgenomen wijziging van het vigerende bestemmingsplan (BOPA), het staken van de bedrijfsactiviteiten en het realiseren van een 4-tal bouwkavels ter plaatse van het perceel.
Het veldwerk is uitgevoerd, zoals omschreven in de onderzoeksstrategie voor het verkennend bodemonderzoek inclusief asbest conform de NEN 5740: 2023 en NEN 5707+C2: 2017/ NEN 5897 +C1: 2016+C2: 2017. De werkzaamheden zijn uitgevoerd conform de richtlijnen, zoals beschreven in de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", bijbehorende protocollen en verwijzingen.
Ter plaatse van het perceel zijn een 31-tal boringen systematisch verdeeld over het terrein alwaar wijzigingen plaatsvinden dan wel waarvoor de eindsituatie zal worden vastgelegd.
Voor de deelgebieden, alwaar geen directe wijziging plaats zal vinden (lees: de bestaande woningen met tuin en het weiland) heeft het onderzoek zich beperkt tot een vooronderzoek, waarbij er geen aanleidingen zijn gevonden om ter plaatse van deze deelgebieden aanvullend c.q. daadwerkelijk onderzoek uit te voeren.
Tijdens het plaatsen van de boringen/inspectiegaten zijn geen specifieke verontreinigingen of verdachte bodemlagen aangetroffen.
Naar aanleiding van de geplaatste boringen en de analyseresultaten blijkt, dat er geen sprake is van sterk verontreinigde bodemlagen en derhalve vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen verbonden zijn aan de voorgenomen herinrichting van het perceel.
De boven- en ondergrond ter plaatse van het gebied, alwaar men voornemens is om de bouwkavels te realiseren, kan als klasse Landbouw/Natuur worden gekwalificeerd.
Ter plaatse van het overige perceel zijn bij enkele boringen (nrs. 23, 27 en 31) verontreinigingen aangetroffen, waardoor er sprake is van klasse Industrie grond. De grond van de overige boringen kan als klasse Wonen en grotendeels als klasse Landbouw/Natuur worden gekwalificeerd.
In het grondwater zijn geen overschrijdingen van de signaleringsparameters aangetroffen.
7.1 Toetsing hypotheses
Grond en grondwater
De hypothese "onverdacht" wordt op basis van de onderzoeksresultaten niet geheel bevestigd.
De aangetroffen overschrijdingen zijn dermate marginaal dat deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen
belemmeringen opleveren voor de beoogde wijzigingen en het deels inrichten van het perceel ten behoeve van
woondoeleinden.
Asbest
Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuigelijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek kan de hypothese "onverdacht" met betrekking tot asbest worden bevestigd.
7.2 Resumé
Naar aanleiding van de visuele en analytische bevindingen zijn er geen directe belemmeringen met betrekking tot het de beoogde bestemmingswijzing van het perceel en de realisatie van een 4-tal bouwkavels ter plaatse. Het uiteindelijk verlenen van een omgevingsvergunning, ligt echter ter beoordeling aan het bevoegd gezag.
De bodemkwaliteit ter plaatse van het perceel, alwaar in het verleden de bedrijfsactiviteiten hebben plaatsgevonden, is afdoende in beeld gebracht. Hiermee is de eindsituatie afdoende vastgelegd.
Wanneer meer dan 25 m3 grondverzet gaat plaatsvinden, ook al is de grond niet sterk verontreinigd, dan dient een graafmelding in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) te worden verricht.
Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen de werkzaamheden conform de basis hygiëne maatregelen worden uitgevoerd.
Dit bodemonderzoek is gebaseerd op een steekproefregime. Eventueel aanwezige andere dan voornoemde bronnen van verontreiniging kunnen derhalve niet worden uitgesloten. '
Naar aanleiding van de bevindingen van het verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar het voorkomen van asbest zijn er geen belemmeringen en/of beperkingen verbonden aan de voorgenomen herbestemming van het perceel en het beoogde gebruik ten behoeve van woondoeleinden.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
Het plangebied wordt aan de zuidzijde ontsloten via de Maaseikerweg en de Tungeler Dorpsstraat.
Beide wegen betreffen een 50 km/uur weg. De beide wegen zijn dermate van ontwerp en omvang dat rechtstreekse ontsluiting van de vier nieuwe bouwkavels op deze wegen mogelijk is. Er dient alleen over de aanwezige sloot een duiker aangelegd te worden om vervolgens de inritten te kunnen realiseren.
Qua extra verkeer op deze wegen kan worden aangegeven dat dit extra verkeer geen invloed heeft op de doorstroming van verkeer op de wegen. Ook is er sprake van een verkeersveilige toekomstige situatie.
Tevens dient opgemerkt te worden dat het bedrijfsverkeer van de bestaande situatie komt te vervallen.
De gemeente Weert hanteert met betrekking tot hun parkeerbeleid de 'Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Weert'. Voorliggend voornemen ziet op het mogelijk maken van 4 woningen bestaande uit vrijstaande woningen.
Conform de gemeentelijke beleidsregel geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning (= 3 parkeerplekken per vrijstaande woning). De nieuwe kavels hebben een dermate ruime omvang dat dit geen probleem vormt op eigen terrein. Hiermee wordt parkeeroverlast voorkomen op de openbare weg.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Wegen, verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises.
Het beleid in het kader van de omgevingsveiligheid is gericht op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Dit beleid kan zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer ervan.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid opgenomen in de instructieregels afdeling 5.1.2 Bkl. In het algemeen wordt onderscheidt gemaakt tussen:
In het Bkl worden risicovolle activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten:
Indien sprake is van een risicovolle activiteit kan daarvoor ook een 'aandachtsgebied' toegewezen zijn. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en digitaal raadpleegbaar. Binnen deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De begrippen beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen worden in Bijlage VI, Besluit kwaliteit leefomgeving nader gedefinieerd.
Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven.
Voor het in beeld brengen van mogelijke veiligheidsrisico’s is het Register Externe Veiligheid (REV) online geraadpleegd. Op deze kaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.
Uitsnede Atlas Leefomgeving - Register Externe Veiligheid, 2025.
Uit het REV blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied geen risicovolle activiteiten plaatsvinden waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden. Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risiconorm of aandachtsgebied van een risicovolle activiteit.
Verder kan gesteld worden dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van het plangebied bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is het project in het kader van de omgevingsveiligheid verantwoord te noemen, er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect omgevingsveiligheid is gelet op het vorenstaande geen beperking voor onderhavig initiatief.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden.
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking, waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot effecten in de natuurgebieden.
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), daarnaast zijn volgens de provinciale verordening geen natuurwaarden binnen het plangebied aanwezig.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Weerter en Budelerbergen. Dit gebied bestaat uit meerdere deelgebieden, het gehele Natura 2000-gebied betreft zowel een Vogelrichtlijn als Habitatrichtlijn. Het meest dichtstbijzijnde deel van het gebied is gelegen op een afstand van meer dan 6 kilometer ten westen van het plangebied. Overige gebieden (o.a. Sarsven en de Banen) zijn op grotere afstand gelegen.
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden.
Stikstofemissie kan mogelijk een indirect effect veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als bijlage 2 Stikstofonderzoek. De losse AERIUS berekeningen van de realisatie- en gebruiksfase zijn separaat opgenomen als Bijlage 3 AERIUS berekening realisatiefase en Bijlage 4 AERIUS berekening gebruiksfase.
Uit de berekeningen is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie op een stikstof gevoelig natuurgebied. De depositie bedraagt 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Bij voorliggend planvoornemen is geen gebruik gemaakt van intern salderen. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen met zekerheid worden uitgesloten.
De uitkomsten van de stikstoftoets geven, nu er geen gebruik is gemaakt van intern salderen, geen aanleiding voor het aanvragen van een vergunning voor een Natura 2000 activiteit of verklaring van geen bedenkingen vanwege mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden.
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde dier- en plantensoorten. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd waardoor voor vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan moet worden of er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat dan zijn. In Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer een vergunning nodig is.
De kadastrale percelen waarop onderhavig plangebied is gelegen hebben gezamenlijk een oppervlakte van ca 2,5 hectare.
Het perceel is momenteel in gebruik als vijvercentrum met bedrijfswoning en grasland. Aan de noordzijde van het plangebied is enige begroeiing aanwezig.
Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is er een quickscan met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora en fauna ter plaatse van het plangebied uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5 Quickscan Flora en Fauna, Ecolybrium (d.d. 24-06-2025).
Uit het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat kan worden uitgesloten dat de realisatie van onderhavig planvoornemen geen negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet.
Op het achterliggende terrein kunnen diverse algemeen voorkomende soorten broeden die enkel nestbescherming genieten tijdens het broedseizoen. Deze zullen vooral in de randbegroeiing broeden. Aangezien hier geen ingrepen uitgevoerd worden (zoals het verwijderen van het groen) blijft dit potentiële broedgebied behouden.
In het onderzoek is de bedrijfswoning buiten beschouwing gelaten, aangezien hier geen ingrepen worden uitgevoerd.
Geconcludeerd kan worden dat het onderdeel 'soortenbescherming' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'natuur' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een omgevingsplan of buitenplanse Omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.
De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl.
Bij de totstandkoming van dit omgevingsplan is nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de relevante beleidskaders en regelgeving op lokaal niveau. De uitgangspunten van de Omgevingsvisie van de gemeente Weert vormen een belangrijke basis.
Deze visie zet in op een toekomstbestendige leefomgeving waarin duurzaamheid, gezondheid en klimaatadaptatie centraal staan. In lijn hiermee wordt in dit omgevingsplan nadruk gelegd op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en het verbeteren van de balans tussen bebouwing, natuur en water.
Het Programma Groen Blauw van de gemeente Weert geeft verdere invulling aan deze visie door concrete ambities te formuleren voor een klimaatbestendige en natuurinclusieve inrichting van de openbare ruimte. Dit programma stimuleert onder meer het gebruik van groene daken, infiltratiemogelijkheden voor regenwater en het creëren van ecologische verbindingszones. Deze elementen zijn als uitgangspunt genomen bij de uitwerking van onderhavig omgevingsplan.
Daarnaast is in het plan rekening gehouden met de geldende Hemelwaterverordening, waarin verplichtingen zijn opgenomen voor de afkoppeling van hemelwater en het voorkomen van wateroverlast. Deze verordening sluit nauw aan bij het streven naar een meer robuust stedelijk watersysteem en draagt bij aan het voorkomen van overbelasting van het rioolstelsel.
Tot slot is de Aansluitverordening van toepassing, die regels stelt voor het aansluiten van percelen op de openbare voorzieningen voor water en riolering. In dit omgevingsplan zijn de relevante bepalingen hieromtrent gewaarborgd, zodat zowel de technische als milieuhygiënische aspecten van aansluitingen worden geborgd. Met dit omgevingsplan wordt uitvoering gegeven aan deze beleidsdocumenten en regelgeving, waarmee een integrale en toekomstgerichte ontwikkeling van het plangebied wordt gewaarborgd.
Het plangebied is gelegen binnen de gemeente Weert en in het beheersgebied van Waterschap Limburg. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig plangebied wordt hierna uiteengezet.
De omgeving van het plangebied kenmerkt zich in de bestaande situatie uit de overgangszone van de kern van Tungelroy richting de provinciale weg. Er is ter plaatse van de nieuwe woningen sprake van grasland in de huidige situatie. Qua hoogteverschil is het plangebied als relatief vlak te beschouwen (maximaal 50cm hoogteverschil binnen het plangebied). Er is geen sprake van oppervlaktewater binnen het plangebied waar de vier nieuwe bouwkavels zijn voorzien.
Uit het bodemonderzoek blijkt dat het grondwater zich op ca. 3m minus maaiveld zich bevindt. Dit betekent dat infiltratie op eigen gronden binnen het plangebied van hemelwater mogelijk is.
Verder blijkt uit kaarten van het Waterschap Limburg dat de k-waarde ter plaatse van het plangebied tussen 0,45 en 0,75m per dag ligt. Initiatiefnemer weet uit decennialange ervaring dat de bodem goed doorlatend is. Kortom, infiltratie op eigen gronden zal geen probleem gaan vormen.
Afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater van de nieuw te realiseren woningen zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Weert. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. In de directe omgeving van het plangebied is riolering aanwezig (gemengd vrijvervalriool). De nieuw aan te leggen riolering zal hier op worden aangesloten. Qua hoeveelheid afvalwater zal dit een hoeveelheid zijn die past bij een vrijstaande woning. Het afvalwater van het vijvercentrum zal met onderhavig plan komen te vervallen.
Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein
Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem.
Hemelwater (dak)verharding
Conform de eisen van het Waterschap Limburg alsmede de gemeente Weert dienen nieuwbouwlocaties woningbouw te beschikken over een gescheiden rioolstelsel. Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een in het plangebied aan te leggen hemelwatervoorziening.
Het voornemen is om binnen het plangebied bij iedere nieuwe woning op de eigen nieuwe bouwkavel eigen infiltratievoorzieningen aan te leggen in de vorm van een greppel of een wadi. Ter plaatse van het plangebied is sprake van zandgrond, zie bodemonderzoek met profielen, waardoor sprake is van een goede bodemdoorlatendheid. Hierdoor is infiltratie op eigen perceel mogelijk.
De omvang van de infiltratievoorziening dient per woning ca. 350m2*100=35m3 te bedragen. Deze 350m2 is onderverdeeld in ca. 250m2 (dakoppervlak bebouwing) + ca. 50m2 bestrating en ca. 100m2 semi-verharding (telt 50%). De vier percelen hebben een ruim voldoende omvang om in het achtererfgebied een greppel of wadi te realiseren van deze omvang.
Waterschap Limburg
Het Waterschap Limburg adviseert bij nieuwe ontwikkeling 100 mm in 48 uur aan berging. Hier wordt aan voldaan bij onderhavig plan.
Opvang schoon hemelwater
In de hemelwatervoorzieningen dient enkel schoon hemelwater te worden opgevangen, waaraan geen verontreinigde stoffen worden toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren. Een infiltratievoorziening kan in dat opzicht tevens dienst doen als bodempassage, waarmee gezorgd wordt dat het hemelwater wordt ontdaan van (diffuse) verontreinigingen alvorens het infiltreert.
Voorkomen van wateroverlast
Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot rekening te houden met eventueel wateroverlast, wordt voorkomen dat water in het te realiseren gebouw kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn.
Ten aanzien van het grondwater en grondwaterstanden kan worden aangegeven dat uit het bodemonderzoek volgt dat het grondwater aanwezig is op ca. 3 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat er voldoende verticale ruimte is om op eigen terrein hemelwater te infiltreren. De aan te leggen infiltratiegreppel/wadi zal naar verwachting niet dieper worden dan 1,5 meter beneden het maaiveld.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water en watersystemen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.
De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:
Ter plaatse van het plangebied is deel sprake van een archeologische verwachtingswaarde. Aan de twee oostelijke nieuwe bouwkavels liggen in een gebied waar geen sprake is van een archeologische verwachtingswaarde. Omdat ter plaatse van het bestaande bedrijf alleen sprake is van sanering zonder extra aantasting van de bodem is voor onderhavig plan alleen onderzoek gedaan naar de twee nieuwe westelijke bouwkavels, zie Bijlage 7 Archeologisch onderzoek.
De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt:
'4.1. Conclusie
Men wenst binnen het plangebied van Maaseikerweg 257 een nieuwe ontwikkeling ten behoeve van woningbouw binnen een landschappelijke en natuurvriendelijke omgeving te realiseren. Ter voorbereiding van de RO-procedure is een bureauonderzoek met verkennend booronderzoek uitgevoerd. Middels het bestuderen van diverse bronnen is op basis van het verkregen landschappelijke, aardkundige, archeologische en historische beeld een gespecificeerde verwachting opgesteld (doel bureaustudie).
Op basis van het bureauonderzoek en de beschikbare archeologische informatie uit de omgeving kan een middelhoge tot hoge archeologische verwachting uitgesproken worden voor archeologische resten uit alle periodes vanaf het neolithicum. Voor de oudste periodes van de prehistorie geldt een lage verwachting. Deze verwachting geldt enkel nog voor het gedeelte van het plangebied dat momenteel in gebruik is als weideland. De noordelijke strook van het plangebied heeft duidelijke diepe bodemroeringen ondergaan waardoor er daar geen archeologische verwachting meer is voor gave (behoudenswaardige) vindplaatsen.
Om na te gaan welk bodemtype er aanwezig is (doel verkennend booronderzoek), zijn binnen zes grondboringen met een edelman 7 cm uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde verkennende booronderzoek kan vastgesteld worden dat de uit het bureauonderzoek verwachte hoge zwarte enkeerdgronden binnen het weideland aangetroffen zijn. Het aanwezige akkerdek heeft een dikte van 80 tot 95 cm (inclusief de in de top ontstane moderne bouwvoor) en bestaat uit enkele lagen. Er kan dus een fasering in aanleg/bodemgebruik herkend worden, maar een datering van de akkerdeklagen is niet mogelijk op basis van de resultaten van het verkennende booronderzoek. Onder het akkerdek is dekzand zonder podzolvorming aangetroffen. Het is niet duidelijk of nooit een podzol aanwezig was dan wel of de ooit aanwezige podzol is opgenomen in het akkerdek en op die manier is ‘verdwenen’.
De aangetroffen bodemopbouw geeft geen aanleiding tot bijstelling van de archeologische verwachting. In dan wel onder het akkerdek kunnen nog resten uit de periode van neolithicum t/m nieuwe tijd verwacht worden.
4.2 Selectieadvies
Op basis van de resultaten van zowel de bureaustudie als het verkennend booronderzoek wordt geadviseerd om de middelhoge tot hoge verwachting voor resten uit de periode neolithicum – nieuwe tijd te handhaven. Dit houdt in dat in principe een archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd moet worden. Echter, het planvoornemen en de constructiewijze zoals door initiatiefnemer beoogd wordt, zijn zeer beperkt ingrijpend in de bodem. Enkel ter plaatse van de sleuffundering en aansluiting van nutsvoorziening worden vorstvrije bodemingrepen voorzien.
Gezien de constructiewijze en de omvang van beide woningen binnen het planvoornemen zal daarmee de vrijstellingsgrens van oppervlakte niet overschreden worden. Daarom wordt geadviseerd om het planvoornemen zoals in dit rapport beschreven, vrij te stellen van de verplichting tot vervolgonderzoek. De uitvoering van archeologische onderzoek zou namelijk in bodemroering vele malen groter zijn dan de ingreep van het planvoornemen en derhalve niet proportioneel zijn.
Veranderen de uitgangspunten van het planvoornemen of de constructiewijze en wordt op dat moment de vrijstellingsgrens wel overschreden, dan wordt op dat moment een vervolgonderzoek middels proefsleuven noodzakelijk geacht. Het onderzoek dient dan een dekkingsgraad van ca. 10 tot 15 % te kennen en dient gericht te zijn op het nader bestuderen van het akkerdek en het archeologisch karteren van het te onderzoeken gebied met duidelijke aandacht voor de Barbarakapel met eventueel bijhorende begraafplaats en de voormalige boerderij. Gezien de beperkte omvang van het plangebied zou dan eventueel overwogen kunnen worden om het proefsleuvenonderzoek te combineren met een opgraving indien sprake is van een aanwezige behoudenswaardige vindplaats.
4.3 Selectiebesluit
Bovenstaand advies is een selectieadvies. Elk archeologisch rapport moet beoordeeld worden door de bevoegde overheid die hierover een selectiebesluit zal nemen en de benodigde vergunning(en) zal afgeven.
De conceptversie van het rapport is medio juli door de gemeente Weert (dhr. B. Sentjens) beoordeeld. De aangeleverde opmerkingen en aanvullingen zijn verwerkt in voorliggend rapport. Aangegeven is dat door de directe nabijheid van de St. Barbarakapel, het aannemelijk is dat er archeologische indicatoren worden verwacht. Doordat onbekend is, waar de Barbarakapel exact heeft gestaan, wenst de dhr. Sentjens eerst een duidelijke tekening van de te bouwen woningen willen zien, alsmede de grondroerende werkzaamheden. Met name om zaken uit te sluiten, zou een proefsleuvenonderzoek een uitkomst kunnen bieden mits dit door het bouwplan noodzakelijk is.
Daarmee lijkt de gemeente aan te sluiten bij het gegeven advies van vrijgave van planvoornemen mits archeologiesparend gebouwd wordt (zie uitgangspunten in paragraaf 1.4). Veranderen de uitgangspunten (door bijvoorbeeld de aanleg van kelders of het toepassen van grondverbetering) dan dient op basis van de op dat moment ingediende bouwtekeningen beoordeeld te worden in welke omvang en waar archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Een proefsleuvenonderzoek is dan de beste optie, al dan met de mogelijkheid om door te starten naar een opgraving (als dat noodzakelijk blijkt).
In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11 en de gemeente Weert.'
Van overig cultureel erfgoed (monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, e.d.) is ter plekke van onderhavig projectgebied geen sprake.
Ter plaatse van het plangebied is momenteel, buiten de aanwezige bedrijfsbebouwing die wordt gesloopt, geen bebouwing aanwezig, ook heeft het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Gelet op het vorenstaande zijn er binnen het plangebied geen cultuurhistorische elementen aanwezig welke een belemmering vormen voor voorliggend voornemen.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'cultureel erfgoed' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met geluid, geur en andere milieuregels voor industrieterreinen en bedrijfslocaties.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin milieucategorieën en richtafstanden uit 2009 komen te vervallen. Hiervoor in de plaats is de nieuwe 'Activiteiten en milieuzonering' gekomen. Deze is echter gericht op bedrijventerreinen, andere werkterreinen (niet zijnde bedrijventerrein) en woongebieden. De in deze nieuwe handreiking beschreven waarden voor geur gelden niet voor agrarische activiteiten, daarvoor bevat het Bkl specifieke instructieregels waar bij het wijzigen van het omgevingsplan aan moet worden voldaan of waarvoor door de gemeenten zelf in een algemene verordening of geurverordening regels zijn vastgelegd. Voor het aspect geur wordt verwezen naar paragraaf 5.4.
De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het Omgevingsplan.
In het voorliggende geval heeft de gemeente Weert een omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerder genoemde milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activiteiten in de omgeving zijn daarop ook veelal gebaseerd. Daar de gemeente Weert nog geen milieuwaarden heeft vastgesteld in haar Omgevingsplan, wordt in de praktijk hoofdzakelijk (nog) uitgegaan van de uitgangspunten uit de vervallen VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur, geluid en trilling. Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.
Voorliggend voornemen ziet op het realiseren van vier woningen en de omvorming van een bestaande bedrijfswoning in een burgerwoning aan de Maaseikerweg.
Woningen zijn geen milieubelastende activiteit en hebben derhalve geen invloed op het woon- en leefklimaat van bestaande woningen. Andersom betreffen de te realiseren woningen daarentegen wel nieuwe milieugevoelige functies ten opzichte van bestaande bedrijvigheid. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de te realiseren woningen gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert.
De omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit woningen. Alleen aan de zuidzijde van het plangebied is nog sprake van een agrarische bedrijfslocatie. Deze locatie is echter niet meer agrarisch in gebruik en het planvoornemen is dat deze agrarische bedrijfswoning wordt omgevormd tot een burgerwoning. In dat geval zijn er aan alle zijden van het plangebied burgerwoningen aanwezig.
Ten opzichte van het plangebied is er geen sprake van bestaande bedrijvigheid in de directe omgeving die van invloed kan zijn op de ontwikkeling. Voorts ziet het voornemen niet op het mogelijk maken van een nieuwe activiteit welke van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat in de (directe) omgeving.
De dichtstbijzijnde milieubelastende activiteit betreft een licht agrarisch bedrijf ten zuidwesten van het plangebied aan de overzijde van de Maaseikerweg (afstand ca. 90 meter). Dit bedrijf betreft een milieucategorie 2 bedrijf.Op basis van de voormalige VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' betreft deze bedrijfsvoering een milieucategorie 2 activiteit waarvoor een richtafstand gold van 30 meter. Aan deze richtafstand voldoet voorliggend voornemen ruim.
Het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van de milieubelastende activiteiten waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voorts belemmeren de 4 nieuwe wooneenheden de mogelijke bedrijven en inrichtingen in de omgeving niet.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'activiteiten en milieuzonering' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet.
Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.
De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
De beoogde ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en staat genoemd onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In deze bijlage zijn voor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over wijziging van het omgevingsplan in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
In de navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het plan, welke uitgebreid zijn verwerkt in de m.e.r.-beoordeling beknopt weergegeven. Daarnaast zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor de voor dit plan relevante milieuaspecten, de resultaten hiervan zijn verwerkt in Hoofdstuk 5 van deze motivering.
| Kenmerken van het plan | |
| Criteria | Toets |
| Omvang van het project | De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het voornemen betreft de ontwikkeling van 4 nieuwe woningen ter plaatse van het aanwezige vijvercentrum aan de rand van de kern van Tungelroy. Tevens wordt de bedrijfswoning omgevormd tot een burgerwoning. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 2,5 hectare. |
| Cumulatie met andere projecten | Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, die aanleiding geven tot cumulatie van milieueffecten met andere projecten. Daarmee is er voor wat betreft cumulatie met andere projecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Gebruik van natuurlijke hulpbronnen | Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Daarmee is er voor wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Productie van afvalstoffen | Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen. |
| Verontreiniging en hinder | De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt buiten de reguliere hinder gedurende de realisatiefase, die gebruikelijk is bij een dergelijke ontwikkeling, geen onevenredige hinder die leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Eén en ander blijkt ook uit Hoofdstuk 4 waaruit valt af te leiden dat voor wat betreft de diverse (milieu)aspecten geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling. |
| Risico voor ongevallen | De ontwikkeling brengt geen significante risico's voor ongevallen met zich mee. Verkeersbewegingen van, naar en binnen het plangebied kunnen op een veilige manier plaatsvinden. Er worden daarnaast binnen het plangebied geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Daarmee is voor wat betreft risico's voor ongevallen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Plaats van het project | |
| Criteria | Toets |
| Bestaand grondgebruik | Het plangebied is momenteel in gebruik als agrarische grond waarop gras aanwezig is. |
| Rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied | Niet van toepassing. Er zijn geen bijzondere aardkundige waarden of andere natuurlijke hulpbronnen aanwezig. |
| Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met aandacht voor: - wetlands, oeverformatie en riviermondingen; - kustgebieden en het mariene milieu; - berg- en bosgebieden; - reservaten en natuurparken; - gebieden die in de Nederlandse wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; - speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); - gebieden waar de Europese milieukwaliteitsnormen al niet worden gehaald; - gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; - landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. |
Wetlands, oeverformatie en riviermondingen; niet van toepassing. Kustgebieden en het mariene milieu; niet van toepassing. Berg- en bosgebieden: niet van toepassing. Reservaten en natuurparken: niet van toepassing. Gebieden die in de Nederlandse wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; niet van toepassing, zie ook paragraaf 5.8.2 Gebiedsbescherming. Speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); niet van toepassing, zie ook paragraaf 5.8.2 Gebiedsbescherming. Gebieden waar de Europese milieukwaliteitsnormen al niet worden gehaald; niet van toepassing. Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; niet van toepassing. Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang; niet van toepassing, zie ook paragraaf 5.10 Cultureel erfgoed. |
| Kenmerken van het potentiële effect | |
| Kenmerken | Toetsing |
| Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) | Niet van toepassing. |
| Grensoverschrijdend karakter | Niet van toepassing. |
| Orde van grootte en complexiteit effect | Niet van toepassing. |
| Waarschijnlijkheid effect | Niet van toepassing. |
| Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect | Niet van toepassing. |
De uitgevoerde m.e.r.-beoordeling concludeert dat, als gevolg van onderhavig voornemen, geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het volgen van een m.e.r.-beoordelingsprocedure en het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) is derhalve niet noodzakelijk.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'm.e.r.-beoordeling' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Duurzaamheid
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.
Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
Klimaat
Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.
De woningen in het plangebied worden duurzaam en energiezuinig gebouwd, met aandacht voor onder andere klimaatadaptief bouwen. Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding wordt opgevangen en afgevoerd naar een in het plangebied aan te leggen hemelwatervoorziening (wadi’s). Alle woningen worden gasloos uitgevoerd.
Bij de bouw is het belangrijk om, in het kader van duurzaam bouwen, zorgvuldig om te gaan met materiaalgebruik. Biobased bouwen en het toepassen van circulaire isolatiematerialen, zoals houtvezel en hennep, kunnen hierbij waardevolle opties zijn. Dergelijke natuurlijke materialen ademen beter en reguleren vocht op een natuurlijke manier. Dit zorgt voor een gezonder en comfortabeler binnenklimaat, met minder kans op schimmel en een betere luchtvochtigheid. Bovendien nemen deze materialen tijdens de groei CO2 op, die bij toepassing in bouwmaterialen langdurig wordt opgeslagen in het gebouw.
Daarnaast kan op het gebied van duurzaamheid aandacht worden besteed aan de vormgeving van de bebouwing, het gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik, flexibel (levensloopbestendig) bouwen. Ook kan onnodig afval worden voorkomen door tijdens de bouw zorgvuldig en zuinig om te gaan met bouwmaterialen.
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat bij voorliggend plan rekening wordt gehouden met het aspect 'duurzaamheid en klimaat' en dat dit aspect geen belemmeringen impliceert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.
Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.
Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.
In het kader van onderhavig planvoornemen is door initiatiefnemer met alle omliggende eigenaren een overleg gevoerd en is het planvoornemen mondeling toegelicht met behulp van kaartmateriaal. De resultaten hiervan zijn met de gemeente Weert gedeeld.
Uit de gevoerde omgevingsdialoog kan geconcludeerd worden dat er draagvlak is voor het planvoornemen.
Naast de omgevingsdialoog met omwonenden van het plangebied, heeft de initiatiefnemer overleg gevoerd met dorpsraad. Ook uit het overleg met de dorpsraad kan worden geconcludeerd dat er draagvlak is voor onderhavig voornemen.
Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.
In het kader van de beoogde wijziging van het Omgevingsplan, heeft de gemeente Weert het planvoornemen voorgelegd aan de Provincie Limburg.
De Provincie Limburg geeft aan dat de beoordeling van het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op dezelfde wijze wordt voorgezet, ziet de Provincie Limburg geen aanleiding om in de verder procedure van het plan een zienswijze in te dienen.
Onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
Anterieure overeenkomst
Als sprake van een ontwikkeling die op private gronden is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.
Publiekrechtelijk kostenverhaal
Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het Omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.
Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal:
Met betrekking tot voorliggend voornemen is er geen sprake van een publiekrechtelijk kostenverhaal. Tussen de gemeente Weert en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin het kostenverhaal is verzekerd. Financiële consequenties zullen uitsluitend door de initiatiefnemers worden gedragen. Daar de kosten voor de planontwikkeling geheel voor rekening zijn van de initiatiefnemer, heeft onderhavig plan géén gevolgen voor de gemeentelijke begroting en/of gemeentelijke financiën.
Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving.
In het kader van deze wijziging van het omgevingsplan zijn aanvullende financiële bijdragen aan de orde. Deze aanvullende financiële bijdragen worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst.
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.
Met betrekking tot onderhavig planvoornemen zal in het kader van nadeelcompensatie een nadeelcompensatieovereenkomst worden afgesloten tussen gemeente Weert en de initiatiefnemer.
Een TAM-omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat gemeente het omgevingsplan volledig in STOP (Standaard voor officiële publicaties) kan opstellen. Het TAM-omgevingsplan wordt later ondergebracht in STOP. Het TAM-omgevingsplan is een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie.
Een TAM-omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TP) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-omgevingsplan begint met ‘TAM-omgevingsplan’ gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam.
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moet worden.
Ter plaatse van het plangebied is het omgevingsplan gemeente Weert van toepassing. Dit omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Weert van rechtswege omgezet naar één omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Weert. In het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy' leidend. Voor het opstellen van onderhavig TAM-omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy'.
Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat.
De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen met daaraan voorafgaand een preambule, Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten, Verbroken kruisverwijzing naar 'Beschermen van Waarden', Hoofdstuk 3 Algemene regels en Hoofdstuk 4 Overgangsregels. Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.
Preambule
In de preambule is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het omgevingsplan gemeente Weert en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Inleidende regels (hoofdstuk 1)
De algemene bepalingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-omgevingsplan. Hoofdstuk 1 bevat onder meer het toepassingsbereik, de toepassing van de begripsbepaling, aanvullende begripsbepalingen, de toepassing van de meet- en rekenbepalingen, aanvullende meet- en rekenbepalingen, de aanvraagvereisten en de zorgplicht.
Functies en activiteiten (hoofdstuk 2)
In Hoofdstuk 2 van het TAM-omgevingsplan is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. De in de regels opgenomen functies en activiteiten zijn in paragraaf 7.1.3 nader toegelicht.
Beschermen van Waarden (hoofdstuk 3)
In Verbroken kruisverwijzing naar 'Beschermen van Waarden' van het TAM-Omgevingsplan zijn functies opgenomen ter bescherming van archeologische waarden en landschappelijke waarden in het gebied.
Algemene regels (hoofdstuk 4)
Hoofdstuk 3 van het TAM-omgevingsplan bevat de algemene regels die van toepassing zijn op het plangebied zoals de anti-dubbeltelregel, algemene aanduidingsregels, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, overige regels zoals de werking van wettelijke regelingen.
Overgangsregels (hoofdstuk 5)
In Hoofdstuk 4 van het TAM-omgevingsplan zijn overgangsbepalingen opgenomen voor bouwwerken respectievelijk gebruik.
Onderstaand worden de voor het plangebied opgenomen functies, zoals deze zijn opgenomen in Hoofdstuk 2 van voorliggen TAM-omgevingsplan, kort toegelicht.
Agrarisch
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor agrarisch grondgebruik. Binnen deze functie is het gebruik van verspuitbare gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen, ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' verboden. Dit vanwege het garanderen van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.
Wonen
Voor een deel van het plangebied is de functie 'Wonen' opgenomen. Binnen de functie 'Wonen' zijn 4 extra vrijstaande woningen toegestaan
Binnen de functie 'Wonen' zijn, naast woningen binnen het bouwvlak, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen, paden en verharding, in- en uitritten, tuinen en erven toegestaan conform de planregels. Daarnaast zijn binnen de functie 'Wonen' bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.
In voorbereiding op dit TAM-omgevingsplan hebben burgemeester en wethouders gelet op artikel 16.29 van de Omgevingswet en artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit op 16 juli 2025 bekend gemaakt dat een wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid voor de onderhavige locatie.