direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan - Rucphen - Rucphense Vaartkant 11-13
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De gemeente Rucphen heeft het voornemen om aan de Rucphense Vaartkant 11-13 in Rucphen een appartementengebouw te realiseren. Dit gebouw zal bestaan uit maximaal vier lagen met in totaal 11 appartementen.

De ontwikkeling is onderdeel van de afronding van het centrumgebied van de kern Rucphen. De laatste jaren zijn in het centrum namelijk de Multifunctionele Accommodatie (MFA) en twee appartementengebouwen gerealiseerd en het stadspark heringericht.

De ontwikkeling is op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen, het bestemmingsplan 'Herontwikkeling centrum Rucphen', niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is dan ook een wijziging van het omgevingsplan nodig. Bij een wijziging van het omgevingsplan dient te worden gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locaties. Met voorliggende motivering en bijbehorende bijlagen wordt hierin voorzien.

1.2 Projectgebied

Het projectgebied bevindt zich in het centrum van de kern Rucphen. De locatie ligt aan de Rucphense Vaartkant. Het projectgebied is kadastraal bekend als RPN00-C-4110, RPN00-C-4465, RPN00-C-4111 en RPN00-C-4484. De oppervlakte van het projectgebied bedraagt circa 1.100 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging projectgebied in Rucphen (Bron: Rho Basisviewer)

1.3 Omgevingsplan en TAM-plan

Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet zijn alle op 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege één omgevingsplan geworden. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan bestemmingsplannen niet meer.

Het omgevingsplan is in te zien via Regels op de kaart in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl). Hier vindt je de van rechtswege in het omgevingsplan opgegane bestemmingsplannen en de vanuit de wet gekregen 'bruidsschat'. Dat zijn de bouw- en milieuregels die voorheen landelijk golden, maar die het Rijk voortaan over laat aan de gemeente.

De volgende bestemmingsplannen uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen zijn op het projectgebied van toepassing:

  • Herontwikkeling centrum Rucphen (vastgesteld 15 juni 2016);
  • Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen (vastgesteld 13 december 2017).
  • Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie (ontwerp 28 november 2023, op korte termijn wordt dit bestemmingsplan vastgesteld).

Voor de gronden binnen het projectgebied gelden (conform het bestemmingsplan 'Herontwikkeling centrum Rucphen') diverse bestemmingen, namelijk 'Centrum', 'Tuin', 'Groen' en 'Wonen'. Ter plaatse van de bestemming 'Wonen' zijn twee bouwvlakken aanwezig. Beide bouwvlakken hebben als maatvoering 'maximum aantal wooneenheden: 1' en 'maximum goothoogte: 5,5 m'. Het oostelijke bouwvlak heeft de figuur 'gevellijn'. Daarnaast geldt voor het hele gebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'.

De beoogde ontwikkeling is in strijd met de geldende gebruiks- en bouwregels van de diverse bestemmingen. Daarom wordt de ontwikkeling mogelijk gemaakt door het wijzigen van het omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0002.png"

Figuur 1.2 Het tijdelijk deel van het omgevingsplan 'Herontwikkeling centrum Rucphen', het projectgebied is daarbij rood omkaderd (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, bewerking Rho adviseurs)

TAM-omgevingsplan

De ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen, het bestemmingsplan ''Herontwikkeling centrum Rucphen'. Om de gewenste ontwikkeling te realiseren moet het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Herontwikkeling centrum Rucphen' worden aangepast. Dat betekent dat het gemeentelijk omgevingsplan moet worden gewijzigd om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van TAM-IMRO.

Vanwege de onzekerheden rondom het DSO is tot en met 2025 de mogelijkheid gecreëerd om via de oude Wro-standaarden het omgevingsplan te publiceren, TAM-IMRO ('Tijdelijke Alternatieve Maatregelen – Informatiemodel Ruimtelijke Ordening') genaamd. De wijziging van het omgevingsplan kan worden gemaakt in de software voor bestemmingsplannen en wordt gepubliceerd via de IMRO standaarden. Inhoudelijk moet dit plan voldoen aan de Omgevingswet.

Voor de opbouw van de regels wordt aangesloten bij de geldende bestemmingsplannen in de gemeente Rucphen (de bestemmingsplanvariant van de TAM-IMRO), maar er worden regels toegevoegd zodat duidelijk is dat het plan onderdeel is van het gemeentebrede omgevingsplan en het toepassingsbereik wordt weergegeven. Er wordt niet meer gesproken van bestemmingen, maar van functies en activiteiten. Dit is ook terug te zien op de verbeelding. Ook zullen er voorrangsbepalingen en verwijzingen worden opgenomen om de relatie met de andere regels uit het omgevingsplan (Hoofdstuk 22 De bruidsschat) te duiden. In de motivering wordt onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het TAM-omgevingsplan wordt gepubliceerd via ruimtelijkeplannen.nl en wordt via de overbruggingsfunctie getoond in het Omgevingsloket (DSO).

Het TAM-omgevingsplan moet voor 2032 worden omgezet naar het gemeentebrede omgevingsplan in de software van de gemeente en het moet dan voldoen aan de standaarden voor het omgevingsplan (STOP/TPOD) door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Voor deze wijziging wordt een nieuw besluit genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen. De wijze waarop en de voorwaarden waaronder dit mogelijk is worden momenteel uitgewerkt.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie, de gewenste ontwikkeling en de vertaling van het plan naar de juridische regels. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten getoetst aan het, voor het project relevant beleid op de verschillende niveaus. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten en in hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de participatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid van het project beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een toelichting gegeven dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het projectgebied ligt in het centrum van de kern Rucphen aan de Rucphense Vaartkant en is gelegen aan een park waaraan onder andere ook de Heilige Martinus kerk en de pastorie zijn gesitueerd. Centraal in het park staat een rode beuk. Aan de oostzijde zijn parkeerplaatsen aanwezig. Verder naar het oosten staat een apartementengebouw. Aan de zuidzijde staan woningen en winkels. Het projectgebied zelf bestaat uit een grasland waar tot voor kort twee vrijstaande woningen aanwezig waren (zie figuur 2.2 en 2.3). Een woning is in 2019 gesloopt en de andere woning in 2023.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0003.png"

Figuur 2.1 Begrenzing projectgebied, rood omkaderd (Bron: Rho Basisviewer)

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0004.png"

Figuur 2.2 Het projectgebied gezien vanaf de Rucphense Vaartkant (Bron: Google Maps, d.d. augustus 2024)

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0005.png"

Figuur 2.3 Oude situatie van het projectgebied gezien vanaf de Rucphense Vaartkant (Bron: Google Maps, d.d. april 2019)

2.2 Beoogde situatie

Ter plaatse van het braakliggende perceel aan de Rucphense Vaartkant wordt een appartementengebouw gebouwd. Dit gebouw telt maximaal 11 appartementen, verdeeld over maximaal vier bouwlagen. Alle appartementen zijn koopappartementen, onderverdeeld naar 7 betaalbare woningen (vanaf € 285.000 tot € 405.000,-, prijspeil 2025) en 4 dure woningen (vanaf € 405.000,-, prijspeil 2025). Ten westen van het appartementengebouw wordt een openbare parkeergelegenheid gerealiseerd.

Voor de bouw en ontwerp van het appartementengebouw zijn de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden bepaald:

  • Het appartementengebouw in het park

Door het groen in de vormentaal rondom het appartementengebouw te laten lopen, staat het gebouw in het park in plaats van naast het park. Het groen van het park (openbare ruimte) loopt dan ook door tot aan de gevel van het gebouw. Anders ontstaat de situatie zoals bij het naastgelegen appartementengebouw 'De Vaart' waarbij het gebouw op afstand komt te staan door de aanwezige tuin. Daarnaast zorgt een groene inrichting rondom het gebouw voor een meer groen gevoel van het middengebied in het centrumplan.

  • Verdraaiing van het gebouw

Door de ligging van het gebouw in zijn stedenbouwkundige context geeft dit een plezierig contrast met de andere appartementengebouwen. Het oogt vriendelijker en is daardoor nadrukkelijker aanwezig aan de Rucphense Vaartkant.

  • Een duidelijke entree

De positionering van het gebouw zorgt ervoor dat de rode beuk in het park duidelijk zichtbaar is vanaf de Rucphense Vaartkant. Hierdoor krijgt het park een 'adres' aan deze straat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0006.png"

Figuur 2.4 Randvoorwaarden appartementengebouw (Bron: gemeente Rucphen)

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0007.png"

Figuur 2.5 Aanzichten indicatie beoogde situatie (Bron: gemeente Rucphen)

2.3 Juridische regeling

2.3.1 Planvorm

Dit TAM-omgevingsplan bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de ontwikkeling van de Rucphense Vaartkant 11 - 13. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Rucphen. Het TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om woningbouw te realiseren. De planopzet kent een beperkt aantal functies. Aan de verschillende regelingen zijn locaties gekoppeld die terug te zien zijn op de kaart.

De planregels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), regels voor functies en activiteiten (hoofdstuk 2) en algemene regels (hoofdstuk 3).

2.3.2 Toelichting op de regels
2.3.2.1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

Sub a

Hierin is bepaald op welke locatie dit hoofdstuk van toepassing is en koppelt de kaart aan het TAM-omgevingsplan.

Sub b

Hierin is bepaald dat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de regels uit de bestemmingsplannen) niet van toepassing zijn op de locatie zoals bedoeld in lid 1. Het TAM-omgevingsplan kan er niet voor zorgen dat de onderliggende regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan vervallen. Daarom worden deze regels niet van toepassing verklaard.

Sub c

Hierin is bepaald dat een groot deel van de regels uit de bruidsschat niet van toepassing is als de regels in strijd zijn met de regels uit dit hoofdstuk. Hiervan zijn de regels over vergunningvrij bouwen uit de bruidsschat uitgezonderd.

Artikel 2 Begripsbepalingen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het TAM-omgevingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Er is ook aangegeven dat de begrippen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving overeenkomstige van toepassing zijn op dit omgevingsplan, tenzij daarvan is afgeweken.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op de 'meetbepaling' in 22.24 van het omgevingsplan wordt in dit artikel aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten gemeten moeten worden.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

Door dit artikel worden de aanvraagvereisten uit de bruidsschat (paragraaf 22.5.2) ook van toepassing verklaard op een omgevingsvergunning op grond van dit hoofdstuk.

2.3.2.2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

In dit artikel is vastgelegd dat verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies zoals vastgelegd in dit hoofdstuk.

Artikel 6 Verkeer

De functie 'Verkeer' is opgenomen voor straten, voet- en fietspaden, woonerven, rabatten, parkeerterreinen, speelvoorzieningen, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, taluds, oevers, bruggen en nutsvoorzieningen en andere tot de functie behorende voorzieningen.

Artikel 7 Wonen

De functie 'Wonen' is opgenomen ten behoeve van de bouw van het appartementengebouw in het projectgebied. Hiervoor is de bouwaanduiding 'gestapeld' opgenomen en aangegeven dat er maximaal 11 wooneenheden gerealiseerd kunnen worden. Wonen, met per woning de huisvesting van één huishouden, wegen, paden, pleinen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en andere tot de functie behorende voorzieningen zijn toegestaan.

Er zijn beoordelingsregels opgenomen voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 2

De met de functie 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn opgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van de archeologisch waarden van de gronden door in bepaalde gevallen te verplichten tot het doen van archeologisch onderzoek.

2.3.2.3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

In dit artikel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

Artikel 10 Aanvullende beoordelingsregels bouwen

Dit artikel maakt het mogelijk dat kan worden afgeweken van de beoordelingsregels voor bouwen in hoofdstuk 2 met betrekking tot de voorgeschreven maatvoering met maximaal 10% en geringe afwijkingen tot maximaal 2,5 meter.

Dit artikel ziet er ook op dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een gebouw.

2.3.2.4 Overgangsregels

Artikel 11 Overgangsrecht

Dit artikel bevat standaard overgangsrecht voor bouwen en gebruik.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

Op diverse bestuurlijke niveaus zijn beleidsuitspraken geformuleerd die relevant zijn voor de ontwikkeling. In dit hoofdstuk zijn deze kort beschreven en getoetst.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.

In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten;
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

De voor deze plannen relevante nationale belangen zijn:

  • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
  • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
  • Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.

Keuzes

De belangrijkste keuzes zijn:

  • Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit.
  • Ruimte voor overgang naar een circulaire economie.
  • Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden.
  • Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.

Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de fysieke leefomgeving. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.

Toetsing en conclusie

Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van 11 appartementen wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het projectgebied en de beoogde ontwikkeling.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving'

In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie
  • Werken aan een klimaatproof Brabant
  • Werken aan de slimme netwerkstad
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie

Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.

Bij het zoeken naar oplossingen voor maatschappelijke opgaven vindt de provincie Noord-Brabant het belangrijk om vanuit meerdere richtingen naar een ontwikkeling te kijken:

  • Een ‘diepe’ manier van kijken: de provincie kijkt niet alleen naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar betrekt hierin de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven. Daarbij kijkt ze op verschillende schaalniveaus naar gelang een vraagstuk daarom vraagt en benut ze de factor tijd actief. Hierbij kijkt de provincie ook naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek.
  • Een ‘ronde’ manier van kijken: de provincie kijkt niet sectoraal maar combineert opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Vanuit een gebiedsgerichte insteek. Een nieuwe ronde manier van kijken naar een balans tussen people, planet en profit,
  • Een ‘brede’ manier van kijken: de provincie kijkt niet vanuit één gezichtspunt maar betrekt daar veel partijen bij, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen.

Toetsing

Met de Omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het plan voorziet in een duidelijke kwalitatieve verbetering van de leefomgeving en past daarmee binnen de Omgevingsvisie.

De intensiteit van ‘diep, rond en breed kijken’ verschilt per geval. Het is een hulpmiddel om aan de voorkant alle belangen te betrekken om uiteindelijk meer snelheid en kwaliteit te leveren. In dit plan is rekening gehouden met de omgeving en ingezet op een kleinschalige woningbouwontwikkeling, gelegen in het bestaand stedelijk gebied van Rucphen. De ontwikkeling is onderdeel van de afronding van het centrumgebied van de kern Rucphen.

De basisopgave van de provinciale omgevingsverordening is "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden accenten gelegd:

  • 1. werken aan de Brabantse energietransitie: De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen worden gebouwd conform de wettelijke duurzaamheidseisen, waaronder aardgasvrij.
  • 2. werken aan een klimaatproof Brabant: Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. In paragraaf 4.5 wordt hierop ingegaan.
  • 3. werken aan een slimme netwerkstad: een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Het planvoornemen bevindt zich in bestaand stedelijk gebied en betreft een inbreidingslocatie. In paragraaf 4.3 is gemotiveerd waarom dit kan worden gezien als duurzame verstedelijking.
  • 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie: Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De beschikbaarheid van goede woningen in een prettige leefomgeving draagt bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Het planvoornemen draagt hier aan bij door te voorzien in de bouw van een appartementengebouw met 11 appartementen.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant.

3.3.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Naast één omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen, zoals de provinciale milieuverordening, de verordening natuurbescherming en de verordening ruimte. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving.

Voor de provinciale inzet is het werken vanuit het samenspel met diep, rond en breed kijken het vertrekpunt. Dit vraagt om een provincie die gemakkelijk van rol kan wisselen en die gericht is op het verbinden van belangen: private belangen, gebiedsbelangen en het publieke belang. Daarbij hanteert de provincie vijf kernwaarden voor haar denken en handelen. De provincie zet in op:

  • 1. meerwaardecreatie
  • 2. technische en sociale innovatie
  • 3. kwaliteit boven kwantiteit
  • 4. een continue verbetering van de leefomgeving
  • 5. proactief en preventief handelen boven gevolgbeperking en herstel

De provincie hanteert bij nieuwe plannen een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7) Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

  • 1. zorgvuldig ruimtegebruik;
  • 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;
  • 3. meerwaardecreatie.

Toetsing

Voor de locatie zijn naast de algemene 'rechtstreeks werkende regels voor activiteiten', ook regels voor gebiedsaanduidingen van toepassing.

De locatie bevindt zich conform de omgevingsverordening in het stedelijk gebied. Dit zijn gebieden waar kan worden voorzien in nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling. In artikel 5.55 'Duurzame stedelijke ontwikkeling' worden aspecten benoemd waar specifiek rekening mee dient te worden gehouden, zoals het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0008.png"

Figuur 3.1 Uitsnede basiskaart Stedelijk gebied, Landelijk gebied, Natuur Netwerk Brabant, blauw omkaderd het projectgebied (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl, bewerking Rho adviseurs)

Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1 Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen , wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:

  • a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken; en
  • b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

Lid 2 Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als:

  • a. een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met aandacht voor een natuurinclusieve inrichting en een veilige en gezonde leefomgeving;
  • b. toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
  • c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
  • d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang of infiltratie van water;
  • e. de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; en
  • f. wordt bijgedragen aan een circulaire economie door invulling te geven aan de toepassing van industrieel, demontabel bouwen en het gebruik van duurzame biobased materialen.

Lid 3 n.v.t.

Toetsing

De ontwikkeling ligt binnen Stedelijk gebied. De ontwikkeling is regionaal afgestemd en draagt bij aan het voorzien in de grote behoefte aan nieuwe harde plannen voor woningbouw in de regio. In het ontwerp wordt rekening gehouden met een duurzame inpassing, waarin een groene woonomgeving centraal staat. Delen van de randen van het projectgebied worden ingericht als groen. Deze randen dragen bij aan het tegengaan van hittestress en het voldoende kunnen opvangen van water. Deze groene woonomgeving draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Het betreft een duurzame stedelijke ontwikkeling.

Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1 Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

Lid 2 Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8;
  • b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en
  • c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10.

Toetsing

De toetsing aan de onderdelen zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie vindt plaats in de navolgende artikelen.

Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
  • b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling;
  • c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en
  • e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.

Lid 2 Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden.

Toetsing

De ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand ruimtebeslag. In paragraaf 4.3 is de ontwikkeling getoetst aan de ladder. Hieruit blijkt dat de woningbouwopgave kan worden opgelost binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Rucphen.

Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

Lid 1 Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:

  • a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en
  • b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.

Lid 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:

  • a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
  • c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

Lid 3 Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

Toetsing

In het stedenbouwkundig plan van de ontwikkeling is de lagenbenadering toegepast. Er is rekening gehouden met de beperkingen en kansen vanuit de ondergrond, enkele zeer relevante netwerklagen en de landschappelijke waarden. Het projectgebied wordt omgeven door bestaand stedelijk gebied waarbij aangesloten wordt bij het groen in de stedelijke omgeving.

De ontwikkeling wordt gekenmerkt door een groene woonkwaliteit met zo min mogelijk verharding.

Artikel 5.10 Meerwaardecreatie

Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Toetsing

De locatie wordt getransformeerd naar een aantrekkelijk woongebied. De kern heeft van nature al een aantrekkelijkheid die verder zal worden versterkt. Met een integraal ontwerp is sprake van een fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Woondeal West-Brabant West

De provincie Noord-Brabant en het Rijk hebben op 30 juni 2022 een handtekening gezet onder een totaal van 130.600 woningen in de periode t/m 2030. Hiervan dienen 8.630 (netto) woningen te worden gerealiseerd in de Stedelijke Regio West-Brabant West. Deze opgave is gebaseerd op de taakstelling van het Rijk waarbij een uitsplitsing is gemaakt op basis van de (provinciale) bevolkingsprognose.

De Provincie Noord-Brabant bestaat uit 4 woonregio's met elk een woondeal. In de woondeal West-Brabant-West wordt een minimum woningbouwopgave gepresenteerd. De regio WestBrabant-West zet zich, in samenwerking met woningcorporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van de woningbouwopgave. Uitgangspunt is om per project 2/3 betaalbare woningen (maximum huur €1.000 per maand en maximum koopprijs €355.000) te realiseren waarvan 30% sociale huurwoningen. In 2025 is de Woondeal West-Brabant West geactualiseerd waarbij er nog eens 1800 extra woningen bovenop de eerdere prognose benodigd zijn.

Toetsing en conclusie

In de Woondeal West-Brabant West is aangegeven dat toetsing aan de Woondeal niet noodzakelijk is bij woningbouwprojecten onder de 20 woningen. De betaalbaarheidsverdeling zoals opgenomen in de Woondeal is hiermee niet van toepassing. Met het toevoegen van 11 appartementen voorziet het plan in een concrete behoefte, waarvan 7 van de 11 woningen in het betaalbare segment worden gerealiseerd. Verder betreft de locatie een inbreidingslocatie waarmee gehoor wordt gegeven aan de prioritering van de provincie Noord-Brabant.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Omgevingsvisie Rucphen

In de omgevingsvisie maakt de gemeente Rucphen keuzes voor de lange termijn. Het gaat om een periode van ongeveer 30 jaar. Er wordt regelmatig vooruit geblikt naar het jaar 2040. Voor deze periode gaat de gemeente

in op drie vragen:

  • Hoe staat Rucphen ervoor en welke ontwikkelingen komen er op de gemeente Rucphen af?
  • Welke ambities heeft de gemeente voor het Rucphen van de toekomst?
  • Welke doelen stelt de gemeente om deze ambities waar te maken en welke prioriteiten gaat de gemeente hierbij geven?

De gemeente Rucphen heeft doelen gesteld om de ambities waar te maken. Om deze doelen te halen heeft de gemeente prioriteiten gesteld. De gemeente Rucphen heeft de volgende ambities met bijbehorende doelen:

Prettig samenleven

  • Woningvoorraad die aansluit op de (veranderende) woningbehoefte
  • Versterken van een aantrekkelijke woonomgeving voor jong en oud
  • Versterking van karakteristieke dorpen, het groene buitengebied, het diverse landschap en de cultuurhistorische waarden
  • Behoud van de hechte gemeenschappen in de dorpen staat voorop

Duurzaam samenleven

  • Aanpassen van de omgeving aan de veranderende weersomstandigheden
  • Vervangen van fossiele brandstoffen door alternatieve energiebronnen
  • Verminderen van de afvalproductie en verbetering van afvalscheiding
  • Een gezonde en veilige leefomgeving stimuleren

Ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding

  • Het ontwikkelen van een gunstig ondernemersklimaat door ondernemers te faciliteren
  • Een omgeving die mensen uitnodigt om naar buiten te gaan en te bewegen
  • Door samenwerking worden de recreatieve mogelijkheden beter benut en uitgedragen

Prettig samenleven

  • Versterken van een aantrekkelijke woonomgeving
  • Een aantrekkelijke gemeente voor jonge mensen zijn
  • De groeiende groep oudere mensen voelt zich thuis in de gemeente
  • Woningvoorraad flexibeler maken om sneller te reageren op een veranderende woningbehoefte

Rucphen

In de Omgevingsvisie zijn de ambities per kern uitgeschreven. De kern Rucphen is een dorp waar jong en oud in harmonie samenleeft. Mensen kennen elkaar vaak goed in Rucphen. In de kern Rucphen dienen kansen gepakt te worden voor herstructurering en het doorvoeren van aanpassingen. Hierdoor krijgen de oude wijken een nieuw leven met bijvoorbeeld duurzame appartementen, een goede mix van koop- en huurwoningen en meer groen. Voorwaarde is dat bij het toevoegen van woningen het karakter van de kern Rucphen behouden blijft. Van belang is een thuis bieden aan een aan diverse groepen huishoudens, van starters tot senioren.

Toetsing en conclusie

De nieuw te realiseren appartementen sluiten aan bij een groot aantal doelen van de gemeente en de kern Rucphen. Wat betreft duurzaamheid is een watertoets uitgevoerd (zie paragraaf 4.5) om te bepalen of waterretentie benodigd is. Dit met betrekking tot de veranderende weersomstandigheden. Verder worden op de planlocatie maatregelen getroffen om duurzaam te bouwen. De woningen worden gasloos gebouwd.

Wat betreft prettig samenleven zorgt de bouw van de appartementen voor een uitbreiding en differentiatie van de woningvoorraad. Het project geeft dan ook kansen om mensen door te laten stromen naar een ander soort woning. Het appartementencomplex wordt gerealiseerd in het centrum van de kern Rucphen en sluit aan bij het parkgebied. Dit initiatief draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de woonkern Rucphen.

3.5.2 Volkshuisvestingsprogramma gemeente Rucphen 'Thuis in gemeente Rucphen'

Op 24 september 2025 is het volkshuisvestingsprogramma gemeente Rucphen 'Thuis in gemeente Rucphen' vastgesteld. De gemeente Rucphen wil met dit volkshuisvestingsprogramma gaan sturen op wat er gebouwd wordt en waar, zodat het beter past bij de inwoners. Tot 2040 wil de gemeente Rucphen minimaal 700 nieuwe woningen bouwen. Een flinke slag dus, waarmee ingespeeld wordt op de groei van de bevolking. Belangrijk daarbij is dat 70% van die woningen betaalbaar moet zijn voor lagere en middeninkomens. Daarnaast wil de gemeente Rucphen dat 50% van die woningen geschikt zijn voor senioren, denk aan gelijkvloerse, levensloopbestendige woningen en appartementen waarin mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen (zogenaamde nultredenwoningen). In het volkshuisvestingsprogramma wordt ook nog per kern ingegaan waar behoefte aan is en wat de woonwensen zijn.

Toetsing en conclusie

Het initiatief sluit aan bij de ambities uit het volkshuisvestingsprogrammma. De te realiseren woningen (nultredenwoningen, duur en grotendeels valt binnen de categorie betaalbaar) zijn namelijk bedoeld voor starters en senioren en zorgt voor kwalitatieve een toevoeging aan de bestaande woningvoorraad.

Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving

4.1 Algemeen

4.1.1 Beoordelingskader

Voor het beoordelen van de aanvraag voor een wijziging van het omgevingsplan gelden instructieregels en beoordelingsregels. Een besluit tot wijzigen van met omgevingsplan kan niet worden genomen als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructieregel tenzij ontheffing is verkregen van de instructieregel. Voor zover de instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving, wordt in voorliggend hoofdstuk aan deze instructieregels getoetst. Daarnaast zijn er thema's die met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL) relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Ook die thema's met de gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in voorliggend hoofdstuk afgewogen.

4.1.2 Afweging instructieregels Bkl

Hierna wordt de toetsing van het project aan de instructieregels beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan.

Tabel 4.1. Instructieregels Bkl

Thema   Afdelingen en paragrafen Bkl   Relevant voor de ontwikkeling  
Omgevingsveiligheid   § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid   Ja, zie paragraaf 4.7.  
Water   § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen   Ja, zie paragraaf 4.5.  
Luchtkwaliteit   § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht   Ja, zie paragraaf 4.11.  
Geluid door activiteiten   § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten   Ja, zie paragraaf 4.13.  
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen   § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen   Wel voor wegen, maar niet voor spoorwegen en industrieterreinen, zie paragraaf 4.14.  
Geluid rond luchthavens   § 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens   Nee, gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde luchthaven zijn er geen negatieve gevolgen te verwachten met betrekking tot geluid, zie paragraaf 4.17.
 
Trillingen   § 5.1.4.4. Trillingen   Nee, zie paragraaf 4.15.  
Slagschaduw van windturbines   § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines   Nee, in de omgeving van de projectlocatie komen geen windturbines voor.  
Bodemkwaliteit   § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit   Ja, zie paragraaf 4.12.  
Geur   § 5.1.4.6. Geur   Ja, zie paragraaf 4.16.  
Cultureel erfgoed (aardkunde, archeologie en cultuurhistorie)   § 5.1.5. 5Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed   Ja, zie paragraaf 4.8.  
Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied   § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed   Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij de genoemde gebieden.  
Ladder voor duurzame verstedelijking   § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking   Ja, zie paragraaf 4.3.  
Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving   § 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies;
§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten  
Ja, zie hoofdstuk 3.  
Aanwijzing woningbouwcategorieën   § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken   Nee, dit aspect is niet van toepassing.  
Toegankelijkheid openbare buitenruimte   § 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen   Ja, bij de inrichting van de openbare ruimte wordt hier rekening mee gehouden.  
4.1.3 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema's komen terug in tabel 4.2.

Tabel 4.2. Thema's in het kader van ETFAL

Thema   Wettelijk kader   Relevant voor de ontwikkeling  
Gezondheid   § 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig.   Ja, zie paragraaf 4.19.  
Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen   In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Nee, de projectlocatie ligt niet binnen 2 km van een geitenhouderij of endotoxine invloedssfeer van een varkens- of pluimveehouderij.  
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen   In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Nee, het planvoornemen bevindt zich in het centrum van de kern Rucphen.  
Mobiliteit en parkeren
 
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Ja, zie paragraaf 4.4.  
Natuurbescherming NNN   Afdeling 7.3 van het Bal.   Nee, de projectlocatie ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 4.9.  
Ecologie: gebiedsbescherming   Afdeling 11.1 van het Bal.   Ja, zie paragraaf 4.9.  
Ecologie: soortenbescherming   Afdeling 11.2 van het Bal.   Ja, zie paragraaf 4.10.  
Ecologie: houtopstanden   Afdeling 11.3 van het Bal.   Ja, zie paragraaf 4.10.  
Schaduw- en windhinder   In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Nee, gezien de aard en omvang van het project is schaduw- en windhinder of windgevaar niet te verwachten.  
Lichthinder   In het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken.   Nee, gezien de aard en omvang van het project is lichthinder niet te verwachten.  
Duurzaamheid en klimaatadaptatie   In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Ja, zie paragraaf 4.18.  

4.2 M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een wijziging van het omgevingsplan project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de m.e.r.(beoordelings)-plicht geldt.

Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.

De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen.

Toetsing en conclusie

Gezien de aard, de beperkte omvang en de locatie van de beoogde ontwikkeling, kwalificeert het plan niet als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Om die reden is een m.e.r.-beoordelingsplicht niet aan de orde. Bovendien blijkt uit de toetsing van de overige omgevingsaspecten dat de ontwikkeling niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Er is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

4.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

Toetsing en conclusie

Het voornemen is het toestaan van elf extra woningen op gronden gelegen binnen de bebouwde kom en waarop voorheen twee woningen stonden. De ontwikkeling is van dusdanig kleinschalige omvang dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Een uitgebreide toetsing van de ladder is niet noodzakelijk. Daarnaast past de beoogde ontwikkeling binnen het regionale woningbouwprogramma. De ontwikkeling sluit aan bij de behoefte. Het beleid geformuleerd in het Bkl vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het besluit kwaliteit leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat kader dient aangetoond te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet.

Ontsluiting

Langzaam verkeer

De projectlocatie is gelegen aan de Rucphense Vaartkant. Voor voetgangers zijn op de Rucphense Vaartkant aan weerszijden van de rijbaan vrijliggende voetpaden aanwezig. Het fietsverkeer op de Rucphense Vaartkant wordt afgewikkeld met behulp van fietsstroken aan weerszijden van de rijbaan. Via de Rucphense Vaartkant is in oostelijke richting het centrumgebied van Rucphen en de bijbehorende winkelvoorzieningen te bereiken op minder dan 200 meter loopafstand vanaf de projectlocatie. In westelijke richting loopt de Rucphense Vaartkant over in de Gebrande Hoefstraat, waarvandaan een vrijliggende fietsverbinding aanwezig is richting Roosendaal.

Openbaar vervoer

De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf de projectlocatie is gelegen binnen 50 meter loopafstand aan de Rucphense Vaartkant. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 162, tussen Roosendaal en Etten-Leur. Deze buslijn halteert hier om het half uur gedurende de spitsperioden en om het uur buiten de spits. Er zijn geen andere OV-verbindingen aanwezig binnen Rucphen.

Gemotoriseerd verkeer

Het gemotoriseerde verkeer wordt vanaf de projectlocatie ontsloten op de Rucphense Vaartkant, welke is ingericht als een erftoegangsweg. Voor de gehele bebouwde kom van Rucphen geldt een maximumsnelheid van 30 km/u. De Rucphense Vaartkant loopt in westelijke richting over in de Gebrande Hoefstraat. De Gebrande Hoefstraat is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg en kruist buiten de bebouwde kom van Rucphen met de Leijkensweg, om vervolgens verder in westelijke richting te leiden naar Roosendaal. De Leijkensweg leidt in noordelijke richting via de Rucphenseweg naar de aansluiting op de A58, tussen Bergen op Zoom en Breda. In oostelijke richting leidt de Rucphense Vaartkant langs het centrumgebied van Rucphen naar de Raadhuisstraat. De Raadhuisstraat leidt vervolgens in oostelijke richting verder naar Sprundel.

Verkeer

Binnen de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017' zijn per functie normen opgenomen zowel voor het bepalen van de parkeerbehoefte als voor het berekenen van de verkeersgeneratie. Hierbij is de projeclocatie binnen de gemeentelijke gebiedsindeling gelegen in het centrumgebied. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bepaald.

Tabel 4.3 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling

Functie   Aantal   Kencijfer   Verkeersgeneratie
(mvt/etmaal)  
Koop, etage duur   4 woningen   7,2 per woning   28,8  
Koop, etage midden   7 woningen   5,8 per woning   40,6  
Totaal beoogd       69,4  

De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 69 mvt/etmaal. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeerstoename gedurende het drukste uur maatgevend. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel aangehouden dat gedurende het drukste spitsuur 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Voor de beoogde ontwikkeling komt dit neer op een toename (69 x 0,1 =) 7 mvt/uur, oftewel circa 1 voertuig om de 9 minuten. Deze verkeerstoename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is.

Parkeren

De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is tevens berekend op basis van de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017'. In tabel 4.4 is de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling berekend.

Tabel 4.4 Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling.

Functie   Aantal   Parkeernorm   Parkeerbehoefte (pp)  
      Bewoners   Bezoekers   Totaal  
Koop, etage, duur   4 woningen   1,6 per woning (incl. 0,3 voor bezoekers)   5,2   1,2   6,4  
Koop, etage midden   7 woningen   1,4 per woning (incl. 0,3 voor bezoekers)   7,7   2,1   9,8  
      12,9   3,3   16,2  

In totaal heeft de beoogde ontwikkeling een parkeerbehoefte van 16 parkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de realisatie van 13 parkeerplaatsen binnen de projectlocatie. Het Parkeeronderzoek Rucphense Vaartkant en omgeving dat in november 2025 is uitgevoerd en als bijlage 1 is opgenomen, toont aan dat er minimaal 3 openbare parkeerplaatsen in de directe omgeving van de projectlocatie beschikbaar zijn. Hiermee wordt voorzien in de volledige parkeerbehoefte.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 69 mvt/etmaal. Deze toename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. Daarnaast heeft de beoogde ontwikkeling een parkeerbehoefte van 16 parkeerplaatsen. Voor het opvangen van de parkeerbehoefte wordt voorzien in voldoende parkeeraanbod in directe omgeving van de projectlocatie. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect verkeer en parkeren er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.

4.5 Water

Toetsingskader

Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

  • watercompensatie in verband met toenemende verharding;
  • waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning;
  • bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken;
  • waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater.

Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:

  • bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl);
  • behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl);
  • behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl);
  • IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl).

De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst.

De provinciale verordening kan instructieregels bevatten over water. In het kader van deze ontwikkeling zijn er geen artikelen van toepassing.

Toetsing

Ten behoeve van de ontwikkeling heeft een weging van het waterbelang plaatsgevonden, zie hiervoor bijlage 2. Op basis hiervan kan het volgende worden geconcludeerd.

Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling zijn de waterhuishoudkundige consequenties in beeld gebracht waarbij de waterbelangen ten aanzien van waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn gewogen. Bij de weging van de waterbelangen zijn de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening van het waterschap in acht genomen en vormden hiervoor de basis. Met het uitvoeren van de weging van het waterbelang is het kader gegeven voor het vastleggen van het wateraspect zoals dat in de Omgevingswet is opgenomen. Op basis van de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen vormt het aspect 'water' geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Conclusie

Het plan voldoet aan de gestelde regels voor water. De resultaten zijn aan het waterschap voorgelegd en het advies van het waterschap is in het plan verwerkt. Het waterschap heeft aangegeven akkoord te zijn met de conclusies.

4.6 Planologische relevante leidingen

Toetsingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Grondroeringsregeling

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.

Toetsing en conclusie

In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft in de ruimtelijke onderbouwing geen rekening te worden gehouden.

4.7 Omgevingsveiligheid

Toetsingskader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.


Toetsing

De planlocatie bevindt zich binnen het gifwolkaandachtsgebied van een stationaire activiteit (bedrijf Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V.). Omdat deze activiteit zich op meer dan 1,5 km afstand bevindt, heeft dit geen consequenties voor het plan.

Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle activiteiten gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregel van het Bkl, omdat uit de beoordeling en met de opgenomen regels in de bruidsschat (artikel 22.13 t/m 22.15) blijkt dat de veiligheid op de planlocaties is gewaarborgd.

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Er bevindt zich in de omgeving openbaar bluswater en de opkomsttijd valt binnen de referentiewaarde.

Op basis van bovenstaande is bij het plan rekening gehouden met het voorkomen van risico's van branden, rampen en crises.

Conclusie

Gelet op het voorgaande, draagt de beoogde ontwikkeling voor het aspect omgevingsveiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en hoeven er geen regels te worden opgenomen met betrekking tot het thema omgevingsveiligheid.

4.8 Cultureel erfgoed

Toetsingskader

Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichten tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen. In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta (Valletta)' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, het bodemarchief met zorg ontsloten dient te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.

In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet in 2016. Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale wet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving is sinds 2024 in de Omgevingswet geregeld. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

4.8.1 Archeologie

Toetsingskader

In het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Herontwikkeling centrum Rucphen' heeft het projectgebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3'. Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de oppervlakte van de bodemverstoring meer dan 100 m2 en meer dan 50 centimeter diep bedraagt.

In het Paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie en Archeologie heeft het projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde - archeologie 2'. Op basis van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en 'overige zone - waarde archeologie 2' is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien de oppervlakte van de bodemverstoring meer dan 100 m2 en meer dan 50 centimeter diep bedraagt.

Toetsing

Aangezien de omvang en diepte van de bodemverstoring de vrijstellingsgrenzen uit het omgevingsplan overstijgt, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

In 2015 is een vooronderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek. Hieruit bleek dat in het projectgebied een middelhoge verwachting op archeologische resten heeft. Aan de hand van de voorgenomen bouwplannen heeft het bevoegd gezag besloten dat archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek in het projectgebied noodzakelijk is.

Proefsleuvenonderzoek

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek, karterende en waarderende fase (KNA 4.1, protocol 4003). Het onderzoek is opgenomen in bijlage 3. In totaal is circa 130 m2 aan proefsleuven aangelegd. Het onderzoek had als doel om de gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen en aan te vullen door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering van de mogelijk aanwezige archeologische resten.

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn 65 archeologische grondsporen en zes vondsten aangetroffen. Deze vormen gezamenlijk één vindplaats die in ieder geval dateert in de Midden en Late Nieuwe Tijd. Het is mogelijk dat de vindplaats ook al in de Vroege Nieuwe Tijd dateert. De vindplaats bestaat uit sporen van bewoning. Op basis hiervan is de vindplaats behoudenswaardig bevonden.

In de omgeving van het projectgebied zijn dergelijke vindplaatsen ten tijde van het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek nog niet aangetroffen.

De realisatie van een appartementengebouw zal zorgen voor een dusdanige roering van de bodem dat de archeologische resten verstoord zullen worden op plekken waar onvoldoende buffer is (bijvoorbeeld minder dan 30 cm) tussen de onderzijde van de grondroerende werkzaamheden en de bovenkant van de archeologische resten. Daarom heeft de bevoegd gezag besloten dat vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving noodzakelijk is om de archeologische resten in het projectgebied veilig te stellen.

De opgraving vond plaats van 30 mei tot en met 7 juni 2022. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de bevoegde overheid en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. In bijlage 4 is het evaluatie- en selectierapport van dit onderzoek opgenomen. Hierin is het volgende geconcludeerd.

Tijdens de opgraving zijn sporen aangetroffen uit de Nieuwe tijd. Zowel in het veld als tijdens het opstellen van het evaluatierapport konden geen duidelijke structuren worden onderscheiden, zoals bijvoorbeeld (bij)gebouwplattegronden. Er kunnen naar verwachting wel een kleine structuren worden onderscheiden in het projectgebied, zoals spiekers, kleine bijgebouwen en hekwerk. Om deze structuren te identificeren, wordt geadviseerd om alle keramiekvondsten uit de sporen te laten analyseren door een materiaalspecialist. Zodoende kunnen de sporen waaruit keramiekvondsten afkomstig zijn nauwkeuriger worden gedateerd/gefaseerd. Wanneer de resultaten van de specialistische analyse van het aardewerk worden gecombineerd met de spoordieptekaart, kan worden achterhaald welke sporen tot dezelfde structuur behoren. Momenteel kunnen niet met zekerheid structuren worden aangewezen in het projectgebied. Op basis van dit onderzoek kan op onderbouwde wijze informatie worden verkregen over de bebouwing en activiteiten in het projectgebied en de ontwikkeling hiervan in het verleden.

Advies regio archeoloog

De eerder uitgevoerde onderzoeken zijn beoordeeld door de regioarcheologen van Programmabureau Regio West-Brabant. Dit advies is opgenomen in bijlage 5.

Conclusie

Het advies is om een deel van het projectgebied vrij te geven van archeologische waarden. Het gaat om het deel dat in de toekomstige situatie de functie 'Wonen' heeft. De in het projectgebied aanwezige vindplaats is volledig onderzocht en veiliggesteld. Hoewel conform het PvE en de KNA nog wel een rapport van de opgravingsresultaten moet worden opgesteld, gelden vanuit de archeologie geen belemmeringen meer om de werkzaamheden in het projectgebied te starten. Voor de toekomstige functie 'Verkeer' dient de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' gehandhaafd blijven.

4.8.2 Cultuurhistorie

Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische kaart van provincie Noord-Brabant is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het projectgebied aanwezig zijn. Ook zijn historische topografische kaarten beschouwd.

Toetsing

Uit de provinciale Cultuurhistorische kaart blijkt dat ter plaatse van het projectgebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig zijn.

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Ecologie: gebiedsbescherming

Toetsingskader

Natura 2000-gebieden

Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het projectgebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied (zie figuur 4.1). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is de 'Brabantse Wal' en bevindt zich op circa 13 kilometer ten westen van het projectgebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten.

Om de eventuele toename van stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden te bepalen is met het programma AERIUS Calculator een berekening voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen. De memo en berekeningen zijn opgenomen in bijlage 6.

Hierbij kan geconcludeerd worden dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr. voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Op grond van de Omgevingswet voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0009.png"

Figuur 4.1 Ligging projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Brabantse Wal' (lichtblauwe vlak) (Bron: Rho Basisviewer)

Natuurnetwerk Brabant

Het projectgebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) (zie figuur 4.2). Het dichtstbijzijnde gebied ligt op ongeveer 600 meter afstand ten oosten van het projectgebied. Dit is natuurgebied N16.03 Droog bos met productie. Op ongeveer 800 meter afstand ten westen van het projectgebied bevindt zich ook het NNB gebied N16.03 Droog bos met productie. De geplande activiteit ligt op voldoende afstand van deze gebieden en heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0840.2581K003-DEF1_0010.png"

Figuur 4.2 Ligging projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (Bron: Provincie Noord-Brabant, bewerking Rho adviseurs)

Conclusie

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot directe effecten op Natura 2000-gebieden. Er is daarnaast sprake van een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jr. op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Het projectgebied maakt geen deel uit van het Natuur Netwerk Brabant en heeft hier ook geen invloed op.

4.10 Ecologie: soortenbescherming

Toetsingskader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de omgevingsplanactiviteit zal worden verricht of in de directe nabijheid daarvan. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig.

 

De uitkomst van het onderzoek kan aanleiding geven tot een vergunningplicht. De vergunningplicht is geregeld in het Bal, in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning).

Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).

Toetsing

Quickscan flora en fauna

Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna op 17 september 2025 uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 7. De conclusies van deze quickscan worden hierna kort weergegeven.

Houtopstanden

Er zijn binnen het projectgebied geen houtopstanden die middels het planvoornemen zullen verdwijnen. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Omgevingswet.

Flora

Er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot de flora.

Vogels

Een aantal vogelsoorten benut het projectgebied als foerageer- en broedgebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het projectgebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten en het gebied kan bovendien deels als foerageergebied in gebruik blijven. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen broeden binnen en in de directe omgeving van het projectgebied. Er mogen geen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden of verwijdering van beplanting plaatsvinden wanneer er broedende vogels aanwezig zijn in de nabije omgeving. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden tussen begin oktober en half februari worden er eveneens geen nadelige effecten verwacht voor vogels.

Grondgebonden zoogdieren

Binnen het projectgebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er daarom geen negatieve effecten te verwachten voor grondgebonden zoogdieren.

Vleermuizen

Binnen het projectgebied zijn geen locaties aangetroffen die geschikt zijn als vaste verblijfplaats voor gebouw- of boombewonende vleermuizen. Direct grenzend aan het projectgebied zijn echter wel potentiële verblijfplaatsen aanwezig voor gebouwbewonende vleermuizen. Aanvullend onderzoek is alleen nodig wanneer het planvoornemen leidt tot verstoring van verblijfplaatsen of het blokkeren van aanvliegroutes. Om te voorkomen dat vleermuizen tijdens de gebruiksfase hinder ondervinden van licht, kan een lichtplan worden opgesteld.

Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het projectgebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de geplande werkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten.

Amfibieën, reptielen en vissen

Binnen het projectgebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten, zoals bijvoorbeeld de gewone pad en de bruine kikker, zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor deze soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen.

Ongewervelden

Er zijn geen negatieve effecten te verwachten van dit planvoornemen met betrekking tot ongewervelde fauna.

Conclusie

Het aspect soortenbescherming levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. Hierbij moet rekening worden gehouden met de algemene aanbevelingen die in de quickscan flora en fauna zijn opgenomen.

4.11 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

Het aspect luchtkwaliteit is om meerdere redenen relevant. In de eerste plaats omdat woningen worden gerealiseerd en luchtkwaliteit een gezondheidsaspect is voor de toekomstige bewoners. In de tweede plaats omdat de woningbouwontwikkeling een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op wegen die van invloed kan zijn op de luchtkwaliteit.

Voor luchtkwaliteit zijn de instructieregels in § 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving relevant. Deze zijn met name relevant als het projectgebied is gelegen in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, locaties met hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het projectgebied ligt niet in een aandachtsgebied.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden afgewogen of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is voor de gewenste ontwikkeling.

Toetsing

Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit is ter plaatse van het projectgebied. Maatgevend is het toetspunt aan de Rucphense Vaartkant , direct ten noorden van het projectgebied. Uit de kaart blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2024; 14,6 µg/m³ voor NO2, 14, µg/m³ voor PM10 en voor 8,0 PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.

Het projectgebied bevindt zich niet in de in artikel 5.51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Het initiatief valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in artikel 5.54 van het Bkl. Om deze reden is nader onderzoek niet noodzakelijk.

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.12 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Besluit kwaliteit leefomgeving. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

Toetsing

Op 22 september 2025 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Het volgende kan geconcludeerd worden.

  • Visueel zijn op het maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen waargenomen;
  • Analytisch is in de licht puinhoudende bovengrond geen asbest aangetoond;
  • Over het algemeen zijn in de grond ten hoogste licht verhoogde concentraties aan zware metalen en PAK aangetoond;
  • De bovengrond voldoet aan de generieke hergebruiksnormen voor Achtergrondwaarden zoals omschreven in het 'handelingskader PFAS';
  • In het grondwater zijn ten hoogste licht verhoogde concentraties aan enkele zware metalen aangetoond;
  • De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek;
  • De locatie is geschikt voor het beoogde toekomstige (bodemgevoelige) woongebruik.

Op basis van het bovenstaande worden de volgende aanbevelingen gedaan:

  • Geadviseerd wordt om de resultaten van onderhavig bodemonderzoek mee te nemen in de onroerend goedtransactie en de betrokken partijen te informeren met betrekking tot de onderzoeksresultaten;
  • Voorafgaand aan de voorgenomen graafwerkzaamheden dient een melding te worden ingediend via het Omgevingsloket, ten behoeve van de milieubelastende activiteit graven in de bodem > 25 m3 met kwaliteit kleiner of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit;
  • Onderhavig rapport kan worden gebruikt voor het hergebruiken van de bij werkzaamheden vrijkomende puin en grond op de locatie of ten behoeve van eventuele afvoer naar een erkende verwerkingslocatie;
  • Bij de voorgenomen werkzaamheden in de bodem dient de 'basishygiëne' conform de CROW 400 te worden gehanteerd;
  • Tot slot wordt geadviseerd om tijdens vervolgwerkzaamheden alert te zijn op eventuele onvoorziene bodemverontreiniging.

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.13 Geluid door activiteiten

Toetsingskader

Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol:

  • 1. de situatie waarin een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw;
  • 2. de situatie waarin een geluidgevoelig gebouw gerealiseerd zal worden waarop geluid wordt veroorzaakt door een bestaande activiteit die geluid veroorzaakt. Dat kan al snel leiden tot het beperken van de milieuruimte van deze bestaande activiteit (en bijvoorbeeld het beperken van een bedrijfsactiviteit).

Bij de wijziging van een omgevingsplan moet rekening worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast zal het omgevingsplan moeten waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is.

Toetsing

De ontwikkeling betreft de realisatie van 11 appartementen. Om te bepalen of de beoogde ontwikkeling de omliggende functies belemmert in hun bedrijfsvoering, is gebruik gemaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan dat onder meer bestaat uit de bestemmingsplannen 'Herontwikkeling Centrum Rucphen', vastgesteld op 15 juni 2016 en Bestemmingsplan 'Kom Rucphen', vastgesteld op 25 juni 2013.

Omdat er geen gemeentelijke geluidzone is vastgesteld, wordt voor de inschatting of de beoogde woonfuncties de nabijgelegen functies beperkt in hun bedrijfsvoering gebruikt gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009).

Worden hierbij de richtafstanden voor 'gemengd gebied' (er wordt uitgegaan van een gemengd gebied, omdat er naast woningen ook andere functies zich bevinden in de buurt van het projectgebied) aangehouden, dan is dit een goede indicatie dat de bedrijven kunnen voldoen aan de geluidnorm die is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de bruidsschat). Deze norm geldt voor het geluidniveau op de gevel van geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen. In dat geval beperkten de beoogde woningen de omliggende functies niet. Worden de richtafstanden niet in acht genomen, dan is dit een indicatie dat het bedrijf mogelijk niet aan de geluidnorm kan voldoen. Het bedrijf zal dan mogelijk geluidbeperkende maatregelen moeten nemen. Dit kan leiden tot een belemmering in de bedrijfsvoering.

Het projectgebied bevindt zich in het centrum van de kern Rucphen. In een centrum is vaak sprake van functiemenging, waarbij winkels, bedrijven van lage categorieën (1 en 2) en maatschappelijke voorzieningen voorkomen. Uit het bestemmingsplan 'Herontwikkeling Centrum Rucphen' blijkt dat deze functies ook daadwerkelijk rondom het projectgebied toegestaan zijn. In een centrumgebied wordt over het algemeen een hogere mate van functiemenging geaccepteerd. Dit betekent dat verschillende functies, zoals detailhandel, horeca van lichte categorie, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en wonen, naast elkaar kunnen bestaan. De nabijheid van dergelijke voorzieningen draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Het realiseren van woningen in dit gebied sluit aan bij het bestaande karakter van functiemenging en draagt bij aan de vitaliteit van het centrum. Bewoners profiteren van de nabijheid van voorzieningen, terwijl de aanwezigheid van woningen zorgt voor sociale controle en een continue bezetting van het gebied. Daarnaast passen woningen in milieutechnisch opzicht goed in een centrum met hoofdzakelijk functies van lage milieucategorieën waardoor er geen belemmeringen ontstaan op het gebied van geluid.

De gronden ten noorden van het projectgebied kennen de activiteit Bedrijf. Hier zijn uitsluitend bedrijven van milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Voor deze categorieën geldt volgens de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering een maximale richtafstand van 10 meter tot een gevoelige functie, zoals wonen. De afstand tussen het dichtstbijzijnde bedrijf en het projectgebied bedraagt circa 12 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Tussen de overige functies in de omgeving en het projectgebied bevinden zich reeds bestaande woningen. Dit betekent dat deze functies al in hun bedrijfsvoering rekening houden met de aanwezigheid van gevoelige gebouwen. Gezien de aard van deze functies en het bestaande woonmilieu wordt geen relevante geluidhinder verwacht voor de beoogde nieuwe woningen.

Conclusie

Het geluid door activiteiten is aanvaardbaar. Er is geen reden om m.b.t. dit aspect aanvullende regels op te nemen.

4.14 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Toetsingskader

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Toetsing

Ten behoeve van de ontwikkeling is een een onderzoek verricht naar de geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer op het plan Ruchpense Vaartkant in Rucphen. Rondom en in het plan zijn diverse verkeerswegen gelegen, waarvan het gezamenlijk geluid op de gevoelige bestemmingen in het plan optreedt. Er is onderzoek verricht naar het geluid vanwege de rondom en in het plan gelegen wegen. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 9.

Uit het onderzoek blijkt dat:

  • De standaardwaarde voor de geluidbronsoort gemeentewegen wordt overschreden maar de grenswaarde niet;
  • Het vervangen van het asfalt door stiller asfalt SMA/NL8 G+ op de Rucphense Vaarkant zorgt voor een reductie van maximaal 4 dB waardoor de standaardwaarde nog steeds wordt overschreden. Deze maatregel is niet doelmatig en financieel niet wenselijk;
  • Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten;
  • Het gecumuleerde geluid wordt beoordeeld als zeer goed tot matig;
  • Het gezamenlijk geluid is bepaald. Deze dient te worden vastgelegd in de regels van het omgevingsplan en is uitgangspunt voor het bepalen van de gevelgeluidwering. Voor de flexibiliteit in de detaillering van het ontwerp wordt ter overweging meegegeven om één generieke waarde voor het gezamenlijk geluid vast te leggen, namelijk Lden = 59 dB.

Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Wel is het nodig om in de wijziging van het omgevingsplan een regel op te nemen voor geluid die zich richt op:

  • De geluidwering dient te worden bepaald op basis van het gezamenlijk geluid.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregels voor geluid door wegen. In de regels is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding 'overschrijding standaardwaarde' het geluid maximaal 59 Lden mag bedragen.

4.15 Trillingen

Beleid en normstelling

In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd.

Toetsing en conclusie

Het projectgebied ligt niet binnen een trillingaandachtsgebied van een spoorlijn. Het omgevingsplan bevat geen lokale regels voor trillinghinder. Geconcludeerd kan worden dat het aspect trilling geen negatieve invloed zal hebben op de beoogde ontwikkeling.

4.16 Geur

Toetsingskader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur opgenomen (§ 5.1.4.6 van het Bkl). De algemene regels met betrekking tot geur zijn op grond van artikel 5.90 van het Bkl van toepassing op het toelaten:

  • op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw; of
  • van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een (bestaande) activiteit, anders dan het wonen

In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies).

Toetsing en conclusie

In de dichte nabijheid van het projectgebied zijn geen intensieve veehouderijen gevestigd. Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.17 Luchthavens

Toetsingskader

Op 17 mei 2013 hebben Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant de ‘Verordening luchthavenbesluit luchthaven Seppe Noord-Brabant’ (verder: het luchthavenbesluit) vastgesteld. Dit luchthavenbesluit geldt voor luchthaven Seppe (Breda International Airport) en is in werking getreden op 4 september 2013. Op 11 april 2014 is een eerste wijziging op het luchthavenbesluit vastgesteld, die in werking is getreden op 23 augustus 2014. In het luchthavenbesluit zijn zones vastgesteld ter bescherming van de werking van de luchthaven.

Dit luchthavenbesluit geldt ook onder de Omgevingswet. In hoofdstuk 10 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn hierover regels opgenomen.

Toetsing

Het projectgebied ligt nabij vliegbasis Woensdrecht. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt woningbouw buiten een straal van 15 km (circa 18 km hemelsbreed) gerealiseerd. Om die reden gelden er vanuit het Bkl geen aanvullende bepalingen ten aanzien van vliegbasis Woensdrecht.

Voor Breda International Airport gelden rond het vliegveld obstakelbeheervlakken, waar in verband met de vliegveiligheid hoogtebeperkingen gelden voor het oprichten van bebouwing. Het projectgebied bevindt zich op circa drie kilometer van Breda International Airport. De bouwhoogte van het appartementengebouw heeft geen negatief effect op de vliegveiligheid.

Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde luchthaven zijn er geen negatieve gevolgen te verwachten met betrekking tot geluid.

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling vanwege de nabijgelegen vliegvelden.

4.18 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Toetsingskader

Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening moet worden gehouden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, herbruikbaarheid, klimaatadaptief en biodiversiteit.

Toetsing

Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen moet met verschillende energiebehoeftes rekening gehouden worden. Het betreft energie ten behoeve van het verwarmen en koelen van de woningen als ook voor het bereiden van warm water. Verder is er behoefte aan elektriciteit voor huishoudelijk gebruik en in toenemende mate ook voor mobiliteit.

Het appartementengebouw wordt gebouwd volgens de eisen van 'Bijna Energieneutraal Gebouw' (BENG), die sinds 2021 als norm gelden.

Daarnaast heeft de gemeente Rucphen de visie Duurzaamheid 2019-2030. Hierin is opgenomen dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijk wordt ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Op basis van deze doelstelling heeft het college de 'Beleidsregel groennorm gemeente Rucphen' vastgesteld, waarbij de invulling van de benodigde groenopgave wordt bepaald via de groenladder.

Het planvoornemen betreft, na de sloop van de bestaande (woon)panden, een herontwikkeling binnen de bebouwde kom. Op basis van de groenladder uit de groennorm wordt in het kader van maatwerk beoordeeld op welke wijze de groene kwaliteit door deze ontwikkeling kan worden verbeterd.

De gemeente zal bij de aanbesteding aan marktpartijen aanvullende eisen stellen ten aanzien van klimaatadaptieve maatregelen en de inrichting van groen binnen het nieuwbouwplan. Daarnaast zal de gemeente het omliggende openbaar gebied, het parkeerterrein, kwalitatief groen uitwerken.

Conclusie

Het aspect duurzaamheid is voldoende meegenomen in de planvorming.

4.19 Gezondheid

Toetsingskader

Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.

Toetsing

Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de gezondheid heeft.

Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid en de maatregelen die worden genomen om de hinder zoveel mogelijk te beperken. Groen zal zo veel als mogelijk behouden blijven en waar mogelijk toegevoegd worden. Groen heeft namelijk een positief effect op de gezondheid van mensen.

Nieuwbouwwoningen kunnen daarnaast bijdragen aan de groei van de gemeenschap door het aantrekken van nieuwe bewoners, maar zorgen ook voor de doorstroming van doelgroepen. Dit kan leiden tot een toename van de economische activiteit, nieuwe banen en een grotere diversiteit binnen de gemeenschap. Daarnaast bevinden de woningen zich nabij een park, en zijn voorzieningen zoals winkels, MFA en horecagelegenheden aanwezig.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid.

Hoofdstuk 5 Participatie

5.1 Algemeen

In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit is aangegeven dat bij de wijziging van een omgevingsplan moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken. En ook wat er met de resultaten is gedaan. Wie bij de participatie worden betrokken, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden.

Goede participatie maakt een plan of initiatief beter. Deze samenwerking tussen belanghebbenden, gemeente en initiatiefnemer kan het plan inhoudelijk verbeteren en verrijken, bijvoorbeeld door lokale kennis te benutten. Daarbij draagt het bij aan de besluitvorming, door alle belangen in beeld te brengen en hierdoor beter rekening kan worden gehouden met deze belangen. Dit kan bijdragen aan het draagvlak van het plan.

5.2 Omgevingsdialoog

Op dinsdag 11 november 2025 vond er van 19:00 tot 20:30 uur een inloopavond plaats. Tijdens deze bijeenkomst zijn direct omwonenden en andere belangstellenden geïnformeerd over het planvoornemen. Op de avond waren circa 50 bezoekers aanwezig. De sfeer was overwegend gemoedelijk. In het algemeen kan gesteld worden dat het plan goed is ontvangen. Een verslag van de avond is weergegeven in bijlage 10.

5.3 Afstemming overlegpartners

Op 23 oktober 2025 is het plan besproken op de Omgevingstafel, waarbij externe partijen zoals de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta en de provincie Noord-Brabant zijn uitgenodigd. De reacties van de veiligheidsregio en het waterschap zijn in het plan verwerkt.

5.4 Procedure

Het TAM-omgevingsplan heeft als ontwerp voor een periode van 6 weken, van 24 december 2025 tot en met 4 februari 2026, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerp TAM-omgevingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Er zijn vier zienswijzen ingediend, waarbij 1 zienswijze (later) is ingetrokken.

De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de nota van zienswijzen, die als bijlage 11 bij de toelichting is opgenomen. De zienswijzen en ambtshalve wijzigingen hebben tot negen aanpassingen geleid van het TAM-omgevingsplan. Alle aanpassingen zijn opgesomd in bijlage 11.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de beoogde functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.

De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van appartementen in de kern Rucphen door de gemeente Rucphen. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. Daarbij zorgt de gemeente voor het bouw en woonrijp maken van het openbare gebied. Het bouwperceel c.q. functievlak “Wonen”, waarop het appartementengebouw wordt gerealiseerd, wordt in een tender aan reeds geselecteerde marktpartijen aangeboden.

De gemeenteraad heeft voor deze ontwikkeling een grondexploitatie vastgesteld, waarbij een positief eindresultaat wordt voorzien. De kosten van de ontwikkeling, waaronder de voorbereidingskosten en het bouw- en woonrijp maken van het openbare gebied, worden ten laste gebracht van de grondexploitatie. Aangezien de gemeente eigenaar is van de gronden en de kosten via de grondexploitatie worden gedekt, is het kostenverhaal als bedoeld in artikel 13.11 van de Omgevingswet anderszins verzekerd. Hiermee is de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.

Hoofdstuk 7 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de beoogde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de beoogde activiteit) zorgvuldig onderzocht en afgewogen in hoofdstuk 4.

Om te waarborgen dat het project niet in strijd is met de beleidsdoelen, is het planvoornemen in hoofdstuk 3 getoetst aan het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. In de hoofdstukken 5 en 6 is daarnaast ingegaan op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid.

Op basis van deze toetsing wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met de beleidsdoelen en geen onaanvaardbare effecten heeft op de fysieke leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.