direct naar inhoud van Plantoelichting
Plan: Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw fase 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01

Plantoelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Zuidrand Goirle

Ten zuiden van de dorpskern van Goirle zijn sinds jaar en dag onder meer twee grote fabrieksterreinen aanwezig van de firma Van Besouw, waar vloerbedekking werd geproduceerd en van de firma Van Puijenbroek, waar textiel werd geproduceerd. De werkzaamheden van de firma Van Besouw zijn enige tijd geleden gestaakt. Op het terrein van Van Puijenbroek vinden nog opslag en distributie plaats, maar ook dit wordt in de toekomst verder teruggebracht. NBU Projectontwikkeling IV (eigenaar van het Van-Besouwterrein) en VP Exploitatie BV/Wilma-CRA Vastgoed (eigenaar van het Van-Puijenbroekterrein) willen de locaties herontwikkelen tot woningbouwlocaties.

Naast de genoemde partijen participeert ook Thebe (eigenaar van het tussen beide fabrieksterreinen gelegen verpleegtehuis) in de herontwikkelingsplannen. Op het terrein van Thebe is een ontwikkeling met zorgwoningen voorzien. De totale herontwikkeling heeft de titel 'Zuidrand Goirle'. Naast de bovengenoemde 'rode ontwikkelingen' vormt de herinrichting van de 'groenblauwe zone' ten zuiden van de terreinen van Van Puijenbroek, Thebe en Van Besouw tevens een onderdeel van de Zuidrand. In deze zone bevindt zich de watergang Nieuwe Leij. Onderdeel van de plannen is een (gedeeltelijke) herinrichting van deze zone. Het doel is om zowel de rode als groen/blauwe ontwikkelingen goed op elkaar af te stemmen en zo tot een integrale gebiedsontwikkeling te komen. Dit vormt een gedeelde verantwoordelijkheid.

In afbeelding 1.1 is de ligging van de Zuidrand Goirle ten opzichte van de dorpskern Goirle aangegeven en zijn de hierboven beschreven deellocaties opgenomen. De deellocatie Van Besouw is met blauw aangeduid op de navolgende afbeelding (meest oostelijke locatie). Binnen deze deellocatie liggen de gronden waar fase 2 van de woningbouw op het terrein van Van Besouw plaatsvindt. Deze locatie is rood omlijnd op afbeelding 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0001.png"

Afbeelding 1.1: Deellocaties binnen de Zuidrand Goirle (Antea Group, 2019), de locatie van Van Besouw is rechts aangegeven in blauw met een rode omlijning voor fase 2, de locatie van Van Puijenbroek (thans Land van Anna) is links in paars aangegeven, tussen deze locaties ligt Thebe (aangegeven in geel)

Van Besouw

Voorliggend bestemmingsplan richt zich op de locatie Van Besouw. Dit terrein van circa 5,5 hectare wil NBU Projectontwikkeling IV transformeren naar een woongebied met aandacht voor de cultuurhistorische elementen. De transformatie van het terrein is - vanwege de beschikbare contingenten - gefaseerd uitgevoerd. In 2020 is een bestemmingsplan vastgesteld dat de bouw van maximaal 155 woningen in de eerste fase van de voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt. Dat bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw' zoals dat op 22 september 2020 vastgesteld is. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de tweede fase van de voorgenomen ontwikkeling en maakt woningbouw mogelijk op gronden die in het vigerend bestemmingsplan bestemd zijn als 'Bedrijf'. In totaal maakt dit bestemmingsplan, "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw fase 2", de bouw van maximaal 38 woningen mogelijk. In fase 1 worden echter 149 van de maximaal 155 woningen gerealiseerd. Zes woningen worden dus niet gerealiseerd. Van die zes woningen worden er drie, op basis van een privaatrechtelijke afspraak tussen de gemeente Goirle en de ontwikkelaar, toegevoegd aan de ontwikkeling van fase 2. Daarmee maakt dit bestemmingsplan maximaal 38 (35+3) woningen mogelijk en voldoet daarmee aan de kwantitatieve behoefte. Nadat deze woningen gerealiseerd zijn, is de gehele voormalige fabriekslocatie getransformeerd tot een hoogwaardige woonwijk.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in de zuidrand van de kern Goirle en wel op de hoek van de Beeksedijk en de Kerkstraat. De Kerkstraat vormt de noordelijke begrenzing van het plangebied. De oostelijke grens van het plangebied bestaat uit de Beeksedijk. Aan de zuid- en westzijde wordt het plangebied begrensd door het vigerend bestemmingsplan 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw'. De navolgende afbeelding toont de begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0002.png"

Afbeelding 1.2: Globale ligging locatie van Besouw (rood omlijnd) en directe omgeving met daarin de indicatieve begrenzing van het plangebied van dit bestemmingsplan (wit omlijnd)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Tot het moment waarop voorliggend bestemmingsplan in werking treedt, geldt in het plangebied het bestemmingsplan dat genoemd wordt in onderstaande tabel.

Bestemmingsplan   Vastgesteld   In werking   Onherroepelijk   ABRvS  
Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw   22-09-2020   20-11-2020   17-05-2021   n.v.t.  

1.4 Bij het plan behorende stukken

Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop onder meer de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en deze toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In deze toelichting worden onder andere de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. Hierin staat ook de inhoud van het vigerend beleid beschreven en met welke (milieu)planologische aspecten rekening is gehouden.

1.5 Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit acht hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleidskader van Rijk, provincie en gemeente. De thematische beleidskaders komen aan de orde in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de milieuaspecten behandeld. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. De opzet van de planregels wordt in hoofdstuk 7 besproken, gevolgd door de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.

Hoofdstuk 2 BESCHRIJVING PLANGEBIED

Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangssituatie, ofwel de bestaande situatie, goed in beeld wordt gebracht. Dit hoofdstuk beschrijft deze situatie door de historische ontwikkeling, de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en (brede) omgeving toe te lichten. Voor een beschrijving van deze onderdelen is onder meer gebruik gemaakt van het Cultuurhistorisch onderzoek (maart 2015) van onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv. Vervolgens wordt de voorgestane ontwikkeling besproken. Vervolgens wordt de voorgenomen ontwikkeling besproken.

2.1 Historische ontwikkeling

2.1.1 Goirle

De oorsprong

De naam Goirle is samengesteld uit de woorden "goer" (goir) en "loo". Het eerste betekent moeras of drassige grond, het tweede bos of open plek in het bos. Als plaatsnaam wordt Goirle voor het eerst genoemd in een charter uit 1298, waarin sprake is van de Ludensvoirt te Goirle. Voorts wordt de naam gebruikt in een oorkonde uit 1312 betreffende het goed Ter Loo op Abcoven aan de Leij en in een charter van 1315 als het goed Ter Venne genoemd wordt. Opgravingen die zijn gedaan bij de afbraak van de oude parochiekerk in 1896, toonden de aanwezigheid van een kerkje in de 12e eeuw. In die tijd maakte het kleine kerkdorpje deel uit van de heerlijkheid Tilburg. Reeds in 1795 bestonden er plannen om Goirle van Tilburg te scheiden, maar hiertegen werd door beide plaatsen geprotesteerd. Pas in 1803 werd Goirle een zelfstandige gemeente.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0003.png"

Afbeelding 2.1: kaart van de gemeente Goirle uit 1866 (Atlas van J. Kuiper)

18e eeuw: ontwikkeling vanuit de Grootte Akkers richting De Leij

De gemeente Goirle heeft een oppervlakte van ruim 2.544 ha en wordt begrensd door de gemeenten Alphen en Riel, Tilburg, Hilvarenbeek en Poppel (B). Zeer bepalend voor de ontwikkeling en vorming van het gebied waren de verschillende waterlopen. Vanaf de tijd dat Goirle nog deel uitmaakte van het hertogdom Brabant, tot aan de totstandkoming van de rijksweg Tilburg-Turnhout in 1853 zou er weinig veranderen in het straten- en wegenplan van het dorp. De waarschijnlijk oudste bebouwing is aangetroffen in het gebied van de vrij hoog gelegen Grootte Akkers. Door de verschuiving in de richting van de Leij ontstaan de wijken of herdgangen Abcoven en Kerk, en ten westen van de Grootte Akkers de herdgangen Dorp en Ven. In 1753 telde het dorp 132 woningen "daeronder begrepen kleijne hutten en keten" en maar een paar "stadsgewijze getimmerde huijzen". Met de aanleg van de rijksweg Tilburg-Turnhout verbeterde de infrastructuur in het dorp.

19e eeuw: groei van Goirle begint

Als na 1850 de bevolking van Goirle flink begint te groeien, wordt voornamelijk gebouwd langs de oude kerkwegen en langs de nieuw aangelegde Tilburgseweg. Vooral het aantal arbeiderswoningen nam sterk toe. De voornaamste initiatiefnemers tot de bouw waren de fabrikanten en de landbouwers. Op het einde van de 19e eeuw is ook begonnen met de bouw van woningen langs bestaande akkerwegen, zoals de Molenstraat (achter de heuf), Groeneweg en Koude Pad.

20e eeuw: planmatige woningbouw

Aan de woningbouw werd een nieuwe impuls gegeven door de Woningwet, die in 1901 tot stand kwam en waardoor het mogelijk werd om met rijkssteun woningen te bouwen en de volkshuisvesting te verbeteren. Dit resulteerde onder andere in de Kalverstraat, om de arbeiders dicht bij de fabriek te kunnen huisvesten, de Hoogstraat en de St. Jansstraat. In die periode vindt ook het Oranjeplein haar oorsprong. Het werd aangelegd als groot kermisterrein, met de verwachting dat het centrum van Goirle zich daar zou ontwikkelen. De oorspronkelijk grote maat van het plein is te verklaren doordat er ruimte werd gemaakt voor een parochiekerk die op de plaats van het huidige groene deel zou komen. Rondom het plein is op planmatige manier woningbouw gerealiseerd. Tot in het midden van de 20e eeuw is het dorp binnen de grenzen van het huidige centrumgebied gebleven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0004.png"

Afbeelding 2.2: kaart van de gemeente Goirle uit begin 20e eeuw

Na de Tweede Wereldoorlog heeft Goirle grote groei gekend. Met de uitvoering van de bestemmingsplannen begon de groei van Goirle. Achtereenvolgens kwamen tot stand de woningen ten noorden van de Van Malsenstraat, plan West, de wijk Hoogeind, plan Abcoven en de wijken Grobbendonk, De Hellen en de Grootte Akkers. Tegelijkertijd begon rond 1970 de grootschalige sanering van de oudere wijken en straten. Een voorbeeld daarvan is de aankoop van de terreinen en opstallen van de voormalige Pijnenburg's Weverijen met woningen aan de Tilburgseweg, Groeneweg en Molenstraat in 1969. Op één villa na zijn alle gebouwen die bij de verkoop betrokken waren, verdwenen om plaats te maken voor de uitvoering van het centrumplan. Later zijn de wijken De Nieuwe Erven en De Hoge Wal tot stand gekomen. De woonwijk Boschkens, aan weerszijden van de Tilburgseweg (ten noorden van de Rillaersebaan is aan het einde van de 20ste eeuw en in het begin van de 21ste eeuw gerealiseerd.

2.1.2 Fabrieksterrein Van Besouw

Gerard van Besouw was rond het midden van de negentiende eeuw een handelaar die garen inkocht voor thuiswevers. Deze wevers leverden vervolgens tegen een vaste prijs weefsels aan Van Besouw, die de weefsels vervolgens in de markt zette. In 1876 werden er door Van Besouw wevers in dienst genomen en aan het werk gezet in een machinale weverij aan de Molenstraat. Dat de zaken goed gingen, mag blijken uit het grote huis dat Van Besouw in 1880 aan de Kerkstraat voor zichzelf en zijn gezin liet bouwen (Kerkstraat 10, een Rijksmonument). In 1884 kocht Van Besouw (landbouw)gronden aan de Kerkstraat om daar, vermoedelijk na ophoging van het terrein, een nieuwe machinale weverij te laten bouwen. Er werden in deze fabriek 40 weefgetouwen opgesteld, aangedreven door een stoommachine van 40pk. Bij de opening van de fabriek was deze met 69 wevers de grootste in Goirle (er waren daarnaast nog thuiswevers bij Van Besouw in dienst). Hoe de fabriek er aanvankelijk uit heeft gezien, is min of meer bekend van een foto van omstreeks 1890. De fabriek heeft een machinehuis met schoorsteen aan de Kerkstraat. Daarachter zijn evenwijdig aan de straat twee bouwdelen met zadeldaken en getuite topgevels te zien, vermoedelijk ververijen. Daar weer achter bevindt zich de werkplaats/weverij die onder zeven sheddaken is gebracht. Deze fabrieksopzet is gangbaar in die tijd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0005.png"

Afbeelding 2.3 Uitsnede van de kadastrale kaart van 1832 met daarop de begrenzingen van het terrein dat wordt aangeduid als het terrein van Van Besouw. De kiem van Van Besouw ligt op het perceel linksboven (Kadasterkaart 1811-1832). Bron afbeelding en tekst: BAAC bv, Cultuurhistorisch onderzoek, maart 2015)

Op 30 januari 1895 breekt er brand uit in de fabriek. De Tilburgse Courant van 2 februari meldt daarover het volgende: “In den nacht van Woensdag op Donderdag brandde de linnenfabriek van de firma van Besouw te Goirle af. De weverij en het ketelhuis bleven gespaard. De felle vuurgloed was tot in de morgen alhier zichtbaar”. De schade kon vrij makkelijk worden hersteld, waarschijnlijk mede doordat productie door thuiswevers voort kon worden gezet en er getouwen konden worden gebruikt in de fabrieken van Van de Lisdonk en Van Puijenbroek. Kort na de brand was de fabriek weer in bedrijf. In 1901 is er sprake van fabrieksgebouwen, een bleekveld, magazijn, stoommachine en 63 ijzeren weefstoelen. Na de Eerste Wereldoorlog groeide de fabriek in omvang exponentieel. Eén van de oorzaken was het einde van de thuisweverij (de thuiswevers konden niet opboksen tegen het tempo van de machinaal aangedreven getouwen), een andere de groeiende vraag, mede als gevolg van prijsdaling. Het fabriekscomplex werd uitgebreid in de richting van de Nieuwe Leij, maar ook in oostelijke richting. Dit ging ten koste van weidegronden. In oostelijke richting is het fabrieksterrein vergroot, áchter woonhuizen aan de Kerkstraat. Op de luchtfoto’s is ook goed de dan nog vrij scherpe overgang te zien van de achtertuinen van de panden aan de Kerkstraat en de weiden daarachter. Tenslotte zijn langs de Nieuwe Leij bomen te zien, vermoedelijk rond 1900 aangeplant als weer- en windscherm.

In de jaren twintig werd er bijna doorlopend gebouwd op het terrein, vooral gebouwen voor de productie van garen. In 1929 werden de oorspronkelijke machinekamer en fabrieksschoorsteen aan de Kerkstraat gesloopt. Een nieuwe machinekamer wordt midden op het fabrieksterrein opgericht. Een jaar daarvoor heeft het complex een installatie voor centrale verwarming gekregen, waarvan het ketelhuis blijk geeft. Op luchtfoto’s uit omstreeks 1930 is te zien dat delen van het fabriekscomplex al tot aan de Nieuwe Leij reiken. Aan de straat liggen de oudste gebouwen met direct daarachter de productiehallen met hun typische sheddaken. Magazijnen zijn éénlaags onder plat dak met lichtstraten en vooral aan de westzijde van het fabrieksterrein te vinden. Eén van de luchtfoto’s laat zien dat op het terrein achter de productiehallen stoffen werden gebleekt. In de jaren dertig werd er op het complex vooral verbouwd. Tijdens de oorlog vonden relatief kleine bouwactiviteiten plaats. Het gaat dan om de bouw van een schansmuur, een transformatorhuisje en een brandweerlokaal.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het fabriekscomplex nauwelijks nog uitgebreid. Ontwikkelingen die zich na de oorlog voordoen, staan vooral in het teken van vernieuwing en aanpassing. Zo werd er in 1952 aan de Kerkstraat een nieuw, tweelaags kantoorgebouw opgericht naar ontwerp van de Eindhovense architect C.G. Geenen. Dit gaat ten koste van oudere, deels laat negentiende-eeuwse fabrieksgebouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0006.png"

Afbeelding 2.4 Opname vanuit de lucht omstreeks 1925, vanuit het zuidoosten. De meeste bebouwing is aan de westzijde van de fabrieksstraat te vinden. Uitbreiding vond aanvankelijk vooral in de richting van de Nieuwe Leij plaats. Magazijnen en kantoren hebben platte daken, productiehallen hebben sheddaken. Bij de Nieuwe Leij een bleekveld (Regionaal Archief Tilburg 2014).

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0007.png"

Afbeelding 2.5 Opname vanuit de lucht omstreeks 1960, gemaakt in zuidelijke richting. Op de foto uitbreidingen aan de oostzijde van de fabrieksstraat en aan de Kerkstraat het kantoorgebouw uit 1951-1952. Op het terrein is de huidige fabrieksschoorsteen verrezen. Rondom de fabriek nog vooral weide (Regionaal Archief Tilburg 2014).

2.2 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied bestaat uit het terrein op de hoek van de Beeksedijk en de Kerkstraat. Dit terrein is onderdeel van de voormalige textielfabriek Van Besouw. De navolgende afbeelding laat dit voormalig fabrieksterrein zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0008.png"

Afbeelding 2.6: Voorheen aanwezige situatie op de locatie Van Besouw (rood) met in wit de indicatieve begrenzing van het plangebied van dit bestemmingsplan

Bebouwing

In het plangebied was (tot de sloop in 2020) de meest recente bebouwing van de tapijtfabriek aanwezig. Deze bebouwing bestond uit loodsen die aan het eind van de twintigste eeuw gebouwd waren. Die bebouwing kende geen behoudenswaardige elementen.

Water
Binnen het plangebied is geen water aanwezig. Op enige afstand van het plangebied (circa 15 meter) ligt een A-waterloop, namelijk de Nieuwe Leij. Via de Nieuwe Leij watert het gehele (landelijke) gebied gelegen ten zuidwesten van Goirle af.

Groen
In het plangebied is in de noordoosthoek een intensief onderhouden grasveld (buurtgroen) aanwezig. Aan de rand van het grasveld langs de Kerkstraat staat een haag van veldesdoorn. Achter deze haag aan de zijde van het grasveld staat een rij met kleinbladige lindes. Verder staan op het grasveld nog twee solitaire moeraseiken. Aan de Beeksedijk staat een groep met 5 watercipressen en langs het fietspad staan enkele gewone essen en een aantal zomereiken.

De gemeente Goirle beschikt over een groenstructuurplan (zie ook paragraaf 4.4), waarin het waardevol groen binnen de gemeente is beschreven. Het plan beschrijft dat onder andere de Kerkstraat en de Beeksedijk een mooie groenstructuur met grote bomen hebben. Deze blijven grotendeels behouden. Een deel van het buurtgroen op de hoek Kerkstraat-Beeksedijk wordt in de toekomstige situatie bebouwd. Een deel krijgt de functie van wadi met groenvoorziening. Ter compensatie van het te verwijderen buurtgroen staat het realiseren van nieuw buurtgroen binnen het toekomstig woongebied. Dit groen heeft een openbaar en functioneel karakter en is daarmee van meerwaarde voor het gebied en de omgeving.

2.3 Technische infrastructuur

In het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.

2.4 Voorgenomen ontwikkeling

Voor de totale ontwikkeling is een stedenbouwkundige verkaveling opgesteld. Het stedenbouwkundige plan is opgedeeld in twee fases. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van fase 2 mogelijk.

Onderstaande afbeelding toont het stedenbouwkundig plan voor de locatie Van Besouw. Het bevat het totale herontwikkelingsplan. Fase 2 is rood omlijnd. Het overige deel van de ontwikkeling (fase 1) is al toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0009.png"  

Afbeelding 2.7: Stedenbouwkundig plan met fase 2 rood omlijnd (Buro Lubbers, Bedaux De Brouwer architecten en Mulleners + Mulleners architecten, oktober 2018)

Woningtypes en programma

Met fase 2 worden 38 woningen mogelijk gemaakt. Dit in aanvulling op fase 1 waarmee 155 woningen mogelijk zijn gemaakt. Fase 2 van de ontwikkeling voorziet zoals beschreven in maximaal 38 woningen, waarvan 9 sociale huurwoningen (rijwoningen).

Op basis van het vastgestelde stedenbouwkundig plan zijn deze rijwoningen geprojecteerd in het lint langs de Kerkstraat. Tevens zijn daar rijwoningen in de vrije sector gepland. De overige woningen bestaan uit vrijstaande/geschakelde woningen en twee-onder-één-kap woningen. De toedeling van aantallen aan deze woningtypologieën is nader te bepalen.

Het stedenbouwkundig plan van oktober 2018 is op 8 januari 2019 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Het vastgestelde stedenbouwkundig plan is - inclusief een reactietabel met aangepaste plankaart - als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd.

Hoofdstuk 3 RUIMTELIJK BELEIDSKADER

Dit hoofdstuk geeft een korte weergave van het bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

3.1 Rijk

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte & Nationale Omgevingsvisie

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Op 13 maart 2012 is de SVIR vastgesteld. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 zou moeten uitzien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daarbij streeft het Rijk naar een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid.

Daarnaast verstevigt de SVIR het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het bestemmingsplangebied zodoende zeer beperkt blijft.

De SVIR richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor onderhavig bestemmingsplan. Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante afwegingskader gevormd door het beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle.

De Nationale Omgevingsvisie (Novi) kan gezien worden als de opvolger van de SVIR. De Novi biedt een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving en bevat het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. De Novi is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet die het Rijk na inwerkingtreding van die wet (naar verwachting 2022) gaat gebruiken. De Novi is op 11 september 2020 vastgesteld en in het najaar van 2020 in werking getreden.

De ambities van het Rijk voor de fysieke leefomgeving zijn in de Novi uitgewerkt in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Woningbouw zoals voorzien in dit bestemmingsplan wordt niet expliciet benoemd in de Novi of de bijbehorende uitvoeringsagenda. De afweging over woningbouw van de omvang zoals voorzien in dit bestemmingsplan vindt net als onder de SVIR op decentraal niveau plaats. De Novi legt voor wat betreft woningbouw de prioriteit vooral op het benutten van het bestaand stedelijk gebied. Dat uitgangspunt is overgenomen in dit bestemmingsplan: door een oude fabriekslocatie te benutten voor woningbouw wordt nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied voorkomen. Op een deel van deze oude fabriekslocatoe wordt reeds woningbouw gerealiseerd. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt volledig in het stedelijk gebied en beperkt daarmee de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied niet.

Voor wat betreft energietransitie en klimaatadaptatie geldt dat de woningen van energie en warmte voorzien worden die op een duurzame manier opgewekt worden. Daarnaast worden in het plangebied wadi's gerealiseerd om regenwater geleidelijk af te kunnen voeren (zie paragraaf 6.3 van bijlage 1). De ontwikkeling past hiermee in de ambities die de Novi stelt ten aanzien van klimaatadaptatie en energietransitie.

De ontwikkeling van het plangebied maakt bevolkingsaanwas in Goirle mogelijk en levert een bijdrage aan de werkgelegenheid. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling in de ambities op het gebied van het economisch groeipotentieel en de (door)ontwikkeling van gezonde en sterke regio's.

Conclusie

Dit rijksbeleid werkt niet direct door in onderhavig plan. De afweging vindt voor onderhavige planontwikkeling decentraal plaats.

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (Novi) is een van de kerninstrumenten van de nieuwe Omgevingswet die het Rijk na inwerkingtreding van die wet (naar verwachting in 2022) gaat gebruiken. De Novi bevat het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving en is onder andere de opvolger van de SVIR. In de zomer van 2019 is het ontwerp van de Novi gepubliceerd. Dat ontwerp wordt van 20 augustus 2019 tot en met 30 september 2019 ter inzage gelegd. Op 11 september 2020 is de Novi vastgesteld door de ministers die verantwoordelijk zijn voor de Novi. Na vaststelling van de Novi is deze in het najaar van 2020 in werking getreden.

De ambities van het Rijk met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn in de Novi uitgewerkt in de volgende prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Op basis van deze prioritieten worden door het Rijk en de decentrale overheden beleidskeuzes gemaakt. Een van de afwegingsprincipes bij het maken van die keuzes is dat bij de afweging de kenmerken en identiteit van een gebied centraal staan. Werken met de Omgevingswet (en dus met de Novi) vraagt ook om een overheid die samenwerkt met de samenleving, de opgaven centraal stelt, gebiedsgericht werkt en permanent en adaptief bezig is met opgaven in de fysieke leefomgeving.

Woningbouwontwikkelingen zoals die mogelijk gemaakt worden door dit bestemmingsplan, worden niet expliciet genoemd in de Novi of in de bijbehorende uitvoeringsagenda. Voor wat betreft de ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie geldt dat deze twee onderwerpen als ordenend principe in de planvorming voor de locatie Van Besouw doorwerken. Woningen worden gasloos en zo duurzaam mogelijk gebouwd. Daarnaast blijkt uit hoofdstuk 6 dat voorzien wordt in voldoende waterberging om piekbuien op te kunnen vangen. Dit bestemmingsplan maakt bevolkingsaanwas mogelijk en levert een bijdrage aan de werkgelegenheid. Daarmee past de ontwikkeling in de ambities op het gebied van het economisch groeipotentieel en de (door)ontwikkelingen van sterke en gezonde regio's. Het plangebied ligt niet in het landelijk gebied, dus dit thema uit de Novi is niet relevant voor dit bestemmingsplan.

Conclusie

Net als voor de SVIR gelet dat het beleid uit de Novi niet rechtstreeks doorwerkt in deze ontwikkeling. De afwegingen gericht op de ontwikkeling van dit deel van de locatie Van Besouw vinden op decentraal niveau plaats.

AMvB Ruimte

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels voor die betrekking hebben op de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen zijn: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Barro genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen.

Conclusie

Geen van de in het Barro genoemde onderwerpen hebben betrekking op onderhavig bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame ontwikkeling

Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Deze is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Conclusie

In paragraaf 4.3 wordt beschreven in hoeverre met onderhavig plan wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Crisis- en herstelwet

Met de Crisis- en herstelwet (Chw) wil het kabinet de procedures voor grote projecten versnellen. Hiermee wordt een stap gezet om de gevolgen van de economische crisis te bestrijden. De Chw beoogt onder andere een impuls aan integrale gebiedsontwikkeling te geven. De regels uit de Chw hebben overwegend betrekking op het bestuursprocesrecht en hebben als doel om proceduretijden van bij wet aangewezen projecten te verkorten. In Bijlage I van de Chw zijn de categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten genoemd, waar de stroomlijning van procedures voor geldt. Artikel 3.1 van deze bijlage noemt daarin de bouw van 11 of meer woningen als een van de ruimtelijke projecten, waarop de procedurele versnellingen van toepassing zijn.

Conclusie
Omdat dit bestemmingsplan (na vaststelling) moet worden aangemerkt als een besluit dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een ruimtelijk project zoals genoemd in Bijlage I van de Crisis- en herstelwet zijn de regels uit die wet van toepassing. De regels uit de Crisis- en herstelwet betreffen in dezen met name het bestuursprocesrecht waardoor de doorlooptijd van procedures voor in de wet aangewezen projecten kan worden verkort.

3.2 Provincie

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de Brabantse Omgevingsvisie sluit de provincie met de hoofdopgaven aan bij rijksbeleid, Europese en mondiale doelstellingen. Het streven is dat de omgevingsvisie, hoewel formeel alleen zelfbindend, Noord-Brabant samenbindt. Want één ding is zeker; samenwerking is meer dan ooit nodig om de Noord-Brabantse omgevingskwaliteit te bewaken en door te ontwikkelen. Waarbij ruimtelijke ordening dienend is aan maatschappelijke doelstellingen. Of het nu gaat om het verkleinen van sociale verschillen, het verbeteren van welvaart, of het gezonder, veiliger en duurzamer maken van onze leefomgeving.

In de Omgevingsvisie Noord-Brabant heeft de provincie vier hoofdopgaven benoemd: werken aan de Brabantse energietransitie, werken aan een klimaatproof Brabant, werken aan de slimme netwerkstad, werken aan een concurrerende, duurzame economie. Hieraan ten grondslag ligt één basisopgave; de provincie streeft naar een veilige en gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

De vier hoofdopgaven hebben een grote ruimtelijke impact. Noord-Brabant is te klein als alles naast elkaar plaatsvindt. Het wordt dus passen en meten, met opgaven naast, onder, boven en met elkaar. Meerwaardecreatie en meervoudig slim ruimtegebruik is noodzaak. De opgaven moeten we daarom altijd in onderlinge samenhang bezien. Diep, rond en breed bekijken, dus.

Als doel voor 2050 heeft de provincie het volgende gesteld: Noord-Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat de provincie op alle aspecten beter presteert dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Noord-Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.

Voor 2030 streeft de provincie naar het volgende: Noord-Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat de provincie voor alle aspecten voldoet aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.

Conclusie

Dit bestemmingsplan voorziet in de toekomstige situatie in de bouw van woningen. De bestemming 'bedrijven' vervalt hiermee in een groot deel van het plangebied. Negatieve effecten op ecologische waarden als gevolg van bedrijvigheid worden met de beoogde ontwikkeling geminimaliseerd. De plannen voor de herontwikkeling zijn daarbij zo opgezet dat zij bijdragen aan het behouden en waar mogelijk versterken van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Het bestemmingsplan past in de kaders die gesteld worden door de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De omgevingsverordening bevat regelgeving die ook anticipeert op de komst van de Omgevingswet en kan gezien worden als een uitwerking van de ambities uit de Brabantse Omgevingsvisie in regels (net als dat de Verordening ruimte Noord-Brabant een uitwerking is van de SVRO). De omgevingsverordening integreert regels uit zes provinciale verordeningen (waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant). De Interim omgevingsverordening trad op 6 november 2019 in werking.

Op 23 maart 2021 is een ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant gepubliceerd. Deze omgevingsverordening treedt in werking als de Omgevingswet in werking treedt en volgt dan de Interim Omgevingsverording Noord-Brabant op. In hoofdstuk 6 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant (ontwerp) zijn de wijzigingen ten opzichte van de Interim Omgevingsverording Noord-Brabant beschreven. Uit dat hoofdstuk kan afgeleid worden dat de verschillen tussen beide verordeningen voor dit bestemmingsplan beperkt zijn. Waar er verschillen tussen beide verordeningen zijn worden zij in de navolgende paragrafen benoemd.

De omgevingsverordening heeft een beleidsneutraal karakter. Dat houdt in dat de omgevingsverordening geen nieuwe beleidswijzigingen doorvoert tenzij dit nieuwe beleid reeds opgenomen is in vastgestelde beleidsdocumenten. De omgevingsverordening is een interimdocument en daarmee een tussenstap naar een definitieve provinciale omgevingsverordening. Gelet op het beleidsneutrale karakter van de omgevingsverordening komen de structuren die de Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie van 1 januari 2019) in het plangebied voorzag inhoudelijk terug in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

In de navolgende alinea's is voor het plangebied geanalyseerd met welke regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant rekening gehouden moet worden. In de onderstaande omschrijving wordt beschreven welke aanduidingen op het plangebied van toepassing zijn. Hierbij zijn de themakaarten 1 t/m 8 van toepassing op het plangebied.

Kaart 1 Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen

Diep grondwaterlichaam

Deze aanduiding hangt samen met een verbod (artikel 2.20 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant/artikel 2.11 van de ontwerpomgevingsverordening Noord-Brabant) op de onconventionele winning van koolwaterstoffen boven, in of onder een diep grondwaterlichaam/in het werkingsgebied diep grondwaterlichaam. Met dit artikel is op die locaties in de bodem de winning van bijvoorbeeld schaliegas door middel van het zogenoemde 'fracking' verboden. Dit bestemmingsplan voorziet niet in de (onconventionele) winning van koolwaterstoffen. Deze aanduiding werpt daarmee geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan op.

Kaart 2: Rechtstreeks werkende regels landbouw

Landelijk gebied

Deze aanduiding stelt diverse regels aan de ontwikkeling van agrarische bedrijven in het landelijk gebied. Dit bestemmingsplan maakt geen agrarische bedrijven mogelijk en deze aanduiding heeft daarom geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Verder geldt dat het bestemmingsplan eveneens (grotendeels) onderdeel is van het stedelijk gebied (zie verder) wat benadrukt dat de regels voor het landelijk gebied in het geval van onderhavige ontwikkeling niet van toepassing zijn.

Verbod uitbreiding veehouderij

Dit verbod heeft geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan omdat er geen veehouderijen of uitbreiding daarvan mogelijk worden gemaakt.

Stalderingsgebied

Op gronden met de aanduiding 'stalderingsgebied' gelden op basis van artikel 3.52 van de Iov (artikel 4.66 Aanvullende regels stalderen van de ontwerpomgevingsverordening Noord-Brabant) extra randvoorwaarden voor de ontwikkeling van veehouderijen. De aanduiding geldt voor geheel Oost- en Midden-Brabant en daarmee dus voor het gehele plangebied. Dit bestemmingsplan maakt geen veehouderijen mogelijk. Uit deze aanduiding vloeien daarom geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan voort.

Kaart 3: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed

Concentratiegebied verstedelijking

Dit stedelijk gebied is krachtens artikel 3.42 van de Interim omgevingsverodening Noord-Brabant (en artikel 4.55 van de ontwerpomgevingsverordening Noord-Brabant) bedoeld voor het bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Stedelijke ontwikkelingen moeten waar mogelijk plaats vinden in het bestaand stedelijk gebied (concentratiegebied). In gebieden met deze aanduiding is er ruimte voor verdere verstedelijking en dus voor nieuwe stedelijke functies, mits daar behoefte aan is (de ontwikkeling past binnen regionale afspraken) en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Gemeenten zijn, binnen de grenzen van wet- en regelgeving, vrij om in deze zone te voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Met dit bestemmingsplan krijgen de gronden met deze aanduiding een woonbestemming teneinde woningbouw mogelijk te maken. Op de behoefte aan de voorgenomen woningbouw is in paragraaf 4.3 van de plantoelichting ingegaan.

In de verordening is het stedelijk gebied niet gedefinieerd. Wat een stedelijke functie is volgt uit (de toepassing van) het Besluit ruimtelijke ordening. Een stedelijke functie bestaat uit de ontwikkeling van bedrijventerreinen, zeehaventerreinen, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Gelet op het voorgaande wordt het fabriekscomplex samen de de overige gronden in het plangebied gezien als een stedelijke voorziening. In de huidige situatie wordt dit deel van het bestaand stedelijk gebied dus ingezet voor stedelijke functies. In de toekomstige situatie blijft dat het geval. Deze aanduiding uit de verordening verzet zich derhalve niet tegen de ontwikkelingen die op gronden met deze aanduiding voorzien zijn.

Als gevolg van een wijziging van een interim omgevingsverordening in september 2022 is het gehele plangebied van dit bestemmingsplan onderdeel geworden van het concentratiegebied verstedelijking. Dat betekent dat de voorgenomen woningbouw plaatsvindt in een gebied dat daar vanuit het provinciaal beleid voor bedoeld is. Als gevolg van deze wijziging zijn de aanduidingen 'attentiezone waterhuishouding', 'behoud en herstel watersystemen', 'groenblauwe mantel' en 'landelijk gebied' die voorheen in het plangebied van toepassing waren vervallen.

Kaart 4: Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden

Afstemming met waterschap De Dommel

Volgens de keur van het waterschap geldt er een verbod op bouwwerken binnen 25 meter (profiel van vrije ruimte) vanuit de insteek van de watergang. Voor bouwen kan vergunning worden verleend als wordt aangetoond dat de ruimte niet nodig is voor beekherstel. Waterschap De Dommel heeft in het kader van contact over het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw' aangegeven dat op de gronden waar de toenmalige Verordening ruimte Noord-Brabant de aanduiding 'behoud en herstel watersystemen' (voorganger van de gelijknamige aanduiding in de omgevingsverordening) op legt geen meanders of grootschalige ingrepen meer nodig zijn en dat de 25 meter dus niet volledig vrij hoeft te blijven. Omdat hier een natuurlijke beek wordt nagestreefd, is het uitgangspunt dat een zo groot mogelijke groene/blauwe zone aan de noordzijde van de beek wordt gerealiseerd voor natuurlijke processen. Het waterschap gaat hierbij uit van minimaal 5 meter (dit valt dan samen met de beschermingszone vanuit de Keur). Op grond van het eerder vastgestelde bestemmingsplan 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw' wordt deze strook vrijgehouden van bebouwing. De omgang met het aspect water is onderdeel van het stedenbouwkundig plan dat voor beide bestemmingsplan voor de locatie Van Besouw opgesteld is. In dat stedenbouwkundig plan is voorzien in een integrale aanpak van het watervraagstuk.

Vanuit bovenstaand oogpunt bestaat er geen bezwaar om de voorgenomen plannen te realiseren in het plangegebied.

Kaart 5: Instructieregels gemeenten: grondwaterbeschermingsgebieden

Deze kaart bevat geen aanduidingen in het plangebied. Toetsing aan deze kaart en de regels die bij de aanduidingen op deze kaart horen, is in het kader van deze bestemmingsplanprocedure niet nodig.

Kaart 6: Instructieregels gemeenten: basiskaart landelijk gebied

Deze kaart bevat geen aanduidingen in het plangebied. Toetsing aan deze kaart en de regels die bij de aanduidingen op deze kaart horen, is in het kader van deze bestemmingsplanprocedure niet nodig.

Kaart 7: Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen

De gevolgen van de aanduidingen die deze kaart aan het plangebied toekent (beperkingen veehouderij en staldeingsgebied) zijn reeds beschouwd bij de toetsing aan kaart 2.

Kaart 8: Instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging

Aanduiding norm wateroverlast buiten stedelijk gebied

Deze aanduiding is van toepassing op het gedeelte van het plangebied waar geen woningbouw voorzien is. In de regels die bij deze aanduiding horen (artikel 4.4, lid 1 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant/artikel 1.8, lid 1 van de ontwerpomgevingsverordening Noord-Brabant) zijn normen gesteld voor de overstromingskans van gebieden. Deze normen zijn als volgt:

  • a. 1/100 per jaar voor gebieden met de ruimtelijke bestemming hoofdinfrastructuur en spoorwegen;
  • b. 1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;
  • c. 1/25 per jaar voor akkerbouw;
  • d. 1/10 per jaar voor grasland.

De normen (en het behalen daarvan) zijn inspanningsverplichtingen. Deze normen worden in acht genomen bij het maken van plannen voor nieuwe bebouwing. Deze aanduiding en regels vormen daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Aanduiding norm wateroverlast stedelijk gebied

Deze aanduiding is van toepassing op de delen van het plangebied waar de stedelijke functies (woningbouw op de bestaande bedrijfsbestemming) voorzien zijn. In de regels die bij deze aanduiding horen (artikel 4.2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant/artikel 1.7, lid 1 van de ontwerpomgevingsverordening Noord-Brabant) zijn normen gesteld voor de overstromingskans van gebieden. Deze normen zijn als volgt:

  • a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen;
  • b. 1/10 per jaar voor overige gebieden.

Dit gebied mag op basis van de normen uit de verordening een maal per honderd jaar overstromen. De normen (en het behalen daarvan) zijn inspanningsverplichtingen. Deze normen worden in acht genomen bij het maken van plannen voor nieuwe bebouwing. Deze aanduiding en regels vormen daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Conclusie

Zoals in deze paragraaf omschreven is, voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de randvoorwaarden en regelgeving van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarvoor was een herbegrenzing nodig was van de aanduidingen 'attentiezone waterhuishouding', 'behoud en herstel watersystemen', 'groenblauwe mantel' en 'landelijk gebied' die de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant voorheen aan delen van het plangebied toekende. Op grond van een onderbouwing die opgenomen was in het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft het college van burgemeester en wethouders op basis van artikel 6.2 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verzoek tot herbegrenzing van de opgenomen aanduidingen en structuren gedaan aan gedeputeerde staten van Noord-Brabant. Dit verzoek is, in september 2022, gehonoreerd voor vaststelling van het bestemmingsplan. Daarmee bestaan er vanuit het provinciaal beleid geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.3 Gemeente

Structuurvisie

De structuurvisie, vastgesteld door de gemeenteraad op 20 juli 2010, biedt het kader voor het te voeren ruimtelijk beleid tot 2020. Het omvat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid.Opgaven in de kern van Goirle zijn om de woonfunctie uit te breiden binnen de begrenzingen van het bestaand stedelijk gebied en om ruimte in het bestaand stedelijk gebied nog beter te benutten door ruimte te bieden aan inbreidings- en herstructureringsopgaven. Voorwaarde bij inbreidings- en herstructurerings- opgaven is dat zij passen bij het karakter van Goirle.

Het plangebied is in de structuurvisie aangewezen voor het beheer en de intensivering van het stedelijk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0010.png"

Afbeelding 3.2: structuurvisiekaart met globale ligging plangebied (witte stip)

Conclusie
Volgens de structuurvisie is er op de locatie van het plangebied ruimte voor herstructurerings- en inbreidingsinitiatieven. De voorgestane ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door dit bestemmingsplan past in het ruimtelijk beleid zoals dat in de structuurvisie vastgelegd is.

Visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....'

Op 15 december 2015 heeft de gemeenteraad van Goirle de visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....' vastgesteld. De visie bevat het ontwikkelingsperspectief op de ontwikkeling van het gedeelte van de zuidrand van Goirle tussen de Kerkstraat-Bergstraat en de Nieuwe Leij.

De visie beschrijft de kaders waarin de zuidrand Goirle een kwaliteitsimpuls gaat krijgen. Bestaande waarden worden daarbij behouden en verrijkt met nieuw toe te voegen waarden. In de toekomst is er in de zuidrand ruimte voor wonen, werken, recreëren en natuur. De monumentale delen van de fabrieken van Van Puijenbroek en Van Besouw blijven daarbij behouden en gaan ruimte bieden voor woonfuncties. De Nieuwe Leij vormt een groenblauwe ader in het plangebied.

Een belangrijk onderdeel van de visie is dat de landschappelijke kwaliteiten en de ligging van de zuidrand als een belangrijke bouwsteen verwerkt moeten worden in het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan.De visie op de toekomst van de zuidrand van Goirle is op verzoek van de gemeente tot stand gekomen in een samenwerking tussen de grondeigenaren in het gebied, de gemeente Goirle, Waterschap de Dommel, de provincie Noord-Brabant, Brabants Landschap, de gemeentelijke monumentencommissie, het Biodiversiteitsteam Goirle en de Stichting Steengoed.

De kaders uit de visie op de zuidrand Goirle zijn vertaald naar een stedenbouwkundig plan (bijlage 1 bij deze toelichting) zoals dat op 8 januari 2019 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld is. Dat stedenbouwkundig plan heeft weer ten grondslag gelegen aan dit bestemmingsplan.

Conclusie

De visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....' werkt via het stedenbouwkundig plan voor de locatie van Van Besouw door in dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan sluit daarmee aan op de visie. De visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....' is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd.

Bestemmingsplan

Als voormalige fabriek kende de locatie Van Besouw (fasen 1 en 2) tot 2020 een bedrijfsbestemming. Op 22 september 2020 is het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt woningbouw in fase 1 mogelijk (deze gronden hebben in dat bestemmingsplan de bestemming 'Woongebied' gekregen. Het bestemmingpslan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" kende aan de gronden van fase 2 een bedrijfsbestemming met de laagste milieucategorie toe om te voorkomen dat de bedrijfsactiviteiten hinder zouden veroorzaken voor bewoners. Met dit bestemmingsplan wordt deze bedrijfsbestemming gewijzigd in een bestemming die woningbouw mogelijk maakt.

De gronden in het plangebied zijn in het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" bestemd als 'Bedrijf'. Daarin is een bouwvlak opgenomen conform het daarvoor geldende bestemmingsplan. Daarnaast is de maximaal toegestane milieucategorie afgewaardeerd tot categorie 1.

Tevens wordt een strook met de bestemming 'Woongebied' dat met fase 1 is bestemd, meegenomen in dit plan, om een passende aansluiting van de bouwvlakken te realiseren.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0011.png"

Afbeelding 3.3: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw'

Toekomstvisie

In 2013 is door de gemeenteraad de “Toekomstvisie gemeente Goirle 2020” vastgesteld onder de titel “Thuis in Goirle: groen, sociaal, ondernemend”. Kortweg werd aan dit document de subtitel “Toekomstvisie 2020” gegeven. Deze visie - gebaseerd op de drie kernbegrippen 'groen, sociaal en ondernemend' – dient als leidraad voor de toekomstige beleidsontwikkeling. De ambitie voor Goirle in 2020 luidt: Onze inwoners voelen zich thuis in de gemeente Goirle, want Goirle is een groene, sociale en ondernemende gemeente.

Goirle is Groen
De gemeente Goirle wordt gekenmerkt door het dorpse en landschappelijke karakter en is een prettige en groene woonomgeving, gelegen in het prachtige groen (bossen, beken, Regte Heide) en nabij de grote stad.

Goirle is Sociaal
De gemeente Goirle is een dynamische en levendige gemeente. De onderlinge sfeer is goed, open en positief. Ieder handelt vanuit zijn of haar verantwoordelijkheid. Problemen worden door onze inwoners zoveel als mogelijk zelf opgelost. In laatste instantie biedt de gemeente een vangnet voor diegenen die daarop zijn aangewezen. We denken en handelen vanuit de ´menselijke maat´. De inwoners kennen elkaar en zijn betrokken bij hun directe naaste omgeving maar zijn ook betrokken bij hun buurten en wijken. We zijn er voor elkaar en zorgen voor elkaar als dat nodig is. Goirle heeft een actief verenigingsleven en er zijn veel vrijwilligers. We zijn trots op ons eigen karakter en onze eigen identiteit en houden deze graag in stand.

Goirle is Ondernemend
Binnen de gemeente Goirle zijn voldoende voorzieningen voor wonen, leven, onderwijs, recreatie en zorg aanwezig voor jong en oud, voor ieder wat wils. Economische ontwikkelingen in dat kader worden waar mogelijk ondersteund. In onze afwegingen maken we een verantwoorde keuze gericht op duurzaamheid. Daarbij wegen we economische en ecologische argumenten in samenhang en zorgen we voor balans. We staan open voor nieuwe initiatieven van burgers, organisaties en ondernemers; soms initiëren we deze initiatieven zelf als we kansen zien of iets willen bereiken. Als gemeente kiezen we hierbij bij voorkeur een regierol.

Conclusie
Concreet voorziet het plan in de bouw van een woongebied met maximaal 38 woningen, waarbij de inpassing van bestaand en nieuw groen aandacht heeft. Door de voorgenomen ontwikkeling te faciliteren, geeft de gemeente Goirle uiting aan de regierol zoals de toekomstvisie die omschrijft.

Hoofdstuk 4 THEMATISCHE BELEIDSKADERS

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema's. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van de kaders. De relevante milieuaspecten en water komen aan bod in de volgende hoofdstukken.

4.1 Stedenbouwkundige uitgangspunten en welstand

Stedenbouwkundige uitgangspunten

Ten behoeve van de integrale ontwikkeling van de zuidrand Goirle is op 15 december 2015 de visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....'vastgesteld (zie bijlage 3 bij deze plantoelichting). In dat document zijn de kaders bepaald die leidend zijn in de ontwikkeling van de zuidrand. Behoud en versterking van de landschappelijke kwaliteit van de zuidrand is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Op basis van die visie is vervolgens het stedenbouwkundig plan voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied vastgesteld (zie separate bijlage 1 bij deze plantoelichting). Dit stedenbouwkundig plan bestaat uit het stedenbouwkundig plan zoals dat in oktober 2018 opgesteld is, een reactie van de gemeente Goirle op het stedebouwkundig plan uit oktober 2018 en toelichting op de aanpassingen die naar aanleiding van die reactie in het stedenbouwkundig plan gedaan zijn. Al deze stukken zijn te vinden in de eerdergenoemde separate bijlage 1.

De landschappelijke en industriële cultuurhistorie zijn belangrijke uitgangspunten van het stedenbouwkundig plan. Zo krijgen enkele architectonische relicten - het accu- en pomphuis, een kantoor (voorgevel), de schoorsteen en de portiersloge - een nieuwe bestemming voor de toekomst. Ook verhardingsmaterialen worden zoveel mogelijk hergebruikt voor de straten en pleinen. De fabrieksstraat en aansluitend het plein bieden een venster op het landschap. Het industriële verleden vertaald in een eigentijds plan kijkt hier uit op een duurzaam watersysteem van de toekomst. Op basis van de visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....' (zie separate bijlage 3 bij deze plantoelichting) worden verschillende facetten van de textielproductie zichtbaar gemaakt rond de fabrieksstraat. De combinatie van cultuurhistorisch waardevolle elementen en nieuwe bebouwing (die in uitstraling naar de fabrieksbebouwing verwijst) geven uitdrukking aan de textielindustrie.

In het stedenbouwkundig plan zijn verschillende buurten in het plangebied voorzien. Die buurten reageren op het cultuurhistorisch karakter van de locatie Van Besouw. Dit cultuurhistorisch karakter is als volgt uitgewerkt in de buurten (zie ook figuur 4.2). De cultuurhistorische elementen zijn voornamelijk aanwezig in fase 1 van de ontwikkeling. In deze tweede fase zijn de volgende buurten opgenomen:

  • De Lanen is een kleinschalig dorps buurtje op de locatie van de nieuwe hallen van Van Besouw.
  • Aan de zijde van de Kerkstraat wordt het historisch lint afgemaakt, met een afwisseling van dorpse woningen langs de straat.

Landschap

Afbeelding 4.1 toont een uitsnede van het landschapsbeleidsplan van de gemeente Goirle. Uit dat figuur blijkt dat de locatie van Van Besouw op de overgang van de bebouwde kom van Goirle naar het beekdal van de Nieuwe Leij ligt. Een zorgvuldige vormgeving van deze overgang alsmede het verbeteren van de toegankelijk van het beekdal vanuit de kern van Goirle is van belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0012.png"

Afbeelding 4.1 Uitsnede landschapsbeleidsplan Goirle met locatie van Van Besouw (rode ovaal) op de overgang van kern naar beekdal

In de toekomstige situatie ontstaat ten noorden van de Nieuwe Leij een groene dorpsrand met natuurvriendelijke oevers en een wandelpad. Ook de Fabrieksstraat (fase 1) en de Beeksedijk krijgen een functie als wandelroute. Deze routes zorgen voor een fijnmazig netwerk van wandelroutes tussen dorpskern en buitengebied en maken het industriële verleden van het gebied beleefbaar. De locatie van de voormalige fabriek gaat daarmee ook meer dan nu onderdeel uitmaken van de kern van Goirle. Conform de Visie 'Zuidrand Goirle met de tijdstroom mee....' levert dit bestemmingsplan daarmee een bijdrage aan de ontwikkeling van een gedeelte van het gewenste wandelpad tussen de Vloeidijk en de Beeksedijk.

De huidige groene dorpsrand met populieren wordt vervangen door een meer gevarieerde, natuurlijke inrichting van de Nieuwe Leij met flauwe oevers en bomen.

Wateropgave

In de nieuwe situatie krijgt de Nieuwe Leij meer ruimte. De noordelijke oever ter hoogte van het plangebied wordt flauwer gemaakt en aangevuld met een laagte (zoals eerder al met de zuidoever gedaan is). Op die manier ontstaat een waterbergingsgebied waar eventueel overvloedig regenwater in opgevangen kan worden. Met de herinrichting van de Nieuwe Leij worden ook de ecologische en recreatieve waarden versterkt. Conform de visie op de zuidrand van Goirle ontstaat daarmee ook een groene overgang tussen de nieuwe woonbuurt en de Nieuwe Leij.

In het gedeelte van het plangebied waar woningen gebouwd gaan worden, worden maatregelen genomen om water vast te houden, te bergen en te infiltreren. Wadi's in de lanen houden het water vast.

Stedenbouwkundig raamwerk en buurten

Als de voorgaande uitgangspunten gecombineerd worden, dan ontstaat het volgende raamwerk voor het plangebied:

  • Het historisch dorpslint wordt door de ontwikkeling van Van Besouw gecontinueerd. Er ontstaat een langgerekt lint begeleid door kleinschalige bebouwing en pleintjes. De inrichting van de openbare ruimte sluit aan op het historisch profiel met hagen en dito materialisatie.
  • De Nieuwe Leij vormt een herkenbaar element in het landschap. Flauwe (natuurvriendelijke) taluds met beplanting passend bij het beekdal en versterken deze lijn.
  • De Fabrieksstraat vormt een strategische loper tussen dorp en beekdal. Behoud van relicten en aanvullingen passend bij het industrieel verleden geven deze loper een herkenbare eigen identiteit.
  • De Beeksedijk vormt een belangrijke route tussen het dorp en het beekdal. Extra maat in het profiel en versterking van het groene karakter versterken de bestaande fiets- en autoroute.

Binnen dat raamwerk worden verschillende buurten ontwikkeld. Iedere buurt heeft een eigen sfeer:

  • 1. Het lint: Woonbuurt aan de Kerkstraat met een dorpse woonsfeer.
  • 2. De Fabriek: Woonbuurt aan de westzijde van het plangebied met een industriële woonsfeer.
  • 3. De Lanen: Woonbuurt aan de oostzijde van het plangebied met een landelijke woonsfeer.

Dit bestemmingsplan bestaat deels uit de woonbuurt de Lanen en deels uit woonbuurt het Lint.

Navolgend figuur toont de verschillende buurten en de wijze waarop die buurten verwijzen naar de cultuurhistorie van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0013.png"

Afbeelding 4.2: Buurten in het stedenbouwkundig plan (bron: stedenbouwkundig plan Van Besouw, Mulleners + Mulleners architecten, Bedaux De Brouwer architecten & Buro Lubbers, oktober 2018)

Het Lint

In het Lint wordt het karakter van de bestaande bebouwing langs de Kerkstraat doorgezet. De Kerkstraat is een historisch bebouwingslint en de bebouwing aan dit lint heeft een wisselende verschijningsvorm. Deze diversiteit vormt de basis voor de nieuwe bebouwing die in het plangebied aan het lint voorzien is.

De Lanen

Dit deelgebied wordt een kleinschalig buurtje met een dorps/landelijk karakter. Het buurtje wordt gerealiseerd op de locatie van de nieuwste hallen van Van Besouw (dus nabij de Beeksedijk). De inspiratie voor dit buurtje bestaat uit de groene kamers (groengebieden tussen bebouwing) die vroeger tussen de Kerkstraat en de Nieuw Leij te vinden waren. Vanaf de Kerkstraat lopen twee laantjes/woonstraatjes tussen de nieuwe bebouwing naar de Nieuwe Leij. Aan de zijde van de Kerkstraat wordt het historische lint afgemaakt, met een afwisseling van dorpse woningen langs de straat. Aan de zijde van de Nieuwe Leij vormt een royale flauwe, groene oever een mooie overgang naar de beek. Hier ligt ook de hoofdontsluiting, die aansluit op de Beeksedijk.

De deelgebieden 'De Fabriek' en 'Overgang naar het landschap' maken deel uit van het inmiddels vastgestelde bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" (fase 1) en vallen buiten dit bestemmingsplan.

Voor een uitgebreide beschrijving van de invulling van de verschillende deelgebieden wordt verwezen naar paragraaf 2.4 en bijlage 1 (het vastgestelde stedenbouwkundig plan) bij deze toelichting. In bijlage 1 bij deze toelichting is tevens verwoord hoe de uitgangspunten uit de visie op de zuidrand (bijlage 3) vertaald zijn naar de stedenbouwkundige visie.

Beeldkwaliteitsplan

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. In opdracht van de NBU Projectontwikkeling IV is door Bedaux de Brouwer Architecten en Mulleners + Mulleners in januari 2019 het beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 2 bij deze plantoelichting en zie bijlage 2 bij de planregels). Een belangrijk uitgangspunt van dit plan is het scheppen van eenheid voor de beeldkwaliteit van de woningen en appartementen. Hierbij moet zichtbaar zijn dat het begin van het plan bij het einde hoort, alsook de fabriek in het verleden één terrein was. Het gaat er dus om dat deelplannen voor de woningbouwontwikkeling in het grote geheel van de gehele herontwikkeling van het plangebied passen.

De cultuurhistorische betekenis van de plek biedt mogelijkheden voor een architectuur die zich richt op de eigenheid van de locatie Van Besouw. Ook de historische relatie tussen het beekdal van de Nieuwe Leij en Van Besouw kan opnieuw tot uitdrukking worden gebracht door de architectuur. Het beeldkwaliteitsplan is op basis van een aantal thema's opgesteld. Deze thema's worden onderstaand toegelicht.

Het beeldkwaliteitsplan heeft betrekking op het gehele terrein van de locatie Van Besouw en is opgesteld in het kader van de planvorming voor de ontwikkeling van fase 1 van de locatie Van Besouw. In dat verband is het beeldkwaliteitsplan dan ook op 22 september 2020 samen met het bestemmingsplan voor fase 1 vastgesteld door de gemeenteraad. Het beeldkwaliteitsplan wordt ook voor fase 2 gebruikt. Omdat het reeds is vastgesteld hoeft het niet opnieuw vastgesteld te worden. Voor de volledigheid is het beeldkwaliteitsplan als bijlage 2 bij deze plantoelichting en als bijlage 2 bij de planregels gevoegd. Door het beeldkwaliteitsplan als bijlage bij de regels te voegen maakt het deel uit van de planregels van dit bestemmingsplan en vormt het een direct toetsingskader voor te zijner tijd te verlenen omgevingsvergunningen voor bouwactiviteiten. Over de inhoud van het beeldkwaliteitsplan heeft de gemeentelijke welstandscommissie positief geadviseerd.

Eenheid van architectuur en morfologie

Het doel ten aanzien van architectuur en de morfologie is het scheppen van een eenheid in het plangebied en tegelijkertijd de diversiteit en eigenheid te bewaren van de industriële, dorpse en landelijke buurten. De drie buurten (De fabriek, Het Lint en De Lanen) of woonsferen zijn individueel herkenbaar én onafscheidelijk verbonden door het concept van het totaalplan. Hierin beweegt de architectuur planbreed tussen modern en klassiek.

Ontwerpuitgangspunten om eenheid te creëren:

  • Het plan is een totaalplan en dat moet zichtbaar zijn.
  • Zoeken naar eenheid binnen een veelvoud aan woningtypes, door middel van een beperkt architectuur- en materiaalpalet.

Om verscheidenheid te creëren:

  • Aansluiting op bestaande context, aan randen van plangebied.
  • Subtiel variatie aanbrengen binnen de afzonderlijke buurten is mogelijk, zolang de samenhang behouden blijft.
  • Zoeken naar een relatie met wat op de specifieke plaats heeft gestaan.

Beeldkwaliteit planbreed

Evenals de basiselementen van de openbare ruimte vormt de architectuur zich naar enkele elementen die steeds op eigen wijze binnen het totaalplan voorkomen. Het voornemen is om deze basis aan te vullen met nieuwe elementen die passend zijn bij de specifieke identiteit en woonsfeer. Het herhalen van vorm, materialen en details zorgt vervolgens voor planbrede uniformiteit.

Materialisatie

Planbreed is de nieuwbouw geïnspireerd door het verleden van Van Besouw. Hiermee kunnen de nieuwe woonbuurten voortborduren op de eigenheid van de plek en een unieke en boeiende identiteit krijgen. Gericht op de materialisatie resulteert dit in een ambachtelijk gebruik van baksteen door middel van bijzondere metselwerkverbanden, rollagen, staand metselwerk en spiegelstukken. Hierbij is er ook aandacht voor het voegwerk.

De Fabriek

Het plandeel De Fabriek maakt deel uit van fase 1 en wordt in dit plan niet nader toegelicht.

Het Lint

Plandeel het Lint maakt deel uit van de historische ‘ruggengraat’ van Goirle en dient zich hiernaar te vormen. De bebouwing sluit aan op de typologieën van een dorpsstraat, zoals aan het noordelijke deel van de Kerkstraat aan zijde tussen de kerk en de portierloge. De nieuwbouw werkt helend voor historische continuïteit van lintbebouwing.

Dorpse vriendelijkheid en verscheidenheid kan hier ter uiting komen door een afwisseling van roodbruine, roodpaarse en gekeimde gevels, al dan niet beëindigd in een donkere dakpan. Elementen als een Frans balkon kunnen in de gevel een openheid creëren, om zo de vriendelijkheid en relatie binnen-buiten te benadrukken. Ten alle tijden dienen de zonnepanelen op het achtervlak te liggen, om geen afbreuk te doen aan het historische lint. Gezien de oriëntatie op zuid is dit ook de meest voordelige plaatsing.

De Lanen

De woningen in het gebied kennen een hoogwaardige architectuur met bijzondere aandacht voor detaillering en materialen. De architectuur kenmerkt zich door een eigentijds landelijke uitstraling met een ingetogen modern karakter, waarbij de diverse woningen meer uitdrukking geven aan individuele woonwensen. De materialisatie hier kan gezien worden als een doorzetting van plandeel Het Lint, waarbij elementen als houten luiken en omlijstingen de landelijke sfeer kunnen benadrukken.

4.2 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

4.2.1 Archeologie

Algemeen

Omdat in groeiende mate het Europese archeologische erfgoed werd bedreigd, is in 1992 het Verdrag van Malta tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologische belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen plaats te laten vinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, in casu de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bhetodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald.

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee is het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Dit betekent onder meer het volgende:

  • de introductie van het veroorzakersprincipe, waardoor de kosten van archeologisch onderzoek verhaald kunnen worden op de verstoorder;
  • de verankering van de archeologische monumentenzorg in de ruimtelijke ordening.

In wetgeving is de omgang met archeologisch erfgoed geregeld en zijn enkele uitgangspunten en doelstellingen gesteld. Zo kan iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem verstoord wordt, verplicht worden gesteld om een rapport over te leggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist. Dit bestaat in de eerste plaats uit vooronderzoek: het bureauonderzoek en/of inventariserende veldonderzoek, elk met bijbehorende standaardrapportages. Tijdens het bureauonderzoek wordt gekeken naar wat er in historisch, archeologisch en aardwetenschappelijk opzicht al bekend is over het plangebied. De volgende fase bestaat in veel gevallen uit een veldonderzoek. Dergelijk onderzoek heeft als doel kansrijke en kansarme zones te karteren. Hierbij kan booronderzoek plaatsvinden alsmede proefsleuvenonderzoek. De resultaten dienen vervolgens te worden gewaardeerd. Tijdens de waarderende fase wordt van de aangetroffen vindplaatsen, ook wel site genoemd, de omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit vastgesteld om zo tot een oordeel over de behoudenswaardigheid te komen. Op basis van dit oordeel neemt de betrokken overheid een (selectie)besluit hoe met eventueel aanwezige vindplaatsen dient te worden omgegaan.

Onderzoek

In het kader van de ontwikkeling Zuidrand Goirle heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd voor de totale planontwikkeling Zuidrand Goirle. Onderstaand worden de conclusies behandeld. Het complete onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd.

Archeologie

Op basis van het bureauonderzoek is aan het plangebied grotendeels een middelhoge tot hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden uit de steentijd tot en met de nieuwe tijd. In hoeverre het archeologisch niveau verstoord zal raken door de geplande herinrichting van het gebied en of het gebied al verstoord is door de huidige inrichting, is afhankelijk van de dikte van het ophoogdek. Derhalve wordt geadviseerd om in de nog niet onderzochte gebieden met een middelhoge tot hoge verwachting voor archeologische waarden uit de steentijd tot en met de volle middeleeuwen bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm –mv (normale ploegdiepte) een verkennend booronderzoek uit te voeren om de aard en intactheid van de bodem nader in kaart te brengen.

Op basis van het bureauonderzoek is in oktober 2018 een verkennend booronderzoek uitgevoerd door Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie (bijlage 5 bij deze toelichting). Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw van het plangebied gekenmerkt wordt door een diep verstoorde bouwvoor op (verspoeld) dekzand. De kans op het aantreffen van archeologische waarden is daardoor zeer klein. In het verkennend booronderzoek wordt derhalve geadviseerd om geen nader onderzoek naar archeologische waarden uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor werkzaamheden.

Het Monumentenhuis Brabant heeft op 13 december 2018 ingestemd met het advies om geen nader onderzoek naar archeologische waarden uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor werkzaamheden (bijlage 6 bij deze plantoelichting). Naar aanleiding daarvan heeft het bevoegd gezag op 9 april 2019 ingestemd met dit selectieadvies. Het plangebied is daarmee vrijgegeven voor de realisatie van de plannen en nader onderzoek naar archeologie derhalve niet noodzakelijk. Bijlage 7 bij deze plantoelichting bevat het selectiebesluit.

Conclusie  
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied. Ondanks dat de kans op het aantreffen van archeologische waarden in het plangebied nihil is, bestaat altijd de kans dat er een toevalsvondst gedaan wordt. Voor toevalsvondsten geldt op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht. Voor aanvang van de werkzaamheden in het plangebied wordt de uitvoerder van de werkzaamheden op deze meldingsplicht gewezen. Bij een toevalsvondst wordt de vondst zo spoedig mogelijk gemeld bij het bevoegd gezag, de gemeente Goirle en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

4.2.2 Cultuurhistorie en monumenten

Algemeen

Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet 1988, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

Gemeentelijke monumenten

In het plangebied voor fase 2 komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing voor. In dit plan, ten behoeve van de ontwikkeling van fase 2, gelden geen bijzondere aandachtspunten vanuit cultuurhistorisch oogpunt.

In de planvorming voor fase 1 is een uitgebreide analyse gemaakt van de historische geografie en de bouwhistorie. Deze analyse is voor de volledigheid als bijlage 4 bij de plantoelichting gevoegd. Daarnaast is, in het kader van het opstellen van het bestemmingsplan voor fase 1, advies ingewonnen van de monumentencommissie (zie bijlage 8 bij de plantoelichting).

Conclusie

Cultuurhistorische waarden en gebouwen komen alleen in het plangebied van fase 1 voor en worden beschermd door het desbetreffende bestemmingsplan. In het plangebied van fase 2 komen geen cultuurhistorische waardevolle bebouwing of historisch-geografische lijnen voor en is het instellen van een dergelijk beschermingsregime niet nodig. Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan daarmee niet in de weg.

4.3 Volkshuisvesting

Ladder voor duurzame verstedelijking

Bij de afweging tussen de verschillende locaties moet in de eerste plaats worden gekeken naar de ladder voor duurzame verstedelijking. Dit is een vereiste uit het Besluit ruimtelijke ordening.

Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Deze is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Eén van de voorwaarden die de gemeente heeft gesteld bij het vaststellen van de visie voor de Zuidrand Goirle is dat er gebouwd wordt naar behoefte, zowel kwantitatief en kwalitatief.

Bestaand stedelijk gebied

De locatie van Van Besouw ligt in het bestaand stedelijk gebied van Goirle. Dit blijkt uit de wijze waarop het plangebied getypeerd is in het beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Goirle.

In aanvulling op het voorgaande geldt dat artikel artikel 1.1.1, lid 1, sub h van het Besluit ruimtelijke ordening het bestaand gebied als volgt definieert:

bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

In het plangebied is sprake van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van (bedrijfs)bebouwing. Deze bebouwing ligt in een raamwerk dat bestaat uit wegen en (stedelijke) groenstructuren. Ook hieruit blijkt dat het plangebied onderdeel is van het bestaand stedelijk gebied.

Kwantitatief

In de Woonvisie 2019 heeft de raad uitgangspunten opgenomen voor het prioriteren van woningbouwlocaties. Nu is geconstateerd dat prioritering van de locaties niet langer nodig is, stelt het college in dit Woningbouwprogramma een werkwijze voor waarop zij de doelen en ambities uit de Woonvisie wil bereiken. Omdat deze werkwijze niet is opgenomen in de Woonvisie consulteert het college de raad over de wijze waarop het college invulling wil geven aan de door de gemeenteraad gestelde kaders, voordat het college het Woningbouwprogramma- en prioritering 2020-2021 definitief vaststelt.

De gemeenteraad heeft d.d. 3 november 2020 ingestemd met het Woningbouwprogramma- en prioritering 2020-2021. Hierin zijn voor fase 2 van Van Besouw 35 woningen opgenomen. Het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" maakt de bouw van 155 woningen in fase 1 mogelijk. In fase 1 worden echter 149 woningen gerealiseerd. Zes woningen worden dus niet gebouwd. Van deze zes woningen worden er drie, op basis van een privaatrechtelijke afspraak tussen de gemeente Goirle en de ontwikkelaar, toegevoegd aan de ontwikkeling van fase 2. Daarmee maakt dit bestemmingsplan voor fase 2 maximaal 38 (35+3) woningen in fase 2 mogelijk en voldoet daarmee aan de kwantitatieve behoefte. In totaal worden daarmee op de totale locatie Van Besouw op grond van dit bestemmingsplan en het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" 187 woningen gebouwd.

Kwalitatief

In het plangebied worden verschillende woningentypologieën gerealiseerd. De definitieve invulling is momenteel nog niet volledig bekend, maar er komen (op basis van de huidige inzichten) onder andere aaneengebouwde woningen, twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande/geschakelde woningen. In de regels van dit bestemmingsplan zijn voor de (sociale) aaneengebouwde woningen minimaal te realiseren aantallen opgenomen.

Sociale eenheden maken ook onderdeel uit van de kwalitatieve behoefte. Woonstichting Leystromen heeft voor haar gehele bezit een portefeuillestrategie opgesteld. Hierin is bepaald wat de toekomstige behoefte is aan sociale eenheden. Op basis hiervan is gekeken naar het gewenste aantal sociale eenheden voor de gehele Zuidrand Goirle. In de notitie "Sociaal woonprogramma Zuidrand Goirle" van woonstichting Leystromen is dit aantal toegelicht en toegedeeld aan de deellocaties Van Besouw en Van Puijenbroek/Land van Anna. Binnen de portefeuillestrategie past een toevoeging van circa 50 DAEB (Diensten van Algemeen Economisch Belang) huurwoningen in de totale Zuidrand. Voor de verdeling van de 50 woningen zijn er 28 sociale woningen toegedeeld aan Van Besouw. Daarvan maken er 9 deel uit van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan. Deze zijn in de planregels vastgelegd. Daarmee kan worden gestuurd in het woningaanbod binnen het plangebied.

Conclusie

Het planvoornemen voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022

Het gemeentelijk woonbeleid volgt uit de vierjaarlijkse woonvisie. Op 2 juli 2019 is de Woonvisie gemeente Goirle 2019-2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie zijn de volgende ambities benoemd:

  • 1. Doelgroepen: De gemeente luistert goed naar woningzoekenden in de gemeente Goirle.
  • 2. Duurzaamheid: De gemeente wil zorgvuldig omgaan met energie, water en grondstoffen zoals beschreven in het Milieubeleidsplan Duurzaam Goirle 2017-2022. Nieuwe woningen moeten weinig tot geen energie verbruiken en zo min mogelijk CO2 uitstoten.
  • 3. Woonomgeving: De gemeente wil aantrekkelijk zijn voor jong en oud en een prettige alsmede groene omgeving bieden. Dit geldt zowel voor de woning zelf, maar ook voor de locatie, diens omgeving en de voorzieningen.
  • 4. Nieuwbouw: De gemeente wil voldoende en de juiste woningen bouwen en de gewenste woonmilieus toevoegen. De gemeente neemt de woningbehoefte van Goirlenaren als uitgangspunt bij het bouwen en realiseren van nieuwe woningen. Bij de woningprogrammering houdt de gemeente rekening met de woningen en woonmilieus die door verhuizing beschikbaar komen.

De woonvisie is tot stand gekomen op basis van een kwalitatief woonbehoefteonderzoek uit 2018 en twee bijeenkomsten (1 in Goirle en 1 in Riel) waar inwoners aan konden geven wat zijn belangrijk vinden in hun woonplaats.

Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat de gemeente Goirle in de jaren 2018-2028 gemiddeld 100 woningen per jaar wil realiseren. 80-90% van dit aantal wordt gerealiseerd in Goirle en 10-20% van dit aantal wordt gerealiseerd in Riel. De woningen die op de locatie Bakertand gerealiseerd mogen worden vallen buiten deze ambities. De gemeentelijke bouwopgave wordt jaarlijks in regioverband berekend.

Bij voorkeur voegt de gemeente Goirle woonmilieus toe waar op lange termijn een tekort aan ontstaat en waarvan er onvoldoende vrijkomen door doorstroming. Aanvullend voegt de gemeente woonmilieus toe die al in relatief ruimte mate beschikbaar zijn. Concreet zet de gemeente de komende jaren in op de toevoeging van koopwoningen in middeldure en dure categorieën om een verhuisstroom op gang te brengen. De afspraken over de woningbouw in de Zuidrand zijn getoetst aan de bepalingen uit de woonvisie over de woningen die in specifieke categorieën gerealiseerd moeten worden en voldoen aan die afspraken en de woonbehoefte.

Conclusie

Onderhavig plan bevat een gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de vraag naar woningen binnen de gemeente. Het te realiseren programma voldoet aan de afspraken uit de woonvisie. De nieuw te bouwen woningen worden zo energiezuinig mogelijk uitgevoerd. Daarnaast is de woningbouwlocatie na ontwikkeling te kenmerken als een prettige en groene omgeving. Met deze ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambities van de gemeente Goirle.

Conclusie

Dit bestemmingsplan maakt deel uit van de gebonden capaciteit.Er is sprake van gebonden capaciteit wanneer het college heeft besloten tot:

  • Het starten van de benodigde ruimtelijke procedure om woningbouw op deze locatie mogelijk te maken. en/of
  • Het aangaan van een intentieovereenkomst of anterieure overeenkomst voor ontwikkeling van de locatie,

Met voorliggend plan is voorzien in een totaal aantal van 38 woningen, waarvan de verdeling over de verschillende woningtypologieën nog nader bepaald wordt.

4.4 Groen

De gemeenteraad heeft op 11 maart 2014 het Groenstructuurplan vastgesteld. Dit plan bevat de langetermijnvisie op het gemeentelijk groen binnen de bebouwde kom.

Het openbaar groen van de gemeente Goirle fungeert als visitekaartje van de gemeente en is bepalend voor de sfeer en beleving van de openbare ruimte.

De wijken in de kernen in de gemeente Goirle hebben allemaal hun eigen karakteristieken. Het plangebied ligt volgens het groenstructuurplan in de wijk 'Abcoven'.

Het groenstructuurplan beschrijft dat onder andere de Kerkstraat en de Beeksedijk een mooie groenstructuur met grote bomen hebben. Deze kwaliteit heeft een relatie met het plangebied. Een andere kwaliteit van de groenstructuur die een relatie met het plangebied heeft is de groene dorpsrand die gevormd wordt door het beekdal van de Nieuwe Leij.

De nieuwe wijk krijgt voldoende bomen en openbaar groen in de straat om de buurt aantrekkelijk en leefbaar te houden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0014.png"

Afbeelding 4.4: Uitsnede uit de groenstructurenkaart van Abcoven in Goirle (plangebied rood omlijnd)

De groenstructurenkaart van Goirle (afbeelding 4.4) laat verder zien dat binnen het plangebied, op de hoek Kerkstraat-Beeksedijk, buurtgroen gesitueerd is. Het plangebied wordt gekenmerkt door de groene randen. Het middengebied is dicht bebouwd. In de nieuwe situatie blijven de groene randen grotendeels behouden. Wel worden er bomen gekapt en wordt de oever van de Nieuwe Leij flauwer gemaakt. In de nieuwe situatie komen nieuwe bomen terug in de openbare ruimte en tuinen. Het buurtgroen bestaat uit groenvlakken in de wijken die een belangrijke functie hebben op buurtniveau. Ze zijn niet bepalend voor de geleiding van de wijk. Buurtgroen heeft een functie in afscherming en aankleding maar vooral ook in klimaatadaptatie om hittestress tegen te gaan en water op te vangen. Buurtgroen is medebepalend voor de sfeer en leefbaarheid van de buurt. Hierbij is het belangrijk dat de inrichting van het groen is afgestemd op deze functie en dat het een rustige en open uitstraling heeft. Het buurtgroen dient te worden behouden en waar mogelijk versterkt.

Een deel van het buurtgroen op de hoek Kerkstraat-Beeksedijk wordt in de toekomstige situatie bebouwd. Een deel krijgt de functie van wadi. Tegenover het deels bebouwen van betreffend buurtgroen staat het realiseren van nieuw buurtgroen binnen het toekomstig woongebied. Dit groen heeft een openbaar en functioneel karakter en is daarmee van meerwaarde voor het gebied en de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0015.png"

Afbeelding 4.5: In blauw de te handhaven bomen locatie Van Besouw (bron: stedenbouwkundig plan Van Besouw, Mulleners + Mulleners architecten, Bedaux De Brouwer architecten & Buro Lubbers, oktober 2018)

Ten behoeve van het opstellen van het stedenbouwkundig plan is een tweetal zogenoemde boomeffectanalyses (BEA) uitgevoerd. Op basis van deze BEA's is bepaald welke bomen in het plangebied behoudenswaardig zijn en in het verlengde daarvan, welke komen gekapt of gehandhaafd (al dan niet na verplanting) kunnen worden. Afbeelding 4.5 toont de te handhaven bomen in het plangebied. De uitgevoerde BEA's zijn als bijlage 9 en bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd.

Conclusie

In het plan wordt een aantal waardevolle en bestaande bomen ingepast. Er gaan bestaande bomen verloren, echter er komen in de nieuwe wijk veel nieuwe bomen in de openbare ruimte voor terug. In de Kerkstraat worden de bestaande lindes en meidoornhagen behouden zoals ook is opgenomen in het groenplan van de gemeente. Aan de Beeksedijk blijft de rij eiken langs de weg behouden.  Het groene profiel van de Beeksedijk biedt straks ruimte aan tijdelijke waterberging. De zuidrand (langs de Nieuwe Leij) krijgt een breed en flauw talud. Daarin komen ook weer bomen te staan. Dat wordt een nieuwe groene dorpsrand. In het plan worden ook hagen en plantvakken aangelegd en er wordt gestreefd naar groene erfscheidingen in de vorm van hagen. Er is ruimte opgenomen voor drie 'informele speelplekken'. Het aspect groen is hiermee voldoende onderzocht en geïntegreerd in het plangebied.

4.5 Verkeer en parkeren

Verkeer

Door Antea Group is in 2021 een verkeersonderzoek uitgevoerd. Met dit onderzoek wordt de verkeerskundige impact op de omgeving in beeld gebracht. Het gaat daarbij om de verkeersgeneratie en –verdeling van de motorvoertuigbewegingen. Daarmee kan worden beoordeeld wat de impact is op de omgeving. Dit verkeersonderzoek gaat in op de ontwikkeling van dit bestemmingsplan.

Hierbij is uitgegaan van het jaar 2030, waarbij Van Besouw fase 1 al is opgenomen. Het komt erop neer dat in dit verkeersonderzoek dus de volledige ontwikkeling van Van Besouw in beeld is gebracht.

Beoordeeld is of het netwerk het extra verkeer kan verwerken. Daarbij is een worstcasebenadering toegepast waarbij uitgegaan is van de woningbouwaantallen die in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Voor Van Besouw in totaal worden 1.494 verkeersbewegingen per gemiddelde werkdag berekend, voor zowel fase 1 als fase 2. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 3.1 van het onderzoek. Het complete onderzoek is als bijlage 11 bijgevoegd.

Fase 2 is ingeklemd tussen de fase 1 in het westen, de Kerkstraat in het noorden, en de Beeksedijk in het oosten. De ontsluiting van fase 2 zal verlopen via de Beeksedijk en de Kerkstraat (zie figuur 3.1 van het onderzoek). Via de Kerkstraat kan alleen richting Van Besouw worden gereden, al het verkeer verlaat de wijk via de Beeksedijk. Dit komt doordat de ingangen vanaf de Kerkstraat eenrichtingswegen zijn richting Van Besouw. Hierdoor is het alleen mogelijk om de wijk te verlaten via de Beeksedijk. Tussen het oostelijke en westelijke deel van het plangebied is geen onderlinge uitwisseling voor gemotoriseerd verkeer mogelijk.

Op basis van de resultaten van het verkeersmodel en ervaringen van de gemeente Goirle (GVVP 2013) is een viertal kruispunten geselecteerd die nader zijn onderzocht, waarbij is beoordeeld of deze kruisingen de toekomstige verkeersstromen kunnen afwikkelen.

Het gaat om de volgende kruispunten:

  • Van Besouw – Beeksedijk (voorrangskruispunt);
  • Rillaersebaan – Turnhoutsebaan (verkeerslichten);
  • Turnhoutsebaan – Tijvoortsebaan (rotonde);
  • Rillaersebaan – Tilburgseweg (rotonde).

Alleen op de wegen dichtbij het plangebied is er een significante toename van het verkeer berekend (Abcovenseweg, Molenstraat). Deze toename zorgt niet voor doorstromingsproblemen, er worden namelijk geen nieuwe knelpunten berekend. Daarnaast blijven de intensiteiten op de wegvakken binnen de gestelde grenswaarde.

Dit bestemmingsplan is het tweede bestemmingsplan voor de locatie Van Besouw. Daarnaast wordt ook het voormalig fabrieksterrein van Van Puijenbroek getransformeerd tot woningbouwlocatie. In totaal zijn er daarmee drie woningbouwontwikkelingen in de zuidrand in uitvoering/ontwikkeling. In totaal worden in deze drie projecten samen circa 390 woningen gerealiseerd. Het gezamenlijk effect van deze woningbouwontwikkelingen is beschouwd in het verkeersonderzoek. Uit deze beschouwing blijkt dat de ontwikkelingen in totaal tot circa 3.000 motorvoertuigbewegingen per werkdag leiden en dat dit niet leidt tot het ontstaan van knelpunten.

Conclusie

Door de ontwikkelingen van dit bestemmingsplan krijgt het verkeersnetwerk van Goirle meer verkeer te verwerken. Dit extra verkeer zorgt niet voor nieuwe of veel grotere verkeersproblemen in Goirle ten opzichte van de autonome situatie. Een viertal kruispunten is nader onderzocht, omdat deze maatgevend zijn voor de afwikkeling van het verkeer in Goirle of voor de locatie Van Besouw. Uit deze kruispuntberekeningen komt naar voren dat deze in autonome situatie, noch in de plansituatie een knelpunt in de verkeersafwikkeling vormen. Daarom worden er voor zowel de ochtend- als de avondspits geen problemen verwacht met de doorstroming op deze beschouwde kruispunten in Goirle. Daarnaast zijn er op andere wegvakken geen doorstromingsknelpunten berekend.

Ook het toekomstige voorrangskruispunt tussen de Beeksedijk en Van Besouw kan al het verkeer van en naar de ontwikkeling voldoende afwikkelen. Hier zijn geen doorstromingsproblemen te verwachten.

Algehele conclusie is dat door de ontwikkeling van dit bestemmingsplan er ongeveer 300 motorvoertuigen per etmaal van en naar het plangebied gaan. Deze 300 motorvoertuigen zorgen niet voor doorstromingsknelpunten in Goirle.

Parkeren

Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan was het uitgangspunt dat de auto in het plangebied te gast (maar niet onzichtbaar) moet zijn. Daarbij gold wel als voorwaarde dat de auto niet overheersend aanwezig mag zijn in het straatbeeld. Om die reden zijn de meeste parkeervoorzieningen op eigen terrein of in parkeerclusters georganiseerd.

Het parkeren is bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan met inachtneming van het woningbouwprogramma uitgewerkt op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid. Omdat het inrichtingsplan na vaststelling van het stedenbouwkundig plan is doorontwikkeld, is de parkeertelling nogmaals uitgevoerd. Deze telling is als bijlage 12 bij deze plantoelichting gevoegd. De parkeertelling is tot stand gekomen op basis van CROW-publicatie 317. Vergelijking met de meer recente CROW-publicatie 381 leert echter dat voor de woningtypen die met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden er in CROW-publicatie 381 geen nieuwe kentallen geïntroduceerd zijn. De parkeertelling voldoet daarmee aan CROW-publicatie 381.

Het aantal parkeerplaatsen op privéterrein en openbaar gebied wordt conform de parkeerbalans uit bijlage 12 gerealiseerd. Aanvullend op het voorgaande geldt dat er in fase 1, in een deel van het plangebied dat grenst aan de Kerkstraat, vier extra parkeerplaatsen gerealiseerd worden in het openbaar gebied. Afbeelding 4.6 toont links de oorspronkelijk ingetekende parkeerplaatsen en rechts de extra toegevoegde parkeerplaatsen (lichtgroen gearceerd). Met het toevoegen van deze vier parkeerplaatsen komt het totale aantal parkeerplaatsen in het openbaar gebied op 211. Daarmee zijn er in dit openbaar gebied vier parkeerplaatsen meer aanwezig dan op grond van de parkeerbalans noodzakelijk is. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernormen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0016.png"

Afbeelding 4.6: Vergelijking oorspronkelijk ingetekende parkeerplaatsen (links) en extra toegevoegde parkeerplaatse (rechts) (Civil Support, 2021)

De woningen in het plangebied van dit bestemmingsplan krijgen parkeerplaatsen op eigen terrein. Waar dit niet mogelijk is, krijgen woningen parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Op grond van dit bestemmingsplan is sprake van een behoefte aan 43 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. 12 van die 43 parkeerplaatsen zijn reeds gerealiseerd in het plangebied van het vastgestelde bestemmingsplan 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw'. Dat betekent dat voor 31 parkeerplaatsen in de openbare ruimte in onderhavig bestemmingsplan bepaald moet worden dat zij gerealiseerd worden in het plangebied van dit bestemmingsplan 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw fase 2'. Dit aantal van 31 parkeerplaatsen in de openbare ruimte is dan ook vastgelegd in artikel 6.3.3 van de regels van dit bestemmingsplan.

Bij de vestiging van nieuwe functies, zoals het geval in dit bestemmingsplan, worden de parkeernormen gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Dit is in de planregels opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0017.png"

Afbeelding 4.7: Parkeren in het stedenbouwkundig plan (bron: stedenbouwkundig plan Van Besouw, Mulleners + Mulleners architecten, Bedaux De Brouwer architecten & Buro Lubbers, oktober 2018) (met een stallingsgarage wordt een inpandige parkeergarage bedoeld waar de eigenaren/gebruikers van de appartementen hun voertuig kunnen parkeren?

Conclusie

Ten aanzien van parkeren wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor de uitvoering van dit plan.

Openbaar vervoer

Het woongebied ligt op een gemiddelde loopafstand van tien minuten van de meest nabijgelegen bushaltes naar Riel en Hilvarenbeek.

Conclusie

Het plangebied is met het openbaar vervoer goed te bereiken.

Hoofdstuk 5 MILIEUASPECTEN

Dit hoofdstuk gaat in op de relevante milieuaspecten die van invloed kunnen zijn op de planontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.1 Milieuhinder en bedrijven

Algemeen
Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand dient dan bijvoorbeeld om ter plaatse van een kwetsbaar object, zoals woningen, een aanvaardbaar geur-, geluid- of veiligheidsniveau te realiseren. Deze afstand wordt milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. In VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) zijn richtafstanden opgenomen, waarmee rekening moet worden gehouden ten opzichte van gevoelige functies. Het gaat daarbij zowel om de invloed van omliggende milieubelastende activiteiten op nieuwbouwplannen, als om invloed van eventuele nieuwe milieubelastende activiteiten op milieugevoelige bestemmingen in de omgeving.

De VNG-handreiking hanteert richtafstanden die in acht moeten worden genomen tussen gevoelige bestemmingen en milieubelastende functies. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Voor onderhavig plangebied wordt - gezien de toekomstige functies in de Zuidrand en de omgeving - uitgegaan van een rustige woonwijk. De te hanteren richtafstanden zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Tabel 5.1: Richtafstanden uit de VNG-handreiking (VNG, 2009)

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0018.png"

Onderzoek

Invloed van de omgeving op het voornemen

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (agrarische) bedrijven waarvan de milieuzonering van invloed is op de plannen voor het plangebied. Daarnaast bestaat de directe omgeving van het plangebied hoofdzakelijk uit woningen. Op basis van het vigerend bestemmingsplan zijn enkel de volgende functies in de nabijheid gelegen:

  • 1. Kerkstraat 1, kerk, milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter.
  • 2. Kerkstraat 60, eetcafé/restaurant, milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter
  • 3. Korenmolenplein 8, bestemming: detailhandel, milieucategorie 1. Feitelijk gebruik: sportschool, milieucategorie: 2, grootste afstand 30 meter.
  • 4. Een bedrijfsbestemming achter Korenmolenplein 8: milieucategorie 2, grootste afstand 30 meter.

Het plangebied ligt buiten de richtafstand van de onder 1 tot en met 4 genoemde inrichtingen. Deze inrichtingen zijn daarmee niet van invloed op het planvoornemen. Specifiek voor de onder 4 genoemde bedrijfsbestemming wordt opgemerkt dat er een woonbestemming tussen deze bedrijfsbestemming en het plangebied ligt. De bestaande woning is daarmee eerder beperkend voor de bedrijfsbestemming dan de ontwikkelingen in het plangebied.

Invloed van het voornemen op de omgeving
Met dit plan verdwijnt de bedrijfsbestemming en wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Reguliere woningbouw kent in het kader van milieuzonering geen externe werking. Daarmee kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en zijn er geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

Landelijk gebied

Direct ten zuiden van het voormalige fabrieksterrein is in de huidige situatie landelijk gebied aanwezig, waar diverse agrarische bedrijven gevestigd zijn. Op afbeelding 5.1 is de GES score te zien van de geur van veehouderijen in de omgeving. GES staat voor Gezondheids Effect Screening-scores, welke zijn gebaseerd op een bepaalde kans op geurhinder. Binnen het plangebied geldt een 'goede' GES score. Dit betekent dat 0 - 5% van de mensen die daarnaar wordt gevraagd in een hinder-enquete aan hebben gegeven dat zij soms of vaak last hebben van geurhinder. Er is sprake van een vrij matige GES-score. De score is, op basis van de legenda, wel voldoende. Dat betekent dat de geursituatie in het plangebied de woningbouwontwikkeling niet zal belemmeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0019.png"

Afbeelding 5.1: GES-score geur veehouderij o.b.v. hinderpercentages (bron: atlasleefomgeving.nl, 2013)

De ontwikkeling voorziet in de bouw van woningen en maakt geen nieuwe functies mogelijk die geur emitteren of die leiden tot risico's op het gebied van endotoxinen of zoönosen. De effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit zijn in paragraaf 5.5 geanalyseerd.

De agrarische bedrijven die het dichtste bij het plangebied liggen, bevinden zich op een afstand van circa 400 meter van het plangebied. Het gaat om twee grondgebonden agrarische bedrijven. Een agrarisch bedrijf aan de Beeksedijk 16 is een melkveehouderij. Een agrarisch bedrijf aan de Beeksedijk 18 is een gecombineerde melkvee- en varkenshouderij. Geiten- of pluimveehouderijen zijn niet aanwezig in de buurt van het plangebied. Voor endotoxinen bestaat op dit moment geen officiële norm of grenswaarde. De Gezondheidsraad adviseert uit te gaan van een advieswaarde van 30 EU/m3 lucht voor de algemene bevolking. In de Handreiking Veehouderij en gezondheid omwonenden wordt ervan uitgegaan dat deze advieswaarde bij individuele varkensbedrijven op een afstand van 200 meter niet langer overschreden wordt. Dit maakt de blootstelling van toekomstig inwoners van het plangebied aan endotoxinen in een grotere hoeveeheid dan 30 EU/m3 lucht onwaarschijnlijk.

De Handreiking Veehouderij en gezondheid omwonenden beschrijft dat de overdracht van zoönosen plaats kan vinden via voedsel of contact met dieren dan wel hun mest. Vanwege de grote afstand tussen veehouderijen en het plangebied zijn deze risico's klein zolang bewoners/bezoekers van het plangebied ze niet bewust opzoeken. Ten aanzien van de verplaatsing van zoönosen door de lucht geldt dat door de afstand tussen de veehouderijbedrijven en het plangebied de kans klein is dat bij de uitbraak van een dierziekte, deze zoönosen snel in het plangebied terecht komen.

Conclusie

Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.2 Externe veiligheid

Beleid en regelgeving

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar).

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden.

De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar.

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken.

Groepsrisico

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van:

  • de kans op een ongeval;
  • het effect van het ongeval;
  • het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft;
  • de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk.

Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht.

Onderzoek

Buisleidingen

Nabij het plangebied bevinden zich twee hogedrukaardgastransportleidingen van Gasunie (afbeelding 5.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0020.png"

Afbeelding 5.2: Uitsnede risicokaart met de ligging van het plangebied (groen) ten opzichte van de gasleidingen (rood)

Enkele kenmerken van de leidingen zijn weergegeven in tabel 5.2, waaronder het invloedsgebied. De personendichtheid hierbinnen is bepalend voor de hoogte van het groepsrisico.

Tabel 5.2: Leidinggegevens Gasunie

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0021.png"

Het plangebied bevindt zich niet binnen de invloedsgebieden van deze leidingen. De meest nabijgelegen leiding ligt op een afstand van circa 500 meter en daarmee buiten de grootste afstand van het invloedsgebied.

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico binnen het invloedsgebied van de leidingen niet toe. Een verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet noodzakelijk.

Uit afbeelding 5.3 blijkt verder dat de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 ten zuiden van het plangebied een buisleidingtracé voorziet. De afstand tussen dit tracé en het plangebied is circa 500 meter. Dit voorziene buisleidingentracé ligt in de zone waar ook de eerdergenoemde hogedrukaardgastransportleidingen in liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0022.png"

Afbeelding 5.3: Buisleidingtracé uit de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035, ten opzichte van het plangebied (groen)

Voor de beoordeling van de mogelijke nadelige gevolgen van nieuwe leidingen in deze strook is het belangrijk om te weten welke stoffen door welk soort leidingen vervoerd gaan worden. Dit is echter nog onbekend, het betreft immers een reservering voor de toekomst.

In het ‘Handboek buisleiding in het bestemmingsplan’ (2016) wordt voor deze situaties aangegeven om de nadelige gevolgen te benaderen via één of meer fictieve leidingen. Voor de onderhavige situatie is hiervoor het risico en effect van de bestaande buisleidingen genomen. Het betreft hier grote hogedrukaardgastransportleidingen, met een verhoudingsgewijs groot invloedsgebied. In de leidingstrook is ruimte voor meerdere leidingen van dit kaliber. In de omgeving is voldoende ruimte voor de bijbehorende risicocontouren. De herontwikkeling van de locatie Van Besouw heeft daarnaast geen negatieve invloed op de gebruiksmogelijkheden van deze zone.

Samenvattend geldt dat de voorgenomen geen beperkingen oplevert van de gebruiksmogelijkheden van de reserveringsstrook voor toekomstige leidingen. Daarnaast zijn er als gevolg van eventuele toekomstige leidingen geen beperkingen voor de geplande woningbouw binnen deze locatie vanuit het aspect externe veiligheid.

Rijksweg A58

Op circa 2,2 kilometer van het plangebied ligt de rijksweg A58. Uit de Regeling basisnet volgt dat de A58 (ter hoogte van het plangebied) een maximale PR 10-6-contour heeft van 24 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied, het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmeringen. De voorgenomen ontwikkeling ligt wel in het invloedsgebied van toxische scenario's die zich voor kunnen doen als gevolg van transportbewegingen op de A58. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee tot een toename van het groepsrisico in dit invloedsgebied. Om die reden wordt deze toename in het groepsrisico in de navolgende alinea's verantwoord.

Vuurwerk

Op 1 maart 2002 is het Vuurwerkbesluit in werking getreden. Hierin zijn veiligheidsafstanden opgenomen, die moeten worden aangehouden tussen opslagplaatsen voor vuurwerk en kwetsbare objecten (zoals woningen, bedrijfsgebouwen, maar ook winkels, scholen en cafés). Bestaande vuurwerkbedrijven (inclusief detailhandel) kunnen positief worden bestemd, mits aan de veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten wordt voldaan. Indien in een bestaande situatie niet wordt voldaan aan de geldende veiligheidsafstanden, dient een verandering in de inrichting te worden doorgevoerd, waardoor wel aan de veiligheidsafstand wordt voldaan, of dient het bedrijf te worden verplaatst. De veiligheidsafstanden worden gemeten vanaf de deuropening van de (buffer)bewaarplaats. Voor bedrijven waar niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen, geldt een vaste afstand van 8 meter in de voorwaartse richting tot (geprojecteerde) kwetsbare objecten

Voor bedrijven die meer dan 10.000 kg opslaan, geldt een vaste afstand van 20 meter in voorwaartse richting, indien het uitsluitend verpakt consumentenvuurwerk betreft. Indien er (ook) sprake is van onverpakt vuurwerk, dient een grotere afstand te worden aangehouden, afhankelijk van de hoeveelheid vuurwerk in de bufferbewaarplaats (deze afstand kan oplopen tot 48 meter voorwaarts)

In het plangebied en de directe nabijheid daarvan zijn geen bedrijven gevestigd die vuurwerk verkopen. Dit onderdeel van externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Groepsrisicoverantwoording

De afstand tussen het plangebied en de rijksweg A58 bedraagt meer dan 200 meter. Dit betekent dat een beperkte verantwoording van het groepsrisico op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing is. Het plangebied ligt op basis van de Standaardverantwoording Groepsrisico van de gemeente Goirle uit 2019 (zie bijlage 13) in een gebied waar deze standaardverantwoording toegepast kan worden). De navolgende verantwoording is derhalve gebaseerd op deze standaardverantwoording. Met inachtneming van deze standaardverantwoording vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Wat zelfredzaamheid betreft is bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen, het voorkeurscenario om zo snel mogelijk te schuilen in een gebouw. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Er zijn verschillende manieren om personen adequaat te alarmeren, zoals NL-Alert.

In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn.

Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving).

Het bestemmingsplan maakt geen bestemmingen mogelijk voor de aanwezigheid van groepen verminderd zelfredzame personen. Daarmee wordt de zelfredzaamheid van aanwezigen voldoende geacht.

Bestrijdbaarheid bij een incident met een toxische vloeistof is mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is.

Overleg Brandweer Midden- en West-Brabant

In het kader van het overleg op grond van het Bro vindt op basis van het voorontwerpbestemmingsplan overleg plaats met de Brandweer Midden- en West-Brabant. Het advies van deze organisatie over de omgang met externe veiligheid wordt bij het ontwerpbestemmingsplan gevoegd. In afwachting van dit advies is het advies van de Brandweer Midden- en West-Brabant over het bestemmingsplan voor fase 1 als bijlage 14 bij de plantoelichting gevoegd.

Conclusie
Ten aanzien van externe veiligheid en voorziene buisleidingtracés zijn er geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling en de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.3 Kabels, leidingen en straalpad

In of nabij het plangebied liggen behoudens in de in paragraaf 5.2 beschouwde buisleidingen geen andere planologisch relevante buisleidingen. Daarnaast liggen in of nabij het plangebied geen planologische relevante kabels of straalpaden. Op dit vlak is er daarmee geen spake van belemmeringen in de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.4 Geluid

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlands geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, industriële activiteiten en railverkeer. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidhinder. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarbij met behulp van een geluidrekenmodel per zone de geluidbelasting in het plangebied en op bestaande woningen bepaald is.

Voor geluidgevoelige bestemmingen waarvoor de geluidbelasting ten hoogste 48 dB bedraagt, gelden vanuit de Wet geluidhinder geen voorwaarden. Indien geluidgevoelige bestemmingen in een geluidbelasting tussen 49 en 63 dB ontvangen, dienen hiervoor hogere waarden te worden vastgesteld. Indien de geluidgevoelige bestemmingen een geluidbelasting hoger dan 63 dB ontvangen, is het vaststellen van een hogere waarde niet mogelijk. Dergelijke geluidgevoelige bestemmingen moeten worden uitgevoerd met een bouwkundige voorziening, zoals een dove gevel of vliesgevel. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld of een dove gevel wordt toegepast, dient bovendien met deze hoge geluidbelasting rekening te worden gehouden in het bouwkundig ontwerp, door het realiseren van een geluidluwe buitenruimte, verblijfsruimtes aan de geluidluwe gevel, etc.

Onderzoek

Door Antea Group (juli 2021) is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op het plangebied. Het complete akoestisch onderzoek is als bijlage 15 bijgevoegd.

Resultaten

De geluidbelasting van de gezoneerde wegen Molenstraat-Mulderseweg-Groeneweg-Abcovenseweg en van de niet gezondeerde wegen “Kerkstraat” en “Projectweg Van Besouw fase 2” (de weg in het plangebied) overschrijdt de voorkeursgrenswaarde niet. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de wegen Abcovenseweg-Beeksedijk bedraagt maximaal 58 dB. De voorkeursgrenswaarde (48 dB incl. aftrek ex artikel 110g Wgh) wordt ter plaatse van 11 in het plangebied nieuw te bouwen woningen overschreden. Dit noopt tot het nemen van geluidreducerende/geluidwerende maatregelen en/of het vaststellen van een hogere waarde.

Maatregelen

Het toepassen van bron- en overdrachtsmaatregelen is vanuit financieel en stedenbouwkundig oogpunt niet haalbaar. Door het toepassen van een geluidreducerend wegdek kan de geluidbelasting ten hoogste 6,6 dB worden gereduceerd. Door het toepassen van dit wegdek zal het aantal woningen met een geluidbelasting van boven de voorkeursgrenswaarde worden gereduceerd van 11 naar 6 woningen. Omdat het wegdek over een lange afstand (> 250 meter) dient te worden vervangen is deze maatregel vanuit financieel oogpunt niet doelmatig. Door het toepassen van een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm kan mogelijk de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de wegen Abcovenseweg-Beeksedijk worden beperkt. Echter, door het toepassen van een geluidscherm wordt de directe relatie tussen de aan deze wegen gelegen woningen en hun omgeving belemmerd. Deze maatregel is daarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet wenselijk.

Hogere waarden

Uit het voorgaande volgt dat het nemen van bron- of overdrachtsmaatregelen niet doelmatig is. Dit betekent dat voor de 11 woningen aan de Abcovenseweg en Beeksedijk die een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde ontvangen, hogere waarden vastgesteld moeten worden. Deze 11 woningen zijn nieuw te bouwen woningen die door dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Zij liggen in het oostelijke deel van het plangebied. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze woningen beschikken over een geluidluwe achtergevel. Ruimten die om rust vragen (zoals slaapkamers en de achtertuin) kunnen aan deze gevels gesitueerd worden. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. De hogere waarden die voor de desbetreffende nieuwbouwwoningen verleend moeten worden, zijn getoond in tabel 5.3.

Tabel 5.3: Vast te stellen hogere waarden

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0023.png"

Verkeersaantrekkende werking

Op de gevels van de bestaande woningen is er geen sprake van een relevante bijdrage in de geluidbelasting als gevolg van de verkeersaantrekkende werking. Dit is bepaald op basis van de toename in de verkeersintensiteiten en een berekening van de geluidbelasting op de gevels van de maatgevende woningen.

Conclusie

Vanuit het aspect akoestiek bestaan er, mits de bovengenoemde hogere waarden vastgesteld worden, geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

5.5 Lucht

Algemeen
De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in 'Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. In Titel 5.2 Wm is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan:

  • Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden.
  • Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
  • Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).
  • Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd).

Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit Gevoelige bestemmingen.

Grenswaarden

De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. In onderstaande tabel zijn de desbetreffende grenswaarden weergegeven.

Tabel 5.4: Vastgestelde grenswaarden (concentraties in µg/m3)

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0024.png"

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2 5) in Nederland over het algemeen het meest kritisch. Voor deze stoffen is de kans het grootste dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Hierbij moet opgemerkt worden dat de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m3) in Nederland nergens meer dan 18 keer per jaar wordt overschreden. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor en uit metingen over de afgelopen 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is.

Overige luchtverontreinigende stoffen

Voor de overige luchtverontreinigende stoffen, waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen), geldt dat deze grenswaarden niet worden overschreden en de concentraties vertonen eveneens een dalende trend. Het is dan ook aannemelijk dat een overschrijding van de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden, als gevolg van een besluit, redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Onderzoek
Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Volgens deze regeling is geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze aantallen zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Afbeelding 5.4 toont een rekenpunt uit de monitoringstool dat in het plangebied ligt.

Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied in drie jaren (2019, 2020 en 2030) de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt in alle drie de jaren eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt eveneens niet overschreden in 2019, 2020 of 2030.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0025.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0026.png"

Afbeelding 5.4: NSL-monitoring nabij plangebied (groen omlijnd)

Conclusie
Er bestaan voor het onderhavige bestemmingsplan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

5.6 Bodem

Algemeen
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet -ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening- worden onderzocht of de voorgenomen bestemming niet wordt belemmerd door bodemverontreiniging. In het belang van de bescherming van het milieu zijn, om de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming. Deze wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. De bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie.

Onderzoeken

Er zijn in het verleden diverse onderzoeken uitgevoerd op de voorgenomen ontwikkelingslocatie (Kerkstraat 51 en 53 te Goirle). De onderzoeksresultaten zijn samengevat in een memo (bijlage 16 bij deze plantoelichting). In 2018 is een gecombineerd verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 17 bij deze plantoelichting). In 2019 is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 18 bij deze plantoelichting).

Een samenvatting van die onderzoeken is hieronder opgenomen.

Kerkstraat 49-51

Bij de eerdere onderzoeken werd geconcludeerd dat op de percelen aan de Kerkstraat 49-51, behoudens de aangetroffen spot nabij boring 205 (PAK en metalen), op het onderzochte deel van het terrein geen of nauwelijks verontreinigingen aanwezig zijn. De gehaltes VOCl (vluchtige organische chloorverbindingen) in het grondwater waren relatief beperkt en behoefden geen nader onderzoek. Met het onderzoek werd geen uitspraak gedaan over de niet onderzochte delen van de locatie, alsook de reeds bekende verontreinigingen op het perceel, waaronder de olieverontreiniging nabij boring 32.

Voor deze locatie kunnen de aandachtspunten als worden samengevat:

  • Op de locatie zijn vier spots met PAK, metalen en/of minerale olie aangetroffen, welke nader onderzocht dienen te worden alvorens tot sanering kan worden overgegaan.
  • Diverse boringen zijn in 2007 niet uitgevoerd, vanwege aanwezigheid van kabels en leidingen.
  • Bij onderzoeken voor 2007 zijn diverse VOCl, ftlalaten en chloorbenzenen in het ondiepe grondwater aangetroffen. Mogelijk zijn deze verontreinigingen deels afgebroken, doch het is niet uit te sluiten dat de verontreinigingen naar het diepere grondwater zijn uitgezakt (zwaarder dan water).

Kerkstraat 53/Beeksedijk 1

Bij eerder onderzoek werd geconcludeerd dat in de voormalige weverij een oliespot in de grond werd aangetroffen en aan de zuidzijde werd een spot met metalen in de grond aangetroffen (vermoedelijke gedempte watergang). Op de scheiding tussen Kerkstraat 51 en 53 werd ter plaatse van de brandkraan, een sterke verontreiniging met PER (tetrachlooretheen) in het grondwater aangetroffen. Verder werden in het grondwater nog matige verontreinigingen met PER (voormalige weverij) en CIS (een vluchtige verontreiniging) (in gebouw 50) aangetroffen. De gehaltes VOCl in het grondwater waren dusdanig dat nader onderzoek wenselijk is.

Voor deze locatie kunnen de aandachtspunten als worden samengevat:

  • Op de locatie zijn thans een spot met metalen en een spot met minerale olie aangetroffen, welke nader onderzocht dienen te worden alvorens tot sanering kan worden overgegaan.
  • In het grondwater zijn in 2008 matige tot sterke verontreinigingen met VOCl en ftalaten aangetroffen. Nader onderzoek naar de omvang is nodig.
  • Op het perceel is een deel geasfalteerd. Mogelijk is sprake van teerhoudend asfalt. Verder is onder de asfaltverharding een puinlaag aanwezig. Dit kan asbestverdacht zijn. Onderzoek naar asfalt en puin is gewenst.

In de periode van juni tot en met oktober 2018 is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. een gecombineerd verkennend en nader bodemonderzoek, verhardings- en infiltratie-onderzoek uitgevoerd ter plaatse van het terrein aan de Kerkstraat 49-54 te Goirle (zie bijlage 17 bij deze plantoelichting). In dit bodemonderzoek is (naast teerhoudendheid van asfalt, herbruikbaarheid van funderingslagen en infiltratie-eigenschappen van het terrein) het algehele terrein door middel van een verkennend bodemonderzoek onderzocht en zijn de verontreinigingen die in het verleden reeds zijn aangetoond geïnventariseerd en daar waar nodig geactualiseerd en/of aanvullend onderzocht. Tevens zijn bij het nader onderzoek verontreinigingen, die bij het voorgaand onderzoek aanvullend zijn aangetroffen aanvullend onderzocht. Geconcludeerd werd dat op variërende dieptes diverse grondverontreinigingen met diverse zware metalen, PAK (Polycyclische aromatische koolwaterstoffen) en minerale olie aanwezig zijn. Daarnaast was, op relatief grote diepte (van 9 tot 10 meter onder maaiveld), een grondwaterverontreiniging met ftalaten aanwezig.

Een tweetal oliespots, een verontreiniging met PAK en een (diepe) grondwaterverontreiniging met VOCl, die in het verleden waren aangetoond worden bij het laatste bodemonderzoek niet (significant) meer aangetroffen. De resultaten van deze onderzoeken zijn verwoord in de rapportage van Wematech Bodem Adviseurs B.V. met kenmerk GB50180356.R001-1. In oktober 2019 zijn bij het aanvullend onderzoek geen ftalaten in het grondwater aangetoond. Mogelijk is de verontreiniging als gevolg van natuurlijke processen en/of verdunning niet meer aanwezig. Verder is bij de locatie J10 aanvullend onderzoek verricht naar de verticale verspreiding van koper en zink. Hierbij is gebleken dat de verontreiniging in de grond tot tenminste 3 meter onder maaiveld aanwezig is. De resultaten van dit onderzoek zijn verwoord in de briefrapportage van Wematech Bodem Adviseurs B.V. met kenmerk GB50190516.B001-0. Uit deze onderzoeken is naar voren gekomen dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op delen van de locatie niet voldoet aan de beoogde functie (wonen).

Sanering

Om de locatie geschikt te maken voor de beoogde functie (wonen) is voor het saneren van de verontreinigde bodem een saneringsplan opgesteld (zie bijlage 19 bij deze plantoelichting). Het bevoegd gezag heeft hiermee ingestemd (zie bijlage 20 bij deze plantoelichting). De sanering is voltooid (zie bijlage bij deze plantoelichting). Na de sloop van de panden is de bodemsanering uitgevoerd (zie bijlage 21 en bijlage 22 bij deze plantoelichting) Het bevoegd gezag heeft hiermee ingestemd (zie bijlage 23 bij deze plantoelichting).

Conclusie

Op basis van de beschikbare bodemgegevens voor de locatie Van Besouw en na het uitvoeren van de bodemsanering kan worden geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie (wonen). Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.7 Natuur

De bescherming van natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming, die waardevolle gebieden en soorten beschermt. Deze wet is een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

Algemeen
Ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er dient onderzocht te worden of het plan effect heeft op beschermde soorten of beschermde gebieden (Wet natuurbescherming; Wnb en Natuurnetwerk Brabant). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties. Dit wordt gedaan op basis van een natuurtoets. Deze natuurtoets is als bijlage 24 bij deze toelichting gevoegd.

Gebiedsbescherming

In het kader van de Wet natuurbescherming en Natuur Netwerk Brabant (NNB, voorheen de Ecologische hoofdstructuur) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden. De Wnb kent tevens een zogenaamde "externe werking", wat betekent dat ook projecten buiten beschermde gebieden vergunningplichtig kunnen zijn wanneer zij een negatief effect hebben op deze gebieden.

Natuur Netwerk Brabant (NNB)

Het plangebied ligt niet in het NNB.

Natura 2000

Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 1,7 kilometer ten westen van de deellocatie (zie afbeelding 5.5). Het betreft hier het gebied Regte Heide & Riels Laag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0027.png"

Afbeelding 5.5: Ligging plangebied (rood omrand) t.o.v. Natura 2000-gebied. Blauw gestreept = Habitatrichtlijngebied. Bron: Natura 2000 viewer, EEA.

Soortenbescherming

Naast gebiedsbescherming vindt bescherming van soorten plaats via de Wnb. In de Wnb is soortenbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën:

  • 1. soorten van de Vogelrichtlijn;
  • 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn;
  • 3. 'andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora').

De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving.

Onderzoek
In het kader van de ontwikkeling is een natuurtoets uitgevoerd om te bepalen of er sprake is van aantasting van beschermde soorten en/of gebieden. De complete natuurtoets is als bijlage 24 bijgevoegd. Onderstaand zijn de bevindingen van de natuurtoets weergegeven.

Gebiedsbescherming

In het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Brabant (NNB; voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op de beschermde gebieden.

Natuur Netwerk Brabant
In de voorheen aanwezige situatie (dus voor het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" werd vastgesteld) was het plangebied bestemd voor bedrijvigheid uit maximaal milieucategorie 4.1 (SBI-codes 252 en 1751). De toegestane bedrijvigheid is met het geldend bestemmingsplan afgewaardeerd naar milieucategorie 1. Dat er een mogelijkheid tot de vestiging van bedrijvigheid bestaat, betekent dat er uitstoot van met name geur en geluid plaats kan vinden. Daarnaast kent bedrijvigheid een verkeersaantrekkende werking door het aankomen en vertrekken van personeel, bezoekers en transport van grondstoffen/eindproducten. Al deze zaken kunnen leiden tot een milieubelasting op het NNB-gebied dat ten zuiden van de Nieuwe Leij ligt. Tussen dit NNB-gebied en het plangebied voor dit bestemmingsplan ligt het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw"). Bij vaststelling van dat bestemmingsplan is gemotiveerd dat de woningbouw op de locatie Van Besouw geen negatief effect op het NNB-gebied heeft. Nu het plangebied van dit bestemmingsplan op enige afstand van het NNB-gebied ligt, wordt deze redeneerlijn hier ook gevolgd. De nieuwe woningen komen immers op (nog) grotere afstand van het NNB-gebied te liggen.

Natura 2000
Op basis van de aard van het voornemen in combinatie met de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn effecten als gevolg van vrijwel alle verstoringsfactoren (zoals geluid- en lichtverstoring) op voorhand uitgesloten.

Wel kan het plan, onder andere door een toename in verkeersstromen, bijdragen aan de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitattypen in de omgeving. Zo herbergt het Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ dergelijke gevoelige habitattypen. Een toename van stikstofdepositie kan een negatieve invloed hebben op dergelijke habitattype.

Stikstofdepositie

Ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is er stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd om de depositie gedurende de bouw- en gebruiksfase te bepalen.

De aangevraagde activiteit (het totaal van fase 1 en 2) veroorzaakt stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied met habitattypen en soorten die negatief worden beïnvloed door een overmaat aan stikstofdepositie. Door de getroffen maatregelen die stikstofdepositie verminderen is het mogelijk om voor activiteiten, door middel van salderingsruimte uit het stikstofregistratiesysteem (SSRS), een vergunning te verlenen. Voor onderhavige voorgenomen activiteit is sprake van een toename van stikstofdepositie en is salderingsruimte benodigd. Gelet op het voorgaande zijn wij van mening dat de gevraagde vergunning kan worden verleend voor de beoogde activiteit en de daarbij behorende stikstofdepositie.

De Omgevingsdienst Brabant Noord heeft d.d. 28 september 2020, namens Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de betreffende vergunning verleend. De vergunning is opgenomen in bijlage 25 van deze toelichting.

Op grond van de vergunning wordt geconcludeerd dat de aangevraagde activiteit, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, geen significante gevolgen kan hebben voor de Natura 2000.

Soortbescherming

Natuurtoets

Uit de natuurtoets (bijlage 24 bij deze toelichting) blijkt dat het plangebied een functie als kraam- en verblijfsgebied voor vleermuizen. Daarnaast bestaat in het plangebied de kans op het aantreffen van uilen, gierzwaluwen en marterachtigen. Uit de natuurtoets blijkt dat deze soorten het plangebied mogelijk als vaste rust- en verblijfplaats gebruiken.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de voorgaande conclusies uit de natuurtoets is in 2017 nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen, uilen, gierzwaluwen en marterachtigen in het plangebied uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 26 bij deze toelichting gevoegd.

Uit het nader onderzoek blijkt dat er in het plangebied geen vaste rust- en verblijfsplaatsen van uilen aangetroffen. Ook van de gierzwaluw zijn tijdens het nader onderzoek geen verblijfplaatsen aangetroffen. Uit het nader onderzoek blijkt dat er in het plangebied ook geen verblijfplaatsen van marterachtigen aanwezig zijn.

Uit het nader onderzoek blijkt verder dat het terrein een belangrijke functie heeft voor gewone dwergvleermuizen. Die dieren gebruiken het plangebied als kraamgebied (tot circa 80 vleermuizen), als zomerverblijfplaats en als paarverblijfplaats. De aanwezigheid van vleermuizen betekent dat de sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van de gewone dwegvleermuis. Als gevolg van de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis in het plangebied kunnen de werkzaamheden in het plangebied pas uitgevoerd kunnen worden nadat een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend is.

Ontheffing en mitigerende maatregelen

Op 22 maart 2018 is de aanvraag van een ontheffing ingevolge artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag heeft onderzoek plaatsgevonden naar mitigerende maatregelen om negatieve effecten op de aanwezige vleermuizen weg te nemen. Op 27 september 2018 is door het bevoegd gezag de gevraagde ontheffing verleend (bijlage 27 bij deze toelichting). In de ontheffing zijn mitigerende maatregelen en aanvullende voorschriften gesteld om eventuele onevenredige negatieve effecten op vleermuizen weg te nemen.

Omdat uit het nader onderzoek blijkt dat er alleen vleermuizen in het plangebied aanwezig zijn, is het uitsluitend voor deze dieren nodig om een ontheffing aan te vragen en mitigerende maatregelen te nemen. In en om het plangebied zijn reeds mitigerende maatregelen getroffen. Zo zijn voor de mitigatie van de kraamverblijfplaatsen en de zomer- en paarverblijfplaatsen op 5 maart 2018 de volgende maatregelen genomen:

  • Ten behoeve van de zomer- en paarverblijfplaats zijn vier platte kasten in de directe omgeving opgehangen.
  • Ten behoeve van de kraamverblijfplaats zijn in de directe omgeving acht meervoudige, grote vleermuiskasten aangeboden. Daarvan zijn vier kraamkasten aan gebouwen aangeboden en vier zijn bevestigd aan palen.

De locaties van de voornoemde kasten worden getoond op afbeelding 5.6. Die afbeelding is afkomstig uit de verleende ontheffing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0028.png"

Afbeelding 5.6: Locaties vleermuiskasten in en nabij het plangebied

In de nieuwbouw komen in de toekomstige situatie ruimschoots (inbouw)voorzieningen terug die de verblijfplaatsen van de vleermuizen permanent mitigeren. Het zal hier gaan om 12 inbouwkasten (8 kraamkasten en 4 zomer-/paarkasten). Door de kasten inwendig te voorzien kunnen de voorzieningen hiermee dienen voor meerdere functies voor de gewone dwergvleermuis. Deze vleermuiskasten zijn reeds opgehangen. Uit de monitoring van de verleende ontheffing (bijlage 28 bij deze plantoelichting) blijkt dat de uitgevoerde mitigerende maatregelen in 2019 al (beperkt) gebruikt worden door vleermuizen.

Gelet op de verleende ontheffing vormt de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan, mits de voorschriften uit de ontheffing nageleefd worden.

De aanwezigheid van vleermuizen vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan, ervan uitgaande dat voor de verdere planuitwerking wordt geaccepteerd dat de voorwaarden zoals gesteld in de verleende ontheffing nageleefd worden bij het uitvoeren van werkzaamheden in het plangebied. Naast het voorkomen van vleermuizen moet in de toekomst tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met algemene broedvogels (artikel 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming).

Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan onder de voorwaarden zoals genoemd in de verleende ontheffing en de overige voorwaarden (bijvoorbeeld met betrekking tot algemene broedvogels) zoals genoemd in deze paragraaf. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is reeds een ontheffing (bijlage 27 bij deze toelichting) voor het uitvoeren van handelingen met effect op vleermuizen verleend.

5.8 Milieueffectrapportage

Algemeen

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een plan (bijvoorbeeld bestemmingsplan) of besluit (bijvoorbeeld de omgevingsvergunning) planmer-plichtig, projectmer-plichtig of vormvrij of niet vormvrij mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Het bevoegd gezag dient bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die zouden moeten noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Hierbij dient het bevoegd gezag rekening te houden met de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Wetswijziging per 16 mei 2017

Op 16 mei 2017 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat (ook) voor een vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig plan een apart m.e.r.-beoordelingsbesluit door het bevoegd gezag noodzakelijk is en dat de informatie hiervoor in een zogenaamde aanmeldingsnotitie gegeven moet worden (voor 16 mei 2017 was dit nog vormvrij en kon de informatie en het besluit onderdeel uitmaken van het moederbesluit). Het uitgangspunt (”geest van de wet”) van een m.e.r.-beoordeling is dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij er sprake is van wezenlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r. onder (in ieder geval) categorie D11.2. De omschrijving van de drempelwaarde behorend bij deze categorie en de drempelwaarden van andere categorieën die mogelijk van toepassing zijn op de gehele ontwikkeling van de zuidrand van Goirle zijn opgenomen in onderstaande tabel. Dit bestemmingsplan heeft namelijk betrekking op de ontwikkeling van een plangebied in de zuidrand van Goirle. De ontwikkeling van 'Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw fase 2' maakt daarmee deel uit van een groter geheel. Andere bestemmingsplannen maken de ontwikkeling van andere delen van die zuidrand mogelijk. Waar dit bestemmingsplan alleen een ontwikkeling zoals bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. mogelijk maakt, maken andere bestemmingsplannen ook landinrichtingsprojecten of de winning van oppervlaktedelfstoffen mogelijk. Om de milieueffecten van al deze bestemmingsplannen samenhangend te kunnen beoordelen is een integrale aanmeldingsnotitie opgesteld.

Tabel 5.5: M.e.r-(beoordelingsplichtige) activiteiten

afbeelding "i_NL.IMRO.0785.BP2021003Zuidbeso2-vg01_0029.png"

Categorieën D9 en D16.1 zijn niet van toepassing op dit bestemmingsplan, maar zijn relevant voor andere bestemmingsplannen die in het kader van de ontwikkeling van de Zuidrand Goirle opgesteld zijn of worden. Categorie D11.2 is wel relevant voor dit bestemmingsplan. In totaal voorziet dit bestemmingsplan in de bouw van 38 woningen. De drempelwaarden behorend bij categorie D11.2 worden derhalve niet overschreden. Daarom moet voor de onderhavige bestemmingsplannen een aanmeldnotitie opgesteld worden. Deze aanmeldnotitie is als bijlage 29 bij deze plantoelichting gevoegd.

De aanmeldnotitie is gebaseerd op de onderzoeken en toetsen die ten grondslag liggen aan dit bestemmingsplan. Aanvullende informatie over een bepaald onderdeel van de aanmeldnotitie kan worden gevonden in de paragraaf waar het desbetreffende onderdeel uitgebreider beschreven is.

Uit de aanmeldnotitie blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De milieugevolgen zijn beoordeeld op:

  • hinder voor de omgeving;
  • bodem, water en ecologie,
  • archeologie en cultuurhistorie;
  • gezondheid;
  • cumulatie met overige projecten/ontwikkelingen.

Conclusie

De in het plangebied voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure.

Hoofdstuk 6 WATER

De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan en het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit hoofdstuk geeft daar uitvoering aan.

6.1 Beleid

Rijk en provincie

Het nationale en provinciale waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan en in het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021.

Nationaal Waterplan

Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water.

Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021

Dit plan, vastgesteld op 18 december 2015, geeft de hoofdlijnen van het milieu- en waterbeleid in de provincie. Hoofddoelen van dit plan zijn:

  • voldoende water voor mens, plant en dier;
  • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water, lucht);
  • bescherming van Brabant tegen overstromingen en extra risico's;
  • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Structuurvisie

De provincie gaat ervan uit dat de wateroverlast in de regionale watersystemen in 2015 aangepakt is waarbij de trits "vasthouden, bergen, afvoeren" als uitgangspunt geldt. Het vasthouden van het water vindt zoveel als mogelijk bovenstrooms op de hoger gelegen gebieden plaats in de zogenaamde brongebieden. Hier liggen kansen voor de koppeling met natuurontwikkeling en droogtebestrijding. Ook in de nabijheid van de grote steden liggen kansen voor het bovenstrooms vasthouden en bergen van het water. Hier liggen mogelijkheden voor de koppeling met bijzondere woon- en werkmilieus, de vergroting van het recreatief uitloopgebied en bestrijding van de verdroging in het omliggende landelijk gebied.

Waterschap De Dommel

Waterschap De Dommel is waterbeheerder in het plangebied en is verantwoordelijk voor de waterhuishoudkundige verzorging (waterkwaliteit en waterkwantiteit) binnen het plangebied. Het beleid van het waterschap is verwoord in de volgende documenten en wordt hierna kort besproken:

  • Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water';
  • Handreiking Watertoets;
  • Keur 2015.

Waterbeheerplan 2016 - 2021 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016 - 2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's:

  • droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
  • voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlakte water;
  • natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren;
  • schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
  • mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

De belangrijkste uitdagingen zijn:

  • voldoende water voor landbouw en natuur;
  • wateroverlast en hittestress;
  • kringloopdenken;
  • steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen;
  • vergroten waterbewustzijn.

Het waterbeheerplan is te vinden op de website van het waterschap: www.dommel.nl

Werken aan een watertransitie: Waterbeheerprogramma 2022-2027

Dit waterbeheerprogramma is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016-2021. In het waterbeheerprogramma beschrijft het Waterschap De Dommel hoe zij de hun doelen willen behalen. Deze doelen zijn als volgt: droge voeten, schoon water en voldoende water. Ten aanzien van deze doelen wil het waterschap in 2027 onder andere het volgende bereikt hebben:

  • Wateroverlast voorkomen door waterkeringen en -bergingen aan te leggen.
  • De kwaliteit van het water in het waterysteem laten voldoen aan de doelen uit de Kaderrichtlijn Water en de kwaliteit van gezuiverd water verhogen.
  • Water vasthouden en benutten voor aanvulling van het grondwater in combinatie met het beperken van grondwateronttrekkingen en het slimmer alsmede sneller sturen in het watersysteem.

Voor dit bestemmingsplan is het eerste streven van belang. In het kader van het bestemmingsplan voor fase 1 is reeds voorzien in de realisatie van een waterbergingsgebied nabij de Nieuwe Leij. Tevens is in die fase een integraal plan gemaakt voor de waterafvoer van alle woningen in het plangebied van dit bestemmingsplan en het plangebied van het bestemmingsplan voor fase 1. Paragraaf 6.2 beschrijft hoe het watersysteem van de nieuwe wijk vorm heeft gekregen. Een goed functionerend watersysteem met voldoende waterbergingscapaciteit en zo min mogelijk negatieve gevolgen voor de Nieuwe Leij heeft vanaf het begin van de planvorming voor de nieuwe wijk als uitgangspunt gediend. Op basis hiervan is het onderdeel water steeds een integraal onderdeel van de planvorming geweest. Deze werkwijze past in het streven van in het waterbeheerprogramma om het water vanaf planvorming tot realisatie een volwaardig onderdeel te laten zijn van projecten.

Handreiking watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. De initiatiefnemer verwoordt in een waterparagraaf zijn afweging van de waterhuishoudkundige aspecten. Het waterschap geeft hierover een wateradvies. De Handreiking watertoets, die door het waterschap De Dommel is opgesteld, is een middel om te komen tot een evenwichtige watertoets.

De handreiking is te vinden op de website van het waterschap www.dommel.nl

Keur

Een van de instrumenten van het waterschap om zijn taken uit te oefenen is de Keur. De Keur kent gebods- en verbodsbepalingen die erop gericht zijn watergangen te beschermen. Zo is het in bepaalde gevallen verboden om zonder vergunning water te lozen of te onttrekken aan oppervlaktewater. Ook legt de Keur in sommige gevallen aan burgers een onderhoudsverplichting op. Daarnaast mag men zonder vergunning geen activiteiten ontplooien of bouwwerken plaatsen, die het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren. Dit betekent dat voor bepaalde activiteiten nabij watergangen of met mogelijke invloed op watergangen een vergunning bij het waterschap moet worden gevraagd.

Voor een aantal werkzaamheden is een vergunning vereist van het waterschap op grond van de Keur. Wanneer aan de bepalingen van de algemene regels van de Keur wordt voldaan, is geen vergunning vereist. Voorbeelden van situaties waarbij de Keur van toepassing is, zijn:

  • het dempen of wijzigen van een watergang;
  • het aanleggen van kabels of leidingen;
  • het planten van bomen en struiken;
  • het brengen van water in een watergang.

Gemeente

Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle'

Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad het Programma Water & Riolering 2021-2025, ‘Op weg naar een klimaatrobuust Goirle (PWR) vastgesteld.

Het PWR is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR leggen we vast wat we willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. De wettelijke en beleidskaders die ten grondslag liggen aan dit PWR zijn beschreven in hoofdstuk 2.

Het PWR vervult vier hoofdfuncties:

  • Kader gemeentelijke zorgplichten: overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater.
  • Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners.
  • Externe afstemming: met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven.
  • Continuïteit en voortgangsbewaking: vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie).

Gidsprincipes water

In het verleden hebben gemeenten en waterschappen strategieën opgesteld om meer duurzaam om te gaan met afval- en hemelwater. Deze strategieën zijn inmiddels gemeengoed geworden en beschouwen we dan ook als gidsprincipes voor de komende jaren:

  • We zamelen in principe het stedelijk afval- en hemelwater gescheiden in en ontvlechten zo de (schone en vuile) waterstromen;
  • We streven ernaar om het hemelwater zoveel als mogelijk bovengronds en zichtbaar te verwerken;
  • We weren de lozing van hemelwater afkomstig van inrichtingen op vuilwater riolering;
  • We betrekken de kenmerken en knelpunten van zowel het regionale (stroomgebiedsbenadering) als het stedelijke watersysteem in de omgang met hemelwater. We streven naar watersysteemherstel;
  • We wentelen water- en waterbergingsopgaven niet af naar andere locaties/gebieden, tenzij dit doelmatig is;
  • We kiezen voor robuuste (zo min mogelijk onderhoudsgevoelige) oplossingen;
  • We gaan doelmatig en maatschappelijk kostenbewust om met de aanleg en het toekomstig beheer en onderhoud van het watersysteem;
  • We streven naar meer centrale, robuuste en goed te beheren rioolvoorzieningen;
  • We hanteren de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren voor de omgang met hemelwater:
  • 1. Vasthouden: doorlatende goten, groene daken, infiltratie in terreinverlagingen in groen, enz.;
  • 2. Bergen: overtollig hemelwater bergen we eerst in het stedelijk watersysteem;
  • 3. Afvoeren: pas bij volledige benutting van de berging voeren we het overtollige hemelwater af naar het regionale watersysteem
  • We streven naar grootschalige goed beheersbare infiltratievoorzieningen in openbaar gebied. Kleinschalige infiltratievoorzieningen worden na het einde van de levensduur niet hersteld;
  • Voor grondwaterbeschermingsgebieden volgen we het provinciaal beleid conform de gebiedsdossiers.

Waterberging

Bij ruimtelijke inrichtingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de klimaatverandering om zo waterschade te voorkomen en de gevolgen indien er schade optreedt te beperken. Om toe te werken naar een robuust Goirle worden bij elke ontwikkeling van de openbare ruimte klimaatadaptieve maatregelen en waterrobuustheid meegenomen als overweging. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Goirle de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) als norm om inpandig geen waterschade te hebben. Deze bui wordt ook gebruikt om de robuustheid / kwetsbaarheid van de hoofdinfrastructuur (ontsluitingsrouten, calamiteitenverkeer, etc.) te toetsen. Bij een toename aan verhard oppervlak van meer dan 500 m² hanteert de gemeente Goirle een compensatie van 60 mm conform de Brabantse Keur. Dit zal worden geborgd door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen.

Daarnaast hanteert de gemeente Goirle bij herontwikkelingen een compensatie van 20 mm waterberging (indien realiseerbaar) conform bui 8 uit de Kennisbank Stedelijk water.

6.2 Huidige en toekomstige situatie

Op basis van het programma van eisen hebben Mulleners + Mulleners Architecten en Bedaux de Brouwer Architecten een eerste stedenbouwkundig ontwerp gemaakt. Dit ontwerp is in samenwerking met Buro Lubbers en Civil Support verder uitgewerkt tot waterhuishoudkundig plan met aandacht voor een klimaatbestendig watersysteem. De complete rapportage is als bijlage 30 bijgevoegd. Onderstaand zijn de belangrijkste aspecten uit het rapport weergegeven.

Huidige situatie

De huidige situatie wordt gekenmerkt door een hoog percentage (68%) aan bebouwing en verharding. De afwatering van het verhard oppervlak vindt volledig plaats op het gemengd riool van Goirle. Dit gemengd rioolstelsel verwerkt zowel het vuil- als het hemelwater dat afkomstig is van het plangebied.

De gronden rondom de bestaande bedrijfsbestemming bestaan uit groenvoorzieningen, deze gronden wateren (via infiltratie) af op de Nieuwe Leij.

Een gedeelte van het plangebied was door de provincie Noord-Brabant aangewezen als regionaal waterbergingsgebied (zie ook paragraaf 3.2). Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is dit regionaal waterbergingsgebied herbegrensd in het kader van het voorbereiden van het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw". Het deel van de waterberging dat herbegrensd is, is gecompenseerd door het aanbrengen van nieuwe waterberging in zowel fase 1 als fase 2. In de regels van dit bestemmingsplan is door middel van een voorwaardelijke verplichting bepaald dat deze waterberging in stand moet blijven.

In de huidige situatie is op de Beeksedijk regelmatig sprake van wateroverlast. Deze wateroverlast ontstaat door de afstroming van regenwater uit de hogere delen van Goirle richting het plangebied. Het plangebied ligt namelijk in een 'kuil' en het water stroomt naar die plek. Deze wateroverlast mag in ernst en omvang niet toenemen.

De opgave is om de afwatering los te koppelen van het riool en het water op te lossen binnen het plangebied. Daarnaast biedt de laagte aan de Beeksedijk ruimte om het water van piekbuien uit de kern van Goirle op het maaiveld te bufferen. Deze ruimte dient weer geborgd te worden in het plan.

In de huidige situatie ligt rondom het plangebied een gemengd rioolstelsel. Dat stelsel is een onderdeel van het rioolgebied Centrum-Laag. Aan de Beeksedijk (ten oosten van het plangebied) staat het waterschapsgemaal (capaciteit 1.630 kubieke meter/uur) van het rioolgebied Centrum-Laag. Al het vuilwater en het hemelwater dat afkomstig is uit het plangebied wordt via het gemengd rioolstelsel afgevoerd.

Het riool ten westen van het plangebied vormt in de huidige situatie de afvoer richting een gemengde overstort. Dit riool is voorzien van een extra berging in de bergingszak in de vijver aan de Hoogen Dries. De bergingszak functioneert niet naar behoren en wordt op termijn verwijderd.

Wateropgave

Gelegen op de overgang van dorp naar beekdal is de Van Besouw-locatie een belangrijke schakel in het watersysteem van de Zuidrand en Goirle. Naar verwachting veroorzaakt de klimaatverandering in de toekomst zwaardere regenbuien afgewisseld met periodes van grotere droogte. De dynamiek leidt tot meer piekafvoer en meer periodes met zeer weinig water. Het waterhuishoudingsplan voorziet het stedenbouwkundig plan van een robuust watersysteem en een klimaatadaptieve inrichting van het bebouwde gebied. Een belangrijke opgave in het plangebied is dan ook om meer ruimte te creëren voor waterberging. Dit is mede van belang gelet op de eerdergenoemde aanwijzing van een gedeelte van het plangebied als regionaal waterbergingsgebied.

Om een robuust watersysteem te creëren bestaat er ook een opgave om de afwatering van de verharde delen van het plangebied los te koppelen van het riool en de infiltratie en berging van water op te lossen binnen het plangebied. De laagte aan de Beeksedijk in het plangebied biedt daarnaast ruimte om het water van piekbuien uit de kern van Goirle op te vangen.

Water in het plangebied moet trapsgewijs hergebruikt, vastgehouden, geïnfiltreerd, geborgen en afgevoerd worden. Zo wordt het water zichtbaar van de woning naar wadi’s gebracht.

In wadi's moet het het water infiltreren en mogelijk bij piekbuien overlopen naar het beekdal van de Nieuwe Leij. Door het watersysteem zichtbaar te integreren in de architectuur en de inrichting van de openbare ruimte wordt klimaatbewustwording van de bewoners gestimuleerd. Bovendien creëert de verbinding van water aan groen een aangenaam en bijzonder woonmilieu.

Compensatieopgave

Voor het bepalen van de waterbergingsopgave gelden de volgende uitgangspunten:

  • bij toename verhard oppervlak 60 millimeter compenseren;
  • overig verhard oppervlak 15 millimeter compenseren;

Om risico’s op wateroverlast te beperken is vanuit de gedachte klimaatrobuuste inpassing meer waterberging gewenst en mag de nettowateraanvoer naar de Nieuwe Leij (afwatering) als gevolg van het bestemmingsplan niet toenemen. Om de toename van de wateraanvoer te voorkomen is extra waterberging gewenst.

Aanvullend op het voorgaande geldt dat een extreme bui waarbij in 60 minuten 70 millimeter regenwater per vierkante meter valt geen waterschade bij gebouwen of gebiedsontsluitingswegen op mag leveren.

Compensatie verhard oppervlak

Overzicht totaal verhard oppervlak in huidige en nieuwe situatie:

  • Huidig verhard oppervlak 39.780 m² (dit verhard oppervlak telt mee in de compensatieopgave).
  • Toekomstige verhard oppervlak 38.238 m² (totale plangebied in eindsituatie met fase 2).

In de nieuwe situatie wordt er minder m² verhard oppervlak in het plan voorzien dan in de huidige situatie.

Compensatiemaatregelen

In totaal wordt er in het plangebied 1.382 m3 bergingscapaciteit gerealiseerd in de openbare ruimte. In totaal is er 35.859 m2 verhard oppervlak op deze waterberging aangesloten (zowel fase 1 als fase 2). Deze bergingscapaciteit geeft ruimte voor 39 millimeter waterberging per vierkante meter in het plangebied. Wanneer de bergingsvijver aan de Hoogen Dries meergerekend wordt, is er in het plangebied sprake van 94 millimeter waterberging per vierkante meter in het plangebied.

Aanvullend op de bovengenoemde waterbergingscapaciteit is er in de plangebieden van fase 1 en fase 2 in totaal ruimte voor 132 m3 extra waterberging. De compensatie van deze berging vindt plaats boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Bijlage 31 toont hoe deze waterberging gerealiseerd wordt. Deze extra waterberging is bedoeld als calamiteitenberging in situaties waarin er extreem veel neerslag in korte tijd valt. In totaal is er daarmee 1.776 m3 waterbergingscapaciteit in het plangebied beschikbaar. Deze waterbergingscapaciteit is te vertalen naar gemiddeld 50 millimeter waterberging per vierkante meter in het plangebied. Als hier dan ook nog gebruik wordt gemaakt van de bergingsvijver aan de Hoogen Dries, dan is er in totaal 105 millimeter waterberging per vierkante meter in het plangebied aanwezig.

In een deel van het plangebied waar woningbouw voorzien is, ligt een waterbergingsgebied dat in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid was als 'regionale waterberging'. Uit het waterhuishoudkundig plan blijkt dat met de voorziene woningbouw het plangebied voldoende ruimte blijft bieden voor waterberging. Evenwel maakt de aanduiding 'regionale waterberging' uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant woningbouw op gronden met deze aanduiding niet zonder meer mogelijk. Om die reden is de aanduiding voorzien van een andere begrenzing toen het bestemmingsplan "Zuidrand Goirle, locatie Van Besouw" in procedure was. In paragraaf 3.2 van deze plantoelichting is hier nader op ingegaan. De waterbergingscapaciteit zoals die in het plangebied opgenomen was in de aanduiding regionale waterberging uit Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is echter niet vervallen. Met dit plan wordt in het plangebied voorzien in compenserende waterberging in het openbaar gebied.

Neerslag

Met uitzondering van de woningen aan de Kerkstraat (zie onder afvalwater) wordt regenwater afkomstig van daken, inritten en verhardingen in de voortuinen geloosd op de weg. Regenwater afkomstig uit achtertuinen wordt bovengronds afgevoerd naar bergings-/infiltratievoorzieningen of (bij grote kavels) verwerkt op eigen terrein.

Het waterysteem dat in het plangebied voorzien is, is doorgerekend voor drie neerslagsituaties:

  • Bui L08: hierbij valt 19,8 millimeter neerslag per vierkante meter in 60 minuten.
  • BL10: hierbij valt 35,7 millimeter neerslag per vierkante meter in 45 minuten.
  • Extreme bui: hierbij valt 70 millimeter neerslag per vierkante meter in 60 minuten.

Uit de doorrekening van deze neerslagsituaties (zie ook bijlage 30) blijkt dat buien L08 en L10 zonder overlast verwerkt kunnen worden door het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied. Bui L08 kan grotendeels lokaal geborgen worden. Bij bui L10 vindt via de wadi's in het plangebied voor fasen 1 en 2 afstroming plaats naar de waterbergingen aan de randen van het plangebied. Daarbij kan er tijdelijk op enkele plekken water op straat staan.


2D-modellering neerslagbestendigheid

Op 4 juni 2020 is er een 2D-modellering van de neerslagbestendigheid van het plangebied voor fasen 1 en 2 uitgevoerd. Uit deze modellering blijkt dat het plangebied in de toekomstige situatie neerslagbestendig is. Een extreme regenbui waarbij in één uur 70 millimeter neerslag per vierkante meter valt, kan verwerkt worden zonder dat het water woningen of schuren inloopt en zonder dat er meer dan 30 centimeter water op straat komt te staan. De volledige modellering is als bijlage 32 bij deze plantoelichting gevoegd.

Eventuele extreme neerslag kan samenvallen met hoogwater in de Nieuwe Leij dat opgestuwd wordt door de wind. In die uitzonderlijke situatie ontstaat geen wateroverlast ter plaatse van de woningen die het dichtst bij de Nieuwe Leij liggen. Daaruit kan afgeleid worden dat deze uitzonderlijke situatie ook niet leidt tot wateroverlast ter plaatse van woningen die op grotere afstand van de Nieuwe Leij liggen. Deze wateroverlast wordt voorkomen door woningen circa 40 centimeter boven het hoogste waterpeil te bouwen, hiermee is er altijd een veiligheidsmarge.

Afvalwater

In de toekomstige situatie wordt in het plangebied een vijftrapsstrategie op het gebied van water gehanteerd:

  • 1. hergebruik;
  • 2. vasthouden/infiltreren;
  • 3. bergen;
  • 4. afvoeren naar oppervlaktewater;
  • 5. afvoeren naar riolering.

Uit deze vijftrapsstrategie volgt dat afvoeren naar de riolering de laatste stap is. Hiermee moet overbelasting van het rioolstelsel voorkomen worden. Water wordt in de toekomstige situatie zoveel mogelijk vastgehouden in het plangebied zodat het ter plaatse in de bodem kan infiltreren. De nieuw te bouwen woningen aan de Kerkstraat vormen een uitzondering op dit uitgangspunt. Deze woningen grenzen direct aan het bestaande trottoir waardoor er geen ruimte is voor het vasthouden en laten infiltreren van water. Het afval- en regenwater afkomstig van deze woningen wordt separaat aangeboden aan het gemengd rioolstelsel. Wanneer hier in de toekomst een gescheiden rioolstelsel gerealiseerd wordt, kunnen de regenwater- en afvalwaterafvoeren op dit stelsel aangesloten worden.

Voor de overige woningen in het plangebied geldt dat regen- en afvalwater afkomstig van deze woningen gescheiden aangeboden wordt aan het bestaande gemengde rioolstelsel. De gemeente Goirle is voornemens in de toekomst een gescheiden rioolstelsel in het centrum aan te leggen, de zogeheten Blauwe Ader. Als het gescheiden stelsel functioneel wordt, kunnen de woningen in het plangebied op dat stelsel aangesloten worden.

Conclusie

Het plangebied kent in de toekomstige situatie een robuust watersysteem met voldoende bergingscapaciteit om neerslag in het plangebied op te vangen en te verwerken. Het aspect water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Op 22 oktober heeft het Waterschap De Dommel ingestemd met het waterhuishoudkundig plan zoals dat bij deze plantoelichting gevoegd is.

Ter bescherming van de Nieuwe Leij is in het plan voor fase 1 een beschermingsstrook van 5 meter vanaf de watergang opgenomen.

Daarnaast is in het waterhuishoudingsplan rekening gehouden met het regionale bergingsgebied dat in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in het plangebied voorzien was. De bijbehorende waterbergingscapaciteit blijft aanwezig in het plangebied.

Hoofdstuk 7 OPZET PLANREGELS

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de verschillende regels die van toepassing zijn op de aanwezige bestemmingen.

7.1 Plansystematiek

Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is hierbij naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en regels. Voor de opbouw van de regels is aangesloten bij de geldende Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen over de in het plan gehanteerde begrippen en de wijze van meten.

Artikel 1 Begrippen
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Als gebruikte begrippen niet in artikel 1 voorkomen dan geldt de uitleg/interpretatie die daaraan in het dagelijkse taalgebruik wordt gegeven.

Artikel 2 Wijze van meten
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels

De standaardopbouw van de bestemmingsregels conform de SVBP bestaat uit:

  • bestemmingsomschrijving: een beschrijving van de bestemming;
  • bouwregels: regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken;
  • nadere eisen: indien noodzakelijk staan hier aanvullende regels waarin specifieke eisen kunnen worden gesteld aan de realisatie van de op te richten bouwwerken;
  • afwijken van de bouwregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels: indien noodzakelijk worden hier aanvullende regels gegeven voor het gebruik van de gronden binnen de betreffende bestemming;
  • afwijken van de gebruiksregels: de gevallen waarin afgeweken kan worden van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk ;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Per bestemming kunnen onderdelen, voor zover niet relevant, ontbreken. In voorliggend bestemmingsplan zijn de hierna te noemen bestemmingen opgenomen:

Artikel 3 Groen

De groenzone die in het gemeentelijk beleid op de hoek van de Beeksedijk en de Kerkstraat voorzien is, heeft in dit bestemmingsplan de bestemming 'Groen' gekregen. Met deze bestemming wordt geborgd dat de in het beleid voorziene groenvoorziening daadwerkelijk gerealiseerd kan worden, in deze bestemming is immers de bouw van woningen niet toegestaan. Naast groenvoorzieningen zijn in deze bestemming ook andere voorzieningen die nodig zijn voor een goed functionerende openbare ruimte toegestaan. Het gaat dan om voorzieningen zoals in-, uitritten, voet- en rijwielpaden, nutsvoorzieningen, bermen en bermsloten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, vijvers en watergangen, hondenuitlaatplaatsen en hondentoiletten, speelvoorzieningen, voorwerpen van beeldende kunst en straatmeubilair toegestaan. Binnen de bestemming mogen bouwwerken worden gebouwd. Het bouwen van gebouwen in deze bestemming is niet toegestaan.

Artikel 4 Woongebied

Voor het grootste gedeelte van het plangebied is de bestemming 'Woongebied' opgenomen. Binnen deze gronden zijn maximaal 38 woningen en openbaar gebied beoogd, maar hiervan zijn de exacte bouwplannen nog onvoldoende duidelijk. Het betreft een flexibele bestemming waarbinnen, naast de functie wonen, onder meer verkeersvoorzieningen, speel-, groen- en nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding mogelijk zijn. Daarnaast zijn in de woning en in bijgebouwen onder voorwaarden aan huis verbonden beroepen en bedrijven als ondergeschikte nevenfunctie toegestaan.

Om binnen de flexibiliteit die deze bestemming biedt te waarborgen dat het voorziene stedenbouwkundig plan gerealiseerd wordt zijn in de planregels eisen gesteld aan de minimale hoeveelheid van (sociale) aaneengebouwde woningen die gebouwd moeten worden.

Afbeelding 4.5 in deze toelichting laat zien dat onder meer vrijstaande woningen in het plangebied voorzien worden van een garage. Deze garage wordt op een zodanige manier, tegelijk met het hoofdgebouw, ontworpen dat hij deel uit gaat maken van de architectuur van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw en de garage worden tegelijkertijd gebouwd. Vanwege het gelijktijdige en integrale ontwerp is in lid 1.15 van de planregels bepaald dat een dergelijke garage niet gezien wordt als bijgebouw. Hij wordt door zijn architectuur onderdeel van het hoofdgebouw in plaats van ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat artikelen, waarin bepalingen zijn opgenomen die gelden voor het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelbepaling, algemeen geldende bouw-, gebruiks-, afwijkings- en wijzigingsregels.

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan.

Artikel 6 Algemene bouwregels

Deze regels bevatten een regeling voor een beperkte overschrijding van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor de ruimte tussen bouwwerken. Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen, indien het bestemmingsplan dat toestaat, als door een tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning hiervan afwijken, indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een opening in de zijgevel van het gebouw. Tenslotte is in de algemene bouwregels de parkeernorm en de bepaling over de laad- en losmogelijkheid bij gebouwen opgenomen.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

Deze regels bevatten de voor het plan geldende algemene gebruiksbepalingen voor wat betreft strijdig gebruik.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen.

Artikel 9 Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het corrigeren van de bestemmingsgrenzen ten behoeve van een praktische uitvoering van het plan. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om het plan te wijzigen ten aanzien van de wettelijke regels.

Artikel 10 Overige regels

Dit artikel bevat een bepaling over de wettelijke regelingen waar in de planregels naar wordt verwezen.

7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel

Artikel 11 Overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen. Het overgangsrecht houdt in dat gebruik en bebouwing dat in strijd is met het nieuwe bestemmingsplan, maar reeds aanwezig was ten tijde van de voorgaande plannen, onder voorwaarden, mag worden voortgezet. Gebruik dat strijdig was met het vorige bestemmingsplan blijft strijdig. Er is geen sprake van legalisatie van reeds strijdig gebruik door dit bestemmingsplan en er kan ook nog steeds worden gehandhaafd. Ook bouwwerken die op de peildatum illegaal zijn, blijven illegaal. Het overgangsrecht volgt uit het Besluit ruimtelijke ordening, dat verplicht (artikel 3.2.1) tot het opnemen van een standaard overgangsregel voor bouwwerken (artikel 3.2.1) en gebruik (artikel 3.2.2).

Artikel 12 Slotregel

Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 UITVOERBAARHEID

8.1 Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom de grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling.

In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen.

Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van de kosten bij de grondexploitatie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet een expliciet besluit worden genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen. Met de ontwikkelaar wordt een privaatrechtelijke overeenkomst en een planschadeverhaalovereenkomst gesloten.

Naar aanleiding van bovenstaande is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het plan is onderworpen aan inspraak en heeft ter inzage gelegen voor ingezetenen van de gemeente Goirle en belanghebbenden. Tijdens deze periode konden zij schriftelijk een inspraak indienen bij het college van burgemeester en wethouders van Goirle. Van de gevoerde inspraakprocedure is een eindverslag opgesteld dat als bijlage bij de plantoelichting van het ontwerpbestemmingsplan is gevoegd.