direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22c Hoogstraat 8
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend plan betreft een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege van gemeente Gilze en Rijen met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ten behoeve van de beëindiging van de intensieve veehouderij aan de Hoogstraat 8 te Gilze en deze om te schakelen naar een bedrijfsfunctie met statische opslag en als nevenactiviteit akkerbouw.

1.1 Aanleiding voor het plan

Met het wijzigen van het omgevingsplan van rechtswege, wordt de beëindiging van de intensieve veehouderij aan de Hoogstraat 8 te Gilze mogelijk gemaakt. Het initiatief is verder uitgebreid beschreven in het hoofdstuk “Beschrijving van het initiatief” (hoofdstuk 2).

Op de locatie is momenteel een pluimveebedrijf gevestigd, met akkerbouw als nevenactiviteit. De initiatiefnemer heeft besloten de intensieve veehouderij te beëindigen en deel te nemen aan de LBV-regeling. Na de beëindiging wordt de locatie ingericht voor statische opslag. De akkerbouwactiviteiten worden voortgezet als nevenactiviteit.

Om het initiatief mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Gilze en Rijen nodig. De gemeente heeft aangegeven dat het initiatief voorstelbaar is, mits de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving goed zijn afgewogen. Deze toelichting dient als motivatie van deze afweging.

1.2 Omschrijving van de locatie

De locatie is gelegen aan de Hoogstraat 8 te Gilze en ligt in het landelijk gebied van de gemeente Gilze en Rijen. De locatie bevindt zich in het buitengebied van Gilze, waar een landelijk karakter wordt gecombineerd met agrarische bedrijfsactiviteiten. De omgeving wordt gekenmerkt door open landbouwgronden, afgewisseld met agrarische bebouwing en verspreide bedrijfsfuncties. Het perceel aan de Hoogstraat 8 is landschappelijk goed ingepast, met een combinatie van bebouwing en agrarische gronden. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Gilze en Rijen, sectie O, nummer 489. In de volgende afbeelding is de topografische ligging van de locatie weergegeven.


afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0001.png" Uitsnede topografische kaart met locatie aangegeven.

Bron: PDOK

Op de locatie is momenteel een pluimveebedrijf aanwezig. Bij dit bedrijf bevindt zich een bedrijfswoning met enkele bedrijfsgebouwen. Er zijn vijf pluimveestallen, een loods ten behoeve van opslag, een stal voor het houden van hobbymatig vee en enkele privéopslagen aanwezig.

Voor de locatie is een milieutoestemming afgegeven voor het houden van 4 pony's, 35 stuks jongvee en 153.000 stuks vleeskuikens. Recent is er nog een aanvraag gedaan voor het aanpassen van het stalsysteem in de stallen en de realisatie van uitlopen voor kippen. Gezien de omvang van het bedrijf valt het bedrijf onder de categorie IPPC.

In de volgende afbeelding is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0002.png"
Luchtfoto huidige situatie locatie.

Bron: Omgevingsloket.

1.3 Geldend Omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Gilze en Rijen heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan.

Daarnaast zijn op de locatie zelf de volgende functies en aanduidingen van toepassing:

  • Agrarisch;
  • Waarde Archeologie;
  • Waarde Archeologie 2;
  • Groen;
  • Functieaanduiding: intensieve veehouderij;
  • Gebiedsaanduiding: ihcs -1;
  • Gebiedsaanduiding: agrarisch ontwikkelingsgebied.

Tevens is ter plaatse een bouwvlak aanwezig van 17.732 m2. De agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch grondgebruik en de uitoefening van een intensieve veehouderij.

In de volgende afbeelding is een uitsnede van de kaart van het geldende omgevingsplan ter plaatse van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0003.png" Uitsnede kaart geldend omgevingsplan ter plaatse van de locatie.
Bron: Omgevingsloket.

Het initiatief is in strijd met het omgevingsplan van rechtswege op de volgende punten:

  • Een van de voorwaarden vanuit de LBV regeling is het planologisch niet meer mogelijk maken om op bedrijfsmatige wijze landbouwhuisdieren te houden op de locatie. Hierdoor dient de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' verwijdert te worden van de locatie.
  • De omschakeling naar statische opslag en daarmee een bedrijfsfunctie.

Het initiatief past daarmee niet binnen het geldende omgevingsplan van rechtswege. In het omgevingsplan van rechtswege zijn daarnaast ook geen mogelijkheden opgenomen om het initiatief met een afwijking mogelijk te maken en het is niet mogelijk gebleken het initiatief met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. Om die redenen is een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) nodig. Daarbij is het belangrijk om een goede afweging te maken van de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving. In deze toelichting is deze afweging verder gemotiveerd.

Concreet zal er met deze wijziging van het omgevingsplan van rechtswege het volgende worden gewijzigd:

  • Verkleinen bouwvlak;
  • Wijzigen van de agrarische functie naar een bedrijfsfunctie;
  • Verwijderen functieaanduiding: intensieve veehouderij.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 met daarin de beschrijving van het initiatief. Daarbij wordt het initiatief beschreven en wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief.
  • Hoofdstuk 3 met daarin de beschrijving van de voorbereiding op de te doorlopen procedure. Daarin is beschreven welke (procedurele) stappen al zijn gezet ter voorbereiding op de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege.
  • Hoofdstuk 4 met daarin de beleidsmatige afweging. Daarbij wordt het initiatief getoetst aan het beleid dat van toepassing is vanuit de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente.
  • Hoofdstuk 5 met daarin de afweging van de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving. Daarbij wordt het initiatief getoetst aan de verschillende van belang zijnde regels voor de fysieke leefomgeving en of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
  • Hoofdstuk 6 met daarin de afweging aan eventuele beperkingengebieden. Daarin wordt gekeken naar eventuele beperkingengebieden ter plaatse van of nabij de locatie en wordt een afweging gemaakt van de eventuele gevolgen van het initiatief op werken of objecten waarop deze beperkingengebieden van toepassing zijn.
  • Hoofdstuk 7 met daarin de uitvoerbaarheid van het initiatief. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het initiatief

De wijziging van het omgevingsplan van rechtswege maakt de beëindiging van de intensieve veehouderij mogelijk. In dit hoofdstuk wordt het initiatief verder omschreven en toegelicht en wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief en de bijdrage daarvan aan de maatschappelijke doelen zoals zijn opgenomen in de Omgevingswet.

2.1 De gewenste situatie

Op de locatie wenst de initiatiefnemer de intensieve veehouderij, te weten een pluimveebedrijf, te beëindigen. Na beëindiging zal de locatie worden ingezet voor een bedrijfsfunctie: statische opslag. Voor deze activiteit zal een nieuwe loods worden opgericht. Naast deze hoofdactiviteit zal de huidige nevenactiviteit, akkerbouw worden voortgezet.

Vanwege deelname aan de LBV regeling dienen de pluimveestallen gesaneerd te worden. In onderstaand figuur is weergegeven welke bebouwing gesaneerd (X) zal worden. De overige bebouwing blijft behouden voor de gewenste vervolgfunctie en komt niet voor vergoeding vanuit de LBV regeling in aanmerking.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0004.png"

Na beëindiging van de agrarische activiteiten op basis van de LBV-regeling, wenst de initiatiefnemer de locatie om te vormen tot een bedrijfsmatige functie ten behoeve van statische opslag. Daarnaast zal akkerbouw de ondergeschikte nevenactiviteit vormen van de bedrijfsvoering. De zonnepanelen die nu op de achterste stallen zijn geïnstalleerd, worden behouden en opnieuw geplaatst op de nieuwe bebouwing. De akkerbouwactiviteiten blijven behouden en zullen worden voortgezet in een bestaande schuur van 250 m2.

De statische opslag wordt gerealiseerd in de bestaande resterende bedrijfsbebouwing en een verlening daarvan. Op termijn zal het oostelijk gelegen opslaggebouw mogelijk vervangen worden door nieuwbouw met een grotere vloeroppervlakte. Dit is wel de uiteindelijk gewenste situatie. De opslag bestaat uit het opslaan van campers, caravans, boten, antiek, etc.. Het betreft uitsluitend goederen die het statische karakter hebben en daardoor zeer beperkte verkeersbewegingen kennen.

Op de locatie zullen niet meer op bedrijfsmatige wijze landbouwhuisdieren worden gehouden, slechts hobbymatig. Het aantal te houden dieren blijft altijd onder de meldingsgrens. Ook omdat dit vanuit deelname aan de LBV regeling niet is toegestaan. Hierbij kan gedacht worden aan een paar paarden en enkele stuks droge koeien/jongvee.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt het huidige bouwvlak sterk verkleind met bijna 60% naar 7.815 m2.

De gewenste situatie is in de volgende afbeelding in een situatietekening weergegeven. De volledige tekening op schaal is opgenomen als “Bijlage 1”.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0006.png"

Situatietekening (niet op schaal) gewenste situatie.

Bron: DLV advies.

2.2 Landschappelijke inpassing

Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat of dat deze, waar mogelijk, juist wordt versterkt. Afhankelijk van de impact die een ontwikkeling heeft op het landschap en de omgeving wordt een tegenprestatie gevraagd om bij te dragen aan het behouden of het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het belangrijk om het initiatief op een goede manier landschappelijk in te passen.

Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief is door een landschappelijk deskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Daarin is een nadere afweging gemaakt van het omliggende landschap en hoe de voorgestelde landschappelijke inpassing kan bijdragen aan het behoud en/of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Daarnaast is in het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen welke landschappelijke elementen worden aangebracht en welke beplanting daarvoor wordt gebruikt.

In de volgende afbeelding is de tekening met daarop de voorgestelde landschappelijke inpassing weergegeven. Het volledige landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen als “Bijlage 2”.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0007.png"

Tekening landschappelijke inpassing van het initiatief.

Bron: hv8

Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de belangrijke kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen. Daarbij is vanuit het landschap bekeken op welke manier de landschappelijke inpassing kan bijdragen aan de kwaliteit van het landschap, zonder dat dit al te veel ten koste gaat van een efficiënte inrichting van het erf. Daarmee is ter plaatse sprake van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief.

Omdat het initiatief toch een wat grotere impact zal hebben op het landschap is naast een goede landschappelijke inpassing een aanvullende investering in de ruimtelijke kwaliteit nodig. De aanvullende investering zal leiden tot een verdere verbetering van de ruimtelijke kwaliteit om de impact van het initiatief op het landschap te compenseren. Om te bepalen welke aanvullende tegenprestatie nodig is heeft de gemeente Gilze en Rijen in samenwerking met de provincie Noord-Brabant aanvullend beleid opgesteld.

Bij de omschakeling naar een functie dient 20% van de waardevermeerdering te worden geïnvesteerd in de kwaliteitsberekening. De volgende bedragen zijn aangehouden per m2:

  • Agrarisch bouwvlak: €25
  • Agrarisch buiten bouwvlak: €7
  • Groen/Landschappelijke inpassing: €3
  • Bedrijven bouwvlak statische opslag: €60
  • Bedrijfswoning: €125

Voor de bedrijfsfunctie is een lager bedrag aangehouden dan standaard geldt voor een bedrijfsaanduiding. Deze lagere waarde is gerechtvaardigd aangezien de mogelijkheden met de beoogde bedrijfsfunctie vele malen beperkter dan bijvoorbeeld een bedrijfsbestemming op een bedrijventerrein.

Huidige situatie

  • Bedrijfswoning (inclusief bijgebouwen, 1.000 m2): € 125.000
  • Agrarisch bouwvlak (16.732 m2): € 418.300
  • Groen (4.665 m2): € 13.995

Totaal: €557.295

Beoogde situatie

  • Bedrijfswoning (inclusief bijgebouwen, 1.000 m2): € 125.000
  • Bedrijfsmatig bouwvlak (6.549 m2): € 392.940
  • Groen (5.461 m2): € 16.383

Totaal: € 534.323

Verschil: € 534.323 - € 557.295 = € -22.972

Op basis van bovenstaande berekening kan geconcludeerd worden dat er geen aanvullende bijdrage geleverd te worden ten behoeve van de kwaliteitsverbetering.

2.2.1 Bijdrage aan maatschappelijke doelen

In de Omgevingswet zijn maatschappelijke doelen opgenomen. De Rijksoverheid wil dat wordt bijgedragen aan duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Daarvoor wordt ingezet op het bereiken van een balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Daarover is in de Omgevingswet het volgende opgenomen:

  • beschermen: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.
  • benutten: het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen.

Het is dus belangrijk dat met een nieuwe ontwikkeling rekening wordt gehouden met de fysieke leefomgeving en de omgevingskwaliteit. Er moet daarbij sprake zijn van een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Daarbij moet worden gelet op de onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen van activiteiten op de leefomgeving.

Met dit initiatief wordt invulling gegeven aan de maatschappelijke doelen zoals geformuleerd in de Omgevingswet. De omschakeling van een intensieve veehouderij naar een bedrijfsfunctie draagt bij aan zowel de bescherming als het benutten van de fysieke leefomgeving.

Bescherming van de fysieke leefomgeving

De beëindiging van de intensieve veehouderij leidt tot een vermindering van emissies, zoals geur, ammoniak en fijnstof. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit en draagt bij aan een gezondere leefomgeving voor omwonenden. Daarnaast wordt de verkeersdruk verminderd, doordat transportbewegingen van en naar de locatie afnemen. Dit draagt bij aan de verkeersveiligheid en vermindert de geluidsoverlast.

Ook op het gebied van natuur en landschap is er winst te behalen. De agrarische bestemming wordt omgezet naar een bedrijfsfunctie met statische opslag en akkerbouw als nevenactiviteit. Hierdoor wordt de landschappelijke structuur versterkt, en blijft het karakter van het buitengebied behouden. Er worden bovendien landschappelijke inpassingsmaatregelen getroffen, waardoor de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit toenemen.

Benutten van de fysieke leefomgeving

Door de herbestemming van de locatie wordt er efficiënt gebruikgemaakt van de fysieke leefomgeving. De bestaande gebouwen worden deels hergebruikt en de materialen van de te slopen stallen worden zoveel mogelijk opnieuw ingezet bij de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw. Daarnaast worden de zonnepanelen van de bestaande stal hergebruikt, waardoor het bedrijf grotendeels zelfvoorzienend kan functioneren op het gebied van duurzame energie. Dit sluit aan bij de maatschappelijke behoefte om energieneutraal te opereren en draagt bij aan de energietransitie.

Verder wordt met de statische opslag een nieuwe economische functie toegevoegd die past binnen de ruimtelijke structuur van het buitengebied en geen extra overlast veroorzaakt. Dit draagt bij aan de economische vitaliteit van het buitengebied en biedt mogelijkheden voor een duurzame bedrijfsvoering zonder negatieve gevolgen voor de omgeving.

Hoofdstuk 3 Voorbereiding

In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege die nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege.

3.1 Vooroverleg met de gemeente

Zoals in de inleiding van deze toelichting is weergegeven, heeft de initiatiefnemer de wens kenbaar gemaakt om de intensieve veehouderij op de locatie te beëindigen en de locatie een andere invulling te geven. De gemeente heeft dit initiatief in een vroeg stadium beoordeeld middels een vooroverleg. In dat kader is door initiatiefnemer een verzoek ingediend om medewerking te verlenen aan het plan. In dit verzoek zijn de noodzaak en wenselijkheid van het initiatief, evenals de voorgenomen ontwikkeling, uitgebreid onderbouwd.

In de oorspronkelijke aanvraag was tevens de realisatie van een extra woning opgenomen. Dit onderdeel maakt geen deel meer uit van het voorliggende initiatief.Op basis van de beoordeling heeft de gemeente onder meer het volgende geconcludeerd:

“De omzetting van agrarisch – intensieve veehouderij naar functie Bedrijf – statische opslag vinden we een aanvaardbare ontwikkeling.”

“Initiatiefnemer wil naast de bedrijfsfunctie ook op kleine schaal akkerbouwactiviteiten uitvoeren. Voor het toestaan van een nevenactiviteit geldt dat deze in ruimtelijk, functioneel en qua inkomen duidelijk ondergeschikt dient te zijn aan de voor de bestemming toegestane hoofdfunctie. Verder stellen we als voorwaarde dat initiatiefnemer de schuur voor statische opslag zo positioneert dat een verbetering optreedt voor het landschap.”

“De gemeente heeft enkele voorwaarden meegegeven voor het uitwerken van de aanvraag:

  • Initiatiefnemer dient in de motivatie van de vervolgprocedure te onderbouwen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moeten de diverse planologische en milieu-hygiënische aspecten onderzocht te worden;
  • Er dient een omgevingsdialoog plaats te vinden conform ons gemeentelijk beleid;
  • Initiatiefnemer dient een bedrijfsplan aan te leveren waaruit blijkt hoe de locatie ingericht wordt en hoe de bedrijfsvoering er concreet uit komt te zien;
  • Initiatiefnemer dient een landschappelijk inpassingsplan aan te leveren waaruit blijkt waar de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en hoe kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd.
  • Initiatiefnemer dient met de positionering van het gebouw voor statische opslag rekening te houden met het inperken van het bouwvlak en het omliggende landschap.
  • Met initiatiefnemer moeten afspraken gemaakt worden over de gemeentelijke plankosten en nadeelcompensatie in een anterieure overeenkomst voordat de procedure gestart wordt.

Na afronding van het vooroverleg heeft de gemeente aangegeven in beginsel medewerking te willen verlenen aan een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege, onder de voorwaarde dat de effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving zorgvuldig en evenwichtig worden afgewogen. Voorliggende toelichting voorziet in deze motivering en afweging.

3.2 Omgevingsdialoog

Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling.

De omwonenden zijn geïnformeerd door de initiatiefnemer zelf. Initiatiefnemer is persoonlijk langs geweest. Men heeft de gelegenheid gehad om vragen te stellen en eventuele bezwaren te uiten. Zodoende is de vraag gesteld of de loods niet verder naar achter gesitueerd kon worden op het terrein. Dit is eerder voorgelegd aan de gemeente maar kreeg geen medewerking. Hierdoor is het ontwerp verder niet aangepast. Verder zijn er geen opmerkingen of bezwaren geuit.

Van de uitgevoerde participatie is een verslag gemaakt. Dit verslag is opgenomen als “Bijlage 3”. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in het verslag onherkenbaar gemaakt.

Hoofdstuk 4 Beleidsmatige afweging

Een ontwikkeling moet passen binnen het beleid dat door zowel de gemeente als door de Rijksoverheid, de provincie en het waterschap is vastgesteld. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt of een initiatief passend is binnen de uitgangspunten en regels die in de verschillende beleidsstukken zijn opgenomen of, wanneer een initiatief daar niet helemaal binnen past, dat met behulp van maatwerk sprake kan zijn van een aanvaardbare of wenselijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het beleid dat is vastgesteld door de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale omgevingsvisie

Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid.

Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de visie voor de lange termijn van de Rijksoverheid op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de duurzame leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen.

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van de Rijksoverheid niet worden tegengewerkt wordt de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten gegeven en is er geen sprake van een ontwikkeling in strijd met de NOVI.

Het initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen gevolgen voor de nationale belangen die zijn opgenomen in de NOVI en werkt de ambities van de Rijksoverheid niet tegen. Het initiatief is daarom niet in strijd met de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid.

4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen. Het initiatief betreft daarnaast geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee geen nadere afweging van de behoefte hoeft te worden gemaakt. Verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente.

Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden. Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat onder meer instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen en omgevingsverordeningen, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Deze instructieregels dienen door provincies, gemeenten en waterschappen te worden doorvertaald in hun eigen beleid en regelgeving. De feitelijke toetsing aan de normen uit het Bkl vindt in de praktijk plaats via de provinciale omgevingsverordening, het gemeentelijk omgevingsplan en, waar relevant, waterschapsbeleid.

Een belangrijk onderdeel van het Bkl is de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl). De Ladder verplicht tot een zorgvuldige afweging van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is.

De Ladder is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op onder meer:

  • bedrijventerreinen,
  • woningbouwlocaties,
  • kantoren,
  • detailhandel,
  • of andere stedelijke voorzieningen die voldoende substantieel zijn.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft daarbij in haar jurisprudentie bepaald dat:

  • bij nieuwe of uitgebreide bedrijfsbebouwing een bruto-vloeroppervlakte van 500 m² in beginsel de ondergrens vormt;
  • bij de ontwikkeling van een terrein een ruimtebeslag van minimaal 500 m² in beginsel als ondergrens geldt.

In dit initiatief wordt de locatie van een agrarische functie (niet-stedelijk) naar een bedrijfsfunctie (wel stedelijk) gewijzigd. De beoogde statische opslag omvat maximaal circa 2.000 m² aan bedrijfsbebouwing, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de omvang die volgens jurisprudentie in beginsel als substantieel wordt aangemerkt. Daarnaast is sprake van een nieuwe functie die voorheen niet planologisch was toegestaan. Daarmee betreft het een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 5.129g Bkl.

Toetsing op hoofdlijnen – behoefte

Omdat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient op hoofdlijnen te worden onderbouwd dat er een behoefte bestaat aan de ontwikkeling.

Voor statische opslaglocaties geldt dat de vraag in de regio structureel hoog is, onder meer vanwege:

  • het beëindigen van agrarische bedrijven,
  • toenemende behoefte aan stallingsruimte voor caravans, campers en overige opslag,
  • de beperkte beschikbare locaties binnen bestaand stedelijk gebied die geschikt en ruim genoeg zijn voor dit type gebruik.

De initiatiefnemer zet bestaande agrarische bebouwing (die vrijkomt door beëindiging van de veehouderij) in voor statische opslag. Daarmee wordt voorzien in een reële, aantoonbare regionale behoefte die bovendien past binnen de bestaande ruimtelijke structuur van het erf. Er wordt geen extra bebouwing toegevoegd. Dit maakt de ontwikkeling doelmatig en ruimtelijk logisch.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Het initiatief past goed binnen de doelstellingen en uitgangspunten die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsvisie.

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de doelstellingen van de provincie voor zover sprake is van een provinciaal belang. De doelstellingen in de omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar bieden wel het kader voor de instructieregels die de provincie vastlegt in de provinciale omgevingsverordening, die gemeenten vervolgens moeten verwerken in hun omgevingsplannen.

De omgevingsvisie gaat over twee vragen:

  • Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien?
  • Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken?

De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zijn in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.

De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.

Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.

Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.

Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.

Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.

Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgave geformuleerd:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan de slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met kansen vanuit andere hoofdopgaven.

In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkelend en dat rekening wordt gehouden met klimaatsverandering bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Met het beëindigen van de intensieve veehouderij komen de emissies vanuit het bedrijf vrijwel geheel te vervallen. Daarmee zal de milieuhinder aan de omgeving aanzienlijk afnemen, waarmee de kwaliteit van de leefomgeving in de omgeving (aanzienlijk) zal verbeteren. Een kleinschalig bedrijf voor statische opslag en akkerbouw heeft immers een aanzienlijke lagere milieubelasting dan een volwaardige intensieve veehouderij. Dit draagt bij aan een verbeterde omgevingskwaliteit.

Daarnaast zal de emissie van broeikasgassen afnemen met de voorgenomen ontwikkeling. Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling namelijk niet langer sprake zijn van het houden van dieren, waarmee de emissie van broeikasgassen (koolstofdioxide en methaan) vanuit de gehouden dieren in zijn geheel zal komen te vervallen. Daarnaast is het bij een volwaardige intensieve veehouderij van belang dat de stallen op de juiste temperatuur worden gehouden, waarmee in de koudere maanden verwarming van de stallen nodig is. Voor statische opslag en akkerbouw is de temperatuur niet van belang, waarmee verwarming van de bedrijfsgebouwen niet langer, of in ieder geval in aanzienlijk mindere

mate, noodzakelijk is. Daarnaast is het niet langer nodig om de bedrijfsgebouwen mechanisch te ventileren, waarmee het energieverbruik zal afnemen.

Met de verminderde uitstoot van broeikasgassen en de afname van de energiebehoefte die worden behaald door de omschakeling zal de voorgenomen ontwikkeling bijdrage aan de energie- en klimaatdoelstellingen van de overheid.

Ten slotte is, zoals nader omschreven in de paragraaf “Landschappelijke inpassing” (paragraaf 2.2) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 2), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

4.2.2 Provinciale omgevingsverordening

Het initiatief is niet in strijd met de regels die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsverordening.

De provincie Noord-Brabant heeft op 5 december 2023 de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld met toepassing van een tijdelijke algemene maatregel (TAM). Daarmee hebben zij de omgevingsverordening, zoals eerder vastgesteld op 11 maart 2022, in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet. Voor publicatie in het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) heeft de provincie per 1 januari 2024, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant gepubliceerd. Daarin wordt voor de actuele regels en geometrie verwezen naar de TAM-Omgevingsverordening. De meest actuele versie is van 20 spetember 2025. Voor toetsing aan de regels van het provinciale beleid is daarom de TAM-versie van de Omgevingsverordening leidend.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een bedrijf voor statische opslag. Daarbij zal als nevenactiviteit sprake zijn van akkerbouw.

Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als

Gebieden 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied'

Voor gebieden met de aanduiding 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' gelden aanvullende regels voor regionale wateren. Daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn.

Gebieden 'diep grondwaterlichaam'

Voor gebieden met de aanduiding 'diep grondwaterlichaam' geldt een verbod op het uitvoeren van onconventionele winning van koolwaterstoffen. Ook daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden eveneens niet van toepassing zijn.

Gebied 'stalderingsgebied'

Binnen de gebieden met de aanduiding 'stalderingsgebied' gelden aanvullende regels voor een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. De aanvullende regels met betrekking tot deze gebieden zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Gebied 'geen attentiezone waterhuishouding'

Voor deze gebieden zijn in de verordening geen aanvullende regels opgenomen.

Gebied 'beperking grootschalige logistiek'

Voor gebieden met de aanduiding 'beperking grootschalige logistiek' gelden aanvullende regels voor grootschalige logistiek. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van grootschalige logistiek, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Binnen het landelijk gebied gelden specifieke regels voor bepaalde ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een bedrijfsfunctie voor statische opslag met als nevenactiviteit akkerbouw. Vanuit de verordening wordt dit gezien als vestiging van een niet-agrarische functie. Voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied zijn in de verordening in artikel 5.78 specifieke regels opgenomen. Deze luiden als volgt:

“Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit

Lid 1

Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als:

  • a. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12;
  • b. aanwezig, overtollig bebouwing wordt gesloopt; en
  • c. dit geen betrekking heeft op:
  • 1. Een kantoor met baliefunctie;
  • 2. Het toelaten van een nieuwe lawaaisport; en
  • 3. Een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking.

Lid 2

Het omgevingsplan regelt:

  • a. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;
  • b. een bij de omgeving passende maximale omvang;
  • c. dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in Artikel 5.12;
  • d. dat een ontwikkeling naar een functie met grote publieksaantrekkende werking is uitgesloten;
  • e. dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; en
  • f. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a.

Lid 3

Als uitgangspunt voor een bij de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor:

  • a. een bedrijfsmatige activiteit, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;
  • b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;
  • c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

Lid 4

Een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.75 Mestbewerking, als dat vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving."

Ad. 5.78, lid 1, sub a:

Vanuit artikel 5.12 zijn voor het bepalen of een ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied de volgende zaken van belang:

  • a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
  • b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in artikel 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
  • c. op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en
  • d. op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.

Bij vele gemeenten in Brabant kampt men met geuroverlast door intensieve veehouderijen. Vele gemeenten wensen daarom geuremissies van bedrijven in het landelijk gebied te verminderen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve pluimveehouderij beëindigd, waarmee de geurbelasting, alsmede de milieubelasting vanuit de andere milieuaspecten, op de omgeving aanzienlijk zal afnemen. Dit past binnen de doelstellingen die de gemeente heeft voor dit gebied. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen de omgeving.

Zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk “Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving” (hoofdstuk 5) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de in de omgeving aanwezige functies en/of waarden. Tevens zal met de voorgenomen beëindiging van de intensieve veehouderij sprake zijn van een aanzienlijke afname van de geurbelasting en van de emissie van fijnstof, stikstofoxiden, ammoniak en broeikasgassen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de leefbaarheid in de omgeving.

De voorgenomen bedrijvigheid betreft statische opslag en akkerbouw en is van kleinschalige aard. Er is geen sprake van personeel buiten de initiatiefnemer zelf. De omvang van de opslagruimte blijft beperkt en de activiteiten vallen binnen de laagste milieucategorieën, wat betekent dat ze slechts minimale milieubelasting veroorzaken.Gezien de aard, schaal en het geringe verkeer en geluid dat met de activiteiten gepaard gaat, is geen sprake van bedrijvigheid die thuishoort op een bedrijventerrein. De locatie is gelegen in een gemengd gebied met agrarische en woonfuncties en de ontwikkeling past goed binnen dit ruimtelijke karakter. Het doelmatig gebruik van bestaande erven buiten reguliere bedrijventerreinen draagt bovendien bij aan zorgvuldig ruimtegebruik in het buitengebied.

Vanuit de maatschappij wordt volksgezondheid steeds meer gezien als belangrijke factor voor het woon- en leefgenot van de mens. Met de maatschappelijke discussie die momenteel speelt rondom volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en door de campagnes van dierenrechtenorganisaties wordt het beeld op intensieve veehouderijen steeds negatiever. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee wordt een deel van de angst bij omwonenden op risico's voor de volksgezondheid vanuit de veehouderij weggenomen. Er zal immers niet langer meer sprake zijn van een veehouderij met de mogelijk daarbij behorende gezondheidsrisico's.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf “Activiteiten en milieuzonering” (paragraaf 5.2) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden en/of bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven. Tevens zullen ook geen andere functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een belemmering van de agrarische ontwikkeling van het gebied.

Een intensieve veehouderij heeft een grote energiebehoefte. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote geurbelasting en grote uitstoot van fijnstof, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de intensieve veehouderij ter plaatse worden beëindigd. Daarbij zal deze worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en akkerbouw. De geurbelasting van het bedrijf komt daarmee in zijn geheel te vervallen. Ook zal de emissie van fijnstof, ammoniak en stikstofoxiden afnemen.

De geluidhinder zal met de gewenste ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, maar eerder afnemen, omdat niet langer sprake zal zijn van statische geluidsbronnen als de ventilatoren op de stallen. De toename van het aantal verkeersbewegingen is beperkt, waarmee de geluidbelasting vanuit het verkeer van en naar de locatie niet onevenredig zal toenemen.

Een dergelijk niet-agrarisch bedrijf heeft daarnaast, een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan een volwaardig intensief veehouderijbedrijf. Het energieverbruik op de locatie zal daarmee aanzienlijk lager worden dan in de huidige situatie. Dit komt ten goede aan het klimaat en aan het milieu.

Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van broeikasgassen (aanzienlijk) afnemen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van het klimaat. Door een verminderde uitstoot van broeikasgassen zal minder sprake zijn van een bijdrage aan de klimaatsverandering en de opwarming van de aarde.

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf “Mobiliteit” (paragraaf 5.13), geen sprake van aanpassingen aan of van een aantasting van de infrastructuur ter plaatse. Tevens zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het aantal verkeersbewegingen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Daarmee zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen op de mobiliteit in het gebied.

De gewenste ontwikkeling betreft geen bedrijfsvoering die zal concurreren met functies op het bedrijventerrein. Een bedrijf voor statische opslag is doorgaans niet op een bedrijventerrein gevestigd, maar op voormalige agrarische bedrijven in het buitengebied. Dit komt voornamelijk door de grote hoeveelheid aan beschikbare voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Daarnaast is de agrarische grond aanzienlijk goedkoper dan grond op een bedrijventerrein, waardoor het voor veel ondernemers op een bedrijventerrein niet interessant genoeg is om grote gebouwen neer te zetten op bedrijfsgronden voor statische opslag.

De voorgenomen ontwikkeling komt met de statische opslag, zoals in het voorgaande omschreven, tegemoet aan een maatschappelijke vraag naar opslagruimte. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe invulling gegeven aan voormalig agrarische bedrijf. Wanneer aan voormalige agrarische bedrijven geen nieuwe invulling wordt gegeven dan blijven de voormalige bedrijfsgebouwen vaak leeg staan. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt leegstand en verpaupering van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voorkomen. Ook daarmee wordt invulling gegeven aan een maatschappelijk vraagstuk waar veel gemeenten en provincies in Nederland mee kampen.

De locatie aan de Hoogstraat 8 valt binnen de "maatschappelijke as" van de Gebiedsvisie Rimpelaar, een zone tussen Breda en Tilburg die ruimte biedt voor recreatie, natuurbeleving en ontspanning. De visie staat kleinschalige bedrijven toe die passen bij het buitengebied, met een focus op maatschappelijke functies zoals zorg, ontmoeten en boerenbuitenleven.

De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan. Het aanbieden van stallingsruimte voor recreatieve voertuigen versterkt de recreatieve functie van het gebied, wat bijdraagt aan de voorzieningen voor bezoekers. Het bedrijf biedt een maatschappelijke functie en draagt bij aan de natuurbeleving in de regio.

Daarnaast ligt de locatie in het agrarisch verbredingsgebied, waar ruimte is voor grondgebonden landbouw en verbredingsactiviteiten. Het behoud van akkerbouw als nevenactiviteit ondersteunt het agrarische karakter, terwijl de statische opslag functie multifunctioneel landgebruik mogelijk maakt dat inspeelt op maatschappelijke behoeften zoals recreatie en duurzaamheid.

De ontwikkeling voldoet aan de criteria uit de visie:

  • Aantal werknemers: Beperkt, geen intensieve arbeidsintensieve functie.
  • Milieubelasting: Verlaagd door beëindiging van de pluimveehouderij.
  • Verkeersbewegingen: Beperkt en seizoensgebonden.
  • Intensiteit ruimtegebruik: Lager dan de vorige bedrijfsvoering.
  • Relatie met buitengebied: De opslagfunctie heeft een duidelijke link met de agrarische sector door het behoud van akkerbouw en draagt bij aan de recreatieve functies van het gebied.

De ontwikkeling aan de Hoogstraat 8 past goed binnen de uitgangspunten van de Gebiedsvisie Rimpelaar en draagt bij aan de versterking van de recreatieve en agrarische functies in het buitengebied, in lijn met de gemeentelijke doelen voor multifunctioneel ruimtegebruik.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven en verder is uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2), sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk

inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke

kwaliteit van het gebied en de omgeving. Vanuit artikel 3.9 van de omgevingsverordening wordt landschappelijke inpassing aangemerkt als maatregel voor meerwaardecreatie in het landelijk gebied ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Verder wordt er aan het agrarische bedrijf een nieuwe invulling gegeven. Wanneer dat niet het geval is dan komt de voormalige agrarische bebouwing vaak leeg te staan en verpaupert deze vaak. Met de voorgenomen ontwikkeling, waarbij wel een nieuwe invulling aan een (voormalig) agrarisch bedrijf wordt gegeven, wordt leegstand en verpaupering van bebouwing in het buitengebied voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de beeldkwaliteit en omgevingskwaliteit van het landelijk gebied.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling worden/zijn de voormalige pluimveestallen in zijn geheel gesloopt. De overige te behouden bebouwing en de nieuwe bebouwing zal geheel worden benut voor de gewenste bedrijfsvoering. Er is daarmee geen sprake van overtollige bebouwing in de gewenste situatie. De overtollige bebouwing wordt/is immers geheel gesloopt. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied zoals is bedoeld in artikel 5.12 van de verordening. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 1, sub b:

Bij de voorgenomen ontwikkeling is reeds een grote oppervlakte aan (voormalige) pluimveestallen gesloopt. In ruil daarvoor worden nieuwe bedrijfsgebouwen opgericht, maar deze zijn in oppervlakte vele malen kleiner dan de voormalige stallen. Er is daarmee sprake van sloop van overtollige bebouwing. Deze sloop wordt geborgd door de voorwaarden vanuit de LBV regeling. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 5.78, lid 1, sub c:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de vestiging van of de omschakeling naar een kantoorfunctie, met een baliefunctie, van activiteiten ten behoeve van een lawaaisport en/of van de bewerking van mest.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 5.78, lid 2, sub a:

De gewenste activiteiten, zijnde statische opslag en akkerbouw, worden in de regels behorende bij dit plan nader afgekaderd. Het voorliggende plan maakt daarmee niet meer mogelijk dan de activiteiten die worden aangevraagd.

Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 5.78, lid 2, sub b en c:

Zoals reeds omschreven bij de toetsing aan lid 1, onder a past de voorgenomen ontwikkeling binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin de locatie is gelegen.

De locatie is daarnaast gelegen in een gebied dat geleidelijk aan het transformeren is naar een meer gemengd gebied in plaats van een overwegend agrarisch gebied. Er zijn immers verschillende agrarische bedrijven in de omgeving reeds beëindigd en omgeschakeld naar een nieuwe, niet-agrarische functie. De verwachting is dat meer agrarische bedrijven op termijn zullen gaan stoppen, waardoor het gebied verder zal transformeren naar een meer gemengd gebied waarin verschillende functies naast de agrarische functies voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling sluit goed aan op deze trend. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling ook op langere termijn binnen het gebied waarin de locatie is gelegen.

Ad. 5.78, lid 2, sub d:
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Mobiliteit" (paragraaf 5.13) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen en/of bezoekers. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende en/of publieksaantrekkende werking. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 2, sub e:

De voorgenomen activiteiten, zijnde statische opslag en akkerbouw, zullen geheel in bebouwing plaatsvinden. Er zal geen sprake zijn van buitenopslag.
Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 2, sub f:
Bij de gewenste ontwikkeling wordt voorzien in een omvang die ook op termijn voldoende ruimte biedt voor een duurzaam en volwaardig bedrijf. Indien de aangevraagde omvang op de lange termijn niet langer toereikend blijkt te zijn en de maximaal toegestane omvang niet voldoende blijkt dan zal in plaats van een verdere uitbreiding worden gekeken naar een alternatieve locatie.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 3, sub a:
Er is sprake van kleinschalige bedrijvigheid wanneer de bedrijvigheid een relatief kleine weergave betreft van de bedrijvigheid van het gebied en wanneer het oppervlaktebeslag een relatief kleine weergave betreft van het totale gebied.

De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt 7.549 m2. De locatie is gelegen in een gebied met landbouw- en bedrijfskavels met een relatief grote oppervlakte. Vrijwel elk van deze bedrijven heeft een vergelijkbare of grote omvang dan het bedrijf van de initiatiefnemer. Ook de omvang van de gebouwen is bij de omliggende bedrijven vaak vergelijkbaar of groter dan de gewenste bedrijfsgebouwen van de initiatiefnemer. De huidige bebouwing is passend in de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal geen sprake zijn van een uitbreiding van de bebouwing, maar van een afname. De maximaal toegestane oppervlakte wordt door de gemeente aanvaardbaar en passend geacht in het gebied. Door de afname van het bebouwde oppervlak ter plaatse zal de impact op de ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit in de omgeving eveneens afnemen.

Op de locatie bevindt zich daarnaast reeds een bedrijf met de daarbij behorende bedrijfsbebouwing. Het bedrijf heeft daarmee al geruime tijd de positie in het landschap die het nu heeft. De oppervlakte aan bedrijfsbebouwing zal met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen, maar juist afnemen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredig toenemende impact op het landschap. Met de afname van het bebouwd oppervlak en het maximale ruimtebeslag op de locatie wordt bijgedragen aan ontstening van het halfopen landschap waarin de locatie is gelegen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het behoud van het landschap en aan de ruimtelijke kwaliteit.

Zoals beschreven in het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende en/of publieksaantrekkende werking. Het aantal bezoekers van het bedrijf is dusdanig klein dat sprake is van een kleinschalige bedrijvigheid.

Verder is, zoals nader omschreven in de paragraaf “Besluit kwaliteit leefomgeving” (paragraaf 4.1.2), met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee vestiging in stedelijk gebied niet voor de hand ligt.

De initiatiefnemer heeft de grond waarop de gewenste ontwikkeling zal plaatsvinden reeds in eigendom. Als de initiatiefnemer zou moeten verplaatsen naar een bedrijventerrein dan zouden hiervoor nieuwe gronden op een bedrijventerrein moeten worden aangekocht. De gronden op een bedrijventerrein zijn vaak erg duur. Dit zou betekenen dat de initiatiefnemer een aanzienlijke investering zou moeten doen om te kunnen verplaatsen naar een bedrijventerrein. Deze investering is, gezien de prijs van de gronden op een bedrijventerrein, voor de initiatiefnemer niet haalbaar om daarna te leiden tot een rendabele bedrijfsvoering.

Zelfs als de huidige locatie verkocht zou worden dan zouden de opbrengsten van de verkoop van de locatie niet voldoende zijn om de aankoop van een locatie op een bedrijventerrein rendabel te maken. Daarmee is de vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein financieel niet haalbaar voor de initiatiefnemer. Het is daarmee niet doelmatig om het gewenste bedrijf van de initiatiefnemer op een bedrijventerrein te vestigen.

Het bouwvlak en de overige gronden worden vastgelegd in concrete functies op de bij dit omgevingsplan behorende verbeelding. De maximale oppervlakte die gebruikt kan worden voor de gewenste bedrijvigheid wordt daarmee vastgelegd en geregeld in een omgevingsplan.

Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 3, sub b:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening voor detailhandel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad. 5.78, lid 3, sub c:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Ad. 5.78, lid 4:

Het vierde lid voorziet in mogelijkheden voor een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Het vierde lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

Aan de voorwaarden voor vestigen van een niet-agrarische ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen:

“Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Lid 1

Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.

Lid 2

Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt

toepassing gegeven aan:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8;
  • b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en
  • c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10."

Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen in de genoemde artikelen (5.8, 5.9 en 5.10). Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:

"Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 1

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
  • b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling;
  • c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en
  • e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.

Lid 2

Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden."

Ad artikel 5.8, lid 1, sub a:

De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaande bouwperceel. Het bouwvlak wordt niet uitgebreid maar juist sterk verkleind, en de totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing neemt af ten opzichte van het voormalige agrarische bedrijf. Er wordt dus niet méér ruimtebeslag ingenomen. Hiermee wordt volledig voldaan aan sub a.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub b:

Zoals reeds omschreven in het voorgaande is sprake van een ontwikkeling binnen het bestaand ruimtebeslag. Er is geen sprake van een intensivering van het bestaand ruimtebeslag, het bebouwd oppervlak neemt immers af en het bouwvlak wordt verkleind.

In zekere mate is sprake van meervoudig ruimtegebruik. De locatie betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie waaraan een nieuwe invulling wordt gegeven. Daarbij wordt ter plaatse enerzijds voorzien in statische opslag en anderzijds in akkerbouw. Daarmee is sprake van meerdere functies binnen het bedrijf. Met de nieuwe invulling van het bedrijf wordt een voormalige agrarische bedrijfslocatie opnieuw in gebruik genomen voor een nieuwe functie. Er is daarmee een afweging gemaakt van intensivering en/of meervoudig ruimtegebruik. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub c:

Zoals is aangetoond in "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 4.1.2) is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee de Laddertoets verplicht is. Op hoofdlijnen is de behoefte aangetoond en is de locatie zorgvuldig gekozen. Daarmee is uitvoering gegeven aan artikel 5.129g Bkl.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub d:

Alle aanwezige bebouwing is geconcentreerd binnen het bouwperceel. Er is bij de voorgenomen

ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel. Het bouwvlak wordt van vorm veranderd zodat alle bebouwing hier binnen komt te liggen. Daarbij is gekozen voor een meer compact en kleiner bouwvlak, zodat sprake is van een meer compacte inrichting van het erf en er geen sprake zal zijn van te veel verspreid liggende bebouwing op het erf. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad artikel 5.8, lid 1, sub e:

Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een splitsing van het bouwperceel. Er is sprake van één bedrijf op één bouwperceel en dit zal zo blijven. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Ad artikel 5.8, lid 2:
Er is sprake van een ontwikkeling binnen bestaand ruimtebeslag. Een uitbreiding van het ruimtebeslag is daarmee niet noodzakelijk. De bepalingen uit het tweede lid zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Er is, zoals blijkt uit het voorgaande, met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:

"Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

Lid 1

Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:

  • welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en
  • hoe negatieve effecten worden voorkomen.

Lid 2

Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:

  • a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
  • b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
  • c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden , de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

Lid 3

Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid."

Zoals nader is aangetoond en omschreven in het hoofdstuk "Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving" (hoofdstuk 5) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een mogelijke aantasting van de in het gebied (mogelijk) voorkomende waarden en/of functies. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke negatieve effecten op de genoemde lagen en/of kenmerken daarvan.

Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:

"Artikel 5.10 Meerwaardecreatie

Lid 1

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale

aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
  • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Lid 2

De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering

landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie."

Zoals gesteld kan de fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.11 deel

uitmaken van de meerwaardecreatie. In artikel 5.11 is het volgende opgenomen:

"Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap

Lid 1

Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat

die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het

gebied of de omgeving.

Lid 2

Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door:

  • a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan; of
  • b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken.

Lid 3

Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:

  • a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
  • b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
  • c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken;
  • d. het wegnemen van verharding;
  • e. het slopen van bebouwing ;
  • f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone; of
  • g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4

Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken."

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en akkerbouw. Bij de huidige intensieve veehouderij, zijnde een pluimveehouderij, is sprake van een hoge geurbelasting aan de omgeving en van een grote emissie van fijnstof, ammoniak en stikstofoxiden. Het gewenste bedrijf heeft geen geurbelasting, geen emissie van ammoniak en een (aanzienlijk) lagere emissie van fijnstof en stikstofoxiden. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan het verminderen van de milieuhinder aan de omgeving en daarmee aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee tot een verbetering van de omgevingskwaliteit.

Daarnaast is in de huidige intensieve veehouderij sprake van de uitstoot van een grote hoeveelheid aan broeikasgassen. Enerzijds door de uitstoot van de gehouden dieren (koolstofdioxide en methaan) en anderzijds omdat de temperatuur in de stallen van belang is en het met name in de koudere maanden noodzakelijk is om de stallen te verwarmen. In de gewenste situatie is de temperatuur van de bedrijfsgebouwen nagenoeg niet meer van belang, waardoor verwarming niet langer noodzakelijk is. Daarmee zal met de voorgenomen ontwikkeling sprake zijn van een afname van de uitstoot van broeikasgassen. Dit draagt bij aan de klimaatdoelstellingen van de overheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling worden voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, zijnde de stallen, gesloopt. Er is sprake van nieuwbouw van bedrijfsgebouwen, maar de oppervlakte daarvan is kleiner dan de gesloopte oppervlakte aan voormalige stallen. Daarmee zal sprake zijn van een afname van het bebouwd oppervlak op de locatie. Daarnaast wordt met de vormverandering van het bouwvlak ter plaatse een compactere vorm en inrichting van het erf geborgd. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan ontstening van het landschap. Tevens is sloop van voormalige agrarische bebouwing in artikel 5.11 opgenomen als vorm van kwaliteitsverbetering en is derhalve aan te merken als meerwaardecreatie.

Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 5.11 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.

Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

4.3 Beleid van het waterschap

De locatie valt binnen het werkgebied van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het waterschap). De gemeente Alpen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen hebben gezamenlijk een 'Handreiking Waterbeleid' opgesteld. Het huidige waterbeleid is op hoofdlijnen vastgesteld door het bestuur bij de vaststelling van het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). Het waterbeleid van de gemeenten streeft een duurzaam watersysteem na waarbij vooral het invullen van de zorgplicht hemelwater is ingevuld door het opleggen van een wateropgave bij ontwikkelingen. Deze handreiking geeft meer handvatten voor de invulling zoals informatie over de technieken en de ruimteclaim van een wateropgave.

4.3.1 Waterbeheerprogramma

Het initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor de doelstellingen en uitgangspunten die het waterschap heeft opgenomen in het waterbeheerprogramma.

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen.

Het watersysteembeheer - waaronder grondwater - heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022 - 2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

Hieromtrent is bij de Algemene regels van de keur het volgende opgenomen:

  • Bij een toename van het verhard oppervlak van minder dan 500 m2 stelt het waterschap geen andere iesen aan de verwerking van het hemelwater;
  • Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²);
  • Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 is een watervergunning nodig.

In alle gevallen geldt (ook) het gemeentelijk waterbeleid. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.4.2 (Gemeentelijk waterbeleid Gilze en Rijen) en paragraaf 5.11 (Water).

Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een sterke afname in bebouwing en verharding en daarmee verhard oppervlak. Hierdoor zijn vanuit het waterbeheerprogramma geen aanvullende compenserende maatregelen nodig.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 (Ontwerp)omgevingsvisie

De ontwerp-Omgevingsvisie “Dynamische dorpen, midden in het groen” schetst een toekomstbeeld voor Gilze en Rijen richting 2040 en verder. In de visie worden de thema’s natuur, wonen, mobiliteit, klimaat en leefbaarheid in samenhang benaderd. De gemeente wil hiermee richting geven aan inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties om tijdig in te spelen op ruimtelijke en maatschappelijke opgaven.

Gilze en Rijen streeft naar een groene, vitale en betrokken gemeenschap, waarin het dorpse en landelijke karakter behouden blijft en waar de omgevingskwaliteit verder wordt versterkt. In een tijd waarin de druk op de ruimte toeneemt en duurzaamheid een steeds grotere rol speelt, vraagt dit om een zorgvuldige afweging van functies in het buitengebied.

Ontwikkelingen in het buitengebied

In de visie krijgt het buitengebied bijzondere aandacht. Daarbij wordt erkend dat naast agrarische bedrijven ook andere typen bedrijvigheid aanwezig zijn of kunnen ontstaan. De gemeente staat open voor kleinschalige, niet-hinderlijke bedrijven die niet passen in een woonwijk, maar ook niet thuishoren op een bedrijventerrein. Het gaat daarbij om ambachtelijke of agrarisch verwante activiteiten die weinig overlast veroorzaken. De visie benoemt expliciet dat voormalige agrarische gebouwen kansen bieden voor zulke functies.De voorgenomen ontwikkeling aan de Hoogstraat 8 te Gilze sluit hier direct bij aan.

De bestaande pluimveehouderij wordt beëindigd en de locatie wordt omgeschakeld naar statische opslag, met akkerbouw als nevenactiviteit. De statische opslag is een functie met een zeer lage milieubelasting en beperkt aantal verkeersbewegingen, zeker in vergelijking met de voormalige intensieve veehouderij. Bovendien is dit type bedrijvigheid, gezien de aard en schaal, niet passend op bedrijventerreinen, maar juist wel in een voormalig agrarisch erf in het buitengebied. De blijvende akkerbouwactiviteiten zorgen daarnaast voor een functionele en landschappelijke binding met de agrarische sector.

Raakeind en de bebouwingsconcentratie

De locatie ligt binnen het gebied Raakeind, waar de gemeentelijke visie inzet op het versterken van de omgevingskwaliteit door middel van herontwikkeling en het omzetten van intensieve veehouderijen naar beter passende functies. De ontwikkeling aan de Hoogstraat 8 past uitstekend binnen deze koers: een intensieve veehouderij maakt plaats voor een rustige, niet-hinderlijke functie die beter aansluit bij de omgeving. Hierdoor wordt zowel de ruimtelijke kwaliteit als de leefomgeving versterkt.

Ontwikkelingsrichting “Oude landschappen”

Het plangebied ligt in het gebied dat in de visie is aangeduid als ‘oude landschap’ rondom Gilze. Voor deze gebieden gelden de volgende beleidsuitgangspunten:

  • het kleinschalige karakter van het landschap blijft behouden, met kenmerkende elementen als bomenrijen, waterlopen en groene structuren;
  • er is weinig ruimte voor agrarische groei, maar juist wel ruimte voor nieuwe functies met een duidelijke band met het buitengebied;
  • zorgvuldige inpassing van nieuwe functies is essentieel, met respect voor bestaande structuren en de historische opbouw van het landschap.

De functiewijziging van intensieve veehouderij naar statische opslag voldoet aan deze uitgangspunten. De ontwikkeling gaat gepaard met het inperken van het bouwvlak, het hergebruik van bestaande bebouwing en de uitvoering van een landschappelijk inpassingsplan dat door de gemeente is goedgekeurd. Daarmee wordt zorgvuldig omgegaan met de ruimte en is geborgd dat het erf landschappelijk past binnen de karakteristieken van het oude landschap.

4.4.2 Gemeentelijk waterbeleid Gilze en Rijen

Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2021- 2025 (vGRP)

Het waterbeleid van de gemeente Gilze en Rijen is vastgesteld in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025.

In het waterbeleid zijn de zorgplichten uit de Waterwet eerder ingevuld. Het gemeentelijke waterbeleid schrijft onder meer voor dat stedelijke afvalwater, hemelwater en grondwater op een deugdelijke manier moeten worden ingezameld, geborgen, getransporteerd en/of lokaal gezuiverd. Alle nieuwe nieuwbouw- en herstructureringsprojecten dienen in principe hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd waarbij de wettelijke voorkeursvolgorden gehanteerd worden. Hemelwater wordt daarom, ook als er geen toename is van verhard oppervlak, bij voorkeur in de bodem geïnfiltreerd en schoon gehouden.

Bij vervanging geldt een bergingsnorm van minimaal 7 mm (7 liter per m2 of 70 m3 per hectare) voor het vernieuwd verhard oppervlak. Voor de toename van het toekomstige aangesloten verhard oppervlak (daken en verharding) geldt conform het gemeentelijk beleid een norm van minimaal 60 mm voor het nieuwe verhard oppervlak. Hierdoor dient er voor de nieuwe loods compenserende maatregelen getroffen te worden. De gemeente rekent niet met een gevoeligheidsfactor. Oppervlakte wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De uitwerking van de compenserende maatregelen is opgenomen in paragraaf Afvoer van hemelwater (paragraaf 5.11.4).

De bestaande watersystemen zoals greppels en vijvers dienen gehandhaafd te blijven tenzij de bergende, afvoerende, infiltrerende en drainerende functie gecompenseerd wordt.

Hoofdstuk 5 Afweging effecten op de fysieke leefomgeving

Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is het zorg dragen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Om te bepalen of daar sprake van is moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Aan de hand van die afweging kan worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt deze afweging gemaakt.

5.1 M.E.R.-beoordeling

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten waarvoor een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage en/of een beoordelingsplicht geldt. Een verdere beoordeling is daarmee niet nodig.

Vanuit de Omgevingswet geldt een verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapportage als sprake is van een plan of programma dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om te kunnen bepalen of sprake is van een dergelijk plan of programma dient eerst te worden bekeken welke activiteiten met het plan of programma mogelijk worden gemaakt en of deze activiteiten kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. In het Omgevingsbesluit is, in bijlage V daarvan, een overzicht opgenomen voor welke activiteiten een beoordelingsplicht geldt. Komt een activiteit niet op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit dan geldt voor die activiteit geen beoordelingsplicht en hoeft dus geen milieueffectrapportage te worden opgesteld.

Als een activiteit wel op de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit voorkomt dan moet verder worden bekeken wanneer sprake is van een beoordelingsplicht of wanneer er meteen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. Voor elk van de in de lijst voorkomende activiteiten zijn gevallen opgenomen wanneer voor die activiteit een beoordelingsplicht geldt. Daarnaast is in de lijst voor elk van deze activiteiten opgenomen wanneer een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.

Het initiatief maakt de beëindiging van een intensieve veehouderij en omschakeling naar een bedrijfsfunctie met statisch opslag en akkerbouw als nevenactiviteit mogelijk. Daarbij worden geen activiteiten uitgevoerd die zijn opgenomen in de lijst uit bijlage V van het Omgevingsbesluit en/of waarvoor een beoordelingsplicht geldt. Het initiatief zal daarom niet leiden tot aanzienlijke milieueffecten, waarmee een verdere beoordeling niet nodig is.

5.2 Activiteiten en milieuzonering

Binnen de geluidruimte zone en geurruimte zone van de locatie zijn geen gevoelige gebouwen gelegen. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot een overschrijding van de maximale waarden voor geluid en geur die de activiteiten mogen veroorzaken op gevoelige gebouwen.

Met het initiatief worden geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht en is geen sprake van het wijzigen van de functie van een bestaand gevoelig gebouw. Er is daarmee geen sprake van een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

In de Omgevingswet is het belangrijk dat er sprake is van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat het ruimtelijke spoor en het milieuspoor verder samen geïntegreerd worden. Deze integratie vindt plaats op lokaal niveau en wordt geregeld in het omgevingsplan. In de praktijk vraagt dit om maatwerk met een lokale afweging per locatie in plaats van een meer algemene afweging.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 2024 de publicatie “Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet” met de daarbij behorende staalkaart en tabel met activiteiten gepubliceerd. De kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te regelen op basis van een voor een locatie beschikbare milieuruimte per activiteit, aan de hand van concrete milieuwaarden. Er wordt daarbij vooral ingegaan op “Geluid door activiteiten” en “Geur”, uit de Omgevingswet, zoals zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met de publicatie kan beter een inschatting worden gemaakt of een activiteit voor wat betreft de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied inpasbaar is.

In de tabel met activiteiten die de VNG bij de publicatie heeft opgenomen zijn voor elk van de activiteiten zogenaamde “geluidruimte zones” en “geurruimte zones” opgenomen. Binnen deze zones zijn in de publicatie richtwaarden voor geluid en geur opgenomen waaraan een activiteit moet voldoen. Met andere woorden, de activiteit mag maximaal de richtwaarden aan geluidhinder en geurhinder veroorzaken op gevoelige gebouwen die binnen de “geluidruimte zone” en “geurruimte zone” van die activiteit gelegen zijn. De zones en richtwaarden van de VNG zijn richtlijnen en geen harde normen. Uiteindelijk bepaalt de gemeente zelf bij het opstellen van het omgevingsplan welke waarden, normen en afstanden aangehouden moeten worden. Voor nieuwe activiteiten bieden de zones en richtwaarden echter wel een goed eerste toetsingskader.

In de publicatie van de VNG wordt onderscheid gemaakt tussen gebieden die zijn aan te merken als “rustige woonwijk/rustig buitengebied” en gebieden die zijn aan te merken als “gemengd gebied”. Een gemengd gebied is een gebied waarin meerdere functies naast elkaar voorkomen of een gebied dat aan een (drukke) ontsluitingsweg ligt. In een dergelijk gebied is een zekere mate van hinder te verwachten, waardoor in gemengde gebieden meer ruimte is voor activiteiten.

De locatie is gelegen in een gebied waarin verschillende functies naast elkaar voorkomen, kenmerkend voor een gemengd buitengebied. Dit betekent dat er zowel agrarische activiteiten als niet-agrarische functies binnen een relatief korte afstand van elkaar aanwezig zijn. Binnen een straal van 100 meter van het plangebied bevinden zich meerdere burgerwoningen, agrarische bedrijven, zowel intensieve veehouderij als extensieve landbouw, en daarnaast niet-agrarische functies zoals een paardenpension.

Deze combinatie van functies, wonen, diverse vormen van agrarische bedrijvigheid en aanverwante niet-agrarische activiteiten, zorgt voor een multifunctioneel en gemengd karakter van het gebied. Daarmee kan het gebied niet als louter rustig buitengebied worden aangeduid, maar verdient het de kwalificatie van gemengd gebied, waarin verschillende gebruiksvormen naast elkaar bestaan en elkaar beïnvloeden.

Het initiatief maakt de beëindiging van een intensieve veehouderij en de omschakeling naar bedrijfsfunctie ten behoeve van statische opslag met als nevenactiviteit akkerbouw mogelijk. Een dergelijke activiteit (opslag en akkerbouw) valt, vanuit de tabel met activiteiten van de VNG, onder geluidruimte zone 1 en onder geurruimte zone FM. Omdat de locatie in een gemengd gebied gemengd gebied is gelegen is de geluidruimte zone 10 meter en de geurruimte zone 0 meter groot. Wanneer binnen deze afstanden van de locatie voor geluid en/of geur gevoelige gebouwen zijn gelegen dan moet worden gekeken of met de activiteit aan de maximale waarden voor geur en geluid kan worden voldaan.

Binnen zowel de geluidruimte zone als de geurruimte zone die voor de activiteit geldt zijn geen gevoelige gebouwen gelegen. Het dichtstbijzijnde gevoelig gebouw betreft de woning aan de Hoogstraat 9 en is gelegen op een afstand van ongeveer 12 meter van de locatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Het is daarmee niet te verwachten dat het initiatief zal leiden tot een overschrijding van de maximale waarden voor geluid en geur die het mag veroorzaken op de daarvoor gevoelige gebouwen.

Met het initiatief worden geen nieuwe gevoelige gebouwen opgericht. Daarnaast is geen sprake van het wijzigen van de functie van een bestaand gevoelig gebouw op de locatie. Het initiatief zal daarom niet leiden tot een mogelijke (verdere) beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies en/of bedrijven.

5.3 Geluid

Bij het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van activiteiten waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek nodig is. Daarnaast zijn binnen de geluidruimte zone van de activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd geen geluidgevoelige gebouwen gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van geluidhinder aan geluidgevoelige gebouwen in de omgeving.

Er is daarnaast geen sprake van het oprichten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of van het wijzigen van de functie van bestaande geluidgevoelige objecten. Er zal daarmee dan ook geen sprake zijn van de belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten.

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluid van activiteiten in de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Gemeenten moeten voor de bescherming van deze geluidgevoelige gebouwen regels opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geluid zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook mag een gemeente in het omgevingsplan nog extra gebouwen aanwijzen als geluidgevoelig gebouw als daar voldoende aanleiding voor is. Dit moet door de gemeente dan wel goed worden onderbouwd in het omgevingsplan.

De gemeente Gilze en Rijen heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de normen voor geluid hebben opgenomen is de zogenaamde “bruidsschat” van toepassing waarin de regels uit de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De “bruidsschat” valt onder het zogenaamde “omgevingsplan van rechtswege” en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

In het geldende omgevingsplan zijn een aantal activiteiten opgenomen waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek wordt gevraagd. Dit betreffende volgende activiteiten:

  • Activiteiten waarbij tussen 19:00 en 7:00 per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen met een gewicht (voertuig inclusief lading) van meer dan 3.500 kilogram en binnen 50 meter van geluidsgevoelige gebouwen (anders dan bij een tankstation of horecagelegenheid). Wanneer sprake is van agrarische activiteiten dan geldt deze verplichting alleen tussen 19:00 en 6:00.
  • Het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 meter (als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving).
  • Het overslaan van metalen in bulk in de buitenlucht of het mechanisch bewerken van metalen in de buitenlucht.
  • Het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden.
  • Het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken.
  • Het vervaardigen van betonmortel of betonwaren.
  • Een binnenschietbaan op minder dan 50 meter van een geluidsgevoelig gebouw.
  • Een buitenschietbaan voor zover sprake is van een civiele of militaire schietbaan of militair springterrein (voor traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden is geen onderzoek nodig).
  • Activiteiten waarbij muziek ten gehore wordt gebracht dat een equivalent geluidsniveau veroorzaakt van 70 decibel in- of aanpandig met geluidsgevoelige gebouwen en van 80 decibel in andere gevallen of wanneer muziek ten gehore wordt of zal worden gebracht in de buitenlucht.

Bij het initiatief worden geen van de voorgaande activiteiten uitgevoerd. Er is daarmee geen sprake van activiteiten ter plaatse waarvoor in ieder geval een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Wel moet met de het initiatief aan de normen die gelden voor geluid uit het geldende omgevingsplan worden voldaan.

Binnen de geluidruimte zones, zoals zijn opgenomen in de tabel met activiteiten van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) voor statische opslag en akkerbouw, welke 10 meter bedraagt, zijn geen geluidgevoelige gebouwen gelegen. Daarmee kan het initiatief, ook met een eventuele kleine toename van het ter plaatse geproduceerde geluid, blijven voldoen aan de in het geldende omgevingsplan opgenomen normen voor geluid. Eventuele hinder naar de omgeving is, mede vanwege de grote afstand tot geluidgevoelige gebouwen (in ieder geval groter dan de geluidruimte zone van 10 meter), dan ook niet te verwachten.

Bij het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Er zal daarmee geen sprake zijn van een mogelijke verdere beperking van functies, bedrijven en/of activiteiten in de omgeving.

5.3.1 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Met het initiatief worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen opgericht en/of worden geen bestaande geluidgevoelige gebouwen van functie veranderd. Een nadere afweging op dit punt is daarmee niet nodig.

Als een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand geluidgevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan moet worden gekeken of kan worden voldaan aan de normen die zijn opgenomen in het geldende omgevingsplan.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid op geluidgevoelige gebouwen. Voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen moet binnen de zogenaamde aandachtszones voor geluid die daaromheen gelegen zijn een nadere afweging van de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of geluidgevoelige gebouwen die van functie worden veranderd te worden gemaakt. In het geldende omgevingsplan moeten gemeenten daarvoor aanvullende regels opnemen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen binnen de aandachtszones van wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande geluidgevoelige gebouwen. Er is daarmee geen verdere afweging van het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen nodig.

5.4 Geur

Bij het initiatief is geen sprake van activiteiten met een emissie van geur. Er is daarmee geen sprake van geurhinder aan geurgevoelige gebouwen in de omgeving.

Er is daarnaast geen sprake van het oprichten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en/of van het wijzigen van de functie van bestaande geurgevoelige gebouwen. Er zal daarmee dan ook geen sprake zijn van de belemmering van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten.

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat geurgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geur van activiteiten in de omgeving. Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels die gemeenten bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moeten nemen. In deze instructieregels staan standaardwaarden en grenswaarden. Binnen deze waarden hebben gemeenten de ruimte om naar eigen inzicht normen in het omgevingsplan op te nemen die zij voor de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar vinden. De geldende normen voor wat betreft geur zijn dan ook opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente.

Met het initiatief wordt de beëindiging van een intensieve veehouderij en omschakeling naar een bedrijfsfunctie met statisch opslag en akkerbouw als nevenactiviteit mogelijk gemaakt. Een statische opslag en akkerbouwactiviteiten veroorzaakt geen geurhinder op geurgevoelige gebouwen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot geurhinder aan geurgevoelige gebouwen in de omgeving.

Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe geurgevoelige gebouwen en/of van de wijziging van bestaande geurgevoelige gebouwen. Omliggende functies, bedrijven en/of activiteiten zullen daarmee niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

5.5 Kwaliteit van de buitenlucht

Vanuit de Omgevingswet is het van belang dat aandacht wordt geschonken aan een aanvaardbare kwaliteit van de buitenlucht (ook wel de luchtkwaliteit genoemd). Gemeenten moeten hier regels voor opstellen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels om een verslechtering van de luchtkwaliteit te voorkomen. Deze regels hebben de bedoeling de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren.

5.5.1 Luchtkwaliteit door activiteiten

De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door de uitgevoerde activiteiten.

Gemeenten moet voor een aantal activiteiten de zogenaamde rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen. Behalve als een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De gemeente moet de luchtkwaliteit vooral toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. De gemeente gaat na of toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor activiteiten:

  • die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking); of
  • waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het kan dus ook gaan om activiteiten in een omgevingsplan van een gemeente in de buurt van een aandachtsgebied. Het gaat erom of de effecten zich uitstrekken tot binnen een aandachtsgebied.

De locatie is niet in een aangewezen aandachtsgebied of in de buurt van een aangewezen aandachtsgebied gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een activiteit die kan leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.

Met het initiatief is geen sprake van een grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen sprake van een veehouderijbedrijf. De uitstoot van fijnstof en/of stikstofoxiden zal met het initiatief sterk afnemen. Daarmee is het initiatief aan te merken als NIBM ontwikkeling en zal geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden als gevolg van de ter plaatse uitgevoerde activiteiten.

5.5.2 Luchtkwaliteit door verkeer

De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentraties in de aandachtsgebieden door het verkeer als gevolg van het initiatief.

Naast de eventuele bijdrage van activiteiten aan de luchtkwaliteit moet ook gekeken worden naar de bijdrage van het verkeer als gevolg van het initiatief aan de luchtkwaliteit. Ook voor het verkeer moet worden nagegaan of dit gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied.

De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.

Voor het initiatief is een berekening gemaakt met behulp van de NIBM-rekentool van InfoMil. Daarbij zijn alle verkeersbewegingen als gevolg van het initiatief meegenomen en niet alleen de toename van het aantal verkeersbewegingen zodat een betere inschatting kan worden gemaakt van de bijdrage van het verkeer als gevolg van het initiatief. In de volgende afbeelding zijn de resultaten van deze berekening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0008.png"

Resultaten NIBM-rekentool.
Bron: InfoMil.

Zoals blijkt uit de resultaten van de NIBM-rekentool is de bijdrage van het verkeer niet groter dan 1,2 µg/m³, waarmee sprake is van een NIBM ontwikkeling. Het verkeer als gevolg van het initiatief zal daarmee niet leiden tot een verhoging van de concentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden in de aandachtsgebieden.

5.5.3 Luchtkwaliteit op de locatie

De locatie is niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden of in de buurt van een van deze gebieden gelegen. Buiten de aandachtsgebieden wordt aan de normen voor luchtkwaliteit voldaan, waarmee geen verdere afweging van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nodig is.

Als een nieuw gevoelig gebouw wordt opgericht of als een bestaand gevoelig gebouw van functie wordt veranderd dan dient sprake te zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De luchtkwaliteit maakt deel uit van deze veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het is daarom van belang dat wanneer sprake is van een nieuw of te wijzigen gevoelig gebouw dat aan de normen voor luchtkwaliteit kan worden voldaan om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving te kunnen waarborgen.

Vanuit het geldende omgevingsplan geldt ter plaatse van de locatie dat de achtergrondconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NO2) op gevoelige gebouwen niet meer dan 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) bedragen.

Volgens gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de actuele concentraties zijn opgenomen, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse van de locatie 12,74 µg/m³ (fijnstof) en 10,84 µg/m³ (stikstofoxiden). Dit is in de volgende afbeeldingen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0009.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM10).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0010.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden (NO2).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Voor de kleinere fijnstof deeltjes (PM2,5) geldt echter een aangepaste norm dan voor de deeltjes met een grotere omvang (PM10). Voor de kleinere fijnstof deeltjes geldt een norm van 25 µg/m³.

Ook voor de kleinere fijnstofdeeltjes (PM2,5) is in de Atlas Leefomgeving van het RIVM een actuele achtergrondconcentratie opgenomen. Volgens de gegevens uit de Atlas Leefomgeving bedraagt de achtergrondconcentratie van fijnstofdeeltjes PM2,5 ter plaatse 8,08 µg/m³. Dit is in de volgende afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0011.png"

Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5).
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.

Op de locatie wordt daarmee aan de geldende normen voor luchtkwaliteit voldaan. Daarmee is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voldoende afgewogen.

5.6 Veiligheid in de leefomgeving

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar de veiligheid in de fysieke leefomgeving. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen daarvan beperken. De omgevingsveiligheid, of ook wel externe veiligheid genoemd, krijgt daarom een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

Gemeenten moeten regels opnemen in het omgevingsplan over veiligheid in de leefomgeving. Dit is vooral belangrijk als in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen worden toegestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Bij het afwegen van de mogelijke effecten ten aanzien van de veiligheid in de leefomgeving wordt gekeken naar het plaatsgebonden risico en naar het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico:

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen voor zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen en/of locaties. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties moeten gemeenten rekening houden met de grenswaarde. Zij mogen daar bij beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties dus, als zij dit goed afwegen en onderbouwen, van afwijken.

De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en locaties mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6-contour) van een activiteit komen. Beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties mogen in beginsel ook niet binnen een PR-10-6-contour van een activiteit komen, maar hiervoor kan de gemeente, mits goed onderbouwd, maatwerk toepassen.

Daarnaast gelden de regels over het plaatsgebonden risico ook wanneer de gemeente een risicovolle activiteit wil toelaten of vergunnen.

Groepsrisico:

Daarnaast staan in het Bkl regels over het groepsrisico. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde aandachtsgebieden. Binnen deze aandachtsgebieden moeten gemeenten in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

De gemeente kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Hiervoor kunnen zij in het omgevingsplan aanvullende regels opnemen of specifieke voorschriftengebieden aanwijzen, waarbinnen aanvullende regels en eisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan concrete regels opnemen over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Gilze en Rijen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor veiligheid in de leefomgeving hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit het Bkl en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

Ontplofbare Oorlogsresten

Explosieven en oorlogsresten kunnen leiden tot gevaren bij graafwerkzaamheden. Niet-ontplofte explosieven, ook wel explosieven en oorlogsresten genoemd, een groot gevaar vormen wanneer ze worden aangeraakt of verplaatst, vooral bij werkzaamheden in de (water)bodem.

Door rekening te houden met de aanwezigheid van explosieven, kunnen risico's bij graaf- en bouwwerkzaamheden geminimaliseerd worden.

Onderzoek en motivering

Met het initiatief is sprake van graafwerkzaamheden. Deze vinden echter geheel plaats op een bestaand erf. De nieuwbouw zal voor een groot deel op dezelfde plaats als de te slopen stallen worden gebouwd. Het risico op ongevallen door explosieven en oorlogsresten op het erf is minimaal.

Indien nodig worden graaf- en baggerwerkzaamheden aangepast, bijvoorbeeld door het gebruik van specifieke technieken die minder risico met zich meebrengen bij de omgang met potentieel explosieve materialen.

5.6.1 Plaatsgebonden risico

Met het initiatief is sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal echter geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving.

De locatie is niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle activiteit en/of risicovolle transportroute gelegen. Er zal op de locatie daarmee geen sprake zijn van risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.

Het plaatsgebonden risico geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of voor het oprichten van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en/of locaties nabij risicovolle inrichtingen.

Het initiatief maakt een statische opslag en akkerbouw mogelijk. Deze activiteiten betreffen geen activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII van het Bkl en zijn daarmee niet als risicovolle activiteiten aan te merken. Het initiatief zal voor wat betreft het plaatsgebonden risico daarmee niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving. Op de locatie is in de huidige situatie een propaantank aanwezig. Deze zal in de beoogde situatie komen te vervallen.

Daarmee zijn de risico's voldoende afgewogen en worden deze als aanvaardbaar beschouwd.

Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0012.png" Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.

Bron: RIVM.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen de PR10-6-contour van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het plaatsgebonden risico.

5.6.2 Groepsrisico

Met het initiatief is sprake van het uitvoeren en/of wijzigen van een risicovolle activiteit. Er zal echter geen sprake zijn van onaanvaardbare risico's voor de veiligheid aan de omgeving.

Voor zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties binnen een aandachtsgebied van een risicovolle activiteit en/of transportroute moet een aanvullende afweging worden gemaakt van het groepsrisico. Wanneer binnen een aandachtsgebied nieuwe zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties worden gerealiseerd kunnen gemeenten aanvullende voorschriften verbinden aan de nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van gebouwen.

De aandachtsgebieden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk brandaandachtsgebieden, explosieaandachtsgebieden en gifwolkaandachtsgebieden. De grootte van de aandachtsgebieden is gelijk aan de veiligheidsafstand betreffende het risico waarvoor het aandachtsgebied is vastgelegd.

Het initiatief maakt statische opslag en akkerbouw mogelijk. Een bedrijfsfunctie bestaande uit statische opslag en akkerbouw betreft, zoals al omschreven bij de toetsing aan het plaatsgebonden risico, geen risicovolle activiteit. Het initiatief zal daarmee voor wat betreft het groepsrisico niet leiden tot risico's voor de veiligheid aan zeer kwetsbare, kwetsbare en/of beperkt kwetsbare gebouwen en/of locaties in de omgeving.

Verder is het belangrijk om te onderzoeken of nabij een locatie risicovolle activiteiten plaatsvinden. Risicovolle activiteiten en transportroutes zijn opgenomen in de kaart “Veilige omgeving” uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In de volgende afbeelding is weergegeven welke risicovolle activiteiten en/of transportroutes mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0013.png" Uitsnede kaart "Veilige omgeving" uit de Atlas Leefomgeving.

Bron: RIVM.

De locatie is, zoals te zien in de voorgaande afbeelding, niet binnen een van de aandachtsgebieden van een risicovolle activiteit en/of transportroute gelegen. Er zal daarmee op de locatie geen sprake zijn van mogelijke risico's voor de veiligheid vanuit het groepsrisico.

5.7 Bodemkwaliteit

Voor het initiatief is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater op de locatie geschikt zijn voor de gewenste functies.

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op het beschermen en verbeteren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor wat betreft bodem is het daarbij belangrijk om nieuwe verontreinigingen en aantastingen van de bodem te voorkomen. Daarnaast is een goede afweging nodig van de balans tussen eventuele risico's voor het milieu en voor de gezondheid en van activiteiten die maatschappelijk wenselijk zijn als sprake is van een bodem of van grondwater met een mindere kwaliteit. Gemeenten moeten hiervoor regels opnemen in het omgevingsplan.

In het geldende omgevingsplan zijn aanvullende regels opgenomen voor activiteiten die de bodem of het grondwater kunnen verontreinigen. Daarnaast geldt in beginsel een verbod op het bouwen op verontreinigde bodem.

Om te beoordelen of ter plaatse van de locatie sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem en/of van het grondwater is door een deskundige op het gebied van bodem een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek komen enkele van de volgende conclusies:

  • "De waarden van de onderzochte stoffen van de geanalyseerde mengmonsters en het grondwater ter plaatse van de verdachte deellocaties voldoen aan de gestelde criteria uit Omgevingswet en Omgevingsverordening Noord-Brabant voor het beoogde gebruik.
  • Het aangetoonde gehalte aan PCB in het onderzochte monster voldoet eveneens aan de rest-concentratienorm voor asbest in bodem.
  • Het aangetoonde gehalte aan asbest in het onderzochte monster voldoet eveneens aan de rest-concentratienorm voor asbest in bodem.
  • De bodemkwaliteit ter plaatse van het overige terrein binnen de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde functiewijzging binnen de agrarische bestemming en bouw van een opslagloods.
  • De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekenin gte houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het tijdelijk deel van een gemeentelijk Omgevingsplan."

Het volledige rapport van het uitgevoerde bodemonderzoek is opgenomen als “Bijlage 4”.

Hieruit blijkt dat dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater op de locatie geschikt zijn voor de gewenste functies.

5.8 Natuur en natuurlijke waarden

De natuur maakt volgens de definitie uit de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. De bescherming van de natuur en de natuurlijke waarden maakt daarmee deel uit van de Omgevingswet. Zowel de Rijksoverheid als de provincies en gemeenten nemen doelstellingen op in hun eigen omgevingsvisie om de natuur en natuurlijke waarden te beschermen. Daarnaast kunnen provincies aanvullende regels voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden opnemen in de omgevingsverordening en kunnen gemeenten dit doen in het omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet is in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een specifieke zorgplicht opgenomen voor de bescherming van Natura 2000 gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna. Daarnaast geldt vanuit de Omgevingswet een algemene zorgplicht voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden, waarbij ook het Natuurnetwerk Nederland beschermd moet worden.

5.8.1 Natura 2000-gebieden

Met het initiatief is geen sprake van het uitvoeren van een Natura 2000-activteit. Er zal daarmee geen sprake zijn van significant nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden.

Om de natuur te beschermen heeft de Rijksoverheid regels vastgesteld over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht en een verplichting tot het geven van informatie bij zogenaamde “ongewone voorvallen”. Ook kan hierbij een omgevingsvergunning verplicht zijn.

Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden wordt onderscheid gemaakt in Natura 2000-activiteiten (activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied) en activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, maar waarbij deze zeker niet significant zijn.

Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied. Maar heel vaak vindt de activiteit juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt dan de “externe werking van een Natura 2000-gebied” genoemd.

Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Als een activiteit niet significant is dan is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en is meestal geen omgevingsvergunning nodig.

Om te bepalen of een activiteit significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden moet worden gekeken of de activiteit de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied in gevaar kan brengen. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats (leefgebieden) kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen zijn daarbij aan te merken als significant.

Vanuit de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden is het van belang om te bepalen of nadelige gevolgen op de betreffende gebieden zijn uit te sluiten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen worden genomen om verslechterende of verstorende gevolgen te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Ulvenhoutse Bos, is gelegen op een afstand van ongeveer 5,3 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand kunnen activiteiten die op de locatie worden uitgevoerd nadelige gevolgen hebben op de betreffende gebieden. Daarom moet eerst verder worden bekeken welke activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben op de betreffende gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0014.png" Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden.

Bron: Aerius Calculator.

Activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben op Natura 2000-gebieden zijn vooral de uitstraling van licht, geluid en trillingen naar de betreffende gebieden en de depositie (neerslag) van stikstof op de betreffende gebieden.

Vanwege de grote afstand van de locatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied zullen de effecten van de eventuele uitstraling van geluid, licht en/of trillingen die de activiteiten op de locatie kunnen veroorzaken niet leiden tot nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden. Deze zullen vanwege de afstand in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof op de betreffende gebieden kan echter ook op grotere afstand leiden tot nadelige effecten.

Met het initiatief wordt de beëindiging van een intensieve veehouderij en omschakeling naar een bedrijfsfunctie met statisch opslag en akkerbouw als nevenactiviteit mogelijk gemaakt. Een statische opslag en akkerbouw hebben geen emissie van ammoniak en/of van stikstofoxiden.

Verder kunnen verkeersbewegingen nog leiden tot een toename van de emissie van stikstofoxiden. Zoals echter omschreven in de paragraaf “Verkeersbewegingen” (paragraaf 5.13.3) zal het initiatief niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Ook vanuit het verkeer van en naar de locatie zal daarmee geen sprake zijn van een toename van de emissie van stikstofoxiden.

Omdat geen sprake is van een toename van de emissie van ammoniak en/of stikstofoxiden zal geen sprake zijn van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden, waarmee het initiatief geen significant nadelige gevolgen zal hebben op de Natura 2000-gebieden. Er is daarmee geen sprake van het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit.

Voor het initiatief zijn met het rekenprogramma Aerius Calculator berekeningen gemaakt om te bepalen of sprake is van een toename van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat geen sprake zal zijn van een toename van de depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden.

De volledige resultaten van de uitgevoerde berekeningen zijn opgenomen als “Bijlage 5” en "Bijlage 6"

Er is daarmee geen sprake van significant nadelige gevolgen op Natura 2000-gebieden, waarmee geen sprake is van het uitvoeren van een Natura 2000-activiteit.

5.8.2 Houtopstanden

Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit voor het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing.

In de Omgevingswet staan regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet aan die regels voldoen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand.

De regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten gelden in beginsel voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen.

Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden altijd als uitzondering vanuit het Bal.

Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels:

  • Houtopstanden op erven of in tuinen.
  • Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld.
  • Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen.
  • Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar.
  • Kweekgoed.
  • Populieren of wilgen van:
    • 1. wegbeplantingen;
    • 2. beplantingen langs waterwegen;
    • 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
  • Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand.
  • Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats;
    • 2. de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid;
    • 3. een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken;
    • 4. de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013.
  • Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel.
  • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen.

Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op het initiatief.

5.8.3 Soortenbescherming

Voor het initiatief is een onderzoek uitgevoerd naar mogelijk voorkomende soorten flora en fauna en de mogelijke effecten van het initiatief op deze soorten en/of de leefgebieden daarvan. Uit het onderzoek blijkt dat het initiatief niet zal leiden tot een verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) soorten flora en fauna.

In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor de bescherming van soorten flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Voor het initiatief is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin is onderzocht of er ter plaatse mogelijk soorten aanwezig zijn, welke soorten mogelijk aanwezig zijn en wat de eventuele effecten van het initiatief op de (leefgebieden van de) betreffende soorten zijn. Uit deze quickscan blijkt het volgende:

“Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van

negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied.

Gezien de bio-security binnen het pluimveebedrijf bestaan de te slopen stallen uit gesloten constructies waardoor er geen potentiële openingen aanwezig zijn waar beschermde diersoorten mogelijk nest-, schuil- of verblijfplaatsen zouden kunnen vinden.

Het plangebied is grotendeels verhard en bebouwd en het ontbreekt aan geschikt biotoop voor

beschermde flora.”

Het volledige onderzoeksrapport van de uitgevoerde quickscan is opgenomen als “Bijlage 7”.

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende soorten flora en fauna.

5.8.4 Natuurnetwerk Nederland

De locatie is niet in het Natuurnetwerk Nederland of binnen 250 meter daarvan gelegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de betreffende gebieden.

De natuur maakt vanuit de Omgevingswet deel uit van de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden geldt, naast een specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna, een algemene zorgplicht. Vanuit deze algemene zorgplicht geldt ook voor de gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor het NNN geldt dat het natuurbelang in deze gebieden prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen.

Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Als een ontwikkeling binnen het NNN plaatsvindt dan moet worden aangetoond dat de activiteiten niet leiden tot beperkingen voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. In beginsel wordt in deze gebieden geen nieuwe bebouwing toegelaten. Eventueel kan in overleg met de provincie maatwerk worden toegepast. In dat geval dient het verlies aan ecologische waarden en kenmerken in het gebied te worden gecompenseerd.

Als een ontwikkeling niet binnen het NNN plaatsvindt, dan moet worden gekeken of de activiteiten kunnen leiden tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. Dit wordt ook wel de externe werking genoemd. Als sprake is van mogelijke aantastingen dan moeten de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en moeten overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van stoffen in de lucht of in het water.

Nadelige effecten treden vooral op als binnen een afstand van 250 meter van het NNN activiteiten worden uitgevoerd met een uitstraling van licht, een uitstraling van geluid en/of een emissie van fijnstof.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied dat is opgenomen in het NNN is op een afstand van ongeveer 700 van de locatie gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0015.png"

Bron: QuickScan f&f (BrabantEco)

Omdat de locatie niet in het NNN en/of binnen 250 meter daarvan is gelegen zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden.

5.9 Volksgezondheid

Vanuit de Omgevingswet moet sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van activiteiten in beeld worden gebracht en waar mogelijke zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Daarbij moet gevaar voor besmetting zoveel mogelijk worden voorkomen.

Vooral veehouderijen kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden. Dit speelt vooral bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. De gevolgen op de gezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via direct contact met de dieren, via de lucht, via de mest of via dierlijke voedingsmiddelen. Als sprake is van een veehouderij dan is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen van die veehouderij op de volksgezondheid in beeld worden gebracht.

De Omgevingswet bevat geen specifieke normen voor volksgezondheid. Wel is het belangrijk dat sprake is van een gezonde leefomgeving. Er is echter nog geen duidelijk resultaat uit de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. Het is daarom nog niet duidelijk op welke manier veehouderijen eventueel kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de gezondheid. Tot dat er op basis van een duidelijk onderzoek een specifieke norm wordt vastgelegd moeten gemeenten zelf normen voor volksgezondheid opnemen in het geldende omgevingsplan.

De gemeente Gilze en Rijen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Totdat de gemeente een omgevingsplan vaststelt met daarin de normen voor volksgezondheid opgenomen zijn de huidige richtlijnen die worden gevolgd door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) het uitgangspunt voor het in beeld brengen van de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. De GGD volgt de uitgangspunten uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid”, het “Endotoxine toetsingskader” en het “onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”. Deze uitgangspunten zijn verwerkt in het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid”.

5.9.1 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid aan de omgeving

Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid in de omgeving. Er is geen verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst nodig. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd.

De gemeente Gilze en Rijen heeft in het geldende omgevingsplan geen specifieke normen opgenomen voor volksgezondheid, waarmee gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde “Handreiking veehouderijen en volksgezondheid” voor het in beeld brengen van de mogelijke effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een veehouderij of wanneer bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een veehouderij. Daarnaast is geen sprake van het houden van geiten of een combinatie van meerdere diersoorten en vindt geen bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaats. Verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) is daarmee niet nodig.

Met het beëindigen van het pluimveebedrijf verdwijnen ook de emissies van endotoxinen, waardoor het gezondheidsrisico voor de omgeving afneemt. Het initiatief zal daarmee geen mogelijke gevolgen hebben voor de volksgezondheid en wordt dan ook als aanvaardbaar beschouwd.

5.9.2 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie

Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid op de locatie. Er is geen verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst nodig. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd.

Als nieuwe gevoelige gebouwen of locaties worden opgericht of als gevoelige gebouwen of locaties worden gewijzigd dan kan mogelijk sprake zijn van gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Het is in dat geval dan belangrijk om te bekijken of er sprake is van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en zo ja, of deze dan aanvaardbaar zijn of dat deze kunnen worden beperkt.

Het is daarbij vooral van belang of in de omgeving van de locatie veehouderijen aanwezig zijn en/of bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt. Ligt de locatie nabij een veehouderij of een installatie voor de bewerking of verwerking van mest dan moet een verdere afweging worden gemaakt van de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Hiervoor moet een gemeente normen opnemen in het omgevingsplan.

In sommige gevallen kan een gemeente advies vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), waaruit dan moet blijken of sprake is van een aanvaardbare situatie.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of het wijzigen van gevoelige gebouwen en/of locaties. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Daarmee is geen verder advies van de GGD nodig en wordt het initiatief als aanvaardbaar beschouwd.

5.10 Cultureel erfgoed

Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat dan om bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed vallen: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc..

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen het behoud van archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van cultureel erfgoed en landschap verplicht moet worden meegewogen in de besluitvorming. Als voor het aspect archeologie behoud in de bodem niet mogelijk is, moet het bodemarchief met zorg worden ontsloten via archeologisch onderzoek.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed. Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels over de beoordeling van rijksmonumentenactviteiten en voor het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan.

5.10.1 Archeologische waarden

Op basis van het onderzoek voor de gele zone op de advieskaart van Transect de bestaande dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ (40 cm -MV en 100 m2) behouden blijft en dat voor de roze zone is voorzien in een nieuwe dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ (25 cm -Mv). In verband met het type werkzaamheden, vindt de archeologische afweging met betrekking tot de invulling van het benodigde vervolgonderzoek op een later tijdstip plaats.’

Gemeenten moeten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels opnemen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. De gemeente zal daarom goed moeten onderbouwen met inhoudelijke argumenten waarom voor een bepaalde vrijstellingsgrens wordt gekozen.

Gemeenten moeten de gekozen vrijstellingsgrenzen in het geldende omgevingsplan opnemen. De vrijstellingsgrenzen zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden. In het geldende plan zijn verschillende verwachtingswaarden opgenomen voor archeologie. Afhankelijk van de verwachtingswaarde die van toepassing is op een locatie of in een gebied geldt een specifieke vrijstellingsgrens. De locatie is gelegen in een gebied met de verwachtingswaarde 2a.

In deze gebieden geldt een vrijstelling voor ingrepen met een oppervlakte van maximaal 100 m² of een diepte van maximaal 40 centimeter onder het maaiveld. Wanneer deze vrijstellingsgrenzen niet worden overschreden is de kans op het aantasten van mogelijk voorkomende waarden minimaal en is geen verder onderzoek nodig.

Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Uit dit onderzoek blijkt het volgende:

"er een brede hoge archeologische (verwachtings)waarde geldt vanaf 25 cm -Mv en dat eventueel vervolgonderzoek afhankelijk is van de werkwijze omtrent slopen en de daadwerkelijke bouwtekeningen."

Het uitgevoerde onderzoek is beoordeeld door de regioarcheoloog. Zij heeft geadviseerd om wil in te stemmen met de advieskaart uit het rapport, maar anders te besluiten over archeologisch onderzoek in relatie tot de werkzaamheden. De zuidelijk gelegen loodse, die gesloopt gaan worden, worden vrijgesteld van sloopbegeleiding, maar de dubbelbestemming voor archeologie dient behouden te worden. Rondom de eventueel in een later stadium te slopen loodsen in het noordoosten en nieuwbouw op deze plaats kunnen geen bodemingrepen toegestaan worden die dieper reiken van 25cm-Mv.

De uitkomsten van dit onderzoek en het selectiebesluit leiden er toe dat, afhankelijk van de te realiseren loods, waarschijnlijk een aanvullend proefsleuvenonderzoek in combinatie met een PvE (programma van Eisen) is vereist.

Het volledige rapport van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als“bijlage 8”. Het selectiebesluit is opgenomen als 'bijlage 9".

5.10.2 Cultuurhistorische waarden

De locatie is gelegen in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het initiatief zal echter niet leiden tot een mogelijke aantasting van deze cultuurhistorisch waardevolle elementen.

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in een gebied gelegen waarin cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden en elementen niet zullen worden aangetast.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0016.png" Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.

Bron: Provincie Noord-Brabant.

De locatie aan Hoogstraat 8 grenst niet direct aan de Klinkerweg Raakeind, een cultuurhistorisch waardevolle weg met een karakteristieke klinkerverharding, vermoedelijk aangelegd door het Duitse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de verharding op sommige plekken is aangepast, blijft het historische tracé behouden. Het plan raakt de weg niet en blijft ruim daarbuiten, waardoor de cultuurhistorische waarde van de Klinkerweg niet wordt aangetast.

Concluderend leidt het initiatief niet tot aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. De historische kenmerken van de Klinkerweg en het erf worden gerespecteerd en behouden, waarmee het plan aansluit bij de cultuurhistorische identiteit van het gebied.

5.10.3 Aardkundige waarden

De locatie is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting aardkundige waarden.

Vanuit de Omgevingswet moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook de aardkundig waardevolle gebieden. Voor deze gebieden nemen de provincies aanvullende regels op in de omgevingsverordening. Deze regels moeten gemeenten in acht nemen bij het opstellen van het omgevingsplan.

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Binnen deze gebieden is het behoud van de aardkundige waarden van belang.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot een mogelijke aantasting van aardkundige waarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0017.png" Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.

Bron: IPO.

5.11 Water

Het watersysteem is een belangrijk onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater.

Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moeten gemeenten rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.

De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Brabantse Delta. Daarmee is het waterschap Brabantse Delta de waterbeheerder en moeten de opvattingen van het waterschap door de gemeente worden betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan.

Het beleid van het waterschap is al eerder omschreven en afgewogen in de paragraaf “Beleid van het waterschap” (paragraaf 4.3). Wel moet nog een zorgvuldige afweging van het initiatief worden gemaakt ten aanzien van het watersysteem en de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. Daarbij is ook de eventuele afvoer van hemelwater belangrijk.

5.11.1 Waterveiligheid

De locatie is niet in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een aantasting van de werking van waterkeringen.

Waterveiligheid gaat over de bescherming tegen overstromingen. Dit gebeurt met waterkeringen, zoals bijvoorbeeld dijken en duinen. Daarnaast draagt ook het beheren van de waterwegen, zoals rivieren en meren, bij aan het beschermen tegen overstromingen.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan regels opnemen over de waterveiligheid. Bij het opstellen van deze regels moeten de gemeenten rekening houden met de uitgangspunten over waterveiligheid zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. Daarbij gaat het dan vooral over het toestaan van activiteiten in de omgeving van een waterkering.

De gemeente Gilze en Rijen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld. Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor waterveiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend.

De locatie is niet in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief maakt daarmee geen activiteiten in de omgeving van een waterkering mogelijk. Er is met het initiatief dan ook geen sprake van een mogelijke aantasting van de werking van waterkeringen.

5.11.2 Oppervlaktewater

De locatie is in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. Er vinden geen activiteiten plaats binnen de eventuele beschermingszones van oppervlaktewateren en/of er wordt maatwerk toegepast, waarbij in voldoende mate is aangetoond dat deze beschermingszones niet worden belemmerd. Daarnaast worden geen activiteiten uitgevoerd die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit en/of de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Oppervlaktewater is al het water in meren, sloten, plassen, vijvers, kanalen, beekjes en rivieren. De kwaliteit van het oppervlaktewater is onder andere belangrijk voor zwemmen en drinkwaterwinning. Het is daarbij van belang dat er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is (kwantiteit) en dat dit oppervlaktewater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit).

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van het water in Nederland moet voldoen, waarbij een onderverdeling is gemaakt tussen het behalen van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand. Dit vertaalt zich vooral in het stellen van regels voor een maximale concentratie aan schadelijke stoffen in het oppervlaktewater.

Verder is het belangrijk dat oppervlaktewateren goed beheerd kunnen worden. Voor een aantal oppervlaktewateren is daarom een beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels opgenomen.

Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. De locatie is echter niet binnen de beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels gelegen. Daarmee is geen sprake van een belemmering van de beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0018.png"

Uitsnede legger oppervlaktewateren.

Bron: Waterschap Brabantse Delta.

Verder is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.

5.11.3 Grondwater

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten waarbij grondwateronttrekking plaatsvindt. Er vinden daarnaast geen activiteiten plaats die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit van het grondwater.

Het initiatief maakt geen activiteiten mogelijk die het grondwater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwaliteit van het grondwater.

Het grondwater maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en verdient daarom bescherming. Meer dan de helft van het drinkwater wordt namelijk bereid uit grondwater. Er moet sprake zijn van voldoende grondwater (kwantiteit) en dat dit grondwater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit). Het in stand houden van het peil van het grondwater speelt daarnaast een belangrijke rol.

Gemeenten nemen in de omgevingsvisie en in de eventuele programma's doelstellingen op over hoe met het grondwater omgegaan moet worden. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de verschillende functies van het grondwater. Deze doelstellingen en afwegingen worden vervolgens vertaald in regels in het geldende omgevingsplan. Gemeenten mogen daarbij aanvullende regels stellen voor de onttrekking van grondwater en voor activiteiten die het grondwater mogelijk kunnen verontreinigen.

Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater onttrekken aan de bodem. Er is daarnaast geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke belemmering voor het in stand houden van het grondwaterpeil.

Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwantiteit van het grondwater.

Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het grondwater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan.

Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van het grondwater.

Met het initiatief is sprake van (ver)bouwwerkzaamheden. Daarmee dient voldoende rekening gehouden te worden met de grondwaterstand op de locatie. Zoals te zien in de volgende afbeelding bedraagt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse tussen de 91 en 250 centimeter onder maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0019.png" Uitsnede kaart gemiddeld hoogste grondwaterstanden.

Bron: Bodemdata van WUR.

De grondwaterstand op de locatie is daarmee relatief laag, waarmee deze niet zal leiden tot mogelijke overlast. Er zijn daarmee dan ook geen aanvullende maatregelen nodig ten aanzien van het grondwater.

5.11.4 Afvoer van hemelwater

Op de locatie worden voldoende voorzieningen voor waterberging aangelegd. Daarmee kan aan de normen voor de afvoer van hemelwater worden voldaan en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot overlast door hemelwater.

Gemeenten moeten zorgen voor de inzameling en de verwerking van hemelwater dat afvloeit vanuit het openbaar terrein. De gemeente hoeft niet te zorgen voor de afvoer van hemelwater van particuliere terreinen. Daarvoor zijn de eigenaren van de particuliere terreinen zelf verantwoordelijk. Alleen als het niet redelijk is om aan de eigenaren van een particulier terrein te vragen het hemelwater af te voeren, bijvoorbeeld als er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop zij kunnen lozen of als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, dan is de gemeente alsnog verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater van dat terrein.

De gemeente en/of de eigenaren van particuliere terreinen moeten voorzieningen aanbrengen waarin het hemelwater kan worden geloosd. Het is niet wenselijk om schoon hemelwater af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi). Daarom heeft het de voorkeur om het schone hemelwater terug te brengen in het lokale milieu of, als dat niet mogelijk is, af te voeren via een schoonwaterriool. Als hemelwater verontreinigd raakt, door bijvoorbeeld een verontreinigd terrein, dan moet dit eerst worden gezuiverd met een speciale voorziening voordat dit mag worden teruggebracht in het lokale milieu.

Gemeenten maken een afweging van hoe en wanneer hemelwater moet worden afgekoppeld op basis van het lokale beleid voor hemelwater, dat zij opnemen in de gemeentelijke omgevingsvisie of in een gemeentelijk rioleringsprogramma. Zij stemmen dit af met de waterbeheerder in de regio. In veel gevallen zal een gemeente kiezen voor een aansluiting bij het beleid van de waterbeheerder voor het afkoppelen van hemelwater. Gemeenten kunnen er echter voor kiezen om afwijkend beleid op te nemen in het gemeentelijk rioleringsprogramma.

In de waterschapsverordening is een verbod opgenomen voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam en voor het onttrekken van water aan een oppervlaktelichaam. Voor de afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater is hiervoor een aantal uitzonderingen opgenomen. Het betreffende verbod geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktelichaam, als er maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd en/of voor het afvoeren van hemelwater van verhard oppervlak naar het oppervlaktewater als:

  • het verhard oppervlak niet toeneemt met meer dan 500 m²;
  • de toename van het verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak;
  • het verhard oppervlak toeneemt tussen de 500 m² en 10.000 m² en hiervoor compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de rekenregel;
  • er maximaal 10.000 m² bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.

De rekenregel voor het afvoeren van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak bij een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is daarbij als volgt:

"benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m)."

Er is sprake van een enorme afname van verhard oppervlak. Aanvullende compenserende maatregelen zijn niet vereist vanuit het waterschap.

De gemeente hanteert echter strenger beleid:

  • 7 mm bergingsnorm voor vervanging;
  • 60 mm voor nieuw verhard oppervlak.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van de oprichting van vervangende nieuwbouw, namelijk de loods van 1000 m2. Hierdoor geldt er een bergingsverplichting van: 7 mm x 1.000 m2= 7 kuub.

Aan deze bergingseis wordt invulling gegeven middels twee (tijdelijke) regenwater opvangputten. Beiden putten hebben een capacitieit van 5 kuub per put. In onderstaand figuur is met twee sterren aangegeven waar deze twee putten zich bevinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0020.png"

Mochten deze putten vol raken dan zal het regenwater automatisch worden afgevoerd naar de naastgelegen sloot. Dit is verder aangegeven en uitgewerkt in het landschappelijk inrichtingsplan dat voor het initiatief is opgesteld, zoals is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0021.png"

Uitsnede tekening landschappelijk inrichtingsplan met daarop de waterberging aangegeven.

Bron: hv8.

Op de locatie wordt daarmee voorzien in voldoende mogelijkheden voor de berging van het hemelwater, waarmee sprake is van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot overlast van hemelwater.

5.12 Duurzaam ontwikkelen

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op het bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op een duurzame manier ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (de omschakeling naar een duurzame manier van energie opwekken) en klimaatadaptatie (omgaan met de gevolgen van de verandering van het klimaat).

5.12.1 Duurzaamheid

Met het initiatief is sprake van een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief zal de doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid niet in de weg staan.

Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het belangrijk te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar worden gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten.

In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen. Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen.

De belangrijkste bijdrage aan duurzaamheid is de beëindiging van de intensieve pluimveehouderij. Dit leidt tot een significante reductie van de uitstoot van ammoniak, geur, fijnstof en stikstof. Hierdoor verbetert de luchtkwaliteit in de directe omgeving en neemt de milieubelasting op zowel natuur als omwonenden aanzienlijk af. Dit is in lijn met nationale en provinciale doelstellingen voor de afname van stikstofdepositie en het verbeteren van de leefomgeving in het buitengebied.

Daarnaast vermindert de beëindiging van de veehouderij het water- en energieverbruik op de locatie. De behoefte aan drinkwater, die in de intensieve veehouderij hoog was, neemt drastisch af. Ook de energievraag daalt, aangezien klimaatbeheersing en ventilatie in de stallen niet langer nodig zijn.

Daarnaast worden de bestaande zonnepanelen hergebruikt en verplaatst naar de nieuwe opslagloods. Hierdoor blijft de locatie voorzien van hernieuwbare energie en wordt een deel van de opgewekte stroom terug geleverd aan het net. Dit draagt bij aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen en maakt de nieuwe bedrijfsactiviteit grotendeels zelfvoorzienend in energie.

De herontwikkeling van de locatie zorgt tevens voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het landschap. Het bouwvlak wordt met bijna 60% verkleind, waardoor er minder verharding is en meer ruimte ontstaat voor groen en natuurlijke inpassing. Dit versterkt het open en agrarische karakter van het buitengebied.

Het initiatief draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor duurzaamheid en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan.

5.12.2 Energietransitie

Met het initiatief wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor de energietransitie niet in de weg staan.

Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op een duurzame en schone manier wordt opgewekt.

De gemeente Gilze en Rijen stimuleert deze ontwikkeling onder andere via de Handreiking zonne-energie, waarin uitgangspunten zijn opgenomen voor het inpassen van zonne-energie op daken en in het buitengebied. Hierin wordt onder meer benadrukt dat het gebruik van bestaande bebouwing en constructies (zoals daken van schuren en stallen) de voorkeur heeft boven het realiseren van veldopstellingen. Ook wordt het belang van landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit benadrukt.

Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

Het voorgenomen initiatief draagt actief bij aan de energietransitie door het hergebruik van zonnepanelen en het verminderen van de energiebehoefte op de locatie. De beëindiging van de intensieve veehouderij leidt tot een aanzienlijke verlaging van het energieverbruik, terwijl de nieuw te realiseren bedrijfsactiviteiten grotendeels zelfvoorzienend worden door het gebruik van hernieuwbare energiebronnen.

Het initiatief sluit aan bij verschillende regionale en nationale doelstellingen voor energietransitie:

  • Klimaatakkoord en RES-doelen: Nederland heeft als doelstelling om in 2050 volledig klimaatneutraal te zijn. Dit initiatief draagt hieraan bij door de overstap van een energie-intensieve activiteit naar een bedrijf met een lage energiebehoefte dat grotendeels op hernieuwbare energie draait.
  • Provinciale duurzaamheidsdoelen: De provincie Noord-Brabant zet sterk in op energiebesparing en duurzame opwekking. Het behoud en hergebruik van zonnepanelen past binnen deze beleidslijn.
  • Duurzaam gemeentelijk beleid: Hoewel de gemeente Gilze en Rijen nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld met specifieke regels over energietransitie, wordt in het beleid wel nadruk gelegd op duurzame ontwikkelingen. Dit plan draagt bij aan deze ambitie door actief gebruik te maken van hernieuwbare energie en energieverbruik te minimaliseren.

Het initiatief draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor de energietransitie en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan.

5.12.3 Klimaatadaptatie

Met het initiatief is voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg staan.

Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen hevige buien steeds vaker voor. Het is belangrijk om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen op manieren om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen.

Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan.

Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen:

De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de vermindering van broeikasgasuitstoot door de beëindiging van de veehouderij. De veehouderijsector is een van de grootste bronnen van methaan- en CO2-uitstoot. Door de omschakeling naar een statische opslagfunctie en akkerbouw wordt de uitstoot van broeikasgassen op de locatie drastisch verminderd.

Het initiatief draagt daarmee bij aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en/of staat de doelstellingen voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen niet in de weg.

Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag:

Met het initiatief is, zoals beschreven in de paragraaf “Water” (paragraaf 5.11), sprake van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Dat wil zeggen dat voldoende rekening is gehouden met de afvoer van hemelwater op eigen terrein. Daarbij wordt voldaan aan de richtlijnen hiervoor van de waterbeheerder en/of de gemeente.

Het initiatief draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag niet in de weg staan.

Overstromingen:

De locatie is niet nabij een waterkering of een grote rivier, meer of zee gelegen. Daarnaast is de locatie relatief hoog gelegen (8,5 meter) ten aanzien van het Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Daarmee is de kans op overstromingen op de locatie relatief laag.

Vanuit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is voor de locatie opgenomen dat de locatie niet zal overstromen. Dat betreft geen grote kans op een overstroming.

Er is daarmee met het initiatief geen sprake van onaanvaardbare risico's voor overstromingen.

Voorkomen van hittestress:

Hittestress ontstaat vooral in gebieden met veel verharding en weinig groen. Doordat binnen dit initiatief een groot deel van de bestaande verharding verdwijnt en de landschappelijke inpassing wordt versterkt, wordt hittestress op de locatie beperkt.

Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van hittestress niet in de weg.

Rekening houden met droogte:

Door klimaatverandering komen langere perioden van droogte steeds vaker voor. Dit vraagt om slimme omgang met water. Binnen het initiatief wordt hiermee rekening gehouden door:

  • Beperken van verharding, waardoor regenwater beter in de bodem kan trekken en niet onnodig wordt afgevoerd.
  • Behoud van groen en akkerbouw, wat helpt bij het vasthouden van vocht in de bodem.

Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met het voorkomen van droogte en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van droogte niet in de weg.

Op basis van het voorgaande wordt met het initiatief voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of staat het initiatief de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg.

5.13 Mobiliteit

Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Mobiliteit maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en moet daarom worden meegenomen in de afweging van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving.

Voor de infrastructuur van de Rijksoverheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen voor de provincies en gemeenten. De provincies en gemeenten kunnen het beleid voor mobiliteit verder invullen.

Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Er moeten daarnaast voldoende parkeerplaatsen en fietsenstallingen gerealiseerd worden. Wat daarbij voldoende is dat is afhankelijk van de locatie en het gemeentelijke beleid daarvoor.

5.13.1 Infrastructuur

Het initiatief zal niet leiden tot mogelijk nadelige effecten op de omliggende wegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de infrastructuur.

Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem en het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur. Daarbij mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de omliggende wegen.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor autosnelwegen, autowegen en hoofdspoorwegen, Rijksvaarwegen en landelijke fiets- en wandelroutes. Daarnaast zijn regels opgenomen over het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en de Rijkswegen.

De locatie is niet nabij een autosnelweg, autoweg, hoofdspoorweg, Rijksvaarweg en/of landelijke fiets- of wandelroute gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur, Rijksvaarwegen en/of de Rijkswegen.

De locatie is niet nabij een provinciale weg gelegen. De locatie is ook niet in een gebied gelegen dat is aangewezen voor eventuele wijzigingen in het provinciale weggennet. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur.

Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur.

Voor de overige infrastructuur mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot belemmeringen daarvan. Hiervoor kunnen gemeente, waar nodig, aanvullende regels opnemen in het omgevingsplan. Of aanvullende regels nodig zijn is afhankelijk van het type infrastructuur en de locatie daarvan.

De locatie is niet nabij een van de soorten infrastructuur gelegen waarvoor in het omgevingsplan aanvullende regels zijn opgenomen. Het initiatief zal daarnaast ook niet leiden tot wijzigingen aan de bestaande infrastructuur. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot problemen op de omliggende wegen.

5.13.2 Parkeren

Met het initiatief zal sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein.

Met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is het belangrijk dat wordt voorzien in een goed beleid voor het parkeren. Hiervoor kunnen gemeenten specifieke regels en normen opnemen in het omgevingsplan.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarbij is het belangrijk dat wordt voldaan aan de parkeernormen uit het geldende omgevingsplan. De gemeente Gilze en Rijen heeft in haar parkeernota 2017, parkeernormen opgenomen.

Voor opslag in het buitengebied (arbeidsextensief en bezoekersextensief) geldt een parkeernorm van 1,1 parkeerplek per 100 m2 bvo. Dit betekent een maximale parkeerbehoefte van 22 parkeerplekken ten behoeve van de statische opslag. Op eigen terrein is voldoende plek om deze 22 parkeerplekken te realiseren.

De parkeerbehoefte van de woning blijft ongewijzigd op 2 parkeerplekken.

Voor de akkerbouw is geldt een parkeerbehoefte van 1,1 x 2,5 (250 m2) = 2,75 parkeerplaatsen. De werkzaamheden vinden met name plaats op de percelen. Desondanks is er op de locatie meer dan genoeg ruimte voor dit aantal parkeerplaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01_0022.png"

Figuur: ruimte om te parkeren (rood: akkerbouw en woning (5)) (paars: statische opslag (links: 8 vakken + 14 vakken rechterzijde = 22))

Met het initiatief zal daarmee sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein.

5.13.3 Verkeersbewegingen

Het initiatief zal leiden tot een afname van het aantal zware verkeersbewegingen en een kleine toename van het aantal lichte verkeersbewegingen. Er zal daarmee geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving als gevolg van het initiatief.

Als met een nieuwe ontwikkeling sprake is van een grote toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan dit leiden tot verkeershinder in de omgeving. Het is daarom belangrijk om in beeld te brengen wat voor gevolgen een ontwikkeling heeft op de verkeersgeneratie (het aantal verkeersbewegingen als gevolg van een activiteit). Gemeenten kunnen voor de verkeersgeneratie van activiteiten richtlijnen of normen opnemen in het geldende omgevingsplan.

Het initiatief zal niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Door beëindiging van de intensieve veehouderij zal het aantal verkeersbewegingen zelfs afnemen. De zware verkeersbewegingen zullen nagenoeg verdwijnen. Daarmee zal met het initiatief geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving.

Als een gemeente geen specifieke normen voor verkeersgeneratie heeft opgenomen wordt aangesloten bij de landelijk gebruikte richtlijnen voor verkeersgeneratie die zijn opgenomen in de handreiking “Toekomstbestendig parkeren” van het kennisplatform CROW. Aan de hand van deze richtlijnen kan de verkeersgeneratie van de activiteiten worden bepaald.

Met het initiatief wordt de beëindiging van een intensieve veehouderij en omschakeling naar een bedrijfsfunctie met statisch opslag en akkerbouw als nevenactiviteit mogelijk gemaakt.

Volgens CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering' valt de betreffende activiteit onder de categorie 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)'.
Het bijbehorende kengetal voor verkeersgeneratie in het buitengebied (bezoekers) bedraagt 5,7 voertuigbewegingen per 100 m² BVO.

  • Akkerbouwloods:
    De akkerbouwloods heeft een totale oppervlakte van 250 m².
    Dit resulteert in: 250 / 100 × 5,7 = circa 15 voertuigbewegingen per etmaal.
  • Statische opslag:
    De nieuwe loods voor statische opslag heeft (in de maximale toegestane situatie) een oppervlakte van 2000 m².
    Dit resulteert in: 2000 / 100 × 5,7 = 114 voertuigbewegingen per etmaal.

Van verkeersbewegingen van de akkerbouwloods wordt uitgegaan dat 10% zwaar (vracht) verkeer is. Dus in totaal 2 zware verkeersbewegingen en 13 lichte verkeersbewegingen. Voor statische opslag is al het verkeer lichte verkeersbewegingen.

De verkeersbewegingen in relatie tot de bedrijfswoning blijven onveranderd.

Daarnaast zullen de verkeersbewegingen die in de huidige situatie plaatsvinden ten behoeve van de intensieve pluimveehouderij in zijn geheel komen te vervallen. Daarmee zal de toename van het aantal lichte verkeersbewegingen in vergelijking met de huidige situatie nihil of slechts zeer beperkt zijn. En sprake zijn van een afname van de zware verkeersbewegingen. Bij de huidige pluimveehouderij is sprake van een groot aandeel vrachtverkeer. Dit aandeel zal bij de gewenste activiteiten aanzienlijk kleiner zijn, waarmee de eventuele hinder vanuit het verkeer ten behoeve van het bedrijf naar de omgeving zal verminderen. Daarnaast vinden in de huidige pluimveehouderij incidenteel (met het laden van het pluimvee) verkeersbewegingen met vrachtverkeer in de avond- en nachtperiode plaats. Bij de gewenste activiteiten zullen deze uitsluitend in de dagperiode plaatsvinden. Ook dit zal leiden tot een verminderde mogelijke hinder aan de omgeving.

5.14 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen

Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico's als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Momenteel is er nog geen toereikend onderzoek beschikbaar waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Daarnaast zijn er nog geen vaste richtlijnen voor het al dan niet hanteren van zogenaamde spuitzones rondom gevoelige gebouwen, waarbinnnen geen gebruik mag worden gemaakt van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Wetenschappelijk is het niet aan te geven hoe groot de afstand tussen een perceel waarop wordt gespoten en een gevoelig gebouw zou moeten zijn. Zonder aanvullende maatregelen wordt doorgaans een richtafstand van 50 meter gehanteerd. Dit wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In sommige gevallen kan, wanneer voldoende maatregelen worden getroffen of wanneer het niet aannemlijk is dat op de gronden op agrarische percelen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, een afwijkende afstand worden aangehouden. Daarnaast kunnen gemeenten specifieke richtlijnen opnemen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het omgevingsplan.

In het geldende omgevingsplan zijn geen aanvullende regels opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk om een afweging te maken op basis van de huidige inzichten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar de afstand tussen de percelen waarop mogelijke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige gebouwen.

Naast de mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de uitgevoerde activiteiten is het belangrijk om ook een afweging te maken van de mogelijke risico's op de locatie als nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies worden opgericht in de buurt van percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.

Met het initiatief is geen sprake van het oprichten of het wijzigen van gevoelige gebouwen of functies. De bestaande bedrijfswoning is en blijft een bedrijfswoning. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke risico's op de locatie als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen.

Hoofdstuk 6 Beperkingengebieden

Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet omschreven als een gebied dat bij of krachtens de wet (door de Rijksoverheid of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

De Omgevingswet verplicht de Rijksoverheid en provincies om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de voormalige wetgeving waren en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf.

Een concreet voorbeeld van een beperkingengebied is een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld een primaire watergang of een A-watergang) inclusief de (beschermings)zones (onderhoudsstroken en eventueel natuurvriendelijke oevers).

De locatie is niet in of nabij een van de aangewezen beperkingengebieden gelegen. Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben op werken en/of objecten.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

De Omgevingswet kent geen bepalingen meer over de uitvoerbaarheid van een plan of project. De gemeente hoeft bij het vaststellen of wijzigen van een omgevingsplan niet meer aannemelijk te maken dat een functie die aan een locatie is toegekend ook daadwerkelijk op die locatie zal komen. De gemeente mag bij het opstellen van een omgevingsplan aangeven dat er een functie op een bepaalde locatie kan komen. Of deze functie er dan ook daadwerkelijk komt is minder van belang.

Voorheen moesten gemeenten veel mogelijkheden onderzoeken die er misschien nooit zouden komen. In de Omgevingswet wordt het mogelijk gemaakt dit onderzoek in fases uit te voeren. Pas als een initiatief ook daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden dat past binnen de aan de locatie toegekende functie hoeft te worden onderzocht hoe dat initiatief op een aanvaardbare manier gerealiseerd kan worden. De gemeente moet echter nog wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is.

Als sprake is van een concreet initiatief is het wel belangrijk om na te gaan of het initiatief op de gewenste locatie uitvoerbaar is. Daarbij wordt gekeken naar zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Het initiatief wordt als economisch uitvoerbaar beschouwd.

De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemers.

De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen.

De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over het kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag.

Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan in het omgevingsplan of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afwijking van het omgevingsplan). Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

De overheid mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten mogen worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een aparte overeenkomst gesloten met betrekking tot het verhalen van de gemaakte kosten. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Verder zal ook het verhalen van eventuele nadeelcompensatie in een aparte overeenkomst worden geregeld.

Hiermee is het kostenverhaal in voldoende mate geregeld, waarmee het initiatief economisch uitvoerbaar wordt geacht.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het initiatief wordt als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM). De bekendmaking van de voorgenomen wijziging wordt door de gemeente gepubliceerd via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB).

Gemeenten stellen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan normaal gesproken op volgens de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met bijhorende toepassingsprofielen (TPOD). De TAM vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden kunnen doen. De TAM moet voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt bij de invoering van de Omgevingswet.

In de tijdelijke situatie worden met de voormalige techniek (voormalige planapplicaties) via de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro)-standaard (IMRO-standaard) wijzigingsbesluiten van het omgevingsplan bekendgemaakt (conform inhoudelijke eisen Omgevingswet). In deze situatie vindt bekendmaking niet plaats via publicatie naar de LVBB, maar op de huidige gebruikelijke wijze. Dit betekent dat het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad wordt gepubliceerd, en het met IMRO vormgegeven plandeel op ruimtelijkeplannen.nl. Via de overbruggingsfunctie zijn deze plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen. Dit tijdelijke alternatief wordt aangeduid als de TAM-IMRO.

De wijziging van een omgevingsplan met de TAM vindt plaats in een aantal fasen. Deze zijn als volgt:

Voorbereiding:

Tijdens de voorbereiding wordt de opdracht tot wijziging vastgesteld, afstemming georganiseerd en andere input opgehaald. Op basis hiervan worden de uitgangspunten voor het ontwerpbesluit van de omgevingsplanwijziging opgesteld. Ter voorbereiding is het plan voorgelegd aan het waterschap, de veiligheidsregio en de provincie Noord-Brabant. De provincie heeft in het vooroverleg gevraagd om duidelijker aan te geven welke activiteiten in welke bebouwing plaats vindt. Dit is aangepast op de verbeelding. Daarnaast is er nog verzocht om een nadere inhoudelijke uitwerking van het landschapsplan. Ook dit is aangepast.

Ontwerpen:

In de fase ontwerpen wordt op basis van de uitgangspunten uit de voorbereiding het ontwerpbesluit opgesteld. Tegelijkertijd worden de daarmee corresponderende (toepasbare) regels opgesteld of gewijzigd.

Besluiten:

Bij het besluiten wordt de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd en wordt het besluit vastgesteld.

Bekendmaking:

Bij de bekendmaking wordt het besluit gepubliceerd en worden belanghebbenden geïnformeerd. De noodzakelijk toepasbare regels worden aangeleverd in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Rechtsbescherming:

In de fase rechtsbescherming kunnen belanghebbenden tegen het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Vanuit de Omgevingswet is het nog wel belangrijk om aan te geven of er voldoende participatie heeft plaatsgevonden.

Zoals in deze toelichting omschreven in de paragraaf "Participatie" (paragraaf 3.2) heeft er ten behoeve van het initiatief voldoende participatie plaatsgevonden. Daarnaast zijn geen zienswijzen ingediend. Er zijn daarmee geen verdere maatschappelijke bezwaren ten aanzien van het initiatief.

Met het doorlopen van de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan met toepassing van de tijdelijke alternatieve maatregel, waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij participatie heeft plaatsgevonden en waarbij wordt bijgedragen aan de maatschappelijke doelen uit de Omgevingswet, wordt het initiatief maatschappelijk uitvoerbaar geacht.