direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22c Hoogstraat 8
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01

Regels

Pré-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) van het omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TOPD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen. Dus:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan.
  • 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in Bijlage 1 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
  • 2. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg.
  • 3. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.
  • 4. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de functie, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die functie.
  • 5. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren.
  • 6. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  • 7. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  • 8. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
  • 9. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  • 10. de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen.
  • 11. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  • 12. peil:
    • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg.;
    • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afwerkte terrein.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  • 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Hoogstraat 8 te Gilze, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0784.TAMHoogstraat8-VG01 en digitaal beschikbaar gesteld via de landelijke voorziening regelsopdekaart.nl.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Agrarisch - Landelijke gebieden

4.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen de functie 'Agrarisch - Landelijke gebieden'.

4.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
4.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
  • a. agrarisch grondgebruik in de vorm van akker- en vollegrondstuinbouw;
  • b. beweiden van landbouwhuisdieren; en,
  • c. extensief recreatief medegebruik.
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
  • a. wegen;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. verkeervoorzieningen;
  • d. straatmeubilair;
  • e. openbare nutsvoorzieningen;
  • f. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en,
  • g. groen- en speelvoorzieningen.

4.3 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 4.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  • 2. motorcrossen;
  • 3. grootschalige openluchtevenementen;
  • 4. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf;
  • 5. het stallen van kampeermiddelen;
  • 6. het gebruik voor parkeren.

4.4 Toegestane bouwactiviteiten

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • 1. op de gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Agrarisch - Landelijke gebieden' mogen uitsluitend erf- of terreinafscheidingen, veekeringen, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en permanente boomteelthekken worden gebouwd, met dien verstande dat omheiningen rond paardenbakken niet zijn toegestaan;
  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van veekeringen en permanente boomteelthekken mag niet meer dan 1,5 meter bedragen.
4.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 4.2;
  • 2. de bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet meer bedraagt dan 2,5 meter en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  • a. de in de gebruiksactiviteiten omschreven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
  • b. de oppervlakte aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer dan 2,5 ha bedragen/
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 m.
4.6 Verboden bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 4.5 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel.
  • 2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van:
  • a. paardenbakken;
  • b. trayvelden;
  • c. permanente teeltondersteunende voorzieningen;
  • d. foliemestbassins; en,
  • e. kassen.

Artikel 5 Bedrijf - Landelijke gebieden

5.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten binnen de functie 'Bedrijf - Landelijke gebieden'.

5.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • 1. het uitvoeren van een bedrijf voor statische opslag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - statische opslag'. Deze vorm van bedrijvigheid dient gelijkgesteld te zijn aan de milieubelastende activiteiten A of B uit de staat van bedrijfsactiviteiten. De statische opslag omvat de opslag van caravans, campers, boten en oldtimers of daarmee vergelijkbaar;
  • 2. het uitvoeren van akkerbouwactiviteiten als zijnde ondergeschikte nevenactiviteit ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - nevenactiviteit akkerbouw';
  • 3. het wonen in een bedrijfswoning.

De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:

  • 4. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • 5. bij deze functie behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en (ontsluitings)wegen.
5.2.1 Voorwaardelijke verplichting
  • 1. Het (doen/laten) gebruik(en) voor bedrijvigheid als bedoeld in 5.2, is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 3 en conform de bepalingen uit artikel 6 van deze regels, maximaal na 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden;
  • 2. Het (doen/laten) gebruik(en) voor bedrijvigheid als bedoeld in 5.2, is uitsluitend toegestaan indien de (voormalige) pluimveestallen zijn gesaneerd, zie hiervoor het overzicht van de te saneren bebouwing in bijlage 4. Evenals de bijbehorende voorzieningen.
  • 3. Het (doen/laten) gebruik(en) van de gronden met de functie 'Bedrijf' is uitsluitend toegestaan indien een waterberging met een capaciteit van minimaal (7 mm * 1.000 m2) m3, binnen 24 maanden na het onherroepelijk worden van voorliggend plan, is gerealiseerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.
5.3 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 en 5.4 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. activiteiten zoals bedoeld in VIII van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn niet toegestaan, behoudens wanneer met de uit te voeren activiteiten wordt voldaan aan de waarden zoals zijn opgenomen in artikel 5.39, onder 2 van het Bal;
  • 2. activiteiten die de waarden voor het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT op gevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 22.63 van het omgevingsplan in de omgeving overschrijden zijn niet toegestaan;
  • 3. detailhandel is niet toegestaan;
  • 4. zelfstandige kantoren zijn niet toegestaan;
  • 5. per bedrijf mag de oppervlakte kantoor niet meer bedragen dan 50% van het totale vloeroppervlak met een maximum van 400 m² per bedrijf;
  • 6. het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit is niet toegestaan.
     
5.4 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
5.4.1 Aanwijziging vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • 1. het uitvoeren van een ander type bedrijf dan bedoeld in lid 5.2;
  • 2. het uitvoeren van een aan-huis-gebonden beroep.
5.4.2 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels ander type bedrijf

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een ander type bedrijf dan bedoeld onder 5.2 onder de voorwaarden dat:

  • 1. er mag uitsluitend sprake zijn van activiteiten, opslagen en installaties die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn aan de activiteiten als bedoeld in lid 5.2;
  • 2. de landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische of archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • 3. het nieuw te vestigen bedrijf geen grotere publieks- en/of verkeersaantrekkende werking heeft dan oorspronkelijk bedrijf;
  • 4. de wijziging milieuhygiënisch uitvoerbaar is;
  • 5. de gebiedswaarden substantieel worden versterkt conform een ingediend landschappelijk inpassingsplan, door middel van het aanleggen van landschaps- of natuurlijke elementen, het aanbrengen van beeldkwaliteit en/of het herstellen van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en/of omgeving.
5.4.3 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels aan-huis-gebonden-beroepen

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van aan-huis-gebonden beroepen die ten hoogste vallen binnen de categorieën A en B1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 2) en waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt met inachtneming van het volgende:

  • 1. het vloeroppervlak ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen mag niet meer dan 60 m² bedragen;
  • 2. buitenopslag en buitenactiviteiten ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen zijn niet toegestaan;
  • 3. in het kader van de aan-huis-gebonden beroepen is geen horeca en detailhandel toegestaan uitgezonderd horeca en detailhandel ondergeschikt en gelieerd aan het aan-huis-gebonden beroep;
  • 4. aan-huis-gebonden beroepen zijn toegestaan indien er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
  • 5. ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het bouwvlak;
  • 6. het gebruik voor aan-huis-gebonden beroepen heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • 7. één van de bewoners van het hoofdgebouw dient eigenaar/bedrijfsleider te zijn van het aan-huis-gebonden beroep.
5.5 Toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan de volgende bouwactiviteiten ten behoeve van de bedrijfsfunctie als bedoeld in dit artikel te verrichten of te laten verrichten onder de volgende voorwaarden:

  • 1. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- of terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

met dien verstande dat:

  • 2. algehele herbouw van de woning uitsluitend mag plaatsvinden op bestaande fundamenten;

  • 3. voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
  • a. de gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 1.500 m²;
  • b. de goothoogte mag niet meer dan 5 meter bedragen
  • c. de bouwhoogte mag niet meer dan 11 meter bedragen;
  • d. de dakhelling moet minimaal 20° en mag maximaal 55° bedragen;
  • e. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder dan 5 meter bedragen.

  • 4. voor het bouwen van bedrijfswoningen, inclusief aan- en uitbouwen, gelden de volgende regels:
  • a. per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  • b. de inhoud mag maximaal 750 m³ bedragen;
  • c. de goothoogte mag niet meer dan 5 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer dan 11 meter bedragen;
  • e. de dakhelling moet minimaal 20° en mag maximaal 55° bedragen.

  • 5. voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels:
  • a. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning mag niet meer dan 200 m² bedragen;
  • b. de goothoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer dan 5,5 meter bedragen;
  • d. de dakhelling moet minimaal 20° en mag maximaal 55° bedragen;
  • e. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder dan 5 meter bedragen;
  • f. de afstand tot de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning mag niet minder dan 5 meter bedragen.

  • 6. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning mag niet meer dan 1 meter bedragen;
  • b. de hoogte van overige erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van antennes en windturbines mag niet meer dan 12 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 6 meter bedragen.
5.6 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
5.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • 1. het bouwen van bedrijfsgebouwen waarbij de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen zoals bedoeld in lid 5.5, onder c, wordt overschreden;
  • 2. het herbouwen van een bedrijfswoning buiten de bestaande fundamenten;
  • 3. het bouwen op een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens als bedoeld in lid 5.5, onder c en e.
5.6.2 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels grotere oppervlakte bedrijfsgebouwen

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het, in afwijking van lid 5.5, onder c, bouwen van bedrijfsgebouwen tot een grotere gezamenlijke oppervlakte dan 1.500 m², onder de voorwaarden dat:

  • 1. de totale gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 2.000 m² bedragen;
  • 2. de noodzaak (bedrijfseconomisch) dient te worden aangetoond;
  • 3. er mag geen sprake zijn van een vergroting van de milieubelasting op de omgeving;
  • 4. de gebiedswaarden substantieel worden versterkt conform een ingediend landschappelijk inpassingsplan, door middel van het aanleggen van landschaps- of natuurlijke elementen, het aanbrengen van beeldkwaliteit en/of het herstellen van cultuurhistorische elementen aan gebouwen en/of omgeving.
5.6.3 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels herbouw bedrijfswoning buiten bestaande fundamenten

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het, in afwijking van lid 5.5, onder b, herbouwen van een bedrijfswoning buiten de bestaande fundamenten, onder de voorwaarden dat:

  • 1. de herbouw vindt plaats op het desbetreffende perceel;
  • 2. de nieuwe situering van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuomgeving;
  • 3. herbouw leidt tot een betere milieuhygiënische inpasbaarheid;
  • 4. de herbouw buiten de bestaande funderingen is stedenbouwkundig aanvaardbaar;
  • 5. door de herbouw wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast.
5.6.4 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het, in afwijking van lid 5.5, onder c en e, bouwen van bedrijfsgebouwen en/of bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning op een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dan 5 meter, onder de voorwaarden dat:

  • 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens mag nooit minder dan 3 meter bedragen;
  • 2. de kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet stedenbouwkundig aanvaardbaar zijn.

Artikel 6 Groen - Landschappelijke inpassing

6.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten binnen de functie 'Groen - Landschappelijke inpassing'.

6.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
  • a. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in bijlage 3, ter bescherming van landschappelijke waarden door inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap;
  • b. zich verplaatsen; en,
  • c. extensief recreatief verblijven.

De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:

  • d. groenvoorzieningen;
  • e. voetpaden;
  • f. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijken van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag andere landschapsmaatregelen te treffen dan de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in 6.2 onder a.
  • 2. De omgevingsvergunning voor ander landschapsmaatregelen wordt verleend als:
  • a. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald;
  • b. hetgeen onder a beschreven kan worden aangetoond met een waarde berekening inclusief toelichting en beplantingsplan;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden.

6.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 6.2 en 6.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen;
  • 2. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en,
  • 3. het gebruik voor parkeren.

6.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 6.2;
  • 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter;
  • 3. de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn;
  • 4. erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht;.

6.6 Verboden bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 6.5 ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel.
  • 2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van:
  • a. paardenbakken; en,
  • b. kassen.

Artikel 7 Leiding - Water

7.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten binnen de functie 'Leiding - Water' en bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden.

7.2 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in de artikelen 4, 5 en 6.

7.3 Toegestane gebruiksactiviteiten

Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • a. het transport van water door een watertransportleiding.
7.4 Toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan de volgende bouwactiviteiten verrichten of te laten verrichten onder de volgende voorwaarden:

  • 1. op de gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Leiding - Water' mag uitsluitend ten behoeve van de functie zoals omschreven in lid 7.3 worden gebouwd;
  • 2. het bouwen ten behoeve van andere op deze gronden aanwezige functies mag uitsluitend worden gebouwd indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, met dien verstande dat de (bouw)regels van de betrokken functies eveneens in acht moeten worden genomen.
7.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
7.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • 1. het bouwen ten behoeve van andere op de gronden voorkomende functies anders dan vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken.
7.5.2 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels bouwen ten behoeve van andere functies

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het, in afwijking van lid 7.4, onder b, bouwen ten behoeve van andere op de gronden voorkomende functies, anders dan vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, onder de volgende voorwaarden:

  • 1. de bouwregels behorende bij de betrokken functie als bedoeld in artikel 4, 5 en/of 6 moeten in acht worden genomen;
  • 2. het belang van de leiding(en) mogen niet door de bouwactiviteiten worden geschaad;
  • 3. voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in dit lid door burgemeester en wethouders schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of wordt voldaan aan het bepaalde onder b.
7.6 Omgevingsplanactiviteit voor werken, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden
7.6.1 Toegestane werken en werkzaamheden

Het is toegestaan op de gronden met de functie 'Leiding - Water' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren:

  • 1. werken en werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 7.5 bedoeld;
  • 2. werken en werkzaamheden die normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie betreffen;
  • 3. werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
7.6.2 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden te verrichten of te laten verrichten:

  • 1. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • 2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • 3. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in lid 7.3 is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • 4. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • 5. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • 6. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.
7.6.3 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels voor werken en werkzaamheden

Burgemeester en wethouders verlenen een omgevingsvergunning voor het verrichten of laten verrichten van werken en werkzaamheden, anders dan bedoeld in lid 7.6.1, onder de volgende voorwaarden:

  • 1. het leidingbelang mag niet onevenredig worden geschaad;
  • 2. voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in dit lid door burgemeester en wethouders schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of wordt voldaan aan het bepaalde onder a.
7.7 Strafbaar feit

Overtreding van het verbod van lid 7.6.1 is een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 1a van de Wet op economische delicten.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 1a

8.1 Toepasingsbereik

De voor 'Waarde - Archeologie 1a' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 1a' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functies.

8.2 Toegestane bouwactiviteiten

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

8.2.1 Verbod

Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 1a' aangegeven gronden.

8.2.2 Uitzonderingen

Het in lid 8.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:

  • 1. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 100 m2 en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functies, of;
  • 2. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,25 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of;
  • 3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachten de andere daar voorkomende functie(s), mits:
  • a. de bestaande fundering wordt gebruikt;
  • b. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid;
  • 4. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.3 Nadere eisen
8.3.1 Behoud archeologische waarden in situ

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

8.4 Afwijken van de bouwregels
8.4.1 Afwijken voor bouwen ten dienste van andere functie

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 8.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende functie(s), mits:

  • 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
  • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
  • b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • c. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

8.4.2 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

8.4.3 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in lid 8.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.5.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 1a' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het bevoegd gezag:

  • 1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen;
  • 2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  • 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • 5. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  • 6. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • 7. het ophogen van gronden.
8.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 8.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • 1. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of;
  • 2. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 8.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,25 meter onder het bestaande maaiveld, of;
  • 3. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of;
  • 4. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, of;
  • 5. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • 6. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • 7. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of;
  • 8. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 8.5.1 onder g betreft, waarbij:
  • a. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²;
  • b. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.5.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
  • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
  • b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • c. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

8.5.4 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

8.5.5 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
8.6.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 1a' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.

8.6.2 Uitzonderingen

Het in lid 8.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • 1. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of;
  • 2. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,25 meter onder het bestaande maaiveld, of;
  • 3. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, of;
  • 4. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • 5. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

8.6.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.6.1 wordt slechts verleend indien:

  • 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord:
  • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
  • b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • c. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

8.6.4 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

8.6.5 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 2a

9.1 Toepasingsbereik

De voor 'Waarde - Archeologie 2a' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 2a' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functies.

9.2 Toegestane bouwactiviteiten

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

9.2.1 Verbod

Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 2a' aangegeven gronden.

9.2.2 Uitzonderingen

Het in lid 9.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:

  • 1. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 100 m2 en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functies, of;
  • 2. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of;
  • 3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachten de andere daar voorkomende functie(s), mits:
  • a. de bestaande fundering wordt gebruikt;
  • b. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid;
  • 4. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.3 Nadere eisen
9.3.1 Behoud archeologische waarden in situ

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

9.4 Afwijken van de bouwregels
9.4.1 Afwijken voor bouwen ten dienste van andere functie

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 9.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende functie(s), mits:

  • 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
  • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
  • b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • c. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

9.4.2 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

9.4.3 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in lid 9.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.5.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 2a' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het bevoegd gezag:

  • 1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen;
  • 2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  • 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • 5. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  • 6. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • 7. het ophogen van gronden.
9.5.2 Uitzonderingen

Het in lid 9.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • 1. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of;
  • 2. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 9.5.1 onder a t/m f betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, of;
  • 3. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of;
  • 4. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, of;
  • 5. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • 6. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • 7. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of;
  • 8. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 9.5.1 onder g betreft, waarbij:
  • a. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²;
  • b. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.5.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
  • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
  • b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • c. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

9.5.4 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

9.5.5 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
9.6.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 2a' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.

9.6.2 Uitzonderingen

Het in lid 9.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • 1. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of;
  • 2. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld, of;
  • 3. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, of;
  • 4. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • 5. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

9.6.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.6.1 wordt slechts verleend indien:

  • 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord:
  • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
  • b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • c. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

9.6.4 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

9.6.5 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 9.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

 

Artikel 10 Overige zone - IHCS - 1

10.1 Toepasingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten binnen de functie 'Overige zone - IHCS - 1'.

10.2 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in de artikelen 4, 5 en 6.

10.3 Verboden bouwactiviteiten

Op de gronden die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Overige zone - IHCS - 1' mogen, ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak met zijkanten, geen gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hogere bouwhoogte dan 56 meter worden gebouwd.

Hoofdstuk 3 Thema's

Artikel 11 Gebruik

11.1 Verboden gebruiksactiviteiten
  • 1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met de aan locatie toegedeelde functie(s) in hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  • 2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
  • 3. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.

Artikel 12 Bouwen

12.1 Algemene bepalingen
12.1.1 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

12.1.2 Bestaande maatvoering toegestaan
  • 1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden.
  • 2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden.
  • 3. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

12.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
12.2.1 Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten
  • 1. In afwijking van de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten ook verleend als de daar voorgeschreven maatvoerings- en situeringseisen met ten hoogste 10% worden overschreden mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • 2. Onverminderd de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van ondergrondse bouwwerken verleend als:
    • a. onder bovengrondse bebouwing, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen en direct aansluitende inritconstructies;
    • b. met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 3,5 meter onder peil.
  • 3. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatie- en rookkanalen, voorzieningen voor (hemel)waterafvoer, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, galerijen, reclamevoorzieningen, schoorstenen, balkons en overstekende daken, te realiseren, in stand te houden en te gebruiken buiten beschouwing gelaten mits de overschrijding van maatvoeringsnormen niet meer dan 1 meter bedraagt en plaatsvindt binnen het bouwperceel.
12.2.2 Inwinning advies welstand

Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt beslist, wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit over de welstandsaspecten.

12.3 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de toegelaten en vergunningplichtige bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2 en 3.

Hoofdstuk 4 Procesregels

Artikel 13 Algemene bepalingen

13.1 Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning
  • 1. De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project.
  • 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  • 3. het e-mailadres (voor zover beschikbaar) van de melder of aanvrager; en,
  • 4. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding.

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
14.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in hoofdstuk 2 ten 3, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM- omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
14.3 Eerbiedige werking overige activiteiten
  • 1. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunning- of meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke ontheffing of vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning respectievelijk melding voor die activiteit.
  • 2. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een melding of kennisgeving zoals ingediend voor die regeling als een melding voor die activiteit.
  • 3. Op activiteiten anders dan bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2 die op het moment van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.