| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Groenstraat 9a Dongen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0766.OPTI20260068-VG01 |
Aan Groenstraat 9a in Dongen bevindt zich een 'Vlaamsche Schuur' (anno 1575) die sinds 2014 geëxploiteerd wordt als officiële trouwlocatie 'De Vlaamsche Spijcker'. Voor het gebruik als trouwlocatie is op 6 november 2012 onder kenmerk OT2012212 een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan verleend. Na het verkrijgen van de omgevingsvergunning is tevens een parkeerterrein aangelegd.
In de omgevingsvergunning is echter uitgegaan van het uitvoeren van trouwplechtigheden zonder horecagelegenheid. Omdat een trouwlocatie zonder horecagelegenheid niet levensvatbaar is, wordt er sinds de ingebruikname slechts beperkt voedsel en drank aangeboden. Het aanbieden van een glas champagne of koffie met gebak wordt door de gemeente gedoogd (brief met kenmerk 201406695 d.d. 13 oktober 2014). De trouwlocatie is inmiddels ingericht om circa 100 gasten te ontvangen voor bruiloften die hoofdzakelijk gedurende een periode van een half jaar (voorjaar en zomer) in het weekeinde (vrijdag en zaterdag) plaatsvinden.
Op 9 oktober 2018 is door de initiatiefnemer Stijlvol Brabants B.V. bij de gemeente een principeverzoek ingediend. De initiatiefnemer wenst namelijk de activiteiten op locatie te verbreden en zich in combinatie met het uitvoeren van trouwplechtigheden te gaan richten op het organiseren van besloten partijen in de vorm van condoleances, vergaderingen, workshops, babyshowers, familiereünies, bedrijfsborrels etc. Deze activiteiten zullen overdag verzorgd worden waarbij een eindtijd van 21:00 uur geldt. Bij deze activiteiten hoort een uitgebreider aanbod aan voedsel en drank. De gemeente heeft in haar reactie op 23 juli 2019 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het toestaan van deze activiteiten op locatie in de vorm van lichte horeca, mits de aspecten parkeren, geluid, openingstijden en het gebruik als 'lichte horeca' goed onderbouwd en geregeld worden ter bescherming van de omgeving.
De locatie maakt onderdeel uit van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van de gemeente Dongen met daarin (onder andere) het bestemmingsplan 'Dongen Buitengebied'. Ter plaatse gelden de bestemmingen 'Wonen - 1' en 'Tuin'. De beoogde gebruiksactiviteiten zijn in strijd met dit omgevingsplan en beoogd wordt deze mogelijk te maken via een procedure wijziging omgevingsplan.
In 2020 zijn voorbereidingen voor een planprocedure voor het initiatief gestart en is een ontwerpplan gereedgemaakt voor terinzagelegging. De initiatiefnemer heeft er destijds echter voor gekozen het plan nog niet in procedure te brengen. De nieuwe exploitant van ‘De Vlaamsche Spijcker’ is nu voornemens het plan, waarvoor eerder principemedewerking is verleend, alsnog in procedure te brengen. In het kader daarvan is voorliggend TAM-omgevingsplan opgesteld.
Het plangebied bevindt zich aan de Groenstraat, in het buitengebied ten westen van de kern Dongen. De betreffende percelen van de trouwlocatie worden kadastraal aangeduid als DGN01-N-469 en DGN01-N-470. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk ruim opgezette kavels met vrijstaande woningen en boerderijen in een groene, landelijke setting, al dan niet in combinatie met een agrarische functie. Verder bevindt zich ten zuidwesten van het plangebied een bloem- en tuincentrum en ten noorden een minicamping en een bed and breakfast. De ligging en begrenzing van het plangebied is weergegeven in de figuren 1.1 en 1.2.
Figuur 1.1 Ligging plangebied ten opzichte van de kern Dongen (Bron: Google Maps)
Figuur 1.2 Begrenzing plangebied (Bron: Omgevingsloket)
Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet zijn alle op 1 januari 2024 geldende beheersverordeningen en bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege één omgevingsplan geworden. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan beheersverordeningen en bestemmingsplannen niet meer.
Het omgevingsplan is in te zien via Regels op de kaart in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl). Hier zijn de van rechtswege in het omgevingsplan opgegane bestemmingsplannen en de vanuit de wet gekregen 'bruidsschat' weergegeven. Dat zijn de bouw- en milieuregels die voorheen landelijk golden, maar die het Rijk voortaan over laat aan de gemeente.
Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn op het plangebied de volgende plannen van toepassing:
Conform het juridisch bindende en voor de ontwikkeling relevante bestemmingsplan 'Buitengebied' zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Wonen - 1' en 'Tuin'. Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' van toepassing en gelden (gedeeltelijk) de gebiedsaanduidingen 'wetgevingzone-ontheffingsgebied 2.3' en 'wetgevingzone-wijzigingsgebied - 2'. De verbeelding van dit bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.3.
Figuur 1.3 Bestemmingsplan 'Dongen Buitengebied ' (Bron: Regels op de kaart)
Voor het gebruik als officiële trouwlocatie is in 2012 een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan 'Buitengebied' verleend. In deze omgevingsvergunning is uitgegaan van het uitvoeren van trouwplechtigheden zonder horecagelegenheid. Na het verkrijgen van de omgevingsvergunning is (op eigen terrein) een parkeerterrein aangelegd.
Voor de beoogde verbreding van gebruiksactiviteiten binnen het plangebied zal in functionele zin worden aangesloten bij de vergelijkbare toegestane activiteiten binnen de bestemming 'Horeca' (artikel 11) uit het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Dongen. Binnen de bestemming 'Horeca' wordt verwezen naar de bijbehorende Staat van Horeca-activiteiten, waarin onderscheid wordt gemaakt in drie categorieën, te weten categorie 1 'lichte horeca', categorie 2 'middelzware horeca' en categorie 3 'zware horeca'.
Onder categorie 1 'lichte horeca' wordt het volgende verstaan: bedrijven die in beginsel alleen overdag en 's avonds behoeven te zijn geopend (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken.
Binnen deze categorie worden de volgende subcategorieën onderscheiden:
Voor de voorgenomen gebruiksactiviteiten binnen het plangebied aan Groenstraat 9a is in afstemming met de gemeente Dongen aansluiting gezocht bij categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten. Het gaat in dat geval om de zogenoemde 'overige lichte horeca' waar in beginsel alleen overdag en in de (vroege) avond horeca-activiteiten plaatsvinden. Daarbij wordt in deze regels wel de volgende aanvulling opgenomen: 'dan wel bedrijven en activiteiten zoals besloten (trouw)partijen die naar aard en invloed op de omgeving behoren tot die categorie'. Dit omdat een trouwlocatie niet als dusdanig in deze lijst is opgenomen en er ook de wens is tot besloten partijen in de vorm van condoleances, vergaderingen, workshops, babyshowers, familiereünies en bedrijfsborrels. Al deze activiteiten kunnen geschaard worden onder de categorie 'overige lichte horeca' die op deze locatie binnen de nieuwe activiteit 'Horeca' (of Wonen - 1') mogelijk worden gemaakt.
De functies 'Wonen - 1' en 'Tuin' blijven ter hoogte van de woning met tuin aan de Groenstraat 9 behouden. Binnen deze functies is ondergeschikt en incidenteel gebruik ten hoeve van de horeca bij De Vlaamsche Spijcker toegestaan. Voor de Vlaamsche Spijcker zelf wordt de functie 'Horeca' met bijbehorende activiteiten en specifieke gebruiksregels opgenomen. Hierbij is ook een functionele samenhang met de woonactiviteit op het naastgelegen perceel geregeld.
Bij de beoogde ontwikkeling wordt tevens rekening gehouden met de visie van Koninklijke Horeca Nederland over horeca in het buitengebied. Hier wordt nader op in gegaan in paragraaf 4.1.3.
De gemeente heeft aangegeven dat het voor de beoogde verbreding van gebruiksactiviteiten gewenst is om het project mogelijk te maken via een procedure wijziging omgevingsplan.
Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als de functionele aspecten aan de orde komen. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het doorlopen participatie traject. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven.
In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een algehele conclusie getrokken waarin gemotiveerd wordt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het verstilde groene buitengebied van de gemeente Dongen bevindt zich aan Groenstraat 9a een Vlaamse schuur genaamd de 'Vlaamsche Spijcker'.
Deze, door de houten constructie tot stand gekomen ruimte werd vroeger gebruikt om koren en graan in op te slaan. De schuur heeft een hoge nok en een breed aflopend rieten dak. Op de percelen zoals omschreven in paragraaf 1.2 bevinden zich verder een aangelegd parkeerterrein, een (reguliere) woonboerderij en een tuin. De bebouwing op dit perceel is aangeduid als gemeentelijk monument, zoals opgenomen in de inventarisatie gemeentelijke monumenten (bijlage 3). Het complex (boerderij en Vlaamse schuur) is van algemeen belang. Het heeft cultuurhistorisch belang als uitdrukking van de sociaal-economische ontwikkeling van de landbouw in de Langstraat en als specimen van de typologische ontwikkeling van de Brabantse boerderij in de negentiende eeuw.
Sinds 2014 wordt de locatie geëxploiteerd als officiële trouwlocatie. Door het ongedwongen en zorgvuldig geselecteerde interieur met antieke en artistieke tonen heerst er een stijlvolle Brabantse sfeer. Zowel de binnen- als de buitenruimte vormen het decor voor trouwplechtigheden. Een aantal afbeeldingen van de huidige situatie van het plangebied (binnen- en buitenruimte) is weergegeven in figuur 2.1.
Figuur 2.1 Huidige situatie plangebied (Bron: 'De Vlaamsche Spijcker')
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Dongen. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk ruim opgezette kavels met vrijstaande woningen en boerderijen in een groene setting, al dan niet in combinatie met een agrarische- of recreatieve functie.
De trouwlocatie is momenteel ingericht om circa 100 gasten te ontvangen voor bruiloften die hoofdzakelijk gedurende een periode van een half jaar (voorjaar en zomer) in het weekeinde (vrijdag en zaterdag) plaatsvinden. De initiatiefnemer wenst nu de activiteiten op locatie te verbreden. In combinatie met het uitvoeren van trouwplechtigheden wil initiatiefnemer zich gaan richten op het organiseren van besloten partijen in de vorm van condoleances, vergaderingen, workshops, babyshowers, familiereünies en bedrijfsborrels. Deze activiteiten zullen overdag verzorgd worden waarbij een eindtijd van 21:00 uur geldt. Bij deze activiteiten hoort een uitgebreider aanbod aan voedsel en drank.
Voor de voorgenomen activiteiten wordt voor wat betreft gebruiksregels aangesloten bij categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten uit het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Dongen. Tevens rekening wordt gehouden met de visie van Koninklijke Horeca Nederland over horeca in het buitengebied. Het gaat bij de beoogde ontwikkeling om de zogenoemde 'overige lichte horeca' waar in beginsel alleen overdag en in de (vroege) avond horeca-activiteiten plaatsvinden. Daarbij wordt in de regels wel de volgende aanvulling opgenomen: 'dan wel bedrijven en activiteiten zoals besloten partijen die naar aard en invloed op de omgeving behoren tot die categorie'. Dit omdat een trouwlocatie niet als dusdanig in deze lijst is opgenomen en er ook de wens is tot besloten partijen in de vorm van condoleances, vergaderingen, workshops, babyshowers, familiereünies en bedrijfsborrels. Al deze activiteiten kunnen geschaard worden onder de categorie 'overige lichte horeca'.
De functies 'Wonen - 1' en 'Tuin' blijven ter hoogte van de woning met tuin aan de Groenstraat 9 behouden. Ondergeschikt en incidenteel gebruik ten hoeve van de horeca bij De Vlaamsche Spijcker is toegestaan. De functie 'Horeca' met bijbehorende activiteiten en specifieke gebruiksregels is voor de Vlaamsche Spijcker opgenomen. Hierbij is ook een functionele samenhang met de woonactiviteit op het naastgelegen perceel geregeld.
Doel is om de locatie aan een breder publiek te willen presenteren zonder hierbij aan het wooncomfort van de omwonenden voorbij te gaan en geen beperkingen ten opzichte van bestaande (agrarische) bedrijven in de omgeving te veroorzaken. Vanwege de eindtijd van 21:00 uur 's avonds en enkel het gebruik van zachte achtergrondmuziek blijft het een rustieke daglocatie. Het inzetten van levende muziek en versterkt geluid is niet toegestaan. De gebruiksmelding (met het oog op brandveiligheid) is momenteel bepaald op 150 gasten. Deze gebruiksmelding zal in de nieuwe situatie worden aangepast naar maximaal 70 gasten. Deze voorwaarden worden ook als zodanig gecommuniceerd richting mogelijke gebruikers, vormen het uitgangspunt voor de onderbouwing van het initiatief en worden als zodanig vastgelegd in de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan. Door het realiseren van bovenstaande punten, ontstaat er een toekomstbestendig recreatief bedrijf in het buitengebied van de gemeente Dongen.
De functie van een dergelijke locatie kan ook voor de gemeente Dongen en regio De Langstraat van toegevoegde waarde zijn. De toekomstige gasten maken mogelijk ook gebruik van de Dongense hotels, campings, dienstverlening en detailhandel. Daarnaast worden als het kan alle producten die op locatie nodig zijn, verkregen binnen de eigen dorpsgrenzen.
Een initiatiefnemer moet in alle gevallen bij de aanvraag aangeven of participatie heeft plaatsgevonden (artikel 7.4, lid 2 Omgevingswet). Goede participatie maakt een plan of initiatief beter. Deze samenwerking tussen belanghebbenden, gemeente en initiatiefnemer kan het plan inhoudelijk verbeteren en verrijken, bijvoorbeeld door lokale kennis te benutten. Daarbij draagt het bij aan de besluitvorming, door alle belangen in beeld te brengen en hierdoor beter rekening kan worden gehouden met deze belangen. Dit kan bijdragen aan het draagvlak van het plan.
Initiatiefnemer vindt het erg belangrijk om omwonenden op een juiste manier te laten participeren in het traject. Burgerparticipatie vergroot de betrokkenheid bij de ontwikkeling. Daarom zijn omwonenden op meerdere momenten en op verschillende wijzen betrokken tijdens het traject.
In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen heeft op 23 november 2019 een informatiebijeenkomst plaatsgevonden in 'De Vlaamsche Spijcker'. Alle bewoners in de nabije omgeving van de projectlocatie (Groenstraat en Dorpspad) ontvingen hiervoor een uitnodiging. De bijeenkomst werd goed bezocht door circa 15 omwonenden.
Naast de mogelijkheid tot informeren diende dit moment tevens om goed te luisteren naar eventuele bezwaren met als doel hier vervolgens een afgewogen antwoord op te geven dat op voldoende draagvlak kan rekenen in de buurt.
Het verslag van de informatiebijeenkomst is opgenomen als bijlage 1 van voorliggend TAM-omgevingsplan. Over het algemeen kijkt men positief naar de huidige bedrijfsvoering en heeft men afgelopen jaren slechts beperkte overlast ervaren van de exploitatie. In het kader van de beoogde ontwikkeling zijn er weliswaar bepaalde zorgen over verkeer, parkeren, muziek en de mogelijke aantasting van de rustige sfeer in het buitengebied, maar is er in algemene zin ook vertrouwen dat met de juiste afspraken en regels de zorgen weggenomen kunnen worden. Daarnaast is er vanuit omwonenden met name behoefte om betrokken te blijven bij de ontwikkeling, dan wel aspecten in een later stadium te evalueren.
In navolging op de georganiseerde informatiebijeenkomst en de heropstart van het project heeft initiatiefnemer in het voor- en najaar van 2025 nog diverse gesprekken gevoerd waarin de huidige stand van zaken van het project en de beoogde plannen om overlast voor de buurt te beperken zijn besproken. Bijbehorend verslag is opgenomen als bijlage 2. Omwonenden hebben vervolgens getekend ter kennisneming.
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, heeft op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.
In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050?
Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:
Nationale belangen
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Voor dit project relevante nationale belangen zijn:
Keuzes
De belangrijkste keuzes zijn:
Het beoogde initiatief heeft in beperkte mate raakvlakken met het thema landgebruik. Uitgangspunt hierbij is om het landschap te beschermen en logistieke functies te concentreren. Het landschap van Nederland is deel van onze identiteit. Om te kunnen blijven genieten van ons mooie landschap moet behoud van de kwaliteit van ons landschap sterker meewegen in de keuzes die we maken. Bijvoorbeeld door verrommeling en versnippering te voorkomen door logistieke functies op bestaande bedrijventerreinen of langs corridors te concentreren. Sommige landschappen zijn zo waardevol dat ze extra beschermd worden. Zo moeten bijvoorbeeld bepaalde delen van het Groene Hart beschermd worden, maar is er in andere delen juist ruimte voor ontwikkeling. Dit pakken we in een gezamenlijk proces met het gebied aan.
Inwoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.
De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied en de beoogde ontwikkeling.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan dan ook regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Een belangrijke instructieregels is de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Dit is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling.
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het plangebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Uit raadpleging van 'Regels op de kaart' blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Het Bkl stelt binnen dergelijke gebieden regels aan maximale bouwhoogten van windturbines om verstoring van het radarbeeld te voorkomen. Dit project voorziet niet in windturbines en gelet op de bouwhoogten die mogelijk worden gemaakt vormt dit project geen belemmering voor de werking van het nabijgelegen radarstation.
Voor zover thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit project, vindt een afweging van deze instructieregels plaats in hoofdstuk 5 van voorliggend TAM-omgevingsplan. Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor dit project, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Gezien de trouwlocatie reeds is toegestaan middels een vergunning en de uitbreiding betrekking heeft op een verbreding van de bestaande horeca-activiteiten, betreft het plan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling en dient hierdoor niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
In het beleidsplan 2024-2026 van Koninklijke Horeca Nederland zijn de missie, visie en kernwaarden voor de Nederlandse horeca beschreven. Dit beleidsplan is echter algemeen van aard en biedt daarom weinig concrete aanknopingspunten voor de ruimtelijke toets ten aanzien van het initiatief aan de Groenstraat te Dongen. Daarom wordt in deze paragraaf teruggegrepen op de visie zoals die vanuit Koninklijke Horeca Nederland concreet is opgesteld voor horeca in het buitengebied van Noord-Brabant. Deze visie dateert van november 2018.
Het buitengebied in Noord-Brabant bevindt zich in een transitie. Belangrijke vraagstukken zijn de toekomst van veehouderijen, behoud van ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van de (kleine) kernen. De Omgevingswet biedt kaders voor een nieuwe kijk op ontwikkelingen in het buitengebied om de kwaliteit van de leefomgeving te borgen en tegelijkertijd ontwikkelingen te stimuleren. De rol van de gemeente verschuift daarbij van een besluitvormende naar een faciliterende en co-creërende rol.
De vrijetijdseconomie is een kansrijke sector. Daarbinnen is horeca een belangrijke speler. Als belangenbehartiger van deze sector liggen er in de ogen van Koninklijke Horeca Nederland (hierna KHN) voor de horeca in het buitengebied kansen, echter mag dit niet leiden tot ongewenste ontwikkelingen of tot een ongelijk speelveld tussen ondernemers. KHN heeft in samenwerking met stakeholders en meerdere branche gerichte partners en organisaties een duidelijke notitie opgesteld. Hierin geeft de sector haar visie op de horeca in het buitengebied in Noord-Brabant.
Uitwerking van de regels horeca in buitengebied
KHN pleit voor de volgende regels voor horeca in het buitengebied:
Ondersteunende horeca op niet-horecabestemmingen (recreatie, agrarisch, wonen) kent de volgende regels:
Voor bedrijven in het buitengebied die meer willen dan de gestelde regels voor ondersteunende horeca (bijvoorbeeld t.a.v. begrenzingen in tijd en ruimte) geldt het volgende:
Indien agrarische bedrijven stoppen met hun nevenactiviteiten en de mogelijkheid hebben tot ondersteunende horeca vervalt op deze locatie ook deze mogelijkheid. In dergelijke gevallen moet er een nieuwe afweging van de bestemming gemaakt worden. Hierbij kan -indien aan de orde- opnieuw naar de mogelijkheid tot ondersteunende horeca worden gekeken.
Het pleidooi is om streng te zijn waar nodig met werkbare, handhaafbare regels en ruimte bieden waar mogelijk voor nieuwe (horeca)ontwikkelingen. Zowel de gemeente als de horeca-sector is gebaat bij kwaliteitsbedrijven in het buitengebied. Het is aan de gemeenten om afwegingen te maken waar wel en waar geen horeca in het buitengebied toe te staan. Uit oogpunt van leefbaarheid, economie en versterking van de vrijetijdseconomie lijken op sommige locaties in het buitengebied kansen te liggen. Zonder limitatief te zijn valt te denken aan horeca op locaties:
De horeca voelt zich medeverantwoordelijk voor het buitengebied in gemeenten en denkt graag mee over een bijdrage aan maatschappelijke doelstellingen:
Toetsing
Initiatiefnemer wenst de activiteiten op locatie te verbreden. In combinatie met het uitvoeren van trouwplechtigheden wenst de initiatiefnemer zich te gaan richten op het organiseren van besloten partijen in de vorm van condoleances, vergaderingen, workshops, babyshowers, familiereünies en bedrijfsborrels. Deze activiteiten zullen overdag verzorgd worden waarbij een eindtijd van 21:00 uur geldt. Bij deze activiteiten hoort een uitgebreider aanbod aan voedsel en drank. De gemeente heeft in haar reactie op 23 juli 2019 aangegeven onder voorwaarden medewerking te kunnen verlenen aan het toestaan van deze activiteiten in de vorm van lichte horeca op locatie. Hiervoor is de bestemming 'Horeca' opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. Aan het gebruik ten behoeve van horeca-activiteiten is in dit TAM-omgevingsplan ook de eindtijd van 21:00 uur gekoppeld. Vanwege deze eindtijd, het maximum aantal gasten van 70, het toestaan van enkel zachte achtergrondmuziek blijft het een rustieke daglocatie. Deze voorwaarden worden ook als zodanig gecommuniceerd richting mogelijke gebruikers en worden in dit TAM-omgevingsplan onderbouwd en vastgelegd. Ook wordt dit in de bedrijfsbrochure van de initiatiefnemer opgenomen.
Met deze voorwaarden, die geborgd worden in de regels behorend bij voorliggend TAM-omgevingsplan, kan gesteld worden dat het initiatief in lijn is met de Visie Koninklijke Horeca Nederland gericht op het buitengebied van Noord-Brabant.
Het project is in lijn met de beleidskaders uit de Nationale Omgevingsvisie, de instructieregels uit het Bkl en de visie Koninklijke Horeca Nederland.
In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:
Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.
De beoogde ontwikkeling voorziet in het aanvullend toestaan van diverse activiteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met het uitvoeren van trouwplechtigheden. De impact van de ontwikkeling is gering. Er worden geen nieuwe bouwmogelijkheden gecreëerd, er vinden geen ingrepen in de bodem plaats en bezoekersstromen worden in tijd en aantallen begrensd. Daarbij is de ontwikkeling gericht op het realiseren van de gewenste functies in samenhang en met respect voor de bestaande monumentale bebouwing en landschappelijke kenmerken van het rustieke buitengebied. Historisch monumentale bebouwing krijgt een nieuwe duurzame functie die naar aard en omvang past in de omgeving en de bestaande beplanting rondom de locatie blijft behouden. Daarmee blijft een goede overgang naar het landschap aanwezig, is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en wordt ingespeeld op het bereiken van omgevingskwaliteit.
Voor wat betreft de in de Omgevingsvisie genoemde opgaven is het relevant te benoemen dat veel opgaven het plangebied met bijbehorend planvoornemen overstijgen. Voor sommige ambities uit de Omgevingsvisie zijn daarnaast regels nodig om ze te kunnen realiseren. Provincie Noord-Brabant heeft daarom een Omgevingsverordening vastgesteld. In de volgende subparagraaf wordt het planvoornemen en de strijdigheid getoetst aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
De provincie Noord-Brabant heeft op 5 december 2023 de Omgevingsverordening Noord-Brabant (Ov) vastgesteld. De Ov is een planologische verordening waarin eisen gesteld worden aan ontwikkelingen en vormt een direct toetsingskader voor ontwikkelingen. In de Ov zijn regels opgenomen waarvan de provincie eist dat die door iedere gemeente worden toegepast bij ruimtelijke besluiten.
Voor elke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van de Ov. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het plangebied.
In dit geval zijn alleen de instructieregels voor gemeenten relevant. Hierna wordt aan deze instructieregels getoetst. De instructieregels zijn in de meeste gevallen gekoppeld aan een werkingsgebied. Daarnaast gelden te allen tijde de algemene instructieregels 'Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies'. Hierna wordt ingegaan op de specifiek voor het plangebied aan Groenstraat 9a geldende instructieregels.
Stalderingsgebied
Binnen het stalderingsgebied (Aatikel 5.66 Aanvullende regels stalderen) gelden regels over de toename van de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdieren op agrarische bedrijven. Deze strijdigheid heeft geen betrekking op een bestaand of nieuw agrarisch bedrijf. De regels voor stalderingsgebieden zijn in dit geval dan ook niet relevant.
Geen attentiezone waterhuishouding
In artikel 3.15 (aanwijzing vergunningvrije gevallen open bodemenergiesysteem) staat dat een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem van het Bal niet is vereist als de onttrekking buiten de attentiezone waterhuishouding ligt. De in artikel 3.15 genoemde activiteiten worden niet toegevoegd bij de beoogde ontwikkeling.
Diep grondwaterlichaam
Artikel 3.12 (diep grondwaterlichaam) beschrijft dat het verboden is om onconventionele winning van koolwaterstoffen als milieubelastende activiteiten te verrichten binnen het diep grondwaterlichaam. Dit is bij het beoogde planvoornemen niet aan de orde.
Landelijk gebied
De projectlocatie is gelegen in het landelijk gebied. Een omgevingsplan ter plaatse van het landelijk gebied bepaalt dat een toename van het aantal woningen is verboden, bepaalt dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten en kan een andere gebruiksactiviteit dan wonen toestaan bij een woning. Op de locatie is het gebruik als trouwlocatie via de verleende omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan reeds toegestaan. Binnen de bestaande omvang en bebouwingsmogelijkheden wordt gebleven. De beoogde ontwikkeling voorziet in het aanvullend toestaan van diverse activiteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met het uitvoeren van trouwplechtigheden. Hiermee past de ontwikkeling binnen de regels die gelden voor het landelijk gebied. Bovendien moet een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in landelijk gebied, motiveren dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Hier wordt verderop in de motivering op ingegaan.
Beperking veehouderij
Artikel 5.65 (afwijkende regels beperkingen veehouderij) stelt regels ter plaatse van veehouderijen in afwijking van artikel 5.63 (veehouderij in landelijk gebied). De beoogde ontwikkeling voorziet in het aanvullend toestaan van diverse activiteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met het uitvoeren van trouwplechtigheden. De regels uit dit artikel zijn in dit geval dan ook niet relevant.
Beperking grootschalige logistiek
Artikel 5.56 (grootschalige logistiek) stelt beperkingen aan de ontwikkeling van grootschalige logistiek. Deze regels zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake van is bij voorgenoemd planvoornemen.
Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied
Artikel 2.3 (omgevingswaarde wateroverlast buiten stedelijk gebied) gaat in op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht. Dit artikel is niet van toepassing op het beoogde planvoornemen en de strijdigheid.
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
In paragraaf 5.1.2 van de Omgevingsverordening is bepaald dat bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling moet worden gegeven aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering, en meerwaardecreatie. Hierna wordt ingegaan op deze bijbehorende instructieregels.
Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik
Bij deze ontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand ruimtebeslag, waar de activiteiten in het kader van trouwplechtigheden op basis van de verleende omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan reeds zijn toegestaan. De beoogde ontwikkeling voorziet in het aanvullend toestaan van diverse activiteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met het uitvoeren van trouwplechtigheden. De impact van de ontwikkeling is gering. Er worden geen nieuwe bouwmogelijkheden gecreëerd, er vinden geen ingrepen in de bodem plaats en bezoekersstromen worden in tijd en aantallen begrensd. Daarbij is de ontwikkeling gericht op het realiseren van de gewenste functies in samenhang en met respect voor de bestaande monumentale bebouwing en landschappelijke kenmerken van het rustieke buitengebied. Historisch monumentale bebouwing krijgt een nieuwe duurzame functie die naar aard en omvang past in de omgeving en de bestaande beplanting rondom de locatie blijft behouden. Daarmee blijft een goede overgang naar het landschap aanwezig, is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en wordt ingespeeld op het bereiken van omgevingskwaliteit.
Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering
De beoogde ontwikkeling voorziet in het aanvullend toestaan van diverse activiteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met het uitvoeren van trouwplechtigheden. De impact van de ontwikkeling is gering. Zo vinden geen ingrepen in de bodem plaats, waardoor de ontwikkeling geen effect op het bodem- en watersysteem en eventueel aanwezige waarden in de bodem heeft. Ook op de netwerklaag heeft voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten. Er is sprake van een bestaand bouwperceel waarbinnen de activiteiten plaatsvinden. Er worden geen extra bebouwingsmogelijkheden toegevoegd. De ontwikkeling heeft daarnaast geen nadelige effecten op het infrastructurele netwerk. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 5.7. De toevoeging van de activiteiten heeft ook geen nadelige effecten op natuurgebieden. Natuurgebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000-gebieden bevinden zich op voldoende afstand (zie ook paragraaf 5.8).
Tot slot heeft de ontwikkeling geen nadelige effecten op de bovenste laag. De ontwikkeling is namelijk gericht op het realiseren van de gewenste functies in samenhang en met respect voor de bestaande monumentale bebouwing en landschappelijke kenmerken van het rustieke buitengebied. De aanwezige historisch monumentale bebouwing krijgt een nieuwe duurzame functie die naar aard en omvang past in de omgeving en de bestaande beplanting rondom de locatie blijft behouden. Daarmee blijft een goede overgang naar het landschap aanwezig. In paragraaf 5.16 wordt nader op het aspect cultuurhistorie ingegaan.
De effecten op functies in de omgeving zijn getoetst in hoofdstuk 5. Hieruit is naar voren gekomen dat geen nadelige effecten op lucht, milieu en veiligheid zijn te verwachten.
Artikel 5.10 Meerwaardecreatie
De meerwaardecreatie voor dit project komt tot voornamelijk tot uiting op het sociaal-maatschappelijk vlak en op het vlak van duurzaam ruimtegebuik binnen landelijk gebied.
Door het (naast trouwplechtigheden) aanvullend mogelijk maken van activiteiten gericht op het organiseren van besloten partijen in de vorm van condoleances, vergaderingen, workshops, babyshowers, familiereünies en bedrijfsborrels. wordt er voorzien in een complete en levensvatbare locatie voor gecombineerde dag- en (vroege) avondactiviteiten binnen een maatschappelijke, levensbeschouwelijke of bedrijfsmatige context.
Met het initiatief wordt de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van de locatie omarmd. Er liggen bovendien kansen om deze locatie te verbinden met de verschillende recreatieve activiteiten in de omgeving, zoals wandelen en fietsen.
De ontwikkeling biedt hiermee een duurzaam toekomstperspectief waar landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de omgeving gepaard gaan met (de uitbreiding van) een recreatieve en sociaal-maatschappelijke functie.
Versterken van omgevingskwaliteit
Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap
De beoogde strijdigheid valt volgens het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant onder categorie 1. Dit zijn ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen landschappelijke inpassing of (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Voor de locatie geldt dat de locatie al op een goede manier landschappelijk is ingepast door de aanwezige beplanting aan de randen van de locatie. Bovendien vinden er met de ontwikkeling geen bouw- of bodemgerelateerde werkzaamheden plaats.
Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit
Er is, zoals reeds beschreven in paragraaf 2.1, sprake van cultuurhistorische waarden voor beide panden binnen het plangebied. In die zin kan er gebruik worden gemaakt van artikel 5.14 'Maatwerk met als doel Omgevingskwaliteit' uit de omgevingsverordening, welke in lid 1 stelt dat een omgevingsplan voor een concreet initiatief een gebruiksactiviteit mogelijk kan maken als dat aantoonbaar bijdraagt aan het fysiek versterken van omgevingskwaliteit, zoals de sloop van bebouwing, de aanleg van natuur en bos, groenblauwe dooradering, het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken, het terugdringen van emissie van milieuhinderlijke stoffen of de verbetering van het woon- en leefklimaat, doordat die bouw- of gebruiksactiviteit daarvoor de middelen genereert. In lid 3 onder d. van dit artikel wordt aangegeven dat in acht moet worden genomen dat wanneer de ontwikkeling tot doel heeft om de cultuurhistorische waarden en kenmerken te behouden of te herstellen van een rijks- of gemeentelijk monument of een cultuurhistorisch waardevol complex, zoals beschreven op de Cultuurhistorische waardenkaart, de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gericht moet zijn op het behoud of herstel van de aanwezige waarden en kenmerken.
Over dit onderwerp heeft in de planvoorbereidingsfase afstemming met de provincie en gemeente Dongen plaatsgevonden. Om gebruik te kunnen maken van artikel 5.14 uit de Omgevingsverordening is het van belang dat de historie van de schuur in relatie tot de boerderij en het erf in beeld wordt gebracht. De inventarisatie zoals opgenomen als bijlage 3 doet daar al een aanzet toe. Vervolgens is verzocht om een verdiepend onderzoek met het oog op historische waarden die hersteld kunnen worden. De tegenprestatie c.q. herstel om de cultuurhistorische waarde te verhogen zal dan in verhouding moeten staan met de functie die in de Vlaamsche schuur wordt ondergebracht.
In dat kader is een onderzoek naar cultuurhistorische waarden uitgevoerd, bijgevoegd als bijlage 4. In het onderzoek is de ontstaansgeschiedenis en de ruimtelijke samenhang beschreven en zijn de aanwezige waarden in kaart gebracht. Uit dit onderzoek blijkt dat behoud en versterking van de cultuurhistorische kenmerken goed mogelijk zijn binnen de voorgenomen ontwikkeling. Daarmee is de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot artikel 5.14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant aangetoond. Conform dit artikel wordt de fysieke tegenprestatie gericht op het behoud en herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn diverse maatregelen geïdentificeerd die kunnen bijdragen aan dit herstel. In de vervolgfasen, in overleg tussen initiatiefnemer, gemeente en provincie, wordt bepaald welke maatregelen concreet worden toegepast en hoe deze worden geborgd. Met deze aanpak wordt aantoonbaar voldaan aan de provinciale eisen en wordt een toekomstbestendige functie gecreëerd die recht doet aan de bestaande cultuurhistorische kwaliteiten van het complex.
Het thema cultuurhistorische waarden komt nader aan bod in paragraaf 5.16 van voorliggend TAM-omgevingsplan.
Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit
Binnen dit artikel is enkel lid 4 relevant voor het beoogde initiatief. In lid 4 wordt namelijk gesteld dat een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in artikel 5.75 Mestbewerking, als dat vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving.
Het initiatief, waarbij een bestaande vergunde niet-agrarische activiteit in de vorm van een trouwlocatie, wordt uitgebreid met een aantal aanvullende activiteiten, speelt in op deze voorwaarden.
De beoogde ontwikkeling voorziet immers in het aanvullend toestaan van activiteiten die naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met het uitvoeren van trouwplechtigheden en onder lichte horeca geschaard kan worden. De impact van de ontwikkeling op de omgeving is gering. Er worden geen nieuwe bouwmogelijkheden gecreëerd, er vinden geen ingrepen in de bodem plaats en bezoekersstromen worden in tijd en aantallen begrensd. Het parkeren ten dienste van de ontwikkeling vindt daarnaast volledig op eigen terrein plaats.
Daarmee gaat de ontwikkeling gepaard met een zorgvuldige benutting van functies in het buitengebied waarbij bestaande cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten duurzaam in stand gehouden worden. Een onderbouwing van de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in deze paragraaf opgenomen. Daarnaast kan verwezen worden naar de toetsing aan het gemeentelijk beleid in paragraaf 4.3 en de onderbouwing van de aspecten ten aanzien van de fysieke leefomgeving in hoofdstuk 5.
De beoogde ontwikkeling is in lijn met de kaders en randvoorwaarden uit het provinciaal beleid.
Op 25 mei 2023 heeft de gemeente Dongen haar Omgevingsvisie voor 2040 vastgesteld. Een uitsnede van de Omgevingsvisiekaart is weergegeven in figuur 4.1.
Figuur 4.1 Uitsnede Omgevingsvisiekaart gemeente Dongen met plangebied rood omcirkeld (Bron: Gemeente Dongen)
In de omgevingsvisie wordt de gemeente opgesplitst in vier deelgebieden. Het plangebied ligt binnen het deelgebied 'buitengebied'. Dit gebied heeft zijn eigen toekomstperspectief en ambities. Voor het deelgebied is het volgende toekomstperspectief vastgesteld:
De positie van de landbouw verandert, het buitengebied kan naast landbouw ook voor andere functies een steeds grotere maatschappelijke betekenis krijgen. De plannen van initiatiefnemer geven hier invulling aan doordat de uitbater zich in combinatie met het uitvoeren van trouwplechtigheden ook gaat richten op het organiseren van besloten partijen in de vorm van condoleances, vergaderingen, workshops, babyshowers, familiereünies, bedrijfsborrels etc.
De ontwikkeling biedt hiermee een duurzaam toekomstperspectief waar landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de omgeving gepaard gaan met (de uitbreiding van) een recreatieve en sociaal-maatschappelijke functie. Hiermee sluit de beoogde ontwikkeling aan op de Omgevingsvisie van de gemeente Dongen.
In de periode april 2015 - februari 2016 heeft de gemeente Dongen de Toekomstvisie 2025 'Investeren in relaties' gemaakt. De toekomstvisie is tot stand gekomen met de inwoners, ondernemers, instellingen, verenigingen en stichtingen.
In de toekomstvisie wordt aangegeven voor welke ontwikkelingen de gemeente staat. Daarnaast wordt een beeld geschetst van de gemeente in 2025. Deze visie is uitgewerkt aan de hand van vijf pijlers. Dat zijn de belangrijkste opgaven waar onze gemeente, onze gemeenschap, de komende jaren voor staat:
• Dongen als woon- en leefgemeente: Dongen Leeft!
• Zorg om en voor inwoners: Dongen Zorgt!
• Veiligheid: Veilig Dongen!
• Economie en werkgelegenheid: Dongen Onderneemt!
• Dienstverlening: Dongen Dient!
Dongen is een landelijke gemeente, en bevindt zich in een regio met veel recreatie. Van oudsher is Dongen niet echt een verblijfs- of recreatiegemeente. Maar de laatste jaren zijn er de nodige ontwikkelingen op dat gebied geweest. Tegelijkertijd neemt in de regio, met de ontwikkelingen bij de Efteling en de Beekse Bergen, het langdurig verblijf in de regio toe. Zowel op het gebied van recreatie als verblijf zijn binnen Dongen meer ontwikkelingen realiseerbaar. Er is ruimte om het aantal bedden in de gemeente te vergroten. Het is goed om aansluiting te zoeken bij Hart van Brabant, waar beleidsmatig en projectmatig vorm gegeven wordt aan recreatie en leisure. En meer specifiek liggen er kansen in de samenwerking met de Langstraat-gemeenten.
Op het gebied van economie en werkgelegenheid wordt op lokaal niveau samengewerkt. Winkeliersvereniging Leer Dongen Kennen, Horeca Dongen, Verenigd Ondernemers Contact Dongen, ZLTO en Vereniging SamenDongen zijn natuurlijke en voor de hand liggende partners. Met deze partijen wordt periodiek overleg gepleegd. Daarnaast werkt de regio Hart van Brabant samen op het gebied van economie. De velden waar Hart van Brabant zich mee bezig houdt, zijn niet allemaal werkvelden die in Dongen direct terug te vinden zijn. Dongen kan aansluiting met name vinden op het gebied van zorg, onderwijs en recreatie. Op het gebied van re-integratie of werkgeversdienstverlening biedt de samenwerking binnen Hart van Brabant en de Diamantgroep voordelen. Werkgelegenheid houdt immers niet op bij de gemeentegrenzen. Een gezamenlijke en op elkaar afgestemde benadering van werkgevers draagt bij aan de plaatsing van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
De ambities die in de Toekomstvisie 2025 aan bod komen hebben in zekere mate betrekking op de beoogde ontwikkeling aan de Groenstraat. Van belang is, dat de vijf pijlers uit de visie op gezette tijden worden geactualiseerd en aangescherpt. Met behulp van een strategische agenda kan het gemeentebestuur jaarlijks aandachtspunten benoemen en concrete acties uitzetten. Daarmee krijgt een redelijk statische toekomstvisie die is opgesteld met de kennis en de ideeën van nu, in de loop van de tijd een meer dynamisch karakter. Het biedt de gemeente de mogelijkheid om mee te gaan met toekomstige ontwikkelingen, zo ook de ambities die de initiatiefnemer bij de Vlaamsche Spijcker voor ogen heeft. Meegaan met de tijd en inspelen op actuele wensen vanuit de markt vormt hierbij het speerpunt. Het college heeft voor ogen om deze strategische agenda steeds bij de perspectief- of prioriteitennota te herijken en aan te bieden aan de gemeenteraad. De raad kan uitspraken doen, die vervolgens worden vertaald in de gemeentelijke begroting.
De beoogde ontwikkeling is in lijn met de kaders en randvoorwaarden uit het gemeentelijk beleid.
Voor het wijzigen van het omgevingsplan gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. Een wijziging van het omgevingsplan kan enkel plaatsvinden met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL). Daarnaast zijn in het Bkl de volgende beoordelingsregels opgenomen:
De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Hieronder wordt de toetsing van het project aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan.
Voor de volgende thema's wordt in tabel 5.1 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet:
Tabel 5.1: Instructieregels Bkl
| Thema | Afdelingen en paragrafen Bkl | Relevant voor de ontwikkeling |
| Omgevingsveiligheid | § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid | Ja, zie paragraaf 5.4. |
| Water | § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen | Ja, zie paragraaf 5.6. |
| Luchtkwaliteit | § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht | Ja, zie paragraaf 5.11. |
| Geluid door activiteiten | § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten | Ja, zie paragraaf 5.10. |
| Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen | § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen | Ja, zie paragraaf 5.9 |
| Geluid rond luchthavens | § 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens | Nee, de projectlocatie ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven. |
| Trillingen | § 5.1.4.4. Trillingen | Nee, de projectlocatie ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier in beginsel zelf ook niet in, zie paragraaf 5.14. |
| Slagschaduw van windturbines | § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines | Nee, in de omgeving van de projectlocatie komen geen windturbines voor. |
| Bodemkwaliteit | § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit | Ja, zie paragraaf 5.15. |
| Geur | § 5.1.4.6. Geur | Ja, zie paragraaf 5.12. |
| Cultureel erfgoed (aardkunde, archeologie en cultuurhistorie) | § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed | Ja, zie paragraaf 5.16. |
| Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied | § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed | Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij de kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied. |
| Ladder voor duurzame verstedelijking | § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking | Nee, gezien de trouwlocatie reeds is toegestaan middels een vergunning en de uitbreiding betrekking heeft op een verbreding van de bestaande horeca-activiteiten, betreft het plan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling en dient hierdoor niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Dit aspect is onderbouwd in paragraaf 4.1.2. |
| Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving | § 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies; § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten |
Ja, zie paragraaf 5.13. |
| Aanwijzing woningbouwcategorieën | § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken | Nee, de beoogde ontwikkeling ziet niet toe op de ontwikkeling van woningbouw. |
| Toegankelijkheid openbare buitenruimte | § 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen | Nee, er is binnen het projectgebied geen sprake van openbare buitenruimte. |
De provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels. In paragraaf 4.2.2 is de Omgevingsverordening van de provincie behandeld en zijn de relevante instructieregels benoemd. Voor zover deze instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving, wordt in hoofdstuk 5 aan deze instructieregels getoetst.
Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema's komen terug in tabel 5.2.
Tabel 5.2: Thema's in het kader van ETFAL
| Thema | Wettelijk kader | Relevant voor de ontwikkeling |
| Gezondheid | § 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig. | Ja, paragraaf 5.2. |
| Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrekken. | Nee, er worden geen gevoeligere activiteiten mogelijk gemaakt dan in de huidige planologische situatie zijn toegestaan, zie paragraaf 5.2. |
| Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrekken. | Nee, er worden geen gevoeligere activiteiten mogelijk gemaakt dan in de huidige planologische situatie zijn toegestaan, zie paragraaf 5.2. |
|
Mobiliteit en parkeren |
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrekken. | Ja, zie paragraaf 5.7. |
| Natuurbescherming NNN | Afdeling 7.3 van het Bal. | Nee, de projectlocatie ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 5.8. |
| Ecologie: gebiedsbescherming | Afdeling 11.1 van het Bal. | Ja, zie paragraaf 5.8. |
| Ecologie: soortenbescherming | Afdeling 11.2 van het Bal. | Ja, zie paragraaf 5.8. |
| Ecologie: houtopstanden | Afdeling 11.3 van het Bal. | Nee, vanwege aard en omvang van de ontwikkeling is dit onderwerp niet aan de orde. |
| Bezonning / schaduwhinder (niet zijnde slagschaduw windturbines) | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. | Nee, gezien de aard en omvang van het project is onacceptabele schaduwhinder niet te verwachten. |
| Windhinder | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. | Nee, gezien de aard en omvang van het project is windhinder of windgevaar niet te verwachten. |
| Lichthinder | In het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken. | Nee, binnen de projectlocatie worden geen activiteiten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling (bijvoorbeeld bedrijfsterrein, sportveld of glastuinbouw met assimilatieverlichting), anders dan reguliere straat- en erfverlichting. Hinder van dergelijke activiteiten is niet te verwachten omdat deze niet in de omgeving voorkomen. |
| Duurzaamheid en klimaatadaptatie | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. | Ja, paragraaf 5.17. |
Eén van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Gezondheidsbescherming
Een deel van de in dit hoofdstuk beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Dit betreffen onder andere bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder en geurhinder.
Gezondheidsbevordering
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. In het Bkl zijn ook nog andere onderwerpen opgenomen die een relatie hebben met gezondheid, zoals de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een handicap (artikel 5.162 Bkl).
Gezondheidsbescherming
Een deel van de omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Gelet op de gestelde normen zijn er voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder, omgevingsveiligheid) belemmeringen voor het initiatief. Deze aspecten worden verderop in dit hoofdstuk separaat onderbouwd.
Gezondheidsricico's met oog op geitenhouderijen, endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen of spuitzone vanwege gewasbeschermingsmiddelen zijn bij voorliggend initiatief niet aan de orde. Er worden immers geen gevoeligere activiteiten mogelijk gemaakt dan in de huidige planologische situatie zijn toegestaan.
Gezondheidsbevordering
De omvang van het projectgebied en aard van het project zijn niet dusdanig dat het project breed bijdraagt aan gezondheidsbevordering. De gebruikers van de locatie worden ontvangen in een groene omgeving. Verder zal een groot deel van de gasten uit de directe omgeving komen en daarom per fiets komen.
Met dit project wordt voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid, zowel voor wat betreft bescherming als bevordering.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten (o.a. geluid, geur, trillingen) dient getoetst te worden of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Een nieuwe ontwikkeling mag geen inbreuk maken op de milieugebruiksruimte van omliggende activiteiten enerzijds en anderzijds moet ter plaatse van de nieuwe activiteit sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te toetsen is gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Activiteiten en milieuzonering'.
Het plangebied kan onder het gebiedstype 'rustig buitengebied' worden geschaard. De omgeving heeft namelijk hoofdzakelijk een agrarische functie die wordt afgewisseld met een woonfunctie. Binnen dit gebiedstype geldt voor lichte horeca een richtafstand van 10 meter tot andere milieugevoelige functies vanwege het aspect geluid.
De gevel van de dichtstbijzijnde woning buiten het plangebied bevindt zich aan Groenstraat 66, op circa 20 meter van het plangebied. Aan de richtafstand wordt voldaan. Daarnaast vallen horecabedrijven onder het Bkl. Aan de geluidnormen zoals behorend bij het Bkl dient te allen tijde te worden voldaan. Tevens wordt met voorliggend TAM-omgevingsplan specifiek geregeld dat het inzetten van levende muziek en versterkt geluid op de locatie aan Groenstraat 9a niet is toegestaan. Enkel het gebruik van zachte achtergrondmuziek ten behoeve van een rustieke daglocatie is toegestaan. Deze aspecten worden tevens opgenomen in de bedrijfsbrochure van de 'Vlaamsche Spijcker'.
Binnen het plangebied bevinden zich daarnaast gronden met de functies 'Tuin' en 'Wonen-1'. Deze gronden vormen onderdeel van het plangebied, waarbij tevens is geregeld dat hier ondergeschikt gebruik ten behoeve van de activiteit 'Horeca' toegestaan is. Op deze gronden kan niet voldaan worden aan de betreffende richtafstand, waardoor er dus sprake is van specifieke (maatwerk) functiemenging in het buitengebied. Om te borgen dat beide functies samen gaan zijn er regels rondom de functionele samenhang opgenomen in artikel 5.3.2 van de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan.
De milieuaspecten omgevingsveiligheid, geluid door activiteiten, luchtkwaliteit, geur en trillingen worden nader onderbouwd in de volgende paragrafen in dit hoofdstuk.
Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt mileubelastende activiteiten aanvaardbaar de betreffende functies aan de projectlocatie toe te delen.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Zoals in figuur 5.1 is weergegeven zijn in en nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen. Het plangebied valt daarnaast niet binnen een risicocontour. Verder vindt in of nabij het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of het water.
Figuur 5.1 Kaart externe veiligheid, projectgebied aangegeven met blauw icoon (Bron:
Atlas leefomgeving)
Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de betreffende functies aan de projectlocatie toe te delen.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de verbreding van activiteiten op locatie. Er vinden geen fysieke en/of grondroerende werkzaamheden plaats en er wordt niet voorzien in nieuwe bebouwingsmogelijkheden. Gezien de aard en omvang van de strijdigheid ten opzichte van de reed toegestane activiteiten, is de strijdigheid niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r.-beoordeling is dan ook vanuit het Omgevingsbesluit niet noodzakelijk.
De strijdigheid is niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r.-beoordeling is dan ook vanuit het Omgevingsbesluit niet noodzakelijk.
Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst.
Waterschapsverordening
Het beleid ten aanzien van waterbeheer is op rijksniveau onder meer vastgelegd in het Nationaal Waterplan en op provinciaal niveau in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor het wettelijk kader in de vorm van de Waterschapsverordeninggeldt de ‘Waterschapsverordening Brabantse Delta 2024’. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. De waterschapsverordening vervangt de Keur.
Gemeentelijk beleid
Het Water- en Rioleringsplan Dongen geeft het beleid van de gemeente Dongen weer op het gebied van rioleringszorg (afvalwater en hemelwater) en haar gemeentelijke zorgtaken ten aanzien van grondwater. In het plan komt ook het stedelijke oppervlaktewater aan de orde, omdat hemelwater, grondwater en zelfs afvalwater relaties hebben met het oppervlaktewater. De zorgplichten zijn zodanig geformuleerd dat iedere gemeente een zekere mate van beleidsvrijheid houdt om een eigen invulling te kiezen voor de lokale situatie. Dit Water- en Rioleringsplan Dongen geldt voor onbepaalde tijd en wordt indien nodig geactualiseerd. Momenteel geldt de versie 2022.
Op 27 december 2023 heeft de gemeente Dongen de 'Verordening afvoer hemel- en grondwater Dongen' gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2024 is het bij een nieuw verhard oppervlak groter dan 20 m2 verplicht een hemelwatervoorziening te treffen van minimaal 60 liter per m2. Dit kunnen infiltratievoorzieningen zijn, wadi’s of andere methoden om hemelwater op te vangen.
Ten gevolge van de ontwikkeling worden er geen gebouwen of uitbreidingen daarvan gerealiseerd. Het verhard oppervlak verandert in de toekomstige situatie niet en er vinden geen wijzigingen in de bodem en de waterhuishouding plaats. Watercompenserende maatregelen zijn daarom niet noodzakelijk.
Het project past binnen de geldende instructieregels voor water. Bij voorliggende planontwikkeling is geen sprake van grondroerende werkzaamheden en/of het toevoegen van extra verharding. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.
Het plangebied wordt ontsloten op de Groenstraat, een erftoegangsweg die voornamelijk bestemmingsverkeer ontsluit. In zuidelijke richting vindt aansluiting plaats met de N629. Via het Dorpspad is aansluiting met de Westerlaan aanwezig van waaruit de overige delen van Dongen zijn te bereiken. Fietsers maken op de Groenstraat gebruik van dezelfde rijbaan als het gemotoriseerd verkeer. Op de Westerlaan zijn fietssuggestiestroken aanwezig en langs de N629 zijn vrijliggende fietspaden gelegen. Op ongeveer een kwartier lopen zijn bushaltes gelegen aan de N629 en Middellaan (verlengde van de N629).
Voor de verbreding van activiteiten in de vorm van condoleances, vergaderingen, workshops, babyshowers, familiereünies en bedrijfsborrels moet worden aangetoond dat het geen belemmeringen voorziet in de parkeersituatie. De gemeente Dongen heeft hiervoor parkeernormen opgenomen in het 'Parapluplan Parkeren Dongen'.
De voorgenomen uitbreiding van bedrijfsactiviteiten zijn echter niet in de vorm van parkeernormen opgenomen in het 'Parapluplan Parkeren Dongen'. Ook het CROW (landelijke richtlijnen omtrent verkeer en parkeren) heeft voor de voorgenomen activiteiten geen eenduidige parkeerkencijfers. De parkeervraag van deze activiteiten is namelijk sterk afhankelijk van de situatie en het aantal bezoekers. Omdat geen eenduidige parkeernorm in het gemeentelijk beleid is opgenomen wordt afgeweken van dit beleid. Om een realistische uitspraak te doen over de verwachte parkeervraag van de voorgenomen uitbreiding van bedrijfsactiviteiten is daarom gebruik gemaakt van een combinatie van ervaringscijfers van de initiatiefnemer, CROW kencijfers van vergelijkbare functies en expert judgement.
Op eigen terrein is een parkeerterrein aanwezig met een parkeercapaciteit van 28 parkeerplaatsen (figuur 5.2). Tijdens een gemiddelde bruiloft (60 gasten) kunnen alle auto's goed op het eigen terrein worden opgevangen. Uit ervaring blijkt namelijk dat er sprake is van ongeveer 2,5 gast per auto. Uitgaande van deze 2,5 gast per auto zouden er met een capaciteit van 28 parkeerplaatsen maximaal 70 gasten (28 auto's x 2,5 gast) op eigen terrein kunnen parkeren, zonder dat dit leidt tot parkeeroverlast in de omgeving.
Figuur 5.2 Inrichtingstekening parkeren (Bron: Rho adviseurs)
Het TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om een restaurant te realiseren. Voor een restaurant heeft het gemeentelijke beleid op deze locatie (buitengebied) geen parkeernormen. Wel bestaan normen voor “rest bebouwde kom”. Ondanks dat de locatie strikt genomen in het buitengebied ligt, heeft de locatie qua bereikbaarheidseigenschappen meer iets weg van “rest bebouwde kom”. Het ligt namelijk op minder dan 500 meter van de bebouwde kom van Dongen, waardoor de locatie ook nog per fiets, te voet of OV bereikbaar is. Dit in tegenstelling tot een locatie die midden in het buitengebied ligt en vaak alleen per auto bereikbaar is, aangezien voor andere vormen van vervoer (fiets, OV of te voet) zo'n locatie te ver weg ligt. Vandaar dat voor activiteiten in het buitengebied in het algemeen de parkeernormen hoger liggen dan in “rest bebouwde kom”. Zoals gezegd heeft de gemeente wel een parkeernorm voor een restaurant in “rest bebouwde kom”. Deze heeft een bandbreedte van 12 - 14 parkeerplaatsen per 100 m2. Gezien het autobezit in Dongen, welke ligt op gemiddeld 1,3 per huishouden, en het landelijk gemiddelde hiervoor op 1,1, kan gesteld worden dat het autobezit in Dongen wat hoger is dan normaal. Om die reden is het niet reëel om het midden van de bandbreedte te hanteren, maar iets daar boven te zitten. Het aanhouden van de maximale bandbreedte is echter niet reëel want er zijn gemeenten met een hoger autobezit. Echter zal uit veiligheidsoverwegingen toch de bovenkant van de bandbreedte worden aangehouden. Dit komt overeen met 14 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo voor een restaurant op deze locatie. Met een oppervlakte van 190 m2 komt dit overeen met een parkeervraag van afgerond 27 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in 28 parkeerplaatsen op eigen terrein. Gesteld kan worden dat parkeren niet leidt tot knelpunten.
Verder zal een groot deel van de gasten komen uit de directe omgeving en zullen daarom per fiets komen. Hiervoor zal een fietsenstalling op de locatie worden gerealiseerd.
De gebruiksmelding (met het oog op brandveiligheid) is momenteel bepaald op 150 gasten. Omdat de maximale parkeercapaciteit 28 parkeerplaatsen bedraagt en uit ervaringscijfers blijkt dat 2,5 gast per auto komt, zal het maximale aantal te ontvangen gasten worden gemaximeerd op 70 gasten (28 x 2,5 = 70). Op dit maximum zal de gebruiksmelding worden aangepast.
Indien sprake is van activiteiten met grote aantallen gasten tot 70 personen zal nadrukkelijk worden gecommuniceerd dat de locatie beschikt over 'beperkte' parkeergelegenheid en men dus waar mogelijk met elkaar mee moet rijden.
De aanliggende Groenstraat heeft een smal wegprofiel. Hierdoor dient tegemoetkomend verkeer de berm te gebruiken om elkaar te kunnen passeren. Parkeren in de berm zal dus leiden tot overlast, vandaar de noodzaak om de parkeervraag alleen op eigen terrein te faciliteren. Vanwege de kans op overlast bij parkeren in de berm van de Groenstraat zullen gasten vooraf worden geïnformeerd dat parkeren in de berm niet wenselijk is. Dit ondersteunt de reeds aanwezige bebording langs de kant van de weg die deze zelfde boodschap verkondigt. Een verkeersregelaar ziet toe dat er niet in de berm van de Groenstraat wordt geparkeerd.
Verkeer van en naar het plangebied vindt in pieken plaats. Bij een gevuld parkeerterrein komen in korte tijd circa 28 auto's aan. Ditzelfde geldt bij het verlaten van het terrein, wanneer 28 auto's vertrekken. Gezien de beoogde activiteiten zal dit verkeer vooral buiten de spitsuren worden afgewikkeld. Hierbij wordt uitgegaan van één activiteit per dag.
Rekening houdende met 2 voertuigbewegingen per gebruiker/parkeerplaats per dag komt de verkeersgeneratie uit op (2 x 28) 56 mvt/etmaal.
De Groenstraat is een smalle erftoegangsweg en ontsluit voornamelijk de aangelegen percelen in de buurt. De verkeersintensiteit is hierdoor dusdanig laag dat de verkeersbewegingen van en naar het plan op de Groenstraat niet tot problemen zullen leiden. Het verkeer zal vooral in zuidelijke richting naar de Heistraat (N629) en in oostelijke richting via het Dorpspad naar de Westerlaan ontsluiten. Beide wegen hebben voldoende intensiteit om dit verkeer met pieken op te vangen. Daarbij wordt de N629 deels aangepast waardoor deze in intensiteit zal gaan afnemen. Dit komt de verkeersafwikkeling van en naar het plan ten goede.
Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt verkeer en parkeren aanvaardbaar de betreffende functies aan de projectlocatie toe te delen.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
Natura 2000
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een omgevingsplanactiviteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Houtopstanden
Mocht de activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of het Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Langstraat op circa 6,8 kilometer afstand. De dichtstbijzijnde groenblauwe mantel bevindt zich aan de overzijde van de Groenstraat. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Brabant (NNB)-gebied ligt circa 500 meter richting het zuidwesten ten opzichte van het plangebied.
Voorliggend TAM-omgevingsplan regelt enkel een functiewijziging van een bestaand gebouw en er vinden geen grondroerende werkzaamheden plaats, wel zorgt de functiewijziging voor een toename van verkeersbewegingen. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd. De memo stikstofdepositie is opgenomen als bijlage 5. De berekeningen voor de gebruiksfase (2025) is opgenomen als bijlage 6. De bijbehorende berekening van de extra beoordeling hexagonen met een hersteldoel is opgenomen als bijlage 7.
Uit de berekening met AERIUS Calculator (versie 2025.0.1) voor de gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekening zijn significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase uitgesloten (inclusief op de ‘hexagonen met hersteldoelen). De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet.
Het plangebied bestaat momenteel uit een monumentale schuur genaamd de 'Vlaamsche Spijcker', een parkeerterrein, een woonboerderij en een tuin. Omdat er ten behoeve van de uitbreiding van de horeca-activiteiten geen sprake is van sloop- en/of bouwwerkzaamheden en/of het rooien van opgaande beplanting en bomen of verstoring van watergangen, is een ecologisch onderzoek niet noodzakelijk. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen op soorten met zich mee brengt.
Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door werkzaamheden ten behoeve van de toekomstige activiteiten buiten het broedseizoen uit te voeren. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden tussen 15 maart en 15 juli (bron: www.vogelbescherming.nl).
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen (significant) negatieve effecten voor beschermde gebieden en soorten met zich meebrengt.
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm.
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:
Geluidproductieplafonds
Een geluidproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plan voorziet in het uitbreiden van de bestaande (horeca)activiteiten op locatie. Horeca is volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) niet aangewezen als geluidgevoelig object. Een toetsing aan de normen van het Bkl is dan ook niet noodzakelijk.
Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen aanvaardbaar de betreffende functies aan de projectlocatie toe te delen.
Een omgevingsplan houdt rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.1.
Tabel 5.1 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
Tabel 5.2 Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten
Voor een activiteit op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kunnen de waarden uit tabel 5.1 met 5 dB worden verhoogd voor geluidgevoelige gebouwen op datzelfde bedrijventerrein. In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan de binnenwaarden volgens tabel 5.2.
Voor activiteiten buiten het plangebied (zie ook paragraaf 5.3) gelden vanuit het omgevingsplan de regels van de Bruidsschat.
De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten aan. Voor de functiewijziging voor het plangebied geldt dat er geen sprake is van het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen of locaties.
Wel worden er extra activiteiten mogelijk gemaakt die geluidshinder op omliggende geluidsgevoelige gebouwen kunnen veroorzaken. Om dit te voorkomen worden regels vastgesteld in dit TAM-omgevingsplan. Vanwege de eindtijd van 21:00 uur 's avonds en enkel het gebruik van zachte achtergrondmuziek blijft het een rustieke daglocatie. Het inzetten van levende muziek en versterkt geluid is niet toegestaan. Deze voorwaarden worden ook als zodanig gecommuniceerd richting mogelijke gebruikers en worden opgenomen in de bedrijfsbrochure van de 'Vlaamsche Spijcker'.
Binnen het plangebied bevinden zich daarnaast gronden met de functies 'Tuin' en 'Wonen-1'. Deze gronden vormen onderdeel van het plangebied, waarbij tevens is geregeld dat hier ondergeschikt gebruik ten behoeve van de activiteit 'Horeca' toegestaan is. Op deze gronden kan niet voldaan worden aan de betreffende richtafstand, waardoor er dus sprake is van specifieke (maatwerk) functiemenging in het buitengebied. Om te borgen dat beide functies samen gaan zijn er regels rondom de functionele samenhang opgenomen in artikel 5.3.2 van de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan.
Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt geluid door activiteiten aanvaardbaar de betreffende functies aan de projectlocatie toe te delen.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
Woningen worden niet gezien als activiteit waarvoor conform artikel 5.50 uit het Bkl een luchtkwaliteitstoets uitgevoerd moet worden. Daarnaast is de gemeente Dongen niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof of stikstofdioxide. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven.
De beoogde ontwikkeling heeft weliswaar gevolgen voor de verkeersgeneratie (56 mvt/etmaal) en daarmee op de luchtkwaliteit in de directe omgeving, maar deze zal nooit dermate veel bedragen dat niet meer voldaan wordt aan de luchtkwaliteitsnormen. Uit de Nibm-tool (figuur 5.3) blijkt, met een aandeel vrachtverkeer van 0,2%, dat de ontwikkeling maximaal 0,04 µg/m³ bijdraagt aan de concentratie stikstofdioxide en maximaal 0,01 µg/m³ aan de concentratie fijn stof (PM10). Hiermee is de bijdrage van de ontwikkeling niet in betekenende mate. Gelet op de bestaande concentraties langs de maatgevende wegen in de omgeving van het plangebied blijkt dat ook na realisatie van de beoogde ontwikkeling ruimschoots wordt voldaan aan de normen uit de luchtkwaliteitswetgeving.
Figuur 5.3 NIBM-tool (Bron: Informatiepunt Leefomgeving)
Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt luchtkwaliteit aanvaardbaar de betreffende functies aan de projectlocatie toe te delen.
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering.
Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.
Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan.
Veehouderijen
In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit en is niet geurgevoelig. Een nadere beschouwing van dit aspect is niet noodzakelijk.
Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect geur verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.
Ter bescherming van enkele nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving heeft het Rijk in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl enkele instructieregels meegegeven. Het gaat om instructieregels om enerzijds ruimte voor toekomstige functies van nationaal belang te waarborgen en anderzijds om de staat en de werking van infrastructuur of voorzieningen te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met deze instructieregels.
Hierna volgt een opsomming van de in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl opgenomen, met daarbij in cursief benoemd de relevantie voor dit project:
Gelet op het voorgaande is het project niet in strijd met de instructieregels ten behoeve van nationale belangen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de vergunning te verbinden.
Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
In de nabije omgeving van het projectgebied liggen geen grote wegen, spoorwegen of industrie waar trillingen voor hinder kunnen zorgen binnen het projectgebied. De maximale waarden uit de Bruidsschat zullen niet worden overschreden.
Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect trillingen verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw.
Het beoogde initiatief omvat het verbreden van gebruiksactiviteiten met bijbehorende ontsluiting op gronden die momenteel bestemd zijn als 'Wonen - 1' en 'Tuin'. Formeel gezien is sprake van een functiewijziging, maar aangezien er geen gevoeliger gebruik dan nu toegestaan wordt, is geen bodemonderzoek noodzakelijk.
Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect bodem verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.
Erfgoedwet en Omgevinswet
De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ontwikkelingen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar bij het opstellen van ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen van ontwikkelingen moet het archeologisch en cultuurhistorisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Provinciaal beleid
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ontwikkelingen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
De Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is in de gemeente doorvertaald naar de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Dongen (vastgesteld op 15 januari 2014).
De gemeenteraad heeft op 10 februari 2011 de archeologische beleidskaart vastgesteld (figuur 5.4). Deze kaart moet gelezen worden in relatie tot de vastgestelde Erfgoedverordening. Voor gebieden met op de AMK en IKAW een middelhoge of hoge verwachtingswaarde is het uitgangspunt dat onderzoek wordt uitgevoerd als ruimtelijke ingrepen worden uitgevoerd of gepland die de eventuele archeologische waarden kunnen aantasten. Bodemingrepen zijn hier in principe niet toegestaan. Indien een ingreep dieper gaat dan 0,5 meter minus het bestaande maaiveld en een planoppervlak heeft van 100 m² (vrijstellingsgrens uit de Monumentenwet) of meer is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Omdat het aspect archeologie ook is geregeld in het bestemmingsplan 'Buitengebied' (zie paragraaf 2.1.2) is de regeling daarin leidend. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied een archeologische dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-2'.
Figuur 5.4 Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Dongen (Bron: gemeente Dongen)
Bij de voorliggende ontwikkeling is sprake van een functiewijziging van een bestaand terrein waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden voor de transformatie. Archeologisch onderzoek kan dus achterwege gelaten worden en er kan gesteld worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. De huidige archeologische dubbelbestemming blijft wel behouden.
Algemeen
De 'Vlaamsche Schuur' maakt onderdeel uit van een gemeentelijk monument (zie bijlage 3). Het complex, bestaande uit een boerderij en Vlaamse schuur, is van algemeen belang. Het bezit cultuurhistorische waarde als uitdrukking van de sociaal-economische ontwikkeling van de landbouw in de Langstraat en als representatief voorbeeld van de typologische ontwikkeling van de Brabantse boerderij in de negentiende eeuw.
Gemeentelijke monumenten worden beschermd op grond van de gemeentelijke Erfgoedverordening gemeente Dongen 2023, die is gericht op het behoud en de instandhouding van monumentale en cultuurhistorische waarden. Aanwijzing als gemeentelijk monument vindt plaats voor objecten en gebouwen die van bijzondere betekenis zijn voor de cultuurhistorie van de gemeente Dongen. Hiermee wordt beoogd ongewenste wijzigingen en sloop te voorkomen. In figuur 5.5 is het plangebied weergegeven op een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Dongen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de staat van het gemeentelijk monument. De aanwezige monumentale waarden worden niet aangetast.
Figuur 5.5 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Dongen met aanduiding plangebied (Bron: Gemeente Dongen)
Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit en verdiepend onderzoek cultuurhistorische waarden
In het kader van het provinciaal beleid heeft afstemming plaatsgevonden over de aanwezige cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Daarbij is toepassing gegeven aan het principe ‘maatwerk met als doel omgevingskwaliteit’, zoals beschreven in paragraaf 4.2.2. De provincie heeft aangegeven dat de ontstaansgeschiedenis van de schuur in relatie tot de boerderij en het erf nader in beeld dient te worden gebracht. De inventarisatie in bijlage 3 vormt hiervoor een eerste aanzet.
Aanvullend is verzocht een verdiepend cultuurhistorisch onderzoek uit te voeren, gericht op het identificeren van herstelbare historische waarden. Eventuele tegenprestaties in de vorm van herstelmaatregelen dienen in verhouding te staan tot de toekomstige functie van de Vlaamse schuur.
In dat kader is een onderzoek naar cultuurhistorische waarden uitgevoerd, bijgevoegd als bijlage 4. Het onderzoek toont aan dat het voormalige boerderijcomplex conceptueel in de tijd weinig is gewijzigd sinds het tweede kwart van de negentiende eeuw. Constanten zijn de vrijwel zeker in de kern zestiende-eeuwse boerderij, de eveneens zestiende-eeuwse Vlaamse schuur en het grondgebruik, met nog steeds herkenbaar: hof, weide, akker en in iets mindere mate het boerenerf. Vreemde eend binnen het complex vormt het parkeerterrein dat een barrière vormt tussen de schuur en weide en akkers waarop boerderij en schuur oorspronkelijk waren gericht. Waar normaliter advies zou luiden om die relatie op grond van cultuurhistorische facetten te herstellen, wordt dat in dit geval niet gedaan. Dat komt omdat het terrein om boerderij en schuur is ingericht naar een sterk tuinontwerp waarin verschillende cultuurhistorische aspecten verweven zijn. Veranderingen binnen dat concept kunnen een averechts effect hebben.
In zekere zin speelt dat ook bij de Vlaamse schuur zelf. Cultuurhistorisch valt er het nodige af te dingen op de in baksteen opgetrokken gevels, de vele vensteropeningen in drie van de vier gevels, het kleurgebruik van die gevelelementen en de scheidingsmuur dwars door de schuur. Het heeft geresulteerd in een vruchtbare herbestemming, waarin van waarde is dat het interieur qua indeling, vormgeving en materialisering eenvoud heeft behouden en in verscheidenheid (zo min mogelijk normaliseren) een essentie van het leven op het platteland heeft behouden.
Het is raadzaam om terughoudend te zijn met wijzigingen, ook wijzigingen die bedoeld zijn om cultuurhistorische aspecten van het complex te versterken. Het is voor het voortbestaan van de schuur van belang dat het gebouw een gebruiksfunctie blijft hebben. Makkelijke winst is te behalen door amovering van de aanbouw tegen de schuur (er vanuit gaande dat de functie van dit aanbouwsel op een betere manier kan worden ingevuld). Daarnaast kan met het zwart schilderen van (een deel van) de ramen in de gevels minder nadruk komen te liggen op die voor het historische gebruik van het gebouw atypische elementen.
Op basis hiervan kan worden gesteld dat behoud en versterking van de cultuurhistorische kenmerken goed mogelijk zijn binnen de voorgenomen ontwikkeling. Daarmee is de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot artikel 5.14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant en het aspect cultuurhistorie aangetoond.
Afstemming provincie Noord-Brabant en strategie vervolgtraject
In de fase na de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft nadere afstemming plaatsgevonden met de provincie Noord-Brabant over de te treffen cultuurhistorische maatregelen. De provincie heeft daarbij aangegeven dat op grond van artikel 5.14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant (maatwerk met als doel omgevingskwaliteit) maatregelen aan de Vlaamse schuur noodzakelijk zijn om de oorspronkelijke cultuurhistorische waarden zo veel mogelijk te herstellen en beleefbaar te maken. Uitgangspunt hierbij is het treffen van doelmatige maatregelen met een relatief beperkte financiële inspanning en een zo groot mogelijk effect op de cultuurhistorische kwaliteit.
In dat kader zijn de volgende concrete maatregelen overeengekomen:
Figuur 5.6 Te verwijderen bijgebouw welke in de oorspronkelijke situatie niet aanwezig was
Daarnaast is afgesproken het oorspronkelijke lijn- en route-element, waarlangs karren de schuur inreden, opnieuw herkenbaar te maken (zie figuur 5.7). Dit historische gebruiksspoor vormt een belangrijk onderdeel van de belevingswaarde van het ensemble. Herstel of accentuering hiervan kan met relatief beperkte ingrepen worden gerealiseerd. Om deze historische relatie te versterken, kan een deel van de heggen ter plaatse van de parkeerplaats worden verwijderd of verlaagd, zodat vanuit de schuur opnieuw zicht ontstaat op het achterliggende landschap. Deze zichtlijn correspondeert met de oorspronkelijke aanrijroute van karren. Aanvullend kan de route van de hooiwagen, vanaf het land naar de Vlaamse schuur, zichtbaar worden gemaakt door middel van subtiele markeringen in het terrein, bijvoorbeeld met ijzeren strips. Als aanvullende maatregel wordt overwogen een informatiepaneel te plaatsen waarin de cultuurhistorische waarde en ontwikkeling van het complex worden toegelicht, ter versterking van de beleefbaarheid. De hiervoor beschreven maatregelen leveren een aantoonbare bijdrage aan het herstel en de versterking van de cultuurhistorische waarden van het complex, in lijn met het provinciale beleid.
Figuur 5.7 Oorspronkelijk lijnelement en de route waarlangs karren de schuur binnenreden globaal weergegeven met rode lijn
Borging en uitvoerbaarheid
Om de uitvoering en instandhouding van de maatregelen te waarborgen, zijn deze juridisch-planologisch verankerd door middel van een voorwaardelijke verplichting in artikel 5.3.5 van de planregels van het TAM-omgevingsplan. Daarnaast worden de afspraken vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente. Hiermee is verzekerd dat de maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd en duurzaam in stand worden gehouden. Op deze wijze is de uitvoerbaarheid van het plan, mede in het licht van artikel 5.14 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, voldoende geborgd.
Met inachtname van genoemde voorwaarden is het ten aanzien van cultureel erfgoed verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.
Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. Met het oog op die doelen moet het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst.
Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren.
Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als:
Energieneutraal (BENG)
Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. De vastgestelde niveaus voor woningen gelden als volgt:
Aardgasvrij (Wet VET)
In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen.
Milieuprestatie Gebouwen (MPG)
Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw.
De locatie wordt momenteel hoofdzakelijk in de zomer gebruikt waardoor, in aanvulling op de aanwezige open haard, geen verwarming noodzakelijk is. Ook beschikt het pand over een sluis waarmee warme lucht de ruimte ingeblazen kan worden. De exploitant is voornemens in de toekomst een gecertificeerde nu-air installatie te plaatsen om de ruimte ook in de winterperiode op de juiste temperatuur te kunnen gebruiken. Het gaat hier om een spiraal die elektrisch verwarmd wordt en een fan die de vrijkomende warmte naar beneden blaast. Het rieten dak isoleert goed als de ruimte eenmaal verwarmd is.
De ontwikkeling bevordert duurzaamheid en is gericht op klimaatadaptatie.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
Financiële uitvoerbaarheid
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.
De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
Kostenverhaal
Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de beoogde ontwikkeling verzekerd is. Het opnemen van regels kostenverhaal in het omgevingsplan is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan geborgd.
Het concept-ontwerp TAM-omgevingsplan is toegezonden aan de diverse vooroverleginstanties. Met de provincie Noord-Brabant heeft vervolgens afstemming plaatsgevonden over onder meer de planologische regeling en toepassing van artikel 5.14 'Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit' van de omgevingsverordening zoals beschreven in de paragrafen 4.2.2 en 5.16 van voorliggend TAM-omgevingsplan.
Vanuit andere vooroverlegreacties zijn geen reacties binnengekomen.
Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft met ingang van vrijdag 19 december 2025 tot en met donderdag 29 januari 2026 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
In raadsvergadering d.d. 2 juli 2026 is het TAM-omgevingsplan vastgesteld. Het bijbehorend Raadsbesluit is als bijlage bij voorliggend plan toegevoegd.
Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet.
Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende:
In de voorliggende motivering is de beoogde verbreding van activiteiten getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving. Er wordt uitgegaan van nieuwe activiteiten die duurzaam ingepast worden en aansluiten bij de Omgevingsvisie voor wat betreft de diversiteit van het buitengebied. Vanwege het karakter van een rustieke daglocatie is de impact op de omgeving acceptabel.
Verder is bij het uitwerken van het plan goed nagedacht en overleg gevoerd met omwonenden en stakeholders. De uitgangspunten en randvoorwaarden van de gemeente en de omwondenden hebben als basis gediend voor de uitwerking. Daarbij is het voorliggende project in lijn met het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid en wordt voldaan aan de instructieregels en kaders ten aanzien van de milieu- en omgevingsaspecten.
De beoogde ontwikkeling zal de omliggende functies niet (extra) belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Alles overwegende is de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar. De impact op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in duurzame en levensvatbare functies in het buitengebied van de gemeente Dongen. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.