direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Groenstraat 9a Dongen
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0766.OPTI20260068-VG01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Groenstraat 9a te Dongen en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22f) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Dongen. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP/TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22f van het omgevingsplan van de gemeente Dongen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22f' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22f' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in lid c, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Groenstraat 9a Dongen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0766.OPTI20260068-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

2.1 toepassing omgevingsplan

Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

2.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Dongen.

2.3 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Groenstraat 9a Dongen met identificatienummer NL.IMRO.0766.OPTI20260068-VG01 van de gemeente Dongen.

2.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deze regels, ten aanzien van het gebruik en / of het bebouwen van deze gronden, regels worden gesteld.

2.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.6 aan- en uitbouw

een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw.

2.7 aan-huis-gebonden beroep

een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.8 achtererf

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.

2.9 archeologisch deskundige

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid.

2.10 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

2.11 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

2.12 bebouwing

één of meer gebouwen en / of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.13 bedrijfsoppervlak

oppervlakte bedrijfsbouw exclusief terrassen behorend bij het bedrijfsgebouw.

2.14 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds-, oppervlaktematen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2.15 bevoegd gezag

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2.16 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.17 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

2.18 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.19 bouwperceelsgrens

een grens van een bouwperceel.

2.20 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.21 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.22 bijgebouw

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

2.23 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

2.24 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.25 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie, constructie of afmetingen dan wel gelet op de functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

2.26 horecabedrijf

het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en / of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

2.27 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.

2.28 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals bijvoorbeeld transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

2.29 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

2.30 paardrijactiviteiten

het houden van paarden en / of pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en / of pony's in pension te stallen en te weiden.

2.31 seksinrichting

het bedrijfsmatig- of in een omvang of frequentie die daarmee overeenkomt- gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of een verblijfsmiddel, verrichten van seksuele handelingen.

2.32 Staat van Horeca-activiteiten

de Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt.

2.33 voorgevel van een gebouw

het meest naar de wegzijde gekeerde deel van een gebouw; indien meerdere delen van het gebouw naar de weg zijn gekeerd (hoekkavel) bepalen burgemeester en wethouders welke zijde als voorgevel moet worden beschouwd.

2.34 voorgevelrooilijn

de denkbeeldige lijn in het verlengde van de voorgevel.

2.35 wonen

een permanente verblijfplaats ten behoeve van de huisvesting van een huishouden in een woning.

2.36 woning

een (gedeelte van een) hoofdgebouw met daarbij behorende aan- of uitbouwen, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

2.37 zijerf

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In afwijking van artikel 22.24 van het omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.

3.2 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

3.4 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien een bouwwerk met betrekking tot deze constructiedelen over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten:

  • a. indien zich aan de voorgevelzijde een goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde;
  • b. indien zich - in geval van een lessenaarsdak - aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte.
3.5 inhoud van een bouwwerk

tussen peil, de buitenzijde van de gevels (en / of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.7 straatpeil
  • a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
3.8 vloeroppervlakte

De gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

Artikel 4 Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels in dit TAM-omgevingsplan zijn verboden, met uitzondering van ten tijde van de vaststelling legaal aanwezige bouwwerken en gebruiksactiviteiten.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Horeca

5.1 Functieomschrijving

Ter plaatse van de locatie 'Horeca' zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. horecabedrijf uit ten hoogste categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1 dan wel bedrijven en activiteiten zoals besloten partijen die naar aard en invloed op de omgeving behoren tot die categorie;
  • b. bij deze activiteiten behorende voorzieningen, zoals terrassen, groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
5.2 Beoordelingsregels voor het bouwen - toegestaan

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. op deze gronden mogen bedrijfsgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte / inhoud  
bedrijfsgebouwen   bestaande maatvoering   bestaande maatvoering   bestaande maatvoering  
bijgebouwen   bestaande maatvoering   bestaande maatvoering   40 m2  
erfafscheidingen voor de voorgevel     1 m    
erfafscheidingen elders     2 m    
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     3 m   30 m2  
bouwlagen onder peil       maximaal 1 bouwlaag uitsluitend onder het bedrijfsgebouw  
  • c. ingeval van herbouw of nieuwbouw wordt het bedrijfsgebouw in de bestaande voorgevelrooilijn gebouwd;
  • d. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt ten minste 3 m.
5.3 Beoordelingsregels voor het gebruik - toegestaan

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

5.3.1 Algemeen
  • a. Binnen het plangebied zijn gelijktijdig in totaal maximaal 70 gasten toegestaan;
  • b. Opslag van goederen op gronden gelegen tussen bedrijfsgebouwen en de meest nabij gelegen activiteit 'Verkeer' is niet toegestaan;
  • c. Opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4 meter is op onbebouwde gronden niet toegestaan;
  • d. Het gebruiken van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan;
  • e. Het gebruiken van een gebouw als seksinrichting is niet toegestaan;
  • f. Het gebruiken van het plangebied anders dan voor besloten partijen, zoals openstelling voor passanten, is niet toegestaan.

5.3.2 Functionele samenhang

De horeca-activiteiten zijn uitsluitend toegestaan indien deze aantoonbaar functioneel samenhangt met de woonfunctie als bedoeld in artikel 7. Onder functionele samenhang wordt verstaan dat:

  • a. de exploitant van de horeca tevens eigenaar en/of hoofdbewoner van de woning is; of
  • b. de eigenaar van de woning schriftelijk heeft ingestemd met de aanwezigheid van de horeca-activiteiten.

5.3.3 Openingstijden en geluid
  • a. De horeca-activiteiten dienen uiterlijk om 21:00 uur beëindigd te zijn. Alle gasten dienen dan de bedrijfslocatie verlaten te hebben. Na 21:00 uur mogen alleen nog onmiddellijk noodzakelijke bedrijfsactiviteiten zoals opruimen plaatsvinden.
  • b. Het inzetten van levende muziek en versterkt geluid (anders dan achtergrondmuziek) is niet toegestaan.

5.3.4 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig te zijn en in stand te worden gehouden.
  • b. Er wordt in voldoende mate in parkeerruimte voorzien wanneer voldaan wordt aan de parkeernorm van 28 parkeerplaatsen op basis van een maximaal aantal toegestane gasten van 70.

5.3.5 Verplichting cultuurhistorie
  • a. Het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen de locatie 'Horeca' is uitsluitend toegestaan indien alle onderstaande maatregelen zijn uitgevoerd binnen 2 jaar na vaststelling van het TAM-omgevingsplan.
    • 1. het zwart schilderen van alle van buitenaf zichtbare kozijnen en deuren van de Vlaamse schuur;
    • 2. het verwijderen van het bestaande bijgebouw direct grenzend aan de Vlaamsche schuur welke in oorspronkelijke situatie niet binnen het complex aanwezig was;
    • 3. het aanpassen van de bestaande gemetselde schoorsteen van de Vlaamsche schuur naar een visueel ondergeschikte uitvoering;
    • 4. het visueel zichtbaar maken van de historische aanrijroute van de schuur.
  • b. De onder a genoemde maatregelen worden duurzaam in stand gehouden.

Artikel 6 Tuin

6.1 Functieomschrijving

Ter plaatse van de locatie 'Tuin' is het gebruik van gronden als tuin bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen toegestaan.

6.2 Beoordelingsregels voor bouwen - toegestaan

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel bedraagt ten hoogste 1 m;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
6.3 Beoordelingsregels voor gebruik - toegestaan

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

6.3.1 Horeca

Ter plaatse van 'specifieke vorm van horeca - 1' is ondergeschikt en incidenteel gebruik ten behoeve van de activiteit Horeca toegestaan.

Artikel 7 Wonen-1

7.1 Functieomschrijving

Ter plaatse van de locatie 'Wonen-1' zijn de volgende activiteiten toegestaan:

  • a. het wonen met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  • b. de uitoefening van nevenfuncties, ondergeschikt aan het wonen;
  • c. bij deze activiteit behorende voorzieningen, zoals groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water.
7.2 Beoordelingsregels voor bouwen - toegestaan

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. op deze gronden mogen hoofdgebouwen (woningen) met bijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. ten hoogste één woning is toegestaan;
  • c. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen ten hoogste:

bouwwerk   goothoogte   bouwhoogte   oppervlakte   inhoud  
hoofdgebouw (inclusief aan- en uitbouwen)   6 m   10 m     600 m³  
bijgebouwen en overkappingen / per woning   3,5 m   7 m   ten hoogste 40% van het zij- en achtererf met een maximum van 40 m²
 
 
erfafscheidingen voor de voorgevel     1 m      
erfafscheidingen elders     2 m      
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     3 m   30 m²    
bouwlagen onder peil         maximaal 1 bouwlaag uitsluitend onder het hoofdgebouw  
  • d. ingeval van herbouw of nieuwbouw wordt het hoofdgebouw in de bestaande voorgevelrooilijn gebouwd;
  • e. de voorgevel van een aan- of uitbouw en van een bijgebouw wordt ten minste 3 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd;
  • f. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt ten minste 3 m;
  • g. de goothoogte van woningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien:
    • 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt;
    • 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de woning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt;
    • 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de woning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt.
7.3 Beoordelingsregels voor bouwen - vergunningplicht
7.3.1 Oppervlakte bijgebouwen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.2 onder c. voor de maximale oppervlakte bijgebouwen. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bijgebouwen worden gebruikt ten behoeve van de opslag van materieel ten behoeve van het onderhoud van het perceel;
  • b. de gezamenlijk oppervlakte van de bijgebouwen mag ten hoogste 50% van het zij- en achtererf bedragen met een maximum van 100 m².

7.3.2 Bouwen tot perceelsgrens

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.2 onder f. voor de bouw van een aan- of uitbouw of bijgebouw op een kleinere afstand tot of in de zijdelingse perceelsgrens. Hiervoor gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. er mag geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
7.4 Beoordelingsregels voor gebruik - toegestaan

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

7.4.1 Aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

De vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 25% van de vloeroppervlakte van de betrokken woning met een maximum van 60 m².

7.4.2 Horeca

Ter plaatse van 'specifieke vorm van horeca - 1' is ondergeschikt en incidenteel gebruik ten behoeve van de activiteit Horeca toegestaan.

7.5 Beoordelingsregels voor gebruik - verbod
  • a. Het gebruik van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan.
  • b. Het gebruiken van een bijgebouw ten behoeve van bewoning is niet toegestaan.
7.6 Beoordelingsregels voor gebruik - vergunningplicht
7.6.1 Mantelzorg

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.5 onder a. voor het bieden van mantelzorg in een woning, aan- of uitbouw of een bijgebouw en gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. er is sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;
  • b. er is sprake van een medische noodzaak, onderschreven door een indicatie-orgaan;
  • c. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als mantelzorgruimte toegestaan;
  • d. er is geen sprake van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

Artikel 8 Waarde - Archeologie - 2

8.1 Functieomschrijving

Ter plaatse van de locatie 'Waarde - Archeologie - 2' zijn de gronden, naast de daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden.

8.2 Beoordelingsregels voor bouwen - toegestaan

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s) mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien:
    • 1. de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige;
  • c. het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
8.3 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden - verbod
8.3.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de locatie 'Waarde - Archeologie - 2' de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 50 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.3.2 Uitzondering

Het verbod van lid 8.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 8.2 in acht is genomen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.000 m²;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
8.4 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden - vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 8.3.1 en gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de werken en werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het archeologisch onderzoek, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Overschrijding bouwgrenzen
10.1.1 Overschrijding bouwgrenzen - toegestaan

De bouwgrenzen, niet zijnde grenzen van functies, mogen worden overschreden voor:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt;
  • b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt;
  • c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.

10.1.2 Overschrijding bouwgrenzen - vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning mogen de bouwgrenzen, niet zijnde grenzen van functies, worden overschreden voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein waarbij de volgende beoordelingsregels gelden:

  • a. de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen;
  • b. het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot;
  • c. er geen onevenredige beperkingen voor de omringende gronden en bouwwerken mogen optreden.

10.1.3 Overschrijding ten behoeve van aan- of uitbouw - vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning mogen de bouwgrenzen ten behoeve van een aan- of uitbouw aan een woning worden overschreden en gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. tot een maximum oppervlakte van 6 m² indien de diepte van de voortuin kleiner of gelijk is aan 2 m;
  • b. tot een maximum oppervlakte van 15 m² indien de diepte van de voortuin groter is dan 2 m;

met dien verstande dat:

  • c. de goothoogte van de aan- of uitbouw maximaal 3 m mag bedragen;
  • d. de afstand van de aan- of uitbouw tot de functie 'Verkeer' ten minste 0,5 m dient te bedragen;
  • e. er geen onevenredige beperkingen voor de omringende gronden mogen optreden.
10.2 Bestaande maten

Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels:

  • a. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
  • b. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden;
  • c. in geval van herbouw is het bepaalde onder a en b slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
10.3 Overschrijding maten - vergunningplicht

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van maten (waaronder percentages) waarbij de volgende beoordelingsregels gelden:

  • a. de afwijking mag ten hoogste 10% bedragen;
  • b. er geen onevenredige beperkingen voor de omringende gronden en bouwwerken mogen optreden.

Artikel 11 Overige activiteiten

11.1 Laden en lossen
  • a. Indien het beoogde gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend verleend indien aan of in dat bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein bij het bouwwerk wordt voorzien in die behoefte en waarbij die laad- en losgelegenheid in stand wordt gehouden. Deze bepaling geldt niet:
    • 1. voor bestaand gebruik, waarbij de herbouw van een bouwwerk zonder functiewijziging wordt beschouwd als bestaand gebruik;
    • 2. voor zover op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien.
  • b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende laad- en losgelegenheid wordt voorzien, indien aangetoond wordt dat de parkeerdruk niet toeneemt en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.
11.2 Parkeren
  • a. Bij bouwplannen en gebruikswijzigingen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein, zoals vastgelegd in het 'Parapluplan Parkeren Dongen' (onherroepelijk op 2 juli 2020) en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan.
  • b. De onder a genoemde parkeergelegenheid moet in stand worden gehouden.
  • c. Met een maatwerk- of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde onder a als wordt voldaan aan het 'Parapluplan Parkeren Dongen' en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan.
  • 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in artikel 12.1 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
12.2 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat omgevingsplan.
  • 4. Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in artikel 12.2 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.