direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b, Stationsstraat 29 - Industrieweg 3-5, Baarle-Nassau
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel wijziging omgevingsplan

Aan de Stationsstraat 29 te Baarle-Nassau is momenteel een Aldi-harddiscount supermarkt (hierna supermarkt) gevestigd. Deze winkel is te klein om duurzaam-economisch te functioneren, en sluit niet meer aan bij de wensen van de consument. Net als bij andere supermarkten wensen ook de klanten van hard discount-supermarkten meer service en comfort in de winkel. Dit heeft tot nieuwe formule-uitgangspunten bij Aldi geleid. In de nieuwe winkels van Aldi is meer ruimte voor het assortiment, zijn de gangpaden breder, heeft de winkel een lichtere uitstraling en is er meer aandacht voor het vers-assortiment. Ook wordt meer aandacht besteed aan duurzaamheidsaspecten. Een toekomstgerichte winkel met een goed en groot winkeloppervlak voor een efficiënte winkelindeling is hiervoor noodzakelijk. Daarnaast zijn een goede magazijnindeling, een goed georganiseerde logistiek, een centrale ligging, een goede bereikbaarheid, een ruime parkeeroplossing en veilige laad- en los mogelijkheden van essentieel belang voor een goed functionerende supermarkt.

Het functioneren van de winkel aan de Stationsstraat staat onder druk gezien deze opgaven. Een duurzame schaalvergroting is daarom voor Aldi wenselijk. De winkel is niet langer toekomstbestendig en uitbreidingsmogelijkheden op deze locatie ontbreken waardoor deze supermarkt voor Baarle-Nassau verloren zal gaan als er geen alternatieve locatie voorhanden is.

Na een uitgebreide en langdurige studie is een alternatieve locatie gevonden. Er is geen geschikte plek beschikbaar in of rond het centrum van Baarle-Nassau. Om de supermarkt voor Baarle-Nassau te behouden, wenst Aldi de supermarkt te verplaatsen naar de locatie Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a aan de rand van het woongebied en het Bedrijventerrein Baarle-Nassau en daar ook een groter winkeloppervlak te realiseren. Op die nieuwe locatie kan aan de behoefte van een volwaardige supermarkt van voldoende omvang worden voldaan, met een goede bereikbaarheid en voldoende parkeerruimte.

De vestiging van de supermarkt op het perceel aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat is in strijd met het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Om de vestiging mogelijk te maken, dient het omgevingsplan te worden gewijzigd. Omdat het voor de gemeente Baarle-Nassau technisch nog niet mogelijk is een wijzigingsbesluit te publiceren, is het wenselijk gebruik te maken van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM). Deze alternatieve maatregel houdt in dat het omgevingsplan wordt gewijzigd, maar dat het besluit technisch gezien volgens het oude digitale format (IMRO) wordt gepubliceerd. In deze motivering wordt daarom gesproken over een TAM-omgevingsplan, waarmee onderhavige omgevingsplanwijziging bedoeld wordt welke mogelijk wordt gemaakt via TAM.

Bij een wijziging van het omgevingsplan dient gemotiveerd te worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locaties. Met voorliggende motivering en bijbehorende bijlagen wordt hierin voorzien. In voorliggend TAM-omgevingsplan wordt enerzijds de nieuwe supermarkt op de locatie Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a mogelijk gemaakt. Anderzijds wordt planologisch geregeld dat op het adres van de huidige supermarkt aan de Stationsstraat 29 geen nieuwe supermarkt meer kan worden gevestigd.

1.2 Ligging oude en nieuwe locatie

In figuur 1.1 is de ligging van de huidige en van de nieuwe locatie aangeduid. De locaties liggen op twee verschillende plekken in Baarle-Nassau. Blauw is de huidige locatie waar de Aldi van vertrekt (locatie Stationsstraat 29). Deze is gesitueerd aan de rand van het centrumgebied van Baarle-Nassau. Rood is de nieuwe locatie, waar de Aldi naar toe verhuist (locatie Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a).

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: Globale ligging oude (blauwe cirkel) en nieuwe (rode cirkel) supermarkt  (PDOK viewer, 2024)

De gemeente Baarle-Nassau heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan de verplaatsing onder voorwaarde dat ter plaatse van de huidige locatie aan de Stationsstraat 29 geen nieuwe supermarkt kan worden gevestigd. De Aldi is inmiddels eigenaar van het pand aan de Stationsstraat 29. Zij zullen er, door middel van contracten met toekomstige huurders, zorg voor dragen dat zich hier geen nieuwe supermarkt zal vestigen. In dit TAM-omgevingsplan is ook planologisch-juridisch geregeld dat ter plaatse geen supermarkt is toegestaan. De overige toegestane functies op basis van de geldende centrumbestemming blijven hier wel mogelijk.

1.3 Omgevingsplan en strijdigheden

Uit artikel 22.1 van de Omgevingswet volgt dat op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet alle op 1 januari 2024 geldende beheersverordeningen en bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege één omgevingsplan zijn geworden. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan beheersverordeningen en bestemmingsplannen niet meer.

Het omgevingsplan is in te zien via Regels op de kaart in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl). Hier vind je de van rechtswege in het omgevingsplan opgegane bestemmingsplannen en de vanuit de wet gekregen 'bruidsschat'. Dat zijn de bouw- en milieuregels die voorheen landelijk golden, maar die het Rijk voortaan over laat aan de gemeente.

1.3.1 Geldende bestemmingsplannen huidige locatie

Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan gelden momenteel de bestemmingsplannen 'Dorpen', 'Dorpen, 1e herziening' en 'Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023'. Deze bestemmingsplannen zijn respectievelijk vastgesteld d.d. 11 april 2012 en 24 februari 2016.

Op basis van het bestemmingsplan 'Dorpen' kent het plangebied aan de Stationsstraat 29 de bestemming 'Centrum'. Daarnaast geldt ter plaatse de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De bestaande Aldi-supermarkt is specifiek mogelijk gemaakt door de functieaanduiding 'supermarkt'. Een bedrijfsvloeroppervlak van maximaal 800 m2 is toegestaan, tenzij ten tijde van ter visie legging van dit bestemmingplan reeds een grotere oppervlakte aanwezig was.

Op basis van het bestemmingsplan 'Dorpen, 1e herziening' geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone - herziening planregels'.

Op basis van het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023' gelden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en gebiedsaanduiding 'overige zone - externe veiligheid' voor de volledige locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0002.png"

Figuur 1.2: Uitsnede geldend bestemmingplan 'Dorpen' ter plaatse van Stationsstraat 29 (Regels op de kaart, 2025)

1.3.2 Geldende bestemmingsplan beoogde locatie

Ook voor de nieuwe locatie aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a gelden de bestemmingsplannen 'Dorpen' en 'Dorpen, 1e herziening'. Op basis van deze bestemmingsplannen kent het plangebied de bestemming 'Bedrijventerrein'. Ter plaatse geldt ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

De bestaande bedrijven worden in het bestemmingsplan 'Dorpen' specifiek mogelijk gemaakt door middel van de functieaanduidingen:

  • 'bedrijf tot en met categorie 2' (gehele plangebied);
  • 'specifieke vorm van detailhandel - meubelinrichting 1' (ter plaatse van de kringloopwinkel). Ter plaatse is detailhandel in woon- en meubelinrichting toegestaan.
  • specifieke vorm van detailhandel - meubelinrichting 2 (ter plaatse van Industrieweg 5 en Oordeelsestraat 7a (respectievelijk bedrijf LION en bedrijfswoning). Ter plaatse geldt een afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van een perifere detailhandel in woon- en meubelinrichting.

Ter plaatse van de Oordeelsestraat 7a geldt tot slot de functieaanduiding 'bedrijfswoning'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0003.png"

Figuur 1.3: uitsnede geldend bestemmingsplan 'Dorpen' ter plaatse van het plangebied aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a (plangebied rood omlijnd), (Regels op de kaart, 2025)

Met het bestemmingsplan 'Dorpen, 1e herziening' is een gedeelte van het plangebied herzien. Ter plaatse van de Industrieweg 5 is een correctie doorgevoerd waarmee het hier tot 2023 gevestigde bedrijf (LION) onder de juiste categorie 3 is bestemd. Concreet komt het neer op het toevoegen van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - metaalbewerkingsbedrijf'. De afwijkingsbevoegdheid die ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' geldt, blijft onverminderd van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0004.png"

Figuur 1.4: uitsnede geldend bestemmingsplan 'Dorpen, 1e herziening' ter plaatse van het plangebied aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a (plangebied rood omlijnd), (Regels op de kaart, 2025)

Dat bedrijf is in 2016 gelegaliseerd, maar inmiddels verhuisd naar een geschikt bedrijventerrein in Tilburg met voldoende milieuruimte. De vestigingslocatie is bedoeld voor dergelijke bedrijven. De vertreklocatie staat sinds 2023 leeg en het is ook niet gewenst om hier opnieuw een bedrijf in milieucategorie 3 te vestigen, gelet op de korte afstand tot woningen. Het wegbestemmen van deze specifieke functie verminderdert de effectieve ruimte voor bedrijven in milieucategorie 3 niet, gelet op de maatbestemming.

De gronden binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn naast de specifiek aangeduide bedrijven bestemd voor perifere detailhandel, productiegebonden detailhandel en daarbijbehorende functies zoals tuinen en erven, parkeervoorzieningen, in- en uitritten, et cetera.

De maximale bouwhoogte bedraagt binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' 10 m. Het bouwvlak mag voor 80% bebouwd worden.

Op basis van het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023' gelden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', gebiedsaanduiding 'overige zone - externe veiligheid' en gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - bevi'.

Conclusie

Gelet op de lage algemeen toelaatbare milieucategorie (maximaal milieucategorie 2) en bredere bestemming is dit gebied feitelijk een overgangsgebied tussen de woonkern en het zuidoostelijk gelegen bedrijventerrein voor bedrijven in hogere milieucategorieën die niet mengbaar zijn met de woonfunctie. Een supermarkt ter plaatse is op basis van het geldende bestemmingsplan echter niet toegestaan.

Hoofdstuk 2 Wijziging van de fysieke leefomgeving

2.1 Bestaande situatie

De huidige en de toekomstige locaties van de Aldi liggen op twee verschillende plekken in Baarle-Nassau. Hierna wordt de huidige situatie voor beide locaties toegelicht.

2.1.1 Bestaande locatie (Stationsstraat 29)

In de plint van het gebouw aan de Stationsstraat 29 te Baarle-Nassau aan de westzijde van het centrum, is de huidige Aldi-supermarkt gevestigd. In het gebouw zijn op de verdiepingen appartementen aanwezig. Rondom zijn diverse centrumfuncties gesitueerd. Aan de zuid- en noordzijde zijn nog andere winkels en dienstverlenende bedrijven gesitueerd. Aan de oost- en westzijde is een grote parkeervoorziening aanwezig. De Stationsstraat aan de westzijde van de huidige locatie ligt op de grens van het centrumgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0005.png"

Figuur 2.1: Locatie bestaande Aldi in huidige situatie (PDOK viewer, 2025)

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0006.png"

Figuur 2.2: Ingang Aldi huidige locatie (Google Maps, 2025)

De winkel ligt dus in een winkelstrip, met boven de winkels appartementen. Vanwege deze stedenbouwkundige opzet is het niet mogelijk om aanpassingen aan te brengen. De locatie is te klein voor uitbreidingen van de winkel. Bovendien zou een uitbreiding aan de achterzijde bijvoorbeeld ten koste gaan van benodigde parkeergelegenheid.

In het centrum zijn nog twee supermarkten aanwezig: Nabij de huidige Aldi is De Albert Heijn aan de Kerkstraat 8 gelegen. De Jumbo is op grotere afstand van de huidige Aldi-locatie gelegen aan het Sint Annaplein 15.

De belangrijkste knelpunten van de bestaande locatie zijn de volgende:

  • De huidige winkel is, met een oppervlakte van 575 m² winkelvloeroppervlak (hierna: wvo), te klein om duurzaam-economisch te kunnen functioneren, en sluit niet meer aan bij de wensen van de moderne hard discountconsument. Net als bij andere supermarkten wensen ook de klanten van hard discount-supermarkten meer service en comfort in de winkel. Dit heeft tot nieuwe formule-uitgangspunten bij Aldi geleid. In de nieuwe winkels van Aldi is meer ruimte voor het assortiment, zijn de gangpaden breder, heeft de winkel een lichtere uitstraling en is er meer aandacht voor het versassortiment. Ook wordt meer aandacht besteed aan duurzaamheidsaspecten. Een toekomstgerichte winkel met een goed en groot winkeloppervlak voor een efficiënte winkelindeling is hiervoor noodzakelijk. Daarnaast zijn een goede magazijnindeling, een goed georganiseerde logistiek, een centrale ligging, een goede bereikbaarheid, een ruime parkeeroplossing en veilige laad- en los mogelijkheden van essentieel belang voor een goed functionerende supermarkt.
  • Een moderne harddiscountsupermarkt heeft een gemiddelde omvang van 1.200 m² wvo (circa 1.500 m² bvo). Daarnaast is voldoende ruimte nodig voor parkeren en de bevoorrading op eigen terrein. In totaal is minimaal 3.500 m² benodigd om een moderne winkel met voldoende parkeren te realiseren.
  • Op basis van de eigendomssituatie, bovenliggende woningen en bouwkundige eigenschappen, ontbreekt het aan mogelijkheden om binnen het bestaande vastgoed een moderne harddiscounter te realiseren.
  • Uitbreiding van het vastgoed gaat ten koste van het aantal parkeerplaatsen aan de achterzijde. Dit is niet passend binnen de visie van Aldi op het bieden van passende parkeergelegenheid. Het parkeerterrein aan de achterzijde biedt de belangrijkste parkeergelegenheid voor de huidige discount-supermarkt. Afname van het aantal parkeerplaatsen zorgt bovendien ook voor knelpunten in de parkeergelegenheid voor andere functies gelegen aan - en in de nabijheid van - dit parkeerterrein. Aan de voorzijde van de winkel is een groot parkeerterrein voor centrumbezoekers, maar daarvoor moet de Stationsstraat overgestoken worden. Dit creëert onveilige situaties, is niet gebruiksvriendelijk voor het gebruik van winkelwagens en kan voor overlast zorgen. Het parkeerterrein aan de achterzijde verkleinen verminderd het aantal parkeerplaatsen direct naast de supermarkt en creëert knelpunten in de parkeergelegenheid voor de functies gelegen aan- en in de nabijheid van dit parkeerterrein. Voor een nadere toelichting hierop, zie ook bijgevoegde verkeersnotitie (bijlage 1) waarin de knelpunten in de huidige situatie zijn beschreven en de toelichting in paragraaf 3.5.3.6.
  • Het laden en lossen vindt in de huidige situatie plaats op het trottoir voor de winkel. Dit is een onveilige en ongewenste situatie.

Bovenstaande knelpunten zorgen ervoor dat deze supermarkt voor Aldi niet toekomstbestendig is en niet voldoende is gericht op de wensen van het winkelend publiek. Een moderne supermarkt heeft een gemiddelde omvang van 1.200 m² wvo (circa 1.500 m² bvo). Daarnaast is voldoende ruimte nodig voor parkeren en de bevoorrading op eigen terrein. In totaal is minimaal 3.500 m² benodigd om een moderne winkel met voldoende parkeren te realiseren.

Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke knelpunten (omvang winkel, bevoorrading en parkeren) niet opgelost kunnen worden op de huidige locatie. Een vergroting van de winkel leidt tot een grotere parkeerbehoefte, terwijl er nu al sprake is een hoge parkeerdruk op het voornaamste parkeerterrein van de supermarkt, aan de achterzijde van de winkel. De Stationsstraat 29 is geen duurzame vestigingslocatie voor een supermarkt.

2.1.2 Huidige situatie nieuwe locatie (Industieweg 3-5, Oordeelsestraat 7a)

De nieuwe locatie ligt aan de rand van het bedrijventerrein Baarle-Nassau aan de oostzijde van de kern.

De percelen aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a zijn groot genoeg voor een supermarkt met voldoende parkeerplaatsen. De locatie ligt aan de rotonde en is onderdeel van een belangrijke aanrijroute richting het centrumgebied (Alphenseweg).

De grens van het plangebied bestaat hier aan de noordzijde uit de grens tussen Nederland en België. De beoogde locatie is circa 5.874 m² groot. Ter plaatse is aan de Industrieweg 3 en 5 momenteel een kringloopwinkel gevestigd. Tot 2023 was er tevens bedrijf LION gevestigd. Momenteel staat dit pand leeg. Aan de Oordeelsestraat 7a is een bedrijfswoning aanwezig.

De directe omgeving is een zeer gemengd gebied met verschillende functies. In dit overgangsgebied tussen de woonkern en de rest van het bedrijventerrein zijn bedrijfsfuncties tot maximaal milieucategorie 2 mogelijk. Op de locatie zelf is grootschalige detailhandel mogelijk. De ruimte voor bedrijfsfuncties die niet mengbaar zijn met de woonfunctie ligt ten zuidoosten van de locatie op het bedrijventerrein Baarle-Nassau. Hier zijn bedrijven in de maximale milieucategorie 3.2 gesitueerd. Direct ten westen van de locatie begint de woonbebouwing van de Kern Baarle-Nassau. Hier is dan ook voornamelijk de woonfunctie aanwezig met meer in het zuidwesten van de kern de centrumfuncties. Aan de overzijde van de weg, ten zuidwesten van het plangebied is nog een autobedrijf gesitueerd. Dit betreft feitelijk ook gemengd gebied met woon- en werkfuncties.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0007.png"

Figuur 2.3: Locatie toekomstige Aldi in huidige situatie (PDOK viewer, 2024)

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0008.png"

Figuur 2.4: Kringloopwinkel Industrieweg 3, Baarle-Nassau (Google Maps, 2024)

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0009.png"

Figuur 2.5: Voormalig bedrijf LION Industrieweg 5, Baarle-Nassau (Google Maps, 2024)

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0010.png"

Figuur 2.6: Bedrijfswoning aan Oordeelsestraat 7a (Google Maps, 2024)

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Bestaande locatie (Stationsstraat 29)

Op de bestaande locatie vertrekt de Aldi vanwege de eerder genoemde noodzaak van de winkel om aan de eisen van de moderne consument te kunnen voldoen. Dit biedt nieuwe mogelijkheden voor de winkelruimte die vrij komt. De locatie aan de Stationsstraat 29 komt dus vrij voor de invulling van een andere functie. Om een goed evenwicht te houden in het supermarktaanbod in Baarle-Nassau wordt door middel van dit TAM-omgevingsplan uitgesloten dat zich hier een andere/nieuwe supermarkt kan vestigen. Ter plaatse van het plangebied aan de Stationsstraat 29 wordt de aanduiding 'supermarkt' verwijderd en wordt de aanduiding 'supermarkt uitgesloten' toegevoegd. De volgende functies blijven daarmee toegestaan:

  • andere detailhandelsfuncties dan een supermarkt;
  • dienstverlening;
  • kantoren;
  • horeca categorie 1 en 2;
  • bedrijven tot en met categorie 2;
  • maatschappelijke en religieuze voorzieningen.

Om te voorkomen dat, op basis van overgangsrecht, op zowel de vertreklocatie las de vestigingslocatie een supermarkt kan worden geëxploiteerd, is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in artikel 5.2.2. De voorwaardelijke verplichting ziet erop toe dat de nieuwe winkel pas mag worden geëxploiteerd nadat de exploitatie van de supermarkt op de vertreklocatie definitief is beëindigd.

Om de effecten op de winkelstructuur in Baarle-Nassau en de kansen voor herinvulling van deze locatie specifiek inzichtelijk te maken, heeft Rho Adviseurs een ruimtelijk economisch onderzoek (hierna: REO) uitgevoerd. Dit REO is terug te vinden in Bijlage 2. De conclusie uit het REO is opgenomen in paragraaf 2.2.2. Een alternatieve herinvulling van de locatie Stationsstraat 29 is kansrijk te noemen. De bebouwing biedt mogelijkheden voor één à twee grotere commerciële ruimten, maar kan ook worden opgeknipt in meerdere ruimten en gebruiksfuncties. Als gevolg van de verplaatsing van Aldi is het mogelijk dat er (tijdelijke) frictieleegstand ontstaat, maar er is geen sprake van een onaanvaardbaar leegstandseffect als rekening wordt gehouden met het woon-, leef- en ondernemersklimaat in Baarle-Nassau.

2.2.2 Ruimtelijk economisch onderzoek

Behoefte en locatieafweging

Aldi heeft een uitbreidingsnoodzaak in Baarle-Nassau. De huidige winkel is veel te klein naar moderne maatstaven. Aldi is dan ook al geruime tijd in gesprek met de gemeente Baarle-Nassau over een alternatieve vestigingslocatie. In voorbereiding op de hervestiging van Aldi in Baarle-Nassau is een uitgebreid locatieonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij het Ruimtelijk Economisch Onderzoek dat als bijlage 2 bij deze motivering is opgenomen.

Daarbij zijn de volgende afwegingscriteria betrokken:

  • Ruimtelijk: omvang perceel, bereikbaarheid, verkeersveiligheid en ontsluiting, planologische mogelijkheden en ligging ten opzichte van centrumgebied;
  • Financieel: verwerving en exploitatie;
  • Beschikbaarheid: aankoop en fasering;
  • Draagvlak: politiek en andere stakeholders.

Op basis van de locatieafweging en de complexe structuur van Baarle-Nassau is geconstateerd dat binnen of aangrenzend aan het centrumgebied geen geschikte plek beschikbaar is en is de voorkeur uitgesproken voor locatie 12: Industrieweg 3-5.

De plannen zijn uitgewerkt waarbij de mogelijkheid is ontstaan om het perceel aan de Oordeelsestraat 7a bij de planvorming te betrekken. De ontwikkeling van de te verplaatsen supermarkt van Aldi vindt daarmee plaats op de locatie Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7.

Ondanks dat de nieuwe locatie niet is gelegen binnen de hoofdwinkelstructuur is met de ontwikkeling sprake van een ruimtelijk-economisch aanvaardbare locatie. De locatie in de overgangszone tussen het woongebied en het bedrijventerrein van Baarle-Nassau is ruimtelijk een geschikt alternatief en is deels al in gebruik voor perifere detailhandel.

Op dit deel van het bedrijventerrein is vestiging van een Aldi-supermarkt passend binnen de omgevingsvisie, omdat de locatie op een overgang van woongebied naar bedrijventerrein is gelegen, geen afbreuk wordt gedaan aan de functie van het bedrijventerrein in Baarle-Nassau en de functie niet elders binnen de bebouwde kom kan worden gehuisvest. Zie ook de toetsing aan de Omgevingsvisie van de gemeente Baarle-Nassau in paragraaf 3.5.1 van deze motivering. Met de verplaatsing blijft de supermarkt behouden en wordt het winkelaanbod per saldo versterkt.

Uit de analyse blijkt dat er een kwalitatieve behoefte is aan uitbreiding. Aldi is door haar specifieke positionering in supermarktland een aanvulling op het dagelijks winkelaanbod. Bij hard discount-supermarkten doen consumenten vooral aanvullende discountaankopen bovenop de boodschappen die bij de reguliere supermarkten en speciaalzaken worden gekocht. De hard discount-supermarkt Aldi is geen cruciale centrumfunctie. Het aandeel combinatiebezoek is significant lager dan bij andere supermarktformules. Daarnaast zal de consument ook na de verplaatsing van Aldi het overige dagelijkse winkelaanbod (supermarkten en speciaalzaken) blijven bezoeken, omdat Aldi een relatief klein assortiment heeft. De consument heeft behoefte aan een zo compleet mogelijk dagelijks winkelaanbod op aanvaardbare afstand. De locatie aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a is (ten opzichte van andere onderzochte locaties) wel groot genoeg voor een supermarkt met voldoende parkeervoorzieningen. De locatie ligt aan de rotonde en is onderdeel van een belangrijke aanrijroute richting het nabijgelegen centrumgebied (Alphenseweg).

Op basis van de kwantitatieve analyse wordt geconcludeerd dat de uitbreiding van Aldi geen onevenredige effecten heeft op de dagelijkse winkelstructuur in het primair en secundair verzorgingsgebied.

Benadrukt wordt dat het door deze verplaatsing mogelijk is om de hard discount-supermarkt voor Baarle-Nassau te behouden.

Op basis van actueel distributieplanologisch onderzoek worden geen onaanvaardbare effecten verwacht op de dagelijkse winkelstructuur in Baarle-Nassau als gevolg van de verplaatsing en uitbreiding van Aldi. De mogelijkheden voor een supermarkt worden op de vertreklocatie geschrapt om daarmee overaanbod aan supermarktmeters te voorkomen.

Conclusie REO

Geconcludeerd wordt dat er behoefte is aan de beoogde uitbreiding en verplaatsing van Aldi naar de Industrieweg. Met de herontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2.3 Regionale effecten verplaatsing Aldi

Om inzicht te krijgen in de effecten van de uitbreiding van Aldi is een actueel distributieplanologisch marktonderzoek (dpo) uitgevoerd in bijgevoegd REO (bijlage 2). Dit is een marktruimteberekening waarbij vraag en aanbod met elkaar worden geconfronteerd in een bepaald marktgebied. Op basis van de distributieplanologische marktanalyse wordt geconcludeerd dat de dagelijkse goederensector van Baarle-Nassau momenteel beneden gemiddeld presteert; de vloerproductiviteit in Baarle-Nassau is 14% lager dan het landelijk gemiddelde. De verwachting is dat als gevolg van de uitbreiding van het supermarktaanbod (Aldi) ook de regionale verzorgingsfunctie van Baarle-Nassau wordt versterkt. Consumenten zijn eerder geneigd boodschappen in Baarle-Nassau te doen, waardoor de koopkrachttoevloeiing toeneemt en meer ontwikkelingsruimte ontstaat. In de berekening is rekening gehouden met een groei van de koopkrachttoevloeiing naar circa € 23 miljoen.

Ten opzichte van de huidige situatie levert dit een groei op van de totale omzet in het marktgebied. Samen met een hogere vloerproductiviteit betekent dit dat het functioneren van de markt groeit van -14% naar -10% ten opzichte van het gemiddelde.

In het REO is inzichtelijk gemaakt dat de effecten van uitbreiding en verplaatsing van Aldi niet leiden tot het omvallen van dagelijks winkelaanbod in Alphen en Chaam. Er blijft voldoende draagvlak voor een gezond economisch functioneren. Het plan heeft vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen leegstand tot gevolg en leidt niet tot een onaanvaardbare situatie:

  • Alphen ligt op circa 4 kilometer afstand van Baarle-Nassau. De locatie van Aldi zal meer in de richting van Alphen verplaatsen. In Alphen is een Plus-supermarkt aanwezig. Dit is een full-servicesupermarkt die als primaire aankoopplaats functioneert voor de inwoners van Alphen. Dit zal ook de primaire aankoopplaats blijven, gelet op de afstand tot de supermarkten. Als gevolg van de verplaatsing en uitbreiding van Aldi, en uiteindelijk uitbreiding van Albert Heijn, zal de toevloeiing van buiten Baarle-Nassau wel wat toenemen, waaronder vanuit Alphen. Onze inschatting is dat driekwart van de extra afvloeiing komt door een verschuiving van bestedingen. Bezoekers die eerst vanuit Alphen naar Lidl in Chaam gaan en straks van Alphen naar Aldi in Baarle-Nassau. Dit is al omzet die niet in Alphen terecht kwam en dus ook niet extra effecten heeft op de totale omzet in Alphen. Het resterende omzeteffect in Alphen bedraagt € 174.000,- (2%, tabel 3.4 van het REO). Dit effect is gering. Significante effecten op de detailhandelsstructuur zijn niet te verwachten.
  • Chaam ligt op circa 10 kilometer afstand van Baarle-Nassau. Ook hier zijn grote effecten op de detailhandelsstructuur niet te verwachten. Wel zal er sprake zijn van een verschuiving van bestedingen van Lidl uit Alphen naar Baarle-Nassau. Driekwart van de extra afvloeiing van Alphen naar Baarle-Nassau zal wegvallen uit Chaam, dit is circa € 520.000,-. Het totale omzeteffect in Chaam bedraagt dan € 820.000,-. Als percentage van de omzetclaim is dit 3%. Dit is nog steeds een beperkt effect, grote effecten op de detailhandelsstructuur zijn hier dan ook niet te verwachten. Chaam heeft een eigen verzorgend supermarktaanbod met een Plus en pas uitgebreide Lidl. De huidige toevloeiing naar Baarle-Nassau is beperkt, en ook na uitbreiding en verplaatsing van Aldi zal dit naar verwachting het geval blijven.

Met de verplaatsing en uitbreiding van Aldi gaat het niet om een nieuwe aanbieder in het verzorgingsgebied. De uitbreiding van Aldi is beperkt (+525 m2 wvo) en faciliteert met name de kwalitatieve verbeteringsslag voor de consument in de winkel. De omzet zal niet evenredig toenemen met de toename van het aantal winkelmeters. Geconcludeerd wordt dat de uitbreiding van Aldi geen onevenredige effecten heeft op het dagelijks winkelaanbod in het primair en secundair verzorgingsgebied. In zijn algemeenheid worden er daarom geen onaanvaardbare effecten verwacht op het woon-, leef- en ondernemersklimaat.

2.2.4 Nieuwe locatie (Industrieweg 3 - 5 en Oordeelsestraat 7a)

De locatie Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a is geschikt voor functiemenging. De locatie ligt direct naast woningen, waardoor hier geen bedrijvigheid gevestigd kan worden die zich niet verhoudt tot de woonfunctie. Bovendien is de projectlocatie verouderd. Met de opening van de nieuwe Randweg in Baarle-Nassau is het accent van het bedrijventerrein verschoven richting het oosten, waar uitbreiding van het bedrijventerrein ten behoeve van bedrijven in hogere milieucategorieën plaatsvindt. Ook aan de noordzijde van het bedrijventerrein is Baarle-Hertog bezig met de voorbereidingen voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein. In de directe omgeving van de projectlocatie worden in beperkte mate bedrijfsfuncties afgebouwd. Er is een principebesluit genomen om de locatie (Industrieweg 2/2a) van garagebedrijf De Jong (tegenover de projectlocatie) te transformeren tot woningbouw. Ook is op de projectlocatie een kringloopwinkel gevestigd en is grootschalige detailhandel mogelijk. Gezien de ligging naast woongebieden is ter plaatse van het projectgebied feitelijk sprake van een gemengd gebied als buffer tussen het woongebied en het bedrijventerrein. De vestiging van een supermarkt op de locatie Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a zal geen afbreuk doen aan het functioneren van het bedrijventerrein en zorgt bovendien voor behoud van werkgelegenheid. In Bijlage 2 is onderbouwd dat de functie niet elders binnen de bebouwde kom gehuisvest kan worden en dat de nieuwe locatie een geschikte locatie is voor de noodzakelijke schaalvergroting van Aldi.

Met de ontwikkeling van Aldi aan de Industrieweg/Oordeelsestraat in Baarle-Nassau wordt een bijdrage geleverd aan de kwaliteiten van het gemengde werkgebied door op deze specifieke locatie, gelegen aan de rand van het bedrijventerrein en aan de rand van woonwijken, in te zetten op transformatie naar een detailhandelsfunctie. De conceptversterking zit in het mogelijk maken van een supermarkt op een locatie gelegen binnen een randzone van bedrijventerrein en woonwijken, die elders binnen het bestaand stedelijk gebied geen geschikte vestigingslocatie kan vinden.

Op de nieuwe locatie worden de bestaande panden van LION, de kringloopwinkel en de bedrijfswoning gesaneerd en wordt een nieuw gebouw ten behoeve van de Aldi gerealiseerd. De beoogde inrichting van het plangebied is weergegeven op figuur 2.7. Ter plaatse kan voldaan worden aan de minimale vestigingnormen voor een supermarkt:

  • gemiddelde omvang van 1.100 m² wvo (circa 1.650 m² bvo excl. laad- en loszone en exclusief luifels);
  • voldoende ruimte voor parkeren en de bevoorrading op eigen terrein. Minimale oppervlakte om een moderne winkel met voldoende parkeren te realiseren is 3.500 m². Deze locatie heeft een oppervlakte van 5.874 m².

Met dit TAM-omgevingsplan wordt een supermarkt mogelijk gemaakt met een wvo van circa 1.100 m² en een bvo van maximaal 1.650 m². De maximering van 1.650 m² is opgenomen in de regels om vergroting van de supermarkt (in de toekomst) te voorkomen. Deze oppervlakte is dus exclusief de laad- en loszone en exclusief de luifels. Het winkeloppervlak, de laad- en loszone en luifels dienen allen binnen het bouwvlak te worden gerealiseerd. Het gebouw krijgt een bouwhoogte van maximaal 6,5 meter. De ingang van de supermarkt komt aan de noordwestzijde van het nieuwe pand. Het magazijn wordt aan de oostzijde gepositioneerd. Het laden en lossen zelf zal inpandig plaatsvinden. De laad- en losplaats is te bereiken via de inrit aan de Industrieweg. Naast de bebouwing wordt een parkeerterrein gerealiseerd met 87 parkeerplaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0011.png"

Figuur 2.7: Ontwikkeling Aldi Industrieweg 3 - 5/Oordeelsestraat 7a, (Den Hollander, juni 2025)

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0012.png"

Figuur 2.8: Impressie Aldi Industrieweg 3-5 (Den Hollander, mei 2025)

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0013.png"

Figuur 2.9: Impressie Aldi Industrieweg 3-5 (Den Hollander, mei 2025)

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0014.png"

Figuur 2.10: Impressie Aldi Industrieweg 3-5 (Den Hollander, mei 2025)

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0015.png"

Figuur 2.11: Impressie Aldi Industrieweg 3-5 (Den Hollander, mei 2025)

De realisatie van het nieuwe pand maakt het, met een groter winkelvloeroppervlak mogelijk om de westzijde van het pand te reserveren voor de nieuwe ANIKo 2.0 formule. In deze nieuwste formule wordt vooraan in de winkel een versafdeling gerealiseerd. ALDI heeft een uitgebreide en overzichtelijke versafdeling met verse groenten en fruit en panklare, voorgesneden groenten. Ook de verse vleeswaren liggen vooraan in de winkel. In de open bakkerij wordt het verse brood vanuit de bakkerij gepresenteerd.

Passend binnen het nieuwe vestigingsbeleid van Aldi worden nieuwe filialen duurzaam ontwikkeld, voorzien van onder andere zonnepanelen en warmte-terugwin-installaties.

Normaliter heeft Aldi bij haar vestigingen identieke reclamezuilen staan met een hoogte van 5,5 meter hoog. Ruimtelijk zijn dergelijke reclamezuilen in deze situatie echter niet wenselijk. Voor deze specifieke locatie is dan ook gekozen voor reclamezuilen van beperkter formaat, namelijk 3 meter hoog en 1 meter breed. Gezien de huidige invulling met bedrijfspanden en de daarbij aanwezige reclame-uitingen in de vorm van spandoeken en vlaggenmasten, is de realisatie van reclamezuilen zoals voorzien esthetisch gezien een verbetering.

In het REO (Bijlage 2) wordt geconcludeerd dat de nieuwe locatie aan de Industrieweg 3 - 5/Oordeelsestraat 7a uitstekend past bij het toekomstgerichte concept van Aldi. Hierbij is er meer ruimte voor de winkel en een goed georganiseerde logistiek en parkeren met minder/geen overlast naar de omgeving.

Hoofdstuk 3 Beleidskader en regelgeving

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk beleid.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De vier ambities uit de NOVI zijn verder uitgewerkt in 26 beleidskeuzes, die in de toelichting van de NOVI zijn vertaald naar 21 Nationale belangen.

Gezien de aard van dit plan zijn vooral de volgende nationale belangen relevant:

(1) Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;

(2) Realiseren van een goede omgevingskwaliteit;

(4) Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.


Doorwerking plangebied

Een van de opgaven die relevant is voor voorliggend TAM-omgevingsplan is een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Voor Baarle-Nassau is het gelet op een duurzame ontwikkeling en een goede omgevingskwaliteit belangrijk om het voorzieningenniveau op peil te houden. Daarbij hoort ook het behouden van een hard discount-supermarkt, waardoor het van belang is dat Aldi zich op de nieuwe locatie gaat vestigen en een duurzaam toekomstperspectief krijgt.

Voor het overige is in de NOVI geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend TAM-omgevingsplan. Het planvoornemen is op nationale schaal dermate kleinschalig dat er geen strijdigheid kan bestaan met de uitgangspunten uit de NOVI.

3.2.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl);
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl);
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 Bkl), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6 Bkl) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7 Bkl), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Doorwerking plangebied

Voor zover thematische instructieregels (omgevingsaspecten) uit het Bkl van belang zijn voor dit project, vindt een afweging van deze instructieregel plaats in hoofdstukken 4 t/m 10 van deze motivering. Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor dit project, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op het gebied van de energietransitie, een klimaat-proof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt hiervoor een vijftal hoofdopgaven:

  • 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.
  • 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moet er minder energie worden gebruikt en meer duurzame energie worden opgewekt.
  • 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop men zich verplaatst verandert en dit stelt andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.
  • 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering is er sprake van meer extremen in temperatuur en neerslag. Dit heeft gevolgen voor de inrichting van Noord-Brabant.
  • 5. Concurrerende, duurzame economie: Noord-Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat er aandacht is voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen. Dit is essentieel voor het functioneren van de slimme netwerkstad.

De provincie zet ook in op het toekomstbestendig maken van de werklocaties in Brabant. Het (kwalitatief) ‘up to date’ houden van de bestaande werklocaties is van vitaal belang voor een concurrerende economie, innovatie, werkgelegenheid, zorgvuldig ruimte gebruik en realisatie van vergroenings- en duurzaamheidsambities.

Op basis van deze hoofdopgaven sluit het initiatief voornamelijk aan op de hoofdopgave 'de basis op orde' en 'slimme netwerkstad'. Er wordt ingezet op een goede milieukwaliteit en slimme functiemenging van wonen, werken en voorzieningen in dit overgangsgebied. Een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen is essentieel voor een goede woon- en leefomgeving. Daarbij is het voor Baarle-Nassau van belang dat een hard discount-supermarkt behouden blijft en er geen ongewenste leegstand door overaanbod ontstaat. Dit is mogelijk door op de locatie aan de Industrieweg/Oordeelsestraat een toekomstbestendige supermarkt te ontwikkelen en een supermarkt op de vertreklocatie uit te sluiten. Daarmee vindt ook meerwaarde-creatie plaats, een van de kernwaarden voor het handelen van de provincie. In de Omgevingsvisie wordt door de provincie benadrukt dat de zogenoemde meerwaardebenadering per definitie dient te worden toegepast, in plaats van als uitzondering. Er zou beredeneert moeten worden vanuit casuïstiek en doelen in plaats van vanuit regels. Bestuurlijke afwegingsruimte maakt van maatwerk de nieuwe standaard. De vestigingslocatie biedt de ruimte voor het benodigde winkeloppervlak. Daarnaast biedt het ruime parkeermogelijkheden direct bij de supermarkt en een eigen laad- en losplaats, wat de verkeersveiligheid ten goede komt. Ook wordt een gedeelte van het bedrijventerrein getransformeerd naar een functie welke passend is aan de rand van een bedrijventerrein en woongebieden.

Doorwerking plangebied

De ontwikkeling voldoet aan de beleidsdoelen van de provincie:

  • het planvoornemen voorziet in het behoud van een hard discount-supermarkt in Baarle-Nassau, door verplaatsing en uitbreiding van een bestaande locatie naar een nieuwe solitaire locatie. Het belang van behoud van voorzieningen wordt gediend;
  • het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied op de grens tussen woonbebouwing en bedrijventerrein. Er is sprake van behoud van werkgelegenheid en geen sprake van afname van ruimte voor bedrijven die niet mengbaar zijn met de woonfunctie;
  • er geen sprake is van onaanvaardbare leegstandseffecten. De mogelijkheden voor een supermarkt op de vrijkomende locatie wordt geschrapt om daarmee overaanbod aan supermarktmeters te voorkomen.
3.3.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Noord-Brabant in werking getreden. Voor elke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van de Omgevingsverordening. Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het projectgebied.

Doorwerking plangebied

In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun omgevingsplannen. De instructieregels zijn in de meeste gevallen gekoppeld aan een werkingsgebied. Volgens de verbeelding van de Omgevingsverordening liggen beide locaties binnen de volgende werkingsgebieden (figuur 3.1):

  • Stedelijk gebied;
  • Diep grondwaterlichaam;
  • Norm wateroverlast stedelijk gebied;
  • Beperking grootschalige logistiek;
  • Stalderingsgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0016.png"

Figuur 3.1: Uitsnede Omgevingsverordening, plangebied rood omlijnd (Regels op de kaart, 2025)

Uit de rechtstreeks werkende regels blijken geen relevante artikelen voor het gehele plangebied, aangezien zich hier geen veehouderij bevindt en geen sprake is van realisatie van grootschalige logistiek.

De ontwikkeling betreft de verplaatsing van een supermarkt van de locatie aan de Stationsstraat 29 naar de locatie aan de Industrieweg. Aan de Stationsstraat 29 wordt enkel uitgesloten dat op deze locatie nog een supermarkt aanwezig kan zijn. Verder worden hier geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Vanuit de Omgevingsverordening gelden geen regels voor deze wijziging. Voor de realisatie van een supermarkt op de locatie aan de Industrieweg (binnen bestaand stedelijk gebied) gelden wel regels. Voor deze ontwikkeling zijn de volgende instructieregels relevant:

  • Paragraaf 5.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (Art. 5.7 tot en met 5.10)
  • Afdeling 5.5 Ontwikkeling van stedelijke functies en mobiliteit (Art. 5.55)

Hierna wordt de realisatie van de supermarkt getoetst aan deze artikelen.

Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

  • 1. Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit.
  • 2. Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan:
    • a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8;
    • b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en
    • c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10.

Toetsing artikel 5.7

Lid 1

De nieuwe locatie aan de Industrieweg biedt de mogelijkheid om de Aldi uit te breiden zodat de supermarkt ingericht kan worden passend bij de wensen van de huidige consument. Met de verplaatsing kan de Aldi als hard discount-supermarkt voor Baarle-Nassau worden behouden, wat de leefbaarheid ten goede komt. De verouderde bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De nieuwe supermarkt krijgt een moderne natuurlijke uitstraling. Op en rondom de locatie wordt met hagen en bomen beplanting aangebracht om de locatie een groenere uitstraling te geven (zie ook afbeeldingen in paragraaf 2.2.4). Dit geeft tevens een natuurlijkere en rustigere overgang (ten opzichte van standaard bedrijfshallen) vanuit de woongebieden naar het bedrijventerrein. De locatie is daarnaast op een goede manier te bereiken voor langzaam verkeer en voor laden en lossen, wat de verkeersveiligheid ten goede komt. Op de locatie is sprake van een goed woon- en leefklimaat en gevoelige functies in de omgeving zullen geen hinder ondervinden (zie hoofdstuk 4).

Lid 2

Aan zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering en meerwaardecreatie wordt afzonderlijk hierna getoetst.

Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

  • 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:
    • a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
    • b. bij een ontwikkeling rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik;
    • c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en
    • e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.
  • 2. Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden.

Toetsing artikel 5.8

Lid 1

De ontwikkeling van de nieuwe supermarkt van Aldi vindt plaats binnen stedelijk gebied op een bestaand bouwperceel. De bestaande verouderde bebouwing wordt gesloopt en maakt plaats voor de nieuwe supermarkt. De nieuwe bebouwing wordt geconcentreerd binnen een bouwvlak. Het overige gedeelte van de locatie wordt volledig gebruikt voor parkeervoorzieningen, een laad- en losplaats, groen en waterberging. Daarmee wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte op de locatie. Ook wordt voorkomen dat ruimte nodig is in de openbare ruimte voor het parkeren of laden- en lossen.

Voor de ontwikkeling is een laddertoets uitgevoerd in de vorm van een Ruimtelijk Economisch Onderzoek (zie bijlage 2). Hieruit blijkt dat er behoefte is aan de beoogde uitbreiding en verplaatsing van Aldi naar de locatie Industrieweg 3-5/ Oordeelsestraat 7a. Met de herontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Lid 2

N.v.t.

Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

  • 1. Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:
    • a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd; en
    • b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.
  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:
    • a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
    • b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; en
    • c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.
  • 3. Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

Toetsing artikel 5.9

De ontwikkeling van de nieuwe supermarkt vindt plaats op een bestaand bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Bij het vormgeven van de ontwikkeling is rekening gehouden met de lagenbenadering.

De ontwikkeling moet het natuurlijk functioneren van het water- en bodemsysteem niet in de weg staan. Daarbij moet gelet worden op het grondwater, het oppervlaktewater en de bodemgesteldheid. Op de locatie zijn geen specifieke beschermingszones aanwezig voor de waterhuishouding waarmee rekening dient te worden gehouden. Bij de ontwikkeling wordt geen grondwater onttrokken of water versneld afgevoerd. Het hemelwater wordt niet afgevoerd maar opgevangen en geïnfiltreerd (zie hoofdstuk 5). Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat in de ondergrond geen grote bodemverontreinigingen aanwezig zijn (zie paragraaf 4.3). Bij de ontwikkeling vinden geen activiteiten plaats die mogelijk tot verontreiniging van de ondergrond zullen leiden. In de ondergrond is het daarnaast mogelijk dat archeologische waarden aanwezig zijn. In de planregels is geborgd dat nader onderzoek plaats dient te vinden, voordat werkzaamheden in de ondergrond mogen worden uitgevoerd. In de ondergrond zijn verder geen aardkundige waarden aanwezig.

De netwerklaag bevat het natuurnetwerk, energienetwerk en infrastructuur. In of nabij het plangebied zijn geen natuurgebieden gelegen die vallen binnen het Natuur Netwerk Brabant (zie paragraaf 8.2). In de omgeving is ook geen energienetwerk aanwezig. De infrastructuur in de omgeving wordt niet gewijzigd. Het betreft een bestaand perceel dat ontsluit op de Industrieweg. De inrit wordt niet gewijzigd. In paragraaf 3.5.3 wordt toegelicht dat de beperkte toename in verkeersgeneratie door de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de verkeersafwikkeling. De locatie is goed ontsloten voor langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer.

De bovenste laag omvat de occupatielaag. Op de locatie zijn geen cultuurhistorische- of landschappelijke waarden aanwezig. De locatie is in gebruik door verschillende bedrijfsfuncties. De locatie is bijna volledig verhard, bestaand uit verharding, diverse bedrijfsgebouwen en een woning. Bij de ontwikkeling wordt een supermarkt gerealiseerd van maximaal 1.650 m2 bvo. Bij de toetsing aan artikel 5.55 hierna, wordt toegelicht dat de functie passend is op de locatie. In de hoofdstukken 4 en 6 wordt aangetoond dat de ontwikkeling omliggende gevoelige functies en activiteiten niet hindert en op de locatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 5.10 Meerwaardecreatie

  • 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
    • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en
    • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
  • 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Toetsing artikel 5.10

De ontwikkeling biedt de kans om een toekomstbestendige supermarkt te ontwikkelen en daarmee te behouden voor Baarle-Nassau. De ontwikkeling biedt ook de mogelijkheid om een verkeersveiligere situatie te ontwikkelen rondom de supermarkt. Door de ontwikkeling wordt verouderde bebouwing op de locatie gesloopt. Met de ontwikkeling ontstaat tevens de mogelijkheid om maatregelen te nemen om hemelwater op een goede manier te verwerken en extra beplanting aan te brengen.

Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling

  • 1. Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen, wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:
    • a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken; en
    • b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
  • 2. Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als:
    • a. een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met aandacht voor een natuurinclusieve inrichting en een veilige en gezonde leefomgeving;
    • b. toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
    • c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
    • d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang of infiltratie van water;
    • e. de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; en
    • f. wordt bijgedragen aan een circulaire economie door invulling te geven aan de toepassing van industrieel, demontabel bouwen en het gebruik van duurzame biobased materialen.
  • 3. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, stelt het omgevingsplan regels over:
    • a. een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; en
    • b. het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, zoals:
      • bedrijfswoningen;
      • bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden, tenzij die bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden;
      • voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden, tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.

Toetsing artikel 5.55

Lid 1

In paragraaf 3.4 wordt getoetst aan het regionale beleid. Met de actualisatie en herijking van het Beleidskader Wonen en Werken van de provincie Noord-Brabant is in de nieuwe uitvoeringsagenda (oktober 2024) opgenomen dat de afstemming van nieuwe detailhandelsontwikkelingen een regionale aangelegenheid is. In het Afsprakenkader Detailhandelsontwikkelingen West-Brabant (2017) is opgenomen dat de omvang van een detailhandelsontwikkeling en de koopkrachtbinding bepalend is voor de mate van regionale afstemming. Uitgangspunt is dat een plan kleiner dan 2.500 m2 bvo en een koopkrachtbinding hoger dan 70% wordt gezien als een lokale ontwikkeling. Ten aanzien van werklocaties is in 2021 afgesproken (Programmerings- en investeringsagenda Bedrijventerreinen, dat een ruimtelijke ontwikkeling groter dan 5.000 m2 wordt afgestemd op het passende schaalniveau. Bij vraaggericht lokaal is dat met de buurgemeenten. Dit heeft plaatsgevonden met de direct omliggende gemeente Alphen Chaam. Het initiatief is ook afgestemd met Gilze-Rijen (in het kader van de samenwerking tussen de ABG-gemeenten).

Toetsing aan een duurzame stedelijke ontwikkeling vindt hierna plaats.

Lid 2

De stedenbouwkundige inrichting houdt rekening met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het stedelijk gebied. De supermarkt krijgt een moderne natuurlijke uitstraling. Op en rondom de locatie wordt met hagen en bomen beplanting aangebracht om de locatie een groenere uitstraling te geven (zie ook afbeeldingen in paragraaf 2.2.4). Dit geeft tevens een natuurlijkere en rustigere overgang (ten opzichte van standaard bedrijfshallen) vanuit de woongebieden naar het bedrijventerrein. De locatie is daarnaast op een goede manier te bereiken voor langzaam verkeer en voor laden en lossen, wat de verkeersveiligheid ten goede komt. Binnen het projectgebied wordt voorzien in parkeerplaatsen met laadpalen om duurzame mobiliteit te faciliteren. Om rekening te houden met klimaatverandering en hittestress wordt binnen het projectgebied voldoende waterberging gerealiseerd en wordt dus voorzien in een groenere uitstraling.

Lid 3 is als volgt gemotiveerd.

  • 1. Is het plangebied in planologische zin aan te merken als 'bedrijventerrein'?
  • 2. zo ja, betreft Aldi een ontwikkeling die effectief gebruik van bedrijventerrein beperkt?
  • 3. zo ja, is Aldi een bedrijf dat doelmatig kan worden gevestigd in een gemengd gebied?
  • 4. zo ja, is Aldi een voorziening die gelet op de publieksaantrekkende werking thuis hoort in een centrumgebied?

1. Het gebied kwalificeert als een bedrijventerrein en een gemengd gebied.
In de begripsbepalingen van de verordening is bedrijventerrein gedefinieerd als: "aaneengesloten terrein met een bruto oppervlakte van ten minste één hectare voor de bedrijfsmatige uitoefening van industriële, logistieke, ambachtelijke en dienstverlenende activiteiten en groothandel met de daarbij behorende voorzieningen, bedoeld voor de vestiging van meerdere bedrijven".

In de toelichting bij de verordening is het volgende aangegeven: "De ontwikkeling van bedrijventerrein is belangrijk om ruimte te bieden aan bedrijven die vanwege hun bedrijfsvoering effect hebben op hun omgeving en daardoor overlast kunnen geven op hindergevoelige functies als wonen of zorgfuncties. Een bestemmingsplan moet inzicht bieden in de effecten op de omgeving maar zorgt ook dat een bedrijventerrein deze opvangfunctie blijvend kan vervullen."

In het beleidskader wonen en werken (mei 2024) heeft de provincie de keuze gemaakt om te voorzien in voldoende en passende werkmilieus, waaronder ook ruimte voor bedrijven met een impact op de omgeving.

De provincie hanteert als uitgangspunt een zorgvuldige en vraaggerichte ontwikkeling van bedrijventerreinen in passende werkmilieus. Ze streeft hierbij naar een balans in vraag en aanbod. Dit betekent dat de kwaliteit van bestaande en nieuwe bedrijventerreinen aansluit bij de behoefte van bedrijven en de omgeving. Zo zorgen we dat we goed omgaan met de schaarse ruimte.

Ontwikkeling van voldoende geschikte terreinen voor grootschalige bedrijven en bedrijven met een impact op hun omgeving is ook van provinciaal belang. Bedrijven met weinig (milieu)impact op de omgeving passen in beginsel in woon- en gemengde gebieden. In dit gebied zijn alleen bedrijven in categorie 2 algemeen toelaatbaar.

Het terrein kwalificeert als een bedrijventerrein, maar is niet bedoeld voor functies die niet mengbaar zijn.

2. Een Aldi beperkt het effectief gebruik van bedrijventerrein niet.

Het provinciale belang is vooral gericht op behoud van voldoende ruimte voor bedrijven die niet te mengen zijn met de woonfunctie. Feitelijk en planologisch is op de beoogde locatie sprake van een gemengd werkgebied waar ruimte is voor werkfuncties die ook mengbaar zijn met de woonfunctie. Het gebied is een bufferzone tussen het woongebied en het gebied dat is bedoeld voor bedrijven die niet mengbaar zijn met de woonfunctie.

Er wordt met de beoogde functie geen bedrijventerrein met algemene ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën onttrokken. Een Aldi is een bedrijf in milieucategorie 1.

Het vestigen van bedrijven met een milieucategorie 1 en 2 past ook in de visie van de gemeente, die is opgenomen in het bestemmingsplan Dorpen. Het gemeentelijk beleid van Baarle-Nassau is dat bedrijven met een milieucategorie 1 en 2 inpasbaar zijn binnen een woonomgeving. Milieucategorie 3 en hoger niet. Deze dienen gevestigd te worden op een bedrijventerrein zoals dat in de kern Baarle-Nassau.

De maximale toegestane milieucategorie op het bedrijventerrein is in principe categorie 3.2. Voor het deel van het bedrijventerrein dat ten westen van de Smederijstraat ligt is alleen vestiging van bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2 toegestaan vanwege de korte afstand tot de woonbebouwing. In deze strook zijn in de huidige situatie twee bedrijven gevestigd met een hogere milieucategorie (3.2).

Uit het bovenstaande blijkt de beleidslijn dat de gemeente cat. 1 en 2 bedrijven in principe niet wenst te vestigen op het bedrijventerrein van Baarle-Nassau, behalve ten westen van (het verlengde van) de Smederijstraat. In verband met aangrenzende woonbebouwing is daar wel categorie 1-2 bedrijvigheid gewenst in plaats van categorie 3. De locatie Industrie-weg/Oordeelsestraat is gelegen ten westen van het verlengde van de Smederijstraat. Op grond van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering behoren supermarkten tot categorie 1. Gelet hierop past een supermarkt binnen de door de gemeente Baarle-Nassau gehanteerde indeling van het bedrijventerrein van Baarle-Nassau.


Uit het bovenstaande blijkt tevens de beleidslijn dat bedrijven uit milieucategorie 3, voor zover gelegen ten westen van (het verlengde van) de Smederijstraat, worden voorzien van een 'uitsterfconstructie'. Deze bedrijven krijgen een maatwerkbestemming, zodat zich daar géén cat. 3 bedrijven in het algemeen kunnen vestigen. Als dat specifieke bedrijf weggaat, bestaat de mogelijkheid daar categorie 1 - 2 bedrijvigheid te vestigen.

Onderdeel van het plangebied is een vrijgekomen locatie van een bedrijf met een maatwerkbestemming in milieucategorie 3 (alleen metaalverwerking). Het betreft hiermee geen locatie waar categorie 3 algemeen toelaatbaar is. Dat bedrijf is in 2016 gelegaliseerd, maar inmiddels verhuisd naar een geschikt bedrijventerrein in Tilburg met voldoende milieuruimte. De vestigingslocatie is bedoeld voor dergelijke bedrijven. De vertreklocatie staat sinds 2023 leeg en het is ook niet gewenst om hier opnieuw een bedrijf in milieucategorie 3 te vestigen, gelet op de korte afstand tot woningen. Het wegbestemmen van deze specifieke functie vermindert de effectieve ruimte voor bedrijven in milieucategorie 3 niet, gelet op de maatbestemming.
Door de verplaatsing van Aldi naar de Industrieweg 5 wordt een daar juist onwenselijk bevonden metaalbewerkingsbedrijf (milieucategorie 3.2, zie Bp Dorpen, 1e herziening) 'wegbestemd'. De verplaatsing van Aldi draagt bij aan het gemeentelijke beleid tot het effectief benutten van het bedrijventerrein van Baarle-Nassau.

3. Aldi kan worden gevestigd in gemengd gebied

Aldi is gelet op de functie en specifieke formule passend in een gemengd gebied. De kwalificaties 'bedrijventerrein' en 'gemengd gebied' sluiten elkaar niet uit. Categorie 1-2 randen van een bedrijventerrein kwalificeren doorgaans als gemengd gebied, zeker als het gebied dat grenst aan het bedrijventerrein ook uit verschillende functies bestaat. Dit deel van het bedrijventerrein kwalificeert ook als gemengd gebied. Hier is bijvoorbeeld al perifere detailhandel mogelijk. De Aldi is mogelijk naast de woonfunctie en belemmert bedrijfsfuncties niet. Het is geen gevoelige functie. Ook is geen sprake van afname van gebruiksmogelijkheden voor dergelijke bedrijven. Bovendien blijft sprake van een werkgebied, waarbij werkgelegenheid behouden blijft.

4. De hard discount-supermarkt Aldi is geen publieksaantrekkende functie die per se in het centrum thuis hoort. Hier worden namelijk geen dagelijkse boodschappen gedaan, maar wordt een incidenteel bezoek gebracht vergelijkbaar met het bezoekmotief van perifere detailhandel. Een incidenteel bezoekmotief is niet zodanig dat een bedrijf in een centrumgebied thuis hoort. In een centrumgebied zijn juist bedrijven gevestigd met een frequent bezoekmotief (bv. horeca, niet-discount supermarkten).

Het provinciale en regionale detailhandelsbeleid is gericht op ruimtelijke concentratie van detailhandelsfuncties, bij voorkeur binnen centra van steden en dorpen.

In het beleidskader wonen en werken (mei 2024) heeft de provincie aangegeven dat detailhandel, horeca en voorzieningen een essentieel onderdeel van de leefbaarheid van steden en dorpen zijn en dat het wenselijk is om detailhandel te concentreren. In dit geval gaat het om de verplaatsing en uitbreiding van een supermarkt. Er zijn, mede gelet op de complexe structuur van Baarle-Nassau, geen andere geschikte plekken in of rond het centrum beschikbaar voor een supermarkt met een toekomstbestendige maat. Om overaanbod te voorkomen, wordt de mogelijkheid voor een supermarkt op de vertreklocatie geschrapt.

Conclusie

Doordat er feitelijk en vanuit kwalitatieve overwegingen aantoonbaar onvoldoende ruimte beschikbaar is in het centrumgebied van Baarle-Nassau, wordt gekozen voor verplaatsing en uitbreiding van een supermarkt naar een toekomstbestendige locatie buiten het centrum. De locatie sluit niet aan op een bestaand winkelgebied of een winkelconcentratie. Het provinciaal en regionaal beleid stuurt hier wel op. Met het voorliggende plan is er echter wel sprake van een versterking van de detailhandelsstructuur doordat de hard discount-supermarkt voor Baarle-Nassau behouden blijft en een toekomstbestendige omvang krijgt (zie ook Bijlage 2). De nieuwe detailhandelslocatie is voorzien binnen bestaand stedelijk gebied op een locatie die gezien wordt als een gemengd gebied. De vestiging van de supermarkt op deze locatie past binnen de beleidsmatige inzet van de gemeente op functiemenging op deze locatie (zie paragraaf 3.5). De supermarkt belemmert op deze locatie omliggende bedrijven niet (zie paragraaf 4.7). Met de beoogde ontwikkeling van Aldi wordt de supermarkt weliswaar verplaatst naar een locatie buiten het centrumgebied, maar de supermarkt blijft wel behouden voor Baarle-Nassau zodat het verzorgingsniveau op peil blijft. De hard discount-supermarkt Aldi is geen cruciale centrumfunctie. Een incidenteel bezoekmotief is niet zodanig dat een bedrijf in een centrumgebied thuis hoort. Bovendien blijft sprake van een werkgebied, waarbij werkgelegenheid behouden blijft.

Op basis van het bovenstaande is ook sprake van een zorgvuldige ruimtelijke afweging.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Detailhandelsvisie West-Brabant 2014 - 2020

In 2014 heeft de regio West-Brabant de 'Detailhandelsvisie West-Brabant 2014 - 2020' vastgesteld. Omdat de omstandigheden in de detailhandel sterk waren veranderd en de oude visie niet meer voldoende aansloot bij de huidige problematiek en de te verwachten ontwikkelingen, was een nieuwe visie gewenst. Daarnaast was het ook nodig om afspraken rondom regionale afstemming bij detailhandelsontwikkelingen beter vast te leggen. In de visie worden trends en ontwikkelingen beschreven en is een beeld geschetst van de huidige en na te streven detailhandelsstructuur.

De centrale doelstelling is: Het bijdragen aan het tot stand brengen van een evenwichtig en duurzaam detailhandelsapparaat in West-Brabant, waarbij rekening gehouden wordt met de aanwezige marktverhoudingen en ontwikkelingen, en gestreefd wordt naar een maatschappelijk verantwoorde, samenhangende en op elk niveau van de voorzieningenhierarchie gezonde winkelstructuur.

Om dit te bereiken wordt ingezet op de volgende ambities:

  • een versterking van de bovenregionale aantrekkingskracht van de detailhandel in West-Brabant (in combinatie met andere toeristisch-recreatieve voorzieningen);
  • een kwaliteitsverbetering van het aanbod;
  • behoud of versterking van die detailhandelsvoorzieningen die belangrijk zijn voor de consumentenverzorging in kleine(re) kernen waar het consumentendraagvlak ook voldoende perspectief geeft voor de langere termijn;
  • een krachtige ontwikkeling van de hoofdwinkelcentra (in onderlinge samenhang);
  • een sterke structuur van perifere detailhandel, complementair aan de reguliere winkelcentra;
  • een accent op vernieuwing en herstructurering in plaats van uitbreiding van het aanbod;
  • formele en informele sturing vooral op ruimtelijk-functionele kwaliteit: streven naar diversiteit en complementariteit;
  • het beperken van de negatieve effecten van leegstand;
  • verbetering van de samenwerking tussen ondernemers onderling en tussen ondernemers en de gemeente.

Deze ambities zijn verder uitgewerkt in verschillende beleidsdoelen:

Dynamiek detailhandel in goede banen leiden

De detailhandel is steeds in beweging en dat houdt winkelgebieden interessant voor consumenten. De Regio wil waar mogelijk en gewenst meewerken aan vernieuwing, maar uitgangspunt is daarbij wel dat dit op de juiste plek binnen de detailhandelsstructuur plaats vindt. Om ongewenste ontwikkelingen voor het bestaande aanbod te voorkomen, zullen de samenwerkende gemeenten nieuwe detailhandelsinitiatieven met een bovengemeentelijke impact, daadwerkelijk moeten toetsen op de (per saldo) toegevoegde waarde voor de regionale detailhandelsstructuur.

Complementariteit en onderscheidend vermogen nastreven

In een evenwichtige en duurzame voorzieningenstructuur vullen de verschillende winkelgebieden elkaar aan en heeft ieder een eigen functie binnen de structuur. Ze dienen dus eigen kenmerken en kwaliteiten te hebben. Dit schept duidelijkheid voor de consument, biedt aanknopingspunten voor strategie en investeringen van ondernemingen

en biedt mogelijkheden voor elkaar versterkende effecten (doelgroepen, combinatiebezoeken). Door aan te sluiten bij de koopmotieven en het koopgedrag van consumenten kunnen winkelgebieden, maar ook delen van grotere centra, zich duidelijk profileren en hun eigen identiteit uitdragen.

Ruimtelijke concentratie bevorderen

Bij concentratie c.q. clustering van winkels ontstaat een meerwaarde voor de betreffende bedrijven en de consumenten. Nieuwe ontwikkelingen dienen daarom zoveel mogelijk plaats te vinden binnen de door de regiogemeenten aangewezen winkelcentra en locaties van perifere detailhandel. Winkelontwikkelingen met een bovengemeentelijke impact worden daarbuiten in principe niet voorgestaan, tenzij de vestiging in een winkelgebied niet mogelijk is en er een aangetoonde meerwaarde is voor de regionale detailhandelsstructuur.

Inzetten op behoud consumentenverzorging kleine kernen

Winkels dragen in z'n algemeenheid in positieve zin bij aan de leefbaarheid van kernen en woonbuurten. Ze voorzien in de verzorging van de bewoners, hebben een functie als ontmoetingspunt en creëren door hun trekkracht vaak ook een draagvlak voor andere publieksgerichte voorzieningen. Met name supermarkten spelen hierbij een centrale rol.

Leegstandsontwikkeling in goede banen leiden

Algemene ontwikkelingen als de schaalvergroting, de toename van e-commerce, bevolkingskrimp en de (toenemende) gemiddelde leeftijd van ondernemers, hebben tot gevolg dat er de komende jaren in bepaalde winkelgebieden meer winkelaanbod zal verdwijnen. Dat kan negatieve gevolgen hebben voor de consumentverzorging van woongebieden en de uitstraling van winkelgebieden. De Regio wil een bijdrage leveren aan het voorkomen van dergelijke ontwikkelingen en het bestrijden van de negatieve consequenties door het aandragen van mogelijke oplossingen.

Aandacht voor mogelijkheden fasering

Het toevoegen van veel nieuwe winkelruimte in één keer kan soms ongewenste effecten hebben op de bestaande detailhandelsstructuur. Om dit te voorkomen is een zekere mate van afstemming van de aanbodontwikkelingen op de vraagontwikkeling noodzakelijk. Dit kan door bepaalde grotere winkelontwikkelingen in fasen uit te voeren.

Aandacht voor herstructurering

In het licht van de gesignaleerde ontwikkelingen zijn er kansrijke en kansarme (delen van) winkelgebieden aan te wijzen. Inzetten op behoud of versterking van de kansrijke (delen van) winkelgebieden betekent in feite een herstructurering van de bestaande detailhandelsstructuur.

Versterken toeristisch-recreatieve detailhandelsstructuur

Winkelen is een belangrijke vorm van vrije tijdsbesteding en een belangrijk doel van veel toeristisch-recreatieve uitstapjes. Meer bezoekers van buiten de regio betekent tevens meer consumentendraagvlak voor de winkelvoorzieningen in de regio en daarmee wordt indirect een positieve bijdrage aan het verzorgingsniveau voor de eigen inwoners geleverd.

Initiatieven voor winkelvestiging of –uitbreiding, worden, ongeacht de locatie of branchering, voor regionale toetsing voor gedragen als het initiatief de volgende omvang te boven gaat en het vigerende bestemmingsplan het initiatief niet toelaat:

  • Winkelprojecten in de benoemde reguliere winkelcentra en perifere detailhandelslocaties met een bovenregionale verzorgingsfunctie: uitbreiding 10.000 m2 bvo.
  • Winkelprojecten in de benoemde reguliere winkelcentra en perifere detailhandelslocaties met een regionale verzorgingsfunctie: uitbreiding 5.000 m2 bvo.
  • Winkelprojecten in de benoemde reguliere winkelcentra en perifere detailhandelslocaties met een kernverzorgingsfunctie: uitbreiding 2.500 m2 bvo.
  • Bij initiatieven die niet stroken met het regionale beleid en er bestemmingsplanwijziging nodig is (bijvoorbeeld nieuwe solitaire vestiging op het platteland, of supermarktontwikkelingen met een effect op een buurgemeente).

Het centrale toetsingskader voor nader te beoordelen nieuwe winkelontwikkelingen vormt de visie op de regionale detailhandelsstructuur, zoals in deze nota is verwoord. Aan nieuwe winkelontwikkelingen wordt in principe beleidsmatig meegewerkt als:

  • Aangetoond wordt dat het initiatief een meerwaarde voor de lokale en/of regionale detailhandelsstructuur heeft. Deze meerwaarde kan zich uiten in:
    • 1. een toename van de keuzemogelijkheden voor de consument, bijvoorbeeld omdat de branche zwak vertegenwoordigd is;
    • 2. als er sprake is van een nieuwe formule die zich onderscheidt door kwaliteit, specialisatie en/ of gerichtheid op een of meer bepaalde doelgroepen;
    • 3. als de ontwikkeling bijdraagt aan het onderscheidend vermogen van het betreffende winkelgebied;
    • 4. als er sprake is van een bijdrage aan de beoogde clustering van winkelvoorzieningen;
    • 5. het initiatief past bij het beoogde profiel van het betreffende winkelgebied.
  • Aangetoond wordt dat het initiatief geen (blijvende) negatieve effecten heeft op de bestaande detailhandelsstructuur en/of de in de visie aangegeven ontwikkeling daarvan.

Onder negatieve effecten wordt in ieder geval verstaan dat de keuzemogelijkheden voor de inwoners van een (kern in een) tot de regio behorende gemeente onaanvaardbaar afnemen door een winkelontwikkeling in een van de andere regiogemeenten.

Verder zal het initiatief getoetst worden op voor de ruimtelijke ordening relevante aspecten als:

  • inpassing in de omgeving;
  • bereikbaarheid;
  • parkeermogelijkheden bezoekers en personeel;
  • bevoorrading;
  • beeldkwaliteit;
  • etc.

Doorwerking plangebied

De voorgenomen ontwikkeling betreft verplaatsing van de Aldi binnen Baarle-Nassau, waarbij de supermarkt tevens wordt uitgebreid. Op de locatie aan de Industrieweg is sprake van de realisatie van een supermarkt met maximaal 1.100 m2 WVO en 1.650 m2 BVO. Daarmee is de uitbreiding dermate kleinschalig, dat het niet direct onder een van de categorieën valt waarbij regionale toetsing noodzakelijk is.

Hierna zal het initiatief verder getoetst worden aan de ambities, beleidsuitgangspunten en ruimtelijk relevante aspecten.

De Aldi is een bestaande supermarkt in Baarle-Nassau, waarmee het niet om volledige nieuwvestiging gaat, maar om verplaatsing en uitbreiding. Aldi als hard discount betreft een ander soort supermarkt dan de full-servicesupermarkten Jumbo en Albert Heijn, die ook in Baarle-Nassau gevestigd zijn. In de huidige omvang kan Aldi niet meer voldoen aan de wensen van de huidige consument. Knelpunten met betrekking tot indeling, parkeren en bevoorrading kunnen niet op de huidige locatie worden opgelost. Modernisering van Aldi op een alternatieve locatie is belangrijk voor het behoud van de keuzemogelijkheden van de inwoners van Baarle-Nassau (en omgeving) en de kwaliteit en compleetheid van het supermarktaanbod. Met de beoogde ontwikkeling van de supermarkt aan de Industrieweg wordt het mogelijk om de hard discount-supermarkt Aldi te behouden voor de inwoners van Baarle-Nassau. Daarmee blijft het winkelaanbod op sterkte én toekomstbestendig.

In de visie wordt benoemd dat nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk plaats dienen te vinden binnen winkelcentra en locaties van perifere detailhandel. Winkelontwikkelingen met een bovengemeentelijke impact worden daarbuiten in principe niet voorgestaan, tenzij de vestiging in een winkelgebied niet mogelijk is en er een aangetoonde meerwaarde is voor de regionale detailhandelsstructuur. Zoals hiervoor aangegeven is uitbreiding van de Aldi noodzakelijk en is het ook wenselijk om de Aldi te behouden voor Baarle-Nassau. Uit de uitgevoerde locatiestudie is gebleken dat elders in het centrum van Baarle-Nassau geen mogelijkheid is om een moderne vestiging van Aldi te realiseren. Als alternatieve vestigingslocatie is daarom uitgekomen op de locatie aan de Industrieweg. De beoogde ontwikkeling van Aldi aan de Industrieweg vindt plaats binnen stedelijk gebied op een locatie die in aanmerking komt voor functiemenging. De ontwikkeling houdt rekening met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving.

Er heeft een laddertoets plaatsgevonden in de vorm van een Ruimtelijk Economisch Onderzoek (bijlage 2). Hieruit blijkt dat geen onaanvaardbare effecten worden verwacht op de dagelijkse winkelstructuur.

In het onderzoek is ook ingegaan op het voorkomen van leegstand. Het is niet te verwachten dat door de uitbreiding van Aldi andere supermarkten omvallen en hierdoor negatieve effecten in de vorm van (langdurige) leegstand ontstaat. Als gevolg van de verplaatsing van Aldi is het mogelijk dat er (tijdelijke) frictieleegstand ontstaat op de huidige locatie van Aldi, maar geen langdurige leegstand. De leegstand in Baarle-Nassau is in de huidige situatie beperkt. De leegstand van het Aldi-pand zal dus niet leiden tot onaanvaardbare leegstand als rekening wordt gehouden met het woon-, leef- en ondernemersklimaat in Baarle-Nassau.

3.4.2 Afsprakenkader detailhandelsontwikkelingen

De ‘Visie op de detailhandelsstructuur 2014-2020’ is bestuurlijk vastgesteld en er is (destijds) een convenant gesloten over de regionale afstemming van detailhandelsinitiatieven. Het doel van deze regionale afspraken was met name het voorkomen van structuurverstorende detailhandelsinitiatieven en het stimuleren van structuurversterkende initiatieven. Uitgangspunt daarbij was een sterke gemeentelijke autonomie, maar waar nodig wel regionale afstemming.

Actualisatie van de visie is wenselijk gebleken. De afstemming van detailhandelsontwikkelingen op regionaal niveau is in de praktijk niet tot de juiste uitvoering gekomen. Ook de ontwikkelingen in vraag en aanbod vragen om actualisatie van het beleid. Vooral het winkelen via internet en daar bovenop de stabiliserende en vergrijzende bevolking in West-Brabant zetten de omzetten van winkeliers onder druk, leiden tot minder bezoekers in de winkelstraten en tot een toename van de leegstand.

Het nieuwe afsprakenkader is nadrukkelijk gebaseerd op de eerder vastgestelde 'Visie op de detailhandelsstructuur 2009-2020’ en de bijbehorende 'Regionale uitvoeringsagenda detailhandel West-Brabant'. De beleidsuitgangspunten in dit afsprakenkader komen daarom ook grotendeels overeen met de visie. In het afsprakenkader wordt vervolgens een indeling gehanteerd op welk schaalniveau een plan moet worden beoordeeld en afgestemd. Uitgangspunt is dat indien een plan kleiner is dan 2.500 m2 (de grens voor afstemming in de vastgestelde detailhandelsvisie) we het plan – in de basis – typeren als lokaal. Is een plan groter dan wordt dit minimaal als subregionaal aangemerkt. Daarnaast is de branchering van het plan bepalend. Voor sommige typen producten en winkels legt de consument immers een grotere afstand af en is het effect (reikwijdte/marktregio) van de ontwikkeling dus groter. Indicatief wordt de volgende indeling gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0017.png"

Figuur 3.2: Indeling detailhandelsplannen op schaalniveau

  • plannen met een lokale betekenis: voor (gemeenten met) plannen met een beperkte omvang en/of lokale reikwijdte is het in de eerste plaats een gemeentelijke verantwoordelijkheid om hierover keuzes te maken. De (voorzienbaarheid van deze) keuzes kunnen een plek krijgen in lokale detailhandelsvisies. Meerdere gemeenten in West-Brabant hebben reeds dergelijke visies en zijn hiermee reeds aan de slag in het kader van hun nieuwe detailhandelsbeleid. Gemeenten moeten zich er wel van bewust zijn dat overaanbod aan plannen, ook op lokale schaal, goede (nieuwe) plannen elders in de gemeente of subregio in de weg kan staan.
  • (sub)regionale en (boven)regionale plannen: voor (gemeenten met) plannen met een (sub)regionale impact vindt afstemming met gemeenten op het relevante schaalniveau plaats. Dit zal per plan specifiek moeten worden bepaald. Dit schaalniveau kan zijn de gemeente met direct omliggende gemeenten, maar bijvoorbeeld ook op het niveau van de eigen subregio of zelfs de gehele regio West-Brabant.

In het afsprakenkader worden verder ook afspraken gemaakt om tot een gezonde detailhandelsstructuur te komen waarbij wordt ingezet op het faciliteren van kwalitatieve groei. De afspraken komen overeen met de gemaakte afspraken in de Regionale uitvoeringsagenda en zien toe op:

  • Deprogrammeren van bestaande plannen
  • Creëren van voorzienbaarheid
  • Verplichte Ladder-toets bij nieuwe plannen / initiatieven
  • Actieve leegstandsaanpak
  • Versterken vitale kleine kernen
  • Deprogrammeren van harde plancapaciteit

Doorwerking plangebied

De branche dagelijks (waar de Aldi onder valt) heeft een koopkrachtbinding van circa 90% (zie ook de toelichting op de koopkrachtbinding in bijlage 2). Zoals bij de detailhandelsvisie al is beschreven, heeft de nieuwe vestiging van de Aldi een maximaal bvo van 1.650 m2. Gezien beide factoren, kan het plan gezien worden als een ontwikkeling met lokale betekenis (onder de grens van 2.500 m2 en koopkrachtbinding meer dan 70%). Regionale afstemming is daarom niet noodzakelijk. Omdat de gemeente Alphen-Chaam binnen het verzorgingsgebied is gelegen, heeft wel afstemming met deze gemeente plaatsgevonden. Het initiatief is ook afgestemd met Gilze-Rijen (in het kader van de ambtelijke samenwerking tussen de ABG-gemeenten).

Enkele afspraken uit het afsprakenkader houden daarnaast verband met de voorgenomen ontwikkeling. Het gaat hierbij om de leegstandsaanpak, een verplichte laddertoets bij nieuwe plannen, versterken vitale kernen en concentratie van winkels. Zie voor toetsing aan deze afspraken de toetsing in paragraaf 3.4.1 waar ook is ingegaan op deze onderwerpen.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau

Op 23 april 2025 heeft de gemeenteraad van de gemeente Baarle-Nassau de nieuwe omgevingsvisie 'Omgevingsvisie gemeente Baarle-Nassau Baarle BRUIST!' vastgesteld. De omgevingsvisie is een integrale visie met strategische hoofdkeuzen van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn. De omgevingsvisie zet een koers naar 2040. De omgevingsvisie vervangt na vaststelling de eerdere ‘Omgevingsvisie Baarle-Nassau’, die onder de werking van de Wet ruimtelijke ordening tot stand is gekomen. De omgevingsvisie is beleidsarm opgesteld. Enkel een beperkt aantal thema’s omvatten nieuw beleid: transitie buitengebied, woningbouw, gezondheid en de energietransitie en duurzaamheid.

Ten aanzien van de kern Baarle-Nassau streeft de gemeente naar een prettig en gezond woon- en leefklimaat voor jong en oud, met bereikbare voorzieningen zoals winkels, sport en onderwijs. De focus ligt dan ook op een duurzame exploitatie van voorzieningen en het zoeken van slimme verbindingen tussen partners en voorzieningen. Voor het centrum wordt ingezet op een compleet en kwalitatief goed aanbod van winkels, horeca en voorzieningen. Daarbij worden functies die het centrum versterken geconcentreerd. Functies die niet bijdragen aan deze versterking kunnen elders in de bebouwde kom gehuisvest worden. De gemeente wil ontwikkelingsruimte bieden zodat winkels en voorzieningen toekomstbestendig blijven.

In de visie zijn in paragraaf 3.6 specifieke doelen voor het bedrijventerrein van Baarle-Nassau opgenomen. Er wordt ingezet op een vitaal terrein waarbij ruimte is voor bedrijvigheid die niet in het centrum- of woongebieden gehuisvest kan worden. Er wordt actief gewerkt aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat met en voor het (lokale) midden- en kleinbedrijf. Op pagina 53 van de visie is specifiek het volgende opgenomen:

"Het uitgangspunt blijft dat op het bedrijventerrein geen functiemenging plaatsvindt, met uitzondering van grootschalige detailhandel. Mocht er behoefte ontstaan aan transformatie van dat deel van het bedrijventerrein dat tegen woonbebouwing is gelegen, dan kan daar functiemening een oplossing bieden. Voorwaarden zijn:

  • geen vraag naar gebruik van een dergelijke locatie voor bedrijven;
  • niet-bedrijfsfuncties mogen het functioneren van het bedrijventerrein niet in de weg staan;
  • de nieuwe functie kan niet elders in de bebouwde kom worden gehuisvest."

De locatie Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a komt in aanmerking voor transformatie of functiemenging. De locatie ligt in een overgangsgebied direct naast woningen, waardoor hier geen (middelzware) bedrijvigheid gevestigd kan worden die zich niet verhoudt tot de woonfunctie. Bovendien is de locatie verouderd. Met de opening van de nieuwe Randweg in Baarle-Nassau is het accent van het bedrijventerrein ten behoeve van bedrijven in hogere milieucategorieën verschoven richting het oosten, waar uitbreiding van het bedrijventerrein plaatsvindt. Ook aan de noordzijde van het bedrijventerrein is Baarle-Hertog bezig met de voorbereidingen voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein. In de directe omgeving van de projectlocatie worden in beperkte mate bedrijfsfuncties afgebouwd. Er is een principebesluit genomen om de locatie (Industrieweg 2/2a) van garagebedrijf De Jong (tegenover de projectlocatie) te transformeren tot woningbouw. Ook is op de projectlocatie een kringloopwinkel gevestigd en is grootschalige detailhandel mogelijk. Gezien de ligging naast woongebieden is ter plaatse van het projectgebied feitelijk sprake van een gemengd gebied als buffer tussen het woongebied en het bedrijventerrein. De vestiging van een supermarkt op de locatie Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a zal geen afbreuk doen aan het functioneren van het bedrijventerrein en zorgt bovendien voor behoud van werkgelegenheid.

Met de beoogde ontwikkeling wordt het mogelijk om de hard discount-supermarkt Aldi te behouden voor de inwoners van Baarle-Nassau. Daarmee blijft het winkelaanbod op sterkte én toekomstbestendig. Op de huidige locatie is de benodigde uitbreiding niet mogelijk, en is daarmee niet toekomstbestendig.

Op de beoogde locatie kan een moderne supermarkt gerealiseerd worden, op een goed bereikbare locatie waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande stedelijke gronden. De locatie ligt op een randzone van woongebieden en het bedrijventerrein en er is door de ligging, omvang en gesteldheid van de locatie functiemenging met behoud van voorzieningen en werkgelegenheid mogelijk. In deze motivering wordt aangetoond dat de winkel het functioneren van andere bedrijven op het bedrijventerrein niet in de weg staat (zie paragraaf 4.7). In Bijlage 2 is onderbouwd dat de functie niet elders binnen de bebouwde kom gehuisvest kan worden en dat de nieuwe locatie een geschikte locatie is voor de noodzakelijke schaalvergroting van Aldi.

3.5.2 Beleid bedrijventerrein

Het gemeentelijk beleid is gericht op een effectief gebruik van het bedrijventerrein bij de kern Baarle-Nassau. Dit is opgenomen op pagina 77 en 80 in de toelichting van het bestemmingsplan “Dorpen”.

Het gemeentelijk beleid van Baarle-Nassau is dat bedrijven met een milieucategorie 1 en 2 inpasbaar zijn binnen een woonomgeving. Milieucategorie 3 en hoger niet. Deze dienen gevestigd te worden op een bedrijventerrein zoals dat in de kern Baarle-Nassau. De maximale toegestane milieucategorie op het bedrijventerrein is in principe categorie 3.2. Voor het deel van het bedrijventerrein dat ten westen van de Smederijstraat is alleen vestiging van bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2 toegestaan vanwege de korte afstand tot de woonbebouwing. In deze strook zijn in de huidige situatie twee bedrijven gevestigd met een hogere milieucategorie (3.2). Beide bedrijven zijn specifiek op de plankaart aangeduid.

Uit het bovenstaande blijkt de beleidslijn dat de gemeente categorie 1 en 2 bedrijven in principe niet wenst te vestigen op het bedrijventerrein van Baarle-Nassau, behalve ten westen van (het verlengde van) de Smederijstraat. In verband met aangrenzende woonbebouwing is daar wel categorie 1-2 bedrijvigheid gewenst in plaats van categorie 3. De locatie Industrieweg/Oordeelsestraat is gelegen ten westen van het verlengde van de Smederijstraat. Op grond van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering behoren supermarkten tot categorie 1. Gelet hierop past een supermarkt binnen de door de gemeente Baarle-Nassau gehanteerde indeling van het bedrijventerrein van Baarle-Nassau.

Uit het bovenstaande blijkt tevens de beleidslijn dat bedrijven uit milieucategorie 3, voor zover gelegen ten westen van (het verlengde van) de Smederijstraat, worden voorzien van een 'uitsterfconstructie'. Deze bedrijven krijgen een maatwerkbestemming, zodat zich daar géén cat. 3 bedrijven in het algemeen kunnen vestigen. Als dat specifieke bedrijf weggaat, bestaat de mogelijkheid daar cat. 1 – 2 bedrijvigheid te vestigen. Door de verplaatsing van Aldi naar de Industrieweg 5 wordt een daar juist onwenselijk bevonden metaalbewerkingsbedrijf (milieucategorie 3.2, zie Bp Dorpen, 1e herziening) 'wegbestemd'. De verplaatsing van Aldi draagt bij aan het gemeentelijke beleid tot het effectief benutten van het bedrijventerrein van Baarle-Nassau.

3.5.3 Verkeersaspecten

3.5.3.1 Verkeersgeneratie en -afwikkeling

Het plangebied ligt aan de Industrieweg die via de rotonde aansluit op de Alphenseweg die op zijn beurt weer aansluit op de provinciale weg N260. De locatie ligt daarnaast aan de rand van de kern Baarle-Nassau op een afstand van minder dan 500 meter tot het centrum. Daarmee is de locatie zeer goed bereikbaar.

Het opheffen van de supermarkt in het centrum en de hervestiging op het bedrijventerrein hebben invloed op de verkeerssituatie. Voor de berekening van de verkeersgeneratie van beide ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de publicatie 744 van het CROW (Kencijfers parkeren en verkeergeneratie) uit 2024. In die publicatie zijn verschillende woonmilieutypes en verstedelijkingsgraden onderscheiden. Om het juiste kencijfer te bepalen wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit het gemeentelijk parkeerbeleid (Nota Parkeernormen 2011), waarin de parkeernormen ook zijn gerelateerd aan de kencijfers van het CROW. De gemeente Baarle-Nassau wordt volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek aangemerkt als een 'weinig stedelijk gebied' en voor de kern Baarle-Nassau geldt het woonmilieutype 'restgebied van de bebouwde kom'. Binnen de bandbreedte van het kencijfer wordt in verband met het relatief hoge autobezit het maximum aangehouden.

In publicatie 744 wordt geen onderscheid gemaakt in een hard discount-supermarkt of een fullservice supermarkt. Worst-case wordt hierna dan ook uitgegaan van een full-service supermarkt. Worst-case omdat op basis van praktijkervaringen blijkt dat een full-service supermarkt (veel) meer verkeer genereert en parkeerbehoefte heeft dan een hard discount-supermarkt. Dat verschil wordt vooral veroorzaakt doordat consumenten vaker bij een full-service supermarkt komen, ook voor kleinere boodschappen. Bij hard discount-supermarkten worden eens in de 1 à 2 weken grootschalige inkopen gedaan, terwijl een full-service supermarkt meerdere keren per week worden bezocht.

Locatie Stationsstraat

Met het plan zal de bestaande supermarkt aan de Stationsstraat komen te vervallen en wordt de vrijgekomen ruimte ingevuld door overige centrumfuncties. Op basis van bovenstaande uitgangspunten is voor een fullservice-supermarkt een verkeersgeneratie berekend van 155,5 mvt/etmaal per 100 m² bvo. Voor overige centrumfuncties (dorpscentrum) bedraagt de verkeersgeneratie 79,4 mvt/etmaal per 100 m² bvo. Een werkdag met koopavond, een zaterdag en de koopzondagen zijn dagen met de grootste verkeersgeneratie.

Enerzijds neemt de verkeersgeneratie als gevolg van het opheffen van de supermarkt af, anderzijds zal de verkeersgeneratie toenemen met de invulling met overige centrumfuncties. Per saldo leidt dit tot een netto afname van de verkeersgeneratie van ((575/100) * (155,5-79,4)= 437,6 mvt/etmaal.

Via het Nationaal Dataportaal Wegverkeer (NDW) zijn betrouwbare schattingen bekend op Van de Stationsstraat. De intensiteit op de Stationsstraat is circa 2.100 motorvoertuigen/werkdag. Daaruit blijkt dat dit een weg in de bebouwde kom is met een ontsluitende functie. Het verkeer verdeelt zich hier in verschillende richtingen. Omdat met het plan sprake is van een afname van verkeersgeneratie, zijn er ter hoogte van de locatie Stationsstraat geen doorstromings- of verkeersveiligheidsknelpunten te verwachten.

Locatie Industrieweg

Voor de nieuwe supermarkt van 1.650 m2 bedraagt de verkeersgeneratie ((1650/100) * 155,5 =) 2.565,8, afgerond 2.566 mvt/etmaal. Vanwege de opheffing van de bedrijfsfuncties (Kringloopwinkel met een bvo van 550 m² en LION met een bvo van 1.220 m2), kan hiervan het volgende aantal mvt/etmaal worden afgetrokken:

  • Voor de Kringloopwinkel zijn de kencijfers verkeersgeneratie van een vergelijkbare functie, namelijk groothandel, gebruikt: 51,1 mvt/etmaal/100 m² bvo = 51,1 x 5,5 = 281 mvt/etmaal;
  • Voor LION zijn de kencijfers verkeersgeneratie gebruikt voor een arbeidsintensief/bezoekers extensief bedrijf: 10,9 mvt/etmaal 100 m² bvo = 12,2 x 10,9 = 133 mvt/etmaal.

In totaal kunnen er dus 414 mvt/etmaal van worden afgetrokken. De netto toename komt daarmee op (2566-414=) 2.152 mvt/etmaal.

3.5.3.2 Verkeerstoedeling

Het grootste deel van het verkeer van de nieuwe Aldi zal worden afgewikkeld via de Industrieweg op de Alphenseweg en de Oordeelsestraat. Het verkeer zal zich hier verspreiden naar de kern Baarle-Nassau (westelijke richting) en richting de nabij gelegen kernen in Nederland en België (oostelijke richting). Voor de verdeling is onder andere gebruik gemaakt van figuur B1.3 van Bijlage 1 van het ruimtelijk economisch onderzoek zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting, waaruit blijkt dat de herkomst van de klanten niet fundamenteel zal wijzigen. Zie figuur 3.2 voor een illustratie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0018.png"

Figuur 3.2: Omzetherkomst Aldi Baarle-Nassau (Bron: Markteffect, 2024)

Verondersteld is dat klanten uit Baarle Hertog en Baarle Nassau 1/3 minder vaak met de auto naar de Aldi reizen dan klanten van elders. Bekend is dat voor afstanden van minder dan 1 kilometer lopen en fietsen een veel grotere modal share van reizen naar een supermarkt innemen dan voor langere afstanden. Een groot deel van de bebouwde kom van Baarle is zowel op de oude als op de nieuwe locatie binnen deze afstand te bereiken. Daarom wegen de klanten uit Baarle iets lichter in de verkeerstoedeling, en de klanten van elders juist zwaarder. Via Google Maps is bepaald via welke routes de nieuwe locatie vanuit de diverse plaatsen waar klanten vandaan komen het snelst te bereiken is. De verkeerstoedeling zal daarbij als volgt zijn:

  • De Alphenseweg richting Alphen zal 608 van de 2.152 bewegingen opnemen.
  • De Alphenseweg in de richting van het centrum zal 174 circa mvt/etmaal ontvangen.
  • De Generaal Maczeklaan krijgt door de toevoeging van de Aldi naar verwachting 800 extra bewegingen te verwerken.
  • De Industrieweg en Oordeelsestraat krijgt 572 gemotoriseerde verkeersbewegingen te verwerken vanwege de beoogde Aldi.

Zie voor een illustratie figuur 3.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0019.png"

Figuur 3.3: Verkeerstoedeling vanuit nieuwe supermarktlocatie

Per saldo leidt de ontwikkeling tot een toename van circa 1.582 mvt/etmaal op de rotonde (608 + 174 + 800) en circa 572 mvt/etmaal van en naar de Oordeelsestraat.

3.5.3.3 Verkeersintensiteiten

Tabel 4.1 laat zien wat de verkeersintensiteiten zijn van de verschillende rotonde takken in de autonome situatie 2019, 2030 en 2040 (bron: BBMA 2022) en de toevoeging van het plan.

Tabel 3.1: verkeersintensiteiten rotonde

  2019   2030   2040   toename door Aldi  
Generaal Maczeklaan   3.600   3.600   3.700   800  
Alphenseweg richting Alphen   6.500   7.100   7.700   608  
Alphenseweg richting Baarle   4.300   5.000   5.400   174  
Industrieweg   3.800   4.100   4.300   1.582  

Let erop dat dit intensiteiten op de takken zijn van én naar de rotonde. Voor het verkeer op de rotonde moeten de aantallen door 2 worden gedeeld.

Uit de verkeerstoedeling is te herleiden dat de ontwikkeling van de Aldi voor circa 1.582 mvt/etmaal extra verkeer op de rotonde Industrieweg/Alphensebaan/Generaal Maczeklaan zorgt. De overige 572 mvt/etmaal ontsluiten via de Oordeelsestraat richting Baarle-Hertog.

3.5.3.4 Beoordeling verkeersafwikkeling

Verkeersafwikkeling rotonde

In 2019 is de som van de toeleidende wegen van de rotonde in de autonome situatie circa 9.000 mvt/etmaal. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling komen daar nog circa 1.582 mvt/etmaal bij. Daarmee komt de som van de toeleidende wegen uit op circa 10.582 mvt/etmaal zijn. De capaciteit van een enkelstrooksrotonde is ligt op 20.000 – 25.000 mvt/etmaal als som van de toeleidende wegen.

Met de verwachte verkeersintensiteit na planbijdrage (10.582 mvt/etmaal), is de capaciteit ruim voldoende.

In 2030 zal de verkeersintensiteit volgens het verkeersmodel toenemen tot 9.900 mvt/etmaal, en in 2040 tot 11.700 mvt/etmaal in de autonome situatie. Ook bij deze verkeersintensiteiten leidt de toevoeging van circa 1.582 mvt/etmaal als gevolg van het plan niet tot knelpunten. In 2030 komt deze uit op 11.482 mvt/etmaal (9.900 + 1.582) en in de 2040 komt deze uit op 13.282 mvt/etmaal (11.700 + 1.582). Daarmee passen deze intensiteiten ruimschoots binnen de capaciteit van een enkelstrooksrotonde van 20.000 tot 25.000 mvt/etmaal.

Verkeersafwikkeling Oordeelsestraat

Het restant van de extra verkeersgeneratie, 538 mvt/etmaal, zal dus via de Industrieweg naar de Oordeelsestraat worden afgewikkeld. De Oordeelsestraat is een gebiedsontsluitingsweg; de weg heeft een (enigszins vervaagde) rijrichtingsscheiding en fietsen is er niet toegestaan op de hoofdrijbaan, maar enkel op een ventweg. Conform de principes van Duurzaam Veilig zou deze weg zeker 6.000 mvt/etmaal moeten kunnen verwerken. Na planrealisatie kent deze weg nog een restcapaciteit van meer dan 1.000 mvt/etmaal.

  • 2019: 3.800 + 572 = 4.372 mvt/etmaal;
  • 2030: 4.100 + 572 = 4.672 mvt/etmaal;
  • 2040: 4.300 + 572 = 4.872 mvt/etmaal.

Conclusie verkeersafwikkeling

Gesteld kan worden dat de verkeersafwikkeling als gevolg van het plan niet leidt tot knelpunten.

3.5.3.5 Beoordeling verkeersveiligheid

De beoordeling van de verkeersveiligheid richt zich op het wegvakniveau van de wegen waarover de beoogde planontwikkeling zal worden ontsloten. De verkeersveiligheid wordt beoordeeld op de principes van Duurzaam Veilig. Daarbij wordt gekeken in hoeverre er sprake is van een evenwichtige verhouding tussen gebruik, inrichting en functie van de weg.

De wegen die beoordeeld zijn, zijn de wegen die aantakken op de rotonde Alphenseweg – Industrieweg. Dit betreft de volgende wegen:

  • Alphenseweg richting Alphen;
  • Generaal Maczeklaan;
  • Alphenseweg richting Baarle;
  • Industrieweg.

De Alphenseweg richting Alphen is voorzien van vrijliggende fietspaden. Een hoge intensiteit zal daarom wellicht tot congestie leiden, maar niet tot veiligheidsproblemen.

Behalve de Alphenseweg richting Alphen zijn alle genoemde wegen gecategoriseerd als erftoegansgweg. De Alphenseweg richting Baarle is weliswaar gecategoriseerd als erftoegangsweg, maar heeft qua vormgeving met parkeren in langsparkeervakken, fietssuggestiestroken en een rijbaanbreedte van bijna 8.00 meter, meer weg van een gebiedsontsluitingsweg.

De Generaal Maczeklaan is 7,5m breed, de Industrieweg/Oordeelsestraat hebben beide een rijbaanbreedte van circa 6.50m. Zij kunnen daarmee normaal gesproken ongeveer 6.000 mvt/etmaal verwerken zonder dat dit leidt tot knelpunten. Na plan ontwikkeling zal de verkeersintensiteit in 2040 op deze wegen liggen op circa 4.900 mvt/etmaal (Industrieweg) en 4.600 mvt/etmaal (Generaal Maczeklaan) . Daarmee ligt de intensiteit ruim onder de verwachte capaciteit en zijn geen knelpunten te verwachten maximale op deze wegen.

De intensiteit op de Alphenseweg richting het centrum in 2040 ligt na planontwikkeling op circa 5.700. De capaciteit van deze weg, die meer weg heeft van een gebiedsontsluitingsweg, ligt tussen de 6.000 en 15.000 mvt/etmaal. Naast dat de weg het karakter heeft van een gebiedsontsluitingsweg heeft deze wel degelijk ook een verblijfskarakter vanwege de aanwezigheid van erfontsluitingen. Daarom wordt voor de capaciteit van deze weg aangehouden dat deze ligt op iets meer dan 6.000. De verkeersintensiteiten in 2040 na planbijdrage komt uit op circa 5.700 mvt/etmaal. Daarmee kan gesteld dat de verkeersveiligheid na planbijdrage niet leidt tot knelpunten.

Uitrit parkeerterrein

Het perceel behorende bij de nieuwe Aldi wordt ontsloten via de Industrieweg. De op- en afrit is gesitueerd op voldoende afstand tot de bestaande rotonde met de Alphensebaan. Immers zoals eerder is beschreven heeft de rotonde zoveel overcapaciteit dat het verkeer goed kan doorstromen en er geen wachtrijen te verwachten zijn. Hierdoor zijn conflicten met verkeer dat het parkeerterrein van de Aldi wil op- of afrijden niet te verwachten.

Voor fietsers wordt de Aldi direct ontsloten op de rotonde, zoals te zien is in figuur 2.7. Een oversteek nabij de rotonde zorgt ervoor dat de snelheid van het gemotoriseerd verkeer laag ligt, ook op momenten dat er weinig verkeersaanbod is. Bovendien minimaliseert een rotonde het aantal potentiële conflictpunten op het betreffende kruispunt.

Laden en lossen

De laad- en loszone van de nieuwe Aldi is gesitueerd aan de oostzijde van het plangebied. Vrachtwagens rijden vanaf de Industrieweg vooruit het parkeerterrein van de Aldi op om aan de achterzijde (oostzijde) achteruit de laad- en loszone in te rijden. Zie figuur 2.7 in paragraaf 2.2.4 voor een illustratie van de locatie van de parkeerplaatsen en de laad- en loszone.

De nieuwe supermarkt zal 6 dagen in de week (ma t/m za) worden bevoorraad. Deze bevoorrading vindt plaats door (worst-case) maximaal 3 vrachtwagens per dag:

  • Bakker 1x per dag, vroeg rond 7u;
  • Koelwagen 1x per twee dagen;
  • Overig 1x per twee dagen.

Vrachtwagens rijden dus vooruit het parkeerterrein van de Aldi op en rijden aan de oostzijde vervolgens achteruit het beoogde losdok in. Er is dus geen sprake van stilstaand of achteruitrijdend vrachtverkeer op de Industrieweg. Een belevering door (maximaal) 3 vrachtwagens per dag is acceptabel en verkeersveilig.

3.5.3.6 Parkeren

Stationsstraat 29

Op het gedeelte van het parkeerterrein direct achter de supermarkt bevinden 28 parkeerplaatsen. De huidige winkel heeft een bruto vloeroppervlak van 850 m². Op basis van de parkeernormen van de gemeente geldt een parkeernorm van 4,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Dat komt voor de bestaande winkel neer op een parkeerbehoefte van 34 parkeerplaatsen. Het parkeerterrein wordt echter gedeeld met de overige functies in het centrum van Baarle-Nassau waaronder een full-service supermarkt (Albert-Heijn). Deze winkel heeft een bvo van 1.175 m² met een bijbehorende parkeerbehoefte van 47 parkeerplaatsen. Aan de voorzijde van de Albert Heijn is een parkeerterrein gesitueerd met circa 54 parkeerplaatsen. Samen met het parkeerterrein achter de Aldi hebben de beide supermarkten de beschikking over 82 parkeerplaatsen. De beide supermarkten hebben een parkeerbehoefte van 81 parkeerplaatsen. Bij de berekening van de parkeerbalans is het gebruikelijk om een bezettingsgraad van maximaal 85% te hanteren. 85% van 82 parkeerplaatsen komt neer op 70 parkeerplaatsen. Daarmee is sprake van een tekort van 11 parkeerplaatsen. Bovendien zijn er nog meer functies in het kernwinkelgebied, zoals Wibra, Pour vous Madame, de bakkerij en de fietsenzaak. Daarmee loopt het tekort aan parkeerplaatsen nog verder op en is aangetoond dat er al in de bestaande situatie een tekort is aan parkeerplaatsen.

Ter plaatse van de Stationsstraat 29 wordt de functie supermarkt in dit TAM-omgevingsplan uitgesloten. In de nieuwe situatie mogen wel andere detailhandels- en centrumfuncties worden gehuisvest maar een supermarkt is hier dus niet langer toegestaan.

Voor detailhandel geldt volgens de parkeernormen van de gemeente Baarle-Nassau een parkeernorm van 4,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Benadrukt wordt dat deze norm geldt voor detailhandel in zijn algemeenheid.

De achterblijvende locatie kan, op basis van de nieuwe regeling, weer worden ingevuld met detailhandel (niet zijnde supermarkt), dienstverlening en kantoren. Conform de Nota parkeernormen van de gemeente is detailhandel de functie die zorgt voor de meeste parkeerdruk (4,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo). Dienstverlenende bedrijven en kantoren zorgen voor een parkeervraag van respectievelijk 2,4 en 1,6 parkeerplaatsen per 100 m² bvo.

De aanwezige parkeervoorziening in de nabijheid van het plangebied aan de Stationsstraat blijft gehandhaafd voor de centrumvoorzieningen in Baarle-Nassau. Daarin zijn geen wijzigingen voorzien. Dit grote parkeerterrein voor is bedoeld voor centrumbezoekers en kan ook voor parkeren ten behoeve van de huidige Aldi worden gebruikt. Dit is echter niet wenselijk aangezien hiervoor de Stationsstraat overgestoken worden. Dit creëert onveilige situaties, is niet gebruiksvriendelijk voor het gebruik van winkelwagens en kan voor overlast zorgen. Voor een nadere toelichting hierop, zie ook bijgevoegde verkeersnotitie (bijlage 1) waarin de knelpunten in de huidige situatie zijn beschreven

Parkeren vindt in de bestaande situatie voornamelijk plaats aan de achterzijde van de winkel en aan de overzijde van de straat (parkeren aan de overzijde van de straat voor bezoekers van een supermarkt heeft overigens niet de voorkeur aangezien mensen dan met de winkelwagen een drukke straat moeten oversteken. Dit kan voor onveilige situaties en overlast zorgen).

Op het binnenterrein direct grenzend aan de winkel bevindt zich een afgesloten parkeerterrein met 28 parkeerplaatsen. De huidige winkel heeft een bruto vloeroppervlak van 850 m². Op basis van de parkeernormen van de gemeente geldt een parkeernorm van 4,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Dat komt voor de bestaande winkel neer op een parkeerbehoefte van 34 parkeerplaatsen.

Het parkeerterrein wordt echter gedeeld met de overige functies in het centrum van Baarle-Nassau waaronder een full-service supermarkt (Albert-Heijn). Deze winkel heeft een bvo van 1.175 m² met een bijbehorende parkeerbehoefte van 47 parkeerplaatsen. Aan de voorzijde van de Albert Heijn is een parkeerterrein gesitueerd met circa 54 parkeerplaatsen. Samen met het parkeerterrein achter de Aldi hebben de beide supermarkten de beschikking over 82 parkeerplaatsen.

De beide supermarkten hebben een parkeerbehoefte van 81 parkeerplaatsen. Er zijn echter nog meer functies in het kernwinkelgebied, zoals Wibra, Pour vous Madame, de bakkerij en de fietsenzaak waarvoor de beschreven parkeerplaatsen worden gebruikt, dus is er te verwachten dat er nu een tekort is aan parkeerplaatsen

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de functiewijziging ter plaatse van de achterblijvende locatie aan de Stationsstraat 29 niet zal zorgen voor een hogere parkeerdruk dan al bestaand. Indien hier een dienstverlenend bedrijf of kantoor zal vestigen zal de parkeerdruk afnemen.

Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a

Gelet op de functie die de nieuwe Aldi zal vervullen is ervoor gekozen om deze gronden te bestemmen als 'Detailhandel'. Dit betekent dat de volgende berekening gemaakt kan worden:

Conform de parkeernormen van de gemeente Baarle-Nassau geldt voor de detailhandel (waaronder ook een supermarkt) een parkeernorm van 4,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Met een maximaal bruto vloeroppervlak van 1.650 m² bedraagt de parkeerbehoefte 66 parkeerplaatsen. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 87 parkeerplaatsen op eigen terrein. Dit is te zien in figuur 2.7. Daarmee wordt met een overcapaciteit van 16 parkeerplaatsen voldaan aan de parkeernorm.

Van de parkeerplaatsen moeten er 2 vakken worden gereserveerd voor het laden van elektrische auto's. Ook moeten er twee plaatsen voor minder validen worden ingericht.

3.5.3.7 Conclusie

Met de verplaatsing van de Aldi supermarkt vanuit het centrum van Baarle-Nassau naar de beoogde locatie op het bedrijventerrein neemt het verkeersaanbod en de parkeerdruk in het centrum van Baarle-Nassau niet toe. Aan de Industrieweg krijgt Aldi de beschikking over een goed bereikbare locatie met ruim voldoende parkeergelegenheid. De nieuwe vestiging zorgt voor een toename van het aantal motorvoertuigbewegingen in de omgeving, In ieder geval tot 2040 levert de extra belasting geen knelpunten op voor de verkeersveiligheid of verkeersafwikkeling. De oplossing voor laden en lossen zal geen gevaarlijke situaties zorgen en niet voor extra overlast zorgen ten opzichte van de huidige situatie.

3.5.4 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

3.5.4.1 Wettelijk kader

Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij een wijziging van het omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals onder andere de energietransitie, circulariteit, duurzame mobiliteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit.

3.5.4.2 Toetsing

Binnen het projectgebied wordt ruimte gereserveerd voor beplanting en waterberging, wat positief bijdraagt aan de beleving, het tegengaan van hittestress en de klimaatadaptieve inrichting van het terrein. Daarnaast wordt hiermee de biodiversiteit versterkt.

Op basis van de zeer energiezuinige bouwstandaarden wordt bij de realisatie gestreefd naar het halen van het hoogst energielabel. Bij de realisatie van het nieuwe gebouw wordt ingezet op slim omgaan met energie. Nieuwe gebouwen zijn volledig gasloos. Het pand wordt verwarmt via de warmte die vrijkomt uit de koeltechniek. De verlichting wordt op een slimme manier geregeld zodat deze alleen aan staat wanneer het moet en ook gedimd kan worden. Op het pand wordt daarnaast voorzien in zonnepanelen. Bij de materiaalkeuze wordt gekeken hoe rekening kan worden gehouden met circulariteit en hergebruik aansluitend op de gemeentelijke lijnen voor een circulaire economie.

Ingezet wordt op duurzame mobiliteit door fietsverkeer te faciliteren met fietsenstallingen. Bij de supermarkt zijn daarnaast voldoende (groene) parkeerplaatsen met elektrische laadpalen aanwezig.

Bij het ontwerp dient rekening gehouden te worden met klimaatverandering en de daarbij horende extreme weersomstandigheden zoals hittestress, droogte en extreme neerslag. Door de inrichting van lagere maaiveldhoogtes bij de beplantingsvakken en opvangvoorzieningen wordt voorkomen dat bij extreme neerslag wateroverlast ontstaat, zowel op het eigen perceel als in de omgeving. Water wordt waar mogelijk bovengronds geïnfiltreerd of geborgen. Er is voldoende bergingscapaciteit voorzien conform de gemeentelijke normen (78 mm bij toename van verharding, 7 mm bij vervanging).

Bij de inrichting van het terrein en gebouw wordt gestreefd naar een natuurinclusief, biodivers en klimaatbestendig geheel met onder andere schaduwgevende bomen en ecologisch waardevolle (gebiedseigen) beplanting. Dit draagt bij aan waterinfiltratie, hittestressreductie en ecologische waarde. Er worden voorzieningen getroffen voor dieren, insecten en andere soorten in lijn met de uitkomsten van het ecologisch onderzoek. Daarbij wordt aangesloten op bestaande groenstructuren in de omgeving. De gemeentelijke groenvisie Grenzeloos Groen biedt hierbij richting voor samenhang met de omgeving en het benutten van koppelkansen voor biodiversiteit.

Bij de invulling van dit thema wordt aangesloten bij het gemeentelijk beleid, waaronder de Strategie Duurzaamheid Baarle-Nassau, Groenvisie Grenzeloos Groen en de intern gehanteerde Handreiking Duurzaam Bouwen.

3.5.4.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect duurzaamheid en vormt dit aspect geen belemmering voor de ontwikkeling.

3.6 Beoordelingsregels en ETFAL

3.6.1 Beoordelingskader

Voor het beoordelen van het wijzigen van een omgevingsplan gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL).

Daarnaast zijn in het Bkl de volgende beoordelingsregels opgenomen:

    • 1. Instructieregels rijk
    • 2. Instructieregels provincie
    • 3. Instructies rijk en instructies provincie
    • 4. Voorbereidingsbesluiten
    • 5. Projectbesluiten
    • 6. Maatwerkregel

De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze gelden voor omgevingsplannen. Hieronder wordt de toetsing van het project aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan.

3.6.2 Afweging instructieregels Bkl

Voor de volgende thema's wordt in tabel 3.2 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet:

Tabel 3.2: Instructieregels Bkl

Thema   Afdelingen en paragrafen Bkl   Relevant voor de ontwikkeling  
Dienstenrichtlijn
 
§ 5.1.1. Algemene bepalingen
artikel 5.1a.  
Ja, zie paragraaf 7.2  
Omgevingsveiligheid   § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid   Ja, zie hoofdstuk 6  
Water   § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen   Ja, zie hoofdstuk 5  
Luchtkwaliteit   § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht   Ja, zie paragraaf 4.4  
Geluid door activiteiten   § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten   Ja, zie paragraaf 4.2  
Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen   § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen   Ja, zie paragraaf 4.1  
Geluid rond luchthavens   § 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens   Nee, de projectlocatie ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven.  
Trillingen   § 5.1.4.4. Trillingen   Nee, de projectlocatie ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier in beginsel zelf ook niet in.  
Slagschaduw van windturbines   § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines   Nee, in de omgeving van de projectlocatie komen geen windturbines voor.  
Bodemkwaliteit   § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit   Ja, zie paragraaf 4.3  
Geur   § 5.1.4.6. Geur   Ja, zie paragraaf 4.5  
Cultureel erfgoed (aardkunde, archeologie en cultuurhistorie)   § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed   Ja, zie paragraaf 7.1  
Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied   § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed   Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij de kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied.  
Ladder voor duurzame verstedelijking   § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking   Ja, zie paragraaf 7.2  
Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving   § 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies;
§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten  
Ja, zie paragraaf 3.2  
Aanwijzing woningbouwcategorieën   § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken   Nee, voor dit project is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen.  
Toegankelijkheid openbare buitenruimte   § 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen   Ja, zie paragraaf 7.4  

3.6.3 Afweging instructieregels provinciale omgevingsverordening

De provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels. In paragraaf 3.3.2 is de Omgevingsverordening van de provincie behandeld en zijn de relevante instructieregels benoemd. Voor zover deze instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving, wordt in hoofdstukken 4 t/m 10 aan deze instructieregels getoetst.

3.6.4 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema's komen terug in tabel 3.3.

Tabel 3.3: Thema's in het kader van ETFAL

Thema   Wettelijk kader   Relevant voor de ontwikkeling  
Gezondheid   § 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig.   Ja, paragraaf 4.8   
Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen   In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Nee, de projectlocatie maakt geen gevoelige functie mogelijk.  
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen   In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Nee, de projectlocatie maakt geen gevoelige functie mogelijk.  
Mobiliteit en parkeren
 
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Ja, zie paragraaf 3.5.3  
Natuurbescherming NNN   Afdeling 7.3 van het Bal.   Nee, de projectlocatie ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 8.4  
Ecologie: gebiedsbescherming   Afdeling 11.1 van het Bal.   Ja, zie paragraaf 8.2  
Ecologie: soortenbescherming   Afdeling 11.2 van het Bal.   Ja, zie paragraaf 8.3  
Ecologie: houtopstanden   Afdeling 11.3 van het Bal.   Nee, het projectgebied is gelegen binnen de bebouwingscontour voor houtkap waardoor in dit geval geen wettelijke bepalingen voor kappen en herplant gelden.  
Bezonning / schaduwhinder (niet zijnde slagschaduw windturbines)   In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Nee, gezien de aard en omvang van het project is onacceptabele schaduwhinder niet te verwachten.  
Windhinder   In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Nee, gezien de aard en omvang van het project is windhinder of windgevaar niet te verwachten.  
Lichthinder   In het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken.   Nee, binnen de projectlocatie worden geen activiteiten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling (bijvoorbeeld bedrijfsterrein, sportveld of glastuinbouw met assimilatieverlichting), anders dan reguliere straat- en erfverlichting en reclame-uitingen (waar regels voor gelden op basis van het tijdelijk omgevingsplan). Hinder van dergelijke activiteiten is niet te verwachten omdat deze niet in de omgeving voorkomen.  
Duurzaamheid en klimaatadaptatie   In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.   Ja, zie paragraaf 3.5.4  

Hoofdstuk 4 Bescherming van gezondheid en milieu

4.1 Geluid door wegen en spoorwegen

4.1.1 Inleiding

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm.

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn:

  • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
  • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
  • het bevorderen van bronmaatregelen;
  • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;
  • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Geluidproductieplafonds

Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken.

Geluidsgevoelige gebouwen

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de instructieregels, waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.1.2 Beoordeling/onderzoek

Een supermarkt betreft conform het Bkl geen geluidsgevoelig gebouw. Er hoeft daarom niet aan de geluidnormen getoetst te worden. Wel dient te worden beoordeeld of de beoogde ontwikkelingen zorgen voor een hoorbare toename van de geluidbelasting op de gevel van woningen langs omliggende wegen. Daarvan is sprake indien de geluidbelasting met 2dB toeneemt. Een dergelijke toename zal zich pas voor kunnen doen indien de verkeersintensiteiten op deze wegen met 25% of meer toenemen. In dat geval is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai (uitstralingseffecten) noodzakelijk.

In paragraaf 3.5.3.3 zijn de huidige en toekomstige intensiteiten ter plaatse van de ontsluitingsweg met tabel 3.1 inzichtelijk gemaakt. Gezien de intensiteiten en de toevoeging daarvan als gevolg van het planvoornemen, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een toevoeging van meer dan 25% van de verkeersintensiteit. Er is dan ook geen sprake van hoorbare uitstralingseffecten vanwege de toename van de verkeersintensiteiten.

4.1.3 Conclusie

Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen verantwoord om de beoogde functie aan de projectlocatie toe te delen.

4.2 Geluid door activiteiten

4.2.1 Inleiding

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 4.1.

Tabel 4.1 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

  07.00-19.00 uur   19.00-23.00 uur   23.00-07.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   50 dB(A)   45 dB(A)   40 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   70 dB(A)   70 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   65 dB(A)   65 dB(A)  

Tabel 4.2 Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

  07.00-19.00 uur   19.00-23.00 uur   23.00-07.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   35 dB(A)   30 dB(A)   25 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   55 dB(A)   55 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   45 dB(A)   45 dB(A)  

Voor een activiteit op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kunnen de waarden uit tabel 4.1 met 5 dB worden verhoogd voor geluidgevoelige gebouwen op datzelfde bedrijventerrein. In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan de binnenwaarden volgens tabel 4.2.

Voor activiteiten buiten het plangebied (zie ook paragraaf 4.7.1) gelden vanuit het omgevingsplan de regels van de Bruidsschat.

4.2.2 Beoordeling/onderzoek

Op de projectlocatie wordt geen geluidsgevoelig gebouw gerealiseerd. Daarnaast is de locatie niet gelegen op een gezoneerd bedrijventerrein of industrieterrein met geluidproductieplafond. Zoals ook in paragraaf 4.7 is toegelicht, is geen hinder te verwachten van de activiteiten binnen het projectgebied op de meeste omliggende woningen. Activiteiten waar geluid van afkomstig is zijn het parkeren, installaties bij de supermarkt en het laden en lossen van goederen. Gezien de aard en de omvang van de activiteiten zullen deze niet voor dermate veel geluid zorgen. Omliggende woningen zijn bovendien op meer dan 20 meter gelegen. Enkel de woning aan de Oordeelsestraat 7c is direct naast de locatie gelegen. Aan deze zijde van het plangebied wordt ook de laad- en losplaats voor vrachtwagens gerealiseerd. Om deze reden is een akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd, dat is toegevoegd als bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus dat ter plaatse van de woning aan de Oordeelsestraat 7c aan de geluidwaarden volgend uit het Omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau én de standaardwaarden volgend uit het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voldaan. Om dit te bereiken dienen wel enkele maatregelen te worden genomen. Om deze reden is besloten dat geen laden en lossen plaats zal vinden in de nachtperiode. In de regels is dit geborgd in paragraaf 5.2.2. Hier is vastgelegd:

  • a. Het laden en lossen van vrachtwagens is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de laad- en loszone die op de verbeelding van het TAM-omgevingsplan als zodanig is aangeduid;
  • b. Het laden en lossen van vrachtwagens vindt uitsluitend in de dagperiode (07:00 tot 19:00 uur) plaats;
  • c. Het afschermen van de laad- en loslocatie met een muur van 5,8 meter hoog bestaande uit gesloten metselwerk.
  • d. Het realiseren van een geluidscherm bestaande uit een Kokowall van 2 meter hoog.

Daarmee is geborgd dat aan de geluidwaarden uit het Omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau en/of de standaard en grenswaarden uit het Bkl zal worden voldaan.

4.2.3 Conclusie

Er is geen sprake van ontwikkeling van een gevoelige functie. Daarnaast wordt geen geluidhinder veroorzaakt op omliggende woningen. Het aspect 'geluid door activiteiten' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Bodemkwaliteit

4.3.1 Toetsingskader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw.

4.3.2 Onderzoek

Het planvoornemen voorziet in het mogelijk maken van een detailhandelsfunctie in de vorm van een supermarkt. Een supermarkt is niet per definitie een gevoeligere functie dan de huidige bedrijfsvorm. Aangezien voor de omgevingsvergunning voor het bouwen alsnog een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd, zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd voor zowel de Industrieweg 3/5 als de Oordeelsestraat 7a.

Industrieweg 3/5

De resultaten van het bodemonderzoek voor de Industrieweg 3/5 zijn opgenomen in de rapportage die als bijlage 4 bij dit TAM-omgevingsplan is gevoegd.

Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde of het geldend achtergrondgehalte overschrijdt.

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk sterk gleyhoudend.

De bovengrond is plaatselijk sterk puinhoudend. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak baksteenhoudend.

Bij de boring 1, 2, 3, 6 en 9 tot en met 15 is een laag volledig puin aangetroffen in de toplaag. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met zink en PCB. De lichte zinkverontreiniging houdt mogelijk verband met de resten puin, die in de bovengrond aangetroffen zijn.

In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Gezien het feit dat het grondwater zich dieper dan 5,0 m -mv bevindt, heeft er conform de NEN 5740 geen grondwateronderzoek plaatsgevonden.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.

Het puin is omstreeks 1999 toegepast en kan derhalve als onverdacht (<100 mg/kg d.s.) op het voorkomen van asbest worden beschouwd (conform NEN 5897, kans op aantreffen asbest: nihil, asbest concentratie: <10 mg/kg d.s.). Het uitvoeren van een onderzoek naar asbest in bodem/puin wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij het bevoegd gezag.

Oordeelsestraat 7a

De resultaten van het bodemonderzoek voor de Oordeelsestraat 7a zijn opgenomen in de rapportage die als bijlage 5 bij dit TAM-omgevingsplan is gevoegd.

Op basis van het onderzoek wordt de vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd, op basis van de lichte verontreinigingen in het grondwater, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie.

Asbest

De eerder aangetroffen puinlaag in het noorden is niet asbest verdacht (rapport 11172.001 d.d. 2 december 2019). Deze puinlaag is niet aangetroffen op de rest van het terrein van de onderzoekslocatie. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 is dan ook niet noodzakelijk.

Aangezien de houdbaarheid van de verkennende bodemonderzoeken aan de Industrieweg 3-5 is verlopen, is er een nieuw milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd (bijlage 6). Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat op de onderzoekslocatie géén potentiele bron van bodembelasting aanwezig is die in potentie geleid zou kunnen hebben tot een sterke verontreiniging (> Interventiewaarde).

4.3.3 Conclusie

De kwaliteit van de bodem staat de bestemmingswijziging niet in de weg.

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Voor NO2 en PM10 geldt als hoogste toelaatbare concentratie 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Voor PM2,5 geldt als hoogste toelaatbare concentratie 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit'
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
4.4.2 Onderzoek

In paragraaf 3.5.3 is berekend dat voor de nieuwe locatie de verkeersgeneratie op een werkdag met koopavond of een weekeinde circa 2.566 mvt/etm bedraagt (excl. saldering met huidige bestemming, dus worst-case). Er vindt bevoorrading plaats door maximaal 3 vrachtwagens per dag, wat daarmee maximaal 6 mvt/etmaal bedraagt.

Om eenvoudig en snel te bepalen of het plan in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht, is voor de grootste verkeerstoename de NIBM-rekentool toegepast. Daaruit blijkt het volgende:

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0020.png"

Figuur 4.1: Berekening bijdrage planvoornemen m.b.t. NIBM-rekentool (bron: NIBM-tool 14-04-2025)

Uit de ingevulde NIBM-rekentool blijkt dat de extra verkeersgeneratie niet in betekende mate bijdraagt (zie conclusie in groen gedeelte van figuur 4.1). Dat betekent dat aanvullend onderzoek in principe niet nodig is.

Voor de volledigheid heeft toch aanvullend onderzoek plaatsgevonden aan de hand van de CIMLK viewer. Uit de gegevens van de CIMLK viewer blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden momenteel niet overschrijden. Met de bijdrage van het planvoornemen aan de concentraties stikstofdioxide (0,73 µg/m³) en fijnstof (0,19 µg/m³) zoals weergegeven in figuur 4.2 komt de maximale bijdrage op:

  • Stikstofdioxide: 12,52 + 0,73 = 13,25 µg/m³;
  • Fijnstof: 15,11 + 0,19 = 15,30 µg/m³.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0021.png"

Figuur 4.2: Uitsnede CIMLK viewer, met het projectgebied rood omcirkeld en links de toetspunten aan het wegdeel 'Alphenseweg' (Bron: CIMLK viewer)

Tabel 4.3: Waarden CIMLK

Toetspunt:   Naamloos (locatie Alphenseweg, Baarle-Nassau: x: 123651.545233164
y: 384329.820467553)  
Monitoringsronde:   2023  
Monitoringsjaar   NO2-concentratie   PM10-concentratie   PM10-overschrijdingsdagen   PM2,5-concentratie  
2025   12,52 µg/m³   15,11 µg/m³   6   8,54 µg/m³  
2030   10,39 µg/m³   14,05 µg/m³   6   7,53 µg/m³  
Ten hoogst toelaatbaar
(art. 2.4 en 2.5 Bkl)  
40 µg/m³
kalenderjaargemiddelde  
40 µg/m³
kalenderjaargemiddelde  
35
dagen per kalenderjaar  
25 µg/m³
kalenderjaargemiddelde  

Geconcludeerd wordt dat de bijdrage dermate gering is dat nog ruimschoots aan de normen van 40 µg/m³ en 25 µg/m³ zoals weergegeven in tabel 4.3 wordt voldaan.

4.4.3 Conclusie

Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de functiewijziging niet in de weg.

4.5 Geur

4.5.1 Wettelijk kader

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering.

Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.

Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan.

Veehouderijen

In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:

  • Geurnormen in het omgevingsplan
  • Rekenen
  • Afstandeisen
  • Randvoorwaarden
4.5.2 Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Ook wordt niet voorzien in een geurgevoelig object.

4.5.3 Conclusie

Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect geur verantwoord om de beoogde functie aan de projectlocatie toe te delen.

4.6 Trillingen

4.6.1 Wettelijk kader

Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

4.6.2 Toetsing

In de nabije omgeving van het projectgebied liggen geen grote wegen, spoorwegen of industrie waar trillingen voor hinder kunnen zorgen binnen het projectgebied.

4.6.3 Conclusie

Vanwege het voorgaande is het ten aanzien van het aspect trillingen verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen.

4.7 Milieubelastende activiteiten

4.7.1 Toetsingskader

Binnen het omgevingsplan en bij het wijzigen of afwijken van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten.

Bedrijventerreinen zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan veelal gereguleerd volgens de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering (2009); het ruimtelijke spoor. Op basis van een SBI-code kan worden bepaald welke milieucategorie een bedrijf heeft. Als de bij deze milieucategorie behorende richtafstand in acht wordt genomen, geeft dit een goede indicatie of het bedrijf geen onaanvaardbare hinder veroorzaakt bij een woning. Daarnaast gelden de geluidnormen uit de bruidsschat, voorheen het Activiteitenbesluit milieubeheer (het milieuspoor).


De Omgevingswet brengt het ruimtelijke en milieuspoor bijeen. Dit is voor de VNG aanleiding geweest om de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering (2009) te herzien. De nieuwe VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering is het resultaat van deze herziening. Bij toepassing van de nieuwe handreiking krijgen bedrijven een beperkte milieugebruiksruimte toebedeeld.


De nieuwe handreiking is nadrukkelijk bedoeld voor het reguleren van bedrijfsmatige activiteiten op een nieuw bedrijventerrein of het omzetten van een bedrijventerrein naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Voor overige situaties kan de nieuwe handreiking niet worden gebruikt. Net als de oude handreiking is de nieuwe handreiking geen wettelijk verplicht document. Toepassing ervan is een keuze.


Aangezien de ontwikkeling wordt gerealiseerd op een bestaand bedrijventerrein dat is gereguleerd volgende de oude handreiking, heeft de nieuwe handreiking geen functie. Om een eerste indicatie te krijgen van de passendheid van een functie kunnen de richtafstanden gebruikt worden uit de oude handreiking. Indien niet afdoende een beeld kan worden gekregen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of functies niet worden gehinderd, dient nader onderzoek plaats te vinden.

4.7.2 Onderzoek

Op de locatie aan de Industrieweg/Oordeelsestraat wordt een supermarkt mogelijk gemaakt. De omgeving van de locatie kan worden gekenmerkt als omgevingstype 'gemengd gebied met wonen' door de aanwezigheid van zowel woonfuncties als bedrijfsfuncties. In de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009) wordt voor een supermarkt het volgende aangegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0022.png"

Figuur 4.3: Lijst met richtafstanden VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009)

Onder de Omgevingswet zijn voornamelijk de aspecten 'geluid' en 'geur' van belang in het kader van milieuzonering. Voor een supermarkt, die als bedrijfsactiviteit valt onder categorie 1, geldt voor geluid als richtafstand 10 meter en voor geur 0 meter. Aangezien het omgevingstype als 'gemengd gebied met wonen' getypeerd kan worden, kan de richtafstand met één stap worden verlaagd ten opzichte van een rustige woonwijk, omdat er al sprake is van een hogere milieubelasting door een matige tot sterke functiemenging. Daardoor is de grootste richtafstand 0 meter. Daarmee kan verondersteld worden dat de activiteit in veel gevallen geschikt zal zijn om zich te vestigen in het gebiedstype 'gemengd gebied met wonen'. Daardoor kan ervan uitgegaan worden dat de activiteiten geen hinder veroorzaken op het gebied van geur en geluid op de gevoelige functies in de omgeving, de woningen aan de Industrieweg en de bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 7c. Ook omdat in de huidige situatie conform het vigerende bestemmingsplan bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan behorende tot categorie 2. Deze activiteiten hebben als grootste richtafstand 30 meter.

Voor de volledigheid is het aspect geluid nog nader beschouwd. In de toekomstige situatie liggen de parkeerplaatsen op een afstand van minimaal 20 meter van geluidgevoelige objecten. Ook de ontsluiting van het parkeerterrein van de nieuwe supermarkt ligt op deze afstand. Van een onaanvaardbare geluidbelasting als gevolg van het parkeren (rijden, slaan van portieren en menselijk stemgeluid) is geen sprake.

De op- en afrit van het parkeerterrein is gelegen tegenover de autogarage A. de Jong. Hier is momenteel ook de op- en afrit van het voormalige bedrijf LION gesitueerd. De situering van de op- en afrit zal dan ook geen nadelige gevolgen hebben voor de woningen aan de Industrieweg 4 en 6.

De uitrit van het laad- en losperron is gesitueerd aan de oostzijde van de supermarkt. De laad- en losplaats is aan de noordzijde gepositioneerd en wordt ontsloten via de bestaande inrit aan de Industrieweg. Daarmee wordt zo veel mogelijk afstand tot de woning aan de Oordeelsestraat 7c aangehouden. De bebouwing zorgt daarbij voor een afschermende werking. Omdat sprake is van een relatief korte afstand tussen de laad- en losplaats en de woning (minder dan 10 meter) is aanvullend een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd om te verzekeren dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hieruit blijkt dat, met het nemen van enkele maatregelen, de waarden op de woning zullen voldoen aan de maximaal toegestane geluidniveaus (zie paragraaf 4.2.2).

De nieuwe supermarkt is geen milieugevoelige functie en wordt derhalve niet belemmerd door de aanwezigheid van de overige bedrijven op het bedrijventerrein. Andersom worden de bedrijven ook niet beperkt in hun bedrijfsvoering aangezien er geen milieugevoelig object wordt gerealiseerd.

4.7.3 Conclusie

In de omgeving van het plangebied zijn geen milieugevoelige functies aanwezig die een belemmering kunnen zijn voor de beoogde vestiging van de supermarkt. Omgekeerd is een goed woon- en leefmilieu ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen geborgd. Aan de geldende richtafstanden kan worden voldaan. Vanwege de korte afstand tot de woning aan de Oordeelsestraat 7c is aanvullend ene akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat, met het nemen van enkele maatregelen die zijn verankerd in de regels van dit TAM-omgevingsplan, de waarden op de woning aan de Oordeelsestraat 7c zullen voldoen aan de maximaal toegestane geluidniveaus. Daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Bestaande bedrijven worden niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het aspect milieuhinder vormt hierdoor geen belemmering voor de vaststelling van het TAM-omgevingsplan.

4.8 Gezondheid

4.8.1 Wettelijk kader

Eén van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

Gezondheidsbescherming

Een deel van de in dit hoofdstuk beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Dit betreffen onder andere bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder en geurhinder.

Gezondheidsbevordering

Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. In het Bkl zijn ook nog andere onderwerpen opgenomen die een relatie hebben met gezondheid, zoals de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een handicap (artikel 5.162 Bkl).

4.8.2 Toetsing

Gezondheidsbescherming

Een deel van de omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Gelet op de gestelde normen zijn er voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder, omgevingsveiligheid) belemmeringen voor ontwikkeling van een supermarkt op de projectlocatie.

Gezondheidsbevordering

Met de ontwikkeling van de Aldi op de nieuwe locatie, wordt het mogelijk een nieuwe winkel te realiseren passend bij het toekomstgerichte concept van Aldi. Er is meer ruimte voor de winkel en een goed georganiseerde logistiek en parkeren met minder/geen overlast naar de omgeving.

Gezondheid is bij Aldi belangrijk. Het bedrijf ziet het als haar verantwoordelijkheid om betaalbare, verantwoorde en gezonde voeding voor iedereen toegankelijk te maken. Hierbij richten ze zich in het bijzonder op gezinnen met (jonge) kinderen. Bij Aldi zijn ze ervan overtuigd dat gezond eten mogelijk moet zijn voor iedereen. Daarom hebben ze doelen gesteld om het assortiment te verbeteren en het duidelijker te maken voor haar klanten wat gezond en ongezond is. Hierbij hanteren ze in Nederland als definitie van ‘gezond’ de Schijf van Vijf. De ontwikkeling maakt het mogelijk om met meer ruimte en een beter in te delen supermarkt, om meer in te zetten op het aanbieden van gezonde producten. Aan de westzijde van het nieuwe pand is ruimte gereserveerd voor de nieuwe ANIKo 2.0 formule. In deze nieuwste formule wordt vooraan in de winkel een versafdeling gerealiseerd. ALDI heeft een uitgebreide en overzichtelijke versafdeling met verse groenten en fruit en panklare, voorgesneden groenten. Ook de verse vleeswaren liggen vooraan in de winkel. In de open bakkerij wordt het verse brood vanuit de bakkerij gepresenteerd.

4.8.3 Conclusie

Met de planontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering.

Hoofdstuk 5 Bescherming van de waterbelangen

5.1 Water

5.1.1 Beleidskader

Een omgevingsplan moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De waterbeheerder voor deze locatie is waterschap Brabantse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk.

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor dit omgevingsplan geldt:

  • Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken;
  • Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater.

Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Aanvullende instructieregels:

Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:

  • Bescherming van primaire waterkeringen, artikel 5.38 Bkl;
  • Behoud waterveiligheid grote rivieren, artikel 5.46 van het Bkl;

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer) in het projectgebied. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In dit waterbeheerprogramma richt het waterschap die koers vooral op duurzaamheid en het beperken van de gevolgen van de klimaatverandering.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'Hydrologische uitgangspunten bij Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen, 2015'.

De gemeente heeft haar beleid vastgelegd in het 'Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025'. Hierin wordt de lijn van het waterschap gevolgd. Kern van het beleid is dat voor alle ruimtelijke ontwikkelingen (zowel nieuwbouwinitiatieven als inbreidingen) niet mogen leiden tot een versnelde afvoer op het oppervlaktewatersysteem (“hydrologisch neutraal”). Het effect van de toename van het afvoerend verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk worden gecompenseerd via infiltratie- en/of retentievoorzieningen. De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater is 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Het beleid richt zich vooral op de perceeleigenaar of ontwikkelaar, daar ligt immers de verantwoordelijkheid voor de verwerking van hemelwater. Voor toename in verhard oppervlak geldt een bergingseis van 78 mm per m2. Bij verbouwing zonder vergroting van verhard oppervlak geldt een bergingsnorm van minimaal 7mm per m2.

5.1.2 Huidige situatie

In de huidige situatie is het perceel waar de nieuwe supermarkt wordt gevestigd, 100% verhard met uitzondering van de tuin bij de bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 7a. In totaal omvat het verhard oppervlak (bebouwing en verharding) in de huidige situatie circa 5.056 m2. In de huidige situatie is geen sprake is van (regelmatige) wateroverlast.

Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gescheiden rioolstelsel. Het vuilwater en regenwater moet dan ook gescheiden worden aangeleverd in de nieuwe situatie.

In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied of in de nabijheid van een natte ecologische verbindingszone.

5.1.3 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie worden binnen het plangebied de nodige groenvoorzieningen aangelegd. Het gaat hierbij voornamelijk om groenstroken aan de randen van het perceel en rondom de parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie zal daardoor sprake zijn van een vermindering van het verhard oppervlak ten opzichte van de bestaande situatie. In totaal omvat het verhard oppervlak (bebouwing en verharding) in de nieuwe situatie circa 5.040 m2.

Echter, in het kader van de klimaatverandering en de duurzaamheidsprincipes waar het nieuwe gebouw aan zal voldoen, is het zeer wenselijk om op een duurzame en klimaatbestendige wijze om te gaan met het hemelwater. Conform de huidige wet- en regelgeving wordt de nieuw aan te leggen verharding (terreinverharding en bebouwing) voorzien van een hemelwaterafvoer.

De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse een hemelwaterberging te realiseren. Dit om de waterhuishouding ter plaatse te ontlasten en tegemoet te komen aan de duurzaamheidsprincipes. Voor het aanpassen van verhard oppervlak geldt een bergingseis van minimaal 7 mm voor het vervangende oppervlak en 78 mm bij toename van het verhard oppervlak. Dat laatste, toename van verhard oppervlak, is binnen het plangebied niet van toepassing. Om er zeker van te zijn dat voldaan wordt aan de bergingseisen, is dit geborgd in de regels (zie artikel 5.2.2). Om een idee te geven wat de omvang van de waterberging zal worden:

Er is enkel sprake van circa 5.040 m2 vervangend verhard oppervlak (verhard oppervlak neemt niet toe). Daarmee dient op basis van deze opzet minimaal 5.040 x 0,007 = 35,28 m3 aan waterbergingscapaciteit gerealiseerd te worden. Binnen het plangebied zijn ruim voldoende mogelijkheden om deze omvang aan bergingsvoorziening aan te leggen (bijvoorbeeld onder de parkeerplaatsen). Hier wordt nader invulling aan gegeven bij de verdere uitwerking van het bouwplan.

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van het oppervlakte- en grondwater worden duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Hoogteligging

Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich gemiddeld op een hoogte van 27,0 m +NAP.

Bodem

De originele bodem bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ23), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Stramproy.

Op basis van een op locatie uitgevoerde bodemonderzoeken (bijlage 4 en bijlage 5) blijkt de bodem overwegend te bestaan uit matig tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is tot maximaal 1,0 meter beneden maaiveld bovendien zwak humeus. In de diepere ondergrond kunnen leemlaagjes voorkomen. Lokaal is tussen 2,5 tot 3,5 meter beneden maaiveld een zwak zandige kleilaag aangetroffen.

Waterdoorlatendheid

Ondanks de aangetroffen bodemopbouw en textuur wordt verwacht dat maatregelen genomen moeten worden om de grond doorlatend te maken, ook op grotere diepte. Het grondwater is wel diep genoeg gelegen. Om meer inzicht te krijgen in de lokale geohydrologische omstandigheden en watervoerendheid van voorkomende bodemlagen zal nog een in-situ infiltratieonderzoek worden uitgevoerd.

Grondwater

Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). De gemeente Baarle-Nassau heeft zelf geen informatie beschikbaar over de lokale grondwaterstand(en) of - fluctuatie. Ook binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen bruikbare grondwaterpeilbuizen beschikbaar. Voor de bepaling van de locatie specifieke grondwaterkarakteristieken (GHG en GLG) is gebruik gemaakt van standaard viewers. Op basis van gegevens uit de KlimaatEffectAtlas (KEA) is de GHG dieper gelegen dan 2,5 meter beneden maaiveld. Vooralsnog wordt ingeschat dat de GHG kan worden verwacht op een diept van 24,0 m +NAP. Hiermee zou de GHG op ca. 3,0 meter beneden maaiveld kunnen liggen. Zeer waarschijnlijk zal de GHG ten opzichte van bestaand maaiveldniveau dieper liggen.

Ten tijde van de uitgevoerde bodemonderzoek ter plaatse van de locatie gelegen aan de Industrieweg 3-5 is op 19 november 2019 tot op een diepte van 5,0 meter beneden maaiveld geen grondwater aangetroffen. Bij de uitvoering van het bodemonderzoek op de Oordeelsestraat 7a is op 11 juni 2021 een grondwaterstand gemeten op 4,50 meter beneden maaiveld.

Oppervlaktewater

Er is in de directe nabijheid van het plangebied geen oppervlaktewater gelegen.

Veiligheid (waterkering)

Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering.

5.1.4 Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

Hoofdstuk 6 Waarborgen van de veiligheid

6.1 Omgevingsveiligheid

6.1.1 Toetsingskader

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
6.1.2 Onderzoek

Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel wordt een kwetsbaar gebouw (winkelfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van de winkel een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de kaart 'Externe veiligheid' (figuur 6.1) kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0023.png"

Figuur 6.1: Uitsnede kaart veilige omgeving (Bron: Atlas leefomgeving)

Uit de kaart blijkt dat binnen het plangebied een risicobron aanwezig is aan de Industrieweg 5 in de vorm van een propaantank van 13 m³. Deze risicobron wordt ter plaatse echter weggenomen door de herontwikkeling van de locatie ten behoeve van de nieuwe supermarkt. Daarmee komen de risicocontour en het plaatsgebonden risico te vervallen.

Ten zuiden van deze locatie, op ruim 120 meter afstand van het plangebied, is nog een risicovolle inrichting aanwezig aan de Smederijstraat 5. Dit is een risicovol bedrijf gezien de ethanoltank van 35 m³ binnen de inrichting. De risicocontour is hier echter gelegen op de inrichtingsgrens. De risicocontour van de betreffende tank heeft een diameter van 15 meter en ligt binnen de inrichtingsgrens. De plaatsgebonden risicocontour voor dit bedrijf is generiek. Het plangebied valt buiten alle risicozones van dit bedrijf.

In de nabijheid van de locatie zijn geen ondergrondse leidingen aanwezig die een risicobron op het gebied van externe veiligheid vormen. Ook zijn er geen transportroutes aanwezig die vallen onder het basisnet. Tot slot zijn er verder geen overige externe bronnen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor het planvoornemen.

Het planvoornemen voorziet ook niet in de realisatie van een bijzonder of zeer kwetsbaar object. Daarom kan worden volstaan met de standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Baarle-Nassau waarin ook het standaard advies 2019 van de Brandweer Midden- en West-Brabant en van de veiligheidsregio is verwerkt. Zowel het standaard advies Externe Veiligheid 2019 als de standaard Verantwoording groepsrisico 2018 zijn van toepassing.

Een onderdeel van het standaard advies van de brandweer betreft de opkomsttijd. De opkomsttijd voor een winkelfunctie is vastgesteld op 12 minuten. De beoogde locatie van de Aldi bevindt zich op een goed bereikbare locatie. Extra maatregelen zijn dan ook niet nodig. Tevens is het plangebied vanuit vier richtingen goed bereikbaar.

Daarnaast voldoen de wegen rondom de beoogde locatie van de Aldi aan de CROW 165. Nabij de locatie is een Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie (hierna: WAS) gesitueerd. Er is dan ook voldoende dekking en daarnaast is NL Alert ter plaatse operationeel. Op het bedrijventerrein zijn tot slot voldoende adequate bluswatervoorzieningen aanwezig die voldoen aan de richtlijnen van de brandweer.

6.1.3 Conclusie

De beoogde locatie van de Aldi is niet gelegen binnen plaatsgebonden risicocontouren of aandachtsgebieden. Gelet op de ruime afstand zal de beoogde ontwikkeling niet van relevante invloed zijn op de hoogte van het groepsrisico. Daarnaast worden de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van de beoogde locatie van de Aldi als voldoende beschouwd.

Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

7.1 Cultureel erfgoed

Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.

7.1.1 Cultuurhistorie

Om de eventueel aanwezige cultuurhistorische elementen in en nabij het plangebied te inventariseren is de Cultuurhistorische Waardenkaart (hierna: CHW) van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd.

Op basis van deze kaarten wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn:

  • Historische stedenbouw;
  • Indicatieve Archeologische waarden;
  • Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang).

Het planvoornemen heeft geen invloed op de historische stedenbouw, de huidige bebouwing ter plaatse van de beoogde locatie is ook binnen deze aanduiding gelegen en heeft geen (cultuur)historische waarde. De aanduiding 'Historische Stedenbouw' heeft met name betrekking op de nederzetting met Belgische en Nederlandse enclaves. Het planvoornemen heeft hier indirect invloed op omdat met de ontwikkeling een bijdrage wordt geleverd aan het instandhouden van (de leefbaarheid binnen) de kern Baarle-Nassau. Hetzelfde geldt voor de regio waarbinnen het plangebied hier is gelegen.

Ten aanzien van de ligging in een gebied met indicatieve archeologische waarden wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0024.png"

Figuur 7.1: uitsnede CHW provincie Noord-Brabant (met plangebied blauw omlijnd)

Het plangebied is daarnaast gelegen binnen een molenbiotoop. Het gaat om de bestaande romp van de korenmolen 'De Wachter' aan de Alphenseweg 6. Het is geen werkende molen meer, maar de romp is wel planologisch beschermd als gemeentelijk monument.

De molenbiotoop is niet planologisch verankerd. Wel is het wenselijk rekening te houden met de belevingswaarde van een open gebied met lage bebouwing rondom de molen. De bebouwing wordt gerealiseerd op een afstand circa 90 meter en krijgt een maximale hoogte van 6,5 meter. Gezien de afstand tot de overblijfselen van de molen, de tussenliggende bebouwing en het gegeven dat het nieuwe gebouw een maximale hoogte heeft van 6,5 meter, worden cultuurhistorische waarden van de molen niet aangetast.

De Alphenseweg en de Oordeelsestraat zijn twee oude wegen (van voor 1832). Deze wegen zijn historische wegen van redelijke hoge waarde. De wegen zijn niet binnen het projectgebied gelegen. Het nieuwe gebouw wordt op voldoende afstand van de wegen gerealiseerd. Daardoor vindt geen aantasting van de waarden plaats.

7.1.2 Archeologie

De gemeente Baarle-Nassau heeft de 'Nota Archeologie' vastgesteld. In combinatie met de archeologische beleidskaart vormt deze het beleidsinstrumentarium voor de gemeente om haar wettelijke taak als bevoegde overheid voor archeologie uit te kunnen voeren. De gemeente heeft in haar beleidskaart een 6-tal categorieën met bijbehorende verwachtingen opgenomen. Deze variëren van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek zijn.

Industrieweg 3-5 en Oordeelsestraat

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0025.png"

Figuur 7.2: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau, plangebied Industrieweg 3-5 en Oordeelsestraat 7a

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is het plangebied ter plaatse van de Industrieweg 3-5 en de Oordeelsestraat 7a onderdeel van de randzone van de historische kern. Binnen deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m². De gronden zijn echter grotendeels verstoord tijdens de bouw van de huidige bebouwing. Het is echter niet mogelijk om door middel van historische informatie aan te tonen dat de gronden inderdaad geroerd zijn. Ten behoeve van het planvoornemen is dan ook een Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor de percelen aan de Industrieweg 3 en 5.

De rapportage van het archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek is opgenomen in bijlage 7.

Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het vooronderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.

Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor, met name, grondsporen uit de periode Neolithicum – Middeleeuwen. Deze sporen worden onder een plaggendek verwacht, op een diepte van 70 tot 150 cm –mv. Daarnaast worden onder een subrecent ophoogpakket van 30 tot 60 cm dik sporen van landgebruik (m.n. greppels/sloten) uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht. Deze sporenniveaus worden bedreigd door de voorgenomen nieuwbouw.

Omdat bij de voorgenomen nieuwbouw mogelijk aanwezige archeologische waarden worden bedreigd, is vervolgonderzoek noodzakelijk om vast te stellen of er daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft dan ook besloten om een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase verplicht te stellen. Dit onderzoek heeft tot doel vindplaatsen op te sporen, te begrenzen en te waarderen.

Omdat voornamelijk grondsporen worden verwacht, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd als een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Er zal dan ook eerst een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd voordat werkzaamheden in de bodem plaatsvinden. Bovengronds is het reeds toegestaan om te slopen.

Het perceel aan de Oordeelsestraat 7a zal ook worden meegenomen in het proefsleuvenonderzoek. Tot die tijd blijft, conform het "Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023", de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ter plaatse gelden. Het proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd op basis van het door de bevoegde overheid, de gemeente Baarle-Nassau, goedgekeurde Programma van Eisen (zie bijlage 8).

Stationsstraat 29

afbeelding "i_NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01_0026.png"

Figuur 7.3: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Baarle-Nassau, plangebied Stationsstraat 29

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Baarle-Nassau is het plangebied ter plaatse van de Stationsstraat 29 onderdeel van het gebied dat is aangewezen als 'Archeologisch monument, niet beschermd'. Binnen deze gebieden geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m² en dieper dan 40 centimeter t.o.v. het maaiveld. Het planvoornemen voorziet ter plaatse uitsluitend in een functiewijziging. Het gebruik van het betreffende pand als supermarkt wordt namelijk uitgesloten. Er zijn geen bouwkundige wijzigingen voorzien en ook geen grondwerkzaamheden. Wel zal, conform "Paraplubestemmingsplan Baarle-Nassau 2023", ter plaatse de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' worden opgenomen om de eventueel aanwezige archeologische waarden voor de toekomst te beschermen.

Conclusie

Het plangebied aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a kan nog niet archeologisch worden vrijgegeven. Er dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd, voordat werkzaamheden in de bodem plaatsvinden. In dat kader blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ter plaatse gehandhaafd. Ook de locatie aan de Stationsstraat kan archeologisch niet worden vrijgegeven. Hier is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen.

7.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

 

7.2.1 Wettelijk kader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.2.2 Toetsing

Aangezien onderhavig planvoornemen is voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied dient uitsluitend aangetoond te worden of er behoefte bestaat. In het Ruimtelijke Economisch Onderzoek (REO) zoals opgenomen in bijlage 2 (en paragraaf 2.2.2) bij deze toelichting is aangetoond dat er behoefte bestaat aan de betreffende verplaatsing en vergroting van de supermarkt. Daarnaast is een uitgebreide locatieafweging (bijlage 4 van het REO) gemaakt waaruit deze locatie in Baarle-Nassau het meest geschikt is gebleken.

In het REO is tevens ingegaan op de regionale effecten bij verplaatsing van de Aldi, met name op het aanbod in de naastgelegen kernen Alphen en Chaam. In paragraaf 2.2.3 is de conclusie opgenomen. Geconcludeerd wordt dat de uitbreiding van Aldi geen onevenredige effecten heeft op het dagelijks winkelaanbod in Baarle-Nassau, Alphen en Chaam.

7.2.3 Conclusie

De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

7.3 Bezonning en privacy

7.3.1 Wettelijk kader

Nieuwbouw kan zorgen voor toename van schaduw op omliggende panden, wat kan zorgen voor een negatieve impact op het woongenot. Het Bkl bevat geen instructieregels voor bezonning dan wel schaduwhinder. Gemeenten kunnen hier beleid voor vaststellen. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onevenredige gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van omliggende woningen.

7.3.2 Toetsing

Bezonning

De realisatie van de nieuwbouw van de Aldi aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a is voorzien ter plaatse van het bestaande bedrijventerrein Baarle-Nassau. Aangrenzend is een bedrijfswoning gesitueerd op de locatie Oordeelsestraat 7c.

Allereerst voorziet het huidige omgevingsplan in de mogelijkheid om ter plaatse gebouwen te realiseren met een bouwhoogte van 10 meter. Daarbij geldt op basis van het geldende bestemmingsplan dat de afstand van gebouwen tot de erfgrens minimaal 3 meter moet bedragen. Ter plaatse van de Industrieweg 5 is daar echter op basis van de verleende vergunning eerder al van afgeweken en is bebouwing op de erfgrens toegestaan.

Het nieuwe gebouw wordt slechts maximaal 6,5 meter hoog en wordt gerealiseerd aan de noord- en westzijde van de bestaande bedrijfswoning aan de Oordeelsestraat 7c. De afstand tussen de nieuwe bebouwing en de perceelsgrens bedraagt in de nieuwe situatie minimaal 2,5 meter. Gezien het feit dat de bouwhoogte lager wordt dan in de bestaande situatie is toegestaan en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 2,5 meter is, heeft het planvoornemen geen gevolgen voor de privacy of bezonning op de naburige percelen. Er is zelfs sprake van een verbetering aangezien de toegestane (niet de feitelijke) bouwhoogte wordt verlaagd.

Privacy

Om de privacy ter plaatse van de aangrenzende percelen van de bedrijfswoning te waarborgen zijn in de nieuwe winkel geen ramen voorzien ter hoogte van de percelen die in gebruik zijn als tuin.

7.3.3 Conclusie

Bezonning vormt geen belemmering voor het projectvoornemen.

7.4 Toegankelijkheid openbare buitenruimte

7.4.1 Wettelijk kader

In artikel 5.162 van het Bkl is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

7.4.2 Toetsing

Dit project gaat gepaard met de aanleg van een parkeerterrein. Dit parkeerterrein is te bereiken vanaf de Industrieweg. Deze parkeerplaatsen zijn enkel bedoeld voor de bezoekers van de supermarkt. Er is voldoende ruimte om veilig te parkeren en naar de supermarkt te lopen.

De locatie is ook goed te bereiken met de fiets en te voet. Vanaf de rotonde in het noordoosten kan een fietser direct het terrein op en de fiets stallen bij de supermarkt. In en naar het projectgebied zijn diverse voetpaden aanwezig.

Voor mindervaliden zijn parkeerplaatsen gereserveerd direct naast de supermarkt. Binnen het projectgebied wordt rekening gehouden met personen met een functiebeperking door zo min mogelijk obstakels toe te voegen.

7.4.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande is het project niet in strijd met de instructieregels ten behoeve van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.

Hoofdstuk 8 Natuurbescherming

8.1 Inleiding

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

8.2 Gebiedsbescherming

8.2.1 Beleid/toetsingskader

Natura 2000

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Houtopstanden

Mocht de activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld buiten stedelijk gebied), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.

8.2.2 Toetsing

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Wel is in de omgeving van het plangebied een aantal Natura 2000-gebieden gesitueerd:

  • Regte Heide & Riels laag op een afstand van 6,6 kilometer;
  • Kempenland West op een afstand van 10,2 kilometer.

Op grond van de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

De sloop van de bestaande panden aan de Industrieweg 3 en 5 en de Oordeelsestraat 7a alsmede de realisatie van de nieuwe Aldi supermarkt en daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Omgevingswet. De berekeningsresultaten zijn verwerkt in de memo in bijlage 9 van deze toelichting. De aanlegfase is weergegeven in bijlage 10 en de gebruiksfase is te vinden in bijlage 11.

Uit berekeningen voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebied. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen Natuur-vergunning nodig.

Het projectgebied is gelegen binnen de bebouwingscontour houtkap, waardoor de rijksregels vanuit het Bal niet van toepassing zijn.

8.2.3 Conclusie

Uit onderhavige motivering moet blijken of het planvoornemen haalbaar is. De afstand tot stikstofgevoelige natuurgebieden is dermate groot dat deze ontwikkeling geen invloed heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van die gebieden. Dat is bevestigd door de uitgevoerde AERIUS-berekeningen.

8.3 Soortenbescherming

8.3.1 Beleid/toetsingskader

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

8.3.2 Toetsing

In 2019 is verkennend onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van en negatieve effecten op beschermde planten- en diersoorten ter plaatse van en direct rond de Industrieweg 3, 3a, 5 te Baarle- Nassau (Meer, van der, 2019). Dit verkennend onderzoek is aangevuld in 2022 voor de Oordeelsestraat 7a te Baarle-Nassau (Adviesbureau Mertens, 2022). Vervolgens is in 2020 een aanvullend onderzoek naar het voorkomen van steenmarters en vleermuizen uitgevoerd (Bouwmans, 2020). Uit dit vervolgonderzoek kwam naar voren dat er verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis waren in dit gebied. Daarom is ontheffing van de voormalige Wet natuurbescherming aangevraagd en verkregen (besluit 7 oktober 2021 met kenmerk Z/143798). Op grond van deze ontheffing zijn vleermuiskasten geplaatst.

Op basis van de uitgevoerde ecologisch onderzoeken, genomen mitigerende maatregelen en de verkregen ontheffing, kon de voorgenomen ontwikkeling plaatsvinden. In de Omgevingsregeling (art 7.197j lid 2 b OR) is echter bepaald dat de jongste gegevens in een natuurwaardenonderzoek niet ouder mogen zijn dan drie jaar. De bovenstaande onderzoeken zijn derhalve gedateerd. Om die reden is nieuw ecologisch onderzoek opgestart. Er is een nieuwe quickscan voor beschermde planten- en diersoorten uitgevoerd voor het volledige plangebied (bijlage 12). Hieruit blijkt het volgende:

In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels in het opgaand groen rond de opstallen is het noodzakelijk om de werkzaamheden zo vorm te geven dat broedende vogels niet negatief worden beïnvloedt (bijvoorbeeld vogelverschrikkers gebruiken, rooien opgaand groen buiten broedseizoen). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Omgevingswet worden overtreden.

Er een kans op het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen (zomer- en winterverblijfplaatsen) in de opstallen in en rond het plangebied. In 2020 zijn verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen dan ook niet worden uitgesloten omdat er opstallen gesloopt gaan worden.

Binnen het plangebied wordt de bestaande beplanting mogelijk geheel of gedeeltelijk verwijderd (hagen en enkele bomen) om de ontwikkeling te kunnen realiseren. Deze beplanting betreft geen beschermde flora, zoals blijkt uit bijgevoegde quickscan flora- en fauna (bijlage 12).

Gegevens over het voorkomen van beschermde diersoorten zijn maximaal drie jaar geldig. Het veldonderzoek is derhalve gedateerd en dient geactualiseerd te worden.

Hierbij dient tevens het onderzoek naar de steenmarter geactualiseerd te worden omdat naar de steenmarter in 2020 ook gericht onderzoek is uitgevoerd. Inmiddels heeft een veldonderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van vleermuizen en de steenmarter. De rapportage van dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 13. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat rond de opstallen gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. De vleermuizen komen voor in lage dichtheid in de (ruime) omgeving van de panden. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn geen steenmarters aangetroffen ter plaatse van en direct rond het plangebied.

Er zijn daarnaast twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (twee x drie dieren) vastgesteld. Als gevolg van de plannen kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis niet worden uitgesloten. Voor de ontwikkeling dient daarom een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de gewone dwergvleermuis te worden verkregen. De omgevingsvergunning is inmiddels verleend (zie bijlage 14). Het plan is dan ook niet in strijd met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

8.3.3 Conclusie

Uit onderhavige motivering moet blijken of het planvoornemen haalbaar is. Uit de quickscan flora en fauna en het aanvullend steenmarter- en vleermuizenonderzoek blijkt dat ter plaatse van de Industrieweg 3-5 en Oordeelsestraat 7a rond de opstallen gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Voor de gevolgen ten aanzien van de gewone dwergvleermuis vanwege de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden, is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verleend. Verder zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Daarmee is het planvoornemen niet evident onuitvoerbaar en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats.

8.4 NNN (NNB)

8.4.1 Beleid/toetsingskader

Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.

8.4.2 Toetsing

Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Brabant en is op voldoende afstand van een dergelijk gebied gelegen. Het dichtstbijzijnd gelegen gebied is op een afstand van 360 meter gelegen ten opzichte van de huidige locatie aan de Stationsstraat en op een afstand van 680 meter ten opzichte van de beoogde locatie aan de Industrieweg. Daarmee heeft de ontwikkeling geen nadelige effecten op deze gebieden.

8.4.3 Conclusie

Voorgenomen ontwikkeling heeft geen nadelige effecten op NNN-gebieden.

Hoofdstuk 9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen

9.1 Planologisch relevante kabels en leidingen

9.1.1 Beleid / toetsingskader

Planologische relevante kabels en leidingen

Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een omgevingsplan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn.

Grondroeringsregeling

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.

9.1.2 Toetsing/onderzoek

Uit dit TAM-omgevingsplan blijkt dat in en nabij het plangebied geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen aanwezig zijn.

Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Indien aan de orde, zal voor deze leidingen nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.

9.1.3 Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Hoofdstuk 10 Milieueffectrapportage

10.1 M.e.r.-beoordeling

Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet.

Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije mer-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure.

In het Omgevingsbesluit is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op ‘een oppervlakte van 100 hectare of meer’, ‘een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat’ of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een Aldi van maximaal 1.750 m². Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. De Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is als bijlage 15 opgenomen.

Uit de informatie in de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat het plangebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Door rekening te houden met de volgende maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk:

  • Er zijn twee verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis (twee x drie dieren) vastgesteld. Als gevolg van de plannen kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis niet worden uitgesloten. Voor de uitvoering van werkzaamheden dient daarom een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor de gewone dwergvleermuis te worden verkregen.
  • Het plangebied aan de Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a kan nog niet archeologisch worden vrijgegeven. In dat kader blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ter plaatse gehandhaafd. Ook de locatie aan de Stationsstraat kan archeologisch niet worden vrijgegeven. Hier is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' opgenomen. Alvorens de gronden geroerd kunnen worden, dient een proefsleuvenonderzoek te zijn uitgevoerd.
  • Er is enkel sprake van circa 5.040 m2 vervangend verhard oppervlak (verhard oppervlak neemt niet toe). Daarmee dient op basis van deze opzet minimaal 5.040 x 0,007 = 35,28 m3 aan waterbergingscapaciteit gerealiseerd te worden. Binnen het plangebied zijn ruim voldoende mogelijkheden om deze omvang aan bergingsvoorziening aan te leggen (bijvoorbeeld onder de parkeerplaatsen). Hier wordt nader invulling aan gegeven bij de verdere uitwerking van het bouwplan.

De kenmerken en de plaats van het project vormen geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Het stedelijk ontwikkelingsproject leidt niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen.

Hoofdstuk 11 Uitvoerbaarheid

11.1 Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat:

  • 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en;
  • 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn.

Financiële uitvoerbaarheid

Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.

De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.

Kostenverhaal

Deze wijziging van het TAM-omgevingsplan maakt bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 8.13 van Omgevingsbesluit mogelijk. Op grond van artikel 13.11 van de Omgevingswet dient de gemeenteraad het kostenverhaal te verzekeren voor gronden waarop dergelijke bouwactiviteiten zijn voorzien. De gemeenteraad kan bij een besluit tot vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan besluiten geen kostenverhaalsregels op te nemen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de gronden anderszins is verzekerd.

Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van het project verzekerd is. Het opnemen van regels kostenverhaal in het omgevingsplan is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan geborgd.

11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

11.2.1 Omgevingsdialoog

14 januari 2020 is er een inloopavond georganiseerd. Het verslag van de betreffende avond is opgenomen in bijlage 16 van deze motivering. Op basis van de reacties kunnen een drietal aandachtspunten worden benoemd:

  • a. De bouwhoogte van de winkel in verband met bezonning en de ramen aan de achterzijde van het nieuwe pand in verband met privacy;
  • b. Ruimte voor de laad- en loszone;
  • c. Verkeersdruk.

Ad a.: In deze motivering is naar aanleiding van dit aandachtspunt paragraaf 7.3 toegevoegd. In deze paragraaf wordt ingegaan op de invloed van het planvoornemen met betrekking tot de bezonning/schaduwwerking en wordt tevens aangegeven dat de situering van de ramen is aangepast om de privacy te waarborgen;

Ad b.: In paragraaf 3.5.3.5 is naar aanleiding van dit aandachtspunt nader inzichtelijk gemaakt hoe het laden een lossen is voorzien.

Ad c.: In paragraaf 3.5.3 is in zijn algemeenheid uitgebreid ingegaan op de verkeers- en parkeerdruk die het planvoornemen met zich mee zal brengen. Naar aanleiding van de inloopavond is in de laatste alinea van deze paragraaf nader beschreven op basis van welke uitgangspunten de op- en afrit van het parkeerterrein is gesitueerd.

Aldi is eigenaar geworden van het pand aan de Stationsstraat, waardoor bij de eigenaar van het pand duidelijk is dat een supermakt ter plaatse wordt uitgesloten. Daarnaast is overleg gevoerd met de Jumbo en de Albert Heijn in Baarle-Nassau. Zij zijn op de hoogte van de plannen van Aldi. De belangen van beide supermarktketens zijn ook afgewogen in het REO (bijlage 2). Daarnaast zijn de plannen van Aldi beschreven in de media (o.a. BN de Stem, 19 oktober 2020). Eenieder zou dan ook op de hoogte kunnen zijn van onderhavig planvoornemen.

Aangezien de inloopavond ruim vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden en het plan in de tussentijd is aangepast, is een nieuwe inloopavond georganiseerd op 22 mei 2025. Het verslag van deze avond is opgenomen als bijlage 17. Onderstaand is een overzicht gegeven van de besproken vragen en opmerkingen, inclusief een reactie op de verschillende punten:

  • Wordt er een zebrapad aangelegd om de Industrieweg over te steken, ter hoogte van Industrieweg 4 naar de ingang van de supermarkt?
    • 1. Samen met de gemeente is gekeken of dit een wenselijke verkeersmaatregel is. Gezien de intensiteit van het gemotoriseerd verkeer en de beperkte hoeveelheid voetgangers is een zebrapad conform de hiervoor geldende richtlijnen niet wenselijk. Een oversteekvoorziening met kanalisatiestrepen is wel wenselijk en wordt daarom aangelegd op twee plaatsen. Een ter hoogte van Industrieweg 4 en een ter hoogte van de rotonde Generaal Maczeklaan – Alphenseweg – Industrieweg.
  • Hoe wordt omgegaan met geluidoverlast van winkelwagens op het parkeerterrein?
    • 1. Doordat in de nieuwe situatie de ondergrond van asfalt is zal er nagenoeg geen overlast zijn als gevolg van rijdende winkelwagentjes.
  • Wordt het parkeerterrein na sluitingstijd afgesloten?
    • 1. In principe wordt het parkeerterrein niet afgesloten. Mocht blijken dat dit wenselijk kan zijn vanwege bijvoorbeeld overlast, wordt hier alsnog naar gekeken.
  • Ten aanzien van de locatie Oordeelsestraat 7c:
    • 1. Hoe hoog wordt de muur aangrenzend aan de locatie Oordeelsestraat 7c? Liefst geen beukenhaag aangrenzend.
      • a. Gezamenlijk wordt met de bewoners van de locatie gekeken naar een passende hoogte. Om de muur ook dienst te laten doen als geluidscherm, wordt een kokowall voorgesteld. Een gesprek wordt met de bewoners ingepland en hierover zullen afspraken worden gemaakt. De informatie uit het gesprek zal nadien worden gedeeld met de gemeente.
  • Het is belangrijk om aandacht te hebben voor de verkeersveiligheid op de kruising Industrieweg – Oordeelsestraat – Smederijstraat.
    • 1. De verkeerveiligheid is beoordeeld in de motivering. Hieruit komt naar voren dat geen knelpunten in de verkeerssituatie te verwachten zijn. Het gebouw wordt bovendien op voldoende afstand van de Oordeelsestraat geplaatst, zodat voldoende zichtlijnen aanwezig zijn op de kruising. In overleg met de gemeente is de extra uitrit voor vrachtverkeer aan de Oordeelsestraat komen te vervallen, waardoor er juist op deze kruising ook minder hinder is.
  • Door verschillende mensen wordt opgemerkt dat richting de rotonde Generaal Maczeklaan – Alphenseweg – Industrieweg te snel wordt gereden en dat dit tot onveilige situaties en overlast leidt.
    • 1. Dit is nu al het geval en daardoor heeft deze opmerking niet direct betrekking op de ontwikkeling. De opmerking is meegenomen door de medewerker van de gemeente en zal worden terug gelegd bij de verkeersafdeling. Daarnaast wordt erop gewezen dat bewoners vooral meldingen moeten doen via het officiële melding kanaal van de gemeente van verkeersoverlast.
  • Worden er wel voldoende parkeerplaatsen aangelegd?
    • 1. Met een brutovloeroppervlak van maximaal 1.650 m² kent de realisatie van de nieuwe supermarkt aan de Industrieweg/Oordeelsestraat, op basis van de parkeernormen van de gemeente Baarle-Nassau, een parkeerbehoefte van 66 parkeerplaatsen. Het ontwerp voorziet in de realisatie van 87 parkeerplaatsen. Daarmee wordt dus ruimschoots voldaan aan de parkeernormen. Het creëren van een overcapaciteit aan parkeerplaatsen maakt onderdeel uit van de visie van Aldi waarbij het gemak van de consument voorop staat (dus ten alle tijden voldoende parkeergelegenheid.
11.2.2 Wettelijk vooroverleg

Het wettelijk vooroverleg met diverse instanties heeft plaatsgevonden. Op basis van de reactie van de Provinciale Retailadviescommissie en uitvoerige en verschillende overlegmomenten met de provincie, is het REO uit bijlage 2 aangepast, uitgebreid en geactualiseerd. Onder andere is extra aandacht besteed aan de locatieafweging. In het kader van vooroverleg omtrent de verplaatsing van de Aldi en het transformeren van het bedrijventerrein op deze locatie, is een brief gestuurd naar de gemeente Alphen-Chaam.

Het Waterschap Brabantse Delta heeft per brief d.d. 18 oktober 2023 een positief wateradvies gegeven.

11.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbesluit wijziging TAM-omgevingsplan is voor zes weken ter visie gelegd voor het indienen van zienswijzen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

11.2.4 Vaststelling

Bij de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan is een tekstuele ambtshalve wijziging doorgevoerd om een omissie te herstellen op de verbeelding. Om deze reden is het TAM-omgevingsplan gewijzigd vastgesteld. Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Hoofdstuk 12 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

12.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet.

Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende:

  • het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur;
  • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoef ten. In artikel 4.2 Omgevingswet is vervolgens ook aangegeven dat het gemeentelijke omgevingsplan met voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.

In de voorliggende motivering is de realisatie van de nieuwe supermarkt van Aldi getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema's van de fysieke leefomgeving. Op de huidige locatie aan de Stationsstraat zorgen diverse knelpunten ervoor dat deze Aldi zijn hard discount functie voor de inwoners van Baarle-Nassau niet kan waarmaken. Rond de huidige winkel aan de Stationsstraat 29 zijn er ruimtelijk gezien geen mogelijkheden voor uitbreiding van de winkel die voldoet aan de gewenste oppervlakten. De locatie aan de Industrieweg 3 - 5/Oordeelsestraat 7a in Baarle-Nassau biedt deze mogelijkheden wel. In het REO wordt geconcludeerd dat de nieuwe locatie uitstekend past bij het toekomstgerichte concept van Aldi. Hierbij is er meer ruimte voor de winkel en een goed georganiseerde logistiek en betere parkeergelegenheid. Met de ontwikkeling van Aldi aan de Industrieweg/Oordeelsestraat in Baarle-Nassau wordt een bijdrage geleverd aan de kwaliteiten van het bedrijventerrein door op deze specifieke locatie, gelegen aan de rand van het bedrijventerrein en aan de rand van woonwijken, in te zetten op transformatie naar een detailhandelsfunctie. De conceptversterking zit in het mogelijk maken van een supermarkt op een locatie gelegen binnen een randzone van bedrijventerrein en woonwijken, die elders binnen het bestaand stedelijk gebied geen geschikte vestigingslocatie kan vinden.

12.2 Conclusie

Alles overwegende is de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar. De impact op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.