direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b, Stationsstraat 29 - Industrieweg 3-5, Baarle-Nassau
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01

Regels

Pre-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een supermarkt op de locatie Industrieweg 3-5/Oordeelsestraat 7a en het uitsluiten van een supermarkt op de locatie Stationsstraat 29. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) in het omgevingsplan van de gemeente Baarle-Nassau. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Baarle- Nassau. Dus:

  • a. hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 1;
  • b. hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 2;
  • c. hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 3;
  • d. hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 4;
  • e. hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 5.
  • f. bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 22b.1

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • a. Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan.
  • b. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in Bijlage 1 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • a. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
  • b. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg.
  • c. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.
  • d. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.
  • e. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren.
  • f. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  • g. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  • h. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
  • i. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  • j. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  • k. peil:
    • 1. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg;
    • 2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

Artikel 3 Toepassingsbereik

3.1 Toepassingsbereik
  • a. De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Industrieweg 3-5, Oordeelsestraat 7a en Stationsstraat 29, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0744.TAMIndustriew3en5-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 Functies

Artikel 4 Centrum

4.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Centrum'.

4.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
4.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  • a. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • 1. detailhandel zowel op de begane grond als op de eerste verdieping;
    • 2. dienstverlening zowel op de begane grond als op de eerste verdieping;
    • 3. kantoren;
    • 4. horeca categorie 1 en 2 uitsluitend op de begane grond, met uitzondering van hotels, pensions en bed and breakfastvoorzieningen (verblijfshoreca), welke ook op de verdieping zijn toegestaan;
    • 5. bedrijven die zijn genoemd in de als Bijlage 2 opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2 uitsluitend op de begane grond en ondersteunend aan de detailhandelsfunctie;
    • 6. maatschappelijke en religieuze voorzieningen;
    • 7. wonen in hoofdgebouwen, in de vorm van woningen en appartementen, voor zover - op grond van de gemeentelijke Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) en de Basisregistratie Personen (BRP) - aanwezig ten tijde van ter visie legging van het ontwerp van het wijzigingsbesluit;
    • 8. de uitoefening van een beroep aan huis in hoofd- en bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 45 m².
  • b. De volgend ondergeschikte gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • 1. binnen- en buitenterrassen ten dienste van een horecavoorziening zoals bepaald in sub a.4;
  • c. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • 1. tuinen, erven en terreinen;
    • 2. parkeervoorzieningen;
    • 3. groenvoorzieningen;
    • 4. voorzieningen van algemeen nut;
    • 5. paden;
    • 6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.3 Verboden gebruiksactiviteiten

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. de vestiging van een supermarkt ter plaatse van de locatie 'supermarkt uitgesloten';
  • b. woningvermeerdering is niet toegestaan;
  • c. seksinrichtingen;
  • d. prostitutie;
  • e. erotisch getinte detailhandel;
  • f. coffeeshops;
  • g. horeca categorie 3;
  • h. als staanplaats voor onderkomens, alsmede voor wagens en kramen, geschikt en bestemd voor de uitoefening van detailhandel, met uitzondering van een niet permanent gebruik als zodanig;
  • i. als terrein voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van ongebruikte en/of gebruikte, danwel geheel of gedeeltelijk uit gebruikte onderdelen samengestelde machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, c.q. onderdelen daarvan, welke bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken zijn, behoudens parkeren ten dienste van de toegelaten functies;
  • j. als opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare, althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en producten;
  • k. bewoning, voorzover het een vrijstaand bijbehorend bouwwerk betreft;
  • l. de opslag en verkoop van motorbrandstoffen;
  • m. de uitoefening van enige vorm van handel en/of bedrijf anders dan de onder artikel 4.2 omschreven detailhandel en bedrijfsactiviteiten;
  • n. de opslag van vuurwerk.
4.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
4.4.1 Beoordelingsregels hoofdgebouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als:

  • a. Hoofdgebouwen binnen een bouwvlak worden gebouwd.
  • b. Het bouwvlak volledig wordt bebouwd waarbij de regeling in sub c acht wordt genomen.
  • c. Het bedrijfsvloeroppervlak maximaal 800 m² bedraagt, uitgezonderd daar waar ten tijde van tervisie legging van dit plan reeds een grotere oppervlakte aanwezig is.
  • d. De goothoogte maximaal 6 meter bedraagt.
  • e. De bouwhoogte maximaal 10 meter bedraagt.
  • f. De dakhelling minimaal 30°bedraagt.
  • g. De breedte van een hoofdgebouw aan de zijde waarin de functie grenst aan 'Verkeer - Verblijfsgebied' of 'Verkeer' maximaal 20 meter bedraagt, behoudens bestaande hoofdgebouwen die reeds breder zijn;
  • h. In uitzondering op sub c t/m f geldt dat, indien in de bestaande legale situatie sprake is van een andere maatvoering, de bestaande maatvoering maximaal is toegestaan.

4.4.2 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt verleend als:

  • a. Bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat buiten het bouwvlak bijbehorende bouwwerken, niet zijnde binnenterrassen bij horecagelegenheden, uitsluitend achter de naar de weg gekeerde zijde van het bouwvlak mogen worden gebouwd.
  • b. De gronden van het bouwperceel voor zover gelegen buiten het bouwvlak voor 80% worden bebouwd, met dien verstande dat de regeling zoals opgenomen in artikel 4.4.1 sub a t/m c in acht genomen dient te worden.
  • c. De goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw.
  • d. De bouwhoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan 5,5 meter, met dien verstande dat de minimale afstand tot de bouwhoogte van het hoofdgebouw 1,5 meter dient te bedragen. Doortrekken van het schuine dak van het hoofdgebouw over het aangebouwde bijbehorende bouwwerk met eenzelfde dakhelling is toegestaan. Dan geldt de feitelijke goothoogte van het hoofdgebouw als de maximale bouwhoogte van het aangebouwde bijbehorende bouwwerk.
  • e. De goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan 3,5 meter.
  • f. De bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan 5,5 meter.

4.4.3 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt verleend als:

  • a. De bouwhoogte van erf-/terreinafscheidingen vóór de naar de weg toegekeerde bouwgrens maximaal 1 meter bedraagt.
  • b. De bouwhoogte van erf-/terreinafscheidingen achter de naar de weg toegekeerde bouwgrens maximaal 2 meter bedraagt.
  • c. De hoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 6 meter bedraagt.
4.5 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 4.4 ten behoeve van de centrumfunctie als bedoeld in dit artikel.

Artikel 5 Detailhandel

5.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Detailhandel'.

5.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
5.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  • a. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • 1. detailhandel in de vorm van een supermarkt met een maximum bruto vloeroppervlak van 1.650 m² en een maximum winkelvloeroppervlak van 1.100 m²;
    • 2. het laden en lossen van vrachtwagens, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - laad- en loszone';
  • b. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • 1. tuinen, erven en terreinen;
    • 2. parkeervoorzieningen;
    • 3. in- en uitritten;
    • 4. groenvoorzieningen en inpassingsgroen;
    • 5. voorzieningen van algemeen nut;
    • 6. wegen, straten en paden;
    • 7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

5.2.2 Voorwaardelijke verplichtingen

5.2.2.1 Verplaatsing supermarkt

Het (doen/laten) gebruik(en) van de gronden en opstallen voor detailhandel in de vorm van een supermarkt zoals bedoeld in subparagraaf 5.2.1 is uitsluitend toegestaan, nadat de exploitatie van de supermarkt ter plaatse van de locatie 'supermarkt uitgesloten' definitief is beëindigd.

5.2.2.2 Waterberging

Het (doen/laten) gebruik(en) van de gronden en opstallen is uitsluitend toegestaan indien vóór ingebruikname van de onder 5.2.1 bedoelde gebruiksactiviteiten, een waterberging met een capaciteit van minimaal 78 mm per m² voor de toename van het bebouwd en/of verhard oppervlak en 7 mm per m² voor de vervanging van het bebouwd en/of verhard oppervlak, is gerealiseerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden. De toename en vervanging van het aantal m² bebouwd en/of verhard oppervlak geldt ten opzichte van de situatie voor vaststelling van dit plan.

5.2.2.3 Geluidwerende maatregelen

  • a. Het gebruik van een gaskoeler ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gaskoeler' is uitsluitend toegestaan na realisatie van een geluidwerende maatregel in de vorm van een kokowall met bouwhoogte van 2 meter ter plaatse van en over de gehele lengte van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - geluidscherm'.
  • b. Het laden en lossen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - laad- en loszone' is uitsluitend toegestaan na realisatie van een geluidwerende muur met een bouwhoogte van 5,8 meter ter plaatse van en over de gehele lengte van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - geluidmuur'.
  • c. De onder a en b genoemde geluidwerende maatregelen dienen duurzaam in stand te worden gehouden.

5.2.2.4 Groene inrichting

Het (doen/laten) gebruik(en) van de gronden en opstallen is uitsluitend toegestaan indien binnen 1 jaar na de ingebruikname van de onder 5.2.1 bedoelde gebruiksactiviteiten, de groene inpassing van het hoofdgebouw en de parkeervoorzieningen conform de als Bijlage 3 toegevoegde situatietekening met beplanting is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.

5.3 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.63:

  • a. het laden en lossen van vrachtwagens buiten de dagperiode (07:00 tot 19:00 uur);
  • b. activiteiten waardoor het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger is dan de waarden in onderstaande tabel.
  07.00 - 19.00 u   19.00 - 23.00 u   23.00 - 07.00 u  
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,LT, als gevolg van activiteiten   50 dB(A)   45 dB(A)   40 dB(A)  
Maximaal geluidniveau Lamax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen   -   70 dB(A)   70 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden   -   65 dB(A)   65 dB(A)  

5.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
5.4.1 Beoordelingsregels hoofdgebouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als:

  • a. Gebouwen binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. De, ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak', aangegeven bruto vloeroppervlakte aan detailhandel niet wordt overschreden. Deze maximale oppervlakte is exclusief de gebouwde laad- en loszone en exclusief luifels;
  • c. De bouwhoogte maximaal 6,5 meter bedraagt.

5.4.2 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouwen zijnde

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt verleend als:

  • a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, aan de wegzijde van de aangegeven bouwgrens maximaal 2,5 meter bedraagt en aan de andere zijde maximaal 6,5 meter;
  • b. De bouwhoogte van reclamezuilen maximaal 3,0 meter bedraagt;
  • c. De bouwhoogte van erf-/terreinafscheidingen vóór de naar de weg toegekeerde bouwgrens maximaal 1 meter bedraagt.
  • d. De bouwhoogte van erf-/terreinafscheidingen achter de naar de weg toegekeerde bouwgrens maximaal 2,5 meter bedraagt.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 1

6.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden ter plaatse van de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 1'.
  • b. In geval van strijdigheid van regels, gaan de regels van dit artikel vóór de overige regels die ingevolge andere artikelen opgenomen in deze regels van toepassing zijn.
6.2 Toegestane werken en werkzaamheden

Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren indien:

  • a. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m², of;
  • b. het werken of werkzaamheden betreft die niet dieper reiken van 0,4 meter onder het bestaande maaiveld, of;
  • c. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of;
  • d. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werkingtreding van het bestemmingsplan, of;
  • e. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • f. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • g. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
6.3 Verboden werken en werkzaamheden
6.3.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag:

  • a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen;
  • b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  • f. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd.

6.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.3.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); of
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

6.3.3 Maatwerkvoorschriften

Aan de vergunning voor de in 6.3.1 genoemde werken en werkzaamheden, waarbij sprake is van directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden die kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de oprichting van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

6.3.4 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.3.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

6.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
6.4.1 Algemene beoordelingsregels

Het is toegestaan om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten te verlenen, mits het een bouwplan betreft:

  • a. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 50 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen, of;
  • b. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,4 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;
  • c. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:
    • 1. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    • 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid;
  • d. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

6.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten waarbij niet wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregels, zoals opgenomen in 6.4.1, wordt alleen verleend als:

  • a. een archeologisch rapport is overgelegd, waarin wordt aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate worden veiliggesteld.

6.4.3 Maatwerkvoorschriften

Indien uit het onder 6.4.2 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen de volgende voorschriften worden verbonden aan de vergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

6.4.4 Advies

Bij het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in 6.4.2, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologisch deskundige om advies omtrent het criterium als bedoeld in 6.4.3 onder b. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologisch deskundige de verder te nemen stappen aan te geven.

Artikel 7 Waarde - Archeologie 3

7.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden ter plaatse van de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'.
  • b. In geval van strijdigheid van regels, gaan de regels van dit artikel vóór de overige regels die ingevolge andere artikelen opgenomen in deze regels van toepassing zijn.
7.2 Toegestane werken en werkzaamheden

Het is toegestaan om werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren indien:

  • a. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m², of;
  • b. het werken of werkzaamheden betreft die niet dieper reiken van 0,4 meter onder het bestaande maaiveld, of;
  • c. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of;
  • d. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werkingtreding van het bestemmingsplan, of;
  • e. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • f. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • g. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
7.3 Verboden werken en werkzaamheden
7.3.1 Verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag:

  • a. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen;
  • b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  • f. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd.

7.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.3.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); of
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

7.3.3 Maatwerkvoorschriften

Aan de vergunning voor de in 7.3.1 genoemde werken en werkzaamheden, waarbij sprake is van directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden die kunnen leiden tot een verstoring van archeologische waarden, kunnen de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de oprichting van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

7.3.4 Advies

Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.3.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
7.4.1 Algemene beoordelingsregels

Het is toegestaan om zonder archeologisch onderzoek een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten te verlenen, mits het een bouwplan betreft:

  • d. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 500 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen, of;
  • e. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,4 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of;
  • f. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:
    • 1. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    • 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid;
  • g. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten waarbij niet wordt voldaan aan de algemene beoordelingsregels, zoals opgenomen in 7.4.1, wordt alleen verleend als:

  • a. een archeologisch rapport is overgelegd, waarin wordt aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate worden veiliggesteld.

7.4.3 Maatwerkvoorschriften

Indien uit het onder 7.4.2 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen de volgende voorschriften worden verbonden aan de vergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

7.4.4 Advies

Bij het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in 7.4.2, vragen burgemeester en wethouders aan de archeologisch deskundige om advies omtrent het criterium als bedoeld in 7.4.3 onder b. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de archeologisch deskundige de verder te nemen stappen aan te geven.

Hoofdstuk 3 Thema's

Artikel 8 Gebruik

8.1 Verboden gebruiksactiviteiten
  • a. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met de aan locatie toegedeelde functie(s) in hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  • b. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.

Artikel 9 Bouwen

9.1 Algemene bepalingen
9.1.1 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

9.1.2 Bestaande maatvoering toegestaan
  • a. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden.
  • b. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden.
  • c. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
9.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
9.2.1 Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten
  • a. In afwijking van de bouwregels in Hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten ook verleend als de daar voorgeschreven maatvoerings- en situeringseisen met ten hoogste 10% worden overschreden mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • b. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatie- en rookkanalen, voorzieningen voor (hemel)waterafvoer, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, galerijen, reclamevoorzieningen, schoorstenen, balkons en overstekende daken, te realiseren, in stand te houden en te gebruiken buiten beschouwing gelaten mits de overschrijding van maatvoeringsnormen niet meer dan 1 meter bedraagt en plaatsvindt binnen het bouwperceel.

9.2.2 Inwinning advies welstand

Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt beslist, wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit over de welstandsaspecten.

9.3 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de toegelaten en vergunningplichtige bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2 en 3.

Artikel 10 Parkeren, laden en lossen

10.1 Parkeren

Ten aanzien van het parkeren geldt de volgende regeling:

  • a. bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van:
    • 1. een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht; of
    • 2. een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan;
  • b. dient te worden verzekerd dat wordt voorzien in de realisatie en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Dit wordt getoetst aan de hand van de normen en uitgangspunten, als vastgelegd in de Nota Parkeernormen Baarle-Nassau 2011, inclusief de daarin opgenomen mogelijkheden tot maatwerk;
  • c. indien het gemeentelijke beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld onder a. gedurende de werkingsperiode van dit bestemmingsplan worden gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning rekening gehouden met die wijziging.
10.2 Laden en lossen

Ten aanzien van de aanwezigheid van voldoende laad- en losruimte, geldt de volgende regeling:

  • a. een omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van het bouwen van een gebouw of een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan wordt uitsluitend verleend indien in een als gevolg van het beoogde gebruik van het gebouw te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt voorzien op eigen terrein;
  • b. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op de herbouw van een gebouw zónder wijziging van het gebruik;
  • c. voorzieningen die zijn gerealiseerd om te voorzien in de nodige laad- en losruimte dienen aldus in stand te worden gehouden.

Hoofdstuk 4 Procesregels

Artikel 11 Algemene bepalingen

11.1 Rangorde

De regels in dit TAM-omgevingsplan gaan – voor zover deze in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet - voor op het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

11.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. het e-mailadres (voor zover beschikbaar) van de melder of aanvrager; en,
  • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding.

Hoofdstuk 5 Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

12.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in hoofdstuk 2 en 3, mag worden voortgezet;
  • b. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM- omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Lid a is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

12.3 Eerbiedigende werking overige activiteiten
  • a. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunning- of meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke ontheffing of vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning respectievelijk melding voor die activiteit.
  • b. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een melding of kennisgeving zoals ingediend voor die regeling als een melding voor die activiteit.
  • c. Op activiteiten anders dan bedoeld in de artikelen 12.1 en 12.2 die op het moment van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.