| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d - Molmlaan/CSW, Wilnis |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0736.TAM04MolmlaanCSW-va01 |
In september 2023 hebben Rialto Vastgoedontwikkeling, Jumbo Supermarkten, CSW, Stichting Houdster Vastgoed III en de gemeente een intentieovereenkomst ondertekend voor de herontwikkeling van de Molmlaan en het CSW-terrein in Wilnis. De bestaande bebouwing in beide gebieden is verouderd en toe aan vervanging. Daarnaast wil Jumbo haar supermarkt uitbreiden. Ten behoeve van de herontwikkeling is een ruimtelijk kader opgesteld. Op 12 juni 2025 heeft de gemeenteraad unaniem ingestemd met dit ruimtelijk kader.
Binnen de beoogde ontwikkeling worden de supermarkt en de bakker verplaatst van de Molmlaan naar de huidige parkeerplaats op het CSW-terrein. De bestaande bebouwing op het CSW-terrein wordt gesloopt en maakt plaats voor een nieuw clubgebouw, dat tussen de twee zuidelijke sportvelden wordt gerealiseerd. Door de verplaatsing van de supermarkt en bakker ontstaat aan de Molmlaan ruimte voor woningbouw. Op deze locatie worden 22 betaalbare koopwoningen ontwikkeld. Het gebouw in de noordwesthoek van dit deelgebied blijft behouden.
Op basis van het omgevingsplan van gemeente De Ronde Venen is de beoogde ontwikkeling strijdig. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is voorliggende wijziging van het omgevingsplan opgesteld. Met dit TAM-omgevingsplan wordt de herontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt en worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden hiervan geborgd.
De planlocatie bestaat uit twee deellocaties: de Molmlaan-locatie en de CSW-locatie. Beide locaties liggen binnen bestaand stedelijk gebied van de kern Wilnis. De ligging van de deelgebieden in Wilnis is weergeven in figuur 1.2.1.
Figuur 1.2.1 Ligging planlocatie in Wilnis
Molmlaan-locatie
De Molmlaan-locatie bestaat uit de volgende percelen:
De deellocatie wordt globaal begrensd door de Molmlaan aan de zuidzijde en de Pieter Joostenlaan aan de westzijde. Aan de noord- en oostzijde grenst het gebied aan de Burgemeester van Trichtlaan en aan de achtertuinen van de aangrenzende grondgebonden woningen.
Figuur 1.2.2 Begrenzing deellocatie Molmlaan
CSW-locatie
De CSW-locatie bestaat uit de volgende percelen:
De CSW-locatie bevindt zich op Sportpark CSW, op ongeveer 150 meter afstand van de Molmlaanlocatie. De deellocatie wordt omringd door drie sportvelden, zoals weergegeven in figuur 1.2.3. Aan de zuidzijde bevindt zich een waterkering, met daarachter de Ringvaart. Aan de noordzijde grenst de locatie aan de Openbare Basisschool Willespoort. De oostelijke begrenzing wordt gevormd door een watergang, met daarachter de Pieter Joostenlaan.
Figuur 1.2.3 Begrenzing deellocatie Molmlaan
Ter plaatse van de planlocatie geldt het omgevingsplan van gemeente De Ronde Venen. De planlocatie valt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet naar het definitief omgevingsplan. In Hoofdstuk 3 van dit TAM-omgevingsplan wordt hier nader op ingegaan.
Ter plaatse van de deellocatie aan de Molmlaan is het niet mogelijk om te wonen. Daarnaast is het niet mogelijk om een supermarkt te realiseren bij de CSW-locatie. Er is gekozen om met het wijzigen van het omgevingsplan gebruik te maken van het format TAM-IMRO. In Hoofdstuk 3 zijn de strijdigheden verder inzichtelijk gemaakt.
In Hoofdstuk 2 is een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie van de planlocatie. In Hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het omgevingsplan plaats. Hoofdstuk 4 geeft een beschouwing van de relevante beleidskaders en Hoofdstuk 5 betreft een beschrijving van de omgevingskwaliteit, waarbij onder meer archeologie, cultuurhistorie en duurzaamheid aan bod komen. In Hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de aspecten van de fysieke leefomgeving, waar omgevingsaspecten zoals bodem, geluid en gezondheid behandeld worden. In Hoofdstuk 7 is de juridische planbeschrijving weergegeven. Hoofdstuk 8 gaat in op de economische uitvoerbaarheid en participatie. Tot slot is in Hoofdstuk 9 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als ETFAL).
In de huidige situatie zijn er meerdere functies aanwezig in de Molmlaan-locatie. Er is namelijk een supermarkt (Jumbo), een snackbar (Foodmaster Wilnis), een pizzeria (Mamma mia), een bakker (Bakker de Kruijf) en een Chinees restaurant (Lelie Garden). De Jumbo is in het oostelijke pand gevestigd. Het Chinese restaurant is in het zuidwestelijk pand gevestigd. Foodmaster, Mamma mia en Bakker de Kruijf zijn gevestigd in het noordoostelijke gebouw. Bovenop deze functies is een verdieping. In deze verdieping zijn drie woningen aanwezig.
Noordelijk van de bebouwing zijn enkele parkeerplaatsen en vinden de laad- en losactiviteiten van de supermarkt plaats. Zuidelijk van de gebouwen is het gebied voornamelijk ingericht ten behoeve van parkeerplaatsen.
Figuur 2.1.1 Luchtfoto Molmlaan-locatie
Figuur 2.1.2 Molmlaan-locatie bezien vanuit vogelvluchtperspectief
Figuur 2.1.3 Molmlaan-locatie bezien vanuit zuidwestelijke hoek
Figuur 2.1.4 Molmlaan-locatie bezien vanuit noordoostelijke hoek
Binnen de plangrenzen bevindt zich de volledige bestaande bebouwing van het CSW-terrein. Deze bebouwing omvat onder andere kleedkamers, een kantine en opslagruimten. In de westelijke uitloper van de deellocatie is de hoofdtribune gesitueerd, en de oostelijke uitloper wordt gekenmerkt door opgaand groen. Aan de noordzijde van de locatie bevindt zich een parkeerterrein, dat wordt omsloten door groenvoorzieningen. Ook dit omliggende groen maakt deel uit van de deellocatie.
Figuur 2.1.5 Luchtfoto CSW-locatie
Figuur 2.1.6 CSW-locatie bezien vanuit vogelvluchtperspectief
Figuur 2.1.7 CSW-locatie gekeken in noordoostelijke richting vanaf toegangsweg
Figuur 2.1.8 Bebouwing CSW-locatie
In de toekomstige situatie wordt het grootste deel van de bestaande bebouwing op de Molmlaan-locatie gesloopt. Uitzondering hierop vormt het gebouw in het noordwestelijke deel van de deellocatie, waarin momenteel Foodmaster, Mamma mia, Bakker de Kruijf zijn gevestigd. Op de verdieping van dit gebouw is wonen toegestaan. Dit gebouw en de bestaande planologische mogelijkheden blijven behouden.
In de plint van dit gebouw blijven horeca-activiteiten uit categorie 1a en 1b van de Staat van Horeca-activiteiten toegestaan, zoals deze op basis van het geldende omgevingsplan reeds mogelijk waren. Daarnaast worden horeca-activiteiten tot en met 1c uit de Staat van Horeca-activiteiten in de gehele plint toegevoegd aan de gebruiksmogelijkheden. Het beoogde bouwplan is zo ingericht dat ook woningen in de plintruimte denkbaar zijn. In het voorliggende TAM-omgevingsplan worden deze echter planologisch nog niet mogelijk gemaakt. Het wonen op de verdieping blijft gehandhaafd.
Verder worden op de locatie 22 betaalbare, grondgebonden koopwoningen gerealiseerd. Dit woningaanbod bestaat uit 12 rijwoningen en 10 rug-aan-rug woningen. De nieuwbouw krijgt een maximale bouwhoogte van 11 meter en een maximale goothoogte van 6 meter.
Figuur 2.2.1 Impressie beoogde ontwikkeling Molmlaan-locatie
Figuur 2.2.2 Impressie vogelvlucht Molmlaan-locatie
Figuur 2.2.3 Doorsnedes Molmlaan-locatie
Op de CSW-locatie wordt de bestaande bebouwing gesloopt. In plaats daarvan wordt tussen de twee zuidelijke sportvelden een nieuw clubgebouw gerealiseerd. Alle functies die voorheen in de oude bebouwing op het CSW-terrein waren ondergebracht, worden in dit nieuwe gebouw gehuisvest. Het clubgebouw telt maximaal twee bouwlagen en heeft een maximale goothoogte van 7 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter.
Op het huidige parkeerterrein is ruimte gereserveerd voor de vestiging van een supermarkt en een versspeciaalzaak. De supermarkt kan een bruto vloeroppervlak (hierna: BVO) van maximaal 1.750 m² hebben; voor de versspeciaalzaak geldt een maximum van 100 m² BVO. Het bouwvolume van deze voorzieningen kent grotendeels een maximale bouwhoogte van 6 meter. Aan de voorzijde is een optopping toegestaan, m et een maximale bouwhoogte van 9 meter.
Op de locatie van de gesloopte bebouwing worden nieuwe parkeerplaatsen aangelegd. Ook in de oostelijke uitloper van de deellocatie worden extra parkeerplaatsen gerealiseerd. In totaal komen er binnen deze deellocatie 225 parkeerplaatsen beschikbaar. Zie ook paragraaf 6.11 Mobiliteit en parkeren.
Figuur 2.2.4 Impressie beoogde ontwikkeling CSW-locatie
Figuur 2.2.5 Impressie vogelvlucht CSW-locatie
Figuur 2.2.6 Principedoorsnede clubgebouw
Figuur 2.2.7 Principedoorsnede gebouw supermarkt en versspeciaalzaak
Ter plaatse van de planlocatie geldt het omgevingsplan van gemeente De Ronde Venen. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de (voormalig geldende) bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Hierna wordt per relevant onderdeel de voorgenomen ontwikkeling die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt, getoetst op strijdigheden.
Op 27 november 2023 is bestemmingsplan 'Dorpskernen' vastgesteld door de gemeenteraad van De Ronde Venen.
Op basis van het bestemmingsplan heeft de deellocatie de enkelbestemmingen 'Gemengd' en 'Verkeer'. Binnen de bestemming 'Gemengd' zijn meerdere bouwvlakken opgenomen met meerdere functieaanduidingen en maximale bouw- en goothoogtes. Op een groot deel van het bestemmingsvlak ligt de functieaanduiding 'wonen uitgesloten'. Ter plaatse van het gebouw waar de bakker en de snackbar in gevestigd zijn, is de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - verdieping' opgenomen. Daarnaast is de functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca - horeca tot en met categorie 1a' opgenomen ter plaatse van de snackbar en zijn functieaanduidingen 'specifieke vorm van horeca - horeca tot en met categorie 1b' opgenomen ter plaatse van restaurant 'Lelie Garden' en 'Bakker de Kruijf'.
Figuur 3.1.1 Uitsnede bestemmingsplan 'Dorpskernen' ter plaatse van de Molmlaan-locatie
Strijdigheden
Binnen de deellocatie is wonen uitsluitend toegestaan op de verdieping en alleen op de kadastrale percelen 3.685, 3.686 en 4.194. Het realiseren van 22 nieuwbouwwoningen is daarmee in strijd met het geldende omgevingsplan van De Ronde Venen.
Verder is het niet toegestaan om horeca-activiteiten tot en met categorie 1c (volgens de Staat van Horeca-activiteiten) te vestigen in het zuidelijke deel van de plint van het gebouw op de percelen 3.686 en 4.194. Ook dit is strijdig met het omgevingsplan.
Op basis van het bestemmingsplan heeft de deellocatie de enkelbestemming 'Sport' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5'. Binnen de deelgrenzen zijn ten noorden van het hoofdveld van CSW drie bouwvlakken aanwezig. Deze bouwvlakken hebben allen een maximale bouwhoogte van 6 meter en een maximale goothoogte van 3 meter.
Figuur 3.1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Dorpskernen' ter plaatse van de CSW-locatie
Strijdigheden
Ter plaatse van de bestemming 'Sport' zijn een supermarkt en versspeciaalzaak niet toegestaan. Daarnaast is het niet toegestaan om het gebouw te bouwen buiten het bouwvlak.
Het beoogde clubgebouw in de westelijke uitloper van de deellocatie is ook strijdig. Het is namelijk niet toegestaan om een gebouw te bouwen buiten een bouwvlak.
Op 26 juni 2018 is de 'Paraplubeheersverordening Parkeren' vastgesteld door gemeente De Ronde Venen. Deze beheersverordening stelt uniforme bepalingen vast die verwijzen naar beleidsregels voor parkeernormen. De parkeerbehoefte is berekend in paragraaf 6.11 Mobiliteit en parkeren. De beoogde ontwikkeling is niet strijdig met de 'Paraplubeheersverordening Parkeren'.
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Relatie tot planlocatie
De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan de NOVI. Er wordt voornamelijk invulling gegeven aan prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie en Sterke en gezonde steden en regio's.
Er wordt onder andere invulling gegeven aan Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. De huidige bebouwing op de Molmlaan-locatie en de CSW-locatie zijn verouderd en voldoen niet meer aan de huidige kwaliteitsvereisten. Met de realisatie van de nieuwe bebouwing wordt voldaan aan huidige duurzaamheidsvereisten. Daarnaast zullen er waterbergingen gerealiseerd worden, welke hemelwater vertraagd af kunnen voeren. Zie ook paragrafen 5.3 Duurzaamheid en klimaatadaptatie en 6.14 Waterbelang.
Ook wordt invulling gegeven aan Sterke en gezonde steden en regio's. De kern Wilnis beschikt over één supermarkt. Het pand van deze supermarkt is verouderd en heeft een te klein oppervlakte om het gewenste assortiment aan te kunnen bieden. De winkel is daarmee niet toekomstbestendig in de huidige vorm. Met de beoogde ontwikkeling vindt er een verplaatsing en uitbreiding plaats van de supermarkt binnen Wilnis. In paragraaf 5.4 Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking is de behoefte hiervan aangetoond. Daarnaast wordt ook de verouderde bebouwing op het CSW-terrein vervangen voor een nieuw clubhuis. Verder worden er maximaal 22 grondgebonden betaalbare koopwoningen mogelijk gemaakt. Hiermee wordt invulling gegeven aan de woningbehoefte van de kern Wilnis. Zie hiervoor ook paragraaf 5.4 Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking.
In de Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd. Er zijn zeven beleidsthema's waarvoor de ambities en beleidskeuzes staan benoemd. Het gaat om de volgende zeven thema's:
Deze zeven thema's vragen om een brede blik. Ze staan niet op zichzelf, maar kennen samenhang en relaties in boven- en ondergrond. De zeven thema's zorgen gezamenlijk voor integrale, toekomstgerichte oplossingen voor onze opgaven waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo worden behouden of versterkt. Dit wordt bereikt door nieuwe ontwikkelingen te combineren en te concentreren, zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren.
Relatie tot planlocatie
Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan Omgevingsvisie Provincie Utrecht. Er wordt voornamelijk invulling gegeven aan de beleidsthema's Stad en land gezond en aan Duurzaam, gezondheid en veilig bereikbaar.
Stad en land gezond gaat onder andere in op de ambities op het gebied van ontspannings- en ontmoetingsplekken, geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen en luchtkwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling krijgt voetbalvereniging CSW een nieuw clubgebouw, wat leidt tot een verbetering van de bestaande ontspannings- en ontmoetingsmogelijkheden. De geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen is beoordeeld in paragraaf 6.5 Geluid. Hieruit is geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de verschillende locaties. Het aspect luchtkwaliteit is behandeld in paragraaf 6.10 Luchtkwaliteit. Er is hier geconcludeerd dat voldaan wordt aan de instructieregels en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Stad en land gezond gaat onder andere in op de ambities omtrent ontspannings- en ontmoetingsplekken, geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen en luchtkwaliteit. Met de beoogde ontwikkeling krijgt voetbalvereniging CSW een nieuwclubgebouw, waardoor de bestaande ontspannings- en ontmoetingsplek verbeterd wordt. Geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen is getoetst in paragraaf 6.5 Geluid. Er is hier geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect luchtkwaliteit is behandeld in paragraaf 6.10 Luchtkwaliteit. Zoals eerder benoemd is hier geconcludeerd dat voldaan wordt aan de instructieregels en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het thema Duurzaam, Gezondheid en Veilig Bereikbaar behandelt de bereikbaarheid van de locatie per fiets, openbaar vervoer en auto, binnen een verkeersveilige omgeving. Daarnaast richt het zich op het bereikbaar houden van woon- en werklocaties en sociaal-recreatieve voorzieningen op een ruimte-efficiënte, duurzame en veilige manier. In paragraaf 6.11 Mobiliteit en parkeren is de toename van het aantal verkeersbewegingen in kaart gebracht en is het bestaande wegennet beoordeeld. Op basis van deze analyse is geconcludeerd dat de verkeerssituatie als veilig kan worden aangemerkt.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan de omgevingsvisie van Provincie Utrecht.
De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. Gemeentelijke omgevingsplannen dienen aan deze regels te voldoen.
Relatie tot planlocatie
In Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 6 zijn thematisch de relevante instructieregels behandeld. De beoogde ontwikkeling voldoet aan de instructieregels van de omgevingsverordening van Provincie Utrecht en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gemeente De Ronde Venen beschikt nog niet over een omgevingsvisie. Op dit moment is de Structuurvisie Ronde Venen 2030, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 17 oktober 2013 (in combinatie met de Aanvulling Structuurvisie De Ronde Venen 2030 zoals vastgesteld op 29 september 2021) daarom leidend.
De Structuurvisie De Ronde Venen 2030 richt zich op het behouden van de gemeente als een belangrijk onderdeel van het Groene Hart, met sterke banden met de Noordvleugel, waaronder Amsterdam en omgeving. Het doel is om een prettige woon- en werkomgeving te behouden, met voldoende voorzieningen en een goede balans tussen verschillende leeftijdsgroepen.
Op het gebied van wonen en werken, richt de visie zich op het creëren van een toekomstbestendige woningvoorraad door middel van nieuwbouw en renovatie die gericht zijn op duurzaamheid en het voldoen aan de woonwensen van de inwoners. De economische structuur van de gemeente wordt versterkt door het bieden van een goed ondernemersklimaat en het verbeteren van bedrijventerreinen.
Voor recreatie en mobiliteit, wordt er ingezet op de verbetering van recreatieve routes en voorzieningen, met een speciale nadruk op de Vinkeveense Plassen. Daarnaast wordt de bereikbaarheid en verkeersveiligheid geoptimaliseerd door de doorstroming op regionale en lokale wegen te verbeteren.
Verder stimuleert de visie op het gebied van duurzaamheid en innovatie de energietransitie door duurzame energieopwekking en energiebesparing te bevorderen. Duurzame gebiedsontwikkeling wordt nagestreefd door het gebruik van duurzame grondstoffen en het hergebruik van materialen.
Relatie tot planlocatie
Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de structuurvisie van De Ronde Venen. Zo wordt met de beoogde ontwikkeling de economische structuur versterkt en de woningvoorraad toekomstbestendiger gemaakt. In paragraaf 5.4 Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking is verder ingegaan op de behoefte hiervan. Daarnaast is de bereikbaarheid en verkeersveiligheid getoetst in paragraaf 6.11 Mobiliteit en parkeren en als goed aangemerkt.
Het Groenbeleidsplan De Ronde Venen 2017-2040 richt zich op duurzaamheid en kwaliteit. Het plan streeft naar duurzaam bomenbeheer, variatie in beplanting en het verbeteren van de kwaliteit van het groen. Inwoners en natuurverenigingen zijn betrokken bij de totstandkoming van het plan.
Het plan heeft verschillende speerpunten:
Relatie tot planlocatie
Molmlaan-locatie
De Molmlaan-locatie is op de visiekaart van Wilnis niet specifiek aangeduid. Met de beoogde ontwikkeling zal het aandeel groen in deze deellocatie toenemen ten opzichte van de huidige situatie, die grotendeels uit verhard oppervlak bestaat. In de toekomstige situatie zullen op deze locatie circa 22 tuinen worden gerealiseerd. Daarnaast zal de openbare ruimte tussen de woningen zo groen mogelijk ingericht worden met het 'tenzij anders noodzakelijk'-principe. Zie ook figuur 4.3.2.
Figuur 4.3.1 Uitsnede visiekaart Wilnis, Groenbeleidsplan De Ronde Venen
Figuur 4.3.2 Impressie toekomstige situatie Molmlaan
CSW-locatie
In het groenbeleidsplan van De Ronde Venen maken sportparken onderdeel uit van het 'Hoofdgroen'. De CSW-locatie is daarmee ook onderdeel van 'Hoofdgroen'. De ambities van 'Hoofdgroen' zijn:
Met de beoogde ontwikkeling wordt gewerkt binnen de hoofdgroenstructuur. In de huidige situatie bevinden zich binnen de plangrenzen aan de oostzijde enkele bomen en struweel. Het parkeerterrein is volledig verhard. In de toekomstige situatie verdwijnt het struweel en verdwijnen ook een aantal bomen. Tegelijkertijd wordt het parkeerterrein vergroend en vindt er feitelijk een verplaatsing van groen binnen de hoofdgroenstructuur plaats. De huidige groenstructuur wordt in de toekomstige situatie zoveel mogelijk hersteld. Uitgangspunt hierbij is dat de bomen een duurzame standplaats krijgen zodat een eindbeeld ontstaat van grote volwassen bomen.
Conclusie
Er wordt uitvoering gegeven aan het groenbeleidsplan van de gemeente De Ronde Venen.
Tijdens hete perioden heeft een groot deel van de mensen last van hittestress. Hittestress leidt in sommige gevallen zelfs tot sterfte. Het CBS heeft berekend dat tijdens de hittegolven van 2019 en 2020 in Nederland ongeveer 400 mensen per week overleden. 75% was 80 jaar of ouder. Dit komt onder andere doordat ouderen minder warmte en dorst voelen. Dit probleem wordt groter doordat het gemiddeld steeds warmer wordt. Daarom heeft de provincie Utrecht besloten om gemeenten te ondersteunen bij het opstellen van lokale hitteplannen. En zo ook gemeente De Ronde Venen. Hitteplannen helpen namelijk om het aantal slachtoffers te verminderen. In dit kader heeft de gemeente het Lokaal Hitteplan gemeente De Ronde Venen (Lokaal hitteplan 1.0 d.d. 14 februari 2023) vastgesteld.
Het hoofddoel van het lokaal hitteplan is: het verkleinen van gezondheidsrisico's van kwetsbare ouderen bij aanhoudende hitte. Dit hoofddoel is uitgewerkt in de volgende doelen:
Relatie tot planlocatie
Op de Molmlaanlocatie worden nieuwbouwwoningen gerealiseerd die voldoen aan de laatste nieuwbouw eisen, waardoor ze beter bestand zijn tegen hitte. Daarnaast neemt het verharde oppervlak hier af, wat de kans op hittestress vermindert. Op de CSW-locatie daarentegen neemt het verharde oppervlak toe. Wel is er sprake van een toename van het aantal bomen verspreid over de gehele planlocatie, waarvan de kruinen zorgen voor extra schaduw en daarmee bijdragen aan het beperken van hitte-effecten.
Conclusie
Met de beoogde ontwikkeling is rekening gehouden met het aspect hittestress en het voorkomen hiervan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Gezondheidsnota 2021–2025 van de gemeente De Ronde Venen heeft als doel de gezondheid van haar inwoners te bevorderen. Dit doet de gemeente door in te zetten op preventie, samenwerking en een integrale aanpak. De nota sluit aan bij landelijke richtlijnen en vertaalt deze naar concrete ambities op lokaal niveau.
Uit cijfers blijkt dat er in De Ronde Venen nog veel gezondheidswinst te behalen valt. Zo heeft 41% van de volwassenen en 58% van de 65-plussers overgewicht. Slechts 61,5% van de inwoners voldoet aan de beweegrichtlijn. Daarnaast rookt 17% van de volwassenen en heeft 31% van de jongeren tussen 13 en 17 jaar recent alcohol gedronken. Ook voelt 10% van de 65-plussers zich ernstig eenzaam.
Om hierop in te spelen heeft de gemeente drie ambities geformuleerd:
Relatie tot planlocatie
De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan ambitie 1. Met de beoogde ontwikkeling worden namelijk nieuwe gebouwen voor de voetbalvereniging mogelijk gemaakt. De nieuwe bebouwing nodigt uit tot meer ontmoeting, beweging en ontspanning. Zie ook paragraaf 6.8 Gezondheid.
Conclusie
Er wordt invulling gegeven aan de gezondheidsnota.
De gemeente De Ronde Venen heeft een nieuwe Nota Detailhandelsstructuur opgesteld voor de periode 2023 tot 2035. Deze nota vervangt het vorige beleid uit 2020 en speelt in op actuele ontwikkelingen zoals de groei van online winkelen, veranderend consumentengedrag en de nasleep van de coronacrisis. Het doel van de nota is om een actueel en helder toetsingskader te bieden voor nieuwe winkelinitiatieven, waarbij het behoud van een leefbare en aantrekkelijke winkelomgeving in de dorpen centraal staat.
De visie van de gemeente richt zich op het behoud van een lokaal en toegankelijk winkelaanbod. Inwoners moeten in hun eigen dorp terecht kunnen voor dagelijkse boodschappen en andere aankopen, zonder afhankelijk te zijn van grote steden of uitsluitend online kanalen. Winkels dragen bij aan de leefbaarheid van de dorpen en zorgen voor sociale ontmoetingsplekken. Daarom wil de gemeente een duurzaam ondernemersklimaat stimuleren, waarin winkels rendabel kunnen opereren en investeren in hun toekomst.
Nieuwe winkelinitiatieven worden voortaan getoetst aan de uitgangspunten van deze nota. De gemeente stimuleert verplaatsing van winkels naar gewenste gebieden en ontmoedigt vestiging buiten de vastgestelde structuur. Supermarkten worden gezien als cruciale trekkers van winkelgebieden en krijgen daarom een strategische plek in het beleid.
Relatie tot planlocatie
Uit marktruimteberekeningen blijkt dat er in Wilnis nog enige ruimte is voor uitbreiding van het supermarktassortiment. Het huidige aanbod is kleiner dan het berekende potentieel. Toch is de gemeente terughoudend met uitbreiding, omdat een te sterke groei in Wilnis negatieve gevolgen kan hebben voor het winkelaanbod in Mijdrecht, dat al onder druk staat. De gemeente wil vooral duurzame initiatieven ondersteunen die bijdragen aan de leefbaarheid van Wilnis.
In paragraaf 5.4 Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking is onderbouwd dat er sprake is van behoefte aan de beoogde supermarkt van 1.750 m² BVO. Vanwege de grootte van de supermarkt is het niet mogelijk om de supermarkt binnen de Molmlaan-locatie te realiseren en wordt deze gerealiseerd op de CSW-locatie. Beide locaties liggen aan de Pieter Joostenlaan. Daarnaast is de afstand tussen de deellocaties 150 meter hemelsbreed. De gemeenteraad van De Ronde Venen heeft 12 juni 2025 het Ruimtelijke Kader voor de beoogde ontwikkeling vastgesteld.
Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. Ook wil de gemeente geen wateroverlast, genoeg en schoon water in de gemeente hebben. Deze doelen hebben gevolgen voor de leefomgeving en alle andere vakgebieden die in de leefomgeving werken.
De gemeente heeft de wettelijke taak om voor de riolering en het stedelijk water te zorgen: er is de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Het WRP geeft aan hoe de gemeente deze gemeentelijke watertaken uitvoeren.
Ook klimaatadaptatie valt deels onder deze watertaken. De gemeente zorgt ervoor dat de leefomgeving beter bestand is tegen een veranderend klimaat met meer hevige neerslag, langere periodes van droogte en intensere hittegolven.
Het WRP beschrijft in een visie wat de gemeente wil op het gebied van water en riolering. Daarbij gaat het WRP in op stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater en oppervlaktewater. Stedelijk afvalwater (vuil water) zamelt de gemeente in en wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). De gemeente streeft naar een waterrobuust systeem, waarbij zoveel mogelijk hemelwater wordt verwerkt in de openbare ruimte zonder dat er wateroverlast ontstaat in woningen en bedrijven. Ook particulieren hebben hier een rol in. Nieuwbouw moet voldoen aan nieuwe eisen om meer hemelwater te kunnen verwerken binnen het plangebied. Deze waterberging
moet deels in de openbare ruimte en deels op het terrein van bewoners en bedrijven worden gerealiseerd. De gemeente sluit aan bij de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen van Provincie Utrecht. De gemeente heeft richtlijnen opgesteld over de gewenste diepte van het grondwater, en neemt maatregelen tegen structureel nadelige gevolgen van grondwater mits dat doelmatig kan en aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.
Met betrekking tot nieuwe ontwikkelingen gaat het WRP met name in op voorwaarden voor afvloeiend hemelwater en grondwater. Bij nieuwbouw binnen de bebouwde kom verwacht de gemeente dat het hemelwater op eigen perceel wordt verwerkt of, waar mogelijk, direct op oppervlaktewater wordt geloosd. Als beide opties niet mogelijk of doelmatig zijn, dan mag worden aangesloten op de riolering. Hemelwater moet dan altijd gescheiden van het overige afvalwater worden aangeleverd aan de perceelgrens. Ook moet nieuwbouw zich houden aan de Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht. Daarnaast is klimaatadaptief inrichten een uitgangspunt. De gemeente zorgt ervoor dat bij de inrichting van de openbare ruimte plek wordt gemaakt voor bovengrondse berging van overtollig hemelwater (bijvoorbeeld op straat of in openbaar groen). Daar waar water niet over het maaiveld kan afstromen naar een plek waar het geen overlast geeft, wordt een ondergrondse oplossing gezocht die de kans op wateroverlast verkleint (bijvoorbeeld het vergroten van diameters of het aanleggen van een bergingsvoorziening). Per locatie kijkt de gemeente wat mogelijk is, waarbij het streven is om tegen beperkte kosten zoveel mogelijk hemelwater te kunnen verwerken. Hierbij accepteert zij dat straten en
openbaar groen soms onder water kunnen staan, als dat geen grote problemen geeft.
De gemeente neemt actief deel aan processen die samenhangen met de ontwikkeling van nieuw stedelijk gebied. Door voorin het ontwikkelingsproces het grondwaterbelang al in te brengen en toe te zien op het zoveel mogelijk implementeren van genoemde uitgangspunten en richtlijnen, kunnen problemen met grondwater achteraf zoveel mogelijk worden voorkomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hanteert de gemeente de grondwaternormen- en richtlijnen die in het WRP zijn opgenomen.
Relatie tot planlocatie
In paragraaf 6.14 Waterbelang vindt de weging van het waterbelang plaats, waaronder ook de toetsing aan het WRP. Er is in deze paragraaf geconcludeerd dat er voldaan wordt aan het beleid, de instructieregels en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het Bkl zijn ten aanzien van het behoud van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.
Het gemeentelijk beleid over archeologie is doorgaans vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen zijn veelal doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. In de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente De Ronde Venen zijn daarnaast in paragraaf 6.7 Archeologie bepalingen opgenomen met betrekking tot de instandhouding van archeologische terreinen, opgravingen en begeleiding, de gemeentelijke archeologische beleidskaart en advies van een archeologisch deskundige. Met deze bepalingen wordt invulling gegeven aan de verplichtingen die volgen uit de Omgevingswet en de Erfgoedwet met betrekking tot archeologie.
Relatie tot planlocatie
Cultuurhistorie
Aan de hand van het tijdelijke deel van het omgevingsplan Dorpskernen blijkt dat zich in of nabij de planlocatie geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen of objecten bevinden. Tevens maakt de planlocatie geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht, zoals aangewezen in het omgevingsplan. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen effect op beschermde cultuurhistorische elementen. Er is dan ook geen aanleiding om aanvullende regels op te nemen in het voorliggende omgevingsplan ten aanzien van cultuurhistorie.
Archeologie
Voor de planlocatie geldt op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan een dubbelbestemming voor archeologie ter hoogte van de CSW-locatie. Binnen deze dubbelbestemming is sprake van een verwachtingswaarde voor archeologische resten. Conform de geldende regels is archeologisch onderzoek vereist wanneer op deze gronden wordt gebouwd en sprake is van activiteiten die mogelijk schade kunnen toebrengen aan archeologische waarden. In dat geval moet bij de aanvraag van de omgevingsvergunning een archeologisch rapport worden overgelegd waaruit blijkt dat de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Als uit het rapport blijkt dat archeologische waarden aanwezig zijn, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de vergunning, zoals het behoud van archeologische resten in de bodem, het laten uitvoeren van opgravingen of het laten begeleiden van de werkzaamheden door een erkende archeologische partij. Onder bepaalde voorwaarden is geen archeologisch onderzoek vereist, bijvoorbeeld bij vervanging of vernieuwing van bestaande bebouwing zonder uitbreiding onder peil.
Om na de wijziging van het omgevingsplan eenzelfde beschermingsregime te borgen, zijn de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor de locatie ter hoogte van de CSW-locatie verwerkt in de regels. Dit betekent dat na de vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan nader archeologisch onderzoek vereist is en blijft bij werkzaamheden die dieper reiken dan 0,3 meter onder maaiveld én een oppervlakte beslaan van meer dan 2.000 m².
Hierdoor blijft de verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek behouden. De beoogde herontwikkeling omvat bodemverstorende activiteiten ten tijde van de aanleg van de beoogde supermarkt, clubhuis en bijbehorende voorzieningen, waardoor sprake is van potentieel archeologisch relevante bodemverstoring. Het onderzoek naar de gevolgen voor de mogelijke archeologische resten in de bodem moet zijn afgerond vóór de start van de aanlegwerkzaamheden. Door deze borging en de daarmee gepaard gaande waarborging van archeologische belangen, is het plan uitvoerbaar. Tevens wordt hiermee voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie
Het plan borgt de archeologische waarden op een zorgvuldige wijze. Voor cultuurhistorie zijn er geen aanvullende onderzoeken of regelingen noodzakelijk. Voor archeologie geldt een dubbelbestemming met bijbehorende beschermingsregeling.
Hiermee zijn cultuurhistorie en archeologie adequaat geborgd, is het plan uitvoerbaar en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, conform artikel 5.130 Bkl.
Op Rijksniveau zijn er een beperkt aantal instructieregels opgesteld voor landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De provincie en gemeente hebben hierdoor vrijheid om de aspecten landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit in te vullen in bijvoorbeeld de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Eén van de instructieregels waaraan de provincies en gemeenten moeten voldoen betreft het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 van het Bkl). Daarnaast heeft de provincie instructieregels opgenomen in hoofdstuk 7 van de omgevingsverordening, welke betrekking hebben op cultuurhistorie en landschap.
Relatie tot planlocatie
Op de planlocatie zijn geen stedenbouwkundige waarden of cultureel erfgoed aanwezig, met uitzondering van archeologische waarden (zie paragraaf 5.1 Archeologie). Wel zijn er landschappelijke waarden aanwezig.
Landschappelijke waarden
De planlocatie maakt onderdeel uit van Landschap Groene Hart. De kernkwaliteiten van het Groene Hart betreffen:
De planlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied van Wilnis. Er is ter plaatse daarom geen sprake van de kernkwaliteiten openheid, landschappelijke diversiteit en rust & stilte. Uit het historisch bodemonderzoek blijkt dat er ooit sprake is geweest van strokenverkaveling (zie paragraaf 6.1 Bodem). In figuur 5.2.1 en 5.2.2 is met een oranje stippellijn de oorspronkelijke watergangen aangegeven. Deze zijn echter in de huidige situatie al niet meer aanwezig. Er kan dus geconcludeerd worden dat er geen kernkwaliteiten van het Groene Hart aangetast worden.
Figuur 5.2.1 Voormalige watergang Molmlaan-locatie
Figuur 5.2.2 Voormalige watergangen CSW-locatie
Conclusie
Er wordt voldaan aan de instructieregels in het kader van landschappelijke inpassing, cultuurhistorie en werelderfgoed en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is het wenselijk om duidelijk aan te geven welke duurzame aspecten aanwezig zijn of waar het plan aan bijdraagt (ook in relatie tot de Bruidsschat, art. 22.52).
Relatie tot planlocatie
Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe gebouwen gerealiseerd die voldoen aan de laatste nieuwbouw eisen en zijn uitgerust met moderne technieken. Deze woningen zijn energie-efficiënt doordat ze in de zomer minder snel opwarmen en in de winter beter de warmte vasthouden. Dit maakt ze aanzienlijk duurzamer dan de bestaande bebouwing.
Daarnaast wordt met deze ontwikkeling invulling gegeven aan klimaatadaptatie. Op de CSW-locatie worden waterbergende maatregelen getroffen om neerslag op te vangen en wateroverlast te voorkomen. Op de Molmlaanlocatie wordt het verharde oppervlak verminderd, wat eveneens bijdraagt aan een betere waterhuishouding. Bovendien wordt de parkeerplaats bij de CSW-locatie groen ingericht, waardoor hittestress wordt beperkt en de leefomgeving aangenamer wordt.
Verder heeft gemeente De Ronde Venen zich verbonden aan het Convenant Toekomstbestendig Bouwen. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan wordt hier verder invulling aan gegeven. Het gebouw wordt op het bronzen niveau ontwikkeld. In de anterieure overeenkomst is dit opgenomen als inspanningsverplichting voor de initiatiefnemer.
Ontwerpprincipes netbewust nieuwbouw: Netcongestie is een toenemend probleem. Om te voorkomen dat de bouw in Nederland op slot gaat zijn er door betrokken partijen ontwerpprincipes opgesteld. Het is zeer aan te raden dat deze ontwerpprincipes worden meegenomen in het proces.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is duurzaam en beschikt over klimaatadaptieve maatregelen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de 'laddertoets' genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel' zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden.
Op basis van artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, in het omgevingsplan rekening te houden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, dan dient in het omgevingsplan te worden beschreven wat de mogelijkheden zijn om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
De provinciale omgevingsverordening ziet ook toe op instructieregels omtrent zorgvuldig ruimtegebruik voor detailhandel in artikel 9.17.
Relatie tot planlocatie
Met de beoogde ontwikkeling worden 22 woningen mogelijk gemaakt en er vindt een uitbreiding van een supermarkt plaats van 500 m². Hiermee zijn beide beoogde functies aan te merken als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Om aan te kunnen tonen dat er sprake is van een nieuwe stedelijk ontwikkeling is de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze ladderonderbouwing is bijgevoegd als Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan.
In de ladderonderbouwing is geconcludeerd dat de beoogde woningen niet alleen bijdragen aan de woningbouwopgave, maar ook voorzien in een kwalitatieve behoefte en daarmee aansluiten bij de lokale, regionale en provinciale beleidskaders. Ook is geconcludeerd dat er behoefte is aan de uitbreiding van de supermarkt in Wilnis.
Conclusie
Met de beoogde ontwikkeling is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en er wordt voldaan aan de instructieregels.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Relatie tot planlocatie
Bodemkwaliteit
De herontwikkeling voorziet in de realisatie van bodemgevoelige functies op een bodemgevoelige locatie, zoals gedefinieerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De bodemkwaliteit ter plaatse van de toekomstige bodemgevoelige gebouwen dient daarom van voldoende kwaliteit te zijn. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is daarom een historisch bodemonderzoek (NEN 5725) uitgevoerd (zie Bijlage 2).
In het historische bodemonderzoek wordt de Molmlaan-locatie als 'verdacht' beschouwd vanwege de volgende redenen:
De bodemkwaliteit dient inzichtelijk te worden gemaakt, door middel van een verkennend bodemonderzoek.
Figuur 6.1.1 Situatietekening Molmlaan-locatie
De CSW-locatie wordt grotendeels als 'onverdacht' beschouwd. Echter zijn er meerdere watergangen op de locatie aanwezig, welke verdacht zijn op het toepassen van verontreinigd dempingsmateriaal. De watergangen zijn daarom opgenomen als verdachte deellocaties. Om de hypothese te kunnen bevestigen dient verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden.
Figuur 6.1.2 Situatietekening CSW-locatie
Doorkijk vervolg en regels vanuit omgevingsplan
De bodemkwaliteit binnen de planlocatie is op hoofdlijnen in beeld gebracht op basis van beschikbare onderzoeken. Deze geven een eerste inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, maar zijn niet toereikend om functiewijzigingen naar bodemgevoelige functies zonder meer toe te staan. Voor dergelijke functies is aanvullend, locatiegericht bodemonderzoek noodzakelijk.
Voor het aspect bodem zijn de regels uit de bruidsschat (Hoofdstuk 22, omgevingsplan gemeente De Ronde Venen) van het omgevingsplan van toepassing. Deze regels vloeien voort uit de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en borgen dat de bouw van bodemgevoelige gebouwen uitsluitend mogelijk is indien de bodemkwaliteit voldoet aan vastgestelde grenswaarden. Deze grenswaarden zijn gekoppeld aan de interventiewaarden uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en vormen een bindend toetsingskader bij de vergunningverlening.
Daarnaast is in het omgevingsplan vastgelegd dat de bouw van bodemgevoelige gebouwen vergunning- of meldingsplichtig is. In het kader van een toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning moet daarom een actueel bodemonderzoek worden overgelegd. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit onvoldoende is, kunnen pas maatregelen worden getroffen in de vorm van sanering of andere beheersmaatregelen, voordat realisatie of ingebruikname van het gebouw is toegestaan. Ook is in de bruidsschat geborgd dat dergelijke maatregelen in stand worden gehouden en dat het gebouw pas in gebruik mag worden genomen nadat aan de voorwaarden is voldaan.
De bescherming van de bodemkwaliteit is hiermee via de regels van het omgevingsplan voldoende geborgd. Het opnemen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk, omdat bij de toekomstige vergunningverlening altijd een nadere beoordeling van de bodemkwaliteit en, indien nodig, vervolgonderzoek plaatsvindt.
Utrechts omgevingsverordening - bodemdaling
Het planvoornemen voorziet in een herstructurering van bestaande stedelijke functies, waarbij zowel woningbouw als maatschappelijke en commerciële voorzieningen worden gerealiseerd. In het kader van deze ontwikkeling is getoetst of de voorgenomen ingrepen leiden tot extra bodemdaling, zoals bedoeld in de Utrechtse Omgevingsverordening.
De ontwikkeling omvat onder meer de realisatie van 22 betaalbare, grondgebonden koopwoningen op de Molmlaan-locatie, verdeeld over rijwoningen en rug-aan-rug woningen met een maximale bouwhoogte van 11 meter. Daarnaast blijft een bestaand gebouw met commerciële functies en de drie woningen behouden. Op de CSW-locatie wordt een nieuw clubgebouw gerealiseerd ter vervanging van gesloopte bebouwing, en worden een supermarkt en een versspeciaalzaak toegevoegd met beperkte bouwhoogte (6 tot 9 meter). De rest van het terrein wordt ingericht met parkeerplaatsen.
Gezien de aard van de ontwikkelingen – voornamelijk laagbouw, hergebruik van bestaande stedelijke ruimte en beperkte bodembelasting – is het risico op extra bodemdaling gering. De toegepaste funderingstechnieken worden afgestemd op de lokale bodemgesteldheid, waarbij paalfunderingen of andere passende methoden worden ingezet om zetting te voorkomen.
Er is geen sprake van grootschalige grondwateronttrekking of ophoging met zware materialen die de bodem extra zouden belasten. Bovendien wordt bij de inrichting van de openbare ruimte rekening gehouden met waterhuishouding en infiltratie, wat bijdraagt aan het behoud van bodemstabiliteit.
Op basis van de beschikbare informatie kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen niet leidt tot extra bodemdaling. De exacte funderingsstechnieken zullen ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten verder uitgewerkt worden. Daarmee wordt voldaan aan de relevante bepalingen uit de Utrechtse Omgevingsverordening met betrekking tot verstedelijking binnen bestaand stedelijk gebied.
Conclusie
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is op hoofdlijnen inzicht verkregen in de bodemkwaliteit ter plaatse. Het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen voorziet reeds, via hoofdstuk 22, in de borging van het uitvoeren van het noodzakelijke vervolgonderzoek voor de beoogde ontwikkeling. Het opnemen van aanvullende regels ten aanzien van de bodemkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Daarnaast leidt de beoogde ontwikkeling niet tot extra bodemdaling. Er wordt daarmee voldaan aan de instructieregels en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de - nog te bepalen - datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Relatie tot planlocatie
Soortenbescherming
Met de beoogde ontwikkeling worden grote delen van de bestaande bebouwing gesloopt, wordt er struweel verwijderd en worden er bomen gekapt. Door deze activiteiten is mogelijk sprake van significant negatieve effecten op beschermde soorten. Om dit uit te kunnen sluiten zijn twee ecologische quickscans uitgevoerd; ter plaatse van de Molmlaan-locatie (zie Bijlage 3) en ter plaatse van de CSW-locatie (zie Bijlage 4).
Molmlaanlocatie
Door kieren, spleten en gaten in de spouwmuren van de huidige bebouwing zijn mogelijk beschermde vleermuissoorten binnen de deellocatie aanwezig. Het gaat om de volgende vleermuissoorten:
Voor de hierboven genoemde vleermuissoorten kan, door het treffen van mitigerende maatregelen, gebruik worden gemaakt van het gemeentelijke SMP. Hierdoor is vervolgonderzoek voor deze soorten niet noodzakelijk.
CSW-locatie
De bebouwing ter plaatse van de CSW-locaties beschikt over gaten, kieren en spleten, waardoor beschermde vleermuissoorten zich in de spouw van de gebouwen kunnen bevinden (met geel aangegeven in figuur 6.3.1). Het gaat om de volgende vleermuissoorten:
Daarnaast zijn er mogelijk (middelgrote) nesten aanwezig in de bomen rondom de parkeerplaats (paars aangegeven in figuur 6.2.1). Ten tijden van het veldbezoek van de ecologische quickscan beschikten deze bomen namelijk over een dicht bladerdek. Het gaat om de volgende vogelsoorten:
Figuur 6.2.1 Vervolgonderzoekslocaties
Voor de hierboven genoemde vleermuissoorten kan, door het treffen van mitigerende maatregelen, gebruik worden gemaakt van het gemeentelijke SMP. Hierdoor is vervolgonderzoek voor deze soorten niet noodzakelijk. Ten behoeve van bovenstaande vogelsoorten is vervolgonderzoek noodzakelijk en al in gang gezet. Gekeken naar deze soorten kan met inachtneming van eventueel benodigde mitigerende en compenserende maatregelen in alle redelijkheid worden verwacht dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning voor een flora en fauna-activiteit verleend zal worden, mocht een soort tijdens de uitvoering van het vervolgonderzoek daadwerkelijk aangetroffen worden.
Gebiedsbescherming
De planlocatie vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De planlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaarten en gegevens van de Provincie Utrecht blijkt dat op de planlocatie of in de directe omgeving geen Natuurnetwerk Nederland aanwezig is, het dichtstbijzijnde gebied ligt op een afstand van circa 580 meter. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden betreffen Nieuwkoopse Plassen & De Haeckop een afstand van circa 4 km. De afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-gebied bedraagt circa 3 km.
Figuur 6.2.2 Planlocatie en Natuurnetwerk Nederland
Figuur 6.2.3 Planlocatie en Natura 2000-gebieden
De planlocatie ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen daardoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de ligging van de planlocatie in een stedelijke omgeving kunnen ook verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. In het kader van het TAM-omgevingsplan is stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5). Uit de rekenresultaten blijkt dat in zowel de realisatie- als de gebruiksfase tijdelijk sprake is van een stikstofdepositie van zeer beperkte stikstofdepositie, namelijk maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Botshol.
Omdat sprake is van een zeer beperkte en tijdelijke stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, is een ecologische beoordeling (zie Bijlage 11) uitgevoerd om de mogelijke effecten hiervan te beoordelen. Uit de ecologische beoordeling volgt dat deze zeer geringe en tijdelijke bijdrage niet leidt tot significante effecten. Daarbij is betrokken dat het merendeel van de depositie bestaat uit stikstofoxiden (NOx), waarvan uit ecologisch onderzoek blijkt dat deze niet leiden tot schadelijke effecten op de vegetatie. Bovendien wordt de kwaliteit en ontwikkeling van de betrokken habitattypen in belangrijke mate bepaald door andere, dominantere factoren, zoals de huidige hydrologische situatie waarbij fosfaat- en ammoniumrijk water vanuit omliggende landbouwgebieden wordt ingelaten.
Gelet op de beperkte omvang en het tijdelijke karakter van de stikstofdepositie is de bijdrage van de beoogde ontwikkeling ecologisch gezien verwaarloosbaar. Deze leidt niet tot waarneembare veranderingen in de vegetatiesamenstelling of bodemchemie. Effecten zoals verruiging treden pas op bij structureel verhoogde deposities over een langere periode en hangen bovendien voornamelijk samen met ammoniumdepositie, waarvan hier geen sprake is. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatieve effecten op de betrokken habitattypen en belemmert het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen niet. Significante effecten op het Natura 2000-gebied kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Conclusie
Er zijn mogelijk beschermde soorten aanwezig binnen de plangrenzen. Op basis van de quickscan zijn deze mogelijke soorten inzichtelijk gemaakt. Met inachtneming van eventueel benodigde mitigerende en compenserende maatregelen mag in alle redelijkheid verwacht worden dat een eventuele vergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor de vogelsoorten verleend zal worden. Voor de vleermuissoorten kan door middel van het het gemeentelijke SMP van toepassing worden verklaard, waardoor met behulp van mitigerende maatregelen aan de vereisten uit het SMP kan worden voldaan.
Op basis van het uitgevoerde stikstofonderzoek is vastgesteld dat zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase sprake is van een zeer beperkte en tijdelijke stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Botshol. Uit de ecologische beoordeling blijkt dat ondanks er sprake is van depositie er geen sprake is van significant negatieve effecten.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mits de hiervoor beschreven stappen – waaronder het uitvoeren van vervolgonderzoek en het mogelijk verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Relatie tot planlocatie
Het omgevingsplan biedt geen ruimte voor nieuwe risicovolle activiteiten. Wel worden beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. Zeer kwetsbare gebouwen (zoals bijvoorbeeld kinderdagverblijven en bepaalde zorgfuncties) zijn niet toegestaan.
Inventarisatie risicobronnen, risicocontouren en aandachtsgebieden
In de omgeving van de planlocatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het is daarom van belang om af te wegen of ten aanzien van de woningen en andere functies een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de PAV-kaarten van het REV is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van de planlocatie vinden. Daarbij is gekeken naar activiteiten met externe veiligheidsrisico's, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd De risicobronnen met relevante contouren en aandachtsgebieden zijn weergegeven in onderstaand figuur.
Figuur 6.3.1 Planlocatie en aandachtsgebieden risicobronnen (bron: REV)
Uit figuur 6.3.1 is af te lezen dat de planlocatie nabij een buisleiding is gesitueerd. De planlocatie ligt echter op voldoende afstand van het brandaandachtsgebied behorende bij deze buisleiding. Dit betekent dat er geen sprake is van een verhoogd risico voor personen op of nabij de planlocatie als gevolg van deze buisleiding.
Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving van de planlocatie geen andere relevante risicobronnen, waarvan de PR-contouren of aandachtsgebieden invloed zouden kunnen hebben op de planlocatie. De overige risicocontouren en aandachtsgebieden liggen op zodanige afstand dat zij geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Voor deze wijziging van het omgevingsplan zijn wel de algemene bepalingen in § 5.1.2.1 van het Bkl van belang. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van:
Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Er zijn geen aanvullende regels nodig.
Risico's anders dan gevaarlijke stoffen
Uit kaarten en gegevens van het Interprovinciaal Overleg (IPO, 2023) blijkt dat zich in en rondom de planlocatie kwetsbare natuurgebieden bevinden die gevoelig zijn voor natuurbranden. Omdat het gebouw echter binnen bestaand stedelijk gebied ligt, is het risico op natuurbranden op lokaal niveau verwaarloosbaar. Gezien deze omstandigheden is het niet noodzakelijk om in het kader van de voorgenomen ontwikkeling aanvullend onderzoek te verrichten naar dit aspect van externe veiligheid.
Uit kaarten van het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) blijkt dat de planlocatie en de directe omgeving een zeer kleine plaatsgebonden overstromingskans hebben, variërend van 1/3.000 tot 1/30.000 per jaar. LIWO biedt daarnaast prognoses voor de jaren 2050 en 2100, waaruit blijkt dat deze overstromingskans niet wijzigt. De kans op overstromingen is zodanig gering dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Bovendien voorziet de ontwikkeling niet in activiteiten die invloed hebben op de plaatsgebonden overstromingskans. Verdere stappen of aanvullend onderzoek naar waterveiligheid zijn dan ook niet vereist. Overige risico’s op branden, rampen en crisissituaties zijn niet relevant voor deze ontwikkeling.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de beoogde activiteit in overeenstemming met de instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid. De ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, voor zover het aspect veiligheid betreft, aangezien er geen nieuwe risicovolle activiteiten worden gerealiseerd en er geen aanvullende risico’s ontstaan door nabijgelegen risicovolle inrichtingen. Er zijn dan ook geen planregels noodzakelijk om te voldoen aan ETFAL en de geldende instructieregels.
De Omgevingswet beoogt een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, waarbij het ruimtelijk en milieuspoor worden samengebracht. Deze wet biedt ruimte voor maatwerk, afgestemd op de specifieke kenmerken van zowel de locatie als de voorgenomen activiteit.
In dit kader is het van belang om zorgvuldig om te gaan met de ruimtelijke relatie tussen milieugevoelige functies (zoals wonen) en milieubelastende en/of milieuhinderlijke activiteiten (zoals bedrijven die geur, geluid of andere emissies veroorzaken). De gemeente maakt hierbij een locatiespecifieke afweging over de aanvaardbaarheid van de nieuwe functie binnen de bestaande omgeving.
Uitgangspunt is dat milieugevoelige en milieubelastende functies op voldoende afstand van elkaar worden gesitueerd om hinder te voorkomen. Deze afweging kent twee richtingen:
Relatie tot planlocatie
Uit de paragrafen 6.5 Geluid, 6.6 Geur en 6.7 Licht blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet stuit op onoverkomelijke belemmeringen ten aanzien van de milieutechnische inpasbaarheid van de toekomstige situatie.
Samenvattend kan worden gesteld dat de milieuregels uit het vigerende omgevingsplan van De Ronde Venen toereikend zijn om de ontwikkeling op een verantwoorde wijze mogelijk te maken. Er zijn geen aanvullende regels noodzakelijk om te komen tot een aanvaardbare situatie. De specifieke uitwerking en onderbouwing van de milieueffecten is opgenomen in de eerder genoemde paragrafen, waarin per aspect is toegelicht op welke wijze wordt voldaan aan de relevante regelgeving en randvoorwaarden.
Conclusie
De ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten:
In een omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelig gebouwen. Ook dient een omgevingsplan erin te worden voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is (artikel 5.59 Bkl). Het geluid door een activiteit is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimte en binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.64 Bkl).
Beleid hogere waarden Wet geluidhinder Gemeente De Ronde Venen
Het beleid richt zich op het waarborgen van een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente streeft ernaar geluidhinder zoveel mogelijk te voorkomen door eerst bron- en overdrachtsmaatregelen te onderzoeken, zoals stiller asfalt, verkeersbeperkingen of geluidschermen. Alleen wanneer deze maatregelen onvoldoende effect hebben, kan een hogere waarde worden verleend. Daarbij gelden strikte voorwaarden: binnenwaarden mogen niet worden overschreden en cumulatie van geluid wordt meegenomen in de beoordeling. Het beleid hanteert geluidsklassen om de mate van overschrijding en de intensiteit van de afweging te bepalen.
Molmlaan-locatie
Op de locatie aan de Molmlaan wordt in de toekomst het grootste deel van de bestaande bebouwing gesloopt. Eén gebouw blijft echter behouden: het pand waarin momenteel onder andere Foodmaster, Bakker De Kruijf en woningen op de verdieping zijn gevestigd. Dit gebouw ligt aan de noordwestzijde van de deellocatie. In de plint (begane grond) van dit gebouw zijn al horeca-activiteiten mogelijk die vallen onder categorie 1a en 1b van de Staat van Horeca-activiteiten en wordt er horeca tot en met categorie 1c mogelijk gemaakt. Daarnaast is het mogelijk om in plaats van deze horeca maximaal vier woningen in de plint te realiseren.
De beoogde ontwikkeling maakt op de locatie aanvullend de realisatie van 22 woningen mogelijk, welke zijn aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen. In het kader van geluid door activiteiten wordt daarom beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, of bestaande bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt, en of kan worden voldaan aan de geluidregels van het omgevingsplan.
Geluid buiten de planlocatie
Volgens het tijdelijk deel Dorpskernen van het Omgevingsplan De Ronde Venen bestaat de directe omgeving van de Molmlaan-locatie hoofdzakelijk uit woonbebouwing. Aan de Kamgras bevinden zich enkele maatschappelijke functies, maar deze liggen op meer dan 50 meter afstand van de planlocatie. Aangezien zich tussen deze functies en de planlocatie reeds meerdere woonfuncties bevinden, is het aannemelijk dat deze activiteiten geen relevante milieuhinder veroorzaken voor de nieuwe woningen.
Geluid binnen de planlocatie
Binnen de planlocatie blijven enkele bestaande bedrijfsactiviteiten behouden, waaronder een snackbar en een pizzeria. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie bevinden deze zich hier direct naast woningen. Dit betekent dat ook nu al op korte afstand moet worden voldaan aan de geldende geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (bruidsschat).
In de beoogde situatie worden de nieuwe woningen op grotere afstand van deze bedrijfsactiviteiten gesitueerd dan de bestaande woningen, welke zich boven de verdieping bevinden waar de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Redelijkerwijs kan daarom worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbare situatie waarin wordt voldaan aan de geluidregels van het omgevingsplan.
Nieuwe te vestigen bedrijfsactiviteiten dienen eveneens te voldoen aan de geldende milieunormen. De geluidregels uit het vigerende plan – de zogenoemde bruidschat – zijn bepalend voor de geluidruimte van de bestaande activiteiten. Deze regels blijven van kracht en wijzigen niet met de vaststelling van het voorliggende omgevingsplan. Bestaande bedrijven kunnen hun activiteiten uitbreiden of wijzigen, mits zij binnen deze geluidruimte blijven.
De toegestane functies zijn gekenmerkt als kleinschalige horecavoorzieningen, die slechts beperkte milieuruimte vragen. Dit betekent dat deze functies in beginsel goed te combineren zijn met andere functies zoals wonen, werken of detailhandel, zonder dat dit leidt tot onaanvaardbare hinder.
Aanvullend is in het akoestisch onderzoek expliciet rekening gehouden met indirecte geluidhinder als gevolg van verkeersbewegingen die samenhangen met de toegestane horeca-activiteiten en detailhandel, evenals met het geluid van vaste installaties, zoals ventilatie- en koelinstallaties. Deze bronnen zijn integraal betrokken bij de beoordeling van het omgevingslawaai ter plaatse van bestaande en beoogde geluidgevoelige gebouwen.
Uit de resultaten van het aangepaste akoestisch onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de maximale geluidniveaus als gevolg van de bedrijfsactiviteiten, inclusief verkeersgeneratie en installaties, voldoen aan de daarvoor geldende standaardwaarden en grenswaarden als bedoeld in artikel 5.64 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarmee is sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting op alle relevante gevels van geluidgevoelige gebouwen.
Om aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de beoogde woningen op de Molmlaan-locatie, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar omgevingslawaai als gevolg van de bedrijfsactiviteiten op deze locatie. Op basis van de resultaten van de rapportage kan worden gesteld dat ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige gebouwen na realisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels van artikel 5.59 Bkl, waarin is bepaald dat in het omgevingsplan moet zijn geborgd dat het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
De rapportage omgevingslawaai is bijgevoegd als Bijlage 6.
CSW-locatie
Binnen de planlocatie wordt een nieuw clubgebouw gerealiseerd tussen de twee zuidelijke sportvelden. Alle functies uit de bestaande bebouwing worden hierin ondergebracht. Op het aangrenzende parkeerterrein worden een supermarkt en een versspeciaalzaak mogelijk gemaakt.
Hoewel de ontwikkeling zelf geen geluidgevoelige gebouwen omvat, worden er wel functies mogelijk gemaakt die potentieel geluidhinder kunnen veroorzaken voor nabijgelegen geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen of maatschappelijke voorzieningen.
Op circa 15 meter bevindt zich een basisschool. Om aan te kunnen tonen dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de instructieregels van het Bkl is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de bedrijfsactiviteiten van de supermarkt en de versspeciaalzaak. Dit betreft dezelfde rapportage als het onderzoek naar omgevingslawaai ter plaatse van de Molmlaan-locatie (Bijlage 6).
Tot de beoordeelde bedrijfsactiviteiten is expliciet ook het laden en lossen van goederen gerekend. Hierbij is uitgegaan van bevoorrading door vrachtwagens en het verplaatsen van goederen met rolcontainers, conform de representatieve bedrijfssituatie uit het akoestisch onderzoek. Deze laad- en losactiviteiten vinden uitsluitend plaats in de dagperiode. De daarmee samenhangende geluidemissies, waaronder zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidniveaus, zijn betrokken bij de beoordeling van het geluid door activiteiten op de omliggende en nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van laden en lossen, bezien in samenhang met de overige bedrijfsactiviteiten, voldoet aan de geldende beoordelingskaders en geen belemmering vormt voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Ook voor de geluidsbelasting door de bedrijfsactiviteiten op de school is geconcludeerd dat narealisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Met de beoogde ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd op de Molmlaan-locatie. De beoogde woningen liggen binnen de geluidaandachtsgebieden van de gemeentewegen Molmlaan, Pieter Joostenlaan, Pastoor Kannelaan, Veenweg, Burgemeester van Trichtlaan, Burgemeester Fernhoutlaan, Kamgras, Beemdgras en Vossestaart.
Om te borgen dat het wegverkeerslawaai op de nieuwe woningen aanvaardbaar is, is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarbij is expliciet getoetst aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) én aan het gemeentelijk beleid hogere waarden Wet geluidhinder van de gemeente De Ronde Venen, dat kader geeft aan de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit kader is onderzocht of bron- en overdrachtsmaatregelen mogelijk zijn, of sprake is van geluidluwe gevels en buitenruimtes en wat de effecten zijn van cumulatie en gezamenlijk geluid.
In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een worst-case verkeersgeneratie. Zoals toegelicht in paragraaf 6.11 Mobiliteit en parkeren ligt de feitelijke verkeersgeneratie lager dan waarvan in het onderzoek is uitgegaan. Daarmee zal de werkelijke geluidbelasting lager zijn dan de berekende waarden. De rapportage wegverkeerslawaai is opgenomen als Bijlage 7.
Figuur 6.5.2.1. Toetspunt 21 en 22 in rood aangegeven. Deze toetspunten betreffen twee
woningen.
Uit het onderzoek blijkt dat voor twee woningen (toetspunten 21 en 22, weergegeven in figuur 6.5.2.1) de standaardwaarde van 53 dB wordt overschreden. De overschrijding bedraagt maximaal 7 dB. De grenswaarde van 70 dB Lden wordt daarbij niet overschreden. Hiermee is sprake van een situatie waarin, conform het gemeentelijk geluidsbeleid, een nadere afweging noodzakelijk is waarbij het belang van een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte doorslaggevend is.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze twee woningen zonder aanvullende maatregelen niet beschikken over een vanzelfsprekende geluidluwe gevel of buitenruimte. Door de toepassing van een tuinafscherming aan de noordzijde ontstaat op de begane grond echter wél een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Daarmee wordt voor deze woningen gedeeltelijk aan de beleidsvoorwaarden voldaan.
Het gemeentelijk geluidsbeleid schrijft voor dat iedere woning:
Alle woningen voldoen hieraan, behalve de twee voorgenoemde woningen. Als aanpassing binnen het bouwvolume niet mogelijk is, kunnen op de verdiepingen aan de noordzijde lokale maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting te reduceren tot de standaardwaarde; hier kan gedacht worden aan een:
De noodzaak en toepassing van deze maatregelen, evenals de verplichtingen die volgen uit het gemeentelijk geluidsbeleid, zijn juridisch geborgd in de planregels van het voorliggende omgevingsplan. De beoordelingsregels van artikel 9.2.4 (bestemming 'Wonen') gelden als voorwaardelijk toetsingskader bij de verdere uitwerking van het plan. De exacte invulling en dimensionering van de maatregelen worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen nader gespecificeerd en akoestisch onderbouwd.
Hiermee is geborgd dat het voorliggend plan voldoet aan de instructieregels is voor het aspect wegverkeerslawaai.
Cumulatie
In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is het gecumuleerde geluid op de gevels van de beoogde woningen inzichtelijk gemaakt. Daarbij is rekening gehouden met het geluid van gemeentewegen in de omgeving en met het geluid door activiteiten van nabijgelegen horecavoorzieningen. Voor het geluid door activiteiten is de daarbij behorende hinderweging toegepast overeenkomstig de systematiek voor industrielawaai, zoals gebruikelijk bij een indicatieve cumulatiebeoordeling. Het gecumuleerde geluid op de gevels van de nieuwe woningen bedraagt, afhankelijk van de situering van de woning en de toepassing van een tuinafscherming bij het meest westelijke bouwblok, circa 41 dB tot maximaal 60 dB. Op basis van de methode van Miedema kan deze gecumuleerde geluidbelasting worden gekwalificeerd als “zeer goed” tot “matig”. Deze kwalificatie wordt in het gemeentelijk beleid als aanvaardbaar aangemerkt en vormt geen belemmering voor het realiseren van een goed woon- en leefklimaat.
Gezamenlijk geluid
Naast de cumulatiebeoordeling is in het akoestisch onderzoek expliciet het gezamenlijk geluid bepaald, zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gezamenlijk geluid betreft de energetische optelling van de relevante geluidbronnen ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige gebouwen en is bepalend voor de benodigde geluidwering van de gevels.
Voor de beoogde woningen bedraagt het gezamenlijk geluid ten hoogste 60 dB. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar blijken niet doelmatig of wenselijk vanwege stedenbouwkundige en financiële bezwaren. Voor het meest westelijke blok zijn daarom gebouw- en perceelgebonden maatregelen voorzien, waaronder een tuinafscherming en aanvullende gevelmaatregelen, waarmee wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidsbeleid.
Het gezamenlijk geluid is uitsluitend vastgelegd voor rekenpunten waar sprake is van een overschrijding van de toepasselijke grenswaarde. Op de overige rekenpunten doet zich geen overschrijding voor en is het daarom niet nodig om het gezamenlijk geluid afzonderlijk vast te leggen. Voor de rekenpunten waar dit wel aan de orde is, is het gezamenlijk geluid per rekenpunt vastgelegd in een tabel die als Bijlage 3 Waarden gezamenlijk geluid bij de planregels is opgenomen en waarnaar in de regels wordt verwezen. Door deze vastlegging per rekenpunt wordt voorkomen dat de geluidwering van alle gevels moet worden gedimensioneerd op basis van een maximale waarde. Hiermee wordt maatwerk per gevel mogelijk gemaakt en wordt onnodige overdimensionering van gevelmaatregelen voorkomen.
Bij de verdere uitwerking van het plan dient door middel van een aanvullend gevelonderzoek te worden aangetoond dat, uitgaande van het per rekenpunt vastgelegde gezamenlijke geluid, wordt voldaan aan de nieuwbouweisen voor het binnenniveau. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat dit met gangbare geluidwerende gevelconstructies haalbaar is, waardoor een aanvaardbaar binnenniveau en een goed woon- en leefklimaat zijn gewaarborgd.
Conclusie
Het plan is uitvoerbaar en stuit niet op onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot wegverkeerslawaai. Ten aanzien van twee woningen binnen de planlocatie zijn aanvullende planregels opgenomen om zo te borgen dat er wordt voldaan aan instructieregels. Er wordt voldaan aan de instructieregels voor wegverkeerslawaai en de ontwikkeling is voldoende onderzocht. Daarmee wordt bijgedragen aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat gemeenten in het omgevingsplan rekening dienen te houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Gemeenten dienen dus te overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit en/of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Naast gebouwen met een woon-, zorg-, onderwijs- of kinderopvangfunctie mag de gemeente ook overige gebouwen en locaties beschermen tegen geur.
Relatie tot planlocatie
Molmlaan-locatie
Op de Molmlaan-locatie blijven de pizzeria en snackbar behouden. Deze activiteiten bevinden zich momenteel direct naast woningen en dienen in de huidige situatie al rekening te houden met geurgevoelige gebouwen op zeer korte afstand. Dit betekent dat ook nu al moet worden voldaan aan de geldende geurregels.
De beoogde herontwikkeling maakt de realisatie van 22 nieuwe woningen mogelijk, die eveneens worden aangemerkt als geurgevoelige gebouwen. In de nieuwe situatie worden deze woningen op grotere afstand gesitueerd dan de huidige woningen, aangezien op de verdieping boven deze bedrijfsactiviteiten al woningen aanwezig zijn. Redelijkerwijs kan daarom worden aangenomen dat sprake is van een aanvaardbare situatie waarin wordt voldaan aan de geurnormen van het omgevingsplan.
Nieuwe te vestigen bedrijfsactiviteiten dienen eveneens te voldoen aan de geldende geurregels. in het bijzonder artikel 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding, artikel 22.199 geur. Deze regels zijn gericht op het zoveel mogelijk beperken van geurhinder door voorwaarden te stellen aan de wijze van emissie van dampen en gassen en zijn daardoor bepalend voor de geurruimte van de bestaande activiteiten. Deze regels blijven van kracht en wijzigen niet met de vaststelling van het voorliggende omgevingsplan. Bestaande bedrijven kunnen hun activiteiten uitbreiden of wijzigen, mits zij voldoen aan de vereisten van deze regels.
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat geur geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling op de Molmlaan-locatie.
CSW locatie
Binnen de planlocatie wordt onder andere een versspeciaalzaak mogelijk gemaakt. Afhankelijk van de aard en schaal van de activiteiten kan deze functie geurhinder veroorzaken voor nabijgelegen geurgevoelige functies, zoals woningen of maatschappelijke voorzieningen.
Voor de beoordeling van de geuraspecten is gebruikgemaakt van de richtafstanden van de VNG-handreiking 2009 bedrijven en milieuzonering. Voor een versspeciaalzaak wordt hierin een indicatieve richtafstand van circa 10 tot 30 meter gehanteerd voor geur, afhankelijk van het omgevingstype (rustige woonwijk of gemengd gebied).
De dichtstbijzijnde woningen bevinden zich op circa 50 meter afstand van de beoogde functie. Gezien deze afstand, in combinatie met de beperkte schaal van de activiteit, wordt geurhinder richting deze woningen uitgesloten. Op circa 15 meter afstand bevindt zich een school, welke op grond van het Bkl word aangemerkt als een geurgevoelig gebouw.
De beoogde activiteit dient te voldoen aan de geurregels van het omgevingsplan, in het bijzonder artikel 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding, artikel 22.199 geur. Deze regels zijn gericht op het zoveel mogelijk beperken van geurhinder door voorwaarden te stellen aan de wijze van emissie van dampen en gassen. Gelet op de regels in de bruidsschat, die zijn gericht op het voorkomen van geurhinder, en de afstand tussen geurgevoelige gebouwen en de beoogde ontwikkeling, wordt geurhinder voorkomen.
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde beoordeling wordt geconcludeerd dat geur geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkelingen op zowel de Molmlaan-locatie als de CSW-locatie.
Voor beide locaties geldt dat de geurregels uit het omgevingsplan (de zogenoemde bruidschat) voldoende waarborgen bieden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen voor zowel bestaande als nieuwe geurgevoelige gebouwen.
Er zijn geen aanvullende regels noodzakelijk; het planvoornemen voldoet aan de geldende instructieregels voor geur.
Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten:
Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal noemt lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes. Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden.
Daarnaast kunnen in de provinciale verordening, een gemeentelijke visie en/of het omgevingsplan regels gesteld worden omtrent (het voorkomen van) lichthinder.
Relatie tot planlocatie
Het planvoornemen voorziet niet in activiteiten die kunnen leiden tot lichthinder waarvoor specifiek onderzoek of een nadere beschouwing noodzakelijk is. De potentiële lichtemissie blijft beperkt tot gevelreclame of lichtborden ten behoeve van de naamvoering van de supermarkt of versspeciaalzaak. Deze vormen van verlichting zijn gangbaar binnen stedelijke omgevingen en worden als beperkt en beheersbaar beschouwd.
In de omgeving van de Molmlocatie, waar woningen zijn beoogd, zijn geen bestaande of geplande activiteiten of objecten aanwezig die tot lichthinder kunnen leiden. Daarmee is er geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen of nader onderzoek te verrichten op dit punt.
Conclusie
Het aspect lichthinder is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Zoals eerder toegelicht, zijn er geen activiteiten in of nabij de planlocatie voorzien die tot significante lichtemissie leiden. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten.
Relatie tot planlocatie
De bereikbaarheid van de planlocatie is goed, met voldoende aansluiting op belangrijke verkeerswegen en openbaar vervoer, wat zorgt voor gemakkelijke toegang voor bewoners en bezoekers. Dit draagt bij aan een gezonde leefomgeving door het stimuleren van actieve mobiliteit, zoals fietsen en wandelen.
Op korte afstand van de planlocatie bevinden zich diverse voorzieningen, zoals winkels, scholen en openbaar vervoer. Door deze nabijheid worden lopen en fietsen gestimuleerd, wat bijdraagt aan een gezonde en actieve leefstijl van bewoners en gebruikers. Dit ondersteunt het streven naar een duurzame, leefbare en gezonde omgeving.
Uit de gegevens van het CIMLK blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden geactualiseerd; de huidige advieswaarden bedragen 10 µg/m³ voor NO2, 15 µg/m³ voor PM10 en 5 µg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijnstof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. Deze advieswaarden zijn geen harde grenzen maar doelen waar op langere termijn naar toegewerkt zou moeten worden. De concentraties ter hoogte van het plangebied zijn hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor de planlocatie, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen en gemengd aan de planlocatie toe te delen.
Conclusie
Vanuit de overige omgevingsaspecten zijn er geen factoren die de gezondheidssituatie ter plaatse negatief beïnvloeden. Het plan voldoet aan de geldende normen en richtlijnen en is voor het aspect gezondheid uitvoerbaar. Alle noodzakelijke maatregelen, zoals bijvoorbeeld akoestische maatregelen, worden getroffen om de gezondheidssituatie te waarborgen en mogelijke negatieve gevolgen te voorkomen. Hierdoor kan worden gesteld dat er sprak is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vanuit gezondheidsperspectief.
In (de omgeving van) de planlocatie kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in de planlocatie. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.
Relatie tot het planlocatie en conclusie
Uit raadpleging van de beschikbare gegevens blijkt dat zich geen relevante kabels, leidingen of straalpaden binnen of direct grenzend aan de planlocatie bevinden die beperkingen opleggen aan de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen hoogspanningsverbindingen, straalpaden of leidingen met een beschermingszone aanwezig die de uitvoerbaarheid van het plan beïnvloeden. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat dit aspect niet van toepassing is op de planlocatie. Er zijn dan ook geen vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot kabels, leidingen of straalpaden.
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier reeds een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeenteactiviteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
Relatie tot planlocatie
Met de beoogde ontwikkeling is er een worst-case toename van 690 mvt/etmaal. Betreffende verkeersgeneratie is niet-in-betekenende-mate, zoals inzichtelijk is gemaakt in figuur 6.10.1.
Figuur 6.10.1 NIBM-tool
Daarnaast bevindt de planlocatie zich niet in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Nader onderzoek is niet benodigd. Met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is de beoogde ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) 2023. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Pieter Joostenlaan. Uit de CIMLK-kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 10 µg/m³ voor NO2, 14 µg/m³ voor PM10 en 8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.
WHO-advieswaarden
In 2021 heeft WHO haar advieswaarden voor luchtkwaliteit bijgesteld naar 10 µg/m³ voor NO2, 15 µg/m³ voor PM10 en 5 µg/m³ voor PM2,5. De WHO-waarden voor NO2 en voor PM10 worden dus behaald. De WHO-waarde voor PM2,5 wordt echter niet behaald. Wel ligt deze waarde ruim onder de grenswaarde gesteld vanuit het Bkl en wordt er dus voldaan aan de instructieregels en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Conclusie
De ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de locatie buiten een luchtkwaliteitsaandachtsgebied ligt en omdat de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Uit de CIMLK blijkt dat er ter plaatse geen overschrijding plaats vindt aan de grenswaarde voor luchtkwaliteit. Daarnaast is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregels van het Bkl. Gelet hierop vereisen de instructieregels niet tot het stellen van planregels.
Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP's wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak.
Provinciale omgevingsverordening
De instructieregel van artikel 4.1 gaat in op de bereikbaarheid van nieuwe ontwikkelingen:
"Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen."
Gemeentelijk beleid
Het mobiliteitsbeleid van de gemeente is vastgelegd in het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan. In dit beleidsplan maakt de gemeente de keuzes voor hoe zij het gemeentelijke mobiliteitssysteem vormgeeft tot 2030, om zo de ambitie te halen om ook in 2040 een leefbare, vitale en bereikbare gemeente te zijn. Dit Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan bestaat uit een overkoepelende visie en een ambitie en beleidsuitgangspunten voor vijf thema’s:
Uitgangspunt bij beoordeling: STOMP principe
Conform het ‘Mobiliteits- en verkeersveiligheidsplan 2023-2030’ wordt bij de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren het STOMP-principe gehanteerd als uitgangspunt. STOMP staat voor: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (MaaS) en ten slotte de Privéauto. Het STOMP principe gaat ervanuit dat de voetgangers en fietsers de belangrijkste verkeersdeelnemers zijn die binnen de ontwikkeling gefaciliteerd dienen te worden, daarna volgt het openbaar vervoer en de deelmobiliteitsvoorzieningen en als laatste wordt de privéauto gefaciliteerd. Het toepassen van het STOMP principe draagt bij aan een duurzame gebiedsontwikkeling, daarom is dit principe belangrijk om mee te nemen in de beoordeling.
Relatie tot planlocatie
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een verkeerskundige beoordeling uitgevoerd. De volledige verkeerskundige beoordeling is bijgevoegd als Bijlage 8. Onderstaand is een samenvatting van deze verkeerskundige beoordeling weergeven.
Verkeer
Verkeersgeneratie
Aan de Molmlaan-locatie is worstcase gezien sprake van een afname van verkeersgeneratie met 1.558 op een gemiddelde werkdag. Ter plaatse van de CSW-locatie is een toename van 2.382 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. In totaal is er dus sprake van een toename van 824 motorvoertuigen op een gemiddelde werkdag.
Verkeerstoedeling
Voor het bepalen van de totale verkeerstoename per wegvak zijn de verkeerstoedelingen van beide deelgebieden bij elkaar opgeteld. In figuur 6.11.1 is de totaal beoogde verkeerstoename op het omliggende wegennet weergegeven.
Figuur 6.11.1 Totale verkeerstoename beoogde ontwikkeling
Verkeersintensiteit, -veiligheid en -afwikkeling
Voor het bepalen van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegennet in de autonome situatie is gebruik gemaakt van verkeersgegevens afkomstig uit het Verkeersmodel Noord-Holland Zuid 3.3 voor het prognosejaar 2040. In de onderstaande tabel zijn de verkeersintensiteiten per wegvak weergegeven in de autonome en beoogde situatie.
Tabel 6.11.1 Verkeersintensiteiten Pieter Joostenlaan
Vanuit beide deelgebieden wordt het gegenereerde verkeer ontsloten op de Pieter Joostenlaan. Uit de bovenstaande tabel blijkt dat in de beoogde situatie na toevoeging van de planbijdrage de verkeersintensiteit op de Pieter Joostenlaan stijgt naar 3.982 mvt/etmaal op het drukste punt.
De Pieter Joostenlaan is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg-type 2 binnen de bebouwde kom met een rijbaanbreedte van circa 6,8 meter en vrijliggende fietspaden. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat een gebiedsontsluitingsweg-type 2 doorgaans een verkeersomvang van 6.000 à 15.000 mvt/etmaal kan afwikkelen. Aangezien zelfs na toevoeging van de planbijdrage de verkeersintensiteit op de Pieter Joostenlaan ruim onder deze grenswaarde blijft, kan worden geconcludeerd dat de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling in de beoogde situatie gewaarborgd blijft.
Parkeren
Autoparkeren
Molmlaan-locatie
Het gemeentelijk parkeerbeleid heeft als uitgangspunt dat de extra parkeerbehoefte van een ruimtelijke ontwikkeling op eigen terrein wordt opgelost. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt van de huidige met de nieuwe situatie aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen, zoals opgenomen in het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030.
De nieuwe situatie moet ook voldoen aan de parkeerbehoefte op het maatgevende moment. Het maatgevende moment bij de Molmlaan wijzigt doordat de supermarkt verhuist van de zaterdag overdag naar de werkavond of -nacht. De te handhaven functies cafetaria, pizzeria hebben geen parkeerbehoefte ‘s nachts. Gedurende het parkeerdrukonderzoek zijn ook gedurende de nachtperiode tellingen uitgevoerd binnen deelgebied B en de directe omgeving (zie bijlage 1 uit Bijlage 8 Verkeerskundige beoordeling). Uit de resultaten van de parkeerdrukmeting blijkt dat gedurende de nachtperiode 27 parkeerplaatsen bezet waren rondom deelgebied B. Dit aantal wordt met 15% opgehoogd, conform het geldende beleid. (Een gemeten parkeerdruk van 100% is ongewenst vanwege het zoekgedrag dat daar het gevolg van is.) De parkeerbehoefte van de huidige bewoners is aldus 31 parkeerplaatsen.
Op basis van de gemeentelijke parkeernormen is in tabel 6.11.2 de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen berekend.
Tabel 6.11.2 Parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling deelgebied B Molmlaan
In totaal zijn er 34 parkeerplaatsen vereist voor de beoogde woningbouw, waarmee de totale parkeerbehoefte gedurende het maatgevende moment stijgt naar 65 parkeerplaatsen. Na toevoeging van de beoogde ontwikkeling en de daarbij behorende parkeervoorzieningen bedraagt het parkeeraanbod in de directe omgeving 65 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de toekomstige autoparkeerbehoefte van de Molmlaan-locatie.
CSW-locatie
Zoals eerder benoemd worden de bestaande clubgebouwen gesloopt als onderdeel van de beoogde ontwikkeling, maar worden deze teruggebracht op een ander gedeelte van het terrein van de sportverening. De parkeerbehoefte van de sportvereniging wordt in de beoogde situatie op dezelfde locatie opgevangen als in de bestaande situatie, waar in de beoogde situatie ook de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling aan wordt toegevoegd. In totaal bedraagt het parkeerterrein van de sportvereniging 149 parkeerplaatsen in de huidige situatie. In tabel 6.11.3 is berekent hoeveel aanvullende parkeerplaatsen benodigd zijn na de komst van de beoogde supermarkt en bakker.
Tabel 6.11.3 Parkeerbehoefte CSW-locatie
Ten opzichte van de bestaande situatie stijgt de normatieve parkeerbehoefte van deelgebied A met afgerond 73 parkeerplaatsen als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Hiermee stijgt de totale parkeerbehoefte naar 222 parkeerplaatsen. In de beoogde situatie wordt rekening gehouden met een uitbreiding van het parkeerterrein naar 225 parkeerplaatsen, waarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte voor de toekomstige functies.
Bij pieken in de parkeerbehoefte, bijvoorbeeld als het eerste elftal van CSW thuis speelt, is er een uitloop mogelijk naar de parkeerplaats bij De Willisstee; dit valt namelijk binnen de acceptabele loopafstand. De oversteek van de Pieter Joostenlaan wordt in het kader van dit project verbeterd. Daarnaast is er in april 2024 een parkeerdrukmeting uitgevoerd in de
omgeving. Uit de resultaten van de parkeerdrukmeting blijkt dat in de huidige situatie dan nog restcapaciteit beschikbaar is bij de Willistee.
Fietsparkeren
Molmlaan-locatie
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 22 betaalbare koopwoningen verdeeld over 12 eengezinswoningen en 10 rug-aan-rugwoningen. Voor het bepalen van de fietsparkeerbehoefte wordt aangesloten bij de fietsparkeernormen uit het Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030 van de gemeente De Ronde Venen. In tabel 6.11.4 is het benodigde aantal fietsparkeerplaatsen voor de beoogde ontwikkeling bepaald.
Tabel 6.11.4 Fietsparkeerbehoefte beoogde ontwikkeling deelgebied Molmlaan
De beoogde woningbouw in de Molmlaan-locatie heeft een fietsparkeerbehoefte van 124 fietsparkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling dient te worden voorzien in de realisatie van voldoende aanvullende fietsparkeerplaatsen voor het opvangen van de volledige fietsparkeerbehoefte binnen de planlocatie.
CSW-locatie
Een goede bereikbaarheid voor fietsers en voetgangers van zowel de sportverenigingen als de supermarkt is essentieel om fietsen en wandelen te stimuleren. Tussen de twee bijvelden en op het voorplein van de nieuwe accommodatie van CSW, is ruimte voor 150 fietsparkeerplaatsen. Bij de entree van de supermarkt wordt het aantal fietsparkeerplaatsen voor de bezoeker van de supermarkt zoveel mogelijk volgens de CROW-richtlijnen gerealiseerd. In tabel 6.11.5 zijn het benodigde aantal fietsparkeerplaatsen berekend
Tabel 6.11.5 Fietsparkeerbehoefte deelgebied CSW
Ten opzichte van de bestaande situatie stijgt de stallingsbehoefte met afgerond 50 fietsparkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de realisatie van 50 fietsparkeerplaatsen bij de entree van de supermarkt, waarmee de aanvullende fietsparkeerbehoefte probleemloos wordt opgevangen binnen de CSW-deellocatie.
Conclusie
In totaal zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename 824 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De autonome intensiteiten op de omliggende wegen zijn dermate laag om de beoogde verkeerstoename probleemloos op te vangen zonder dat dit leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid of verkeersafwikkeling.
De beoogde ontwikkeling is onderverdeeld in twee deelgebieden. Hieronder de bevindingen per deelgebied betreffende het onderdeel parkeren.
Molmlaan-locatie
Voor de Molmlaan wordt rekeningen gehouden met het gebruik van openbare parkeervoorzieningen in de omgeving. Uit de resultaten van de parkeerdrukmeting blijkt dat na toevoeging van de planbijdrage gedurende de maatgevende periode 65 parkeerplaatsen benodigd zijn. Het aantal parkeerplaatsen binnen de deellocatie, in combinatie met de parkeercapaciteit in de directe omgeving bedraagt in de beoogde situatie 65 parkeerplaatsen, waarmee volgens het gemeentelijke beleid wordt voldaan aan de parkeereis.
CSW-locatie
Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling in de deellocatie voor een aanvullende parkeerbehoefte van 74 autoparkeerplaatsen en 50 fietsparkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt het parkeeraanbod bij het CSW uitgebreid met 76 parkeerplaatsen en 50 fietsparkeerplaatsen, waarmee de aanvullende autoparkeerbehoefte probleemloos kan worden opgevangen.
Daarnaast heeft de beoogde woningbouw voor een fietsparkeerbehoefte van 124 fietsparkeerplaatsen. Bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling zullen voldoende fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd voor het opvangen van de fietsparkeerbehoefte
De Nederlandse ondergrond bevat nog op diverse plaatsen ontplofbare oorlogsresten (OO), zoals munitie, granaten en bommen, die grotendeels dateren uit de Tweede Wereldoorlog. Ontplofbare oorlogsresten kunnen worden aangetroffen bij onder meer bouw-, graaf-, bagger- en saneringswerkzaamheden en vormen daarbij een potentieel veiligheidsrisico vanwege het gevaar op detonatie.
De aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten houdt enerzijds verband met bombardementen en gevechtshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Anderzijds is in de laatste fase van en kort na de oorlog munitie geruimd en gedumpt, onder andere in watergangen, bomkraters en (voormalige) loopgraven. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is het daarom van belang inzicht te verkrijgen in locaties waar dergelijke oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden of waar munitieopslag en -dumping aannemelijk is geweest. Indien een gebied als potentieel verdacht wordt aangemerkt, dient te worden beoordeeld of ontplofbare oorlogsresten kunnen leiden tot een onaanvaardbaar veiligheidsrisico.
Relatie tot planlocatie
Uit het omgevingsplan van De Ronde Venen blijkt dat de planlocatie niet is gelegen binnen een aangewezen aandachts- of aanwijzingsgebied voor ontplofbare oorlogsresten. Daarnaast zijn verschillende beschikbare bronnen geraadpleegd, waaronder een explosievenkaart opgesteld door een commercieel onderzoeksbureau (AVG). Deze kaart geeft een beeld van eerder door dat bureau uitgevoerde onderzoeken en geregistreerde bevindingen.
Figuur 6.12.1 Explosievenkaart (NGE)
Van belang is dat kaarten van afzonderlijke onderzoeksbureaus geen uitputtend beeld geven van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. In Nederland zijn meerdere onderzoeksbureaus en databases actief, ieder gebaseerd op eigen onderzoeksgegevens, die gezamenlijk evenmin volledig dekkend zijn. Volledige zekerheid kan slechts worden verkregen door het combineren van meerdere bronnen en het betrekken van relevante, in en rondom het plangebied uitgevoerde onderzoeken.
Gelet op het ontbreken van een planologische aanwijzing, de beschikbare kaartinformatie en de aard en ligging van de planlocatie, zijn er geen concrete indicaties die wijzen op oorlogshandelingen ter plaatse of op een verhoogde kans op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. De planlocatie wordt daarom als onverdacht aangemerkt.
Indien tijdens de uitvoering van werkzaamheden onverhoopt toch een vermoedelijke ontplofbare oorlogsrest wordt aangetroffen, geldt de algemene zorgplicht. In dat geval worden de werkzaamheden ter plaatse direct stilgelegd, wordt de omgeving veiliggesteld en wordt de vondst gemeld bij de politie, waarna de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) wordt ingeschakeld. In overleg met de gemeente en de EOD wordt bepaald of en onder welke voorwaarden werkzaamheden in de directe omgeving kunnen worden voortgezet. Indien sprake is van een daadwerkelijke vondst, wordt beoordeeld of dit een op zichzelf staand incident betreft of aanleiding geeft tot een aanpassing van de werkwijze.
Conclusie
Op basis van de beschikbare gegevens en bronnen wordt de planlocatie als onverdacht beschouwd ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten. Er bestaat geen aanleiding voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het opnemen van specifieke regels in het plan voor dit aspect.
Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder.
Relatie tot planlocatie
De ontwikkeling maakt trillinggevoelige gebouwen en ruimten mogelijk. De planlocatie bevindt zich niet in of nabij een gebied waar sprake is van activiteiten die trillingshinder kunnen veroorzaken. Ook in de toekomstige situatie worden geen activiteiten voorzien die tot trillingshinder kunnen leiden.
Conclusie
Voorgaand toont aan dat het aspect trillingen niet relevant is voor de beoogde ontwikkeling. Zodoende wordt er voldaan aan de instructieregels voor trillingen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Relatie tot planlocatie
Inleiding
Binnen de gemeente De Ronde Venen komt van nature een hoog grondwaterpeil voor. Om de gewenste gebruiksfuncties mogelijk te maken, is daarom een goed functionerend systeem van ontwatering en afwatering noodzakelijk. Al eeuwenlang wordt in dit gebied een kunstmatig peil gehandhaafd, onder beheer van het waterschap. Door de voortschrijdende maaivelddaling is een nauwkeurig, gedifferentieerd en dynamisch peilbeheer essentieel geworden.
Grondwater wordt gewonnen in Kamerik, ten zuiden van de gemeente, en in Mijdrecht voor industrieel gebruik. Deze winningen hebben tot op heden geen merkbare invloed op de grondwaterstanden binnen de gemeentegrenzen. De planlocatie ligt buiten een grondwaterbeschermingsgebied, waardoor er geen aanvullende beperkingen gelden vanuit grondwaterbescherming.
Omgevingsverordening van de provincie Utrecht
Op grond van artikel 2.16, lid 2, van de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht moet een omgevingsplan dat een ontwikkeling binnen een overstroombaar gebied mogelijk maakt, regels en een motivering bevatten over het overstromingsrisico en de wijze waarop hiermee wordt omgegaan.
Uit gegevens van de Klimaateffectatlas blijkt dat ter plaatse van de Molmlocatie sprake is van een relatief lage overstromingskans van 1 op 30.000 per jaar tot maximaal 50cm. Deze kans wordt als extreem klein beschouwd. De beoogde herontwikkeling op deze locatie heeft geen negatieve effecten op dit risico en leidt niet tot een toename van de kwetsbaarheid voor overstromingen.
Ter plaatse van de CSW-locatie bedraagt de overstromingskans maximaal 1 op 3.000 per jaar tot maximaal 50 cm. Dit verhoogde risico ten opzichte van omliggende gebieden wordt hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de aanwezigheid van de ringvaart nabij de deellocatie. Hoewel deze kans groter is dan op andere locaties binnen de gemeente, wordt deze nog steeds als zeer klein beschouwd. Gezien de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling – waarbij geen functies worden toegevoegd die de kwetsbaarheid voor overstromingen vergroten – vormt dit aspect geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan en is er geen aanleiding tot vervolg onderzoek of het opnemen van regels.
Algemeen
Het planvoornemen voldoet aan de richtlijn om diffuse verontreinigingen te voorkomen. Tijdens zowel de bouw- als de gebruiksfase worden uitsluitend duurzame, niet-uitloogbare materialen toegepast, zoals materialen zonder zink, lood, koper of PAK’s. Indien aanvullende maatregelen nodig blijken, worden deze in overleg met de waterbeheerder vastgesteld.
Bij de verdere uitwerking van het planvoornemen worden de uitgangspunten van duurzaam waterbeheer nadrukkelijk meegenomen. Er wordt gestreefd naar het beperken van wateroverlast, nu en in de toekomst, door hemelwater zo veel mogelijk lokaal te verwerken in plaats van af te voeren naar het rioolstelsel. Daarbij wordt aangesloten bij de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen, afvoeren. Deze aanpak draagt bij aan het ontlasten van het rioolstelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) bij neerslag, en biedt het hemelwater de mogelijkheid om lokaal te infiltreren of te worden afgevoerd naar nabijgelegen oppervlaktewater. Dit helpt verdroging te voorkomen en vermindert de behoefte aan het inlaten van gebiedsvreemd water.
Waar mogelijk zal bij nieuwe bebouwing niet worden aangesloten op de riolering. Het verharde oppervlak wordt niet aangesloten op de riolering. Neerslag wordt dan lokaal verwerkt via infiltratie of afvoer naar oppervlaktewater, waarmee ook te snelle afstroming naar andere gebieden wordt voorkomen. Deze benadering sluit aan bij het beleid van duurzaam waterbeheer, waarin naast de trits vasthouden, bergen, afvoeren ook de principes schoonhouden, scheiden en zuiveren worden toegepast.
Er wordt rekening gehouden met de lokale omstandigheden, zoals de bodemsamenstelling (bijvoorbeeld veenlagen) en de relatief hoge grondwaterstand, waardoor infiltratie niet overal in de planlocatie mogelijk zal zijn. Per locatie wordt bekeken welke maatregelen haalbaar en passend zijn.
Molmlaan-locatie
De planlocatie is in de huidige situatie volledig verhard, bestaande uit bebouwing, parkeerplaatsen en bestrating. Uit de legger van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht blijkt dat zich op of direct nabij de locatie geen watergangen of bijbehorende beschermingszones bevinden. De dichtstbijzijnde watergang ligt op aanzienlijke afstand van de planlocatie.
Conform de geldende Waterschapsverordening is watercompensatie uitsluitend vereist indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak van meer dan 1.000 m², wat kan leiden tot een grotere afvoer van hemelwater naar het watersysteem. In de beoogde situatie is hiervan geen sprake. Integendeel: het ontwerp voorziet in een vergroening van de locatie, wat resulteert in een afname van het verhard oppervlak. Op basis van bovenstaande constateringen is er geen aanleiding voor aanvullende maatregelen of compensatieverplichtingen vanuit het waterschap in het kader van watercompensatie ter plaatse van de Molmlaan-locatie.
CSW-locatie
In de huidige situatie bestaat de locatie uit een parkeerplaats met een aangrenzende verenigingsgebouwen. De ontwikkeling op de CSW-locatie voorziet onder meer in de realisatie van een complex waarin een supermarkt en een versspeciaalzaak mogelijk worden gemaakt. Dit gebouw wordt gesitueerd op de locatie van de huidige parkeerplaats. Daarnaast worden de bestaande verenigingsgebouwen gesloopt en herbouwd ten zuiden van de sportvelden.
De herontwikkeling omvat tevens de aanleg van parkeerplaatsen rondom het nieuwe complex, deels op de huidige parkeerplaats en ook langs de watergang richting het zuiden. Zie figuur 6.14.1 voor een impressie van de beoogde situatie.
6.14.1 Vigerend ontwerp en ligging van parkeerplaatsen
Aan de hand van de legger van het waterschap blijkt dat de watergangen rondom de planlocatie primaire watergangen zijn. Op grond van de waterschapsverordening geldt hier een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden. Deze afstand wordt gemeten vanaf de insteek van het talud bij een steile oever, of vanaf de waterlijn bij een flauwe oever. Deze zone is bedoeld om de functie en het onderhoud van het waterstaatswerk te waarborgen, zie figuur 6.14.2.
Figuur 6.14.2 Uitsnede legger en ligging planlocatie
De beoogde ontwikkeling voorziet in de aanleg van parkeerplaatsen nabij een primaire watergang. Op basis van het huidige ontwerp is nog niet eenduidig vast te stellen of de beoogde parkeerplaatsen binnen of buiten deze beschermingszone zijn geprojecteerd. Dit hangt mede af van de exacte ligging van de watergang, het type oever (steil of flauw) en de positionering van de parkeerplaatsen ten opzichte van deze referentiepunten. Om die reden dient bij de verdere uitwerking van het plan afstemming plaats te vinden met het waterschap, zodat duidelijkheid ontstaat over de ligging van de parkeerplaatsen ten opzichte van de beschermingszone en eventuele vergunningsvereisten.
In dat geval moet worden aangetoond dat de aanleg en het gebruik van de parkeerplaatsen geen negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit, de werking van het watersysteem en het onderhoud van de watergang. Dit betekent onder meer dat de bereikbaarheid voor onderhoudsvoertuigen gewaarborgd blijft, dat er geen verontreiniging van het oppervlaktewater optreedt (bijvoorbeeld door afstromend hemelwater), en dat de stabiliteit van het talud niet wordt aangetast.
Ten aanzien van watercompensatie kan op basis van het huidige ontwerp worden uitgegaan van een toename van verhard oppervlak. In de bestaande situatie is circa 6.200 m² verhard, terwijl de beoogde ontwikkeling dit oppervlak vergroot tot ongeveer 9.400 m². Dit betekent een toename van circa 3.200 m² verharding. Op grond van de waterschapsverordening dient deze toename te worden gecompenseerd. Hiervoor is een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit vereist.
De compensatie kan plaatsvinden door aanleg van open water of door alternatieve maatregelen zoals vegetatiedaken of technische voorzieningen. Bij compensatie in open water geldt een norm van 10% van het toegevoegde verhard oppervlak, wat neerkomt op een vereiste van 320 m² open water. In stedelijke gebieden met een hoge bebouwingsdichtheid kan het waterschapsbestuur deze norm verhogen tot 20%, wat betekent dat 640 m² open water moet worden gerealiseerd.
Een mogelijke locatie voor de watercompensatie is het gebied ten zuiden van Veld 2. In figuur 6.14.3 is deze plek weergegeven. Het driehoekvormige stuk grond ten zuiden van Veld 2 heeft een oppervlakte van circa 900 m². Daarmee kan worden gesteld dat er voldoende ruimte beschikbaar is om in de benodigde waterbergende maatregelen te kunnen voorzien.
Figuur 6.14.3 Mogelijke locatie watercompensatie
Bij het verlenen van de omgevingsvergunning moet het gebied waarin de compensatie plaatsvindt worden begrensd. De uitvoering moet voldoen aan de eisen uit de leidraad ‘ontwerp en inrichting’. Afwijken hiervan is alleen toegestaan met toestemming van het bestuur via een ‘gelijkwaardige maatregel’. Ook reeds gegraven water dat als compensatie wordt opgevoerd, moet voldoen aan de eisen uit de leidraad.
Conclusie
De beoogde ontwikkelingen op de Molmlocatie en CSW-locatie liggen in overstroombare gebieden, maar vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, aangezien het overstromingsrisico klein is en de kwetsbaarheid niet toeneemt, waarmee wordt voldaan aan artikel 2.16, lid 2 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht.
Op de Molmlocatie leidt de vergroening tot een afname van verhard oppervlak, waardoor geen watercompensatie nodig is. Voor de CSW-locatie is sprake van een toename van verharding, waardoor watercompensatie vereist is; hierover dient afstemming plaatsvinden met het waterschap. Daarbij moet ook worden beoordeeld of de geplande parkeerplaatsen binnen de beschermingszone van een primaire watergang vallen en of aanvullende maatregelen of vergunningen nodig zijn. Het waterschap wordt in de gelegenheid gesteld om op het plan te reageren. Eventuele opmerkingen of aanvullingen vanuit het waterschap worden meegenomen en, waar relevant, verwerkt in het plan voorafgaand aan de definitieve vaststelling.
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor plannen en programma's (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r-(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder 'het omgevingsplan' ook 'de omgevingsplanactiviteit' verstaan (art. 11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). Deze mededeling dient opgesteld te worden in de vorm van een mer-beoordeling. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.-beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen.
Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit).
Relatie tot planlocatie
Het initiatief is opgenomen in J11 in Bijlage V van het Ob. Het betreft een activiteit uit kolom 3. Dit is een "stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen”. Om dit te toetsen of er aanzienlijke milieueffecten zullen optreden, dient een mer-beoordeling uitgevoerd te worden. In dit kader is een mededeling (ook wel aanmeldingsnotitie genoemd) opgesteld, dit is toegevoegd in Bijlage 9.
Uit deze beoordeling blijkt dat het opstellen van een MER niet benodigd is voor de beoogde ontwikkeling aangezien aanzienlijke negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet te verwachten zijn. Door het college van Burgemeester en Wethouders is een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen.
Gemengd
Binnen Gemengd zijn meerdere aanduidingen opgenomen om bepaalde specifieke functies vast te leggen, dan wel uit te sluiten. Het betreft specifieke vormen van rechtstreeks toegelaten functies (zoals supermarkten en horeca), danwel specifiek toegestaan in of op een bepaalde locatie (wonen).
De gebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Ook zijn de maximale goot- en bouwhoogtes op de verbeelding aangeduid. Het bouwen van bijgebouwen en overkappingen is zowel binnen alsook buiten het aangeduide bouwvlak toegestaan. Bestaande situaties uitgezonderd. Ook de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouw en overkappingen per bouwperceel zijn gemaximeerd en er gelden hiervoor ook maximale toegestane bouwhoogten.
Verkeer
Zowel wegen met een doorgaande (stroom-) functie alsook woonstraten, woonerven, pleinen en parkeervoorzieningen vallen binnen Verkeer. Het behoud van de bermen met laanbeplanting en bestaande greppels/sloten langs wegen is ook mogelijk doordat de gronden ook bestemd zijn voor groenvoorzieningen, bermen, oevers en taluds.
Binnen Verkeer zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Verder zijn er bouwregels opgenomen voor o.a. palen en masten, geluidwerende voorzieningen, bruggen en speelvoorzieningen en terreinafscheidingen. Voor wegwijzers en openbare verlichting ten behoeve van het verkeer zijn geen bouwregels opgenomen omdat dergelijke bouwwerken vergunningsvrij gebouwd kunnen worden.
Wonen
De gronden met de activiteit Wonen zijn bestemd voor wonen, tuinen, erven, toegangswegen en -paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bouwregels opgenomen. In de regel geldt dat het hoofdgebouw (de woning) uitsluitend binnen het aangeduide bouwvlak is toegestaan. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden enkel woningen toegestaan die aaneengebouwd [aeg] worden gebouwd. Het aantal woningen dat binnen een afzonderlijk bouwvlak is toegestaan, is eveneens op de verbeelding weergegeven. Hiervoor geldt de aanduiding ‘maximumaantal wooneenheden’.
Sport
De activiteit Sport reguleert het bouwen en gebruik van sportvoorzieningen. Gebouwen en overkappingen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. De maximum goothoogte van gebouwen is aangeduid op de verbeelding, Buiten het bouwvlak zijn overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied landbodem categorie 5
De voor ‘Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied’ aangewezen gebieden zijn behalve voor de andere daar voorkomende activiteiten en functies, mede bedoeld voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden. Aan de hand van de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn verschillende categorieën te onderscheiden, die een ‘eigen’ onderzoeksdrempel kennen. Wanneer een ontwikkeling deze drempel overschrijdt, is het noodzakelijk om vooraf aan te tonen (middels archeologisch onderzoek) dat de ontwikkeling de eventueel aanwezige archeologische waarden niet schaadt Opgemerkt wordt dat er alleen een onderzoeksplicht/ vergunningplicht geldt als bij een (bouw)plan zowel de aangegeven dieptemaat én oppervlaktemaat wordt overschreden. Op deze wijziging van het omgevingsplan is de Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5 van toepassing. Voor deze waarde geldt dat bij een onderzoeksplicht geldt als de ontwikkeling groter dan 2.000 m2 en dieper dan 30 cm is.
Algemene regels
in deze wijziging van het omgevingsplan is een regeling voor het overschrijden van de bouwgrenzen door ondergeschikte bouwdelen opgenomen, evenals een regeling voor ondergronds bouwen opgenomen.
In deze paragraaf is getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
Indien nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk gemaakt worden, is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld.
De ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van een supermarkt en versspeciaalzaak, een clubhuis en 22 rijwoningen. De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de beoogde ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
Ten behoeve van de ontwikkeling vindt een langdurig participatietraject plaats. Al in oktober 2021 heeft de gemeente een informatiebrief verzonden naar de direct omwonenden van de Molmlaan over de gezamenlijke plannen. Om bewoners en belanghebbenden op de hoogte te houden is gebruik gemaakt van: informatiebrieven, inloopbijeenkomsten, reactieformulieren, online informatie op de website en gesprekken met belanghebbenden. De laatste bijeenkomst, op het moment van schrijven, heeft plaatsgevonden in maart 2025.
Het participatieverslag is bijgevoegd als Bijlage 10. In dit verslag is ook beschreven wat met de opgehaalde participatie gedaan is.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn ketenpartners, waaronder het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en de Omgevingsdienst Regio Utrecht, in de gelegenheid gesteld om te reageren op het plan. Tussen ontwerp en vaststelling van het TAM-omgevingsplan zijn de ontvangen reacties, waar nodig, verwerkt in het voorliggende TAM-omgevingsplan.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d- Molmlaan/CSW, Wilnis heeft vanaf 20 december 2025 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode stond voor een ieder de mogelijkheid open om hun zienswijze over het ontwerp TAM-omgevingsplan bij de gemeenteraad kenbaar te maken. Hierop zijn vier reacties binnengekomen. Daarnaast is toegelicht welke ambtshalve wijziging is doorgevoerd in het TAM-omgevingsplan. De Nota van zienswijzen & ambtshalve aanpassingen is bijgevoegd als Bijlage 12.
In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In hoofdstuk 4, 5 en 6 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt of de ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op basis van de beleidstoets, de onderbouwing van het beoordelingskader en de daaruit voortvloeiende belangenafweging, moeten voor de aspecten archeologie, geluid, water aanvullende bepalingen worden opgenomen, eventuele maatregelen worden genomen, of worden voldaan aan gestelde voorwaarden om te voldoen aan het beleid en de instructieregels:
Archeologie
Om mogelijke archeologische waarden te beschermen is de archeologische dubbelbestemming met de bijbehorende beschermingsregeling opgenomen (artikel 8). Deze is ongewijzigd ten opzichte van de regeling uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Hierdoor wordt voldaan aan de instructieregels en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geluid
Om te borgen dat met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan het Besluit kwaliteit leefomgeving en aan het gemeentelijke geluidbeleid zijn planregels opgenomen (artikel 9.2.4). Door het opnemen van deze planregels worden de geldende geluidseisen geborgd. Daarmee is verzekerd dat sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting en draagt de ontwikkeling bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Water
In het kader van het TAM-omgevingsplan is op hoofdlijnen inzichtelijk gemaakt wat de toename van het verharde oppervlak zal zijn. Daarnaast is voldoende aannemelijk gemaakt dat er ruimte beschikbaar is om watercompenserende maatregelen te treffen.
Voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteiten moet echter concreet worden uitgewerkt wat de daadwerkelijke toename van het verharde oppervlak is en welke watercompenserende maatregelen worden genomen om te voldoen aan de waterschapsverordening.
Uit de integrale beoordeling van het beleid en instructieregels volgt dat er een balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die mogelijk zijn binnen de planlocatie. De ontwikkeling kan met deze wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt, want er wordt voldaan aan de instructieregels en de ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.