direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d - Molmlaan/CSW, Wilnis
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0736.TAM04MolmlaanCSW-va01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de Molmlaan-locatie en de CSW-locatie en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22d) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/ uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d) van het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d)' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22d)' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 toepassing omgevingsplan

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken.

1.2 toepassingsbereik
  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de Molmlaan-locatie en de CSW-locatie, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0736.TAM04MolmlaanCSW-va01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

2.1 TAM-omgevingsplan

Het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22d - Molmlaan/CSW, Wilnis met identificatienummer NL.IMRO.0736.TAM04MolmlaanCSW-va01 van de gemeente De Ronde Venen.

2.2 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente De Ronde Venen.

2.3 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.4 Archeologisch deskundige

professioneel archeoloog die op basis van de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie bevoegd is om archeologisch onderzoek uit te voeren en/of Programma's van Eisen op te stellen en te toetsen.

2.5 Archeologisch onderzoek

onderzoek naar de (aanwezigheid en/of waarde van) archeologische resten door een gecertificeerde instantie werkend conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Dit onderzoek kan bestaan uit bureauonderzoek, booronderzoek, begeleiden, proefsleuvenonderzoek, opgravingen of een combinatie daarvan.

2.6 Archeologisch rapport

rapport waarin de resultaten van archeologisch onderzoek zijn vastgelegd en dat is opgesteld conform de richtlijnen van de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

2.7 Archeologisch monument

Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet.

2.8 Archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische resten in dat gebied.

2.9 Archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische resten.

2.10 Bebouwing

Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.11 Beroep of bedrijf aan huis

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten, dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten en het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, voor zover voorkomend in ten hoogste categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is dat deze in een woning en bijbehorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kunnen worden uitgeoefend.

2.12 Bestaand
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, met uitzondering van bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan;
  • b. bij gebruik: het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
2.13 Bestaande afstands-hoogte-inhouds- en oppervlaktematen en aantallen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, met uitzondering van afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen en aantallen die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.14 Bijgebouw

een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, hetzij met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand, dat door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning niet is toegestaan.

2.15 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.16 Bouwgrens

Een grens van een bouwvlak.

2.17 Bouwlaag

een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met uitzondering van onderbouw en zolder.

2.18 Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)

Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend.

2.19 Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, alsmede anders dan voor verbruik ter plaatse.

2.20 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.21 Geluidgevoelig gebouw

1. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

2. Het eerste lid geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte van het gebouw geen geluidgevoelige ruimten toelaat, tenzij het gebouw een woonschip of woonwagen is.

3. Onder een geluidgevoelig gebouw wordt ook verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd.

2.22 Geluidgevoelige ruimten

1. Een geluidgevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een:

a. woonfunctie of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die woonfunctie;

b. onderwijsfunctie;

c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie die een nevengebruiksfunctie is van die gezondheidszorgfunctie; of

d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied.

2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, worden ruimten in woonschepen en woonwagens niet als geluidgevoelig beschouwd.

2.23 Groenvoorziening

binnen een gebied of perceel, dan wel op een gedeelte ervan, gelegen grasvelden, beplantingen, begroeiingen en paden, al dan niet gecombineerd voorkomend.

2.24 Hoofdgebouw

Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

2.25 Horeca

het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en/of ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie.

2.26 Openbare nutsvoorzieningen

Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen).

2.27 Overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak en niet meer dan 1 wand, zoals een carport.

2.28 Straatpeil
  • a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
  • c. Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend.
2.29 Supermarkt

een detailhandelsbedrijf in de vorm van een zelfbedieningswinkel met een bruto vloeroppervlak van meer dan 400 m², waar in hoofdzaak levensmiddelen, voedingsmiddelen - inclusief versartikelen zoals groente, brood, vlees en zuivel – en in beperkte mate huishoudelijke artikelen worden verkocht.'

2.30 Versspeciaalzaak

Een winkel die zich richt op verse producten, vaak met een specialisatie zoals een bakkerij, slagerij, groentezaak of viswinkel, waar het product ook ter plekke kan worden bereid of verwerkt.

2.31 Waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer, waterberging en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, gemalen, inlaten en infiltratievoorzieningen.

2.32 Wonen

het duurzaam hoofdverblijf houden door een huishouden in een woning of ander daartoe bestemd onderkomen. Kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.

2.33 Woning

een complex van ruimten dat blijkens de indeling en de inrichting bestemd is voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels gelden, in aanvulling op 22.24 van dit omgevingsplan, de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.2 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.3 de lengte, breedte of diepte

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.4 de inhoud van een bouwwerk

tussen de bovenkant van de afgewerkte begane grond – mits niet hoger dan 10 cm boven aansluitend maaiveld, dan geldt de onderzijde van de begane grondvloer - de buitenzijde van de gevels (en/of hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Bij (bedrijfs)woningen wordt de kelder niet gerekend tot de inhoud.

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk.

3.6 de breedte van een gebouw

Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur.

3.7 ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het in dit artikel bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bouwonderdelen, buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functie dan wel toegestane gebruiksactiviteiten.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Gemengd

5.1 Toepassingsbereik
5.1.1 Algemeen

In het voor 'Gemengd' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. detailhandel;
  • b. dienstverlening;
  • c. maatschappelijke voorzieningen;
  • d. kantoren;
  • e. het wonen in een woning, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - verdieping', wonen uitsluitend op de verdieping(en) is toegestaan.
  • f. een supermarkt en versspeciaalzaak, uitsluitend binnen het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - supermarkt en versspeciaalzaak'.

alsmede voor:

  • g. horeca uit ten hoogste categorie 1c van de bij deze regels behorende Staat van Horeca-activiteiten in bijlage 1 , uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 1c is toegestaan;

met daarbij behorende:

  • h. erven en tuinen;
  • i. terrassen ten behoeve van horecavoorzieningen;
  • j. toegangswegen en -paden;
  • k. parkeervoorzieningen;
  • l. laad- en losvoorzieningen;
  • m. nutsvoorzieningen;
  • n. groenvoorzieningen;
  • o. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m) maximum bouwhoogte (m) ' mag de bouw- en goothoogte niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - supermarkt en versspeciaalzaak' gelden in samenhang de volgende normen:
    • 1. de activiteit betreft uitsluitend het bouwen van een supermarkt en/of versspeciaalzaak;
    • 2. de supermarkt mag niet meer dan 1.750 m2 b.v.o. bedragen;
    • 3. de versspeciaalzaak mag niet meer dan 100 m² b.v.o. bedragen.
5.3 Specifieke gebruiksregels
5.3.1 Woningen

Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30% mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf;
  • b. ten aanzien van een aan-huis-gebonden bedrijf sprake is van een bedrijf tot en met categorie 1 als bedoeld in de bij deze regels horende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • c. de gevel, dakrand en het dak van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame-uitingen;
  • d. er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen;
  • e. er geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan-huis-gebonden beroep of bedrijf.

Artikel 6 Sport

6.1 Toepassingsbereik
6.1.1 Algemeen

In het voor 'Sport' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. sportvoorzieningen;

met daarbij behorende:

  • b. toegangswegen en -paden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. speelvoorzieningen;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Beoordelingsregel bouwen bijgebouwen en overkappingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat overkappingen in de vorm van tribunes ook buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m) maximum goothoogte (m) ' mag de bouw- en goothoogte van de gebouwen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
  • c. de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 3 meter.

6.2.2 Beoordelingsregel bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

In aanvulling op en/of in afwijking van het bepaalde in artikel 22.29 en artikel 22.36 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt maximaal:
    • 1. lichtmasten: 18 meter;
    • 2. palen en overige masten: 7 meter;
    • 3. tribunes: 10 meter;
    • 4. ballenvangers: 8 meter;
    • 5. speelvoorzieningen: 5 meter;
    • 6. terreinafscheidingen: 2 meter;
    • 7. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 4 meter.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Omschrijving toegestane activiteiten

In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

het aanleggen, in gebruik nemen en in stand houden van:

  • a. wegen, straten en paden;
  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. winkelwagenstallingen;

met daarbij behorende:

  • e. groenvoorzieningen, bermen, oevers en taluds;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. duikers, bruggen en faunapassages;
  • j. geluidwerende voorzieningen;
  • k. voorzieningen voor het openbaar vervoer;
  • l. terrassen ten behoeve van horecavoorzieningen;
  • m. straatmeubilair, fietsenstallingen, reclame-uitingen, vlaggenmasten en kunstobjecten.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Beoordelingsregel bouwen bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt maximaal:
    • 1. palen en masten: 15 meter;
    • 2. geluidwerende voorzieningen: 6 meter;
    • 3. bruggen, speelvoorzieningen en kunstobjecten: 5 meter;
    • 4. terreinafscheidingen: 2 meter;
    • 5. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 meter.
  • b. de doorvaarthoogte van bruggen mag ten hoogste 3 meter bedragen;
  • c. de breedte van bruggen mag ten hoogste 10 meter bedragen.

 

7.2.2 Beoordelingsregel bouwen bijgebouwen en overkappingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen:

  • a. de bouwhoogte van winkelwagenstallingen bedraagt maximaal 2,5 meter.

Artikel 8 Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5

8.1 Omschrijving toegestane activiteiten

Het voor 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5' aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van aantoonbaar te verwachten archeologische waarden.

8.2 Beoordelingsregel bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

  • 1. De omgevingsvergunning voor de bouw of verbouw van een hoofdgebouw met een oppervlakte groter dan 2.000 m2 of dieper dan 30 cm, wordt slechts verleend als:
    • a. uit het bij de aanvraag gevoegde rapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • b. de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college niet of niet onevenredig wordt geschaad;
    • c. de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden;
    • d. het bepaalde in dit lid onder a en b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende situaties :
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
      • een bouwplan waarbij geen heiwerkzaamheden plaatsvinden en waarbij de graafwerkzaamheden of niet dieper reiken, of niet over een grotere oppervlakte plaatsvinden, of geen grotere lengte hebben, dan in lid 1 is aangegeven.
8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.3.1 Regels over het uitvoeren van werken, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren als deze een oppervlakte betreffen van meer dan 2.000 m² of dieper reiken dan 30 cm beneden het straatpeil:
    • a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden;
    • b. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het rooien en/of kappen van bos of andere houtgewassen waarbij de stobben worden verwijderd;
    • c. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en andere oppervlakteverhardingen als dieper dan 0,30 meter wordt ontgraven;
    • d. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    • e. het aanbrengen van constructies die verband houden met bovengrondse leidingen;
    • f. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;
    • g. andere werken die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg hebben, zoals drainage en (onder)bemaling;
    • h. alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale gebruik van het terrein.
  • 2. Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 1, kunnen voorwaarden worden verbonden indien uit voorafgaand archeologisch onderzoek de aanwezigheid van archeologische waarden is vastgesteld en het om zwaarwichtige redenen niet mogelijk is de archeologische waarden geheel te behouden.
  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 is geen omgevingsvergunning vereist, indien:
    • a. uit voorafgaand archeologisch onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden aanwezig zijn en geen archeologische waarden worden aangetast;
    • b. de werkzaamheden zijn gericht op normaal onderhoud en beheer van de betreffende gronden;
    • c. de werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstop van inwerkingtreding van dit plan;
    • d. geen heiwerkzaamheden plaatsvinden en waarbij de graafwerkzaamheden of niet dieper reiken, of niet over een grotere oppervlakte plaatsvinden hebben, dan in lid 1 is aangegeven.

8.3.2 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
8.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende maatwerkvoorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 9 Wonen

9.1 Toepassingsbereik
9.1.1 Algemeen

In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. het wonen in een woning, niet zijnde een drijvende woning, woongebouw, woonschip of een stacaravan/chalet;

met daarbij behorende:

  • b. erven en tuinen;
  • c. toegangswegen en -paden;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Beoordelingsregel bouwen algemeen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen woningen uitsluiten aaneen worden gebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximumaantal wooneenheden' mag het aantal wooneenheden niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' mag de goothoogte niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)/ maximum bouwhoogte (m)' mogen de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;

9.2.2 Beoordelingsregel bouwen bijgebouwen en overkappingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. bijgebouwen en overkappingen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de omvang van het gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen als bedoeld onder c t/m f, wordt bepaald door de perceelsoppervlakte vanaf 3 meter achter de voorgevelrooilijn (zone zijtuin en achtertuin), met dien verstande dat bij deze berekening het oppervlak van het (bestaande) hoofdgebouw niet wordt meegerekend;
  • c. voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals beschreven onder b minder dan 200 m² bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen op deze gronden, ten hoogste 50% mag bedragen;
  • d. voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals beschreven onder b minder dan 200 m² bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen, voor zover het bepaalde percentage onder c dit toelaat, ten hoogste 50 m² mag bedragen;
  • e. voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals beschreven onder b 200 m² of meer, maar minder dan 250 m² bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 75 m² mag bedragen;
  • f. voor bouwpercelen waarvan de perceelsoppervlakte zoals beschreven onder b 250 m² of meer bedraagt, geldt dat het bebouwde oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 75 m² mag bedragen, vermeerderd met 5% van het aantal vierkante meters dat deze gronden groter zijn dan 250 m², tot een absoluut maximum van in totaal 90 m²;
  • g. het is niet toegestaan bijgebouwen en overkappingen voor de voorgevelrooilijn op te richten, met dien verstande dat bestaande bijgebouwen en overkappingen voor de voorgevelrooilijn wel zijn toegestaan, waarbij de bestaande omvang als maximum geldt;
  • h. bijgebouwen en overkappingen mogen vrijstaand en aangebouwd aan het hoofdgebouw worden gebouwd:
  • i. voor vrijstaande bijgebouwen geldt dat:
    • 1. de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte maximaal 4,5 meter mag bedragen;
    • 3. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 meter moet bedragen;
  • j. voor aangebouwde bijgebouwen geldt dat:
    • 1. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 meter moet bedragen;
    • 2. de goothoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,3 meter;
    • 3. de bouwhoogte maximaal 4,5 meter mag bedragen;
  • k. voor overkappingen geldt dat:
    • 1. de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 1 meter moet bedragen;
    • 2. de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
  • l. op hoeksituaties dient de afstand van bijgebouwen en overkappingen tot de zijdelingse perceelsgrens en/of de weg minimaal 3 meter te bedragen;
  • m. in afwijking van het bepaalde onder l mogen bijgebouwen en overkappingen tot in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd, indien de voorgevelrooilijn van de aangrenzende bebouwing niet wordt overschreden, alsmede in situaties waar ook het hoofdgebouw tot in de zijdelingse perceelsgrens is gebouwd.

9.2.3 Beoordelingsregel bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

In aanvulling op en/of in afwijking van het bepaalde in artikel 22.29 en artikel 22.36 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, bedraagt maximaal:
    • 1. pergola's en speeltoestellen: 3 meter;
    • 2. vlaggenmasten: 7 meter, met dien verstande dat per bouwperceel maximaal 1 vlaggenmast is toegestaan;
    • 3. afscheidingen op dakterrassen: 1 meter, gemeten vanaf het terras;
    • 4. afscheidingen tussen dakterrassen: 2 meter, gemeten vanaf het terras;
    • 5. erf- en terreinafscheidingen:
      • voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 1 meter;
      • achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 2 meter;
    • 6. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
      • voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 1 meter;
      • achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw: 3 meter.

9.2.4 Beoordelingsregels bouwen geluidgevoelig gebouw

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken:

  • a. de geluidsbelasting op een gevel van geluidgevoelige gebouwen als gevolg van weg- en railverkeer bedraagt ten hoogste de standaardwaarden zoals bedoeld in tabel 9.2.4:

Tabel 9.2.4 Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per bronsoort

Geluidsbronsoort   Standaardwaarde  
Gemeenteweg   53 Lden  

  • b. Wanneer het geluid op de gevel van woningen hoger is dan de in tabel 9.2.4 bedoelde standaardwaarde kan het geluid aanvaardbaar zijn als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    • 1. woningen dienen een geluidsluwe zijde te krijgen waar het geluid niet hoger is dan de standaardwaarde zoals benoemd onder sub a. Het geluidscherm moet ten minste 10 kg/m2 zijn en zonder kieren of gaten. Een afwateringsspleet aan de onderzijde tot 5 cm hoog is toegestaan;
    • 2. een woning met één of meerdere buitenruimtes heeft ten minste één geluidsluwe buitenruimte. Het geluidsniveau in deze buitenruimte van de woning mag (indien gelegen aan de bronzijde) voor meer dan 4 m2 niet meer dan 5 dB hoger zijn dan het geluid op de als geluidsluw aangemerkte gevel;
    • 3. elke woning bevat ten minste 1 slaapkamer aan de geluidsluwe zijde. Minimaal 30% van het vloeroppervlak van alle verblijfsgebieden tezamen wordt aan de geluidluwe gevel gesitueerd;
    • 4. in afwijking van sub b onder 2 geldt dat, indien woningen niet kunnen beschikken over een eigen geluidsluwe buitenruimte, er voorzien dient te worden in een gemeenschappelijke, geluidsluwe buitenruimte. Per woning dient minimaal 1 m² aan buitenruimte te worden gerealiseerd, met een minimum van 100 m² per gemeenschappelijke buitenruimte.

9.2.5 Bijzondere aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 22.29, wordt een rapport verstrekt:

  • a. waaruit de mate van geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw blijkt; en
  • b. waarin, indien nodig in verband met een overschrijding van de standaardwaarde, inzicht wordt gegeven in de maatregelen die worden genomen met het oog op de bescherming van de gezondheid, om te voldoen aan het gezamenlijke geluid en de voorwaarden uit artikel 9.2.4 sub b onder 1 t/m 4.

9.2.6 Bepalen van gezamenlijk geluid
  • a. Onder het 'gezamenlijk geluid' dat op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het omgevingsplan moet worden vastgelegd (en waarnaar wordt verwezen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)), wordt in dit plan verstaan: de geluidbelasting op het meest nabij het te bouwen geluidgevoelige gebouw gelegen rekenpunt als weergegeven in Bijlage 3 bij de regels.
  • b. De waarde voor het gezamenlijk geluid, zoals aangegeven onder a, geldt uitsluitend daar waar de standaardwaarde, als bedoeld in tabel 9.2.4, wordt overschreden.
9.3 Specifieke gebruiksregels
9.3.1 Beroep of bedrijf aan huis
  • a. in en bij woningen, is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, met inachtneming van het volgende:
    • 1. de vloeroppervlakte in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis bedraagt ten hoogste 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en bijbehorende bijgebouwen met een maximum van 50 m²;
    • 2. het beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend door de bewoner(s) van de betreffende woning;
    • 3. bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover voorkomend in categorie 1 of 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten in bijlage 2, met dien verstande dat detailhandel, groothandel en horeca zijn uitgesloten;
    • 4. in afwijking van het bepaalde onder 3 is horeca in de vorm van een bed en breakfast wel toegestaan met inachtneming van de volgende aanvullende voorwaarden:
      • een bed en breakfast biedt plaats aan ten hoogste 6 gasten tegelijkertijd;
      • een bed en breakfast is alleen toegestaan in de woning en in aangebouwde bijgebouwen;
    • 5. het uitoefenen van het beroep of bedrijf aan huis mag niet leiden tot een onevenredige verkeers- en parkeerdruk gelet op de capaciteit van de bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Algemene bouwregels

10.1 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen en balkons, mits de overschrijding ten hoogste 2 meter bedraagt;
  • b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1 meter bedraagt.
10.2 Bestaande maten

Met betrekking tot bestaande maten geldt het volgende:

  • a. voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat:
    • 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden;
    • 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden;
  • b. in geval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;
10.3 Ondergrondse ruimten

Voor het bouwen van geheel of gedeeltelijk beneden het straatpeil gelegen ruimten gelden de volgende bepalingen:

  • a. Het bouwen van ondergrondse ruimten is uitsluitend onder gebouwen toegestaan;
  • b. het bouwen van de in lid a onder 1 bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan indien de bijbehorende voorzieningen voor licht- en luchttoetreding en toegangen zijn gesitueerd aan de van de weg afgekeerde zijden van het gebouw, uitgezonderd toegangen tot ondergrondse parkeervoorzieningen; aan de niet van de weg afgekeerde zijde(n) van het gebouw zijn binnen een strook van 1 meter vanuit de bovengrondse gevel van het gebouw voorzieningen voor licht- en luchttoetreding voor ondergrondse ruimten toegestaan tot maximaal 25% van de breedte van de desbetreffende gevel.

Artikel 11 Overige regels

11.1 Voorwaardelijke verplichting over parkeren
  • a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan aan de parkeernormen, zoals neergelegd in het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030' zoals vastgesteld op 19 januari 2024, dan wel diens rechtsopvolger.
  • b. Indien het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030' zoals vastgesteld op 19 januari 2024 wordt gewijzigd of herzien, is deze wijziging dan wel diens rechtsopvolger van toepassing.
  • c. De onder a bedoelde parkeergelegenheid moet afmetingen hebben die afgestemd zijn op de richtlijnen opgenomen in de ASVV2012 van het CROW.
11.2 Voorwaardelijke verplichting bodemonderzoek

Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsvergunning voor het gebruik van locaties of bouwwerken kan uitsluitend worden verleend als aan de hand van een bodemonderzoek is aangetoond dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt is voor de aangevraagde activiteit.

11.3 Voorwaardelijke verplichting beeldkwaliteit

Onverminderd het bepaalde in Artikel 5, Artikel 6 en Artikel 9 is het verboden om een gebouw in gebruik te nemen en in gebruik te hebben, zolang deze niet is gebouwd overeenkomstig de eisen ten aanzien van beeldkwaliteit zoals opgenomen in de welstandsnota.

11.4 Voorwaardelijke verplichting supermarkt

De ingebruikname van de supermarkt op de nieuwe locatie is slechts toegestaan nadat de activiteiten op de oude locatie onherroepelijk en volledig zijn beëindigd.

Artikel 12 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.