| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Paasdijkstraat, Poortvliet |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0716.TAMPaasdijkwegPVI-VG01 |
Door het verplaatsen van de diverse bedrijven aan de oostrand van Poortvliet komt er grond vrij voor de ontwikkeling van een woonbuurt met maximaal 39 woningen, garageboxen en een groene kamer. De woningen en garageboxen zijn op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet toegestaan.
Om het initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken is, in overleg tussen initiatiefnemers en gemeente, een TAM-omgevingsplan opgesteld. In de voor u liggende motivering is aangegeven dat de ontwikkeling geen invloed heeft op de nationale belangen en past binnen het provinciaal- en gemeentelijk beleid. Op basis van de toetsing aan de sectorale aspecten blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot aantasting van de bestaande woon- en leefomgeving. De ontwikkeling draagt bij aan de gezondheid en klimaat bestendigheid van dit deel van Poortvliet door de groene inrichting, afname verhard oppervlak en bijdrage aan de voetgangersstructuur.
Het project draagt bij aan de beleidsdoelen en leidt niet tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
Gemeente Tholen is voornemens bedrijfsactiviteiten binnen de kern van Poortvliet zoveel mogelijk te verplaatsen naar een geschikt terrein buiten de kern. Door deze herstructurering kunnen geschikte locaties vrijkomen om in te zetten voor het behouden en versterken van de leefbaarheid, gemeenschapszin en sociale samenhang; een van de belangrijke speerpunten van Tholen en de kern Poortvliet.
Met de verhuizing van carrosseriebedrijf Elenbaas en het naastgelegen Autobedrijf de Groen ontstaat een uitstekende locatie voor ontwikkeling van woningen in Poortvliet. Zeeuwse Projectbouwmaatschappij Fraanje wil woningen te realiseren op de vrijgekomen gronden. Daarnaast worden op een perceel aan de overzijde van de Paasdijkstraat garageboxen voorzien.
De beoogde ontwikkelingen zijn in strijd met het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Tholen met daarin het bestemmingsplan ‘Kommen gemeente Tholen’. De activiteit wonen is niet mogelijk in het Omgevingsplan van rechtswege en tevens vindt er een overschrijding van de bouwmogelijkheden, bouw- en goothoogte op een aantal locaties in het plangebied plaats.
Dit TAM-omgevingsplan heeft tot doel de woonbuurt en garageboxen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Deze motivering voorziet in de toetsing van het initiatief aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en een onderbouwing dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het huidige bedrijventerrein is gelegen aan de oostzijde van Poortvliet en ligt binnen de driehoek Paasdijkweg, Paasdijkstraat en Molenstraat (zie figuur 2.1) Op de kaart in figuur 2.2 zijn de kadastrale percelen te zien. Het projectgebied betreft de percelen:
Figuur 2.1 Ligging plangebied (rood omcirkelt) met ruimtelijke structuur
Figuur 2.2 Ligging plangebied met kadastrale percelen
Vanwege de onzekerheden rondom het DSO is tot 1 januari 2026 de mogelijkheid gecreëerd om via de Wro-standaarden het omgevingsplan te publiceren, TAM-IMRO ('Tijdelijke Alternatieve Maatregelen – Informatiemodel Ruimtelijke Ordening') genaamd. De wijziging van het omgevingsplan kan worden gemaakt in de software voor bestemmingsplannen en wordt gepubliceerd via de IMRO standaarden. Inhoudelijk moet dit plan voldoen aan de Omgevingswet.
Opzet juridische regeling
De regels van het TAM-omgevingsplan worden opgesteld in de huidige software. Voor de opbouw wordt aangesloten bij de geldende bestemmingsplannen in de gemeente Tholen (de bestemmingsplanvariant van de TAM-IMRO), maar er worden regels toegevoegd zodat duidelijk is dat het plan onderdeel is van het gemeentebrede omgevingsplan en het toepassingsbereik wordt weergegeven. Er wordt niet meer gesproken van bestemmingen, maar van functies en activiteiten. Dit is ook terug te zien op de verbeelding. Ook worden er voorrangsbepalingen en verwijzingen opgenomen om de relatie met de andere regels uit het omgevingsplan (hoofdstuk 22 De bruidsschat) te duiden. In de motivering wordt onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het TAM-omgevingsplan wordt gepubliceerd via ruimtelijkeplannen.nl en wordt via de overbruggingsfunctie getoond in het Omgevingsloket (DSO).
Het TAM-omgevingsplan moet voor 2032 worden omgezet naar het gemeentebrede omgevingsplan in de software van de gemeente en het moet dan voldoen aan de standaarden voor het omgevingsplan (STOP/TPOD) door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Voor deze wijziging wordt een nieuw besluit genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan, die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan, niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen. De wijze waarop en de voorwaarden waaronder dit mogelijk is worden momenteel uitgewerkt.
In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie in het projectgebied en van het project. In hoofdstuk 4 wordt het proces participatie en ketenpartners beschreven. In hoofdstuk 5 wordt de ontwikkeling getoetst aan het relevante beleidskader op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 6 worden de milieu- en omgevingsaspecten van het initiatief getoetst. Hoofdstuk 8 behandelt de economische uitvoerbaarheid van het plan. In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op een algemene conclusie van het planvoornemen in relatie tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
In het plangebied zijn nu de volgende bedrijven aanwezig: Carrosserie Elenbaas, Autobedrijf De Groen met bijbehorend tankstation. Daarnaast is er een bedrijfswoning en een transformatorhuisje aanwezig. Twee percelen liggen braak, hier is grasland aanwezig dat regelmatig gemaaid wordt.
In het plangebied is in de bestaande situatie bedrijfsbebouwing aanwezig, bestaande uit diverse loodsen met daar omheen verhard terrein. De bebouwing bestaat voornamelijk uit één bouwlaag en is plat afgedekt of heeft een flauwe kapvorm.
Ten noorden van het plangebied bevindt zich een parkeerterrein. Aan de westzijde grenst het gebied aan de Paasdijkstraat, de bebouwing bestaat hier voornamelijk uit aaneengeschakelde woningen van 1 of 2 bouwlagen. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de Paasdijkweg, de route tussen Poortvliet en de N286 en Sint-Annaland. Aan de andere zijde van de Paasdijkweg liggen agrarische gronden in gebruik als paardenwei en akkerland.
Op iets grotere afstand ligt ten noorden van het plangebied een klein tuincentrum, het bedrijf Budelpack Group (een verpakkingsbedrijf) en een woonboulevard.
Zie figuur 3.1 t/m 3.5 voor een afbeelding van de huidige situatie.
Figuur 3.1 Paasdijkweg 9A (bron: Google Earth)
Figuur 3.2 Paasdijkweg 11 (bron: Google Earth)
Figuur 3.3 Paasdijkstraat 16 - bedrijfswoning en transformatorhuisje (bron: Google Earth)
Figuur 3.4 Paasdijkstraat - achterzijde Elenbaas (bron: Google Earth)
Figuur 3.5 Paasdijkstraat - braakliggend terrein overzijde Elenbaas (bron: Google Streetview april 2021)
Ter plaatse van het plangebied geldt, vanwege de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, het zogenaamde tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit zijn een aantal voormalige besluiten, plannen en regelgeving die door de gemeenten in een gebiedsdekkend omgevingsplan moeten worden verwerkt en vastgesteld. Omdat dit gebiedsdekkende omgevingsplan nog niet is vastgesteld door gemeente Tholen, geldt het 'tijdelijk deel van het omgevingsplan' bestaande uit:
De ontwikkeling betreft de transformatie van bedrijfsgebouwen naar woningbouw. De bedrijven die zich nu bevinden op de locatie worden verplaatst naar omliggende bedrijventerreinen, waardoor dit terrein vrijkomt voor de beoogde woonontwikkeling. Het beoogde plan bestaat uit de realisatie van totaal maximaal 39 woningen in verschillende typologieën. Ongeveer 10-16 woningen worden ontworpen voor starters en 5-7 woningen zijn bedoeld voor gezinnen, verder komen er 16 a 20 levensloopbestendige (rij)woningen. De huidige bedrijfswoning blijft behouden in de toekomstige situatie, maar wordt burgerwoning. Het transformatorhuisje blijft behouden en behoudt ook deze functie en blijft buiten het plangebied.
Op dit moment is een variant met 36 woningen schetsmatig uitgewerkt (zie figuur 3.6), in de verdere uitwerking zal hier mogelijk nog een wijziging in plaatsvinden. Vandaar dat er voor gekozen is een flexibel omgevingsplan op te stellen waarin wel het maximum van 39 woningen is vastgelegd.
Figuur 3.6 Stedenbouwkundig plan - plattegrond(bron: Zeeuwse Projectbouwmaatschappij Fraanje 15-12-2025 )
Het nieuwe stedenbouwkundige ontwerp past bij het dorpse karakter van Poortvliet. Het plangebied wordt groen ingericht zoals te zien is in figuur 3.7. Centraal in het woningbouwplan is ruimte voor een grote wadi om in te spelen op hevige regenbuien, de groene kamer centraal in het plangebied helpt daarnaast bij het tegengaan van hittestress. Parkeren wordt opgelost binnen het plan aan twee parkeerstraten ontsloten op de Paasdijkstraat en aan de Paasdijk weg via een parallelweg.
Figuur 3.7 Artist impression (bron: Zeeuwse Projectbouwmaatschappij Fraanje 15-12-2025)
Garageboxen
Aan de overzijde van de Paasdijkstraat is een bedrijfsperceel aanwezig wat braak ligt. Op dit perceel worden 5 garageboxen voorzien voor de omliggende woningen. De gronden ten zuiden van de garageboxen worden groen ingericht, dit is op basis van de geldende regeling al mogelijk.
Figuur 3.8 Ontwerp inrichtingsplan garageboxen (bron: gemeente Tholen)
Het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Tholen is van toepassing. Het projectgebied bestaat uit het bestemmingsplan 'Kommen Gemeente Tholen', vastgesteld op 14 maart 2013. De gronden hebben de functie 'Bedrijf'. De realisatie van woningen is niet mogelijk binnen deze functie, hierdoor dient een omgevingsvergunning voor afwijken van het omgevingsplan aangevraagd te worden.
De gronden hebben de functie 'Bedrijf'. Het gebied heeft twee functieaanduidingen, namelijk 'bedrijf tot en met categorie b1' en 'specifieke vorm van bedrijf - 5'. Dat laatste betekent dat een carrosseriefabriek/schadeherstelbedrijf als bedrijfsactiviteit is toegestaan. Verder geldt een maximum bouwhoogte van 10 meter en een maximum goothoogte van 6 meter.
In dit geval past het beoogde plan niet rechtstreeks binnen het omgevingsplan, doordat de functie wonen met bijbehorende groenvoorzieningen, ontsluiting, parkeervoorzieningen niet zijn toegestaan. Het bouwplan is niet vergunningvrij te realiseren en de vastgestelde bestemmingsplannen (deel van het omgevingsplan) bevatten geen afwijkingsbevoegdheid om het plan te kunnen realiseren. De gemeentelijke verordeningen (deel van het omgevingsplan) leveren geen belemmeringen op, maar bevatten wel voorwaarden voor de realisatie van het plan (bijvoorbeeld aanleg voldoende voorzieningen voor hemelwaterberging).
De beoogde ontwikkeling is op een aantal onderdelen in strijd met het omgevingsplan, deze strijdigheden zijn hiernavolgend benoemd:
Gebruik
Ruimtelijk bouwen
Op 5 juni 2024 is er aan de Paasdijkweg 11 te Poortvliet een inloopavond georganiseerd. De bijeenkomst was bedoeld om omwonenden te betrekken bij de plannen. Tijdens de bijeenkomst was er ruimte om vragen te stellen, opmerkingen te maken of suggesties te doen (mondeling of op papier). Het verslag van deze bijeenkomst is als bijlage 1bij deze motivering opgenomen.
Het planvoornemen is in het kader van de omgevingstafel voorgelegd aan de ketenpartners provincie Zeeland, waterschap Scheldestromen, veiligheidsregio Zeeland, GGD Zeeland, RUD Zeeland en Rijkswaterstaat. Vanuit de omgevingstafel zijn verschillende aandachtspunten geformuleerd. Een deel van deze aandachtspunten heeft geleid toch aanpassingen of verduidelijking in het plan. Een ander deel van de aandchtspunten zal worden meegenomen in de uitwerking.
De (aandachts)punten die genoemd werden zijn o.a.:
In bijlage 2 is het advies van de Veiligheidsregio over bluswater en bereikbaarheid opgenomen.
Bij de procedure van een TAM-omgevingsplan wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan een zienswijze in te dienen. Het ontwerp TAM-Omgevingsplan heeft van 24 oktober 2025 tot en met 5 november 2025, dus gedurende zes weken, ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
Ambtshalve aanpassing
Naar aanleiding van een ontwerpwijziging is wel het bouwvlak aan de westzijde van het plangebied aangepast.
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke aangelegenheden. In dit hoofdstuk is uiteengezet of het plan in strijd is met het ruimtelijk beleid.
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.
In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050
Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:
Nationale belangen
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'.
Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenoemde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Toetsing en conclusie
De NOVI richt zich op een dusdanig schaalniveau dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor de betreffende ontwikkeling. De NOVI vormt hierdoor geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand het uitgangspunt. Hiertoe wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd die is vastgelegd in Artikel 5.129g Bkl. Bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling is toepassing van de ladder vereist.
Wel of geen stedelijke ontwikkeling
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Bestaande jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toetsing
Het plan bestaat uit in totaal maximaal 39 woningen bestaande uit levensloop bestendige woningen, gezinswoningen en starterswoningen.
In dit geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling (meer dan 12 woningen ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden) binnen bestaand stedelijk gebied (gelet op de huidige stedelijke functie en ligging in de kern Poortvliet). Daarom is hierna de behoefte beschreven.
Beschrijving behoefte
De woningbehoefte in Zeeland en specifiek in de gemeente Tholen blijkt uit diverse bronnen.
In Zeeland is het grootste deel van de woningvoorraad van de toekomst al aanwezig. Echter, een aanzienlijk deel van deze woningvoorraad voldoet in de nabije toekomst niet meer aan de behoefte. Dit wordt de 'kwetsbare woningvoorraad' genoemd. Dit heeft een aantal oorzaken:
Uit het Woningkwaliteit- en woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) blijkt aan welke woningen een toenemende behoefte is:
Voor gemeente Tholen is altijd het uitgangspunt dat een woonprogramma aansluit bij de werkelijke (toekomstige) marktvraag en tegelijkertijd complementair moet zijn aan de bestaande woningvoorraad. Hiermee wordt ook invulling gegeven aan de ambities uit de Zeeuwse woonagenda ten aanzien van een toekomstbestendige woningvoorraad.
In de Zeeuwse Woondeal 2023 is afgesproken dat de gemeente Tholen zich zal inzetten om tot en met 2030, 1.640 woningen te realiseren. De gemeente heeft deze locatie (woonontwikkeling locatie Elenbaas) als gemeentelijk sleutelproject aangemerkt. Een belangrijk thema in de woondeal is betaalbaarheid. De gemeente zet zich in om na 2025 2/3 betaalbaarheid te bereiken van de toevoegingen aan de woningvoorraad.
Tabel 1 uit de Woondeal geeft inzicht in de plancapaciteit, uitgesplitst naar planologische hardheid, bruto/netto en betaalbaarheid. Hieruit volgt dat er slechts harde plancapaciteit is voor 342 woningen.
Figuur 5.1 Regionaal aandeel gemeente Tholen in provinciale bouwopgave (Bron: Zeeuwse Woondeal 2023)
In onderstaande tabel staan 6 bouwlocaties op Tholen die zijn aangewezen als sleutelprojecten waarvan de ontwikkeling noodzakelijk is om de Thoolse bouwopgave van 1.640 woningen te realiseren. Locatie Elenbaas is er daar een van.
Figuur 5.2 Sleutelprojecten gemeente Tholen (Bron: Zeeuwse Woondeal 2023)
Het project Elenbaas in Poortvliet is een herstructureringslocatie van een bedrijventerrein. Uit onderzoek is gebleken dat er behoefte is aan kleinere woningen. Deze woningen kunnen aansluiten bij de focusdoelgroepen: starters, spoedzoekers etc.. Een kleinere woning zorgt ook voor een lagere prijs, waardoor dit een belangrijk project is in het kader van betaalbaarheid, in het bijzonder voor de kern Poortvliet.
De specifieke marktvraag in Poortvliet is ook onderzocht door Faasse en Fermont (juli 2023) (zie bijlage 3). Hieruit volgt dat er de afgelopen jaren vrijwel geen woningen zijn gebouwd. Voor bestaande bewoners die in Poortvliet willen blijven wonen is geen aanbod, waardoor de doorstroming ook geheel is stilgevallen. Er is marktruimte voor starterswoningen, maar ook ruimte voor de doorstromers, zowel in gezinswoningen, maar zeker ook naar levensloopwoningen. Om woningen in de huidige markt competitief aan te kunnen bieden, dienen deze zo goedkoop mogelijk te worden aangeboden, zodat deze voor de consument financieel haalbaar zijn.
Het voorgestelde gemixte programma en de gekozen doelgroepen passen bij de toekomstige marktvraag en zal bijdragen aan een grotere variatie in type woningen.
Conclusie
Er is in de gemeente Tholen behoefte aan 1.640 woningen, waarvan een groot deel betaalbaar en levensloopbestendig. Er is te weinig harde plancapaciteit om in deze behoefte te voorzien. Het sleutelproject Paasdijkstraat is noodzakelijk om te voorzien in de woningbehoefte. Hier wordt ook voorzien in een groot aandeel betaalbare woningen. Hiermee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan dan ook regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het plangebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Uit raadpleging van 'Regels op de kaart' blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Het Bkl stelt binnen dergelijke gebieden regels aan maximale bouwhoogten van windturbines om verstoring van het radarbeeld te voorkomen. Dit project voorziet niet in windturbines en gelet op de bouwhoogten die mogelijk worden gemaakt vormt dit project geen belemmering voor de werking van het nabijgelegen radarstation.
Voor zover thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit project, vindt een afweging van deze instructieregels plaats in Hoofdstuk 5 van deze motivering. Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor dit project, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben.
Toetsing en conclusie
In het Bkl zijn geen beperkingen opgelegd die ter hoogte van het plangebied.
De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.
De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050:
In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. De verandering van de bevolkingssamenstelling en de noodzaak voor toegankelijke voorzieningen heeft tot vernieuwing van de Zeeuwse woningmarkt geleid. Hierbij is de noodzaak om barrières weg te nemen zodat alle Zeeuwen gemakkelijk deel kunnen nemen aan de samenleving. Hierbij draagt een schone, gezonde en veilige woonomgeving aan mee.
Toetsing en conclusie
De ontwikkeling is een aanvulling op de bestaande woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied, op korte afstand van voorzieningen. De Zeeuwse Omgevingsvisie staat deze ontwikkeling niet in de weg.
Een aantal onderwerpen uit de Omgevingsvisie is juridisch vertaald in de Omgevingsverordening Zeeland . Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies. Daarvan is geen sprake.
Toetsing en conclusie
Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling gelden geen specifieke regels voor woningbouw uit de Omgevingsverordening Zeeland. Wel is in de woningbouwafspraken, een afspraak tussen de provincie en gemeenten afgesproken dat 1/3 van het totale programma nieuwe woningen betaalbare koop of huur moet zijn en 1/3 sociale huur en maximaal 1/3 mag qua woonsegment richting duur gaan. In het plan wordt 60% betaalbare woningen voorzien. Daarmee draagt het plan bij aan het behalen van deze doelstelling. Het plan is niet in strijd met de Omgevingsverordening en sluit aan bij de woningbouwafspraken.
De Zeeuwse Woondeal is een samenwerking tussen de provincie, woningcorporaties, het rijk en de Zeeuwse gemeenten. Bij de Woondeal ligt de nadruk op het stimuleren van voldoende betaalbare extra woningen in de periode 2022-2030. Dit gebeurt vooral in de vorm van nieuwbouw. Het doel van de Woondeal is ervoor zorgen dat er voldoende betaalbare en levensloopbestendige woningen zijn voor alle inwoners van Zeeland.
De hoofdlijnen van de Woondeal Zeeland zijn als volgt:
De voortgang wordt gemonitord en indien nodig worden cijfers jaarlijks bijgesteld als veranderingen op de woningmarkt daartoe aanleiding geven. In de Woondeal zijn voor alle Zeeuwse subregio’s sleutelprojecten in beeld gebracht: woningbouwprojecten die essentieel zijn voor versnelling van de bouwproductie en volkshuisvestingsopgave. Dergelijke projecten kunnen lokaal en/of regionaal van belang zijn. Paasdijkstraat behoord niet tot zo'n sleutelproject.
Toetsing en conclusie
Met dit plan wordt een mix van woningbouwcategorieën en extra woningen toegevoegd. Het plan draagt dan ook bij aan de doelen uit de Zeeuwse Woondeal.
Grote maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en de woningbouwopgave vragen om antwoorden én om ruimte. Niet alles kan overal, niet alles kan samen. Het maken van keuzes is daarom noodzakelijk. De omgevingsvisie Tholen maakt keuzes en vormt een beleidskader op hoofdlijnen. In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen en maatregelen voor de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen vast voor de langere termijn en voor het hele grondgebied. Hiermee wordt duidelijkheid en perspectief geboden aan inwoners en bedrijven over de gewenste ontwikkelrichting en worden partijen geïnspireerd hierop in te spelen.
De omgevingsvisie is opgesteld met inbreng van inwoners, ondernemers, partners en allerlei andere stakeholders in de gemeente. Hierbij is rekening gehouden met de provinciale omgevingsvisie en de nationale omgevingsvisie.
Algemene uitgangspunten voor de omgevingsvisie zijn:
Daarnaast zijn er 3 pijlers die ten grondslag liggen aan de omgevingsvisie:
Voor wonen geldt dat de gemeente de ambitie heeft om voldoende kwalitatief goede, levensloopbestendige, energiezuinige en betaalbare woningen voor zowel eigen bewoners als nieuwe inwoners te realiseren. Tot 2033 wil de gemeente ca. 1.680 woningen realiseren en tot 2.700 woningen in 2040. Per kern zijn zoekgebieden aangegeven voor nieuwe plancapaciteit voor nieuwe woningen. Bij nieuwbouwplannen wordt gestreefd naar een mix van woningen in koop, sociale huur en vrijesectorhuur. Op de visiekaart van Poortvliet zijn een aantal woningbouwontwikkelingen te zien aan de randen van het dorp. De locatie van de beoogde ontwikkeling is eveneens aangewezen als woningbouwontwikkeling in het dorp.
Figuur 5.1 Visiekaart Poortvliet (bron: Omgevingsvisie Tholen)
Toetsing en conclusie
Door de woonontwikkeling op bedrijfsgrond wordt woonkwaliteit toegevoegd in de kern Poortvliet. Een groot deel van de woningen wordt levensloopbestendig gemaakt en zijn daarnaast in verschillende prijscategorieën beoogd. De ontwikkeling is een uitwerking van de ambities uit de Omgevingsvisie.
In oktober 2021 is de 'Woonvisie 2021-2026' door de gemeenteraad vastgesteld. De woonvisie vormt de basis voor de woningbouw in de gemeente en voor de prestatieafspraken met de corporatie. Het hoofddoel van het gemeentelijk woonbeleid is het versterken van Tholen als aantrekkelijke woongemeente voor de brede groep inwoners door het faciliteren en stimuleren van inzet voor woonkwaliteit en leefbaarheid.
Toetsing en conclusie
De gemeente heeft als uitgangspunt dat in iedere kern levenslang gewoond kan worden. De toevoeging van circa 39 woningen in een gevarieerd aanbod draagt bij aan dit uitgangspunt. Voor (toekomstige) senioren worden levensloopbestendige woningen voorzien in het projectgebied. Voor starters en gezinnen zijn relatief betaalbare woningen voorzien. Verder gaat de voorkeur van de gemeente uit naar inbreiding in de bestaande kernen. Het vervangen van bedrijfsbebouwing naar woningen sluit hierbij aan. Het beoogde plan past dus binnen de uitgangspunten uit de woonvisie.
De beleidsnota 'Beleid huisvesting internationale werknemers' biedt de kaders voor het faciliteren van huisvesting van internationale werknemers. In de bestemmingsplannen van de gemeente Tholen waren te weinig mogelijkheden om te kunnen sturen op deze huisvesting. Om in de toekomst op een goede wijze te kunnen sturen op de wenselijke vormen van huisvesting heeft de gemeente deze parapluherziening Woonvormen opgesteld. Waar relevant zijn bepalingen uit de Parapluherziening Woonvormen in dit bestemmingsplan opgenomen.
Om een gemeentedekkende regeling te hebben voor parkeren en laden en lossen is de Parapluherziening Parkeren Tholen opgesteld. Dit plan wijzigt alle ruimtelijke plannen in de gemeente op dit onderdeel, met uitzondering van de plannen waar een specifieke regeling is opgenomen voor parkeren. Waar relevant, zijn bepalingen uit de Parapluherziening Parkeren in dit TAM-omgevingsplan opgenomen
In de Welstandsnota gemeente Tholen (onderdeel van de Bruidsschat) zijn algemene welstandscriteria en gebiedsgericht welstandsbeleid voor het bouwen vastgelegd. Voor de realisatie van de ontwikkeling is separaat een Beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat wordt toegepast bij de beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning.
Toetsingskader
Duurzaamheid
Ook Tholen heeft te maken met de effecten van klimaatverandering, het duurzaamheidsvraagstuk en de energietransitie. De ambitie is er om oplossingen te bieden voor huidige en toekomstige klimatologische problemen en een bijdrage te leveren aan een gezond en duurzaam Tholen. Afgesproken is om de CO2- uitstoot te beperken; de concrete CO2-doelstellingen zijn 49% (tot zelfs 55%) minder CO2-uitstoot in 2030 en 95% in 2050 ten opzichte van de uitstoot in 1990. Daarnaast is de landelijke doelstelling om in 2050 aardgasvrij te zijn. Gemeente Tholen heeft de ambitie om een duurzame en klimaatbestendige gemeente te worden.
Dit krijgt zijn weerklank in nieuw te ontwikkelen plannen. Er moet gekeken worden naar de mogelijkheden om dit gebied duurzaam en toekomstbestendig te ontwikkelen.
Dit betekent dat de gemeente in ieder geval de volgende uitgangspunten hanteert:
Klimaatadaptatie
Gemeente Tholen heeft zich geconformeerd aan de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland 2021-2026. Om de gevolgen van weersextremen op te vangen zijn aanpassingen nodig. De nota is vooral bedoeld als startpunt van bewustwording van de situatie.
Verduurzaming van de woningvoorraad
De woningen moeten voldoen aan de per 1 januari 2021 inwerking getreden BENG (Bijna energie neutrale gebouwen), waarbij de energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen vast wordt gelegd aan de hand van drie eisen, namelijk:
Deze eisen vervangen de eerdere EPC-eisen voor nieuwbouw.
Circulariteit
Grondstoffen worden schaarser, kostbaarder en daardoor strategisch belangrijk. Een grondstoftransitie is noodzakelijk en daardoor zal er steeds vaker worden gestreefd naar het kortsluiten van de kringlopen van reststromen. Preventie, hergebruik en recycling zijn manieren om grondstoffen efficiënter en duurzamer te benutten, terwijl verbranding en vergisting bijdragen om een deel van de energie terug te winnen.
Energie
Steeds vaker zal warmte én koude nodig zijn in woningen en gebouwen. Bij de opbouw van de energievoorziening in het plangebied dient hier dan ook al bij het ontwerp aandacht voor te zijn. In de Woonvisie is opgenomen dat De Gemeentelijke PraktijkRichtlijn (GPR) als indicator wordt gehandhaafd, waarbij voor nieuwbouwwoningen wordt gestreefd naar een GPR van 7,0. Als hieraan niet kan worden voldaan, wordt in overleg met initiatiefnemers bekeken wat wel mogelijk is.
Toetsing en conclusie
Duurzaamheid
Voorliggend plan biedt een kans om nieuwe oplossingen uit te proberen en vorm te geven aan de toekomst. Het ontwerp van de woonontwikkeling Paasdijkstraat houdt rekening met klimaatadaptatie door toevoeging van extra waterbergingsmogelijkheden en groen. Woningen worden duurzaam uitgevoerd conform de geldende wet en regelgeving.
Klimaatadaptatie
Zoals in paragraaf 3.2 toegelicht, wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie.
Verduurzaming van de woningvoorraad
Bij voorliggende ontwikkeling wordt voldaan aan BENG-eisen.
Circulariteit
Er zal zoveel als mogelijk gebruik worden gemaakt van circulaire materialen. Daarnaast zal bij het ontwerp van de woningen rekening worden gehouden dat materialen in de toekomst opnieuw kunnen worden gebruikt.
Energie
Bij de realisatie van de woning wordt voldaan aan een GPR van 7,0.
Toetsingskader
De gemeente heeft een groenplan gemaakt waarin wordt ingegaan hoe om te gaan met het groen binnen de gemeente Tholen. Groen is een belangrijk onderdeel van de openbare ruimte en daarmee van de inrichting van het bebouwde gebied. Groen draagt bij aan een gezonde leefomgeving en woongenot, maar is ook een basis voor ontmoeting, recreatie, ontspanning in spelen. Daarnaast speelt groen een belangrijke rol in het beperken van de hoeveelheid fijnstof in de lucht, tegengaan van hittestress en opvang van water.
Gemeente Tholen heeft de volgende ambities voor het groen in de gemeente:
Toetsing en conclusie
De ontwikkeling voldoet aan de gestelde doelen uit het groenplan. Zoals in paragraaf 3.2 en 5.3.6toegelicht is er veel aandacht in voorliggend plan voor groen, klimaatadaptatie en het vergroten van de biodiversiteit. Daarnaast is er sprake van een groenstructuur met ruimte voor water.
De gevolgen voor de fysieke leefomgeving moeten in beeld worden gebracht en er zal gemotiveerd moeten worden hoe met het oog op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden wordt met in ieder geval de instructieregels uit het Bkl en de provinciale milieuverordening (artikel 8.0b, eerste lid, Bkl).
Daar waar een nieuwe activiteit milieuruimte inneemt, is aandacht nodig voor de gevolgen van deze activiteit op de omgeving maar ook welke gevolgen de omgeving heeft op deze nieuwe activiteit.
De instructieregels uit het Bkl (en provinciale omgevingsverordening) kunnen verplichten tot het opnemen van regels in het omgevingsplan. Hiervoor dient extra aandacht te zijn bij het onderzoek naar de gevolgen van een activiteit voor de fysieke leefomgeving. In dit hoofdstuk is per omgevingsaspect getoetst aan het Bkl en waar nodig onderzoek uitgevoerd.
In dit hoofdstuk wordt de gewenste ontwikkeling getoetst aan verschillende aspecten uit de fysieke leefomgeving. Indien noodzakelijk worden deze aspecten nader gemotiveerd met een onderzoek.
Beleid en normstelling
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van de wijziging van het omgevingsplan plan-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer(beoordelings)-plicht geldt.
Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
Onderzoek
De beoogde ontwikkeling betreft in totaal de realisatie van maximaal 39 woningen en parkeergelegenheid. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Hiervoor is een mer-beoordeling noodzakelijk, de mer-beoordeling is opgenomen in bijlage 4.
Conclusie
Uit de informatie in deze beoordeling blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
Beleid en normstelling
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. BENG staat voor Bijna Energieneutrale Gebouwen.
Daarnaast heeft ook Tholen te maken met de effecten van klimaatverandering, het duurzaamheidsvraagstuk en de energietransitie. De ambitie is er om oplossingen te bieden voor huidige en toekomstige klimatologische problemen en een bijdrage te leveren aan een gezond en duurzaam Tholen. Afgesproken is om de CO2-uitstoot te beperken; de concrete CO2-doelstellingen zijn 49% (tot zelfs 55 en 60%) minder CO2-uitstoot in 2030 en 95% in 2050 ten opzichte van de uitstoot in 1990. Daarnaast is er de landelijke doelstelling om in 2050 aardgasvrij te zijn. Gemeente Tholen heeft de ambitie om een duurzame en klimaatbestendige gemeente te worden. Dit krijgt zijn weerklank in nieuw te ontwikkelen plannen. Er moet gekeken worden naar de mogelijkheden om dit gebied duurzaam en toekomstbestendig te ontwikkelen.
Onderzoek
Bij het ontwerp van de stedenbouwkundige invulling is rekening gehouden met de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente. In de bouwkundige uitwerking van de woningen zal verdere uitwerking aan de orde zijn.
Klimaatbestendigheid
Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan is uitgegaan van een klimaatbestendige inrichting van de openbare ruimte, waarbij rekening is gehouden met deze thema's. Zo zal het regenwater infiltreren in de grond door middel van een zogenaamde wadi, die tevens dient als buffer bij (extreme)regenval. Daarnaast wordt de bestrating van de parkeervakken met open bestrating waar gras in kan groeien waardoor water ook kan infiltreren.
Materiaalgebruik
Asfalt en puin, dat vrijkomt bij de sloop van de bestaande bebouwing, wordt hergebruikt als puingranulaat onder de verharde toegangswegen. De huidige Stelcon platen zullen circulair worden ingezet als verharding van de wandelpaden door het openbaar groen.
Biodiversiteit
Met het ontwerp wordt een bijdrage geleverd aan de biodiversiteit door een compleet habitat voor gidssoorten aan te leggen. Daarbij wordt rekening gehouden met voedselvoorziening, veiligheid, verblijfsvoorzieningen, voortplanting, variatie in habitats en verbinding van de habitats. Bijvoorbeeld door nestkasten voor verschillende vogels en zomerverblijven voor vleermuizen in de woningen te integreren, een egelsnelweg aan te leggen en de erfafscheidingen voor 30% uit groen te laten bestaan. Bij de keuze voor planten en bomen wordt zo gekozen dat er vanaf het vroege voorjaar tot in het najaar nectar voor insecten aanwezig is. En Gazons worden verrijkt met bloeiende soorten als madeliefje, klaversoorten en brunel.
Energie
Alle woningen in het plan worden uitgevoerd als energiezuinige woningen en zijn gasloos. De woningen zijn uitgevoerd met het zogenaamde “zeer energiezuinige pakket”. Dit samenhangende pakket aan maatregelen bestaat uit:
Conclusie
De ontwikkeling van de woonbuurt draagt bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Tholen.
Beleid en normstelling
Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid of tot parkeerproblemen.
De ontwikkeling wordt getoetst aan het gemeentelijke parkeerbeleid, welke is vastgelegd in het 'Mobiliteitsplan Tholen 2022-2030'. CROW publicatie 744 is de leidraad bij het bepalen van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling. Veiligheid van de ontsluiting van het plangebied wordt getoetst aan de principes van duurzaam veilig. Bij de beoordeling van de veiligheid en de verkeersafwikkeling wordt geprioriteerd volgens het STOMP-principe, waarbij voetgangers de hoogste prioriteit hebben, gevolgd door fietsers, openbaar vervoer, deelvervoer en tot slot de privéauto. In Poortvliet is geen aanbod van deelvervoer, en de beoogde ontwikkeling voorziet hier ook niet in, dus is dit onderwerp niet behandeld.
Onderzoek
Bestaand verkeersnetwerk
Voetgangers
De beoogde ontwikkeling ligt binnen de bebouwde kom van Poortvliet. In Poortvliet zijn enkele voorzieningen gevestigd die binnen ca. 5 minuten lopen te bereiken zijn. Zie voor een overzicht figuur 6.1. Over het algemeen zijn de straten in Poortvliet voorzien van voldoende brede trottoirs. Uitzondering hierop zijn delen van de Zuidstraat en de Langestraat, waar de trottoirs nog geen meter breed zijn of zelfs ontbreken. In figuur 6.1 is de ligging van deze wegvakken in rood gemarkeerd en in figuur 6.2 is het straatbeeld weergegeven. Omdat de rechtstanden kort zijn, het straatprofiel smal is en de straat van een elementenverharding is voorzien rijdt het verkeer in deze straten rijdt langzaam. Hierdoor is de situatie niet heel gevaarlijk. De verkeersstructuur voor voetgangers is al met al als redelijk te beschouwen.
Figuur 6.1 Ligging beoogde ontwikkeling ten opzichte van voorzieningen. In rood zijn straten zonder adequate trottoirs gemarkeerd
Figuur 6.2 Ontbrekende trottoirs op de Zuidstraat
Fiets
Binnen de bebouwde kom van Poortvliet maken fietsers gebruik van de rijbaan. De straten zijn zo vormgegeven dat het autoverkeer er langzaam rijdt. De Paasdijk is van de rotonde bij de N286 tot Sint Annaland voorzien van een vrijliggend fietspad. Ook omliggende plaatsen als Tholen, Sint-Maartensdijk en Scherpenisse zijn over vrijliggende fietspaden te bereiken. De ontsluiting per fiets is hiermee als goed te beschouwen.
Openbaar vervoer
Op 350 meter lopen van de beoogde ontwikkeling ligt mobiliteits HUB Poortvliet Zuidplantsoen. Hier halteren op werkdagen van 6 uur in de morgen tot 10 uur in de avond elk half uur bussen naar Tholen, Bergen op Zoom en Sint Maartensdijk, Stavenisse en Sint Annaland. Bergen op Zoom, waar op het nationale intercitynetwerk kan worden overgestapt, is per bus in 24 minuten te bereiken. Ook wordt de halte aangedaan door diverse schoolbussen. Hiermee is de locatie, zeker gezien de locatie op het platteland, goed ontsloten met het openbaar vervoer.
Auto
De Paasdijkweg is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg. De maximumsnelheid is hier 50 km/h. Kort ten noorden en ten zuiden van de ontwikkellocatie wordt verkeer afgeremd met een drempel. De Paasdijkstraat is een erftoegangsgweg type B. Hier is de maximumsnelheid 30 km/h. De Paasdijkstraat, en aanliggende straten worden gekarakteriseerd door een elementenverharding, korte rechtstanden, veel erfontsluitingen en veel ongereguleerde kruisingen. De maximumsnelheid is hierdoor zeer geloofwaardig. De Paasdijkweg leidt in het zuiden naar de dichtstbijzijnde gebiedsontsluitingsweg: de N286 richting Scherpenisse en Sint-Maartensdijk in het westen, en richting Tholen, Halsteren en Bergen op Zoom in het oosten. Bij Halsteren is het nationale stroomwegennetwerk bereikt in de vorm van een oprit van de A4. De wegen waar het verkeer vanaf de beoogde locatie op wordt afgewikkeld zijn over het algemeen veilig, en gaat slechts over korte afstanden over erftoegangswegen. De ontsluiting per auto is hiermee als goed te beoordelen. In figuur 6.3 is de wegenstructuur weergegeven.
Figuur 6.3 Ontsluiting per auto
Verkeersgeneratie
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling worden kencijfers uit CROW-publicatie 744 gebruikt. Hierbij wordt voor de gemeente Tholen op basis van het CBS een stedelijkheidsgraad van 'niet stedelijk' gehanteerd. In overeenstemming met het Mobiliteitsplan Tholen 2022-2030 wordt voor het gebied 'rest bebouwde kom' aangehouden. Op basis van de adressendichtheid en het gemiddelde autobezit per huishouden binnen de gemeente Tholen ten opzichte van het landelijk gemiddelde conform het CBS, wordt per kencijfer het midden van de bandbreedte gehanteerd. Met behulp van de kencijfers uit CROW-publicatie 744 worden weekdagintensiteiten berekend. Voor de verkeerskundige beoordeling zijn werkdagintensiteiten maatgevend. Conform CROW-publicatie 744 wordt voor het omrekenen van weekdagintensiteiten naar werkdagintensiteiten voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 gehanteerd.
Om de effecten te berekenen wordt de verkeersgeneratie die door de beoogde ontwikkeling wordt veroorzaakt verminderd met de verkeersgeneratie van de te verdwijnen functies. Ook dit is op basis van de kengetallen in publicatie 744 uitgerekend. Daarbij is uitgegaan van een representatief programma bij een maximaal van 39 woningen. Om de verkeersgeneratie op werkdagen te berekenen is een omrekenfactor van 1,33 gebruikt.
In tabel 6.1 zijn de uitkomsten van de berekening weergegeven.
Tabel 6.1 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling
De beoogde ontwikkeling veroorzaakt een netto toename van het verkeer van 67 motorvoertuigen per weekdag. Omdat werkfuncties verdwijnen is de toename op werkdagen echter lager, namelijk 25 motorvoertuigen. Hiermee zijn de effecten op de verkeersafwikkeling te verwaarlozen.
Beoordeling verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid
Voetgangers
Het gebrek aan trottoirs op de Langestraat en Zuidstraat is een bestaand probleem waar bewoners van de beoogde ontwikkeling mee te maken krijgen. Voor het overige is de veiligheid voor voetgangers goed. De ontwikkeling zelf voorziet voor zover te beoordelen in het stedenbouwkundig plan in veilige voetgangersvoorzieningen; voor de woningen liggen trottoirs. Bovendien ligt de snelheid en intensiteit van het gemotoriseerde verkeer in het plangebied zeer laag vanwege de zeer korte rechtstand en het feit dat de straat door het plangebied geen doorgaande functie heeft.
Fietsers
Fietsers in het plangebied maken gebruik van straten waar de intensiteit en snelheid van het gemotoriseerde verkeer zeer laag ligt. Wegen naar bestemmingen buiten Poortvliet zijn of heel rustig, of zijn voorzien van vrijliggende fietspaden. Er is op deze wegen voldoende ruimte om eventueel extra fietsverkeer veroorzaakt door de beoogde ontwikkeling te faciliteren Veiligheid van het fietsverkeer wordt door de beoogde ontwikkeling niet negatief beïnvloed.
Auto
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verwaarloosbare toename van de intensiteit van het autoverkeer. Bovendien zorgt de functieverandering van bedrijvigheid naar wonen voor een afname in de hoeveelheid vrachtverkeer. Het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid van de ontwikkeling is daarmee positief.
Parkeren
Om te berekenen of er in voldoende parkeergelegenheid is voorzien is het stedenbouwkundig plan getoetst aan de normen uit het mobiliteitsplan Tholen 2022-2030. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Allereerst is de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling uitgerekend. Dit is gedaan voor de uitgewerkte variant met 35 woningen weergegeven in tabel 6.2.
Tabel 6.2 Berekening parkeerbehoefte bewoners
De bewoners hebben behoefte aan 56,9 parkeerplaatsen voor hun eigen auto's en 11 voor die van hun bezoekers.
De vrijstaande woningen zijn voorzien een garage met een dubbele oprit daarnaast hebben 8 woningen aan de Paasdijkweg een garage met enkele oprit. In het Mobiliteitsplan Tholen 2022-2030 is opgenomen voor hoeveel parkeerplaatsen deze mogen worden meegeteld. De berekening hiervan is weergegeven in tabel 6.3.
Tabel 6.3 Aantal beoogde privéparkeerplaatsen
De parkeerbehoefte van bewoners die op openbaar toegankelijke parkeerplaatsen moet worden gerealiseerd is 56,9 – 13,4 = 43,5 parkeerplaatsen. Daarnaast moet ook nog de parkeerbehoefte van bezoekers worden gefaciliteerd. Deze behoefte bedraagt 11 plaatsen op.
Omdat bezoekers en bewoners niet in gelijke mate op dezelfde momenten aanwezig zijn kan er onderzocht worden in hoeverre dubbelgebruik het aantal benodigde parkeerplaatsen kan verminderen. Ook op de af te trekken parkeerbehoefte van de bestaande functies moeten de aanwezigheidspercentages worden toegepast. De aanwezigheidspercentages van bezoekers en bewoners van de beoogde ontwikkeling en die van de gebruikers van de bestaande functie zijn weergegeven in tabel 6.4.
Tabel 6.4 Aanwezigheidspercentages
Het aanwezigheidspercentage vermenigvuldigd met de normatieve parkeerbehoefte levert de parkeerbehoefte per moment op. Het moment waarop de parkeerbehoefte van bewoners en die van bezoekers opgeteld de hoogste waarde oplevert is het maatgevende moment. De parkeerbehoefte op dat moment is het aantal parkeerplaatsen wat gerealiseerd moet worden. In tabel 6.5 is deze berekening gemaakt.
Tabel 6.5 Parkeerbehoefte openbaar toegankelijke parkeerplaatsen op diverse momenten in de week
Te zien is dat op de werkdagavond de hoogste opgetelde parkeerbehoefte in openbaar toegankelijke parkeerplaatsen gefaciliteerd dient te worden. Er moeten afgerond 48 plaatsen worden gerealiseerd. Er worden 48 openbare parkeerplaatsen voorzien en daarnaast zijn er 14 privé parkeerplaatsen voorzien, daarmee wordt in de behoefte voorzien.
Figuur 6.3.1 verdeling aantal openbare parkeerplaatsen.
De beoogde ontwikkeling levert geen knelpunten op qua verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Op het gebied van parkeren levert de beoogde ontwikkeling eveneens geen knelpunten op. In de regels van dat TAM-plan worden bovendien regels opgenomen die het realiseren van voldoende parkeerplaatsen borgt.
Beleid en normstelling
Natura 2000-gebieden
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Onderzoek
Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Oosterschelde. De afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 1 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op grotere afstand. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN ligt op 428m van het projectgebied.
Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie bijlage 5). Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling.
De ontwikkeling is niet in een natuur- of groengebied met een beschermde status gelegen. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast.
Beleid en normstelling
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de omgevingsplanactiviteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig.
De uitkomst van het onderzoek kan aanleiding geven tot een vergunningplicht. De vergunningplicht is geregeld in het Bal, in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning).
Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
Onderzoek
De beoogde sloop en nieuwbouw zouden schadelijke effecten kunnen hebben op beschermde soorten. Ecoresult B.V. heeft daarom een quickscan uitgevoerd voor het projectgebied, dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6.
Uit de quickscan is gebleken dat voor de huismus een potentieel sprake is van een vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel functioneel leefgebied. En daarnaast voor vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) potentieel is voor vaste rust- en verblijfplaatsen (zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats en klein winterverblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied (foerageergebied en vliegroute). Daarom is In het kader van sloop-nieuwbouwwerkzaamheden nader onderzoek naar huismus en vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) uitgevoerd (bijlage 7). Uit de resultaten blijkt dat de activiteiten geen schadelijke effecten hebben op huismus en vleermuizen.
Overige conclusies en aanbevelingen uit de quickscan
Voor de categorie 5-soorten vogels (vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen) en algemene broedvogels die voorkomen in de directe omgeving van het plangebied geldt de algemene bescherming vogels. Voor de provinciaal vrijgestelde Nationaal beschermde soorten die voor komen in het plangebied geldt de zorgplicht, voor deze soorten zijn preventieve maatregelen nodig. Deze maatregelen zijn beschreven in de quickscan (bijlage 6). De nieuwe situatie zal voor al deze soorten (egel, (spits)muizen en amfibieën zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander) een beter leefgebied creëren bestaande uit openbaar groen en de ontwikkeling van tuinen binnen de begrenzing van het plangebied.
Negatieve effecten op overige soorten die vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, of die nationaal beschermd zijn kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Om te voldoen aan de specifieke zorgplicht voor soorten dienen de werkzaamheden die voortkomen uit de zorgplicht te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol.
Conclusie
Werkzaamheden die voortkomen uit de specifieke zorgplicht te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. De activiteiten hebben geen schadelijke effecten op huismus en vleermuizen. De Omgevingswet wordt niet overtreden. Voor diverse soorten creëert de ontwikkeling een beter leefgebied.
Beleid en normstelling
De gemeente Tholen heeft het beleid omtrent groen in het Beleidsplan groen vervat. In dit groenplan wordt richting gegeven aan een toekomstbestendige inrichting en beheer van het openbaar groen. Daarbij heeft de gemeente de volgende ambities:
Onderzoek
In het Beleidsplan Groen is per kern de gewenste groenstructuur geschetst. Met de geleidelijke groei van Poortvliet is meer behoefte ontstaan aan openbaar groen. Groen als aankleding van de leefomgeving en als uitloop of recreatieruimte. De groenstructuur kan worden ingezet om een aangename leefomgeving te creëren, de ringvormige stedenbouwkundige structuur van het dorp te ondersteunen om karakteristieke landschappelijke lijnen en wegenpatronen te accentueren.
Langs de Paasdijkweg staan onvoldoende bomen om de weg ruimtelijk te begeleiden. Deze boomstructuur zou de gemeente willen verbeteren door nieuwe bomen aan te planten, zodat een doorgaande boomstructuur ontstaat.
In het groenplan voor het woningbouwproject komt de laanbeplating aan de Paasdijkweg terug. Daarnaast is intern in de nieuwe woonbuurt extra ruimte gereserveerd voor groene invulling. Dit komt de leefbaarheid van de buurt ten goede, biedt ruimte voor klimaatadaptatie (hittestress en wateropvang), maar tevens biodiversiteit (zie hiervoor ook paragraaf 6.2).
Conclusie
De groene inrichting van de woonbuurt geeft uitwerking aan de wensen uit het Groenplan gemeente Tholen.
Beleid en normstelling
Wanneer een ontwikkeling betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Onderzoek
De gemeente Tholen is geen aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Conform artikel 5.51 Bkl geldt geen verplichting om onderzoek te doen of de ontwikkeling leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de effecten op luchtkwaliteit bondig beschouwd.
Om te berekenen of de ontwikkeling in betekende mate bijdraagt aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen is de NIBM tool van het ministerie van infrastructuur en milieu. Deze tool berekend op basis van veranderingen van de verkeersgeneratie of een ontwikkeling (negatieve) gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de gegevens uit paragraaf 6.3 (111 extra voertuigbeweging per weekdag) komt naar voren dat de activiteiten in het project niet behoren tot een categorie van gevallen die in betekenende mate bijdragen en leiden daarmee niet tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder.
Figuur 6.6.1 Ingevulde Nibm Tool
Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de luchtkwaliteit ter plaatse. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).
De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Tholensebrug , ten oosten van het projectgebied. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022: 16,84 µg/m³ voor NO2, 16,8 µg/m³ voor PM10 en 8,2 µg/m³ voor PM2,5. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan het projectgebied toe te kennen.
Agrarische gronden
De minimale afstand tussen het projectgebied en het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bedraagt circa 35 meter. Ten aanzien van deze agrarische bestemming gelden o.a. de volgende regels en functiebepalingen voor pluimveehouderijen
'De bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijven zijn aangeduid met een specifieke functieaanduiding. De bedrijven die pluimvee houden met een ruime vrije uitloop zijn voorzien van een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij met vrije uitloop'.
De aanduiding voor intensieve veehouderijen met vrije uitloop is niet aanwezig nabij het projectgebied. Emissies van fijnstof door intensieve veehouderij op de beoogde woningen is daarmee uitgesloten.
Conclusie
Voor het aspect kwaliteit van de (buiten)lucht is geen nader onderzoek en zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
Beleid en normstelling
Het aspect geluid wordt verdeeld in 'geluid door activiteiten' en 'geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen'.
Geluid door activiteiten
Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol:
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Onderzoek
Geluid door activiteiten/bedrijven
Met de beoogde ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Er worden geen activiteiten aan het projectgebied toegevoegd die geluid veroorzaken binnen of buiten het projectgebied.
Uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan 'Kommen Gemeente Tholen' blijkt dat ten noorden van het projectgebied, op een afstand van 30m, een bedrijvenperceel is gelegen. Hier geldt een maximale milieucategorie van 3.1. Binnen gemengd gebied duidt dat op een contour van 30m, het projectgebied ligt circa 80m van het perceel.
Het bedrijf in kwestie betreft het Tuincentrum de Bonte. In de huidige situatie liggen er meerdere bestaande woningen nabij dit bedrijfsperceel. Het mogelijk maken van de beoogde woningen brengt geen verdere beperkingen aan de milieuruimte van dit bedrijf omdat deze woningen op grotere afstand van het bouwbedrijf zijn gelegen dan de meest nabij gelegen bestaande woningen. De beoogde woningen ondervinden geen geluidsoverlast van het bedrijf en het bedrijf wordt niet beperkt in haar milieuruimte.
De agrarische gronden ten oosten van het projectgebied hebben een 'afwegingszone woon en verblijfgebied'. Dit is een strook van 100 m waarbij de belangen van aangrenzende woonkernen en verblijfsrecreatie worden gewaarborgd. Binnen de strook gelden beperkende bouw- en gebruiksregels voor de agrarische percelen, deze regels gaan in op o.a. kleine windturbines, vergroting van bouwvlakken, bouwen van kassen. Middels deze regels wordt de leef- en woonomgeving van de woonfuncties gewaarborgd.
Overige bedrijven liggen op (nog) grotere afstand en zijn getypeerd als activiteiten met zeer geringe (vaak nihil) milieubelasting, die inpasbaar is binnen/naast een woongebied. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect geluid door activiteiten staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Naast de voormalig bedrijfswoning bevindt zich een transformatorhuisje, deze bevindt zich in categorie B1 van de staat van bedrijfsactiviteiten: "activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden." Dit verandert in de beoogde situatie niet ten opzichte van de huidige situatie. De woning en het transformatorhuisje worden van elkaar gescheiden door de garage van de woning.
Geluid door wegverkeerslawaai
Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van een aantal wegen en om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om te kijken of er voldaan wordt aan de randvoorwaarden van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en/of een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Uit dit onderzoek blijkt dat:
Omdat er geen grenswaarden worden overschreden, kan het geluid aanvaardbaar worden geacht. Het gezamenlijk geluid bedraagt op een aantal bouwvlakken meer dan 53 dB met een maximum van 64 dB. Deze waarde is in artikel 9, lid 8.7 Milieuregels opgenomen. De geluidwering voor de woningen aan de Paasdijkweg dient te minste GA;k = 64 – 33 = 31 dB(A) te bedragen.
Voor indirecte effecten vanwege veranderend verkeer geldt de “1,5 dB-toets”, wat neerkomt op een verkeerstoename van 40%. Dit is voor de ontwikkeling niet aan de orde.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregels voor geluid door wegen.
Beleid en normstelling
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen.
In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (§ 5.1.4.6 van het Bkl). De algemene regels met betrekking tot geur zijn op grond van artikel 5.90 van het Bkl van toepassing op het toelaten:
In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl).
Onderzoek
De beoogde woningen zijn geurgevoelig. De beoogde ontwikkeling betreft een locatie op circa 250 meter afstand van een is een grondgebonden veehouderij. Ter beoordeling van de aanvaardbaarheid van de geurbelasting is getoetst aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het geldende gemeentelijke geurbeleid op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), voor zover van toepassing binnen het overgangsrecht. Op basis van een ruimtelijke beoordeling is vastgesteld dat de afstand van 250 meter ruim voldoet aan de gangbare oriëntatiewaarden voor geurgevoelige functies. In veel gevallen geldt op basis van de Wgv een minimale afstand van 50 tot 100 meter voor bestaande rechten. Gezien de grotere afstand en het ontbreken van intensieve stalcapaciteit binnen een kritieke zone (< 250 meter), is er geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van geurbelasting.
Er is dan ook sprake van een aanvaardbare geurhinder, waarbij het agrarisch bedrijf geen beperking ondervindt in zijn milieurechten.
Conclusie
Het aspect vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Beleid en normstelling
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Bij het mogelijk maken van een ontwikkeling spelen vaak veiligheidsrisico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Maar in het Bkl is het risicobegrip breder: er zal gemotiveerd moeten worden dat bij risico's van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van:
Onderzoek
De beoogde ontwikkeling maakt woningbouw mogelijk. Woningen zijn volgens de paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl getypeerd als kwetsbaar gebouw. De beoogde woningen moeten onderzocht worden ten aanzien van nabij gelegen externe veiligheidsrisico's.
Aan de hand van de signaleringskaart EV zijn de nabijgelegen aandachtsgebieden, basisnet-trajecten en overige activiteiten met een externe veiligheidsrisico weergegeven. Zie figuur 6.10.1
Figuur 6.10.1 Signaleringskaart EV
Op de signaleringskaart is een buisleiding ten noord-oosten van het projectgebied waargenomen. Het betreft de buisleiding Z-525-02. Het maatgevende aandachtsgebied betreft een brandaandachtsgebied van 75m aan weerszijde. Het projectgebied ligt ruim buiten dit aandachtsgebied; de afstand tussen het projectgebied en het brandaandachtsgebied van buisleiding bedraagt circa 320 meter. Het projectgebied ondervindt geen risico van de buisleiding Z-525-02.
Het plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van SABIC Innovative Plastics BV. Conform artikel 4.124 van het Bbl. is uitschakelbare mechanische ventilatie vanwege het gifwolkscenario is verplicht.
Conclusie
Voor het aspect omgevingsveiligheid is geen nader onderzoek noodzakelijk. Wel is uitschakelbare mechanische ventilatie vanwege het gifwolkscenario is verplicht. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
Beleid en normstelling
Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid / toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
Gezondheid is een containerbegrip waar veel thema's samenkomen. Het gaat hierbij om thema's die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals geluid, geur en bodem die van invloed kunnen zijn op de gezondheid. Maar het gaat bijvoorbeeld ook om agrarische activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Toetsing
Openbare ruimte
Het thema gezondheid is op verschillende manieren geïmplementeerd in het ontwerp van de openbare ruimte. In het straatbeeld is groen toegevoegd in de vorm van een parkje, bomen, halfverharding en groene erfafscheidingen. Het parkje wordt ingericht met natuurlijke speeltoestellen waar kinderen kunnen spelen. In het ontwerp is rekening gehouden met sociale cohesie. Dorpsbewoners kunnen tijdens het wandelen ontspannen op een bankje. Het parkje is deels verlaagd om overtollig hemelwater te bergen. Er wordt een wandelverbinding gerealiseerd tussen het dorp, het buurtje en het buitengebied. Het wandelpad wordt gemaakt van reeds aanwezige verharding. In figuur 6.11.1 is een straatdoorsnede te zien. Helemaal links is een wandelpad te zien. Rechts daarvan is het park te zien. Weer rechts daarvan is een parkeerplaats te zien met halfverharding in de vorm van grasklinkers. De privéruimte is tevens groen ingericht. De groene inrichting zorgt voor verkoeling in de heter wordende zomers. Het toepassen van halfverharding en schaduwplekken dragen bij aan de klimaatadaptatie.
Figuur 6.11.1 Straatdoorsnede 'gezondheid' (bron: Bosch Slabbers)
Conclusie
Uit toetsing van de verschillende milieuthema's op het gebied van leefomgevingskwaliteit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico's voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, bodem, externe veiligheid, luchtkwaliteit en trillingen. Een significant negatief effect op de risico's voor de menselijke gezondheid is daarmee uitgesloten.
Ten aanzien van gezondheidsbevordering voorziet het project in woningen voor verschillende doelgroepen op relatief korte afstand van de nodige voorzieningen. De ligging kort bij deze voorzieningen nodigt uit om met de fiets (of te voet) van deze voorzieningen gebruik te maken en zodoende te bewegen.
Het groene ontwerp draagt bij aan de (mentale) gezondheid, onder andere omdat het hittestress vermindert en uitnodigt te bewegen.
Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor de woningen die in het projectgebied worden gerealiseerd. Het beeldkwaliteitsplan geeft inzicht in de beoogde beeldkwaliteit van de bebouwing. Het beeldkwaliteitsplan wordt als een beleidsregel zoals bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet vastgesteld gelijktijdig met dit TAM-omgevingsplan. Het zal vervolgens als toetsingskader dienen voor bouwplannen in het kader van de omgevingsvergunning. Dit beeldkwaliteitplan is opgenomen in bijlage 9 bij deze motivering.
Beleid en normstelling
Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Onderzoek
Cultuurhistorie
Uit de cultuurhistorisch waardenkaart van de provincie Zeeland blijkt dat in het projectgebied geen cultuurhistorische waarden van betekenis aanwezig zijn. Wel zijn rondom het projectgebied historische boerderijen en een rijksmonument (molen de Korenaar) aanwezig.
6.13.1 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (bron: provincie Zeeland)
De historische boerderijen staan met name in de rij ten westen van de projectlocatie aan de Paasdijkstraat. De zichtbaarheid van deze bebouwing zal door de ontwikkeling eerder verbeteren, omdat het gaat om kleinschalige bebouwing, waar nu grootschalige bedrijfsbebouwing aanwezig is.
Figuur 6.13.2 cultuurhistorische boerderijen Paasdijkstraat (bron: Google Streeview)
Het projectgebied valt binnen de molenbiotoop van de molen 'De Korenaar'. Deze molen bevindt zich ten zuiden van het projectgebied, de percelen bevinden zich op een afstand van circa 200 meter. Binnen een afstand van 100 tot 400 meter zijn de volgende bouwregels van toepassing:
Uit de Molendatabase blijkt, dat de stelling van de molen "De Korenaar" 4,6 meter bedraagt. Aangezien de molen is gesitueerd op een ‘berg’ met een hoogte van 1,5 meter, bedraagt de hoogte tot aan het maaiveld zo’n 6,1 meter. De dichtstbijzijnde woning van het projectgebied ligt op een afstand van circa 190 m, dit resulteert in een maximale bouwhoogte van 9,9 meter. Op 195 meter van de molen resulteerd dit in een maximale bouwhoogte van 10 meter. De maaiveldhoogte is vergelijkbaar op beide locaties, circa 0,5 meter beneden NAP. Aan de Molenstraat ten zuiden van de projectlocatie is daarnaast bebouwing van 9,5 meter hoogte aanwezig en mogen deze op basis van het bestemmingsplan 10 meter hoog worden.
In de beoogde ontwikkeling worden woningen tot 10 meter mogelijk gemaakt aan de zuidzijde van het plangebied. In een heel klein deel van het plan zullen de woningen circa mogelijk 10 centimeter hoger worden dan op basis van de molenbiotoop is toegestaan (zie ook figuur 6.13.3).
Figuur 6.13.3 Uitsnede topografische kaart met daarin de 195 meter afstand vanaf het middelpunt van de molen tot het projectgebied.
De beoogde ontwikkeling wijkt af van de molenbiotoop. Echter omdat het gaat om slechts 10 centimeter, de bebouwing tussen de molen en het projectgebied vergelijkbaar in hoogte is en de bebouwing daarnaast aan de noordzijde van de molen voorzien is (niet de heersende windrichting), heeft dit geen effect op de windvang van de molen.
De vrijstaande woningen staan op circa 275 meter afstand. Hier geldt een maximale hoogte van 11,5 meter, dit is op basis van de molenbiotoop ook toegestaan (1/50*270+6,1=11,6 meter).
Archeologie
Het plangebied is binnen bestemmingsplan Kommen Gemeente Tholen (2013) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Bedrijf en Verkeer. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming Waarde Archeologie-2 in het gebied tussen de Paasdijkweg en de Paasdijkstraat en een dubbelbestemming Waarde Archeologie- 1 in het gebied ten westen van de Paasdijkstraat. Binnen het gebied met Waarde Archeologie - 2 geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 vierkante meter en dieper reiken dan 0,4 m -mv. In gebieden met Waarde Archeologie - 1 betreft dit groter dan 50 vierkante meter en dieper dan 0,4 m -mv.
In het kader van de beoogde ontwikkeling is een archeologisch onderzoeksrapport opgesteld. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van beide onderzoeken kan gesteld worden dat:
Op basis van de hierboven geschetste archeologische verwachting wordt de kans klein geacht dat er zich binnen het plangebied archeologische vindplaatsen bevinden. De kans dat eventuele vindplaatsen verstoord zullen worden door de toekomstige bodemingrepen is dus vrij klein. Archeologisch vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
De aspecten cultuurhistorie en archeologie staan de ontwikkeling niet in de weg.
Beleid en normstelling
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.
Voorafgaande aan de voorbereiding van deze ontwikkeling is het omgevingsplan nog niet gewijzigd, daarom gelden op grond van artikel 22.30 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan de interventiewaarden bedoeld in bijlage IIA van het Bal als grenswaarden voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen.
Onderzoek
De beoogde ontwikkeling voorziet in bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. MCG Zuidwest heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd met als doel het bepalen van de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen werkzaamheden. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 11. Onderstaand betreft een samenvatting van de conclusies en aanbevelingen.
Er zijn op twee locaties verontreinigingen gesignaleerd:
Conclusie
Deze vervolgonderzoeken lopen momenteel. Als er verontreinigen worden geconstateerd zullen er, voorafgaand op de werkzaamheden, saneringsmaatregelen worden getroffen. Hiervan uitgaande zal de bodem van voldoende kwaliteit zijn voor het beoogde functiedoeleinde. Bodem vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Beleid en normstelling
Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst.
Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027
Dit programma laat zien welke doelen Scheldestromen de komende periode nastreeft, welke ontwikkelingen daarop van invloed zijn en hoe ze daarmee om zal gaan. Dit alles in relatie tot de systemen die Scheldestromen de afgelopen decennia heeft opgebouwd om veiligheid, gebruik en de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen. De primaire programmapunten zijn de waterveiligheid, watersystemen, afvalwaterketen en wegen. Binnen het beheerprogramma worden belangrijke ontwikkelingen behandeld, waaronder: klimaatverandering en de noodzaak van klimaatadaptatie; circulaire economie; duurzaamheid en de energietransitie.
Water- en Rioleringprogramma Gemeente Tholen
Hemelwater wordt in nieuwbouwplannen waar mogelijk bovengronds afgevoerd via wadi’s en over daarvoor ingerichte straten naar waterlopen. Omdat verharding voor versnelde waterafvoer zorgt, wordt compenserende waterberging gerealiseerd, waarbij de watertoets wordt gehanteerd. In geval van nieuwe bebouwing dient de toename aan verhard oppervlak te worden gecompenseerd met waterberging op eigen terrein conform de watertoets. Hierbij wordt niet alleen rekening gehouden met de bestemming bebouwing, maar ook met de verwachte hoeveelheid verharding in de vorm van bestrating. In uitzonderlijke gevallen - en als een perceel kleiner dan 3.000 m2 is - kan gebruik worden gemaakt van het Waterbergingsfonds. Hiermee kan de verplichting tot het realiseren van waterberging door de gemeente worden afgekocht van de initiatiefnemer. Deze waterberging wordt dan, in overleg met waterschap Scheldestromen, elders gerealiseerd.
Onderzoek
De omgevingsverordening Zeeland bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema water.
In de waterschapsverordening zijn regels opgenomen ter bescherming van de waterkeringen, watergangen, oppervlaktewater en waterschapswegen. De ontwikkeling vindt niet plaats in de nabijheid van waterkeringen en/of watergangen en oppervlaktewater waar beperkingen gelden. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater wordt niet direct op het oppervlaktewater geloosd. Verder zijn er geen regels in de waterschapsverordening opgenomen die invloed hebben op de ontwikkeling.
In bijlage 12 is in het kader van de weging van de waterbelangen het 'Aanmeldformulier watertoets waterschap Scheldestromen' opgenomen. Daarin is de uitwerking van de wateraspecten beschreven. Het aspect water is geen belemmering voor het project: het project leidt tot een afname van verhard oppervlak en er zijn ook geen andere wateraspecten in het geding: het projectgebied ligt niet nabij waterkeringen en het wordt aangesloten op het gescheiden rioolstelsel.
Beleid en normstelling
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Onderzoek
De effecten van de aardgasleiding ten noorden van het projectgebied is opgenomen in paragraaf 6.9 Omgevingsveiligheid. Er zijn geen overige relevante kabels of leidingen in de omgeving van het plangebied.
Dit TAM-omgevingsplan bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de ontwikkeling van de locatie Paasdijkstraat/Paasdijkweg. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het omgevingsplan gemeente Tholen. Het TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om woningbouw te realiseren. De planopzet kent een beperkt aantal functies. Aan de verschillende regelingen zijn locaties gekoppeld die terug te zien zijn op de kaart.
De planregels zijn opgebouwd uit inleidende regels (hoofdstuk 1), regels voor functies en activiteiten (hoofdstuk 2), algemene regels (hoofdstuk 3) en overgangsregels (hoofdstuk 4).
2.4.2.1 Inleidende regels
Sub a
Hierin is bepaald op welke locatie dit hoofdstuk van toepassing is en koppelt de kaart aan het TAM-omgevingsplan.
Sub b
Hierin is bepaald dat de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de regels uit de bestemmingsplannen) niet van toepassing zijn op de locatie zoals bedoeld in lid 1. Het TAM-omgevingsplan kan er niet voor zorgen dat de onderliggende regels uit het tijdelijk
deel van het omgevingsplan vervallen. Daarom worden deze regels niet van toepassing verklaard.
Sub c
Hierin is bepaald dat een groot deel van de regels uit de bruidsschat niet van toepassing is als de regels in strijd zijn met de regels uit dit hoofdstuk. Hiervan zijn de regels over vergunningvrij bouwen uit de bruidsschat uitgezonderd.
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het TAM-omgevingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Er is ook aangegeven dat de begrippen van het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving overeenkomstige van toepassing zijn op dit omgevingsplan.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten gemeten moeten worden.
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
In dit artikel is vastgelegd dat verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies zoals vastgelegd in dit hoofdstuk.
Door dit artikel worden de aanvraagvereisten uit de bruidsschat ook van toepassing verklaard op een omgevingsvergunning op grond van dit hoofdstuk.
Deze regels zijn opgenomen om de garageboxen en de toegangsweg hiervoor mogelijk te maken. Binnen deze functie zijn o.a. verkeersvoorzieningen, groen en ter plaatse van de aanduiding 'garageboxen' garageboxen en bergingen toegestaan. Uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak zijn gebouwen toegestaan.
Deze regels zijn opgenomen ten behoeve van de bestaande woning.
Deze functie is van toepassing op gronden die voor woningbouw worden uitgegeven. De gronden zijn dan ook bestemd voor de woonfunctie. Ook bij deze functie behorende voorzieningen, zoals tuinen, wegen, paden, verblijfsgebieden, groenvoorzieningen en water zijn toegestaan. Ook binnen een woongebied voorkomende functies, zoals nutsvoorzieningen, kleinschalige speelvoorzieningen, ontmoetingsplaatsen, geluidwerende voorzieningen, parkeervoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, water-infiltratie en watertransportvoorzieningen mogen worden opgericht.
Er zijn bouwregels opgenomen voor hoofdgebouwen, bijgebouwen, overige bouwwerken geen gebouwen zijnde en ondergrondse bouwwerken. Daarnaast zijn milieuregels opgenomen waarin regels zijn opgenomen voor wat betreft de hogere waarde voor geluid.
Ook is een regeling opgenomen die het tijdelijk gebruik ten behoeve van het tankstation tot 31-3-2028 toestaat.
Artikel 9 Waarde - Archeologie 1 en Artikel 10 Waarde - Archeologie 2
Het plangebied is voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' en Waarde - Archeologie - 2'. Uitgangspunt voor deze functie is, dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem groter dan de vrijgestelde waarde dient doormiddel van een archeologisch rapport te worden aangetoond dat de archeologische waarden niet aanwezig, dan wel veiliggesteld zijn alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. Dit geldt zowel voor bouwwerkzaamheden als voor overige werkzaamheden. In beide gevallen dient de verstorende activiteit een terreinoppervlak van ten minste 50 m² in het geval van Waarde - Archeologie 1 en 250 m² in het geval van Waarde - Archeologie 2 te beslaan én dieper te reiken dan 0,4 meter beneden maaiveld. Aan een te verlenen vergunning kunnen voorwaarden verbonden worden.
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.
Artikel 13 Algemene bouwregels
Dit artikel maakt het mogelijk dat kan worden afgeweken van de beoordelingsregels voor bouwen in hoofdstuk 2 met betrekking tot de voorgeschreven maatvoering met maximaal 10%, tot de voorgeschreven woningbouwtypologieën en geringe afwijkingen tot maximaal 2,5 meter.
Artikel 14 Algemene gebruiksregels
In dit artikel is opgenomen dat gebruik in strijd met de aan de grond gegeven functie, de functieomschrijving en de overige regels niet is toegestaan.
Artikel 15 Algemene afwijkingsregels
Dit artikel biedt de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning in geringe mate af te wijken van maten, bouwgrenzen en functiegrenzen.
Dit artikel ziet er op dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de oprichting, uitbreiding of wijziging van een gebouw.
De overgangsbepaling in heeft onder andere tot doel de rechtszekerheid te verzekeren van bouwwerken, die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan gebouwd zijn of op grond van een reeds verleende of een nog te moeten afgeven omgevingsvergunning, gebouwd mogen worden en afwijken van de bebouwingsregels. Het afwijkende gebruik mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een andere, zolang de afwijking van het omgevingsplan maar niet vergroot wordt. Dit overgangsrecht geldt 10 jaar. Voor de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van gebruik -tijdelijk gebruik' geldt dit overgangsrecht maar tot 31-03-2028.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
Dit TAM-omgevingsplan vormt het toetsingskader voor de geplande ontwikkeling. De initiatiefnemer is eigenaar van de gronden ter plaatse van het projectgebied. Hierdoor is het plan financieel haalbaar.
Kostenverhaal
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet in op de realisatie van woningen. Deze ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Omgevingswet is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 4, 5 en 6.
Getoetst is aan relevante omgevingsaspecten. Hieruit is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels en het beleid. Dit betekent dat het plan bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
Vergunningverlening kan plaatsvinden onder de voorwaarde dat: