direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Philippine, Braakmanweg 18
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel gelegen aan Braakmanweg 18 in Philippine bevindt zich Stichting de Arend. Dit is een non-profitorganisatie die verschillende zorgverlenende activiteiten verricht. Stichting de Arend is voornemens haar zorgverlenende activiteiten uit te breiden op de locatie van de leegstaande kippenschuur op het perceel. De oude schuur zal hiervoor worden gesloopt en op dezelfde plaats zal een nieuw gebouw komen. Het perceel is in het huidige bestemmingsplan bestemd ten behoeve van 'Recreatieve doeleinden'. Zowel de maatschappelijke functie als de bebouwing past niet binnen de regeling van het geldende bestemmingsplan 'Terneuzen Philippine' van de gemeente Terneuzen.

Om deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is onderhavig bestemmingsplan opgesteld wat hierin voorziet.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Braakmanweg 18, kadastraal bekend als Sas van Gent, Sectie S, nummer 134. Het plangebied omvat een perceel ten behoeve van 'recreatieve doeleinden' en is gelegen aan de rand van de kern Philippine. De grenzen van het plangebied worden gevormd door een bosrijk woongebied ten noorden en ten oosten van het plangebied. Ten zuiden bevindt zich het uitbreidingsplan Kanaalpark, waar nieuwbouwwoningen zijn gerealiseerd. Ten westen grenst het plangebied aan de Braakmanweg met aangrenzend het Philippinekanaal.

De situering van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0001.png"Figuur 1.1 - Situering plangebied (bron: luchtfoto kadaster Nederland)

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan 'Terneuzen Philippine' vastgesteld op 11 september 2008. Op basis van dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd voor 'Recreatieve doeleinden''. Ook gelden er de volgende maatvoeringsaanduidingen:

  • Maximaal bebouwingspercentage 5%
  • Maximum bouwhoogte 4m

Verder geldt een gebiedsaanduiding: Keur Waterschap.

Een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0002.png"

Figuur 1.2 - Geldende bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie en de juridische regeling. Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten behandeld, waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. In hoofdstuk 5 worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving

Dit hoofdstuk beschrijft de huidige en gewenste situatie in het plangebied. De gewenste

situatie is het uitgangspunt voor het goed te keuren bestemmingsplan en moet op een goede manier in de huidige situatie gepast worden.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied omvat een perceel bestemd voor recreatieve doeleinden dat momenteel wordt gebruikt voor zorgverlenende activiteiten door Stichting de Arend. Het plangebied is circa 9.900 m2 groot en is gelegen langs de rand van de kern Philippine. Op het perceel bevinden zich een woonhuis, een oude kippenschuur en een andere schuur die momenteel gebruikt wordt voor zorgverlenende (psychische, sociale en maatschappelijke zorg) activiteiten.

In figuur 2.1 is de topografische kaart weergegeven van het plangebied. Het kleinste gebouw aan de weg met nummer 18, is het woonhuis (figuur 2.2). Het grotere gebouw wordt momenteel gebruikt voor zorgvoorzieningen (figuur 2.3). Het langwerpige gebouw verder op het perceel is de oude kippenschuur. Dit is het gebouw dat plaats moet maken voor het nieuwe gebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0003.png"

Figuur 2.1 - Topografische kaart plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0004.png"

Figuur 2.2 - Woonhuis

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0005.png"Figuur 2.3 - Oude kippenschuur vanaf de Kanaalweide

Het plangebied is bestemd voor 'Recreatieve doeleinden'. De voor recreatieve doeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor sportterreinen, gebouwen ten behoeve van sportieve doeleinden en

speelterreinen. De realisatie van een gebouw ten behoeve van zorgvoorzieningen is niet inpasbaar in het huidige bestemmingsplan.

Het plangebied ligt aan de rand van de kern Philippine. Naast het uitbreidingsplan Kanaalpark, waar nieuwbouwwoningen zijn gerealiseerd. Hierdoor is de ruimtelijke kwaliteit hoog in de directe omgeving. De oude kippenschuur staat hierdoor in contrast met de omgeving van het plangebied.

De functionele kwaliteit van de omgeving betreft voornamelijk wonen, zoals zichtbaar in de uitsnede van het geldende bestemmingsplan (figuur 1.2). Verder wordt de Braakmanweg gebruikt door doorgaand verkeer en recreatie.

2.2 Beoogde situatie

De ontwikkeling bevat zowel een functiewijziging als het bouwen van een nieuw gebouw. De initiatiefnemer wil ter plaatse van de oude kippenschuur in het plangebied een nieuw gebouw ten behoeve van zorgvoorzieningen realiseren.

De zorgverlenende activiteiten bestaan uit psychosociale en maatschappelijke hulpverlening. De hulpverlening is erop gericht verstoringen in de wisselwerking van de persoon en zijn sociale en/of maatschappelijke omgeving op te lossen. Stichting de Arend biedt hulp aan mensen met problemen op psychisch, sociaal, of maatschappelijk gebied. Dit betreft hulp in de vorm van:

  • Pastorale zorg
  • Persoonlijke coaching en advies
  • Gezinsbegeleiding
  • Huwelijksbegeleiding
  • Seminars op het gebied van persoonlijke, geestelijke en sociale ontwikkeling

Hiervoor maakt de Stichting gebruik van de groene locatie aan de Braakmanweg 18. Middels een korte aaneengesloten intensieve aanpak middel gesprekken, coaching, persoonlijke en geestelijke ontwikkelingsstudies zijn hier velen ge-recreëert. Hierbij is het de bedoeling gedurende enkele nachten gasten kunnen overnachten.

Voor het uitbreiden van de zorgvoorzieningen is stichting de Arend voornemens een voormalige kippenschuur van 57x12,5m te renoveren. Hier ligt momenteel een asbestdak op en de huidige eigenaar wil deze saneren en het gebouw renoveren. De stichting wil hiervan een zorggebouw maken, waarbij de volgende renovaties worden uitgevoerd:

  • Gevels en dak worden gerenoveerd, en zonnepanelen worden geplaatst
  • 10 kamers waar gasten en families kort kunnen verblijven voor hulp en coaching
  • Een toilet/douche groep
  • Een ruimte voor therapie, gesprekken en seminars
  • Een keuken
  • Kantoorruimte
  • Gezamenlijke woonkamer
  • Parkeergelegenheid

Het gebouw wordt circa 56,7m lang en 12,1m diep. Daarbij wordt aan de voorzijde een uitbouw van circa 9,4m breed en 10,7m diep gerealiseerd. In bijlage 1 is het volledige inrichtingsplan opgenomen. Dit komt neer op circa 810m2 bvo.

Ten behoeve van de voorziening wordt tevens een parkeerterrein aangelegd. Deze bevindt zich direct achter het woonhuis en de schuur. De parkeervoorziening voorziet in 24 parkeerplaatsen.

Een overzicht van de toekomstige situatie is weergegeven in figuur 2.4 t/m 2.7.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0006.png"

Figuur 2.4 - Inrichtingstekening

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0007.png"

Figuur 2.5 - Overzichtstekening plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0008.png"

Figuur 2.6 - Vooraanzicht gebouw

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0009.png"

Figuur 2.7 - Vooraanzicht vanaf de parkeerplaats

De beoogde ontwikkeling is stedenbouwkundig goed in te passen in de huidige situatie. Een dergelijk modern gebouw kan namelijk goed worden ingepast aan de rand van een nieuwbouwwijk.

Alle ontwikkelingen vinden in het plangebied plaats, samenhangend met de ontwikkeling zijn geen ingrepen in de openbare ruimte nodig.

De beoogde ontwikkeling is ook functioneel goed in te passen. Het plangebied ligt aan de rand van de dorpskern. Maatschappelijke voorzieningen behoren tevens binnen de dorpskern. De beoogde maatschappelijke voorziening heeft geen prominente plek in het dorp, maar is gelegen aan de rand van het dorp. Verder wordt de ontwikkeling ruimtelijk passend gemaakt in relatie tot de omgeving.

2.3 Toelichting op de juridische regeling

2.3.1 Wettelijk kader

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.

Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de gemeentelijke standaardregels voor de bestemmingsplannen zijn van belang voor bestemmingsplannen.

2.3.2 Opzet van de bestemmingsregeling
2.3.2.1 Verbeelding

Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden.

Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. Op de analoge verbeelding worden de bestemmingen door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'M' voor 'Maatschappelijk'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd.

2.3.2.2 Regels

Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde.

  • In hoofdstuk 1 (Inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.
  • In hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.
  • Hoofdstuk 3 (Algemene regels) bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing).
  • Hoofdstuk 4 (Overgangs- en slotregels) ten slotte bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.

Ook bij de opstelling van een bestemming (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.

Verder is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.

Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels van andere bestemmingsplannen binnen de gemeente Terneuzen.

2.3.2.3 Gehanteerde bestemmingen

Artikel 3 Maatschappelijk

Zowel een deel van de bestaande bebouwing als de nieuwbouw wordt gebruikt voor hulp aan cliënten op psychisch, sociaal of maatschappelijk gebied. Hiervoor is een bestemming Maatschappelijk het meest passend. Deze bestemming is opgenomen voor het gehele plangebied.

De bestemming bedoeld voor gezondheidszorg, sociale en welzijnsvoorzieningen, daarbij horend kortdurend verblijf (maximaal een week) en praktijkruimten. De omvang daarvan is niet gemaximeerd.

Verder zijn binnen de bestemming de gebruikelijke bijbehorende voorzieningen toegestaan. In de praktijk zullen dit alleen verhardingen en groenvoorzieningen zijn.

Het bouwvlak is afgestemd op de bestaande en beoogde bebouwing. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. Binnen het bouwvlak zijn met aanduidingen de maximum goot- en bouwhoogten van het gebouw vastgelegd. Deze zijn afgestemd op de bestaande situatie en de beoogde nieuwbouw en passend in het bebouwingsbeeld van de omgeving.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De Nationale Omgevingsvisie, de novi, is de langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland flink veranderen.


Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.


Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.


In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.


Nationale belangen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.


De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.


Voor dit plan relevante nationale belangen zijn:

  • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
  • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.


Doorwerking plangebied

Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake de uitbreiding van een zorgvoorziening wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de nationale belangen.

Doorwerking plangebied

De ontwikkelingen binnen het plangebied raken geen rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor deze ruimtelijke onderbouwing.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, moeten worden getoetst aan artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet de behoefte worden beschreven. Bij stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnenstedelijk gerealiseerd kunnen worden.

Doorwerking plangebied

De eerste vraag bij de ladder voor duurzame verstedelijking is of de ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt als een ‘stedelijke ontwikkeling’. Of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie volgt dat ontwikkelingen groter dan 500 m² bvo worden aangemerkt als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het huidige bestemmingsplan voorziet niet in de planologische mogelijkheden voor de maatschappelijke functie. De beoogde bebouwing van het zorggebouw betreft meer dan 500 m². Dit betekent dat de ontwikkeling aangemerkt kan worden als ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ en getoetst moet worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

De tweede vraag die moet worden beantwoord, is of de locatie wordt beschouwd als bestaand stedelijk gebied. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt:

'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Het gebied heeft een stedelijke functie ten behoeve van recreatie en is omsloten door andere stedelijke functies zoals wonen en bedrijvigheid. Geconcludeerd wordt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied.

Beschrijving behoefte

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding van de activiteiten van Stichting de Arend. Stichting de Arend is een stichting die zich bezig houdt met psychosociale en maatschappelijke hulpverlening. Er wordt hulp verleend in de vorm van pastorale zorg, persoonlijke coaching en advies, gezinsbegeleiding, huwelijksbegeleiding en seminars op het gebied van persoonlijke, geestelijke en sociale ontwikkeling. De stichting is nu gevestigd aan de Braakmanweg 18 in Philippine. In het huis vinden gesprekken en coaching plaats en er is ook een logeergelegenheid.

Om meer hulp en ruimte te bieden in de vorm van coaching en seminars, is de Arend voornemens om de mogelijkheden daarvoor uit te breiden. In de huidige situatie staat op het terrein een kippenschuur die haar functie heeft verloren en niet wordt gebruikt. De plannen zijn om daarvan een 'zorggebouw' te maken. Daarin worden kamers gerealiseerd waar gasten en families kort kunnen verblijven voor hulp en coaching, met ook een ruimte voor therapie, gesprekken en coaching, keuken, kantoorruimte, gezamenlijke woonkamer en sanitair. Op deze manier kan de kwaliteit van de maatschappelijke functie van de stichting worden verbeterd en kunnen meer individuen, stellen en gezinnen geholpen worden.

Onderdeel van de uitbreiding en kwaliteitsverbetering van de maatschappelijke functie is:

  • Individuele hulp/coaching tot stabiliseren en/of herstellen van problemen.
  • Sociale hulp/coaching om isolatie, eenzaamheid en vervreemding te voorkomen.
  • Relationele hulp/coaching om relaties in de breedste zin op te bouwen of te herstellen.
  • Maatschappelijke hulp/coaching om op een gezonde wijze deel te nemen in de maatschappij.
  • Het geven van 2-daagse seminars voor kleine groepen met betrekking tot onderwijs op persoonlijk en geestelijk terrein.

De uitbreiding is dus gericht op kwaliteitsverbetering door het uitbreiden van de ruimte voor bestaande activiteiten, door ruimtes toe te voegen waar coaching gegeven kan worden en gesprekken plaats kunnen vinden, maar is ook gericht op het bieden van meer faciliteiten om de maatschappelijke functie te ondersteunen, zoals een woonkamer, sanitair en overnachtingsfunctie. Dit alles om beter te kunnen voorzien in de behoefte van hulpvragenden. In de omgeving van Philippine zijn geen andere voorzieningen voor maatschappelijke hulpverlening vanuit een christelijke inslag aanwezig, die kunnen voorzien in deze behoefte.

Vanuit het gemeentelijk beleid is er een behoefte aan het faciliteren van dergelijke vormen van maatschappelijke functies. De gemeente Terneuzen heeft in haar structuurvisie opgenomen dat zij inzet op een samenleving waar plaats is voor iedereen, waarin een bepaalde kwaliteit van leven aanwezig is en kansen worden geboden om mee te draaien in het sociaal-maatschappelijke leven, onafhankelijk van leeftijd, opleidingsniveau, afkomst, gezondheids- of inkomenssituatie.

De gemeente Terneuzen kiest er voor in elke kern minimaal één welzijnsaccommodatie of een qua functie daarmee vergelijkbare ontmoetingsruimte beschikbaar te hebben.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met de ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. De beoogde ontwikkeling betreft kwaliteitsverbetering en uitbreiding van de activiteiten van Stichting de Arend. De stichting breidt uit om zo meer faciliteiten te kunnen bieden aan hulpvragenden in de gemeente en de maatschappelijke functie te verbreden. Het is een uitbreiding van een bestaande functie, op de huidige locatie binnen het stedelijk gebied.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsplan Zeeland 2018

Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving. Het gaat over economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Het plan is integraal, maar ook compact. Het is voor het overgrote deel geen nieuw beleid. Wel flink opgeruimd en opnieuw ingericht op basis van vier grote strategische opgaven.

Het Omgevingsplan Zeeland 2018 is gebaseerd op de geldende wet- en regelgeving. Daarnaast houdt het Omgevingsplan Zeeland 2018 rekening met de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting in 2021 in werking treedt. Het Omgevingsplan is een overbruggingsplan. Het traject naar de Omgevingsvisie is gestart en dit zal nieuwe inzichten opleveren. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 biedt meer ruimte om per situatie of gebied passend beleid te voeren en zal indien nodig tussentijds worden gewijzigd aan de nieuwe inzichten. Het plan zal de transitie naar de Omgevingswet ondersteunen, niet belemmeren. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 blijft geldig tot vaststelling van de nieuwe Omgevingsvisie, naar verwachting in 2021.

De vier grote strategische opgaven zijn als volgt:

  • 1. Duurzame en concurrerende economie.
  • 2. Klimaatbestendige en –neutrale samenleving.
  • 3. Waardevolle leefomgeving.
  • 4. Toekomstbestendige, bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving.

Binnen de opgave van een duurzame en concurrerende economie is onder andere aandacht voor de voorzieningen in de provincie. Een betaalbaar, bereikbaar en divers voorzieningenniveau en toekomstbestendig voorzieningenstelsel voor alle bewoners, toeristen en bedrijven is essentieel. Het bieden van een goede kwaliteit van voorzieningen is daarbij belangrijker dan de fysieke nabijheid. Voor veel voorzieningen geldt dat bereikbaarheid organiseren samenhangt met het aantal mensen dat hiervan gebruik maakt. Een winkel, school, pinautomaat of bibliotheek kan alleen renderen in een omgeving met voldoende (potentiële) klanten.

Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling van functies en versterking van attractieve steden ziet de provincie de (binnenstedelijke) kernwinkelgebieden als primaire vestigingsplaats voor detailhandel. In kernen zonder kernwinkelgebied is ruimte voor lokale detailhandel en buiten bestaand bebouwd gebied zijn kleinschalige en aan het buitengebied gebonden vormen van detailhandel mogelijk. Vanwege de bijzondere combinatie van frequent bezoek en groot winkelvloeroppervlak kunnen supermarkten in of (indien noodzakelijk vanwege de omvang) aansluitend aan het kernwinkelgebied worden gevestigd.

Ook de vierde strategische opgave van de provincie Zeeland (een toekomstbestendige, bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving) is relevant voor de beoogde ontwikkeling.

In Zeeland is behoud en herontwikkeling van voorzieningen essentieel omdat de totale bevolkingsomvang daalt en de bevolking vergrijst. Het regionale schaalniveau wordt steeds belangrijker. Het stedelijk gebied en de omliggende dorpen en regio functioneren feitelijk als één geheel. Voor steden en kernen leidt dit tot veel verschillende opgaven: verduurzaming en verbetering van de bestaande gebouwen, de verdichting van de stad voor verdere verduurzaming, het accommoderen van de vraag naar meer stedelijke woonvormen, het op peil houden van het voorzieningenniveau, de daarmee samenhangende noodzakelijke aanpak van de straten en openbare ruimte en transformatie van leegstaande gebieden en gebouwen, inclusief cultureel erfgoed.

Doorwerking plangebied

Met de beoogde ontwikkeling van de uitbreiding van zorgvoorzieningen wordt invulling gegeven aan verschillende provinciale belangen. Voor Zeeland is het behoud en de herontwikkeling van voorzieningen belangrijk, gelet op de demografische ontwikkelingen. De uitbreiding van zorgvoorzieningen in de Philippine is dan ook een ontwikkeling waar vraag naar is, dit is af te leiden aan het aantal cliënten die Stichting de Arend afgelopen jaren heeft verzorgd. De beoogde ontwikkeling is in overeenstemming met het omgevingsplan Zeeland.

3.2.2 Provinciale omgevingsverordening (2018)

Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies.

Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.

Doorwerking plangebied

De provinciale omgevingsverordening schrijft geen regels of beperkingen voor voor het plangebied. De ontwikkeling is in overeenstemming met de omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Terneuzen 2025 (2010)

Op 16 december 2010 is de Structuurvisie Terneuzen vastgesteld. In de structuurvisie Terneuzen wordt op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Terneuzen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2025. De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. Voor het gemeentebestuur is de structuurvisie een belangrijk kader voor de afweging van concrete ruimtelijke beslissingen en voor de inzet daartoe van uitvoeringsinstrumenten, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, het beschikbaar stellen van financiële middelen en het sluiten van (bestuurs)overeenkomsten. De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop het gemeentebestuur zich voorstelt de voorgenomen ontwikkeling te doen verwezenlijken.

De gemeente Terneuzen zet in op een samenleving waar plaats is voor iedereen, waarin een bepaalde kwaliteit van leven aanwezig is en kansen worden geboden om mee te draaien in het sociaal-maatschappelijke leven, onafhankelijk van leeftijd, opleidingsniveau, afkomst, gezondheids- of inkomenssituatie. Voor kwetsbare groepen, zoals bijvoorbeeld mensen met een lichamelijke of geestelijke beperking, zijn daarvoor soms extra inspanningen nodig. Dat vraagt om een eigen verantwoordelijkheid van inwoners én om alertheid van de gemeentelijke overheid en van maatschappelijke instanties

In de gemeente Terneuzen is een aantal voorzieningen voor maatschappelijke opvang gevestigd. De meeste van deze voorzieningen hebben eveneens een regionale functie. In de stad Terneuzen is de dagen nachtopvang voor dak- en thuislozen gevestigd, alsmede een hostel voor psychiatrische patiënten met verslavingsproblematiek. Ook wordt er vanuit het ziekenhuis De Honte methadon verstrekt aan drugsverslaafden. In Sas van Gent is er een crisisopvangcentrum. De gemeente Terneuzen werkt voorts mee aan een voorziening voor begeleid wonen van jongeren die nog niet weerbaar genoeg zijn om zelfstandig te wonen, maar al wel uit hun ouderlijk huis weg zijn (kamers met kansen).

Doorwerking plangebied

Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de beleidsdoelstelling ten aanzien van voorzieningen. De uitbreiding van de zorgvoorzieningen aan de Braakmanweg zal leiden tot meer voorzieningen ten aanzien van zorg en voor meer ruimtelijke kwaliteit, doordat een oude kippenschuur plaats maakt voor een modern gebouw. Aan het aantal cliënten van Stichting de Arend van de afgelopen jaren is af te leiden dat vraag is naar deze vorm van zorg. De ontwikkeling is in overeenstemming met de structuurvisie.

3.3.2 Bodembeleid gemeente Terneuzen

De gemeente Terneuzen heeft bodembeleid opgesteld en uitgewerkt in de Nota Bodembeheer en de Bodemkwaliteitskaart. Hierin is beschreven hoe wordt omgegaan met grondverzet. Door gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaart is bodemonderzoek in veel gevallen niet nodig. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de grond. In de nota bodembeheer is vastgelegd dat binnen en tussen welke zones vrij grondverzet mogelijk is. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat het projectgebied valt binnen de aanduiding ''C2: Woonwijken (Sasse Poort)''. Hiervan is de kwaliteitsklasse van de bovengrond (0-0,5 m -mv) van de kwaliteitsklasse 'industrie'. Dit is onvoldoende voor de realisatie van gevoelige functies zoals woningen. De kwaliteitsklasse van de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) is daarentegen wel van de kwaliteitsklasse wonen.

Toetsing

Uit het gemeentelijk beleid blijkt dat meer bodemonderzoek nodig is voor de realisatie van gevoelige functies in het gebied. Hier wordt bij het omgevingsaspect 'bodem' (paragraaf 4.3) verder op ingegaan.

3.3.3 Parkeernota 2015-2020 - Gemeente Terneuzen

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd is de Parkeernota 2015-2020. Op 22 april 2020 heeft de raad een actualisatie van de bijbehorende parkeernormen vastgesteld. Voor nieuwe ontwikkelingen dient, conform het bouwbesluit, de ontwikkeling te voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Het mogelijk maken van nieuwe functies leidt tot een toename van de parkeerbehoefte, indien hier niet in wordt voorzien, zal de parkeerdruk op de openbare weg toenemen, dit is niet wenselijk. Uitgangspunt hierbij is:

  • Zoveel mogelijk parkeren op eigen terrein
  • Inventariseren huidige parkeersituatie: Hiervoor dient de huidige situatie in beeld te worden gebracht door middel van parkeertellingen, zodat leegstand wordt voorkomen.
  • Parkeren faciliteren voor bezoekers
  • Maximale loopafstanden volgens zowel bestaande als nieuwe parkeerplaatsen volgens de maximale acceptabele loopafstanden voor verschillende functies (figuur 3.1)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0010.png"

Figuur 3.1 - Maximale loopafstand per functie (bron: CROW)

Voor het berekenen van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de parkeerkencijfers van het CROW (publicatie 182). Hierbij wordt de behoefte berekend op basis van de stedelijkheidsgraad, minimale of maximale kencijfers en de locatie. Met een inwonersaantal van circa 25.000 in de kern Terneuzen, behoort het tot de klasse 'weinig stedelijk'. Door de decentrale ligging van het centrum hanteert de gemeente Terneuzen niet minimale en maximale waarden van parkeerbehoefte, maar nemen hier het gemiddelde van. De locatie aan de Braakmanlaan in Philipine hoort volgens de Parkeernota tot 'rest bebouwde kom'.


Toetsing

De parkeernota en de bijbehorende parkeernormen worden toegepast in paragraaf 4.2 Verkeer en Parkeren.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie

sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de

relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere

sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie, ecologie).

4.1 Milieueffectrapportage

Beleid en normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten

Onderzoek en conclusie

De onderhavige ontwikkeling is qua aard en omvang zodanig dat de drempelwaarden In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Hiervoor is een aanmeldnotitie geschreven die door het college van B&W is goedgekeurd. De aanmeldnotitie is bijgevoegd in bijlage 2 van deze toelichting.

4.2 Verkeer en parkeren

Normstelling

De verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte is gebaseerd op CROW publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" uit 2012. De kencijfers uit deze publicatie worden gespecificeerd op basis van het type functie en de ligging van de functie. Er wordt uitgegaan van de maximale kencijfers van het CROW om zo een 'worst case' scenario door te rekenen.

Voor de realisatie van de zorgvoorziening met een oppervlakte van circa 810 m2 is uitgegaan van CROW aanduiding rest bebouwde kom

Ontsluiting

Voor het aspect verkeer is het van belang dat wordt voorzien in een goede ontsluiting van het plangebied.

 

Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Braakmanweg. Vanaf hier is via de Kanaalpolderweg - Van Wuijckhuiseweg - Mauritsfort de Hoofdweg N61 bereikbaar. Vanaf hier is de rest van Zeeuws Vlaanderen en Nederland bereikbaar.

Onderzoek verkeersgeneratie

De verkeersgeneratie is berekend op basis van CROW publicatie 381: Uitgegaan voor de verkeersgeneratie wordt van worst-case maximale kencijfers rest bebouwde kom, weinig stedelijk. De huidige bestemming 'recreatieve doeleinden' wordt nu niet uitgevoerd dus dit genereert ook geen verkeer. In de nieuwe situatie waarbij de kippenstal wordt getransformeerd tot 10 verblijfseenheden en een ruimte waar een seminar kan worden gegeven van 150m2.

De zorg is voor mensen met problemen op psychisch, sociaal, of maatschappelijk gebied. Verblijf is uitsluitend kortdurend. Daarom is (worstcase)uitgegaan van de verkeersgeneratie van kamerverhuur zelfstandige. Verkeersgeneratie zorgwoningen aantal 10 x 2,4 (per woning) = 24 mvt/etmaal weekdag omgerekend naar werkdag (x1,11)= 27mvt/etmaal maximaal.  

Ruimte voor Seminar 150 m2 bvo (uitgaande van 12 seminars per jaar):

De ruimte voor Seminar is niet alleen bedoeld voor de cliënten en vrij toegankelijk. Voor dit soort ruimtes zijn geen kencijfers bekend. Hiervoor wordt worst-case aangesloten bij het kencijfer buurtcentrum.

Verkeersgeneratie seminar: 1,5x79,4= 120mvt/etmaal gemiddelde weekdag. Op jaarbasis voor 12 seminars bedraagt de verkeersgeneratie (120/365)*12= 4mvt/etmaal

Totaal is de verkeerstoename maximaal 31 mvt/etmaal. De verschillende verkeersontsluitende wegen hebben voldoende capaciteit om deze beperkte toename op te kunnen vangen.

Onderzoek parkeren

Voor parkeren is het van belang dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de Parkeernota 2015-2020 van de gemeente Terneuzen. Voor nieuwe ontwikkelingen dient, conform bouwbesluit, de ontwikkeling te voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Met de bouw van nieuwe functies zal de vraag naar parkeerplaatsen toenemen. Op het moment dat hierin niet wordt voorzien zal de parkeerdruk op de openbare weg in het betreffende gebied toenemen. Uitgangspunt hierbij is:

  • Zoveel mogelijk parkeren op eigen terrein;
  • Inventariseren huidige parkeersituatie. Als uitgangspunt voor het berekenen van de parkeerbehoefte dient eerst de huidige situatie in beeld te worden gebracht door middel van parkeertellingen. Zo wordt voorkomen dat er parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor leegstand;
  • Parkeren faciliteren voor bezoekers;
  • Maximale loopafstand. Voor zowel bestaande als nieuwe parkeerplaatsen gelden maximale acceptabele loopafstanden voor de verschillende functies (paragraaf 3.3.3).

Voor een functie als onderliggende maatschappelijke functie zijn geen kencijfers bekend. Per behandelkamer wordt daarom uitgegaan van 1 parkeerplaats. In totaal betekent dit 10 parkeerplaatsen.

Voor de seminarruimte wordt uitgegaan van een 'buurthuis'. Met een oppervlakte van 150m2 geldt hiervoor een parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen.

Hierdoor bedraagt de totale parkeerbehoefte in het plangebied 16 parkeerplaatsen.

Het beoogde terrein bevat voldoende ruimte om in deze behoefte te voorzien en is weergegeven in de inrichtingstekening in paragraaf 2.2.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren staat, na realisatie van de benodigde parkeergelegenheid, de ontwikkeling niet in de weg.

4.3 Bodemkwaliteit

Beleid en normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd.

Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen.

Onderzoek bodemkwaliteit

Bij de geplande werkzaamheden in het plangebied is sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik en/of is de bebouwde oppervlakte groter dan 50 m2. Hierdoor is onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk.

Verkennend bodemonderzoek

Om een goed en compleet beeld te krijgen van de actuele bodemkwaliteit binnen het plangebied is een verkennend bodemonderzoek (Econsultancy, rapport 15321.001, d.d. 11-10-2021) verricht. Het volledig bodemonderzoek is weergegeven in bijlage 3. Tijdens het bodemonderzoek zijn in de bodem asbestverdachte materialen aangetroffen ter plaatse van twee boringen. In de grondmengmonsters is asbest aangetoond, het asbestgehalte van een van de boorgaten is boven het criterium voor nader onderzoek aangetroffen. Deze locaties bevinden zich rondom de schuur. Daarnaast zijn de PAK en PCB verontreinigingen aangetoond ter plaatse van een boring naast de voormalige kippenschuur en aangrenzend aan de te behouden schuur.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek.

Nader bodemonderzoek (bijlage 4)

Uit het nader bodemonderzoek blijkt dat in de gronden tussen de beoogde bebouwing en de te behouden schuur op twee locaties verontreiniging met PAK is aangetroffen. Daarnaast is in de gronden grenzend aan de te behouden schuur een asbesthoudende puinlaag aangetroffen.

Econsultancy adviseert om bij graafwerkzaamheden ter plaatse van de matige tot sterke verontreinigingen met PAK de locatie onder milieukundige begeleiding te saneren door een door de bevoegde overheid goedgekeurd plan van aanpak. Bij ongewijzigd gebruik van de locatie en het in standhouden van de bebouwing zullen de aangetoonde verontreinigingen hoogstwaarschijnlijk niet tot gebruiksbeperkingen leiden. Econsultancy adviseert de asbesthoudende puinlaag te saneren conform het Besluit asbestwegen. Dit kan door het, onder milieukundige begeleiding, verwijderen van de asbesthoudende puinlaag of door het afdekken daarvan met een zandlaag of duurzame verhardingslaag. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit Bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.

Algemeen

Indien er bij de werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Alle vrijkomende grond wordt echter in het plangebied hergebruikt.

Conclusie

Er vinden in eerste instantie geen graafwerkzaamheden plaats ter plaatse van de matige tot sterke verontreinigingen. Indien dit wel het geval is wordt de locatie wordt onder milieukundige begeleiding gesaneerd door een door de bevoegde overheid goedgekeurd plan van aanpak.

4.4 Watertoets

Toetsingskader

Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder.

Toetsing

Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een Aanmeldformulier Watertoets gebruikt. Het ingevulde aanmeldformulier, waarin de hiervoor genoemde aspecten zijn verwerkt, is opgenomen in bijlage 5. Het conceptplan en het aanmeldformulier zijn toegezonden aan het waterschap en met deze instantie besproken. De ontwikkeling betekent een toevoeging van verhard oppervlak, waardoor een verplichting tot aanleg van waterberging ontstaat. Naar aanleiding hiervan zijn afspraken gemaakt over de waterberging.

De resultaten van het overleg met het waterschap zijn verwerkt in het aanmeldformulier en in het plan.

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro ) bepaalt dat bij ruimtelijke plannen zoals deze rekening gehouden dient te worden met de waterhuishouding. Middels het uitvoeren van een Watertoets worden alle relevante zaken met betrekking tot de waterhuishouding afgestemd en besproken met de waterbeheerder(s).

Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.5 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden, gemengde gebieden en rustige buitengebieden.

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woningen. Het plangebied is daarom te kenmerken als een rustige woonwijk.

De milieucategorie voor deze bedrijfshinderveroorzakende functie betreft categorie 2. In een rustige woonwijk gelden hierbij richtafstanden voor geluid, geur en stof van respectievelijk 30, 0 en 0 meter. De dichtstbij gelegen bedrijfshindergevoelige functie betreffen de woningen ten zuiden van het plangebied en de woning te noordoosten van het plangebied. Deze grenzen direct aan de bestemming van het plangebied.

De afstand van de grens van het plangebied tot het woonhuis ten noordoosten bedraagt 25 meter. De afstand van de grens van het plangebied tot het dichtst bijgelegen woonhuis betreft 5 meter. Hierdoor blijkt dat er mogelijk overlast veroorzaakt wordt door bedrijven in de omgeving. Het betreft overlast van geluid door de zorgvoorziening. Om geluidoverlast te voorkomen wordt het gebouw de andere kant op georiënteerd, dus richting het plangebied. Omdat geluidsoverlast vaak plaatsvindt rondom de in -en uitgang van het gebouw. Daarbij worden aan de achterkant geen ramen gerealiseerd, zoals weergegeven in figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0011.png"

Figuur 4.1 - Oriëntatie gebouw

Naast hinder van de voorziening op omliggende woningen, dient ook de hinder van omliggende bedrijven op het zorgcentrum beschouwd te worden. Zo ligt er ten noorden aan de Kanaalpolderweg 1 een agrarisch bedrijf. Hiervoor geldt en richtafstand van 30 meter, de werkelijke afstand bedraagt minimaal 150m. Ten noordoosten ligt een bedrijfsbestemming voor categorie 2 bedrijven, in dit geval betreft het een bouwbedrijf. Hiervoor geldt een richtafstand van 30m, de werkelijke afstand bedraagt minimaal 85m. De omliggende bedrijven worden hierdoor niet beperkt in hun bedrijfsvoering.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt, met in achtneming van de genoemde aandachtspunten, geen belemmering voor het project.

4.6 (Spoor)wegverkeerslawaai

Beleid en normstelling

De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor.

Onderzoek

Binnen het plangebied wordt de ontwikkeling van een gebouw ten behoeve zorgvoorzieningen mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) betreft deze ontwikkeling geen realisatie van van geluidsgevoelige functie(s) en dient derhalve geen akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Conclusies

Het (spoor)wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.7 Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling

Wet Milieubeheer

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang.

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de

concentratie in de buitenlucht.

NIBM

In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10)

Onderzoek Wet Milieubeheer

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de Hoofdweg (N61) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Ter plaatse van het plangebied geldt een gemiddelde concentratie van 16,21 ug/m3 voor stikstofdioxide en 17,04 ug/m3 voor fijn stof (PM10). In figuur 4.2 is een uitsnede van de NSL-monitoringstool weergegeven. Hierin zijn zowel de gemeten waarden weergegeven als de ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het meetpunt (rood omcirkeld).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0012.png"

Figuur 4.2 - NSL monitoringstool

Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Onderzoek NIBM

De ontwikkeling maakt de realisatie van een gebouw ten behoeve van zorgvoorzieningen mogelijk. Deze ontwikkeling is dusdanig van omvang dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een verkeersaantrekkende werking zorgt. Deze verkeersaantrekkende werking is bepaald in de verkeersparagraaf. Het effect op de luchtkwaliteit is vervolgens met de NIBM rekentool bepaald in figuur 4.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0013.png"

Figuur 4.3 - NIBM-tool

De uitkomst van de NIBM-tool laat zien dat de ontwikkeling binnen het plangebied niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het plan is derhalve uitvoerbaar voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit.

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.8 Archeologie

Toetsingskader

Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

Gemeentelijk archeologiebeleid

Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan of beheersverordening) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld. In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling voor archeologie verleend tot 100 m2 voor de zogenaamde kruimelgevallen.

Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen, ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd.

Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als:

  • het gebied niet wordt vermeld op de Archeologische Monumentenkaart (AMK),
  • volgens de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) een zeer lage of lage trefkans heeft (op eventuele waarden tot 1,2 meter beneden het maaiveld),
  • in de nationale digitale database ARCHIS en het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) geen gegevens zijn geregistreerd, danwel alleen gegevens die duiden op een lage waarde
  • er volgens de Geologische kaart Van Rummelen sprake is van de geologische formatie Duinkerke III.

Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Voor de duidelijkheid is dit schema ook opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. Ook als er wel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is niet altijd archeologisch onderzoek nodig. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend.

Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld.

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing.

Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoeks(rapport). De vrijstellingenkaart wordt in bestemmingsplannen gekoppeld aan archeologische dubbelbestemmingen. De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd.

Het archeologiebeleid is inmiddels in alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen verwerkt, zo ook in het bestemmingsplan 'Terneuzen Phillipine'. In de plannen en verordeningen is, voor zover dat op grond van dat beleid nodig is, een regeling ter bescherming van mogelijk aanwezige verwachtingswaarden opgenomen waaraan een nieuwe bouwactiviteit met bodemverstorende werkzaamheden moeten worden getoetst.

Onderzoek

In de bestemmingsplannen wordt doorgaans een diepte van ten hoogste 0,5 meter beneden het maaiveld gehanteerd waarvoor het verlenen van een omgevingsvergunning (voor het bouwen en voor grond- en sloopwerkzaamheden) vrijgesteld is van het opstellen van een onderzoeks(rapport). Hierna wordt beoordeeld of in het bestemmingsplan een regeling (onderzoeksplicht en vergunningstelsel) moet worden opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt.

1. De Archeologische Monumentenkaart (AMK)

Binnen de grenzen van het plangebied bevinden zich volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) (figuur 4.4) geen terreinen met een vastgestelde archeologische waarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0014.png"

Figuur 4.4 - Archeologische Monumentenkaart (AMK)

2. De Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW):

Op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) is het onderzoeksgebied gelegen in een zone die wordt gekenmerkt door een zeer lage trefkans voor het aantreffen van archeologische waarden (zie figuur 4.5).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0015.png"

Figuur 4.5 - Indicatieve Kaart Archeologische Waarden

3. ARCHIS & Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) :

ARCHIS is het Archeologisch informatiesysteem. In Archis 3.0, de nationale database voor vindplaatsen in Nederland, worden binnen het plangebied geen waarnemingen vermeld. In de ruimere omgeving zijn wel enkele vindplaatsen bekend.

In het Zeeuws Archeologische Archief (ZAA) berusten de verslagen van alle in het verleden

in Zeeland uitgevoerde bodemonderzoeken, gegevens over losse vondsten en dergelijke. Dit

archief geeft een indicatie van de vondsten die in het verleden gedaan zijn. Veel of belangrijke

vondsten geven een hogere archeologische verwachtingswaarde. Uit navraag bij het ZAA blijkt dat rondom het plangebied weinig archeologische vondsten zijn gedaan.

4. Geologie

Aan de hand van de geologische kaart kan nagegaan worden welke geologische, voor de archeologie relevante, bodemlagen aanwezig zijn, waaronder:

  • Pleistoceen: vanaf de Steentijd;
  • Hollandveen: vanaf de IJzertijd en Romeinse tijd;
  • Duinkerke II, inclusief ‘oudere afzettingen van Duinkerke’: vanaf de Middeleeuwen;
  • Duinkerke III; vanaf de Nieuwe Tijd.

In de gemeente Terneuzen kunnen archeologische resten in de bodem voorkomen tot in de Pleistocene afzettingen. Op de geologische kaart (figuur 4.6) blijkt dat er verschillende afzettingen van Duinkerke aanwezig zijn:

  • Do.3b 'Kreekafzettingen van Duinkerke DIIIb'

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0016.png"Figuur 4.6 - Geologische kaart Van Rummelen

Voor de Kreekafzettingen van Duinkerke DIIIb' (geologische laag Do.3b) geldt geen onderzoeksplicht. Aangezien het gaat om kreekafzettingen, is er een grote kans dat mogelijk in het verleden daar aanwezige resten zijn verdwenen.

Vrijstellingenkaart

De algemene vrijstelling voor archeologie waaronder werkzaamheden tot 100m2 en minder dan 0,5m diep is niet van toepassing op dit ruimtelijk plan. In figuur 4.7 is de archeologische vrijstellingenkaart weergegeven, met daarin het plangebied rood omlijnd. Op basis van deze kaart blijkt dan ook dat er ruimere vrijstellingsdiepten van meer dan 4 meter onder maaiveld van toepassing zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0017.png"

Figuur 4.7 - Vrijstellingenkaart gemeente Terneuzen 2017

Conclusie

In het bestemmingsplan is geen regeling nodig die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. Allereerst omdat het kreekafzettingen betreft, waarbij de kans groot is dat in het verleden aanwezige resten zijn verdwenen. Daarbij komt dat de vrijstellingsdiepte groter dan 4m diep is, terwijl in veel plannen niet dermate diep of met zoveel heipalen wordt gebouwd.

4.9 Cultuurhistorie

Beleid en normstelling

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden.

Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Hiermee is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Naast archeologie moet ook het aspect historische bouw worden opgenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Handreiking landschap

De gemeente Terneuzen heeft samen met de gemeenten Sluis en Hulst de Handreiking Landschap Provincie Zeeland opgesteld. Hierin is van relevante cultuurhistorische elementen en objecten beschreven hoe bepalend en leesbaar ze zijn, op welk bestuurlijk niveau en met welk planologisch instrument regulering plaats zal vinden en welke strategie eraan gekoppeld kan worden. De Handreiking Landschap noemt vier strategieën die gekoppeld kunnen worden aan cultuurhistorische elementen en objecten:

    • a. Behoud: hierbij gaat het voornamelijk om monumentale objecten met landschapshistorische waarde (molens, vliedberg e.d.), alsmede de landschapsreservaten en delen van het landschap met zeer hoge mate van bepaaldheid en gaafheid;
    • b. Behoud ruimtelijke karakteristiek: conservering van de bestaande ruimtelijke kenmerken van het landschap staat voorop. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan die deze ruimtelijkheid veranderen. Het gebied hoeft echter niet bij voorbaat zijn huidige functie te behouden. Deze strategie komt in Terneuzen in de praktijk niet voor;
    • c. Behoud door ontwikkeling: de bestaande landschapsstructuur en mate van verdichting is richtinggevend voor mogelijk veranderingen. De veranderingen moeten passen in de structuur. Verandering van functie is nadrukkelijk een optie. De mate waarin veranderingen optreden kan per gebied verschillend zijn. Nadere afweging is hierbij noodzakelijk;
    • d. Vernieuwing: de bestaande landschapsstructuur verandert ingrijpend. Functies veranderen. De veranderingen zijn echter passend binnen het DNA van het betreffende gebied.

Onderzoek

De strategieën uit de structuurvisie zijn samengevat in 3 hoofdstrategieën: Behoud, Behoud door ontwikkeling en Vernieuwing mogelijk. In de figuren 4.8 t/m 4.10 zijn deze kaartbladen weergegeven, tevens is het plangebied in elke figuur rood omcirkeld.

Behouden

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0018.png"Figuur 4.8 -Kaartblad 'Behouden'

Het gebied is aangeduid als gebied dat behouden moet worden. Het plangebied betreft momenteel een oude boerderij. Door het realiseren van een zorggebouw veranderd het enigszins van functie, daartegenover staat dat een oude boerderij niet in verval raakt en ingeruild wordt voor een nieuw complex. In stedenbouwkundig opzicht is dit wenselijk.

Behoud door ontwikkeling

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0019.png"Figuur 4.9 - Kaartblad 'Behoud door ontwikkeling'

Het gebied is hierin aangeduid als (smal)stad. Daarnaast is ook de dijkbeplanting van belang. Deze kenmerken worden met het planvoornemen niet beïnvloedt.

Vernieuwing mogelijk

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0020.png"Figuur 4.10 - Kaartblad 'Vernieuwing mogelijk'

In het kaartblad vernieuwing mogelijk is voor het plangebied geen strategie opgenomen. Hierdoor is er geen noodzaak voor ontwikkeling waardoor alles mogelijk blijft.

Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Zeeland

Het perceel is aangewezen als historische boerderij op de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland. De schuur aan de westzijde van het perceel is gewaardeerd met A (hoge waarde en nauwelijks aangetast, nader onderzoek wordt aanbevolen). De gevels van de schuur bevatten steunberen met terugliggend velden metselwerk. In deze velden bevinden zich de oorspronkelijke betonnen vensters. Op het dak bevinden zich opvallend grote ontluchtingskokers. De schuur heeft een smalle en lange vorm. Voor zijn bouwtijd is de schuur zeldzaam en bevindt zich in een behoorlijk authentieke staat. Deze schuur blijft behouden in de beoogde ontwikkeling.

Daarnaast zijn het erf en de ensemble beoordeeld met waardering B (minder grote waarde vanwege aantasting, maar nog wel herstelbaar, niet voor nader onderzoek aanbevolen). Het erf en de ensemble blijven qua inrichting grotendeels gelijk. De oude varkensstal zonder cultuurhistorische waarde wordt gesloopt en komt een modern gebouw voor in de plaats. De cultuurhistorische bebouwing en inrichting van het erf blijven gehandhaafd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0021.png"

Figuur 4.11 - Luchtfoto 1959 met aanduiding cultuurhistorische boerderij.

Conclusie

Het geplande ontwikkeling is in overeenstemming met de cultuurhistorische waardenkaarten en heeft derhalve geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.10 Ecologie

Beleid en normstelling

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden 

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied niet gelegen binnen Natuur Netwerk Nederland. Het plangebied grenst echter wel aan Natuur Netwerk Nederland; namelijk ten westen langs het Philippinekanaal en ten oosten langs de Vergaertdijk. Natuur Netwerk Nederland heeft geen externe werking, waardoor dit geen beperkingen oplevert voor het plangebied. In figuur 4.8 is het plangebied ten opzicht van Natuur Netwerk Nederland weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0022.png"

Figuur 4.8 - Natuur Netwerk Nederland (Grijs) ten opzichte van het plangebied (rood omkaderd)

Het plangebied is niet gelegen in Natura 2000-gebied. De dichtst bijzijnde Natura-2000 gebieden zijn:

  • Polders (België) op circa 2,1km ten zuiden (figuur 4.9)
  • Canisvliet op circa 7,3 km ten zuidoosten (figuur 4.9)
  • Westerschelde & Saeftinghe op circa 6,9km ten noorden (figuur 4.9)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPPHP13-VG01_0023.jpg"

Figuur 4.9 - Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS calculator)

Effecten als areaalverlies en verstoring door onderliggende ontwikkeling zijn op deze afstand uit te sluiten. Effecten als vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn op dergelijke afstand niet op voorhand uit te sluiten, daarom is een stikstofberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebied. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De stikstofberekening is opgenomen in bijlage 7.

Soortenbescherming

De ontwikkeling voorziet in de renovatie van de oude kippenschuur tot zorggebouw. Hiervoor worden de volgende werkzaamheden, die mogelijk soorten kunnen verstoren, uitgevoerd:

  • verwijdering van begroeiing;
  • bouwrijp maken;
  • sloopwerkzaamheden;
  • bouwwerkzaamheden;

Bij de voorbereiding van de ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet Natuurbescherming (Wnb) de geplande ontwikkeling niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet Natuurbescherming zal kunnen worden verkregen.

Bij de voorbereiding van de ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet Natuurbescherming (Wnb) de geplande ontwikkeling niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet Natuurbescherming zal kunnen worden verkregen.

Om te achterhalen welke beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn is een ecologische onderzoek uitgevoerd (bijlage 8).

Uit het verkennend ecologisch onderzoek is gebleken dat nader onderzoek nodig is voor de volgende soorten en gebieden

  • Vleermuizen: zie Tabel 2 van het rapport voor de soorten en functies. Dit onderzoek dient globaal plaats te vinden tussen half mei en half oktober volgens het Vleermuisprotocol 2021. Er zijn onder andere veldbezoeken benodigd in het voorjaar en najaar. Voor iedere soort waarvoor de Wet Natuurbescherming en/of het natuurbeleid van de provincie (mogelijk) wordt overtreden, wordt hieronder de vervolgstap beschreven.
  • Bunzing en steenmarter: indien niet aan de maatregelen in paragraaf 5.1.3. van het rapport kan worden voldaan is nader onderzoek naar deze soorten niet nodig. Aan deze maatregelen is reeds voldaan.

Verder dienen maatregelen te worden genomen voor het vestigen van:

  • Vogels zonder jaarrond beschermd nest
  • Hermelijn en wezel

Nader onderzoek

Uit het nader onderzoek naar vleermuizen (bijlage 9) is gebleken dat er geen verblijfplaatsen van of andere essentiële waarden voor vleermuizen zijn vastgesteld binnen het projectgebied, waardoor een negatief effect op vleermuizen is uitgesloten. Daarnaast zijn er geen verblijfplaatsen of sporen van marters aanwezig in de schuur. Een negatief effect op marters door de sloop van de schuur en de kap van hooguit enkele bomen heeft geen negatief effect op marters. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

Conclusie

Het aspect ecologie staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.11 Kabels en leidingen

Beleid en normstelling

Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden.

Onderzoek

In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen leidingen die onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen vallen of hoogspanningskabels van 50 kV en hoger. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

Conclusie

De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.12 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek

Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van twee inrichtingen, Oiltanking Terneuzen en Bertschi B.V. Het maatgevende scenario voor deze inrichtingen betreft het vrijkomen van giftige stoffen. Het plangebied is echter niet gelegen binnen een PR 10-6 contour van het plaatsgebonden risico van een risicobron. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor, de weg, het water of door buisleidingen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen.

Inspraak en overleg

De geplande ontwikkeling is gedeeld met de verschillende stakeholders door middel van het informeren van omwonenden. Daarnaast zijn de vooroverleg partners geïnformeerd.

De Provincie Zeeland heeft opgemerkt dat aanvullend onderzoek ecologie nog niet is uitgevoerd en dus nog niet is beoordeeld.

Zienswijze

Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Er zijn geen zienswijzen ontvangen.

Veiligheidsregio Zeeland, heeft aandacht gevraagd voor de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van twee inrichtingen, Oiltanking Terneuzen en Bertschi B.V., de toelichting is hierop aangevuld. De Veiligheidsregio geeft daarnaast een aantal adviezen voor de uitvoering. De reactie is opgenomen in bijlage 10.

Provincie Zeeland heeft aangegeven geen zienswijze in te dienen, maar geeft aan dat de stikstofberekening n.a.v. het beschikbaar komen van de nieuwe AERIUS-rekentool, geupdate dient te worden .

Vaststelling

Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraaks van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de zorgvoorziening. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht.

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is als 'bouwplan' aangemerkt.

Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd.