direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Mortiere Fase 6b
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0687.BPUMORF6B-VG02

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Om de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk in Middelburg mogelijk te maken, heeft de gemeente Middelburg op 7 juli 2003 het bestemmingsplan Mortiere vastgesteld.

Bestemmingsplannen dienden verplicht iedere 10 jaar te worden geactualiseerd, echter is door de komst van de Omgevingswet de actualiseringsplicht komen te vervallen. Op 25 juni 2013 is vervolgens bestemmingsplan 'Mortiere' vastgesteld en dit verving het bestemmingsplan Mortiere (2003) en alle vastgestelde uitwerkingsplannen.

In dit actualiseringsplan is de 'Wonen - Uit te werken bestemming' voor het westelijke middendeel van het woongebied opgenomen, omdat de concrete invulling van dit deel van de wijk nog niet duidelijk was. Binnen deze uit te werken bestemming mogen de woningtypes, zoals die opgenomen zijn in de bestemming Wonen, worden gebouwd.

Voor de 'Wonen - Uit te werken bestemming' wordt voor de bouw- en gebruiksregels en de afwijkingsmogelijkheden en nadere eisen aangesloten op de bestemming Wonen.

In het bestemmingsplan is de hoofdontsluiting in de regels bepaald (lusvormig) en om te voorkomen dat er in de toekomst een parkeerproblematiek ontstaat, zijn in de uitwerkingsregels parkeernormen opgenomen.

Dit uitwerkingsplan heeft betrekking op het plangebied aangeduid in de afbeelding in paragraaf 1.2. Per deelgebied/fase van Mortiere wordt een apart uitwerkingsplan opgesteld. Voor de fase 6b is er nu sprake van een concreet bouwvoornemen. Daarom wordt er voor dit deelgebied apart een uitwerkingsplan opgesteld.

Middels dit plan wordt voldaan aan de plicht om het gebied nader uit te werken, conform het bepaalde in het bestemmingsplan 'Mortiere' (d.d. 25 juni 2013). De uitwerking maakt het mogelijk om binnen het plangebied grondgebonden woningen te realiseren.

1.2 Ligging uitwerkingsgebied

Het plangebied is gelegen binnen de wijk Mortiere in de gemeente Middelburg. Het plangebied ligt in het noordwesten van het plan Mortiere. De locatie ligt tussen de Frank Zappastraat, Eddie Boydstraat en de Eendrachtsweg.

Op onderstaande afbeeldingen is de ligging weergegeven op een hogere en lagere schaal van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPUMORF6B-VG02_0001.jpg"

Afbeelding ligging hogere schaal (bron Cyclomedia)

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPUMORF6B-VG02_0002.jpg"

Afbeelding ligging lagere schaal (bron Cyclomedia)

1.3 Vigerende regelingen

Het vigerende bestemmingsplan is getiteld 'Mortiere', en is vastgesteld op 25 juni 2013. Binnen dit bestemmingsplan heeft het plangebied de 'Wonen - Uit te werken bestemming' met daarbij twee functieaanduidingen:

  • specifieke vorm van detailhandel -1
  • specifieke vorm van maatschappelijk - 9

Binnen de 'Wonen - Uit te werken bestemming' is ook de mogelijkheid voor 2 horecagelegenheden met een maximum bedrijfsvloeroppervlak van 150 m2 opgenomen.

Een toetsing aan de uitwerkingsregels vindt plaats in Hoofdstuk 6 Juridische planopzet.

1.4 Leeswijzer

Het uitwerkingsplan is opgesteld binnen de beleidskaders van het bestemmingsplan 'Mortiere'. Daarnaast is er voorzien in een korte beleidsverantwoording in Hoofdstuk 2 Beleidskader. Hoofdstuk 3 Ruimtelijke analyse plangebied geeft een analyse van de huidige situatie. In Hoofdstuk 4 wordt een beschrijving gegeven van het stedenbouwkundig ontwerp. Vervolgens vindt in Hoofdstuk 5 de toetsing aan de voor het plan relevante (milieu)aspecten plaats. Hoofdstuk 6 Juridische planopzet geeft een beschrijving van de juridische regeling zoals deze is opgenomen in de regels van dit uitwerkingsplan. Tenslotte wordt in Hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan toegelicht en de uitkomsten van vooroverleg en inspraak'.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI), vastgesteld op 11 september 2020, is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
  • Afwentelen wordt voorkomen.

Specifiek beleid ten aanzien van het planvoornemen is niet opgenomen, daarom wordt de Nationale Omgevingsvisie niet nader toegelicht.

Omgevingsvisies hebben op zichzelf geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de omgevingsvisie die juridische borging vragen worden daarom geborgd in de AMvB Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In het Barro zijn verschillende bepalingen opgenomen, o.a. ten aanzien van Rijksvaarwegen, hoofdwegen en - spoorwegen. Er zijn geen bepalingen die direct betrekking hebben op het plangebied.

De onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 90 woningen binnen het uitwerkingsplan Mortiere fase 6b, in de gemeente Middelburg. Het plangebied heeft geen directe relatie met één van de thema's of bepalingen uit het Barro. Voor het plan zijn er ten aanzien van dit beleidsonderdeel geen knelpunten.

2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de (bestaande) ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden waarbij een nieuwe Laddersystematiek is gaan gelden. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt als volgt:

De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd:

''ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen''.

De toetsing van de ladder is beschreven in de paragraaf 2.3.5

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Omgevingsplan Zeeland

Op 21 september 2018 hebben Provinciale Staten het omgevingsplan Zeeland 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan vormt op het gebied van de fysieke leefomgeving het provinciale beoordelingskader voor medeoverheden, organisaties en burgers binnen de kaders en spelregels die wettelijk zijn vastgesteld. Het is van provinciaal belang dat de Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de Provincie.

Woningbouw

Bij woningbouw staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik hoog op de agenda. Het is van provinciaal belang dat Zeeuwse steden de sociaaleconomische motor blijven van de provincie. Gezien de ruimtelijke doelen, de klimaat en demografische opgave, de uitgangssituatie van de woningvoorraad en de toekomstverwachtingen, is woningbouwbeleid essentieel.

De locatie Mortiere en daarmee ook het plangebied liggen binnen 'Bestaand bebouwd gebied'.

Toetsing

Met het voorliggende uitwerkingsplan worden 90 woningen gerealiseerd. Door deze woningen te realiseren in de wijk Mortiere wordt nadere invulling gegeven aan het criterium zorgvuldig ruimtegebruik. Mortiere is de omvangrijkste woningbouwlocatie in Middelburg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPUMORF6B-VG02_0003.jpg"

Afbeelding; ligging plangebied binnen bestaand stedelijk gebied, kaart provincie Zeeland

Met het voorliggende uitwerkingsplan worden 90 woningen gerealiseerd. Door deze woningen te realiseren in de wijk

Mortiere wordt nadere invulling gegeven aan het criterium toekomstbestendige en bereikbare woon- en verblijfsomgeving door nieuwbouwwoningen te bouwen. Mortiere is de omvangrijkste woningbouwlocatie in Middelburg. Naast het Omgevingsplan is ook de Provinciale Omgevingsverordening van kracht. De omgevingsverordening bevat provinciale regels over de fysieke leefomgeving die voor iedereen gelden. Er zijn geen die specifiek voor het plangebied gelden. De Provinciale Omgevingsverordening wordt verder niet toegelicht.

2.2.2 Zeeuwse omgevingsvisie

Op 12 november 2021 hebben Provinciale Staten van Zeeland de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategisch langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de volle breedte van de leefomgeving en alle andere onderwerpen die van belang zijn voor de toekomst van Zeeland. De provincie heeft dit vertaald naar vier ambities.

  • 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland:
  • 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied
  • 3. Een duurzame en innovatieve economie
  • 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland

Het planvoornemen draagt o.a. bij aan de eerste ambitie.

  • Uitstekende wonen, werken en leven in Zeeland.

In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar, in een omgeving waar je je veilig voelt en waarin gezond wordt geleefd. De woonomgeving draagt bij aan biodiversiteit en is ingericht op langere droogte en op overtollig regenwater. Mobiliteit is snel, slim, veilig, schoon en betaalbaar voor zowel reiziger als overheid. De digitale bereikbaarheid is snel en goed. Het onderwijs in de provincie is goed bereikbaar, betaalbaar en van hoogstaande kwaliteit. Zeeland beschikt verspreid door de provincie over een aantal onderscheidende kleinschalige top- en kwaliteitsvoorzieningen.

Met het planvoornemen worden 90 woningen gerealiseerd. Door deze woningen te realiseren wordt een bijgedragen aan een passende woningen voor iedereen. zoals ook onderbouwd is in paragraaf 2.1.2. In Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten wordt ingegaan op o.a het aspect Water. Hiermee is het plan in lijn met de omgevingsvisie van de provincie Zeeland.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Herijking van de Kwaliteitsatlas

De kwaliteitsatlas is een belangrijk integraal beleidsdocument van de gemeente Middelburg. In deze kwaliteitsatlas wordt een richting uitgestippeld voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.

In de "Kwaliteitsatlas Middelburg 2030" (2010) wordt een beeld geschetst van een bevolkingsgroei van circa 46.000 tot 56.000 inwoners in 2030. De gemeente heeft zich aangesloten bij het provinciaal beleid om 50% van de woningbouwproductie te laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling van Mortiere past hierbinnen.

Ondanks dat in de vastgestelde Herijking van de Kwaliteitsatlas in 2010 de ambitie is verlaten om te groeien naar 56.000 inwoners, blijft de bevolking van Middelburg de komende jaren wel groeien. Dit wordt aangetoond door de bevolkingsprognoses. Deze prognoses tonen ook aan dat de gemeente Middelburg geen 'krimpgemeente' is of zal worden. Verder neemt de gezinsverdunning toe en is de levensverwachting van de mensen hoger. Om dit op te vangen blijft extra nieuwbouw noodzakelijk, op zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties.

Tevens wordt in de herijkte Kwaliteitsatlas gestreefd naar gemengde en stabiele wijken. Met het bestemmingsplan Mortiere fase 6b wordt het gemengde karakter van de wijk Mortiere versterkt. Een integrale benadering van het woonmilieu is één van de belangrijkste voorwaarden voor een kwalitatief goede stad, waardoor mensen graag in Middelburg willen (blijven) wonen.

2.3.2 Omgevingsvisie Middelburg 2050

De (ontwerp)omgevingsvisie is de opvolger van de Kwaliteitsatlas.De omgevingsvisie geeft een beeld hoe de gemeente Middelburg er in het jaar 2050 er uit zou kunnen zien. Deze visie wordt door de gemeente gebruikt om de komende jaren richting te geven aan ontwikkelingen in onze leefomgeving. In de visies worden 5 verschillende koersen geschetst waarin de gemeente zich op gaat focussen.

  • 1. Koester wat je hebt;
  • 2. Werken aan evenwichtige groei;
  • 3. Gezonde stad;
  • 4. Compacte stad;
  • 5. Circulaire en groene stad.

Het planvoornemen sluit aan de verschillende koersen die geschetst worden in de omgevingsvisie. Door het toevoegen van woningen en mogelijkheid tot voorzieningen in de plint wordt er gewerkt aan een evenwichtige groei van de stad. Daarop aansluitend blijft het door een evenwichtige groei een gezonde stad waarin wonen, werken en voorzieningen in balans zijn. Ook sluit het planvoornemen aan op de omgevingsvisie voor het afronden van de nieuwe woonwijk Mortiere.

2.3.3 Woningbouwprogramma

Met de kwaliteitsatlas als onderlegger is in december 2015 de Woonvisie voor de gemeente Middelburg vastgesteld voor de periode 2016-2020.

Hierin is opgenomen dat Middelburg zich als woon- en vestigingsplaats moet onderscheiden door de ontwikkeling van aantrekkelijke en complete wijken en dorpen. Door woonmilieus aan te bieden voor alle leeftijdscategorieën in zowel stedelijke als landelijke omgeving. Middelburg wil graag een aantrekkelijk woongebied blijven voor haar huidige en toekomstige inwoners. Deze missie is vertaald in drie pijlers:

  • 1. Goede woningen,
  • 2. Voor iedereen,
  • 3. Op een goede locatie.

In het kader van de woonvisie is er een woningmarkt- en locatieonderzoek uitgevoerd. Hierin wordt voor Mortiere geadviseerd om de principes van gefaseerde en flexibele ontwikkeling te hanteren, waarbij steeds wordt aangesloten op actuele marktkansen en consumenteninteresse. Verder wordt aanbevolen om actief op zoek te gaan naar partijen/partners die willen investeren in vrije sector huurwoningen voor middeninkomens, want aan dit segment (dat tevens de doorstroming bevordert) is de komende periode sprake van een groot tekort.

Prognose behoefte nieuwe woningen

De Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose 2019 geeft aan waar de behoefte is en hoe groot deze is. Voor Middelburg laat deze prognose in de periode 2018 - 2025 een huishoudenstoename zien van 1422. Voor de daaropvolgende periode 2025 - 2035 voorspelt de prognose een toename van circa 800 huishoudens.

Naast deze positieve huishoudensontwikkeling is tevens een positieve bevolkingsontwikkeling van Middelburg te zien in de prognose. In de periode tot 2024 zal de bevolking met ongeveer 2.100 inwoners groeien. In de periode van 2025 tot 2034 komen er naar verwachting nog 1.700 extra inwoners bij.

Daarnaast is in de periode tot 2030 in Middelburg eveneens sprake van een positieve natuurlijke aanwas (verschil geboorte - en sterftecijfer).

De huishoudensontwikkeling, de bevolkingsontwikkeling en de natuurlijke aanwas zijn positief voor de gemeente Middelburg. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er een behoefte is aan nieuwe woningen in Middelburg.

SOK

De SOK is de samenwerkingsovereenkomst tussen projectontwikkelaars en de gemeente Middelburg waarin afspraken zijn vastgelegd over de ontwikkeling van Mortiere. In de SOK is een maximaal aantal woningen afgesproken voor Mortiere van in totaal 1380 woningen. Er zijn inmiddels circa 1025 woningen gebouwd, daarmee is de resterende plancapaciteit vanaf 2019 voor Mortiere circa 350 woningen. In het recent vastgestelde uitwerkingsplan voor fase 11/12 worden 102 woningen mogelijk gemaakt.

2.3.4 Woonvisie 2023-2027

De Woonvisie die op 10 november 2022 door de gemeenteraad is vastgesteld heeft tot doel, richting te geven aan het realiseren van een kwalitatief goede woningvoorraad die aansluit op de vraag. Een actualisatie is vereist, gelet op alle trends en ontwikkelingen die zich op meerdere vlakken, waaronder de woningmarkt, voltrekken en op de gemeente afkomen. Voor onderhavige ontwikkeling is relevant, dat wordt geconcludeerd dat het aantal inwoners en huishoudens ondanks de vergrijzing groeit. Deze groei wordt met name ingegeven door de sterke toename aan 65-plussers.

De komende vijf jaar wordt een toename van circa 1.100 huishoudens verwacht. In de daaropvolgende jaren tot 2032 zal dit aantal nog verder oplopen naar circa +2.050 huishoudens met een totaal van circa 25.400 huishoudens in 2032. Ook na 2032 groeit – op basis van huishoudensprognoses van de provincie Zeeland – Middelburg nog door met een totale groei tussen 2022 en 2042 van 3.460 huishoudens (een groei van bijna 15% ten opzichte van 2022). De huishoudensgroei wordt veroorzaakt doordat het aantal gezinnen in 2042 hoger zal liggen dan nu en vooral door een sterke toename van het aantal alleenstaanden en stellen ouder dan 65 jaar. Verder blijft nieuwbouw mogelijk en blijft inbreiden voorrang genieten boven uitbreiden. Doel daarbij is om de woningbouwvoorraad van een kwaliteitsimpuls te voorzien.

Het planvoornemenm zoals ook aangegeven wordt in paragaar 2.3.5, past het plan in de behoefte van de gemeente Middelburg voor de komende 10 jaar. Verder wordt door de gemeente met betrekking tot het beleidsveld ‘wonen’ ingezet op het aanbieden van voldoende en kwalitatief goede huisvesting voor diverse doelgroepen, waarbij het aanbod – zowel nu als in de toekomst – moet aansluiten op de vraag. Door het inzetten op een variatie aan appartementen wordt er bijgedragen aan de behoefte en de vraag die zich nu afspeeld op de woningmarkt.

2.3.5 Toetsing ladder voor duurzame verstedelijking

Het voorgenomen bouwplan bestaat uit een initiatief (vraag) vanuit de markt. Voor elk ruimtelijk besluit moet de 'ladder voor duurzame verstedelijking' worden doorlopen. Voor de toetsing aan de ladder wordt de behoefte onderbouwd en toegelicht of deze behoefte binnen bestaand stedelijk gebied opgevangen kan worden.

Behoefte

In 2015 is een woningmarkt - en locatieonderzoek uitgevoerd in het kader van de nieuwe woonvisie. Hierin wordt geadviseerd om voor Mortiere de principes van gefaseerde en flexibele ontwikkeling te hanteren, waarbij steeds wordt aangesloten op actuele marktkansen en consumenteninteresse, om de ontwikkeling van Mortiere te continueren.

In 2019 zijn in opdracht van de provincie en de drie Walcherse gemeenten een Kwalitatief Woningmarktonderzoek Zeeland en een Locatieonderzoek Walcheren (rapport januari 2020, Stec Groep) uitgevoerd. Daaruit blijkt, gebaseerd op de bevolkings- en huishoudensprognose 2019 van de provincie Zeeland voor de periode 2020-2029, een verwachte huishoudensgroei voor de gemeente Middelburg van 1.769 huishoudens (op een totale groei voor Walcheren van 2.709). Walcheren wordt gezien als één woningmarktregio, maar uit de daadwerkelijke verhuiscijfers blijkt dat er voornamelijk lokaal wordt verhuisd. In het Locatieonderzoek Walcheren (rapport januari 2020, Stec Groep) wordt aangegeven dat invulling van de behoefte in theorie in beperkte mate uitwisselbaar is, maar dat een belangrijk deel van de vraag tegelijkertijd lokaal gebonden is. Voor het bepalen van de woningbehoefte is door de gemeente als uitgangspunt genomen dat, gezien de beperkte uitwisselbaarheid, 15% van de behoefte in een andere gemeente op Walcheren zal 'landen'. De behoefte voor Middelburg (1.769) krijgt dan een bandbreedte van 1.504-2.034 nieuw te realiseren woningen in de komende tien jaar.

Plancapaciteit - kwantitatief

Door de behoefte te confronteren met de plannen die in december 2018 in de door de drie Walcherse gemeenten gemaakte woningmarktafspraken zijn opgenomen, blijkt dit plan nodig om in de behoefte te kunnen voorzien. Uit dit onderzoek volgt dat in Middelburg het aantal geplande woningen kwantitatief relatief dicht bij de behoefte ligt. Er is een theoretisch tekort van zo’n 95 woningen. Het plan Mortiere maakt onderdeel uit van het aantal geplande woningen, daarbij is sprake van harde plancapaciteit van 350 woningen vanaf 2019 (het resterend aantal woningen dat gebouwd gaat worden in de wijk Mortiere). Daarmee maakt Mortiere ook onderdeel uit van de plannen waarmee in de gemeentelijke (kwantitatieve) woningbehoefte wordt voorzien.

Om alle plannen objectief te kunnen doorlichten is een doorlichtingskader opgesteld in het onderzoek. Hierin zijn 4 hoofdcriteria onderscheiden waarop plannen punten kunnen scoren: aansluiting op (middel)-langetermijnbehoefte, bijdrage aan structuurversterking, specifieke bijzonderheden en locatiekwaliteit. Vervolgens zijn alle plannen beoordeeld. In totaal zijn er in Middelburg circa 755 woningen opgenomen in (sterk) bovengemiddeld scorende plannen. Dit is relatief beperkt ten opzichte van de te verwachten huishoudensgroei de komende tien jaar (+1.770). De grootste (sterk) bovengemiddeld scorende plannen zijn Veersepoort, Mortiere en Rittenburg, gevolgd door Zuidsingel en Churchilllaan.

Plancapaciteit - kwalitatief

Uit het Locatieonderzoek Walcheren (rapport januari 2020, Stec Groep) volgt dat in de woningmarktregio Walcheren primair sprake is van een opgave voor toevoeging van nultredenwoningen (appartementen en bijvoorbeeld patiowoningen) als gevolg van de aanhoudende vergrijzing. In Vlissingen en Middelburg is nog behoefte aan reguliere grondgebonden woningen, vooral in middenhuur en middeldure koop.

In de verkavelingsschets van dit uitwerkingsplan zijn 90 appartementen opgenomen. Met dit programma wordt aangesloten op het programma door het toevoegen van nultredenwoningen. En met dit programma wordt deels voorzien in een kwalitatieve behoefte.

Regionale behoefte

Door middel van regionale woningmarktafspraken stemmen de vijf woningmarktregio's van Zeeland hun woningbouwplannen binnen de regio op elkaar af. Op 21 mei 2019 heeft de provincie Zeeland de woningmarktafspraken voor Walcheren vastgesteld.

De netto nieuwbouwbehoefte voor de reguliere woningen in de periode 2016-2025 wordt ingeschat op 4.031 woningen.

De ontwikkeling van Mortiere, inclusief de woningen in dit uitwerkingsplan, is opgenomen in de woningmarktafspraken van de regio Walcheren voor de komende 10 jaar (Actualisatie Regionale woningmarktafspraken Walcheren 2016-2026 (2019)) voor 604 woningen. De resterende plancapaciteit bedraagt 350 woningen. De ontwikkeling voorziet daarmee in een regionale behoefte.

Het gedane woningmarkt- en locatieonderzoek (2015 en 2020) en de prognoses onderbouwen de behoefte voor woningbouw in Mortiere en voldoet daarmee aan de onderbouwing van die behoefte in het kader van de ladderonderbouwing. Het planologisch mogelijk maken van 90 woningen in dit uitwerkingsplan is daarmee verantwoord.

Bestaand stedelijk gebied

In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat onder bestaand stedelijk gebied wordt verstaan het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De wijk Mortiere kan worden aangemerkt als bestaand stedelijk gebied.

De woningbouwontwikkeling in fase 6b in de wijk Mortiere kan geheel binnen bestaand stedelijk gebied worden ontwikkeld en voldoet daarmee aan de onderbouwing of de behoefte binnen dit bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen in het kader van de ladderonderbouwing

2.3.5.1 Conclusie

De ontwikkeling voldoet met het positief beantwoorden van de behoefte voor woningbouw en ligging in bestaand stedelijk gebied aan de doelstellingen van de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.3.6 Groenbeleidsplan 2016-2026

Het doel van het groenbeleidsplan is om een duurzame groenstructuur te behouden en te ontwikkelen en een kader te bieden voor de gewenste onderhoudskwaliteit van het openbaar groen. De uitgangspunten zijn vastgelegd in beleidsuitspraken over ruimtelijke opbouw, ecologie, spelen en veiligheid in het groen en beheer.

Voor belangrijke vraagstukken voor het groen geeft het groenbeleid richtlijnen. De gemeentelijke hoofdgroenstructuur en de ecologische structuur vormen het robuuste raamwerk voor het groen en dienen beschermd te worden. De waardevolle bomen verdienen bescherming.

Het groenbeleidsplan geeft richtlijnen voor de inrichting van nieuwe gebieden, zoals Mortiere, voor goed opgebouwde en duurzame groenvoorzieningen die efficiënt te beheren zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPUMORF6B-VG02_0004.jpg"

Afbeelding groenstructuur

In het groenstructuurplan (zie afbeelding) wordt ingegaan op de groenstructuur Dauwendaele (inclusief Mortiere). Belangrijk onderdeel van de groenstructuur is het Ella Fitzgeraldpark centraal in de wijk Mortiere, dat een recreatieve functie vervult voor de wijk. Het nieuwe park met een oppervlakte van 7,3 hectare wordt niet nader besproken in het groenstructuurplan.

2.3.7 Mobiliteitsplan: Fietsvriendelijke gemeente

Gemeente Middelburg streeft ernaar een fietsvriendelijke stad te worden. Zo is in het Mobiliteitsplan opgenomen dat de fietser moet kunnen concurreren met de automobilist. Ook in de Kwaliteitsatlas krijgt de fietser voorrang. Dit kan o.a. door in nieuwe wijken 30km/u in te voeren, korte snelle verbindingen voor de fiets na te streven, extra doorsteekjes/ fietsverbindingen te maken en te zorgen voor voldoende fietsparkeermogelijkheden bij voorzieningen.

2.3.8 Horecabeleidsplan

Het horecabeleidsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 18 november 2002. Dit integraal opgestelde beleid, geeft de algemene doelstellingen ten aanzien van de ontwikkeling van horeca weer. In het beleidsplan is de gemeente opgedeeld in deelgebieden en wordt per deelgebied de accenten en ontwikkelingsmogelijkheden weergegeven. Tot slot bevat het beleidsplan de integrale beleidsuitgangspunten ten aanzien van bijvoorbeeld aspecten van openbare orde en veiligheid.
Als uitwerking van het Horecabeleidsplan zijn in dit bestemmingsplan horeca-categorieën toegepast. Aan de regels is als bijlage de Staat van Horeca-activiteiten toegevoegd. In deze Staat worden horecabedrijven opgesplitst in drie categorieën: categorie 1 (lichte horeca), 2 (middelzware horeca) en 3 (zware horeca). Categorie 1 is daarnaast nog ingedeeld in 3 subcategorieën. In de Staat is beschreven welk soort horecabedrijf binnen welke categorie is ingedeeld.

In dit bestemmingsplan is alleen horeca tot en met categorie 1a toegestaan. Binnen 1a is alleen aan detailhandel verwante horeca toegestaan. Het gaat dan om horecabedrijven met een zeer beperkte hinder voor de omgeving, zoals een lunchroom, koffiebar of ijssalon.

2.3.9 Duurzaamheidsbeleid

De gemeenteraad heeft de Middelburgse Visie Milieu (MVM) 2019-2025 vastgesteld. In de MVM is het duurzaamheidsbeleid opgenomen. Het separaat vastgestelde klimaatbeleid 'Op weg naar een energieneutraal Middelburg in 2050' met bijhorende route kaart voor is hier in opgenomen.

De MVM heeft betrekking op alle milieu thema's. In dit kader zijn met name de thema´s klimaat en energie, duurzaam bouwen en wonen, groen in de woonomgeving en ruimtelijke ordening relevant.

De belangrijkste ambities en doelstellingen die voor een plan relevant zijn en uitgangspunt moeten zijn worden hierna genoemd.

  • Het belangrijkste doel is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven.
  • De gemeente Middelburg heeft als doel volledig energieneutraal te zijn. De streefdatum om dit te realiseren is 2050 en indien de (financiële) omstandigheden gunstig zijn zo mogelijk eerder, met als doel de toename van het broeikaseffect tegen te gaan, de economische positie te handhaven en de beschikbaarheid van energie te waarborgen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een duurzame (economisch) gezonde samenleving.
  • Energieneutraal en duurzaam bouwen is het uitgangspunt bij nieuwbouw;

Er wordt aangehaakt op het duurzaamheidsbeleid van de gemeente door de volgende maatregelen uit te voeren:

  • Extreme neerslag en droogte bestendig: Duurzaam, gezond, veerkrachtig watersysteem creëren
  • Geen gebrek aan grondstoffen: Circulariteit en duurzaamheidsaspecten meenemen in alle fasen van een ontwikkeling.
  • Bestand tegen klimaatverandering: Klimaatadaptatie betrekken bij de manier waarop de woningen worden gesitueerd/gebouwd.
  • Gezond en duurzaam vervoer: Stimuleren van het gebruik van duurzaam vervoer.
  • Gezonde groene leefomgeving: Stimuleren van biodiversiteit, groene en ecologische omstandigheden, stimuleren gebruik van inheemse soorten.
  • Gevoel van identiteit: Lokale identiteit benutten en versterken.
  • Gezonde luchtkwaliteit: Geen lokale uitstoot van fijn stof.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijke analyse plangebied

3.1 Historische beschrijving

De wijk Mortiere ligt op het voormalige eiland Walcheren. De opbouw van het gebied Walcheren is vooral bepaald door het van oudsher stijgen en dalen van de zeespiegel en de daarmee samenhangende overstromingen. In relatie daarmee heeft afwisselend veenvorming en zeeklei-afzetting plaatsgevonden. In de veen- en kleipakketten is door herhaaldelijke overstromingen een kreken- en geulenstelsel ontstaan. In de kreken is, als gevolg van de getijdenbeweging, zand afgezet. Door inklinking van het veen zijn de verzande kreken uiteindelijk hoger in het landschap komen te liggen (kreekruggen). Vanaf de 11e eeuw tot in de 19e eeuw heeft indijking van slikken en schorren plaatsgevonden.

De gemiddelde hoogteligging binnen de wijk Mortiere was voor de realisatie 0,5 m onder N.A.P. Het bodempatroon van Mortiere is cultuurhistorisch en landschappelijk te plaatsen onder de Oudlandgebieden. Het oude zeekleilandschap van

het Oudland Mortiere vertaalt zich in een poelgebied omgeven door kreekruggen. Ter plaatse van de gedempte loop van de Oude Haven is het vlakke plaatgebied het kenmerkende bodempatroon. Deze is evenwijdig aan de N57 gelegen. Karakteristiek voor de zuidoostrand van Mortiere, ter plaatse van de Trekdijk, is de omslag van landschap en bodempatroon. Deze vormt de scheidslijn tussen de Oudlandse en Nieuwlandse gronden.

Voordat Mortiere werd gerealiseerd, werden de kreekruggen en kleiplaatgronden gekenmerkt door akkerbouw. In de laaggelegen gebieden waren de gronden veelal in gebruik bij rundveehouderijbedrijven.

3.2 Ruimtelijke structuur en opbouw

De opzet van het stedenbouwkundig plan voor het woongebied Mortiere is gebaseerd op een compositie van "zichtlijnen", "decors" en "coulissen". De grotere openbare ruimtes in het woongebied (het park, de plantsoenen en pleinen) worden ontworpen als formele ruimtes, zogenoemde "stedelijke kamers". Dit zijn omsloten ruimten met een zekere wandvorming (decors) en een interieur.

Het plandeel 6b kan gezien worden als een dergelijke wand voor een "stedelijke kamer". Het Frank Zappaplein vormt een plein aan het grotere Ella Fitzgeraldpark. De bebouwing van fase 6b vormt de wand aan deze grote centrale ruimte in de wijk, in combinatie met het eiland in het park (fase 14).

De routes en zichtlijnen zijn voorzien van oriëntatiepunten door opvallende plaatsing en vormgeving van bebouwing. Aan het eind van een langgerekte stedelijke ruimte - een straat, een plein, een park of plantsoen - is het beeld verzorgd. Dit wordt gedaan door een evenwichtige, vaak symmetrische, opstelling van een woning of dubbele woning, en soms door een accent in het bouwvolume. Aan het eind van een zichtlijn is er altijd een blikvanger. Dit wordt gevormd door hogere bebouwing of een hoger deel van de bebouwing, of opvallende bebouwing in een afwijkende vorm. De bebouwing van Mortiere fase 6b vormt in zijn geheel een accent aan het einde van de grote zichtlijn over het park. Door nuances in hoogte, bijvoorbeeld bij de entrees en verbijzondering bij de hoeken vormt de bebouwing ook in het straatbeeld een accent .

3.3 Ruimtelijke kenmerken deelgebied

Het deelgebied, zoals uitgelicht in onderstaande afbeelding 'stedenbouwkundig plan', is uitgewerkt binnen de ruimtelijke
kaders van het stedenbouwkundig plan van Mortiere. De stedenbouwkundige opzet sluit aan op de opzet van dit deel van de wijk, een duidelijke wand aan het park, met een doorgang die aansluit op het achterliggende John Lennonplein.

Dit is verbeeld in onderstaande afbeelding 'impressie stedenbouwkundig plan' en wordt in paragraaf 4.2 verder beschreven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPUMORF6B-VG02_0005.jpg"

Impressie stedenbouwkundig plan

Hoofdstuk 4 Projectbeschrijving

De wijk Mortiere is functioneel behoorlijk homogeen. De meest voorkomende functie is wonen. Ook binnen het plangebied van Mortiere fase 6b worden 90 woningen gerealiseerd. Naast de woningen wordt in fase 6b ook 569m2 aan voorzieningen mogelijk gemaakt in de vorm van maatschappelijke voorzieningen, detailhandel en horeca. Ten behoeve van de inrichting zijn de bestemmingen groen, en wonen opgenomen.

4.1 Programma

In dit uitwerkingsplan worden 90 appartementen met 569m2 aan voorzieningen in de plint mogelijk gemaakt. Dit is het maximaal aantal woningen dat binnen dit uitwerkingsplan gebouwd kan worden. Binnen het gebouw is een variatie aan appartementen opgenomen.

De ruimte voor voorzieningen was in het bestemmingsplan 'Mortiere' al voorzien op deze plek door de aanduidingen voor maatschappelijk en detailhandel op deze locatie.

De gebouwen waarin de appartementen worden gerealiseerd worden 10 en 14 meter hoog waarbij in de plint maatschappelijke voorzieningen en/of kleinschalige detailhandel en/of horeca zijn toegestaan. Door deze systematiek kan er afhankelijk van de marktomstandigheden bij de uitvoering van het plan nog geschoven worden met het aantal vierkante meters voorzieningen en het aantal woningen (met behoud van voldoende parkeerplaatsen voor het geplande woningbouwprogramma, zie paragraaf 4.3.2) en het maximale aantal van 90 woningen.

De voorzieningen kunnen uit drie verschillende invullingen bestaan die in het bestemmingsplan 'Mortiere' reeds zijn toegestaan:

  • maximaal twee horecagelegenheden met uitsluitend de functie van een snackbar of restaurant met een maximum bedrijfsvloeroppervlak 150 m². Dit is vertaald tot een maximale horecabestemming 1a zoals opgenomen in de Staat van Horeca die is opgenomen als Bijlage 1;
  • ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 9' maatschappelijke voorzieningen in de vorm van kleinschalige buurtgebonden voorzieningen, zoals kinderdagverblijven, medische en sociale voorzieningen e.d.;
  • ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - 1' detailhandel in de vorm van kleinschalige buurtgebonden voorzieningen;

Voor alle voorzieningen geldt dat moet worden aangetoond dat er voldoende parkeerruimte aanwezig is op basis van de gestelde parkeernormen in 4.3.2 Parkeren.

4.2 Structuur

Fase 6b bestaat uit 2 symmetrische gebouwen met een duidelijk front aan het plein. De gebouwen direct aan het plein hebben dan ook een hogere bouwhoogte (14 meter), dan de achtergelegen bouwdelen.

Tussen de gebouwen ligt een hof die in verbinding staat met het plantsoen in de John Lennonplein. Hiermee ontstaat er een directe relatie tussen de achtergelegen woningen aan dit plein en het water en park.

Door een verlaging van het plein richting het water ontstaat er een hoogteverschil die rondom de gebouwen wordt opgelost en zorgt voor een bijzondere overgang tussen gebouw, binnenhof en plein. Maar ook zorgt voor extra privacy voor de buitenruimtes.

Alle woningen oriënteren zich op de openbare ruimte. De parkeerhoven liggen verscholen tussen de gebouwen en daarmee uit het zicht van de openbare ruimte.

4.3 Inrichting openbare ruimte

Het gebouw ligt aan het Frank Zappaplein, aan het centrale Ella Fitzgeraldpark, een belangrijke openbare ruimte in de wijk. De relatie met het water is hier belangrijk en wordt vergroot door de verlaging van het plein. Er wordt op het plein een ruimte gerealiseerd om te verblijven en te ontmoeten. Er is geen speelruimte op het plein.

Over het plein wordt ook een doorgaande fietsroute gerealiseerd. Deze route gaat wel mee met de verlaging door flauwe hellingbanen.

Via een flauwe hellingbaan is er een verbinding met het binnenhof. Het binnenhof is zoveel mogelijk groen ingericht en heeft een verbinding met het groene plantsoen in het John Lennonplein. Eventueel kan hier een kleine speelmogelijkheid worden gerealiseerd, maar dit is niet gepland, vanwege de aanwezige speelgelegenheden in de directe omgeving.

Aan de buitenkant van de bouwblokken wordt met de inrichting aangesloten op de bestaande straatinrichting van de Eendrachtsweg en de Eddie Boydstraat.

4.3.1 Verkeer

Fase 6b wordt voor de auto ontsloten via de Eendrachtsweg en de Eddie Boydstraat. Beide wegen ontsluiten 1 groot parkeerhof in het bouwblok. Er is hier geen doorgaande autoroute aanwezig tussen de 2 parkeervelden. Voor de omliggende straten is bij de ontwikkeling van Mortiere de afwikkeling van dit autoverkeer meegenomen in de vormgeving en maatvoering. Dit is per zijde voor 45 woningen. Het gaat hierbij om betemmingsverkeer voor de eigen buurt en dus niet over doorgaand verkeer. Met de auto wordt de wijk verlaten via Bluesroute-Torenweg of Eendrachtsweg/Poproute-Torenweg.

Voor de aansluiting op de Eendrachtsweg en Eddie Boydstraat zal in de uitwerking extra aandacht worden geschonken aan een verkeersveilige aansluiting. Zeker bij het fietspad, Little Walterpad, is het belangrijk extra aandacht te schenken aan de verkeersveiligheid.

Voor het langzaam verkeer zijn er meerdere ontsluitingsmogelijkheden. Uiteraard kan ook gebruik gemaakt worden van de Eendrachtsweg en Eddie Boydstraat. Daarnaast is er een langzaam verkeersverbinding vanuit het John Lennonplein naar het binnenhof tussen de blokken.

Daarnaast zorgt de doorgaande fietsverbinding over het plein aan de voorkant voor een directe langzaam verkeersverbinding richting de Schroeweg, maar sluit ook aan op het Little Walterpad, die aansluit op De Overloper richting het centrum van Middelburg.

4.3.2 Parkeren

Voor de verkavelingsschets van fase 6b is een parkeerbalans opgesteld op basis van de parkeernormen die opgenomen zijn in het bestemmingsplan 'Mortiere'. Hier is uitgegaan van de parkeernormen uit de ASVV 2004, van het CROW. Hierin is de parkeervraag in het openbaar gebied vastgesteld voor de verschillende woningtypen. Het uitgangspunt hierbij is dat Middelburg een sterk stedelijk gebied is en dat Mortiere tot de rest van de bebouwde kom behoort.

In het bestemmingsplan 'Mortiere' zijn de volgende regels opgenomen met betrekking tot de parkeernormen:

  • 1. woningen middelduur minimaal 1,7 en maximaal 1,9 parkeerplaatsen per woning;
  • 2. woningen goedkoop minimaal 1,4 en maximaal 1,7 parkeerplaatsen per woning;


Deze normen uit het bestemmingsplan 'Mortiere' vormen het uitgangspunt voor de opgestelde parkeerbalans voor fase 6b. De normen zijn hiervoor gespecificeerd (geen bandbreedte). Voor fase 6b is uitgegaan van de volgende parkeernormen en berekeningsaantallen:

  • Middeldure appartementen: 1,8
  • Sociale appartementen: 1,55
  • Voorzieningen: 2,5 per 100 m2

Binnen fase 6b worden er 50 middeldure en 40 sociale appartementen gerealiseerd en is er een oppervlakte van 569 m2 voor voorzieningen aanwezig. Voor deze woningen en voorzieningen is een parkeerbalans opgesteld die als Bijlage 1 is toegevoegd.

In deze parkeerbalans is dubbelgebruik toegepast voor de bewoners en bezoekers van de woningen en voor de voorzieningen. Uit deze parkeerbalans blijkt dat er 148 parkeerplaatsen nodig zijn.

In het plangebied worden 71 parkeerplaatsen in het westelijke woonhof en 66 parkeerplaatsen in het oostelijke woonhof gerealiseerd. Daarnaast is er bij de ontwikkeling van Mortiere rekening gehouden met 7 parkeerplaatsen aan de Eendrachtsweg en 7 parkeerplaatsen aan de Eddie Boydstraat. Deze 14 plekken zijn niet eerder toegewezen aan de omliggende woongebieden en zijn dus nog beschikbaar voor de ontwikkeling van 6b. De 14 parkeerplaatsen zijn opgenomen in de parkeerbalans voor 6b.

In totaal zijn er binnen het plangebied 71 + 66 + 14 = 151 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeervraag van 148, met een klein overschot van 3 parkeerplaatsen.

4.3.3 Groen

Binnen fase 6b wordt er een groen binnenhof gerealiseerd tussen de 2 bouwblokken. Daarnaast wordt bij de inrichting van het plein gekeken of er extra groen kan worden toegevoegd in de taluds en in het gedeelte voor verblijf en ontmoeting. De toevoeging van bomen op het plein zorgt voor een aantrekkelijk beeld, maar ook voor verkoeling in de zomer en daarmee voor de verkoming van hittestress op het plein.

Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten

5.1 Toetsing aan mer-wetgeving

Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of uitwerkingsplan) kan plan m.e.r.-plichtig zijn.

Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt.

Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D:

  • Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden.
  • Onderdeel B is reeds vervallen.
  • Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is.
  • Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.

Onderdeel C van het Besluit m.e.r. wijst de activiteiten en gevallen aan waarvoor een directe m.e.r.-plicht geldt. In dit onderdeel staan de activiteiten benoemd die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Onderdeel D van het Besluit m.e.r. bevat grotendeels dezelfde activiteiten als onderdeel C. Een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft. De drempelwaarden die in 'kolom 2' gevallen' aangegeven staan, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C.

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Voorafgaand aan de vergunningaanvraag of de ruimtelijke procedure dient een aparte beslissing te worden genomen dat geen MER nodig is. Voor de initiatiefnemer geldt dat hij moet melden dat er sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling en er geldt dat hij hiervoor informatie moet aanleveren. Het bevoegd gezag moet vervolgens een formeel besluit nemen dat de initiatiefnemer bij zijn vergunningaanvraag moet voegen.

De nieuwe procedure is uitsluitend van toepassing op projecten die voorkomen in het Besluit m.e.r. Indien kan worden aangetoond dat het project geen onderdeel uitmaakt van onderdeel C of D van het Besluit m.e.r., dan is de nieuwe procedure niet van toepassing.

In de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het de ruimtelijke onderbouwing plan-m.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), project-m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie D (11.2), de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. De drempelwaarde voor een formele m.e.r.-beoordeling in het Besluit m.e.r. ligt op:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen;
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Het planvoornemen ligt ruimschoots onder de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en is daarmee niet rechtstreeks plan-m.e.r.-, project-m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Omdat het planvoornemen wel een activiteit betreft zoals genoemd in lijst D is een vormvrije m.e.r. beoordeling nodig.

Vormvrije m.e.r. beoordeling

  • 1. Kenmerken van het project

De omvang van het project betreft het realiseren van 90 woningen, deze activiteit zit ruim onder de drempelwaarden van 2000 woningen.

  • 2. Plaats van het project

Het plangebied ligt in een in aanbouw zijnde woonwijk in stedelijk gebied in de gemeente Middelburg.

  • 3. Samenhang met andere activiteiten

Het voorgenomen plan hangt niet samen met andere activiteiten

  • 4. Kenmerken potentiële effecten

Uit de beoordelingen van de aspecten, verkeer (paragraaf 4.3.1), geluid (paragraaf 5.2), luchtkwaliteit (paragraaf 5.3), Stikstof (paragraaf 5.4), bedrijf - milieuzonering (paragraaf 5.5), externe veiligheid (paragraaf 5.6), bodem (paragraaf 5.7), water (paragraaf 5.8), ecologie (paragraaf 5.9) en archeologie (paragraaf 5.10), en blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.

De nieuwe ontwikkeling in het plangebied leidt niet tot belangrijke milieugevolgen. Er is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Conclusie

Op basis van de voorgaande vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd, gelet op de aard en relatieve omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten, dat er geen negatieve milieugevolgen aan de orde zijn. Daarmee hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen.

5.2 Geluid

5.2.1 Wettelijk kader

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient, in verband met de relatie tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet geluidhinder (Wgh), inzicht te worden geboden in de relevante geluidsaspecten.

De Wgh stelt eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting ten gevolge van de aanleg van een nieuwe weg en de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis.

Op 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder in werking getreden. Hierin is de bevoegdheid voor het verlenen

van een hogere waarde neergelegd bij Burgemeester en Wethouders. Dat betekent dat het 'hogere-waarde besluit' niet langer ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten hoeft te worden voorgelegd. Voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai stapt de wetgever nu over op de Europese dosismaat Lden (staat voor day- evening- night). In de wet wordt Lden aangegeven in decibel (dB).

Voor geluidgevoelige functies zoals woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en 55 dB voor spoorwegverkeer. Bij de bouw van de woning dient de gevelisolatie van de betrokken woning zodanig te worden ontworpen, dat voor de binnenwaarde kan worden voldaan aan de eisen uit het bouwbesluit. Hierin staat geregeld dat de binnenwaarde maximaal 33 dB mag bedragen. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan kan door bevoegd gezag (Burgemeester en wethouders) een hogere grenswaarde worden vastgesteld, voor woningen. In het buiten stedelijk gebied (buiten bebouwde kom) geld een maximum te verlenen ontheffingswaarde Lden van 53 dB(A) (Wgh art. 83, lid 1).

De uiterste grenswaarde ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de N57 bedraagt 53 dB. Voor de overige (Schietbaan, Torenweg en de nieuwe toegangsweg Mortiere) bedraagt de uiterste grenswaarde 63 dB. De 30 km/uur-wegen hebben op basis van de Wgh geen geluidszone. De voorkeursgrenswaarde wordt als richtwaarde beschouwd en de uiterste grenswaarde geldt als maximaal aanvaardbare waarde.

5.2.2 Onderzoek wegverkeerslawaai

Buro DB heeft voor het planvoornemen een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 2 toegevoegd aan de toelichting.

De geluidsbelasting van het verkeer ter plaatse en in de omgeving van de planlocatie wordt geheel bepaald door de aanwezige 30 km/uur-wegen.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat ter plaatse van de nieuwbouw van het plan wordt voldaan aan de grenswaarden van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De totale, ongecorrigeerde geluidsbelasting is maximaal 52 dB. Het uitvoeren van nader onderzoek naar c.q. het treffen van geluidsbeperkende maatregelen buiten de nieuwe appartementengebouwen is daarom niet nodig. Ontheffing van een hogere grenswaarde(n) is niet aan de orde.

Uit het onderzoek volgt verder dat de geluidsbelasting ter plaatse van de bestaande woningen in de omgeving van de planlocatie toeneemt maar blijft voldoen aan de grenswaarde van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook voor deze situatie is het treffen van geluidsbeperkende maatregelen niet nodig.

Met het plan is sprake van goede ruimtelijke ordening.

5.2.3 Conclusie

Vanuit het oogpunt van het geluid van wegverkeer kunnen de nieuwe woningen van Fase 6B van Mortiere volgens plan worden gerealiseerd.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Wettelijk kader

De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld. Hierbij zijn twee sporen te onderscheiden: het creëren van bestemmingen die potentieel bijdragen aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit en het creëren van bestemmingen die gevoelig zijn voor (een slechte) luchtkwaliteit.

Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een bestemmingsplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Voor projecten waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Dit is geregeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). In de bij het NIBM behorende Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m².

5.3.2 Onderzoek

Nsl Monitoringstool

Uit de monitoringstool (2020) blijkt dat de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) ter plaatse van de dichtstbij gelegen doorgaande wegen, Sloeweg Noord, Schroeweg, Schietbaan en N57 Havenpoortweg, nergens meer bedragen dan grenswaarden 40 ug/m3. De concentratie NO2 bedraagt maximaal 17,9 ug/m3 en concentratie PM10 bedraagt maximaal 15,5 ug/m3. De fijnstof (PM2,5) concentraties zijn nergens hoger dan 7,8 ug/m3 (grenswaarde 25 ug/m3). Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6,0 waardoor het maximum van 35 dagen eveneens niet wordt overschreden.

Het is de verwachting dat door het schoner worden van de auto's de concentratie van met name stikstofoxide in de lucht in de toekomst nog lager is.

NIMB-tool

Voor fase 6b is het totale aantal gegenereerde ritten bepaald aan de hand van CROW-kengetallen. De ontwikkeling bestaat uit 90 appartementen en 569 m2 aan voorzieningen in de plint. Voor de 90 appartementen is de verkeersgeneratie bepaald voor dure koopappartementen (worst case). Hierbij hoort het kengetal 7,2. Daarnaast is er voor 569 m2 bvo aan voorzieningen. Ten tijde van de uitvoer van dit onderzoek is er geen exact programma bekend. Voor het bepalen van de kencijfers is uitgegaan van een gezondheidscentrum (6 behandelkamers) en een tandartspraktijk (4 behandelkamers), In totaal zijn er 10 behandelkamers. De overige oppervlakte wordt zoals gebruikt voor een wachtkamer, hal en sanitaire voorzieningen. Hierdoor bedraagt de generatie (90*7,2)+(6*17.6)+(4*28.3)=866,8 per etmaal..Voor de verdeling van het verkeer in de gebruiksfase is uitgegaan van 98,8% licht verkeer, 1% middelzwaar verkeer en 0,2% zwaar verkeer.

Met behulp van de NIBM-tool is op globale wijze beoordeeld of er hiermee sprake is van een al dan niet in betekenende mate bijdrage van het plan aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het resultaat van de berekening met de tool geeft aan dat het plan hiermee niet in betekenende mate bijdraagt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPUMORF6B-VG02_0006.jpg"

Afbeelding berekening middels de NIBM-tool

De extra bijdrage door het aan de woningen verbonden verkeer draagt niet in betekenende mate bij en is derhalve minder dan 1,2 ug/m3 (de NIBM-grens). Bij de invulling van de NIMB-tool is uitgegaan van een worst case benadering. Hierdoor is het realisatie jaar op 2022 geplaatst. Hiermee wordt voldaan aan de ambities voor luchtkwaliteit uit het RBDS en de duurzaamheidsagenda.

5.3.3 Conclusie

De saneringstool bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) maakt duidelijk dat de concentraties

luchtvervuilende stoffen in het plangebied in 2020 onder de grenswaarden liggen. Hierdoor is het plangebied geschikt is om te wonen.

Het project betreft de realisatie van maximaal 90 woningen binnen het plangebied van dit uitwerkingsplan.

Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor "niet in betekenende mate" bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Er hoeft derhalve geen aanvullend onderzoek naar de blootstelling aan luchtverontreiniging plaats te vinden. Het resultaat van de berekening met de NIBM-tool geeft aan dat het plan niet zorgt voor een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het aspect luchtkwaliteit staat een vaststelling van het uitwerkingsplan niet in de weg.

5.4 Stikstof

5.4.1 Wettelijk kader

Binnen de Europese Unie zijn de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen, die in Nederland zijn vertaald in de Wet natuurbescherming (Wnb). Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Dit kunnen behouds- of uitbreidings-/verbeteringsdoelstellingen zijn. Het is verplicht om plannen en projecten te beoordelen op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Voor projecten geldt een vergunningsplicht als het project een significant gevolg kan hebben op een Nederlands Natura 2000-gebied (art. 2.7 lid 2, Wnb). Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden (art. 2.7 lid 1, Wnb).

De stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kan berekend worden met behulp van het verplicht te gebruiken rekenprogramma AERIUS Calculator (2023). Van elk te berekenen situatie wordt een model gemaakt met invoergegevens waarmee vervolgens de berekening wordt uitgevoerd.

5.4.2 Onderzoek

Antea Group heeft het aspect stikstofdepositie beoordeeld. Het rapport is als Bijlage 3 toegevoegd.

Met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator, versie 2024.2, is de mogelijke toename van de stikstofdepositie onderzocht. Uit de berekening blijkt dat het voornemen tijdens de realisatie- en gebruiksfase geen toename groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De berekeningen zijn als bijlage toegevoegd aan de rapportage.

5.4.3 Conclusie

De maximaal berekende stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden bedraagt niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar tijdens de realisatie- en gebruiksfase. Hierdoor kunnen significante gevolgen worden uitgesloten en staat het aspect stikstofdepositie verdere besluitvorming niet in de weg.

5.5 Bedrijven en milieuhinder

5.5.1 Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering

In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijf inpasbaar is in de omgeving.

5.5.2 Omgevingstype

De omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als een rustige woonwijk, zoals bedoeld in de VNG-brochure omdat geen sprake is van een combinatie van milieuhinderlijke en milieugevoelige functies. Dit betekent dat de richtafstanden, zoals genoemd in de brochure niet gereduceerd kunnen worden.

5.5.3 Onderzoek

In het plangebied worden milieuhinderlijke functies toegevoegd in de plint van het appartementen gebouw. Deze milieuhinderlijke functies hebben een milieucategorie van 1 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. Hierdoor wordt niet voldaan aan de richtafstanden. Echter zijn deze mogelijkheden al reeds aanwezig in het moederplan 'Mortiere'. Daardoor gelden deze rechten al op deze locatie en daarmee zijn deze milieuhinderlijke functies toegestaan en ook de verantwoording dat het milieutechnisch inpasbaar is naast elkaar.

5.5.4 Categorie bedrijvigheid

Er zijn geen bedrijven in de omgeving van het plangebied waarvan de richtafstand het plangebied overlapt.

5.6 Externe veiligheid

Binnen de gemeente Middelburg vindt een uitwerking plaats, door middel van een uitwerkingsplan, van het bestemmingsplan Mortiere.

De uitwerking betreft het realiseren van 90 appartementen op een oppervlakte van circa 9.800 m2.

Voor bestemmingsplan Mortiere is een Kwantitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) opgesteld door Cauberg-Huijgen*1 .

5.6.1 Wettelijk kader

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.

Onderstaand is de beoordeling van de volgende onderwerpen uitgewerkt:

  • bedrijven of inrichtingen waar opslag en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen via leidingen.
5.6.2 Onderzoek

Uit de gegevens van de afdeling Vergunningverlening & Handhaving van gemeenten Middelburg, Vlissingen en Borsele is gebleken dat in de directe omgeving van het bestemmingsplan Mortiere de bedrijven Synthomer Middelburg B.V., Kloosterboer Vlissingen V.O.F. en Verbrugge Zeeland Terminals liggen. Deze inrichtingen zijn aangewezen als 'niet-categoriale inrichtingen', dat houdt in dat er een QRA opgesteld moet worden om de risico's ten aanzien van externe veiligheid te toetsen aan de normen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi). Verder ligt binnen het bestemmingsplan een LPG tankstation, een hogedruk aardgasleiding en de routering gevaarlijke stoffen ligt net buiten de grens van het bestemmingsplan Mortiere. Het LPG tankstation is een categoriale inrichting. Dit houdt in dat de in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: Revi) genoemde afstanden hier van toepassing zijn.

5.6.3 Externe veiligheid en bedrijven
5.6.3.1 Kloosterboer Vlissingen V.O.F. en Verbrugge Zeeland Terminals

Kloosterboer heeft een invloedsgebied van 6.500 meter en Verbrugge 7.937 meter. Deelplan 6B Mortiere ligt binnen het invloedsgebied van deze twee bedrijven.

Het plaatsgebonden risico van de bedrijven ligt niet over het plangebied.

Groepsrisico.

Deze afstand is berekend voor de worst case (meest giftige stof, maximale hoeveelheid aanwezig en het weertype F1,5). Aangenomen kan worden dat mogelijke wijzigingen in de rand van het invloedsgebied (op een grotere afstand dan 1.500 meter) geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. In de Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid is aangesloten bij het beleid van de provincie Zuid-Holland (Nota van Toelichting bij de Beleidsvisie Externe Veiligheid, gemeente Middelburg, maart 2011). Hierin staat beschreven dat de populatie op grote afstand van de bron nauwelijks invloed heeft op de grootte van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn en er binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. Het invloedsgebied is berekend door middel van een QRA.

Deelplan 6B Mortiere ligt op veel grotere afstand dan 1.500 meter van de bovengenoemde bedrijven.

5.6.3.2 Eastman Chemical Middelburg, LPG tankstation, hogedruk aardgasleiding.

De woningen welke gerealiseerd worden in deelplan 6B Mortiere liggen op ruim 950 meter van Eastman Chemical Middelburg en het dichtstbijzijnde punt op ruim 630 meter van het LPG tankstation. Deelplan 6B Mortiere valt buiten de invloedsgebieden van bovengenoemde bedrijven. De hogedruk aardgasleiding heeft een invloedsgebied van 95 meter. De appartementen uit deelplan 6B Mortiere liggen buiten dit invloedsgebied.

5.6.4 Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor en water

Langs bestemmingsplan Mortiere lopen twee wegen waarover de Route gevaarlijke stoffen loopt. Dit zijn de A58 en de N57. Zowel de A58 als de N57 zijn ingericht voor het transport van gevaarlijke stoffen. Hierdoor neemt het risico op een ongeval af.

Voor de herziening van het bestemmingsplan Mortiere is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld.

5.6.4.1 N57

Plaatsgebonden risico.

Met behulp van het rekenprogramma RBM II is het plaatsgebonden risico van de N57 bepaald.

Hieruit is gebleken dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar.

Groepsrisico.

Het plangebied valt binnen het invloedsgebied van de N57.

Het invloedsgebied van de N57 wordt bepaald door het transport van toxische stoffen en bedraagt 730 meter (1%-letaliteit bij weersklasse F1,5).

Voor de N57 is het groepsrisico berekend voor de huidige en toekomstige situatie. Tevens is het groepsrisico bepaald met het in het Basisnet Weg vastgelegde plafond voor LPG-transporten. Het groepsrisico wordt per kilometer bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPUMORF6B-VG02_0007.png"

Uit bovenstaande tabel blijkt dat het groepsrisico niet wijzigt ten gevolge van de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan Mortiere. Het maximale aantal slachtoffers neemt zelfs af. Wel valt een toename te constateren ten gevolge van de verwachte groei van het transport van gevaarlijke stoffen in de toekomst.

5.6.4.2 A58

Deelplan 6B Mortiere ligt buiten het invloedsgebied van de A58 (325 meter).

5.6.4.3 Toename woningen

De rapportage van Cauberg-Huijgen is opgesteld op basis van een concept voorontwerpbestemmingsplan 2011. In het definitieve voorontwerpbestemmingsplan Mortiere is het aantal woningen in het woongebied van de wijk Mortiere ten opzichte van het eerdere concept toegenomen van 1329 naar 1380 woningen. Dit houdt een toename in van 51 woningen. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (hierna: BTEV) in werking getreden. In artikel 8 van het BTEV staat dat voor een gebied welke geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico verplicht is. De extra woningen binnen het plangebied Mortiere zullen liggen op ruim 200 meter afstand van de N57 en de A58.

Verder is een toename van 1329 naar 1380 woningen marginaal. Zoals in de Nota van Toelichting bij de gemeentelijke beleidsvisie is aangegeven. Dit is een toename van 3,84%. In de Nota wordt aangegeven dat een toename tot en met 10% als marginaal wordt beschouwd.

Tot slot is gebleken uit de berekening welke Cauberg-Huijgen heeft uitgevoerd dat het groepsrisico ruim onder de oriënterende waarde zit.

Deelplan 6B Mortiere ligt op meer dan 200 meter afstand van de N57. De toename van 90 appartementen van de deelplan 6B Mortiere valt binnen de 1380 woningen.

Binnen het plangebied is het mogelijk om te vluchten van de diverse risicobronnen af. In het midden van het plangebied is een sirenepaal aanwezig waardoor de mensen welke zich binnen het plangebied bevinden zich snel in veiligheid kunnen brengen.

Gezien bovenstaande achten wij het niet nodig om het risico te kwantificeren. Er kan worden volstaan met risicocommunicatie.

5.6.5 Overig

Verder liggen in de nabijheid van deelplan 6B geen risicobronnen, zoals andere transportroutes gevaarlijke stoffen over het water of het spoor etc., welke van invloed zijn op het plan of waar het plan invloed op uitoefent. Voor wat betreft de kerncentrale valt het gebied binnen de schuilzone en de Jodiumprofylaxe-zone.

5.6.5.1 Kwestbare objecten

De appartementen welke gebouwd worden zijn in het Bevi aangemerkt als kwetsbare objecten.

5.6.6 Conclusie

Voor zover wij hebben kunnen nagaan en hierboven hebben beschreven vormt externe veiligheid geen belemmering voor deelplan 6B Mortiere. Wel dient er zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met de zelfredzaamheid en hulpverlening. De veiligheidsregio Zeeland dient in de gelegenheid gesteld te worden hun advies uit te brengen.

5.7 Bodem

5.7.1 Wettelijk kader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek en eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Als uit historisch onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:

  • er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;
  • het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan;
  • er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.

Wet bodembescherming

Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde “spoed- of risicolocaties”)).

Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie.

5.7.2 Onderzoek

Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. (SMA) heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 4.

Uit het onderzoek blijkt dat in de grond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater is sprake van streefwaarde-overschrijdingen voor barium, molybdeen en nikkel, waarbij de barium en molybdeen een natuurlijke oorsprong hebben.

Consequenties

De op de onderzoekslocatie geconstateerde verhoogde concentraties in het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. Op basis van huidige onderzoek zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw.

5.7.3 Conclusie

Het aspect bodem staat een vaststelling van het uitwerkingsplan niet in de weg.

5.8 Water

In het Besluit ruimtelijke ordening is de 'watertoets' opgenomen. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand. In het uitwerkingsgebied wordt het waterbeheer gevoerd door Waterschap Scheldestromen.

Royal Haskoning DHV heeft voor het plangebied een watertoets uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 5 bijgevoegd.

Door de ontwikkeling van fase 6B van Mortiere, zal de locatie die nu volledig onverhard is, grotendeels worden verhard. De toekomstige verharding zal bestaan uit 2.850 m2 aan dakoppervlak en ca. 4.500 m2 aan wegverharding. Daarnaast zal een deel van de tuinen ook worden verhard.

Oppervlakte water

Binnen fase 6B is geen oppervlaktewater voorzien, maar zal in de toekomst wel in het zuidoosten grenzen aan het nog te realiseren oppervlaktewater, dat een integraal onderdeel vormt met het gehele plan Mortiere. Hiervoor verwijzen we naar het rapport “Water in de Mortiere te Middelburg, van masterplan naar bestemmingsplan”.

In onderstaand figuur zijn de peilgebieden in en rond Mortiere weergegeven. Fase 6B valt in het peilgebied GPG1459 met een streefpeil van NAP -1,90 m in de zomer en NAP -2,10 m in de winter. Fase 6B grenst aan de noordoostzijde aan de Eendrachtsweg. Aan de oostzijde van de Eendrachtsweg ligt een sloot die in een ander peilgebied valt en een streefpeil heeft in zowel de zomer als de winter van NAP -2,00 m.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPUMORF6B-VG02_0008.jpg"

Peilgebieden met streefpeilen oppervlaktewater (bron: waterschap Scheldestromen)

Voor fase 6B zijn de straatpeilen en vloerpeilen nog niet definitief vastgesteld, maar zullen waarschijnlijk gelijk zijn aan de peilen die in de naastliggende fase 6A zijn gehanteerd:

  • NAP +0,00 m voor wegen;
  • NAP +0,30 m als vloerpeil voor de woningen.

Voor fase 6B resulteert dit in een drooglegging van minimaal 1,90 m. De waterbergingsopgave wordt integraal voor geheel Mortiere gerealiseerd, waar fase 6B onderdeel vanuit maakt. Uit het rapport 'Retentiecapaciteit Mortiere', d.d. 22 maart 2002, blijkt dat er voldoende bergingscapaciteit beschikbaar is, als het volledige plan gerealiseerd is.

Afvalwater, hemelwater en grondwater

De woonwijk Mortiere wordt (en is deels al voorzien) van een gescheiden rioolstelsel. Hiermee wordt voorkomen, dat afvalwater wordt gemengd met hemelwater.

Afvoer afvalwater

Het afvalwater uit fase 6B zal bestaan uit huishoudelijk afvalwater. Dit afvalwater wordt via een gemeentelijk vuilwaterstelsel, gescheiden van het hemelwater ingezameld en door middel van het gemeentelijk rioolgemaal aan de Frank Zappastraat getransporteerd naar het rioolgemaal aan de Paukenweg, welke het op zijn beurt direct injecteert in de hoofdpersleiding van het waterschap, richting de rioolwaterzuivering (RWZI) bij Ritthem. Het vuilwaterstelsel krijgt geen overstortmogelijkheid naar oppervlaktewater, zodat er geen afvalwater in het oppervlaktewater terecht kan komen.

Voor het rioleringsplan voor Mortiere wordt verwezen naar het rapport “Rioleringsplan Mortiere”, d.d. 13 november 2007.

Afvoer overtollig hemelwater

In Mortiere is geen mogelijkheid voor het op grote schaal infiltreren van hemelwater in de bodem (bron: rapport “Water in de Mortiere te Middelburg; van masterplan naar bestemmingsplan”, d.d. 21 april 1999). Daarom wordt in Mortiere een hemelwaterstelsel aangelegd, om het overtollige hemelwater van de percelen en de openbare ruimte af te voeren naar oppervlaktewater. Daar waar ruimte is in openbaar gebied, zoals langs de weg Bluesroute, worden wadi’s gerealiseerd, om het hemelwater eerst vast te houden, te bergen en vervolgens vertraagd af te voeren, middels een drain onder de wadi.


Volgens het beleid van de gemeente Middelburg dienen nieuwe hemelwaterstelsels gedimensioneerd te worden op een bui 09 (29,4 mm neerslag in 60 minuten) en bui 10 (35,7 mm in 45 minuten) uit de Kennisbank Stedelijk Water van RIONED (voormalige Leidraad Riolering). Het rioleringsplan voor Mortiere is opgesteld in 2007, waarmee de gemeente en het waterschap hebben ingestemd. Ten tijde van het opstellen van het rioleringsplan gold nog het beleid dat nieuwe hemelwaterstelsels gedimensioneerd moest worden op een bui 08 uit de Leidraad Riolering (19,8 mm neerslag in 60 minuten). Een deel van het hemelwaterstelsel is reeds gerealiseerd, waardoor het niet doelmatig is om de nog aan te leggen hemelwaterriolen te dimensioneren op een bui 09 of bui 10, wat erin zou resulteren dat een deel van de aangelegde riolering vergroot zou moeten worden. Daarom is hier nog uitgegaan van bui 08.


Indien er een heftigere neerslaggebeurtenis plaatsvindt dan bui 08, zal de riolering onvoldoende afvoercapaciteit hebben om al het hemelwaterwater direct te kunnen verwerken. Om te voorkomen dat dit hemelwater niet tot afstroming komt naar lager gelegen particuliere percelen, voorziet de gemeente de wegen aan beide zijden van trottoirbanden. Hierdoor kan het water dat op straat blijft eerst tijdelijk geborgen worden op straat tussen deze trottoirbanden, totdat de riolering dit water heeft afgevoerd.


Hierdoor wordt bereikt dat water op straat niet kan afstromen naar lager gelegen particuliere percelen. Aandachtspunt is wel, dat als het straatniveau in de omliggende gebieden niet overal gelijk is ten opzichte van fase 6B, het water zich dan zal verzamelen op lagergelegen punten in openbaar gebied. Daarom moeten de laaggelegen locaties in openbaar gebied zodanig te worden ingericht (klimaatbestendig), dat wateroverlast door afstromend hemelwater naar lager gelegen particuliere percelen tot een minimum wordt beperkt1. Bij de uitwerking van het plan moet hier rekening gehouden worden.


Om de kans op wateroverlast zoveel mogelijk te beperken, wordt geadviseerd om de volgende maatregelen uit te laten voeren:

  • Het regenwater afkomstig van fase 6B via een hemelwaterstelsel rechtstreeks afvoeren naar de Mannezeese watergang en;
  • Het regenwater afkomstig van fase 6B waar mogelijk via oppervlakkige afstroming afvoeren naar de Mannezeese watergang.

Grondwater

De drooglegging voor fase 6B bedraagt minimaal 1,90 m ten opzichte van het waterpeil van NAP -1,90 m. Van het plangebied zijn er geen gegevens over de gemeten grondwaterstanden bekend door middel van peilbuizen. Uit het rapport 'Milieukundig onderzoek percelen P121 en 1513 Mortiere Middelburg', d.d. 19 september 2005, blijkt uit de grondboringen dat de gemiddelde waterstand in fase 6B op 3 m onder maaiveld bevindt. Over de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt niets vermeld.

De gemeente beschikt over een grondwatermeetnet. De dichtstbijzijnde peilbuis is gesitueerd in de Muddy Watersstraat ter hoogte van huisnummer 5. Dit valt in een ander peilgebied dan fase 6B met een constant streefpeil van NAP -1,85 m in zowel de zomer als de winter. Dit wijkt niet zoveel af van het streefpeil in de zomer van NAP -1,90 m van het peilgebied waarin fase 6B ligt, waardoor deze peilbuis een mogelijk indicatie kan geven van te verwachten grondwaterstanden. De grondwaterstand in deze peilbuis wordt sinds 21 januari 2021 bijgehouden (peilbuis is toen geplaatst). De volgende waarden zijn berekend op basis van de trendgegevens:

  • Gemiddelde grondwaterstand NAP -0,92 m;
  • Gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) NAP -1,07 m;
  • Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) NAP -0,77 m.

Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand 0,77 m onder het maaiveld wordt gemeten. In het rapport “Water in de Mortiere te Middelburg, van masterplan naar bestemmingsplan”, d.d. 21 april 1999 is aangegeven, dat het voor het grootste deel van het plangebied de grondwatertrap III is. Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand 0,40 m onder maaiveld bedraagt en de gemiddeld laagste grondwaterstand 0,80 tot 1,20 m onder maaiveld bedraagt. Dit blijkt behoorlijk goed overeen te komen met de gemeten grondwaterstanden, ondanks dat de metingen nog maar ruim een jaar beslaan. Op basis van de gemeten grondwaterstanden en de grondwatertrappen is de kans op structurele grondwateroverlast in openbaar gebied niet uit te sluiten, omdat er onvoldoende informatie is over de duur van hoge grondwaterstanden (meetperiode is nog te kort). Daarom is een jaar het grondwater in fase 6B gemonitord. Uit dit onderzoek is gebleken dat er in de winterperiode sprake is van hoge grondwaterstanden. Bij het bouwrijp maken van fase 6B moet hier rekening mee gehouden worden.

De watertoets is bij het Waterschap Scheldestromen aangeboden door middel van het aanmeldformulier watertoets Waterschap Scheldestromen. Dit aanmeldformulier is bijgevoegd als Bijlage 6 bij de toelichting. Het waterschap heeft ingestemd met de ruimtelijke voornemens van de gemeente voor deze fase van Mortiere.

Hydrologische gevolgen ontwikkeling fase 6b

Ten behoeve van de ontwikkeling van fase 6b zijn de mogelijke gevolgen voor hydrologie, grondwater en wateroverlast in de omgeving in beeld gebracht door Arcadis. Dit memo is opgenomen als Bijlage 7. Uit de memo blijkt dat het plan uitvoerbaar is en dat de voorgestelde maatregelen geen verslechtering van de hydrologische situatie veroorzaken in en rondom fase 6B.

Conclusie

Op basis van de memo Hydrologische gevolgen van Arcadis blijkt dat het plan uitvoerbaar is en dat de voorgestelde maatregelen geen verslechtering van de hydrologische situatie veroorzaken in en rondom fase 6B.

Het waterschap heeft ingestemd met de ruimtelijke voornemens van de gemeente voor deze fase van Mortiere.

5.9 Ecologie

5.9.1 Wettelijk kader

Voor een beoordeling van de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkelingen op de beschermde natuurwaarden in het plangebied en op effecten die instandhoudingsdoelstellingen voor aangewezen natuurgebieden nadelig kunnen beïnvloeden is de aanwezigheid van beschermde dier- en plantensoorten van belang.

Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met 1 wet en minder regels wordt het makkelijker om de wet toe te passen.

Bescherming van dieren en planten

Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het goed gaat met de natuur, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten.

5.9.2 Onderzoek

Adviesbureau Wieland heeft in mei 2022 een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 8 bijgesloten.

5.9.2.1 Gebiedsbescherming

Natura 2000/Natuurbeschermingswet

Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000 gebied. De afstand tot een Natura 2000 gebied bedraagt meer dan vijf kilometer. Dit betreft de Natura 2000 gebieden Westerschelde & Saeftinghe, Veerse Meer, Manteling van Walcheren. De afstand tot deze Natura 2000 gebieden is zo groot dat er geen significante effecten verwacht worden.

Natuurnetwerk Zeeland (NNZ)

Het plangebied is niet begrensd in het kader van de Natuurnetwerk Zeeland (NNZ, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)). De afstand tot NNZ gebieden bedraagt circa 600 meter. Dit betreft de dijk die rondom de woonwijk Mortiere ligt. De geplande werkzaamheden hebben geen effect op dit gebied. Grotere natuurgebieden liggen verder dan 1 kilometer.

Bescherming houtopstanden

Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. Er wordt geen beplanting gekapt het onderdeel bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming is niet van toepassing.

5.9.2.2 Soortenbescherming

Broedvogels

Het terrein wordt voor aanvang van het broedseizoen gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Struwelen worden verwijderd (indien nodig) buiten de broedperiode. Indien de start van het werk plaats vindt in het broedseizoen dan dient er eerst gecontroleerd te worden of er vogels broeden in het plangebied door een ecologisch deskundige. Een gunstige periode om het plangebied bouwrijp te maken is tussen 1 augustus en 1 maart. Het wordt aanbevolen om het bouwterrein in broedseizoen regelmatig te laten controleren door een ecologisch deskundige om te voorkomen dat broedvogels verstoord worden.

Zoogdieren:

Diverse (grondgebonden) soorten komen voor in het gebied. Konijn en haas zijn niet vastgesteld tijdens de veldbezoeken. Populaties van met name konijn kunnen sterk fluctueren en zouden zich kunnen vestigen in het plangebied. Het is daarom noodzakelijk om voor de start van maaiwerkzaamheden een controle uit te laten voeren door een ecologisch deskundige op aanwezigheid van haas en konijn. Door mitigerende maatregelen uit te voeren wordt voorkomen dat deze dieren onnodig gedood worden. Maaien van ruigte in een voor zoogdieren gunstigere periode, 1 september – 1 januari. Het maaien uitvoeren met schijvenmaaier of maaibalk. Maaien in de richting van een biotoop dat nog gehandhaafd blijft (zo kunnen dieren vluchten). Maaisel afvoeren om te voorkomen dat zich hier dieren onder gaan vestigen.

Amfibieën:

Rugstreeppadden komen voor buiten het plangebied, maar kunnen het plangebied snel bevolken indien hier gunstige biotopen ontstaan. Daarom dient voorkomen te worden dat er ondiepe waterpartijen ontstaan tijdens de bouw. Daarnaast is het raadzaam om de aanwezigheid van de Rugstreeppad jaarlijks te inventariseren in de woonwijk Mortiere. Indien deze soort zich vestigt dienen er mitigerende maatregelen getroffen te worden om te voorkomen dat werkzaamheden vertraging oplopen.

5.9.3 Conclusie

In het plangebied komen beschermde natuurwaarden voor, die afhankelijk van de uitvoering wel of niet nadelige effecten zullen ondervinden. Door het treffen van mitigerende maatregelen kan voorkomen worden dat verbodsbepalingen in het kader de Wet natuurbescherming overtreden worden. Werkzaamheden worden uitgevoerd conform de gedragscode Stadswerk.

Nabij het plangebied liggen geen gebieden die zijn aangewezen in het kader van Natura 2000 en het Natuurnetwerk Zeeland. De geplande werkzaamheden hebben geen negatief effect op de waarden waarop dit Natura 2000 gekwalificeerd is. De geplande werkzaamheden hebben ook geen nadelig effect op de overige natuurwaarden van de gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.

5.10 Archeologie en cultuurhistorie

In Europees verband is het zogenaamde "Verdrag van Malta" tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de bestaande regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald.

De provincie Zeeland en gemeente Middelburg streven naar een versterking van de relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening. In de geest van het Verdrag van Malta is in 2007 een wijziging van de monumentenwet 1988 in de vorm van de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) van kracht geworden. Een belangrijk onderdeel van de WAMZ was dat de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed bij de gemeenten komt te liggen. In de WAMZ werd geregeld dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Volgens de wet kan in het belang van de archeologische monumentenzorg bij een bestemmingsplan worden bepaald dat de aanvrager van een aanleg- en bouwvergunning een rapport dient over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet. Voor archeologie gaat het onder meer om:

  • het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;
  • de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;
  • de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen;
  • de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.

Vooruitlopend op de WAMZ hebben de Walcherse gemeenten in 2006 een eigen archeologiebeleid geformuleerd en vastgesteld die in 2016 is geactualiseerd in de Nota Archeologische monumentenzorg Walcheren evaluatie 2016-2022. Deze laatste nota schrijft het vigerende archeologiebeleid binnen de gemeente Middelburg voor. Bij dit beleid horen de Archeologische verwachtings- en waardenkaart Walcheren. De kaart betreft een inventarisatie van archeologische vindplaatsen, andere waarden en verwachtingsgebieden en is gemaakt op basis van het Rijks Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), waarin alle bekende archeologische waarden zijn opgenomen, en op basis van verschillende ter zaken doende kaarten.

Op basis van de Archeologische verwachtings- en waardenkaart Walcheren is de Archeologische beleidsadvieskaart Walcheren opgesteld, om ervoor te zorgen dat het archeologisch erfgoed wordt beschermd en er bij ruimtelijke afwegingen rekening wordt gehouden met archeologische waarden. De vrijstellingsregeling behorende bij het Walchers archeologiebeleid gaat uit van deze laatste kaart.

5.10.1 Onderzoek

Naar aanleiding van het planvoornemen heeft de Walcherse Archeologische Dienst een beperkte bureaustudie uitgevoerd naar de te verwachten archeologische waarden in het gebied en al eerder uitgevoerde onderzoeken.

Bij het verkennende archeologische onderzoek is geen archeologische vindplaats aangetroffen. Het advies is dan ook dat in beide plangebieden verder geen archeologische vervolgonderzoeken noodzakelijk zijn. Dit geldt ook voor het cultuurhistorische aspect.

Cultuurhistorie

Het oorspronkelijke dijktalud langs de rand van de golfbaan is van cultuurhistorisch belang. Het markeert de dijk van het oorspronkelijke kanaal tussen de Westerschelde en het stadscentrum. In het gebied Mortiere zijn geen andere specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig die bescherming behoeven.

5.11 Bezonningsstudie

Er is voor het planvoornemen is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze is toegevoegd als Bijlage 9.

Deze studie bestaat uit twee onderdelen, het 4-seizoenen zon- en schaduwonderzoek en de Toets TNO 'licht'. Uit het 4-seizoenen zon- en schaduwonderzoek blijkt dat enkele woningen ten gevolge van de hoogbouw een schaduwtoename ondervinden. Voor een stedelijke omgeving als Middelburg is dit een acceptabele toename.

Uit de Toets TNO 'licht' blijkt dat de onderzochte woningen aan het Little Walterpad, het John Lennonplein en de Eendrachtsweg ruimschoots voldoen aan de minimale TNO-eis 'licht' van 120 minuten zonlicht per dag in de periode 19 februari-21 oktober. De voorgenomen bouw heeft voor deze woningen een beperkte invloed qua bezonning. De onderzochte woningen aan de Eddie Boydstraat en de Elmore Jamesstraat voldoen niet aan de minimale TNO-eis 'licht'. Dit was echter al zo in de bestaande situatie en de bezonningsduur neemt door de ontwikkeling niet af maar blijft gelijk. Deze woningen ontvangen op 19 februari via de achterzijde van de woningen wel voldoende zonlicht. De voorgenomen bouw van de twee woongebouwen heeft geen invloed op de bezonning van deze woningen.

Conclusie 

Het aspect bezonning is geen belemmering voor het planvoornemen.

5.12 Eindconclusie

Op basis van de onderzochte informatie worden geen belemmeringen verwacht voor de vaststelling van het uitwerkingsplan. Uit de voorgaande beschreven milieuaspecten (5.1 Toetsing aan mer-wetgeving, 5.2 Geluid, 5.3 Luchtkwaliteit, 5.4 Stikstof, ,5.5 Bedrijven en milieuhinder 5.6 Externe veiligheid en 5.7 Bodem) kan worden geconcludeerd dat er geen verslechtering optreedt op het woon- en leefklimaat van de (omliggende) woningen en dat er ten aanzien van de omgevingsaspecten (5.8 Water, 5.9 Ecologie, 4.3.2 Parkeren, 5.10 Archeologie en cultuurhistorie en 5.11 Bezonningsstudie) er geen belemmeringen optreden.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Inleiding

Mortiere fase 6B maakt, na inwerkingtreding, onderdeel uit van bestemmingsplan 'Mortiere'. De regels van het bestemmingsplan 'Mortiere' zijn dan ook van toepassing op dit uitwerkingsplan, naast de regels die zijn opgenomen in het voorliggend uitwerkingsplan.

6.1.1 Uitgangspunten

De beleidsuitgangspunten uit de voorafgaande hoofdstukken vormen de onderlegger voor bestemmingen en begrenzingen op de verbeelding en voor de planregels. Deze uitgangspunten voor de bestemmingsregeling (verbeelding en regels) kunnen als volgt worden samengevat.

  • a. Het uitgangspunt is op de eerste plaats de verkavelingsschets voor de fase 6B. Hiervoor zijn de kaders in dit uitwerkingsplan opgenomen.
  • b. In het uitwerkingsplan is gestreefd naar het toepassen van soepele / ruime bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de grenzen van de uit te werken bestemming uit het bestemmingsplan 'Mortiere';
  • c. De ruimtelijke kwaliteit van het plangebied noodzaakt een zorgvuldige afstemming van bouwmogelijkheden. Bij het leggen van bestemmingen, het bepalen van bouwgrenzen en opstellen van flexibiliteitbepalingen heeft steeds een zorgvuldige afweging plaatsgevonden van de aanwezige belangen en is rekening gehouden met hedendaagse eisen en gebruikerswensen. Binnen de marges van het beleid is gezocht naar versoepeling in de bestemmingsregeling als bedoeld onder a en b;
  • d. De bestemmingsregeling dient in ieder geval de ontwikkelingen van de nu aanwezige verkavelingsschets mogelijk te maken;
  • e. De regeling is zo uniform mogelijk ten einde een zo groot mogelijke rechtsgelijkheid te kunnen bieden. Dit neemt niet weg dat, gelet op de ruimtelijke karakteristiek van het plangebied en hedendaagse eisen, specifieke (beperkende) bepalingen gewenst zullen zijn.
  • f. Zoals vermeld onder a en d is voor de bestemmingsregeling in beginsel uitgegaan van de feitelijk geplande situatie. Als randvoorwaarde voor de nieuwe bestemmingsregeling is ook gehanteerd dat er flexibiliteit binnen het plan dient te zijn, om eventueel in te kunnen springen op een veranderende marktvraag.
  • g. De aanduidingen 'specifieke vorm van maatschappelijk - 9' en 'specifieke vorm van detailhandel - 1' zijn overgenomen uit het bestemmingsplan 'Mortiere'.
  • h. De aanduiding 'specifieke vorm van horeca – tot en met categorie 1a' is opgenomen overeenkomstig de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan 'Mortiere'. Daarbij zijn de mogelijkheden beperkten door de categorie 1a als maximum te benoemen.
6.1.2 Planvorm

Het bestemmingsplan 'Mortiere' bestaat uit deels een gedetailleerd bestemmingsplan en deels een globaal plandeel met een uitwerkingsplicht. Het uitwerkingsplan Mortiere fase 6B is een uitwerking van een deelgebied van het globale plandeel.

De planvorm van uitwerkingsplan Mortiere fase 6B is een tamelijk gedetailleerd uitwerkingsplan met bouwvlakken voor de appartementencomplexen. Dit betekent dat op basis van dit uitwerkingsplan omgevingsvergunning kan worden verleend.

6.1.3 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)

Het voorliggende uitwerkingsplan is, overeenkomstig het bestemmingsplan 'Mortiere' opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP2012.

6.1.4 Opzet bestemmingsregeling

Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) in dit bestemmingsplan is het volgende van belang.

Voor het plan geldt dat wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan 'Mortiere', aangezien dit uitwerkingsplan hier onderdeel van uit gaat maken. Aanvullende regels zijn gesteld binnen de juridische kaders die in het bestemmingsplan 'Mortiere' zijn toegestaan.

6.1.4.1 Opzet verbeelding

Bestemmingen

Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Binnen dit uitwerkingsplan komen 4 bestemmingen voor, namelijk Groen, Tuin, Verkeer en Wonen.

Door middel van bouwvlakken op de verbeelding zijn de locaties voor de bouw van hoofdgebouwen (woningen) aangegeven.

Aanduidingen

In dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van bouwaanduidingen, waarmee specifieke bouwregels worden bepaald. Daarnaast worden maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding aangegeven zoals de maximaal toegestane hoogtemaat (goot- en bouwhoogte). Als laatste wordt er gebruik gemaakt van functieaanduidingen waardoor de mogelijkheid ontstaat om maatschappelijke voorzieningen, detailhandel en horeca toe te staan in de plint.

6.1.4.2 Opzet planregels

Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde.

  • In hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald.
  • In hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden (indien nodig) alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de plankaart voorkomen nader worden omschreven.
  • Hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel, een procedureregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene ontheffings- of wijzigingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels) ten slotte gaat in op het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en benoemt de titel van het plan.

6.2 Gehanteerde bestemmingen

Artikel 2 Groen

Het structurele groen heeft de bestemming Groen gekregen. Door deze bestemming wordt het beeldbepalende groen vanuit het stedenbouwkundig plan gewaarborgd. In dit geval gaat het om het groene plantsoen tussen de bouwblokken.

Artikel 3 Tuin

Voortuinen en zijtuinen van hoekwoningen aan de openbare ruimte zijn bestemd als Tuin. Binnen deze bestemming mag slechts zeer beperkt gebouwd worden.

Artikel 4 Verkeer

De wegen, trottoirs en parkeerplaatsen hebben deze bestemming toegekend gekregen. Hiermee wordt de ontsluiting van deze fase gewaarborgd en worden de 2 grote parkeervelden bestemd. Ook het pad tussen de bouwblokken in is bestemd als verkeer, met uitzondering van het groene plantsoen in het midden. In aansluiting op de verkeersbestemming in het bestemmingsplan 'Mortiere' heeft het strookje Frank Zappaplein dat in dit bestemmingsplan valt ook hier de bestemming verkeer gekregen.

Artikel 5 Wonen

In de verbeelding zijn de bouwblokken aangegeven met een bouwvlak. De bouwhoogte is op de verbeelding gemaximeerd. Binnen deze bestemming zijn ook tuinen, erven, parkeervoorzieningen, ontsluitingspaden en wegen toegestaan. Binnen de bestemming zijn 3 functieaanduidingen opgenomen voor maatschappelijke voorzieningen detailhandel en horeca, overeenkomstig de vigerende aanduidingen en mogelijkheden in de uitwerkingsregels.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van dit uitwerkingsplan is geregeld in de vorm van de grondexploitatieregeling zoals opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro): zie onder 7.1.1.

7.1.1 Exploitatieplanplicht en verplichting tot kostenverhaal

In deze wet is verplicht kostenverhaal door de gemeente geregeld. Dat kan op publiekrechtelijke grondslag: via een exploitatieplan dat gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd dient te worden. Ook kan het gemeentelijke kostenverhaal geregeld worden via een ondertekende anterieure overeenkomst bij het ontwerpbestemmingsplan over grondexploitatie met de initiatiefnemer / ontwikkelaar, zoals bedoeld in artikel 6.24 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Wanneer de gemeente zelf eigenaar is van de gronden, dan is het (separaat) verhalen van kosten op anderen niet nodig. De kosten worden dan gedekt door de verkoop van bouwrijpe grond. De in dat kader gesloten overeenkomsten gelden ook als anterieure overeenkomsten over grondexploitatie.

Nieuwe ontwikkelingen

De gemeente heeft samen met het consortium volledig grondeigendom in het plangebied. Met de ontwikkelaar AM is een anterieure overeenkomst gesloten over het kostenverhaal voor de gemeente. De financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is dan ook gewaarborgd.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 14 december 2023 tot en met woensdag 24 januari 2024 ter inzage gelegen. Gelijktijdig met de zienswijzeperiode is het wettelijk overleg conform artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met de overlegpartners uitgevoerd. Er zijn 5 zienswijzen ontvangen. Tevens is 1 zienswijze/reactie ontvangen van een wettelijke overlegpartners, de Veiligheidsregio. De zienswijzen zijn samengevat en van een passende beantwoording voorzien in de nota van beantwoording zienswijzen. De nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijziging is toegevoegd aan Bijlage 10.

7.2.1 Participatie

Aanvullend heeft voor dit uitwerkingsplan een participatieavond plaatsgevonden, de belangrijkste aandachtspunten die meegegeven zijn voor dit uitwerkingsplan zijn:

  • Verkeersveiligheid ter plaatse van Little Walterpad
  • Verkeerssituatie voor ontsluiting van westelijke woonhof via Eddie Boydstraat, Memphis Slimstraat, Elmore Jamesstraat en Willie Dixonstraat
  • De parkeerbalans en dan vooral rondom de Eddie Boydstraat en Eendrachtsweg
  • De mogelijke overlast in geluid, verkeer en parkeren door de voorzieningen.

In de uitwerking zal extra aandacht aan de verkeersveiligheid worden gegeven om de bestaande oversteek met het fietspad te verbeteren. De verkeerssituatie en parkeerbalans zijn toegelicht in paragraaf 4.3 Inrichting openbare ruimte. Voor de voorzieningen zijn de bestemmingen uit het bestemmingsplan 'Mortiere' overgenomen en zijn aanvullende regels gesteld voor de parkeerbehoefte voor de voorzieningen en de mogelijkheden voor de horeca-activiteit in 5.1 Bestemmingsomschrijving en 5.4 Specifieke gebruiksregels.

7.3 Uitkomsten vooroverleg en inspraak

Het uitwerkingsplan Mortiere fase 6B wordt naar aanleiding van de ingediende zienswijzen gewijzigd vastgesteld. In onderstaand overzicht worden de betreffende wijzigingen benoemd.

Wijzigingen in de (bijlagen bij) de toelichting


1. Toevoeging Nieuwe woonvisie

In het ontwerp uitwerkingsplan Mortiere fase 6B wordt in de toelichting de oude versie van de woonvisie is benoemd. Bij de vast te stellen uitwerkingsplan van fase 6b wordt de nieuwe versie van de woonvisie toegevoegd.


2. Toevoeging bezonningsstudie

Er is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze studie bestaat uit twee onderdelen, het 4-seizoenen zon- en schaduwonderzoek en de Toets TNO 'licht'. Uit het 4-seizoenen zon- en schaduwonderzoek blijkt dat enkele woningen ten gevolge van de hoogbouw een schaduwtoename ondervinden. Voor een stedelijke omgeving als Middelburg is dit een acceptabele toename. Uit de Toets TNO 'licht' blijkt dat de onderzochte woningen aan het Little Walterpad, het John Lennonplein en de Eendrachtsweg ruimschoots voldoen aan de minimale TNO-eis 'licht' van 120 minuten zonlicht per dag in de periode 19 februari-21 oktober. De voorgenomen bouw heeft voor deze woningen een beperkte invloed qua bezonning. De onderzochte woningen aan de Eddie Boydstraat en de Elmore Jamesstraat voldoen niet aan de minimale TNO-eis 'licht'. Dit was echter al zo in de bestaande situatie en de bezonningsduur neemt door de ontwikkeling niet af maar blijft gelijk. Deze woningen ontvangen op 19 februari via de achterzijde van de woningen wel voldoende zonlicht. De voorgenomen bouw van de twee woongebouwen heeft geen invloed op de bezonning van deze woningen. De bezonningsstudie wordt toegevoegd aan het uitwerkingsplan.


3. Aanpassen laad- en losplaatsen

De parkeerplaatsen aan de Eddie Boydstraat zijn in de totale parkeerbalans voor Mortiere altijd toebedeeld geweest aan fase 6b en in de parkeerbalans voor dit deel van Mortiere is sprake van een positieve parkeerbalans. Verder worden de laad- en losplaatsen niet gerealiseerd waardoor deze komen te vervallen. De toelichting van het uitwerkingsplan wordt hierop aangepast.


4. Aanpassen Stroeweg in Schroeweg

In de paragraaf 4.3.1 Verkeer van de toelichting is Stroeweg' opgenomen, dit is onjuist en dit wordt gewijzigd in 'Schroeweg'.


5. Toevoeging memo hydrologische gevolgen ontwikkeling fase 6B Mortiere

Aan de bijlage bij de toelichting wordt de memo hydrologische gevolgen ontwikkeling fase 6B Mortiere toegevoegd. Deze memo beschrijft de mogelijke gevolgen voor hydrologie, grondwater en wateroverlast voor de omgeving door de realisatie van Mortiere Fase 6B.

De memo is opgesteld door Arcadis op verzoek van de Gemeente Middelburg en de ontwikkelaar AM Zeeland en wordt gebruikt ter onderbouwing van de uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan.

6. Actualisatie Stikstofonderzoek

Vanwege de aangepaste rekenmethode en de actualisatie van de Aeriuscalculator is het stikstofonderzoek geactualiseerd als ambtshalve wijziging.