| Plan: | TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0613.TAMSchutskooiwijk-VST1 |
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) van het omgevingsplan van de gemeente Albrandswaard. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/ uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Albrandswaard. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22b' gelezen worden.
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3.
De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in 1.3, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-Omgevingsplan.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal te Albrandswaard, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0613.TAMSchutskooiwijk-VST1.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage II van het Omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn mede van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 4 van dit TAM-Omgevingsplan daarvan is afgeweken.
Voor de toepassing van dit TAM-Omgevingsplan gelden de volgende begripsbepalingen:
Het Omgevingsplan van de gemeente Albrandswaard;
het TAM-Omgevingsplan 'TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal' met identificatienummer NL.IMRO.0613.TAMSchutskooiwijk-VST1 van de gemeente Albrandswaard;
de verbeelding van het TAM-Omgevingsplan 'TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal'.
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
een bedrijf dat in een (gedeelte van) een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de gebruik(st)er van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingplichtig is;
een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
onder het begrip 'activiteit' zoals gebruikt in 22.1 wordt verstaan: bouwactiviteit als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit;
antenne-installatie zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
de gezamenlijke oppervlakte van verkoopruimten, productieruimten, magazijnen, bergingen en verblijfsruimten en de overige voor de bedrijfsvoering benodigde vloeroppervlakte;
de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan "Vernieuwde Schutskooiwijk" (4 september 2025) zoals toegevoegd aan deze regels als Bijlage 2 en het 'Addendum Beeldkwaliteitsplan "Vernieuwde Schutskooiwijk" (april 2026)' zoals toegevoegd aan deze regels als Bijlage 3;
mits het bouwwerk in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime;
de grens van een bestemmingsvlak;
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
bijbehorend bouwwerk zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
bouwen zoals bedoeld in Bijlage I bij de Omgevingswet;
de grens van een bouwvlak;
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
de grens van een bouwperceel;
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
bouwwerk zoals bedoeld in Bijlage I bij de Omgevingswet;
bouwwerk geen gebouw zijnde zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
het percentage rente of inflatie waarmee een bedrag in tijd contant wordt gemaakt naar een eerder moment in de tijd;
afrekening van betaalde kostenverhaalsbijdragen als bedoeld in artikel 13.20 Omgevingswet;
niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten die geen specifiek beslag leggen op de ruimte, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie;
gebouw zoals bedoeld in Bijlage I bij de Omgevingswet;
geluidgevoelig gebouw zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
geluidluwe gevel zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
hoofdgebouw zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt hier niet onder verstaan;
inbrengwaarde van de gronden, zoals bedoeld in artikel 13.18, tweede lid, onder a van de Omgevingswet;
beschikking als bedoeld in artikel 13.18 Omgevingswet;
op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 13.18 Omgevingswet verschuldigde geldsom;
een gebied zoals bedoeld in artikel 13.14 en artikel 13.15 van de Omgevingswet;
mantelzorg zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
landbouw bestaande uit een component extensieve akkerbouw en een component natuur, gericht op een positieve, wederkerige relatie tussen de landbouwbedrijfsvoering en natuurlijk kapitaal, waarbij voedselproductie wordt ondersteund door natuurlijke processen en de landbouw zorgdraagt voor het bestendigen van natuurlijke processen;
netto contante waarde: de huidige waarde van toekomstige bedragen, waarbij rekening gehouden wordt met indexering, rente en de tijdsperiode;
voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals ten behoeve van de levering van elektriciteit, gas, warmte, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede ten behoeve van riolering en afvalinzameling;
voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- of vaartuigen, kampeermiddelen, loodsen, keten en soortgelijke verblijfsmiddelen, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken;
gemiddelde NCW van de grondopbrengst van één type activiteit binnen een kostenverhaalsgebied conform artikel 8.16 Omgevingsbesluit en overige bijdragen;
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
al dan niet in combinatie met elkaar. Onder een seksinrichting wordt niet verstaan een escortbedrijf of een sekswinkel;
een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door middel van automaten filmvoorstellingen en/of liveshows van erotische en/of pornografische aard kunnen worden gegeven;
een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin vertoningen van erotische en/of pornografische aard worden gegeven;
een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
het straatpeil zoals bedoeld in Bijlage 1 bij het Omgevingsplan Albrandswaard;
plankosten als bedoeld in hoofdstuk 13 van de Omgevingsregeling;
verschuldigde geldsom, zoals bedoeld in artikel 13.16 van de Omgevingswet;
de waardevermeerdering, zoals bedoeld in artikel 13.15, tweede lid van de Omgevingswet;
het duurzaam hoofdverblijf houden door een huishouden in een woning of ander daartoe bestemd onderkomen. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen;
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
eenheid in de vorm van een woning;
een gebouw dat meerdere geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd;
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het Omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt.
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwgrenzen en/of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt;
bruto vloeroppervlakte zoals bedoeld in Bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen - 1'.
Binnen de als 'Groen - 1' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van steigers, bruggen en duikers.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen - 2'.
Binnen de als 'Groen - 2' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Tuin'.
Binnen de als 'Tuin' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
De gronden mogen worden bebouwd met toepassing van de volgende regels:
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.3 voor het bouwen aan de zijgevel van een entree-, tochtportaal en of erker, op voorwaarde, dat:
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.3 voor het bouwen van andere bouwwerken tot een bouwhoogte van maximaal 3 m, mits:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied'.
Binnen de als 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
met daaraan ondergeschikt:
met de daarbijbehorende:
De gronden mogen worden bebouwd met toepassing van de volgende regels:
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Water'.
Binnen de als 'Water' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 m.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.
Binnen de als 'Wonen' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:
met daarbij behorende:
Binnen de als 'Wonen' aangewezen locaties mogen ten dienste van de gebruiksactiviteiten uitsluitend worden gebouwd:
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:
Voor de in lid 12.2 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels:
Met betrekking tot het gebruik voor woningen geldt dat binnen de bestemming minimaal 60% van het totale programma dient te bestaan uit sociale huurwoningen.
In en bij woningen, is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, met inachtneming van het volgende:
Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient bij de brandpreventieve toets op de volgende wijze rekening te worden gehouden met de effecten van een fakkelbrand op de gevel/dak.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Leiding - Brandstof'.
De als ‘Leiding - Brandstof’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel de instandhouding en bescherming van een transportleiding voor brandstoffen met de daar bijbehorende bouwwerken en andere werken.
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.3 onder c. ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende functie(s), onder de voorwaarde, dat:
Het is verboden ten behoeve van het leidingbelang ter plaatse van de gronden als bedoeld in lid 13.1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van burgemeester en wethouders:
Het bepaalde in lid 13.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 13.5.1 wordt uitsluitend verleend indien gebleken is dat door de werkzaamheden geen schade kan ontstaan aan de leiding.
Burgemeester en wethouders winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.5.1 schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'.
De als ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel het behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in 14.4.1.
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 14.4.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld, ongeacht de terreinoppervlakte.
Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'.
De als ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel het behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in 15.4.1.
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 15.4.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan.
Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4'.
De als ‘Waarde - Archeologie 4’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel het behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in 16.4.1.
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 16.4.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan.
Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat'.
De als ‘Waterstaat’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel de instandhouding en bescherming van waterstaatsdoeleinden.
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 17.3 onder b. voor het bouwen ten behoeve van andere daar voorkomende functie(s) onder de voorwaarden dat:
Voor de toepassing van dit TAM-Omgevingsplan gelden de volgende Algemene regels:
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
De regels inzake de toelaatbaarheid, de aard, de omvang en de situering van gebouwen zijn in geval van ondergrondse bouw van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze uitsluitend is toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 20.1.1 onder a ten behoeve van ondergrondse bouw buiten de oppervlakte van bestaande, bovengronds gelegen gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
De beleidsregel beeldkwaliteitsplan kan na vaststelling van dit plan door het college worden gewijzigd, ingetrokken of herzien.
De minimum parkeerbehoefte die wordt berekend op basis van artikel 21.1 onder a. geldt tevens als maximum parkeernorm, afgerond op hele getallen naar boven.
Tot een strijdig gebruik met de bestemming wordt, voor zover dit niet al in in Artikel 2 of in de bestemming zelf is aangegeven, in ieder geval gerekend:
Het bepaalde in 21.3 onder c. en d. is niet van toepassing op het (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden en/of bouwwerken.
Op de gronden binnen de aanduiding 'wetgevingzone - kostenverhaalsgebied' gelden de volgende regels.
Voor het kostenverhaalsgebied is geen tijdvak vastgesteld.
De kostensoorten die aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend zijn:
Bij het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking en de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening wordt het maximum van de te verhalen kosten en de opbrengst per activiteit geïndexeerd conform Bijlage 6 GREX zonder tijdvak dan wel een door de gemeenteraad vastgestelde actualisatie daarvan.
Bij het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking en de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening wordt de nieuw berekende bijdrage verdisconteerd met de gemiddelde discontovoet tussen de vaststelling van de beschikking en de datum van de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening.
Als bij een eindafrekening of een tussentijdse eindafrekening terugbetaling plaatsvindt, wordt het terug te betalen bedrag zoals bepaald bij de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening verhoogd met een samengestelde gemiddelde rente tussen de vaststelling van de beschikking en de datum van de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening.
Burgemeester en wethouders bepalen of en welke zekerheden worden gesteld voor de start van de activiteit als er niet is betaald op dat moment.
De bouw van geluidsgevoelige gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' is uitsluitend toegestaan indien voldaan kan worden aan de in de Besluit kwaliteit leefomgeving gestelde standaardwaarden dan wel de in 12.3.2 gestelde hogere waarden.
Op de gronden binnen de aanduiding 'veiligheidszone - leiding brandstof' geldt dat:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van de bepalingen in de regels ten aanzien van de volgende onderwerpen:
Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de omgevingsvergunning voor het afwijken dient te worden voldaan aan de vereisten die volgen uit het beeldkwaliteitsplan en dient in de belangenafweging eveneens te worden gelet op de effecten met betrekking tot de verkeersveiligheid (voldoende ruimte voor voetgangers en/of bedienend verkeer).
Voor de toepassing van dit TAM-Omgevingsplan gelden de volgende Overgangsregels:
Voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen afwijken van dat overgangsrecht.