direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0613.TAMSchutskooiwijk-VST1

Regels

Preambule 

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) van het omgevingsplan van de gemeente Albrandswaard. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/ uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Albrandswaard. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22b' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Tijdelijk Omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3.

1.2 Tijdelijk Omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in 1.3, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-Omgevingsplan.

1.3 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal te Albrandswaard, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0613.TAMSchutskooiwijk-VST1.

Artikel 2 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 3 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage II van het Omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn mede van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 4 van dit TAM-Omgevingsplan daarvan is afgeweken.

Artikel 4 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit TAM-Omgevingsplan gelden de volgende begripsbepalingen:

4.1 Omgevingsplan

Het Omgevingsplan van de gemeente Albrandswaard;

4.2 TAM-Omgevingsplan

het TAM-Omgevingsplan 'TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal' met identificatienummer NL.IMRO.0613.TAMSchutskooiwijk-VST1 van de gemeente Albrandswaard;

4.3 verbeelding

de verbeelding van het TAM-Omgevingsplan 'TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22b Schutskooiwijk Poortugaal'.

4.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

4.5 aan huis verbonden bedrijf (bedrijf aan huis)

een bedrijf dat in een (gedeelte van) een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de gebruik(st)er van de woning, en dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingplichtig is;

4.6 aan huis verbonden beroep (beroep aan huis)

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de gebruik(st)er, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

4.7 activiteit

onder het begrip 'activiteit' zoals gebruikt in 22.1 wordt verstaan: bouwactiviteit als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit;

4.8 antenne-installatie

antenne-installatie zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

4.9 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

4.10 bedrijfsvloeroppervlakte

de gezamenlijke oppervlakte van verkoopruimten, productieruimten, magazijnen, bergingen en verblijfsruimten en de overige voor de bedrijfsvoering benodigde vloeroppervlakte;

4.11 beeldkwaliteitsplan

de beleidsregel 'Beeldkwaliteitsplan "Vernieuwde Schutskooiwijk" (4 september 2025) zoals toegevoegd aan deze regels als Bijlage 2 en het 'Addendum Beeldkwaliteitsplan "Vernieuwde Schutskooiwijk" (april 2026)' zoals toegevoegd aan deze regels als Bijlage 3;

4.12 bestaand
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan:
    • 1. bestaat, of;
    • 2. wordt gebouwd, of;
    • 3. nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend;

mits het bouwwerk in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime;

  • b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime;
4.13 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

4.14 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

4.15 bijbehorend bouwwerk

bijbehorend bouwwerk zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

4.16 bouwen

bouwen zoals bedoeld in Bijlage I bij de Omgevingswet;

4.17 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

4.18 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder

4.19 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

4.20 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

4.21 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

4.22 bouwwerk

bouwwerk zoals bedoeld in Bijlage I bij de Omgevingswet;

4.23 bouwwerk geen gebouw zijnde

bouwwerk geen gebouw zijnde zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

4.24 discontovoet

het percentage rente of inflatie waarmee een bedrag in tijd contant wordt gemaakt naar een eerder moment in de tijd;

4.25 eindafrekening

afrekening van betaalde kostenverhaalsbijdragen als bedoeld in artikel 13.20 Omgevingswet;

4.26 extensieve dagrecreatie

niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten die geen specifiek beslag leggen op de ruimte, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie;

4.27 gebouw

gebouw zoals bedoeld in Bijlage I bij de Omgevingswet;

4.28 geluidgevoelige gebouw

geluidgevoelig gebouw zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

4.29 geluidluwe gevel

geluidluwe gevel zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

4.30 hoofdgebouw

hoofdgebouw zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

4.31 huishouden

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt hier niet onder verstaan;

4.32 inbrengwaarde van de gronden

inbrengwaarde van de gronden, zoals bedoeld in artikel 13.18, tweede lid, onder a van de Omgevingswet;

4.33 kostenverhaalsbeschikking

beschikking als bedoeld in artikel 13.18 Omgevingswet;

4.34 kostenverhaalsbijdrage

op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 13.18 Omgevingswet verschuldigde geldsom;

4.35 kostenverhaalsgebied

een gebied zoals bedoeld in artikel 13.14 en artikel 13.15 van de Omgevingswet;

4.36 mantelzorg

mantelzorg zoals bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

4.37 natuurinclusieve landbouw

landbouw bestaande uit een component extensieve akkerbouw en een component natuur, gericht op een positieve, wederkerige relatie tussen de landbouwbedrijfsvoering en natuurlijk kapitaal, waarbij voedselproductie wordt ondersteund door natuurlijke processen en de landbouw zorgdraagt voor het bestendigen van natuurlijke processen;

4.38 NCW

netto contante waarde: de huidige waarde van toekomstige bedragen, waarbij rekening gehouden wordt met indexering, rente en de tijdsperiode;

4.39 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals ten behoeve van de levering van elektriciteit, gas, warmte, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede ten behoeve van riolering en afvalinzameling;

4.40 onderkomen

voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- of vaartuigen, kampeermiddelen, loodsen, keten en soortgelijke verblijfsmiddelen, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken;

4.41 opbrengsten

gemiddelde NCW van de grondopbrengst van één type activiteit binnen een kostenverhaalsgebied conform artikel 8.16 Omgevingsbesluit en overige bijdragen;

4.42 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • a. een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon;
  • b. een seksbioscoop of sekstheater;
  • c. een seksautomatenhal;
  • d. een seksclub of parenclub;

al dan niet in combinatie met elkaar. Onder een seksinrichting wordt niet verstaan een escortbedrijf of een sekswinkel;

4.43 seksautomatenhal

een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door middel van automaten filmvoorstellingen en/of liveshows van erotische en/of pornografische aard kunnen worden gegeven;

4.44 seksbioscoop/-theater

een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin vertoningen van erotische en/of pornografische aard worden gegeven;

4.45 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

4.46 sociale huurwoning

sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd;

4.47 straatpeil

het straatpeil zoals bedoeld in Bijlage 1 bij het Omgevingsplan Albrandswaard;

4.48 te verhalen kosten

plankosten als bedoeld in hoofdstuk 13 van de Omgevingsregeling;

4.49 verschuldigde geldsom

verschuldigde geldsom, zoals bedoeld in artikel 13.16 van de Omgevingswet;

4.50 waardevermeerdering

de waardevermeerdering, zoals bedoeld in artikel 13.15, tweede lid van de Omgevingswet;

4.51 wonen

het duurzaam hoofdverblijf houden door een huishouden in een woning of ander daartoe bestemd onderkomen. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen;

4.52 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

4.53 wooneenheid

eenheid in de vorm van een woning;

4.54 woongebouw

een gebouw dat meerdere geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd;

Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het Omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt.

Artikel 6 Aanvullende meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

6.1 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

6.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

6.3 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

6.4 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

6.5 de bouwhoogte van een antenne-installatie:
6.6 ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwgrenzen en/of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt;

6.7 de bruto vloeroppervlakte:

bruto vloeroppervlakte zoals bedoeld in Bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Groen - 1

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen - 1'.

7.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

Binnen de als 'Groen - 1' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. het behoud, herstel en de ontwikkeling van groen-, natuur-, en landschapswaarden;
  • b. groen;
  • c. water;
  • d. extensieve dagrecreatie;
  • e. voet- en fietspaden;
  • f. steigers, bruggen, duikers.
7.3 Bouwactiviteiten

De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van steigers, bruggen en duikers.

Artikel 8 Groen - 2

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen - 2'.

8.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

Binnen de als 'Groen - 2' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groen;
  • b. water;
  • c. extensieve dagrecreatie;
  • d. voet- en fietspaden;
  • e. sport- en speelvoorzieningen;
  • f. steigers, bruggen, duikers;
  • g. nutsvoorzieningen en gemalen.
8.3 Bouwactiviteiten

De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen niet meer mag bedragen dan 6 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 3,5 m.

Artikel 9 Tuin

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Tuin'.

9.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

Binnen de als 'Tuin' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. tuinen;
  • b. parkeervoorzieningen.
9.3 Bouwactiviteiten

De gronden mogen worden bebouwd met toepassing van de volgende regels:

  • a. bij iedere woning aan de voorgevel een entree-, tochtportaal en/of erker mag worden gebouwd, waarbij;
    • 1. de grondoppervlakte niet meer dan 2 m2 bedraagt;
    • 2. de goothoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de bijbehorende woning;
    • 3. de afstand van het gebouw tot de naar de openbare ruimte toegekeerde perceelsgrens ten minste 1 m bedraagt;
  • b. voor het overige uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van debestemming mogen worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1 m.
9.4 Specifieke beoordelingsregels voor bouwactiviteiten
9.4.1 Entree, tochtportaal en/of erker

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.3 voor het bouwen aan de zijgevel van een entree-, tochtportaal en of erker, op voorwaarde, dat:

  • a. de grondoppervlakte niet meer bedraagt dan 2 m2;
  • b. de goothoogte niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de bijbehorende woning;
  • c. de afstand van het gebouw tot de naar de openbare ruimte toegekeerde perceelsgrens ten minste 1 m zal bedragen;
  • d. de naast een woning bestaande parkeergelegenheid op eigen erf behouden blijft.
9.4.2 Andere bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.3 voor het bouwen van andere bouwwerken tot een bouwhoogte van maximaal 3 m, mits:

  • a. geen aantasting plaatsvindt van de gewenste stedenbouwkundige structuur;
  • b. het bouwplan geen afbreuk doet aan de belangen van omwonenden (bezonning, privacy).

Artikel 10 Verkeer - Verblijfsgebied

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

10.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

Binnen de als 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen, straten en paden;
  • b. verblijfsvoorzieningen;
  • c. (fiets)parkeervoorzieningen;
  • d. garageboxen ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage';
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder waterpartijen en waterlopen;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. speelvoorzieningen;
  • i. beeldende kunstwerken;
  • j. tuinen;
  • k. wachtruimten ten behoeve van het openbaar vervoer;

met de daarbijbehorende:

  • l. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
10.3 Bouwactiviteiten

De gronden mogen worden bebouwd met toepassing van de volgende regels:

10.3.1 Beoordelingsregels gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' mogen maximaal 7 garageboxen worden gebouwd met een oppervlak van maximaal 140 m2 in totaal;
  • b. de inhoud van overige gebouwen mag per gebouw niet meer dan 50 m3 bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer dan 3 m bedragen.
10.3.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en lichtmasten mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • b. in afwijking van sub a. mag de bouwhoogte van speelvoorzieningen niet meer dan 6 m bedragen.

Artikel 11 Water

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Water'.

11.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

Binnen de als 'Water' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. water;
  • b. waterberging en waterhuishouding;
  • c. extensief recreatief medegebruik;
  • d. duikers;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. steigers;
  • g. bruggen.
11.3 Bouwactiviteiten

De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 m.

Artikel 12 Wonen

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

12.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

Binnen de als 'Wonen' aangewezen locaties zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen;
  • b. aan huis gebonden beroep en bedrijf;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend voor parkeervoorzieningen;

met daarbij behorende:

  • d. erven en tuinen;
  • e. wegen en fiets- en voetpaden;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. sport- en speelvoorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. straatmeubilair.
12.3 Bouwactiviteiten
12.3.1 Algemeen

Binnen de als 'Wonen' aangewezen locaties mogen ten dienste van de gebruiksactiviteiten uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
12.3.2 Beoordelingsregels gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. nieuwe bouwwerken voldoen aan de vereisten die volgen uit het beeldkwaliteitsplan;
  • b. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • c. het totale aantal woningen binnen de bestemming mag niet meer bedragen dan 260;
  • d. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de 'maximum bebouwingspercentage (%)' met deze aanduiding is aangeduid;
  • e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' met deze aanduiding is aangeduid;
  • f. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' met deze aanduiding is aangeduid;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1'
    • 1. mag de maximum bouwhoogte niet meer bedragen dan 10 meter in het geval van gebouwen met een plat dak en
    • 2. mag de maximum goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan 7 meter resp. 11 meter in het geval van gebouwen met een kap;
  • h. het geluid op de gevels van een woning is niet hoger dan de standaardwaarde, bedoeld in tabel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • i. in afwijking van het bepaalde onder h. is het geluid op de gevels van een woning niet hoger dan:
    • 1. 51 dB vanwege de provinciale weg N492;
    • 2. 53 dB(A) vanwege het gezoneerde industrieterrein Waal Eemhaven;
  • j. een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning wordt alleen verleend indien:
  • k. wordt voldaan aan de benodigde gevelwering zoals aangegeven in bijlage 7 "gezamenlijk geluid en gevelwering" van het rapport zoals aan deze regels toegevoegd als Bijlage 4.

12.4 Specifieke gebruiksactiviteiten

Voor de in lid 12.2 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels:

12.4.1 Woonprogramma

Met betrekking tot het gebruik voor woningen geldt dat binnen de bestemming minimaal 60% van het totale programma dient te bestaan uit sociale huurwoningen.

12.4.2 Aan huis verbonden beroep en bedrijf

In en bij woningen, is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, met inachtneming van het volgende:

  • a. de vloeroppervlakte in gebruik voor een beroep of bedrijf aan huis bedraagt ten hoogste 30% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken met een maximum van 50 m², danwel de bestaande oppervlakte, wanneer deze meer bedraagt;
  • b. het beroep of bedrijf aan huis mag uitsluitend worden uitgeoefend door de bewoner(s) van de betreffende woning;
  • c. bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover voorkomend in categorie 1 of 2 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat detailhandel, groothandel en horeca zijn uitgesloten;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder c. is horeca in de vorm van een bed en breakfast wel toegestaan met inachtneming van de volgende aanvullende voorwaarden:
    • 1. de omvang van de activiteit niet meer mag bedragen dan 50% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de hoofdbebouwing;
    • 2. nabijgelegen percelen niet in onevenredige mate hinder mogen ondervinden;
    • 3. het aantal slaapverblijven maximaal 7 bedraagt;
    • 4. bij de slaapverblijven geen zelfstandige kookgelegenheden zijn toegestaan;
    • 5. een nachtregister moet worden bijgehouden;
    • 6. het maximale oppervlakte per slaapverblijf niet meer dan 30 m² mag bedragen;
    • 7. het nachtverblijf niet mag plaatsvinden in vrijstaande bijgebouwen;
    • 8. voorzien wordt in 1 parkeerplaats per slaapverblijf op eigen terrein.
  • e. het uitoefenen van het beroep of bedrijf aan huis mag niet leiden tot een onevenredige verkeers- en parkeerdruk gelet op de capaciteit van de bestaande infrastructuur en parkeervoorzieningen.

12.5 Specifieke beoordelingsregels voor bouwactiviteiten

Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient bij de brandpreventieve toets op de volgende wijze rekening te worden gehouden met de effecten van een fakkelbrand op de gevel/dak.

  • a. De aanvrager van een omgevingsvergunning dient een berekening uit te (laten) voeren naar de 1% letaliteitscontour (warmtestralingscontour 12,5 kW/m2) met betrekking tot de propyleenbuisleiding DOWBNL.C3_NL_Zuid_Holland zoals in 22.3 geregeld.
  • b. De (beperkt) kwetsbare gebouwen die binnen de 1% letaliteitscontour (warmtestralingscontour 12,5 kW/m2) vallen, dienen zodanig te worden geconstrueerd dat deze beschermd zijn tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) als gevolg van een fakkelbrand. Hierbij kan voor de gevels en daken gericht naar de buisleiding gedacht worden aan blinde gevels of het beperken van het glasoppervlak. De gevels, daken en/of glasoppervlakken die gericht zijn naar de buisleiding, behoren bestand te zijn tegen een warmtestralingsflux >12,5 kW/m2.
  • c. Indien de onder a. bedoelde berekening niet uitgevoerd wordt, dienen binnen het hele brandaandachtsgebied de (beperkt) kwetsbare gebouwen zodanig uitgevoerd te worden dat deze beschermd zijn tegen de hierboven beschreven gevolgen.
  • d. Bij de bouw van (beperkt) kwetsbare gebouwen binnen het brandaandachtsgebied dient er rekening te worden gehouden met goede ontvluchtingsmogelijkheden bij een (dreigende) fakkelbrand, waaronder verstaan wordt dat het voor het ontvluchten wenselijk is om minimaal één (nood)uitgang van de buisleiding af te richten en deze in voldoende mate aan te laten sluiten op de infrastructuur van de omgeving.

12.6 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
  • a. Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders.
  • b. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die uit het oogpunt van te beschermen belangen van ondergeschikte betekenis zijn.
  • c. Een vergunning als bedoeld onder a. wordt uitsluitend verleend indien geen onevenredige schade wordt toegebracht cultuurhistorische waarde van de bebouwing.
  • d. Burgemeester en wethouders winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld onder a. advies in bij de gemeentelijke monumentencommissie en welstandscommissie.

Artikel 13 Leiding - Brandstof

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Leiding - Brandstof'.

13.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

De als ‘Leiding - Brandstof’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel de instandhouding en bescherming van een transportleiding voor brandstoffen met de daar bijbehorende bouwwerken en andere werken.

13.3 Bouwactiviteiten
  • a. De gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
    • 1. gebouwen ten dienste van 'Leiding - Brandstof' waarvan de grondoppervlakte niet meer mag bedragen dan 5 m2 en de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 m;
    • 2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van 'Leiding - Brandstof' waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.
  • b. Ten behoeve van de andere daar voorkomende functie(s) mogen geen bouwwerken worden gebouwd.
13.4 Specifieke beoordelingsregels voor bouwactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.3 onder c. ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende functie(s), onder de voorwaarde, dat:

  • a. de belangen met betrekking tot de betrokken leidingen dit toelaten;
  • b. alvorens een omgevingsvergunning te verlenen schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betrokken leiding.
13.5 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
13.5.1 Verbod

Het is verboden ten behoeve van het leidingbelang ter plaatse van de gronden als bedoeld in lid 13.1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden van burgemeester en wethouders:

  • a. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  • b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze ingraven dan wel indrijven van voorwerpen;
  • c. het uitvoeren van grondwerkzaamheden;
  • d. het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
13.5.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 13.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. worden uitgevoerd in het kader van het onderhoud en beheer van de leiding;
  • b. van geringe omvang zijn of gericht op en noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de leiding;
  • c. niet van ingrijpende betekenis zijn.
13.5.3 Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 13.5.1 wordt uitsluitend verleend indien gebleken is dat door de werkzaamheden geen schade kan ontstaan aan de leiding.

13.5.4 Advies

Burgemeester en wethouders winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.5.1 schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder.

Artikel 14 Waarde - Archeologie 2

14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'.

14.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

De als ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel het behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.

14.3 Bouwactiviteiten
14.3.1 Rapport archeologische deskundige

In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in 14.4.1.

14.3.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
14.4 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
14.4.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 14.4.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld, ongeacht de terreinoppervlakte.

14.4.2 Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden
  • a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
  • e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
14.4.3 Uitgezonderde werkzaamheden

Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.

14.4.4 Vergunning

De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

14.4.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning

Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 15 Waarde - Archeologie 3

15.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'.

15.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

De als ‘Waarde - Archeologie 3’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel het behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.

15.3 Bouwactiviteiten
15.3.1 Rapport archeologische deskundige

In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in 15.4.1.

15.3.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
15.4 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
15.4.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 15.4.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan.

15.4.2 Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden
  • a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
  • e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
15.4.3 Uitgezonderde werkzaamheden

Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.

15.4.4 Vergunning

De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

15.4.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning

Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 16 Waarde - Archeologie 4

16.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4'.

16.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

De als ‘Waarde - Archeologie 4’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel het behoud van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.

16.3 Bouwactiviteiten
16.3.1 Rapport archeologische deskundige

In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in 16.4.1.

16.3.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
16.4 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
16.4.1 Verbod

In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 16.4.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 100 m² beslaan.

16.4.2 Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden
  • a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
  • e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
16.4.3 Uitgezonderde werkzaamheden

Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.

16.4.4 Vergunning

De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

16.4.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning

Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

Artikel 17 Waterstaat

17.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat'.

17.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

De als ‘Waterstaat’ aangewezen locatie heeft, behalve de andere daar voorkomende functie(s), mede tot doel de instandhouding en bescherming van waterstaatsdoeleinden.

17.3 Bouwactiviteiten
  • a. De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van 'Waterstaat' worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van niet meer dan 10 m.
  • b. Ten behoeve van de andere daar voorkomende functie(s) mogen geen bouwwerken worden gebouwd.
17.4 Specifieke beoordelingsregels voor bouwactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 17.3 onder b. voor het bouwen ten behoeve van andere daar voorkomende functie(s) onder de voorwaarden dat:

  • a. de waterhuishoudkundige belangen dit toelaten;
  • b. alvorens omgevingsvergunning te verlenen schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het waterschap.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Voor de toepassing van dit TAM-Omgevingsplan gelden de volgende Algemene regels:

Artikel 18 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 19 Aanvraagvereisten

19.1 Algemeen
  • a. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van omgevingsplan Albrandswaard, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan;
  • b. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.
19.2 Bijzondere aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een tekening met daarop de locatie van de activiteiten bouwen en/of het wijzigen van het gebruik en de parkeergelegenheid voor auto en fiets met maatvoering; en
  • b. een rapport waaruit blijkt dat het stappenplan uit de beleidsregel Nota Parkeernormen van de gemeente Albrandswaard (3 februari 2025) of diens rechtsopvolger is gevolgd;
  • c. in verband met het kostenverhaal, de gegevens en bescheiden zoals bepaald in 22.1.1.

Artikel 20 Algemene beoordelingsregels

20.1 Ondergronds bouwen
20.1.1 Algemeen

De regels inzake de toelaatbaarheid, de aard, de omvang en de situering van gebouwen zijn in geval van ondergrondse bouw van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deze uitsluitend is toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. ondergrondse bouw is uitsluitend toegestaan onder de oppervlakte van bovengronds gelegen gebouwen;
  • b. gebouwd mag worden tussen peil en 4 m onder straatpeil;
20.1.2 Afwijken

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 20.1.1 onder a ten behoeve van ondergrondse bouw buiten de oppervlakte van bestaande, bovengronds gelegen gebouwen, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  • a. de bouwhoogte van kelders bedraagt ten hoogste 0,1 meter beneden peil;
  • b. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en de openbare weg bedraagt ten minste 1 m, met dien verstande dat in geval van kelderbouw in belendende percelen in de zijperceelgrens mag worden gebouwd;
  • c. kelders mogen niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel.
20.2 Hemelwaterberging
  • a. Voor alle nieuw te realiseren ontwikkelingen (wegen, paden, bebouwing) binnen het besluitgebied geldt de verplichting om in voldoende hemelwaterberging te voorzien en in stand te houden.
  • b. Onder voldoende hemelwaterberging wordt verstaan dat minimaal 40 mm regenwater per vierkante meter verharding kan worden geborgen op eigen terrein, danwel op de direct nabijgelegen gronden.
  • c. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de het waterschap over de hemelwaterberging.
20.3 Beleidsregels

De beleidsregel beeldkwaliteitsplan kan na vaststelling van dit plan door het college worden gewijzigd, ingetrokken of herzien.

Artikel 21 Algemene gebruiksregels

21.1 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden gerekend met parkeerregels overeenkomstig de door de gemeenteraad vastgestelde nota parkeernormen te weten: de Nota Parkeernormen van de gemeente Albrandswaard (3 februari 2025) of diens rechtsopvolger.
  • b. B&W zijn bevoegd van het bepaalde onder a. bij omgevingsvergunning af te wijken, indien:
    • 1. het geldende gemeentelijke parkeerbeleid daartoe mogelijkheid biedt;
    • 2. zij van oordeel zijn dat er op andere wijze is of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; of
    • 3. zij van oordeel zijn dat het voldoen aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit en geen sprake zal zijn van onevenredige toename van de parkeerdruk en geen afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.
21.2 Maximum parkeergelegenheid

De minimum parkeerbehoefte die wordt berekend op basis van artikel 21.1 onder a. geldt tevens als maximum parkeernorm, afgerond op hele getallen naar boven.

21.3 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik met de bestemming wordt, voor zover dit niet al in in Artikel 2 of in de bestemming zelf is aangegeven, in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor zeer kwetsbare gebouwen;
  • b. het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden als standplaats voor kampeermiddelen of andere onderkomens;
  • c. het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden als opslag- of bergplaats voor gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten, bouwmaterialen, voer-, vaar- of vliegtuigen, werktuigen, machines of onderdelen hiervan, behoudens voor zover noodzakelijk in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • d. het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden voor het storten of lozen van puin, vuil, of andere vaste of vloeibare afvalstoffen, behoudens voor zover noodzakelijk in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • e. het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting, (raam)prostitutie of escortbedrijf;
  • f. het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden als ligplaats voor woonschepen, drijvende woningen of recreatie-arken;
  • g. het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen voor permanente bewoning, voor zover de betreffende gronden niet voorzien zijn van een daartoe passende bestemming;
  • h. het gebruiken en/of laten gebruiken van vrijstaande bijgebouwen bij een (bedrijfs-/dienst)woning voor (zelfstandige) bewoning.
21.4 Uitzondering

Het bepaalde in 21.3 onder c. en d. is niet van toepassing op het (tijdelijk) gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemmingen of het normale onderhoud van de gronden en/of bouwwerken.

Artikel 22 Algemene aanduidingsregels

22.1 wetgevingzone - kostenverhaalsgebied

Op de gronden binnen de aanduiding 'wetgevingzone - kostenverhaalsgebied' gelden de volgende regels.

22.1.1 Wijze van kostenverhaal en aanvraagvereiste
  • a. Als er geen overeenkomst over kostenverhaal is aangegaan, wordt de verschuldigde geldsom door het college van burgemeesters en wethouders bij kostenverhaalsbeschikking vastgesteld volgens hetgeen daarover is bepaald in of op grond van de Omgevingswet en in dit omgevingsplan.
  • b. Degene die een bouw- of gebruiksactiviteit verricht, zijnde het bouwen van een woning of het in gebruik nemen daarvan, mag deze activiteit slechts verrichten indien een kostenverhaalsbijdrage is voldaan;
  • c. De aanvraag voor een kostenverhaalsbeschikking bevat:
    • 1. naam aanvrager, huidig woonadres, e-mailadres en telefoonnummer;
    • 2. (optioneel) gegevens tweede aanvrager;
    • 3. datum start activiteit;
    • 4. locatie van de activiteit - met zo nodig een verkavelingskaart - met aanduiding van de te realiseren bouwactiviteiten per subcategorie en de bijbehorende aantallen;
    • 5. overzicht van door de aanvrager gemaakte kosten, zoals bedoeld in 22.1.3 en 22.1.4.
22.1.2 Tijdvak

Voor het kostenverhaalsgebied is geen tijdvak vastgesteld.

22.1.3 Kostensoorten

De kostensoorten die aan het kostenverhaalsgebied worden toegerekend zijn:

  • a. Kosten openbaar gebied: NCW van de kosten zoals benoemd in artikel 8.15 sub a van het Omgevingsbesluit.
  • b. Kosten uitgeefbaar gebied: NCW van de gronden, conform artikel 8.17 Omgevingsbesluit van het kostenverhaalsgebied waarop de activiteiten plaatsvinden.
22.1.4 Raming van de kosten
  • a. Het maximum van de globaal te verhalen kosten als geheel, zoals bedoeld in artikel 13.15, eerste lid onder a van de Omgevingswet, bedragen €5.688.049 NCW.
  • b. Bij de raming van de te verhalen kosten van het kostenverhaalsgebied wordt in dit omgevingsplan voor de te verhalen kosten uitgegaan van het bedrag dat ten hoogste kan worden verhaald op grond van hoofdstuk 13 van de Omgevingsregeling en zijn op NCW als volgt:
    • 1. onderzoekskosten: €11.387
    • 2. bouwrijp maken: €1.779.160
    • 3. woonrijp maken: €3.040.691
    • 4. plankosten: €634.605
    • 5. sloopkosten €222.206
    • 6. bijkomende kosten: €0
22.1.5 Raming van de opbrengsten
  • a. De opbrengst van de grond per kostenverhaalsplichtige activiteit en de totale opbrengsten van de gronden in het kostenverhaalsgebied worden berekend door het aantal te realiseren standaardeenheden te vermenigvuldigen met de berekende opbrengst per standaardeenheid voor de subcategorie waarin de bouwactiviteiten vallen.
  • b. De grondopbrengsten voor de verschillende bouwactiviteiten in het kostenverhaalsgebied zijn op NCW als volgt:
    • 1. sociale woningbouw: €21.250 per stuk (€21.041 NCW)
    • 2. appartementen vrije sector middelgroot: €39.699 per stuk (€39.309 NCW)
    • 3. appartementen vrije sector groot: €75.216 per stuk (€74.475 NCW)
    • 4. rijwoningen vrije sector: €97.041 per stuk (€96.085 NCW)
22.1.6 Verdeling van de kosten over de activiteiten
  • a. Voor de verdeling van de kosten over de activiteiten geldt:
    • 1. De kosten van het openbaar gebied worden over de bouwactiviteiten verdeeld door de opbrengsten van de grond per activiteit te delen door de totale opbrengsten van de gronden in het kostenverhaalsgebied en te vermenigvuldigen met het totaal van de te verhalen kosten.
    • 2. De kostenverhaalsbijdrage wordt berekend tot een maximum van de waardevermeerderingstoets die optreedt of op zal treden als gevolg van de bouwactiviteit.
  • b. Het maximum van de te verhalen kosten bedraagt de NCW op prijspeil 1-1-2025 per activiteit:
    • 1. sociale woningbouw: €11.343 per stuk
    • 2. appartementen vrije sector middelgroot: €21.192 per stuk
    • 3. appartementen vrije sector groot: €40.151 per stuk
    • 4. rijwoningen vrije sector: €51.801 per stuk
  • c. De kosten worden verhaald tot ten hoogste het bedrag van de waardevermeerdering van de locatie waar de activiteit wordt verricht, die optreedt of zal optreden als gevolg van de activiteit.
  • d. Burgemeester en wethouders brengen op de verschuldigde geldsom de kosten zoals bedoeld in 22.1.3 en 22.1.4 die de aanvrager heeft voldaan in mindering.
22.1.7 Waardevermeerdering en inbrengwaarde van de gronden
  • a. De waardevermeerdering en de inbrengwaarde van de gronden worden geraamd met overeenkomstige toepassing van artikel 8.17 lid 1 onder a Omgevingsbesluit.
  • b. De inbrengwaarde als bedoeld onder a wordt verhoogd met sloopkosten, saneringskosten en grondwerk als daar sprake van is.
  • c. De inbrengwaarde als bedoeld onder b en overige kosten zijn gebaseerd op marktconforme uitgangspunten.
  • d. in afwijking van het bepaalde onder a t/m c zijn van de inbrengwaarde van de openbare ruimte alleen sloopkosten opgenomen groot €222.206 NCW.
22.1.8 Indexering

Bij het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking en de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening wordt het maximum van de te verhalen kosten en de opbrengst per activiteit geïndexeerd conform Bijlage 6 GREX zonder tijdvak dan wel een door de gemeenteraad vastgestelde actualisatie daarvan.

22.1.9 Discontering

Bij het vaststellen van een kostenverhaalsbeschikking en de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening wordt de nieuw berekende bijdrage verdisconteerd met de gemiddelde discontovoet tussen de vaststelling van de beschikking en de datum van de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening.

22.1.10 Rente

Als bij een eindafrekening of een tussentijdse eindafrekening terugbetaling plaatsvindt, wordt het terug te betalen bedrag zoals bepaald bij de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening verhoogd met een samengestelde gemiddelde rente tussen de vaststelling van de beschikking en de datum van de eindafrekening of de tussentijdse eindafrekening.

22.1.11 Zekerstelling

Burgemeester en wethouders bepalen of en welke zekerheden worden gesteld voor de start van de activiteit als er niet is betaald op dat moment.

22.1.12 Eindafrekening van de kosten
  • a. Binnen drie maanden na het uitvoeren van de in een kostenverhaalsgebied voorziene activiteiten, werken, werkzaamheden en maatregelen stellen burgemeester en wethouders bij beschikking een eindafrekening van het kostenverhaal in het kostenverhaalsgebied vast.
  • b. Bij de eindafrekening wordt de bij de kostenverhaalsbeschikking vastgestelde kostenverhaalsbijdrage opnieuw berekend op basis van de daadwerkelijke kosten van de voorziene werken, werkzaamheden en maatregelen en de daadwerkelijke verdeling van de opbrengsten over de activiteiten conform 22.1.6 en 22.1.7.
  • c. De nieuw berekende kostenverhaalsbijdrage in lid b wordt contant gemaakt naar het tijdstip van het vaststellen van de beschikking.
  • d. Als uit de nieuw berekende kostenverhaalsbijdrage volgt dat de gemeente een gedeelte van de eerder betaalde kostenverhaalsbijdrage moet terugbetalen, wordt die geldsom vermeerderd met de rente tot het moment waarop de eindafrekening plaats vindt.
  • e. De gemeente kan de in lid d berekende geldsom betalen aan een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald, als het volgende wordt overgelegd aan de gemeente:
    • 1. een bewijs dat diegene recht heeft op de terugbetaling;
    • 2. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van de andere belanghebbende.
22.1.13 Tussentijdse eindafrekening
  • a. Degene die ten tijde van betaling van de kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in artikel 22.1.5 houder was van de desbetreffende omgevingsvergunning, of diens rechtsopvolger kan burgemeester en wethouders als ten minste vijf jaar verstreken zijn na betaling van de kostenverhaalsbijdrage verzoeken om een eindafrekening als bedoeld in artikel 13.20, vierde lid van de Omgevingswet.
  • b. Op eindafrekeningen op verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt jaarlijks in mei door burgemeester en wethouders beslist, als de verzoeken ten minste 8 weken voor die datum schriftelijk zijn ontvangen.
  • c. Bij een verzoek om eindafrekening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • 1. een kopie van de kostenverhaalsbeschikking;
    • 2. als het verzoek wordt ingediend door een andere belanghebbende dan degene op wiens naam is betaald: een bewijs dat de verzoeker recht heeft op de terugbetaling;
    • 3. naam, adres, telefoonnummer en rekeningnummer van verzoeker.
  • d. Een eindafrekening op verzoek wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van artikel 22.1.12 en op basis van de op het moment van de aanvraag om de eindafrekening:
    • 1. gemaakte kosten; en
    • 2. geraamde nog niet-gemaakte kosten.
  • e. Na een tussentijdse eindafrekening kan geen aanspraak meer gemaakt worden op een nieuwe eindafrekening.
22.2 geluidzone - industrie

De bouw van geluidsgevoelige gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' is uitsluitend toegestaan indien voldaan kan worden aan de in de Besluit kwaliteit leefomgeving gestelde standaardwaarden dan wel de in 12.3.2 gestelde hogere waarden.

22.3 veiligheidszone - leiding brandstof

Op de gronden binnen de aanduiding 'veiligheidszone - leiding brandstof' geldt dat:

  • a. geen zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden gerealiseerd;
  • b. burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde onder a mits sprake is van gewichtige redenen;
  • c. alvorens de omgevingsvergunning voor het afwijken te verlenen wordt advies ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Artikel 23 Specifieke beoordelingsregels voor bouwactiviteiten

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van de bepalingen in de regels ten aanzien van de volgende onderwerpen:

  • a. de bouw ten dienste van het openbaar nut van:
    • 1. niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van het openbaar nut waarbij de inhoud niet meer mag bedragen dan 150 m3 en de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 m, gasdrukregel- en gasdrukmeetstations uitgezonderd;
    • 2. andere bouwwerken, zoals standbeelden, uitingen van kunst en dergelijke, met een bouwhoogte van niet meer dan 10 m.
  • b. een enigszins andere situering en/of begrenzing van de bestemmingsgrenzen, bouwpercelen, bouw- en functieaanduidingen, dan wel bouwvlakken, indien bij de definitieve uitmeting of verkaveling of bij de uitvoering van het plan mocht blijken, dat verschuivingen nodig zijn in het belang van een juiste verwezenlijking van het plan, mits niet meer dan 10% zal worden afgeweken of niet meer dan 5 meter van een grens;
  • c. het afwijken van de voorgeschreven maatvoeringen voor bouwwerken, indien in verband met ingekomen bouwplannen deze wijzigingen nodig zijn, waarbij van de maatvoeringen en de met het bouwvlak vastgelegde oppervlakte met ten hoogste 10% mag worden afgeweken; met betrekking tot deze omgevingsvergunning voor het afwijken geldt, dat:
    • 1. geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de stedenbouwkundige hoofdopzet;
    • 2. de omgevingsvergunning voor het afwijken slechts mag worden toegepast op primaire bouwnormen (normen welke 'als recht' zijn toegestaan); cumulatieve toepassing van deze bepaling op een eerder verleende omgevingsvergunning voor het afwijken ten aanzien van de bouwnorm is niet toegestaan;
    • 3. het oprichten van andere bouwwerken, zoals antenne-installaties en vlaggenmasten, met een bouwhoogte van niet meer dan 20 m.
  • d. het afwijken van de bouwregels en toestaan dat bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten worden gebouwd met een hoogte van maximaal 40 m.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de omgevingsvergunning voor het afwijken dient te worden voldaan aan de vereisten die volgen uit het beeldkwaliteitsplan en dient in de belangenafweging eveneens te worden gelet op de effecten met betrekking tot de verkeersveiligheid (voldoende ruimte voor voetgangers en/of bedienend verkeer).

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Voor de toepassing van dit TAM-Omgevingsplan gelden de volgende Overgangsregels:

Artikel 24 Overgangsrecht

24.1 Overgangsrecht bouwen
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10 %.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
24.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het TAM-Omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.
24.3 Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen afwijken van dat overgangsrecht.