direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Texelsestraat
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het project Texelsestraat is één van de concrete locaties in Carnisse waarin sloop/nieuwbouw wordt ingezet om de particuliere woningvoorraad te verbeteren en te differentiëren. Voor deze locatie is de gemeentelijke ambitie om een 4-laagse kleinschalige ouderenhuisvesting te realiseren binnen nagenoeg dezelfde footprint als het bestaande complex, zie figuur 1.1. De beoogde activiteit is in strijd met het (tijdelijk deel van het) gemeentelijk omgevingsplan. Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig om deze activiteit mogelijk te maken. Voorliggende motivering beschrijft de uitgangspunten en aanpak om te komen tot een wijziging van het omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0001.jpg"

Figuur 1.1 Links: ligging plangebied. Rechts: impressie voorgenomen ontwikkeling (Notitie van Uitgangspunten Texelsestraat)

Voor de herontwikkeling van de Texelsestraat heeft de gemeente in oktober 2023 een Nota van Uitgangspunten (NvU) vastgesteld. In de NvU staan belangrijke zaken om tot realisatie van een bouwplan te komen. Het omgevingsplan is, anders dan de genoemde NvU, een publiekrechtelijk instrument. De NvU vormt de onderbouwing voor het wijzigen van het omgevingsplan. Om tot vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan te komen worden de daarvoor geldende wettelijke en gemeentelijke procedures gevolgd, met als hoofddoel om aan te tonen dat het plan haalbaar is en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 TAM-omgevingsplan

Deze wijziging van het omgevingsplan vindt plaats via dit TAM-IMRO omgevingsplan. TAM staat in dat verband voor 'Tijdelijke Alternatieve Maatregel'. Dit is een tijdelijke maatregel die het voor gemeenten mogelijk maakt om in de beginperiode van de Omgevingswet omgevingsplannen op te stellen op basis van de IMRO-systematiek die ook voor de Omgevingswet al werd toegepast. Deze maatregel betreft uitsluitend een technische oplossing voor de knelpunten die er in de beginfase van de Omgevingswet nog zijn op het gebied van digitalisering. Inhoudelijk hebben TAM-plannen te voldoen aan de wet- en regelgeving die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht is geworden.

Dit TAM-omgevingsplan is na vaststelling onderdeel van het (grotere) gemeentelijke omgevingsplan. In de regels van dit TAM-omgevingsplan, is vastgelegd hoe dit plan zich verhoudt tot en gelezen moet worden ten opzichte van overige delen van het omgevingsplan.

1.3 Ligging plangebied

Het gebied waar deze wijziging van het omgevingsplan betrekking op heeft, is weergegeven in figuur 1.2. Het gebied ligt aan de Texelsestraat in de wijk Carnisse, Rotterdam Zuid. Meer specifiek op de plek waar de Texelsestraat en Flakkeesestraat samenkomen. De locatie is gelegen in wat ook wel bekend is als de Eilandenbuurt, om de straatnamen die verwijzen naar de Nederlandse eilanden. De Texelsestraat is een van de toegangen tot de wijk vanaf de Pleinweg. De locatie ligt meteen om de hoek vanaf de Pleinweg en grenst met de achterzijde aan het binnenterrein van de winkeldriehoek op de van de Katendrechtse Lagedijk en Pleinweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0002.png"

Figuur 1.2 begrenzing planlocatie

Historie

Carnisse kwam grotendeels tot stand in de jaren dertig, veertig en begin jaren vijftig, vlak voor en direct na de Tweede Wereldoorlog. Met het besluit tot de aanleg van de Maastunnel in 1933 verschoof het accent van de woningbouw op Zuid van het oostelijk (Afrikaanderwijk, Bloemhof, Hillesluis, Vreewijk) naar het westelijk deel rond Charlois. Aan weerszijden van de Katendrechtse Lagedijk stond op dat moment nog veel agrarische bebouwing: dijkwoningen, kleiner boerderijtjes en daglonerswoninkjes. Het landelijk karakter van het dijklint maakte echter al langzaam plek voor ‘groeiend Rotterdam’.

Ten zuiden van de Katendrechtse Lagedijk waren op dat moment al een aantal particuliere stratenplannen uitgegeven, waaronder dat van bouwondernemer A. Henkemans, tussen de Carnisselaan en Ebenhaëzerstraat. In de jaren tussen 1899 en 1914 werden hier stap voor stap woningen, woon-winkelwoningen en kleine bedrijvigheid ontwikkeld. De bouwprojecten waren kleinschalig. Straatwanden worden gevormd door een aaneenschakeling van complexen van twee tot tien panden, herkenbaar aan kleine verschillen in de verdiepingshoogten, detaillering en materialisatie.

Na de herziening van het plan Witteveen uit 1938 kwam de woningbouw in Carnisse op grote schaal tot stand. Architect. J.H. van den Broek zou hier de hoofdrol spelen. In zijn zoektocht naar kwalitatief goede woningbouw voor arbeiders ontwierp de architect portieketagewoningen in strokenbouw die goedkoop te produceren was en bovendien in elk stedenbouwkundig plan kon worden ingepast. In het kader van zijn plannen voor algemeen belang is onder meer de Eilandenbuurt (maar ook vogelbuurt) in Carnisse eind jaren ’30 met dit type bebouwd. De architectonische eenheden van twee- tot drie kamer portieketagewoningen zijn kenmerkend voor Carnisse.

De locatie zelf blijft in eerste instantie nog geruime tijd braak liggen en is pas ontwikkeld in 1957, met een markante entree op de hoek en een (kerk)zaal op de begane grond welke in eerste instantie werd gehuurd door het Leger des Heils. Sinds 1997 is de zaal in gebruik door het Centro Evangelico Iglesia di Dios.

1.4 Vigerende bestemmingsplannen

Voor de planlocatie is op 17 december 2015 het bestemmingsplan 'Carnisse' vastgesteld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, maakt dit bestemmingsplan deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De regels uit het bestemmingsplan zijn van overeenkomstige toepassing binnen het omgevingsplan. Op de planlocatie vigeert de volgende enkelbestemming: 'Gemengd - 6'.

Naast bovengenoemde enkelbestemming geldt de dubbelbestemming: 'Waarde - Archeologie 2'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0003.png"

Figuur 1.4 uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Carnisse' (bron: Regels op de kaart)

De bestemmingen uit dit bestemmingsplan, maken het realiseren van een woningbouwproject met diverse voorzieningen al (deels) mogelijk. Voorliggend plan dient om te voorzien in de benodigde wijzigingen die passen binnen de omgevingsvisie 'De Veranderstad' en nieuwe ruimtelijke en programmatische inzichten.

Naast het bovengenoemde plan vigeren via het overgangsrecht van de Omgevingswet nog enkele bestemmingsplannen op deze locatie, namelijk:

  • Parapluherziening parkeernormering, vastgesteld (14-12-2017);
  • Parapluherziening biologische veiligheid, vastgesteld (14-06-2018);
  • Parapluherziening evenementen, vastgesteld (03-02-2022);
  • Parapluherziening industriezones Feijenoord en Maas- en Rijnhaven, vastgesteld (12-03-2024).

Hoofdstuk 2 Ontwikkeling

2.1 Bestaande situatie

De wijk Carnisse ligt centraal in Rotterdam Zuid. Het is een relatief rustige wijk grenzend aan het Zuidplein en Zuiderpark, verscholen achter de Pleinweg en de Dorpsweg. Via deze wegen is de wijk ontsloten richting het centrum en de snelweg.

De wijk Carnisse is op zichzelf geen eenheid maar bestaat uit een verzameling karakteristieke buurten met een eigen identiteit. De Katendrechtse Lagendijk, de relatief jonge nieuwbouw Klepelkat, vrijstaande villa’s aan de Lepelaarsingel en de Klaverstraat en het vooroorlogse dorp Carnisse vormen bouwstenen voor karakteristieke woonmilieus. Een groot deel van Carnisse wordt ingenomen door de Vogelbuurt en de Eilandenbuurt. Deze kenmerken zich door een zeer eenzijdige woningvoorraad van portieketage woningen, het zijn kleine woningen zonder lift omgeven door een zeer stenige openbare buitenruimte.

In Noord-Zuid richting vormen de twee singels een groene verbinding met het aangrenzende Zuiderpark. Het Amelandseplein is een groot en groen ingericht plein dat verblijfsruimte biedt aan de buurt. De heldere stedenbouwkundige structuur zorgt voor een ruime opzet van de wijk en goede oriëntatie mogelijkheden. Verbindingen richting het Hart van Zuid, het Zuiderpark en naar Oud-Charlois en de Waalhaven in het westen kunnen beter.

Langs Oost-West routes die door de wijk lopen liggen diverse voorzieningen. Om de hoek aan de Pleinweg en Ebenhaëzerstraat liggen de nodige winkels en eetgelegenheden. Iets verder, aan het Amelandseplein zijn ook de nodige winkels gevestigd. Daarnaast is met Koco een ontmoetingsplek voor senioren te vinden. Een kleine kilometer naar het oosten ligt Hart van Zuid met bovenlokale centrumvoorzieningen en een OV-knooppunt. Verstopt in het blok tegenover de ontwikkeling Texelsestraat ligt het Huis van de wijk. Op de locatie staat een gebouw met een (gesloten) bedrijfsruimte op de begane grond en twee woonlagen met appartementen. De bedrijfsruimte is al lange tijd in gebruik als kerk en religieus ontmoetingscentrum. Erboven zitten 18 woningen, verspreid over 2 verdiepingen. Het grootste deel van de woningen is inmiddels opgekocht door de gemeente. Enkele resterende woningen zijn nog in particulier bezit.

De woningen worden met een trappenhuis en galerijen aan de achterzijde ontsloten. Achter het gebouw ligt een expeditiestraat, bereikbaar via een poort in het gebouw. Het gebouw heeft een kleine kelder met bergingen. Bestaande bouw vormt een individueel herkenbaar complex, onderdeel van een groter bouwblok.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0004.png"

Figuur 2.1 Huidige situatie Carnisse en Texelsestraat in breder verband (bron: NvU Texelsestraat)

Het pand Texelsestraat Noord is in de Cultuurhistorische verkenning Carnisse (2018) aangemerkt als ‘beeldbepalend’. Kerken in Carnisse zijn van stedenbouwkundige en architectonische waarde als architecturale blikvangers in de opzet van gesloten bouwblokken en stroken van Carnisse. Opvallend is dat dat juist bij dit pand niet het geval is; doordat de voormalige kerkzaal van het Leger des Heils is geïntegreerd in het woonblok en geen onderdeel vormt van c.q. goed zichtbaar is vanuit de hoofdstructuur van de wijk. Bij herontwikkeling van beeldbepalende panden geldt “behoud, tenzij” als uitgangspunt. Om die reden is bij verkenning van het pand zowel een renovatie/transformatie als sloop-nieuwbouw variant onderzocht door een multidisciplinair team van architecten, bouwkundigen, stedenbouwkundigen en planeconomen. Daaruit is geconcludeerd dat renovatie/transformatie bouwkundig zeer complex en kosten intensief is en evengoed de beeldwaarde zou aantasten. Daarnaast zou een renovatie-/transformatiescenario onvoldoende aansluiten bij de stedelijke doelstellingen op de plek. Een transformatie van de plint is onmogelijk door onvoldoende vrije hoogte voor twee bouwlagen, waardoor de plint blijft zoals hij nu is met een maatschappelijke bestemming. Daarvoor is geen functie voorhanden, maatschappelijke bestemmingen hebben daarnaast vaak een gesloten uitstraling, waardoor de ruimtelijke inpassing ondermaats blijft. De woningen zelf zouden wel wat verbeterd kunnen worden, maar zouden een stuk minder toekomstbestendig zijn dan nieuwbouw en blijven klein. De huidige opzet maakt het bijplaatsen van een lift lastig, waardoor de toegankelijkheid ook niet verbetert.

2.2 Beoogde ontwikkeling

Voor heel Carnisse is in 2022 een Toekomstperspectief opgesteld, wat richting geeft aan de ambities op wijkniveau en de diverse projecten en programma’s van de gemeente en NPRZ bundelt tot een handzaam overzicht. Hieronder worden de meest direct van invloed zijnde ontwikkelingen opgesomd.

Ten westen van de locatie, tussen de Carnisselaan en Ebenhaëzerstraat (Oud Carnisse Noord) is sprake van renovatie, nieuwbouw en herinrichting van de openbare ruimte. Oud Carnisse is samen met Fazantstraat een proefproject voor particuliere woningverbetering nieuwe stijl.

In de Eilandenbuurt Noord wordt gestuurd op het samenvoegen en vergroten van woningen, in combinatie met (beperkte) technische verbetering. ‘Wijkcorporatie’ Woonbron koopt er vrijkomende woningen op. Het streven is er 100 woningen samen te voegen tot 50 grotere woningen.

De sloop en nieuwbouw aan de Texelsestraat is één van de ontwikkelingen die deel uitmaakt van de herontwikkeling van de vernieuwing van Carnisse.

Voor de Texelsestraat is het uitgangspunt de realisatie van maximaal 39 woningen voor senioren variërend van 55-70 m2 in het sociale huursegment. Deze woningen worden beoogd in een complex waarvoor een bouwvlak is opgenomen van 11 m diep. Voor het complex wordt een maximum bouwhoogte toegestaan van 13,5 m, waarmee 4 bouwlagen gerealiseerd kunnen worden. Op het dak wordt een gezamenlijke daktuin voorzien, waarbij ook een gezamenlijke gebruikersruimte van maximaal 100 m2 mag worden gerealiseerd. Om deze voor de uitstraling aan de straatzijde ondergeschikt te houden, dient deze opbouw bovendien (minimaal) 3 m teruggelegen te zijn vanaf de hoofdgevel van het gebouw.

Ter plaatse van de huidige onderdoorgang richting het achterliggende expeditiehof, zal ook bij de nieuwbouw een onderdoorgang behouden blijven.

Tot slot gelden er voor de bouwmassa nog twee verbijzonderingen bij de aansluiting van de nieuwbouw aan de zuidwestzijde.

De kopse kant van de nieuwbouw reikt aan die zijde tot voorbij de achterzijde van de aangrenzende woningen. Daarmee reikt deze nieuwbouw tot in het binnenterrein van de omliggende woningen, waar zich de achtertuinen van deze woningen bevinden. Om de impact van de bouwmassa op dat binnenterrein te beperken, geldt hier voor een deel van de nieuwbouw een maximum bouwhoogte van 4 m.

En om ook de overgang met de aangrenzende woningen op passende wijze vorm te geven, geldt voor het bouwdeel van de nieuwbouw dat direct aan deze woningen grenst een maximum bouwhoogte van 11 .

Deze uitgangspunten ten aanzien van de toegestane bouwmassa, zijn ook schematisch weergegeven in figuur 2.2.

Impressies van de voorlopige uitwerking van het bouwplan, zijn weergegeven in figuur 2.3 en 2.4 met een impressie van het complex als geheel en van een verdiepingsvloer. Met dit voorlopige ontwerp zijn twee- en/of driekamerwoningen voorzien met een galerij aan de achterzijde en een loggia gericht op de Texelsestraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0005.png"

Figuur 2.2 uitgangspunten bouwmassa

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0006.png"

Figuur 2.3 Impressie structuurontwerp (bron: De Nijl Architecten)

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0007.png"

Figuur 2.4 Impressie van een verdiepingsvloer (bron: De Nijl Architecten)

Hoofdstuk 3 Rijks- en provinciaal beleid en instructieregels

In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling die met deze wijziging van het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, getoetst aan de ruimtelijke beleidskaders op zowel rijksniveau, provinciaal niveau als gemeentelijk niveau alsmede de instructieregels van Rijk en provincie.

Met deze toetsing wordt beoordeeld of de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ruimtelijke beleidsdoelen op de verschillende overheidsniveaus. Andersom kan het ook zo zijn dat er uit deze beleidstoetsing criteria naar voren komen die in deze wijziging geborgd moeten worden, om ervoor te zorgen dat daar bij de uiteindelijke ontwikkeling van het gebied aan voldaan wordt.

De betreffende beleidsdocumenten worden in dit hoofdstuk per overheidsniveau behandeld en per beleidsdocument is een conclusie opgenomen.

3.1 Rijksbeleid en instructieregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Nederland staat voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het betreffen opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen en door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn de opgaven als volgt ingedeeld:

  • ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • verduurzamen van de economie en behouden van groeipotentieel;
  • sterker en leefbaarder maken van steden en regio's;
  • toekomstbestendig ontwikkelen van landelijk gebied.

Verstedelijkingsstrategie

Voor zeven regio's met de hoogste verstedelijkingsdruk hebben Rijk en regio samen verstedelijkingsstrategieën opgesteld. Hierin wordt niet alleen naar woningbouw gekeken, maar ook naar mobiliteit, economie en natuur, energie en water. Het grootste deel van de woningbouwopgave tot 2040 wordt gerealiseerd in deze 7 regio's (600.000 woningen tot 2030, 900.000 woningen tot 2040). In de regio's liggen ook de 14 grootschalige woningbouwlocaties.

Zuidelijke Randstad

Afgesproken is om tot 2040 circa 170.000 woningen te bouwen in 8 gemeenten langs de 'Oude Lijn' (de spoorlijn Leiden-Dordrecht) waarvan 70.000 op een 13-tal toplocaties langs de Oude Lijn en 100.000 woningen op goed bereikbare, binnenstedelijke plekken binnen de acht gemeenten. Dit is goed voor tweederde van de totale woningbouwopgave van Zuid-Holland. Het worden kwalitatief hoogwaardige locaties met een mix aan wonen en werken, duurzaam en klimaatadaptief.

Speciale aandacht is er voor de bereikbaarheid van de steden: de schaalsprong van het OV op de Oude lijn en de MIRT-verkenningen Den Haag/CID-Binckhorst en Oeverververbinding Rotterdam maken stedelijke verdichting mogelijk. De Oude Lijn, CID-Binckhorst en Oostflank Rotterdam zijn ook benoemd in de NOVI als drie van de 14 grootschalige woningbouwlocaties.

Daarnaast zijn in dit Verstedelijkingsakkoord afspraken gemaakt over de uitvoering van de gezamenlijke integrale strategie op verschillende thema's, waaronder energietransitie, landschap en klimaatadaptatie en leefomgevingskwaliteit in relatie tot verstedelijking. Het verstedelijkingsakkoord Zuidelijke Randstad wordt geactualiseerd, onder andere met nieuwe afspraken op het gebied van groen in en om de stad, en dan besproken op het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving medio 2022.

Toetsing

Deze wijziging van het omgevingsplan zet in op (her)ontwikkeling van een deel van de Texelsestraat. Hierbij wordt gekozen voor een landschappelijke inpassing van de te realiseren woningen. Dit sluit aan bij de opgave uit de NOVI om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken. Waar mogelijk worden daarbij maatregelen toegepast die bijdragen aan klimaatadaptatie en energietransitie.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande is deze wijziging van het omgevingsplan in lijn met de NOVI.

3.1.2 Instructieregels Bkl

Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan instructieregels over het opstellen van omgevingsplannen. Het grootste deel bestaat uit instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl):

  • Waarborgen van de veiligheid (§ 5.1.2 Bkl). Het gaat hier om de veiligheidsrisico's van branden, rampen en crises. Deze instructieregels zijn gericht op het voorkomen, beperken en bestrijden ervan, op mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen (vluchten en/of schuilen) en op toegankelijkheid van het gebied voor de hulpdiensten en de mogelijkheden voor de rampbestrijding (bestrijdbaarheid en bluswatervoorzieningen). Ook mogelijke effecten op de infrastructuur horen hierbij.
  • Beschermen van de waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl). Het gaat hierbij om de gevolgen voor het beheer van watersystemen.
  • Beschermen van de gezondheid en van het milieu (§ 5.1.4 Bkl). Dit betreft:
    • 1. kwaliteit van de buitenlucht (§ 5.1.4.1);
    • 2. geluid door activiteiten (§ 5.1.4.2);
    • 3. geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (§ 5.1.4.2a);
    • 4. geluid rond luchthavens (§ 5.1.4.3);
    • 5. trillingen (§ 5.1.4.4);
    • 6. slagschaduw van windturbines (§ 5.1.4.4a);
    • 7. bodemkwaliteit (§ 5.1.4.5);
    • 8. geur (§ 5.1.4.6).
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (§ 5.1.5). Waaronder:
    • 1. de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5.4);
    • 2. cultureel erfgoed en werelderfgoed (§ 5.1.5.5).

Toetsing

De instructieregels uit § 5.1.2-5.1.4.6 en § 5.1.5.5 Bkl worden voor zover relevant in de navolgende paragrafen van deze motivering getoetst. Hierna wordt separaat de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is.

Toetsing

De ontwikkeling die in dit omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt is een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Het aantal woningen neemt met meer dan twaalf woningen toe (van 18 maximaal 39).

Beschrijving behoefte

In dit geval worden maximaal 39 sociale huurwoningen mogelijk gemaakt. De behoefte aan (betaalbare) woningen blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld.

De regiogemeenten hebben het geactualiseerde Regioakkoord “Nieuwe Woningmarktafspraken 2021 tot en met 2030" – Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam (vastgesteld in 2022 door MRDH) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. Tevens is in 2023 de regionale Realisatieagenda regio Rotterdam/Woondeal vastgesteld, waarin afspraken zijn opgenomen tussen het BZK, provincie, gemeenten, woningcorporaties en waterschappen die actief zijn in de regio Rotterdam. Op basis van het Regioakkoord 2022 is afgesproken dat er in de regio Rotterdam 98.641 woningen bruto worden gebouwd in de periode 2021 t/m 2030. Ambitie is dat vanaf 2025 tweederde van de te bouwen woningen betaalbaar zijn en dat gemeenten die nog geen 30% hebben in de woningvoorraad, dienen toe te groeien naar dit percentage. In de Rotterdamse Woonvisie (zie paragraaf 4.2) is aangegeven dat Rotterdam een betaalbare stad wil zijn voor iedereen. In de komende jaren wordt geprobeerd het aantal sociale woningen stabiel te houden. Tot 2026 wordt bij nieuwbouw gestuurd op minimaal 55% betaalbare woningen waarvan minimaal 20% sociaal. In dit plan worden maximaal 39 levensloopbestendige nieuwe sociale huurwoningen mogelijk gemaakt ter vervanging van 18 verouderde sociale huurwoningen.

Plannen voldoen hiermee aan het onderdeel verantwoording van de behoefte en regionale afstemming daarvan voor wonen uit de Ladder voor Duurzame Verstedelijking en de provinciale omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.2).

3.2 Provinciaal beleid en instructieregels

3.2.1 POVI: Omgevingsbeleid, visie en programma

Instrumenten: de omgevingsvisie en de omgevingsverordening. Naast deze kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, onderdeel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen staan operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het provinciale beleid wordt gerealiseerd.

Het omgevingsbeleid krijgt vorm via een opgave gerichte aanpak. Vanuit maatschappelijke opgaven wordt, samen met belanghebbenden, bepaald welke onderdelen van het omgevingsbeleid worden toegepast. Op deze wijze wordt een uitnodigend perspectief geboden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de omgevingsvisie geen eindbeeld, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De ambities geven vorm aan de volgende provinciale “opgaven omgevingskwaliteit”:

  • a. Landschap en cultuurhistorie: beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving.
  • b. Gezondheid en veiligheid: zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder.
  • c. Natuur en recreatie: behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren.
  • d. Ruimte en verstedelijking: zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied.
  • e. Wonen: bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen.
  • f. Bodem en ondergrond: zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond.
  • g. Cultuurparticipatie en bibliotheken: ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken.
  • h. Klimaatadaptatie: bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen.
  • i. Zoetwater en drinkwater: duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater.
  • j. Bereikbaarheid: bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders.
  • k. Regionale economie: versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie.
  • l. Energievoorziening: bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen.

Toetsing

Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende opgaven relevant:

Wonen: Voorzien in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen in Zuid-Holland is van provinciaal belang. Omdat het aanbod van woningen onvoldoende aansluit op de vraag en de ontwikkelingen op de woningmarkt zich niet beperken tot gemeente- en/of regiogrenzen is een samenhangende aanpak op bovenlokale en bovenregionale schaal noodzakelijk. Ook hebben de woonopgaven nauwe samenhang met andere (ruimtelijke) opgaven op het vlak van bijvoorbeeld regionale economie, groen en recreatie en infrastructuur.

Voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte: De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar (toekomstige) inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert: de juiste woning op de juiste plek (en op het juiste moment). Dat gaat allereerst over voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. De toevoeging en onttrekking van woningen moet bijdragen aan een adequate en gedifferentieerde woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over de ruimtelijke ordeningskant van het wonen: het wonen zo situeren dat het - in samenhang met (investeringen in) infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving - bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Het toevoegen van woningen als de enige of primaire oplossing voor behoud van de sociaaleconomische vitaliteit in steden en dorpen is in de ogen van de provincie geen duurzame langetermijnstrategie.

Ruimte en verstedelijking: de provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen:

  • 1. Bouw naar behoefte;
  • 2. Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied;
  • 3. Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties;
  • 4. Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten;
  • 5. Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving.

Toekomstbestendig bouwen: De provincie wil zorgen voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient (in toenemende mate):

  • 1. energieneutraal te zijn, door optimaal in te zetten op besparing van elektriciteits- en warmte/koeltevraag, het benutten van rest- en aardwarmte en zoveel mogelijk in eigen (lokale) hernieuwbaar opgewekte elektriciteit te voorzien;
  • 2. klimaatbestendig en waterrobuust te zijn ook op slappe ondergrond. Daarmee wordt bedoeld dat het nieuw ingerichte gebied en de omgeving goed blijft functioneren in extreme weersomstandigheden. Klimaatadaptief bouwen is daarom de norm in Zuid-Holland;
  • 3. uit te gaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteiten variatie aan biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken;
  • 4. circulaire oplossingen te bieden bij realisatie en beheer door een verantwoord materiaalgebruik en het hanteren van de ontwerpprincipes modulariteit en losmaakbaarheid, zodat er kan worden ingespeeld op een veranderde behoefte in de toekomst;
  • 5. gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen; die een gezonde leefstijl ondersteunt, met een beweegvriendelijke leefomgeving voor sport en beweging stimuleert en waarin een goede milieukwaliteit wordt beschermd en bevorderd.

Ruimtelijke kwaliteit: De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde.

De provincie wil een aantal specifieke waarden en gebieden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. In die hoedanigheid leveren ze een belangrijke en specifieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. De instandhouding van deze waarden vraagt om hierop toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling, naast de generieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het in standhouden van de specifieke waarden.

Conclusie

Met de ontwikkeling aan de Texelsestraat worden bestaande, verouderde woningen gesloopt en vervangen door moderne appartementen in het sociale huursegment. Deze ontwikkeling sluit aan bij de ambitie van de provincie in het voorzien van voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte. In het provinciaal beleid wordt onderbouwd dat de gemeente Rotterdam een grote woningbehoefte heeft. De woningen die mogelijk worden gemaakt liggen binnen bestaand bebouwd gebied en sluit hierbij aan bij de verstedelijkingsambitie van de provincie. Het vervangen van de gedateerde woningen door hoogwaardige nieuwbouw in een prettige, gezonde en veilige leefomgeving geeft invulling aan de visie. Daarnaast maken 18 verouderde woningen plaats voor maximaal 39 nieuwe woningen. Het woonaanbod wordt daarmee niet alleen verduurzaamd, maar ook vergroot.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland

Het provinciaal omgevingsbeleid is geborgd in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV). In afdeling 7.3 van de ZHOV zijn regels opgenomen die van belang zijn om het provinciale beleid of het provinciale belang te laten doorwerken in de uitoefening van taken of bevoegdheden door andere bestuursorganen dan provinciale staten. De provincie verwacht van de gemeenten dat in de toelichting van het omgevingsplan wordt gemotiveerd dat het omgevingsplan in overeenstemming is met de omgevingsverordening. Dit is met name van belang als het gaat om regels in de omgevingsverordening die het karakter hebben van een doelbepaling en daarmee ruimte bieden voor een nadere afweging.

In afdeling 7.3 van de ZHOV zijn de instructieregels te vinden met betrekking tot onder andere de volgende thema's:

  • Omgevingsveiligheid
  • Ruimtelijke kwaliteit
  • Stedelijke ontwikkelingen / Ladder voor duurzame verstedelijking
  • Bodemgevoelige locatie / Grondwater
  • Bodemsanering in grondbeschermingsgebied

Toetsing

Hierna worden de instructieregels over ruimtelijke kwaliteit en stedelijke ontwikkeling getoetst. De instructieregels die zien op specifieke omgevingsaspecten zullen, voor zover relevant, worden getoetst in hoofdstuk 5.

Hierna volgt de toetsing van de provinciale instructieregels uit paragrafen 7.3.6 t/m 7.3.8. De instructieregels zien op toekomstig bouwen, de ruimtelijke kwaliteit en stedelijke ontwikkeling. Aangezien deze wijziging slechts voor een deel voorziet in nieuwe activiteiten/functies, zijn niet alle instructieregels van toepassing. De volgende instructieregels ten aanzien van de hiervoor genoemde onderwerpen zijn op dit plan van toepassing:

Artikel 7.41a (risico’s van klimaatverandering)

  • 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:
    • a. wateroverlast door overvloedige neerslag;
    • b. overstroming;
    • c. hitte;
    • d. droogte;

alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.

  • 2. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.

Toetsing

Aan de hand van de klimaateffecttest zijn de huidige en toekomstige effecten voor de aspecten wateroverlast, overstroming, hitte en droogte behandeld.

Wateroverlast

De data en kaarten van Deltares/Richtlijn Overstromingsrisico's (2018) tonen aan dat er ter plaatse van het plangebied een zekere mate van wateroverlast plaats vindt. Aan de Texelsestraat is er sprake van een waterdiepte van 20 tot 30 cm bij een hevige bui (70mm, kans van 1 op 100 per jaar). Dit effect is in de huidige situatie niet optimaal maar wordt door de beoogde (her)ontwikkeling niet verergerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0008.png"

Figuur 3.2.2.1. Klimaateffectatlas - waterdiepte bij hevige bui (Deltares/ Richtlijn 2018)

De technische details voor deze ontwikkeling zijn momenteel nog niet uitgewerkt. Bij nadere uitwerking dient er aandachtig rekening te worden gehouden met dit aspect en zal het entreegebied mogelijk moeten worden verhoogd. Specifiek onderzoek is niet benodigd.

Overstroming

Aan de hand van data en kaarten van het landelijke informatiesysteem water en overstromingen (LIWO) blijkt dat er ter plaatse van de planlocatie sprake is van een extreem kleine kans op een overstroming (ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar). Bij zo'n overstroming is er sprake van een overstromingsdiepte van 0.5 tot 1.0 meter. Gezien deze extreem kleine kans is het treffen van maatregelen of specifiek onderzoek niet benodigd. De beoogde ontwikkeling brengt geen verdere verslechtering van deze situatie.

Hittestress

Aan de hand van data en kaarten van Atlas Natuurlijk Kapitaal blijkt dat er ter plaatse van de planlocatie sprake van een relatief hoog stedelijk hitte eiland effect. Deze kaart laat het temperatuurverschil zien tussen de stad en het platteland in Nederland. Op de kaart is te zien wat het gemiddelde temperatuurverschil is in graden Celsius (°C). Ter plaatse is er sprake van 1.4 tot 1.8 °C. Dit effect is niet gebiedsvreemd en is relatief aan lage kant; ten oosten loopt het effect op tot circa >2 °C. De beoogde ontwikkeling beslaat een klein perceel en biedt geen ruimte voor vergroening. De verharding van het gebied blijft gelijk aan de huidige situatie. Het toepassen van groene daken kan dit effect significant verminderen. Vanuit de notitie van uitgangspunten is aangegeven dat de gemeente streeft de daken groen in te richten. Maatregelen of nader onderzoek zijn niet benodigd.

Droogte

Uit data en kaarten vanuit- de klimaateffectatlas blijkt dat er ter plaatse van de planlocatie geen droogtestress, bodemdaling. Risico's omtrent bodemdaling en/of fundering zijn uitgesloten. De beoogde ontwikkeling zal geen effect hebben op de uitdroging of bodemdaling.

Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen)

  • 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen.
  • 2. De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken:
    • a. de risico’s van klimaatverandering;
    • b. de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie;
    • c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten;
    • d. de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase;
    • e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen;
    • f. het versterken van de biodiversiteit; en
    • g. het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.

Toetsing

De opgestelde Nota van Uitgangspunten vormt de basis voor dit plan. In deze Nota is een volledig hoofdstuk gewijd aan duurzaam, circulair en klimaatbestendig bouwen. Duurzaamheid is van fundamenteel belang voor de leefbaarheid in Rotterdam: nu en in de toekomst. Bij nieuwe initiatieven is duurzaam bouwen integraal onderdeel van de ontwerpopgave. In hoofdstuk 6 van de Nota wordt ingegaan op de verschillende aspecten van duurzaam en toekomstbestendig bouwen. De in lid 2 genoemde subs worden in dit hoofdstuk nader uitgewerkt. Het volstaat daarom op deze plaats om naar hoofdstuk 6 van de Nota van Uitgangspunten te verwijzen welke is opgenomen in bijlage X.

Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling)

  • 1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
    • a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied;
    • b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau;
    • c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit)

  • 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
  • 2. in een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met:
    • a. de beschermingscategorie en het gebiedstype;
    • b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren;
    • c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A.
  • 3. Niet relevant voor deze ontwikkeling.

Toetsing

De planlocatie valt niet in een gebied dat in de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland is aangemerkt als een bijzondere beschermingscategorie. De sloop en nieuwbouw van het appartementencomplexen vallen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Gezien het beoogde gebruik (wonen) en de toegestane afmetingen van de bouwmassa, die beide vergelijkbaar zijn met het huidige bouwblok, wordt de ontwikkeling beschouwd als ‘inpassen’. De gebiedsidentiteit of structuur van het gebied wordt niet aangepast. Met de beoogde invulling wordt aangesloten op de bestaande structuur en activiteiten in de directe omgeving. De ontwikkeling voorziet dan ook geen wijziging op structuurniveau en past bij de aard en schaal van het gebied.

Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling)

  • 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

Toetsing

De ontwikkeling gaat uit van zorgvuldige inpassing. Met de ontwikkeling worden de bestaande woningen gesloopt en in de plaats daarvan meer en nieuwe woningen gebouwd. Met de omvang en verschijningsvorm van de nieuw te woningen wordt aangesloten op het volume van de bestaande bebouwing. Er vindt immers geen uitbreiding plaats. De nieuwe woningen komen op dezelfde locatie als de huidige. Hierdoor kan gesteld worden dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw)

  • 1. Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving.
  • 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw.

Toetsing

Met deze ontwikkeling worden maximaal 39 woningen mogelijk gemaakt. Omdat dit gebeurt in de vorm van appartementen, resulteert dit in een hoge woningdichtheid. Immers, er is geen grond benodigd voor tuinen en erven.

Voor de bijdrage aan een goede woon- en leefomgeving bezien vanuit de omgevingsaspecten, wordt verwezen naar hoofdstuk 5.

Verder wordt gewezen op het specifieke woonsegment, namelijk seniorenwoningen in het sociale huursegment, dat op basis van de ladder van duurzame verstedelijking voorziet in een zekere behoefte (zie paragraaf 3.1.2). Het voorzien in woningen waar specifieke behoefte aan is, draagt eveneens bij aan een goede woon- en leefomgeving. Gelet op de keuze voor appartementen met een vergelijkbare bouwmassa ten opzichte van de huidige situatie, is er geen ruimte om een diversiteit aan woningtypen en/of -segmenten toe te passen. Deze variatie van woningen wordt op grotere schaal toegepast binnen het NPRZ, waar dit plan onderdeel vanuit maakt.

Artikel 7.45c Bereikbaarheid

  • 1. Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.

Toetsing

Op het aspect verkeer en vervoer is in paragraaf 5.4 ingegaan. Hierin wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen noemenswaardige gevolgen met zich meebrengt zijn op het gebied van verkeer.

Artikel 7.45e (parkeernorm stationsomgevingen)

  • 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving als bedoeld in artikel 7.45d, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning.
  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld.

Toetsing

De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Een beschrijving van en toetsing aan dit parkeerbeleid komt aan de orde in paragraaf 5.4.

Tevens voorziet deze wijziging van het omgevingsplan in een parkeerregeling, die maakt dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst wordt of voldaan wordt aan de vereisten uit het parkeerbeleid.

Hoofdstuk 4 Gemeentelijk beleid

4.1 Omgevingsvisie Rotterdam (2021) - De Veranderstad, Werken aan een Wereldstad Voor Iedereen

De gemeentelijke omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam. Het is een nieuwe visie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze gemeentelijke omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030. Hoofdlijn van de gemeentelijke omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei.

De gemeente Rotterdam heeft in de omgevingsvisie de ambities voor het grondgebied vastgelegd in de vorm van vijf perspectieven:

  • compacte stad: compacte, aantrekkelijke stad aan de rivier;
  • gezonde stad: gezond leven in de stad;
  • inclusieve stad: ruimte voor ontmoeten;
  • circulaire stad: ruimte voor duurzame energie en recycling;
  • productieve stad: ruimte voor nieuwe economie.

Deze perspectieven staan voor de opgaven waar de stad voor staat.

Op basis van deze vijf perspectieven zijn vervolgens 12 kernpunten beschreven. Deze kernbeslissingen zijn de eerste aanzet voor de definitieve omgevingsvisie: 

  • verdichting binnen de bestaande stad;
  • vermeerdering maatschappelijke voorzieningen, intensiever benut;
  • doorontwikkeling Hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) op stedelijk en regionaal niveau;
  • versterking binnenstad tot gemend interactiemilieu met meer ruimte voor OV, fietsers en voetgangers;
  • versterking van de groenblauwe structuur;
  • verbetering van de balans tussen rust en reuring;
  • ontwikkeling sturingsprincipes voor diversiteit en betaalbaarheid;
  • ruimte voor de nieuwe economie;
  • concentreren bedrijven met hoge milieucategorie op aangewezen plekken
  • slim logistiek bevoorradingssysteem van haven tot wijk;
  • duurzame energievoorziening, hergebruik van reststromen en duurzaam opwekken stroom;
  • ontharden en verkoelen openbare ruimte.

Er is daarnaast een aantal gebieden waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en waar er tegelijkertijd kansen liggen om veel van onze stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes. Het betreft de binnenstad, Alexander tot en met Zuidplein en Rotterdam-Zuid. Voor de ontwikkeling van deze gebieden formuleert de omgevingsvisie enkele gebiedskeuzes.

Toetsing

Deze woningbouwontwikkeling draagt bij aan het realiseren van voldoende woningen voor de stad Rotterdam. Hiermee wordt de trek naar de stad opgevangen. Deze ontwikkeling sluit hiermee aan bij de Omgevingsvisie Rotterdam 2021.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande is deze ontwikkeling in lijn met de Omgevingsvisie.

4.2 Rotterdamse Woonvisie (2024)

Rotterdam is een stad in beweging. Steeds meer mensen willen er wonen, werken en verblijven. Het realiseren van voldoende woningen, werkgelegenheid en voorzieningen is essentieel om deze trek naar de stad op te kunnen vangen. Daarnaast is het bieden van een fijn en betaalbaar thuis aan alle huidige inwoners minstens zo belangrijk. Steeds meer Rotterdammers hebben moeite om een betaalbare en passende woning te vinden. Om Rotterdammers meer perspectief te bieden op een betaalbare woning die past bij hun behoeften zullen er vooral meer woningen in het middensegment moeten komen. De absolute omvang van de sociale voorraad dient daarbij stabiel te worden gehouden. De Rotterdamse Woonvisie heeft twee onderdelen: de visie op het gebied van wonen met een doorkijk tot 2040 en een concreet uitvoeringsprogramma met maatregelen voor de komende 5 jaar.

Ambities 2040: een fijn en betaalbaar thuis voor iedereen

De ambities in de Woonvisie zijn:

  • 1. Rotterdam is een betaalbare stad voor iedereen;
  • 2. Rotterdam is een diverse en inclusieve stad: het streven is om wijken te creëren die de diversiteit van de wijk weerspiegelen, zodat iedereen er een thuis kan vinden en binnen dezelfde wijk kan doorstromen. Bovendien wordt ingezet op meer variatie op het gebied van gebouwen of blokken, met verschillende prijsklassen, afmetingen, doelgroepen en met ruimtes voor ontmoeting.
  • 3. Rotterdam als innovatieve woonstad, met lef: Dit uit zich in:
    • a. Nieuwe woonconcepten die inspelen op de veranderende bevolking met meer alleenstaanden en meer ouderen;
    • b. Nieuwe instrumenten die het goed functioneren van de woningmarkt bevorderen;
    • c. Bij nieuwbouw is altijd aandacht voor duurzaamheid, voorzieningen in de buurt, een aantrekkelijke openbare ruimte, voldoende groen, werkgelegenheid, en sociale cohesie. Hoogwaardige architectuur en stedenbouw dragen bij aan de kwaliteit van de stad.

Acties voor de komende 5 jaar

Deze ambities komen samen in 4 pijlers die richtinggevend zijn voor de komende vijf jaar:

  • 1. Meer en betaalbare woningen

Er wordt geprobeerd het absolute aantal sociale woningen stabiel te houden en het aantal woningen in het middensegment, voor zowel huur als koop wordt vergroot.

De belangrijkste maatregelen;

    • a. Per jaar wordt met de bouw van 3.500-4.000 woningen door nieuwbouw en tijdelijke woningen gestart. De stad wordt uitgedaagd om in de bestaande voorraad meer woonruimte te maken (denk aan optoppen en woningdelen).
    • b. Er wordt bij nieuwbouw tot 2026 gestuurd op 55% betaalbare woningen (20% sociaal en 35% middensegment en vanaf 2026 op 65% betaalbare woningen (25% sociaal en 40% middensegment) en deze woningen zijn bedoeld voor mensen met een bijbehorend salaris.
    • c. Er worden maatregelen genomen voor meer middensegment, door de inzet van koopinstrumenten en financiële middelen. Betaalbaarheid door gebruik te maken van zowel publieke als privaatrechtelijk instrumenten wordt geborgd.
    • d. Er is aandacht voor de snelheid van bouwen van betaalbare woningen: er komt een nieuwe Rotterdamse Bouwwet, waarbij wordt geëxperimenteerd met flexibiliteit in regelgeving voor betaalbare woningen zonder de kwaliteit en de omgeving uit het oog te verliezen.
  • 2. Toekomstbestendige en vitale wijken
  • 3. Huisvesting en aandachtsgroepen
  • 4. Betere positie op de woningmarkt

Conclusie

In dit plan worden maximaal 39 levensloopbestendige nieuwe sociale huurwoningen mogelijk gemaakt ter vervanging van 18 verouderde sociale huurwoningen. Hiermee wordt mede invulling gegeven aan het Rotterdamse woonbeleid.

4.3 Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2025

De beleidsregeling 'Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2025' geeft een realistisch en op de toekomstgericht beeld van de verwachte parkeerbehoefte bij nieuwe bouwontwikkelingen. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. De beleidsregeling wordt verder besproken in paragraaf 5.4 waar beschreven is hoe het parkeren bij dit project is voorzien en hoe het parkeren is geborgd in dit omgevingsplan.

4.4 Welstandsnota Rotterdam

Het welstandsbeleid is sinds 11 oktober 2012 vastgelegd in de Welstandsnota Rotterdam door de gemeenteraad.

Welstandsniveaus

Op de kaart 'Welstandsniveaus' worden verschillende gebieden aangegeven. De als bijzonder aangemerkte gebieden en structuren zijn van bijzonder belang voor de stad Rotterdam. Deze gebieden worden in de Welstandsnota apart beschreven en er is een uitgebreider welstandsbeleid op van toepassing. Dan zijn er de gebieden waar geen welstandstoets zal plaatsvinden; de welstandvrije gebieden. Daarnaast zijn gebieden aangeduid die in ontwikkeling zijn. Voor de overige gebieden geldt het welstandsniveau 'regulier'. De planlocatie locatie Texelsestraat valt onder 'regulier', zie figuur 4.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0010.png"

Figuur 4.4 Welstandniveaus gemeente Rotterdam (bron: Welstandsnota Rotterdam)

Gebiedstypen 
De kaart Gebiedstypen geeft een indeling van gebiedstypen. Elk gebiedstype heeft eigen karakteristieken en kenmerken. Hierdoor zijn per gebiedstype verschillende welstandsregels (aanvullende gebiedscriteria) van toepassing. Dit plangebied valt onder gebiedstype 'planmatige stedelijke uitbreidingen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0011.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0012.png"

Figuur 4.5 Uitsnede kaart met welstandsniveaus (bron: Welstandsnota Rotterdam)

Welstandscriteria

Deze ontwikkeling valt onder een regulier welstandsniveau onder gebiedstype 'planmatige stedelijke uitbreidingen'

In de planmatige stedelijke uitbreidingen vormen de afzonderlijke bouwblokken met elkaar grotere architectonische eenheden die in (symmetrische) ensembles zijn gerangschikt. Er is daardoor een sterke samenhang tussen stedenbouw en architectuur. De stedenbouwkundige structuur wordt versterkt door de architectonische verbijzondering van de hoeken of door accenten op strategische plekken. Zowel in de stedenbouw als in de architectuur is het collectieve aspect (herhaling, samenhang, hiërarchie) sterk aanwezig en is de expressie van het individuele object ondergeschikt. Het accent ligt daarbij op de compositie van het blok als geheel. Uitgangspunt van het ruimtelijke beleid en de welstandstoets is het herkenbaar houden van de sterke samenhang tussen bebouwing, openbare ruimte en groenstructuur. Iedere ingreep, zowel bij beheer en onderhoud als bij nieuwbouw, dient te worden bekeken op de gevolgen voor de architectonische eenheid en de stedenbouwkundige compositie. Om ervoor te zorgen dat bindende elementen herkenbaar blijven heeft een identieke aanpak per architectonische eenheid de voorkeur. Bij renovatie en onderhoud gaat het om de detaillering van gevelkozijnen, ingangspartijen en daklijsten. Bij nieuwbouw is het van belang om per bouwblok te streven naar complexmatige bouw onder één architectuur, zoals dat bij de oorspronkelijke bouw ook gebeurde.

Conclusie

De toetsing aan de welstandsnota Rotterdam vindt plaats bij de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen. Deze toets is geborgd via artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Rotterdam.

4.5 Erfgoedverordening Rotterdam

De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium - Erfgoedwet (2016) en de Erfgoedverordening. Daarnaast krijgen rijksbeschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het omgevingsplan de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie".

Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM)

Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Erfgoedverordening. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als van binnen. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning.

Beschermde stadsgezichten (BS)

Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten. Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient dit binnen twee jaar in het omgevingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen.

Wederopbouwaandachtsgebieden

Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouw-aandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Een uitgebreidere beschrijving is te vinden in paragraaf 5.2 Desbetreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming.

Beeldbepalende objecten (BO)

In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden.

Conclusie

Op het aspect cultuurhistorie wordt ingegaan in paragraaf 5.2.

Hoofdstuk 5 Gevolgen voor activiteiten in de fysieke leefomgeving

5.1 m.e.r.-beoordeling

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet.

Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.

Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.

De m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

Toetsing

Om te toetsen of het voornemen daadwerkelijk beschouwd dient te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject heeft de DCMR gebruik gemaakt van de Beslisboom uit de Handreiking stedelijke ontwikkeling. Op basis hiervan wordt aangemerkt dat er sprake is van sloop- en nieuwbouw en dat de functie vergelijkbaar is met de bestaande planologisch situatie. Gesteld wordt dat de beoogde ontwikkeling niet mer-beoordelingsplichtig is omdat er geen categorie uit de bijlage V bij het Omgevingsbesluit op van toepassing is. Voor dit plan is geen mer-beoordelingsbesluit noodzakelijk.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie

Inleiding
In het tijdelijke omgevingsplan worden de regels over archeologie en cultureel erfgoed uit de erfgoedverordening opgenomen.

Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen:

  • Monumenten;
  • Archeologische monumenten;
  • Stads- en dorpsgezichten;
  • Cultuurlandschappen;
  • Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover dat in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden is (bijvoorbeeld historische schepen).

Aan de hand van de bepalingen in het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan wordt er getoetst aan de regels die er over archeologie zijn opgenomen.

5.2.1 Archeologie

Toetsingskader

In het bestemmingsplan bestond de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2” om archeologische waarden te borgen, die op het hele grondgebied van de gemeente liggen.

In artikel 5.130 van het Bkl staat dat in het omgevingsplan het behoud van het cultureel erfgoed moet zijn geborgd, waarbij behoud in situ het uitgangspunt is.

Onder het cultureel erfgoed vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In het belang van archeologische monumentenzorg kunnen regels over archeologisch onderzoek worden opgesteld. In beginsel is net als in de huidige situatie bepaald dat projecten kleiner dan 100 m2 vrij worden gesteld van de archeologische onderzoekplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Voor sommige gebieden kunnen grotere of kleinere oppervlakten worden vastgelegd in het omgevingsplan al naar het gelang er meer of minder verwachting is op archeologische sporen.

Hieraan ten grondslag ligt de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam, waarin is onderbouwd welke bekende of aantoonbare (op basis van archeologische, bodemkundige of historische informatie op een locatie) te verwachten archeologische waarden er zijn. Overigens wordt de voorkeur gegeven aan behoud in situ (in de bodem) ten opzichte van behoud door middel van opgraven.

In de Erfgoedverordening 2020 is de Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) verankerd. Op termijn zal het Omgevingsplan Archeologie deze kaart gaan vervangen.

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema archeologie die betrekking hebben op omgevingsplannen.

Onderzoek en conclusie

Het BOOR heeft de noodzaak van het uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek in het kader van de voorgenomen grondwerkzaamheden ter plaatse van de Texelsestraat beoordeeld.

Het BOOR geeft aan dat de plannen geen aanleiding geven tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie. Echter om de locatie te beschermen voor toekomstige ingrepen dient adviseert het BOOR om de dubbelbestemming uit het bestemmingsplan terug te laten komen in deze wijziging van het omgevingsplan. Opgemerkt moet worden dat bij eventuele wijzigingen in het definitieve bouw- en/of aanlegplan een archeologisch vooronderzoek alsnog nodig kan zijn. Op dat moment dient dan ook opnieuw een beoordeling plaats te vinden. De volledige onderbouwing is te raadplegen in bijlage 1.

5.2.2 Cultuurhistorie

In het bestemmingsplan bestond de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie” om cultuurhistorische waarden te borgen, die op het grondgebied van de gemeente liggen. Aan deze dubbelbestemming was een sloopverbod gekoppeld. Deze dubbelbestemming werd ook gebruikt voor het borgen van Beschermde Stadsgezichten.

Instructieregels voor bescherming van cultureel erfgoed

In het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor een toereikend beschermingsregime voor het cultureel erfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten.

Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl) om via het omgevingsplan te voorkomen dat in de omgeving van (voorbeschermde) rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke en provinciale monumenten of bijvoorbeeld beeldbepalende panden) aantastingen plaatsvinden die deze beschermde monumenten ontsieren of beschadigen. Een voorbeeld is het borgen van een molenbiotoop (het garanderen van voldoende windvang). Dus ook de omgeving van een beschermd monument is een aandachtspunt.

Deze instructieregels gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten (hieronder valt bijvoorbeeld ook het borgen van een molenbiotoop);
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • voorkoming van leegstand door gebruik monumenten;
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conservering en instandhouding van archeologische monumenten.

Bruidsschat

In de bruidsschat is het volgende opgenomen ten aanzien van cultureel erfgoed:

  • inperking van vergunningvrije 'ruimtelijke' bouwactiviteiten (omgevingsplanactiviteit) in, aan, op of bij (voorbeschermde) gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten of in rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten en
  • aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (voorbeschermd) gemeentelijk monument of
  • aanvraagvereisten voor het slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

In de Omgevingswet wordt het volgende begrippenkader voor cultureel erfgoed gehanteerd:

  • Monumenten;
  • Archeologische monumenten;
  • Stads- en dorpsgezichten;
  • Cultuurlandschappen;
  • Roerend en immaterieel erfgoed, voor zover dat in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden is (bijvoorbeeld historische schepen).
  • Werelderfgoed.

Conclusie

Op de planlocatie zijn de panden in de cultuuurhistorische verkenning Carnisse (2018) aangemerkt als karakteristiek. Kerken en scholen zijn verbijzonderingen binnen de wijken op Zuid. Anders dan op andere locaties is de kerk op de planlocatie ingetogen en geintegreerd in de bouwblok. De (kerk)zaal bevond zich op de begane grond in de knik van het bouwblok aan de noordkant van de straat en werd door het Leger des Heils gehuurd. Hoewel het niet om een zelfstandig gebouw ging, lag de gevel door de knik in het bouwblok en de ingang op de hoek toch prominent aan de kleine pleinruimte tussen de bouwblokken.

In het traject van opstellen van de NvU is gekeken of het kerkpand behouden kan blijven. Dat bleek niet mogelijk omdat transformatie van de plint en aanpassingen voor toekomstbestendig wonen, zoals een lift niet te realiseren zijn. In de NvU zijn op basis van de cultuurhistorische karakteristieken van de plek kaders meegegeven voor de nieuwbouw.

5.3 Water

Toetsingskader

De bruidsschatregels voor de gemeente komen bij inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch in het omgevingsplan terecht. Ditzelfde geldt voor de bruidsschatregels voor de waterschapsverordening. Dat betekent dat de voormalige rijksregels voor lozen op oppervlaktewater en de voormalige rijksregels voor lozen op of in de bodem of de riolering, die bij elkaar staan in onder andere het Activiteitenbesluit, van elkaar worden losgetrokken. In de praktijk betekent dit dat er een belangrijke wisselwerking zal ontstaan tussen de aanpassing van de lozingsregels van de bruidsschat in het omgevingsplan en de aanpassing van de corresponderende lozingsregels in de waterschapsverordening. Deze regelgeving moet goed op elkaar blijven aansluiten. Om dat te bewerkstelligen is samenwerking en afstemming in een vroegtijdig stadium noodzakelijk. De gemeente moet het waterschap betrekken bij het opstellen van lozingsregels. Wijzigt een lozingsregel in het omgevingsplan van de gemeente, dan kan dit voor het waterschap aanleiding zijn om ook de lozingsregels in de waterschapsverordening aan te passen. En andersom. Omdat Rotterdam in het gebied van drie waterschappen ligt, is het noodzakelijk om hierin samen op te trekken.

Instructieregels

In afdeling 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een aantal instructieregels opgenomen ten borging van de rijksbelangen. Deze zijn:

  • bescherming van primaire waterkeringen;
  • behoud waterveiligheid kust;
  • behoud waterveiligheid grote rivieren;
  • IJsselmeergebied.

Omgevingswaarden

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn omgevingswaarden opgenomen. Het Rijk heeft in artikel 2.15 lid 1 van het Bkl omgevingswaarden vastgesteld voor onder andere de volgende watergerelateerde zaken:

• Kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater;

• Zwemwaterkwaliteit;

• Veiligheid primaire waterkeringen;

• De veiligheid van andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk

Deze rijksomgevingswaarden voor zwemwater en grond- en oppervlaktewaterkwaliteit komen voort uit Europese richtlijnen. Deze Europese normen hebben een minimale resultaat- of inspanningsverplichting. Een afwijkende omgevingswaarde mag daarom alleen strenger zijn.

De gemeente krijgt daarmee extra ruimte om vorm te geven aan lokale of regionale kwaliteitsambities.

Omgevingswaarden provincie

In artikel 2.18 lid 1 onder a Ow is geregeld dat tot de taken van de provincie het beheer van watersystemen en het zwemwaterbeheer behoort.

Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland (2022-2027)

De provincie stelt de beleidskaders, strategische doelen en kwantificeerbare opgaven voor watersystemen en het grondwaterbeheer vast in de omgevingsvisie. De uitwerking hiervan vindt plaats in het Regionaal Waterprogramma. Het Regionaal Waterprogramma beschrijft in ieder geval hoe de provincie uitwerking geeft aan de Europese richtlijnen over water, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). Na vaststelling door GS wordt het Regionaal Waterprogramma onderdeel van het provinciale Omgevingsprogramma.

Het programma is gericht op regionale oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen en waterwinlocaties en bevat de volgende maatregelen:

  • maatregelen ter uitvoering van de KRW en GWR voor grondwater;
  • maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarden voor
  • oppervlaktewaterkwaliteit;
  • maatregelen voor waterlichamen waarin waterwinlocaties liggen.

Waterschapsbeleid

In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water, hemelwater(beleid) en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Daarbij zijn er doelen voor toekomstbestendig waterbeheer. Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken.

Doelen en hoe om te gaan met hemelwater staat beschreven in het hemelwaterbeleid. Door het herstel van de natuurlijke waterkringloop en het vergroten van de sponswerking van de bodem kan in droge periodes water beter worden vastgehouden en kan in natte periodes het waterbergende vermogen van bodems beter worden benut. Daarbij wordt er ingezet op hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren maar ook op sparen, aanvoeren, adapteren en accepteren. Vasthouden van water in het gebied is een belangrijk doel, maar bepaalde omstandigheden kunnen er voor zorgen dat toch een bepaalde mate van afvoer van hemelwater nodig is.

De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. Bij grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen (>5 ha) moet door middel van een onderzoek bepaald worden hoe, waar en hoeveel waterberging er gerealiseerd moet worden. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen:

  • 1. Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename;
  • 2. Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied;
  • 3. Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.

Waterplan2

Het Waterplan2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In Waterplan2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen:

  • 1. Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk;
  • 2. Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig;
  • 3. Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen.

Het Waterplan2 biedt een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030.

Rotterdams Weerwoord

Vastgesteld door de gemeenteraad op 1 juni 2023

Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwateronder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. Samen met de waterschappen wordt gewerkt aan uitvoeringsafspraken.

Samenwerking met de waterbeheerder

Weging van het waterbelang (voorheen: watertoets)

In paragraaf 5.1.3 Bkl is de bescherming van de waterbelangen geregeld. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Gemeentelijk Rioleringsplan 2021

De invulling van de wettelijke zorgplicht gebeurt niet meer verplicht door het opstellen van een GRP. De gemeente is vrij op welke manier zij invulling geeft aan de wettelijke zorgplicht. In artikel 3.14 van de Omgevingswet wordt de mogelijkheid geboden om -onverplicht- een gemeentelijk rioleringsprogramma vast te stellen. Dit betekent dat de inhoud van het GRP kán worden opgenomen in het omgevingsplan.

Hemelwaterverordening

De regels voor de verwerking van hemelwater op eigen terrein worden onderdeel van het omgevingsplan. In de hemelwaterverordening staan op nieuwbouw toegespitste regels. Daarmee wordt duidelijkheid over de verantwoordelijkheid van de private eigenaar geschapen. Voor nieuwbouwprojecten geldt dat bij een perceeloppervlak groter dan vijfhonderd vierkante meter het hemelwater op privaat terrein moet worden verwerkt. De capaciteitseis voor het bergen van hemelwater is dat 50 millimeter neerslag die binnen een uur valt moet worden opgevangen. Op deze manier wordt het overgrote deel van de neerslag op eigen terrein verwerkt. Bij bestaande bouw is het belangrijk dat hemelwater niet meer naar de waterzuivering stroomt, maar aansluit op het hemelwaterstelsel. In de verordening voor het afkoppelen staan de vereisten die bij rioolvervangingsprojecten wordt toegepast. In de verordening worden de situaties waarin het verplicht is om hemelwater apart aan te bieden voor afvoer vanaf het perceel aangegeven. In de rioolvervangingsprojecten worden de uitleggers vanaf het hoofdriool aan tot aan de erfgrens gelegd. De verordening voor het afkoppelen maakt bij invoering van de Omgevingswet deel uit van het omgevingsplan van de gemeente Rotterdam. De rioolaansluitvergunning voor het aansluiten op de gemeentelijke riolering is geregeld in de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam.

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema water die betrekking hebben op omgevingsplannen.

Toetsing

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Op grond van artikel 5.37 Bkl dient in een omgevingsplan rekening gehouden te worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan worden de opvattingen van de waterbeheerders betrokken.

De planlocatie ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit omgevingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling.

5.3.1 Huidige situatie

In de huidige situatie staat er een gebouw met een (gesloten) bedrijfsruimte op de begane grond en twee woonlagen met appartementen. Er is geen water in de planlocatie gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0013.png"

Figuur 5.3.1 Huidige situatie van de planlocatie (legger waterschap HD)

Bodem en grondwater

De planlocatie maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom is de planlocatie niet gekarteerd. Ten noorden van de planlocatie bestaat de bodem uit dunne veengronden en moerige gronden met kleiondergrond.

Waterkwantiteit, veiligheid en waterkeringen

Conform de waterschapsverordening van Hollandse Delta bevinden zich in de planlocatie geen watergangen. Binnen de planlocatie is in de huidige situatie geen waterlichaam aanwezig. de planlocatie bevindt zich niet in de beschermingszone- of kernzone van een waterkering of oppervlaktewater.

Afvalwaterketen en riolering

De planlocatie is in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel, bestaande uit een gemengd stelsel.

Veiligheid en waterkeringen

De planlocatie is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering.

5.3.2 Toekomstige situatie

Bodem en grondwater

De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Zo worden er geen bodemvervuilende functies mogelijk gemaakt en wordt het grondwaterpeil niet gewijzigd.

Waterkwantiteit

Het waterschap Hollandse Delta stelt als eis dat 5% van de toename in verharding gecompenseerd dient te worden mits deze toename meer dan 500 m2 bedraagt. In de huidige situatie bestaat de planlocatie volledig uit verharding door bebouwing en parkeerplaatsen. In de toekomstige situatie blijft de mate van verharding hetzelfde, maar kan plekken in de planlocatie worden teruggebracht middels groene elementen.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid en waterkeringen.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • 1. hemelwater vasthouden voor benutting;
  • 2. (in-) filtratie van afstromend hemelwater;
  • 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • 4. afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Conclusie

De ontwikkeling draagt voor de belangen van het water bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat:

  • De planlocatie zich niet bevindt in een kern- of beschermingszone van een watergang of waterkering.
  • De ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
  • Er sprake is van een afname aan verharding.

Er zijn geen aanvullende planregels nodig om te voldoen aan etfal en de instructieregels. Gelet op de huidige situatie en de beschouwing van de toekomstige situatie is in voldoende mate rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en de waterbelangen.

5.4 Parkeren en verkeer

Op het moment van tot stand komen van deze wijziging van het omgevingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2025” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden.

Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het omgevingsplan in artikel 11.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend, wanneer er sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenoemde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat enkel wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het geldende gemeentelijke parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Dit beleid kan namelijk in de toekomst wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid te toetsen, zonder dat het omgevingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning.

Beleidsregeling

De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.

5.4.1 Autoparkeren

Net als voor de fietsparkeerbehoefte wordt voor het bepalen van de autoparkeerbehoefte aangesloten bij de gemeentelijke parkeernorm voor 'woonfunctie, 65 tot 85 m² GBO'. Voor deze functie wordt een parkeernorm gehanteerd van 0,8 per woning, wat leidt tot een normatieve parkeerbehoefte van (39 x 0,8 = 31,2 =) 32 autoparkeerplaatsen bij maximale invulling.

Conform artikel 10 uit het gemeentelijke parkeernormenbeleid kan een reductie worden toegepast op de normatieve parkeerbehoefte indien de beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd in de nabijheid van een OV-halte. De beoogde ontwikkeling is hemelsbreed gelegen op circa 100 meter afstand van de tramhalte Pleinweg en op circa 400 meter afstand van het metro- en busstation Zuidplein. Op basis daarvan komt de beoogde ontwikkeling in aanmerking voor een reductie van 20% op de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. Na toepassing van de reductiefactor daalt de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bij maximale invulling naar (31,2 x 0,8 = 24,96 =) 25 parkeerplaatsen. Als uitgangspunt wordt aangehouden dat als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van voldoende parkeergelegenheid op de planlocatie voor het opvangen van de parkeerbehoefte.

5.4.2 Fietsparkeren

De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is bepaald aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2025'. Binnen de gebiedsindeling conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid is de planlocatie gelegen in 'zone B'. Conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid dient de fietsparkeervraag van gebruikers binnen de plangrenzen van de beoogde ontwikkeling te worden opgevangen.

De beoogde woningen hebben een oppervlakte van 55 tot 70 m² GBO. Voor het hanteren van een worstcasebenadering wordt voor alle beoogde woningen uitgegaan van een oppervlakte van 70 m² GBO, waarmee de beoogde ontwikkeling valt onder 'woonfunctie, 65 tot 85 m² GBO'. Voor deze functie geldt een fietsparkeernorm van 3 stallingsplaatsen per woning. De totale stallingsbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt bij maximale invulling (39 x 3 =) 117 stallingsplaatsen. Als onderdeel van de verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling dient te worden aangetoond dat op de planlocatie wordt voorzien in voldoende stallingsplaatsen voor het opvangen van de beoogde stallingsbehoefte. Hierbij dient conform artikel 20 de fietsparkeereis voor woningen te worden opgelost in bergingen. Met behoud van een berging per woning kunnen de benodigde fietsparkeerplaatsen in een gezamenlijke stalling worden opgevangen.

5.4.3 Ontsluiting

Langzaam verkeer

De planlocatie is gelegen aan de Texelsestraat. Voor voetgangers zijn op de Texelsestraat aan weerszijden van de rijbaan trottoirs aanwezig. Conform de ontwerprichtlijnen voor erftoegangswegen uit het ASVV 2021 zijn er op de Texelsestraat geen specifieke oversteekplaatsen ingericht voor voetgangers. Er zijn geen aparte fietsvoorzieningen aanwezig op de Texelsestraat, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer. Doormiddel van de inrichting van de rijbaan conform de ontwerprichtlijnen uit het ASVV 2021 en de lage maximumsnelheid wordt de verkeersveiligheid van fietsers gewaarborgd. Ten noorden van de planlocatie komt de Texelsestraat uit op de parallelweg van de Pleinweg. Aan de zuidzijde van de rijbaan is een vrijliggend voetpad aanwezig en voor fietsers is een fietssuggestiestrook beschikbaar in oostelijke richting naar het Zuidplein.

Openbaar vervoer

De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf de planlocatie is gelegen op circa 250 meter loopafstand aan de Pleinweg. Vanaf deze kan gebruik worden gemaakt van buslijnen tussen Zuidplein en Charlois, Sluisjesdijk en Pendrecht. De eerstvolgende OV-halte is de tramhalte Pleinweg, gelegen op circa 350 meter loopafstand van de planlocatie. Vanaf hier kan gebruik worden gemaakt van tramlijn 2, tussen Charlois en Keizerswaard. De planlocatie is tevens gelegen op circa 750 meter loopafstand vanaf het metro- en busstation Zuidplein.

Gemotoriseerd verkeer

De Texelsestraat is ingericht als een erftoegangsweg met een éénrichtingsregime in noordelijke richting naar de parallelweg van de Pleinweg (S103). De Pleinweg is een gebiedsontsluitingsweg en leidt in noordwestelijke richting via het centrumgebied van Rotterdam naar de A13 en A20 ten noorden van Rotterdam. In zuidoostelijke richting leidt de Pleinweg naar de A15 en de A16.

5.4.4 Verkeersgeneratie

Voor het bepalen van de verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt voor de gemeente Rotterdam op basis van CBS-data een stedelijkheidsgraad van 'zeer sterk stedelijk' aangehouden. De ligging van de planlocatie is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit binnen Rotterdam conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden.

Alhoewel in de bestaande situatie al functies aanwezig zijn die komen te vervallen als gevolg van de beoogde ontwikkeling, wordt voor het hanteren van een worstcasebenadering geen rekening gehouden met het salderen van de bestaande situatie. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 39 sociale huurappartementen. Conform het CROW geldt voor dit type woningen een verkeerskencijfer van 3,2 voertuigbewegingen per woning, waarmee de totale verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling (39 x 3,2 = 124,8 =) 125 mvt/etmaal bedraagt voor een gemiddelde weekdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de gemiddelde werkdag maatgevend. Conform CROW-381 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. Hiermee zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeersgeneratie van (124,8 x 1,11 = 138,5 =) 139 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate laag dat wordt geconcludeerd dat het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is.

5.4.5 Conclusie

De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt 139 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De beoogde verkeerstoename is dermate laag dat het effect op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet verwaarloosbaar is. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 117 stallingsplaatsen en 25 autoparkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van voldoende parkeergelegenheid op de planlocatie voor het opvangen van de parkeerbehoefte op eigen terrein. Het aspect verkeer en parkeren vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Trillingen

Toetsingskader

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.4 instructieregels voor trillingen. Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het

omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen.

Het gaat hier onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke

regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Daarvan is vooralsnog nog geen sprake.

Toetsing

Met de wijziging van het omgevingsplan worden geen trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Wel worden er trillinggevoelige gebouwen gerealiseerd, namelijk woningen. Er is beoordeeld of er sprake is van trillingen door activiteiten op de beoogde trillinggevoelige gebouwen. Dit is niet aan de orde. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bronnen (zoals een spoorlijn) die trillinghinder veroorzaken. Zodoende is er geen trillinghinder op een trillinggevoelig gebouw. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met de instructieregel in artikel 5.83 van het Bkl in de paragraaf over trillingen. De realisatie van de woningen binnen de planlocatie is gelet op het aspect trillingen aanvaardbaar.

Conclusie

Vanuit het Bkl is er geen directe aanleiding om voor de locatie nader in te gaan op trillingshinder. Het opnemen van standaardwaarden voor trillingen is niet nodig voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen planregels nodig om te voldoen aan etfal en de instructieregels.

5.6 Omgevingsveiligheid

5.6.1 Toetsingskader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden

In artikel 5.12 in het Bkl zijn er brand-, explosie en gifwolkaandachtsgebieden voor het groepsrisico, deze zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl).

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in het omgevingsplan.

Een berekening van het groepsrisico (GR) is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te berekenen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Provinciale verordening Zuid-Holland

Binnen deze verordening is de volgende instructieregel relevant:

Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico)

  • 1. Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 meter, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 meter gemeten vanaf de kant van de weg.
  • 2. In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen.

5.6.2 Toetsing

De ontwikkeling is relevant voor (externe) veiligheid omdat het plan voorziet in het toelaten van woningen. Woningen zijn getypeerd als kwetsbare gebouwen zoals bedoeld in Bijlage VI bij het Bkl.

 

Analyse veiligheidsrisico's

De externe veiligheidsrisco's van de omgeving ten aanzien van deze woningen zijn inzichtelijk gemaakt. Op basis van de gegevens uit de Signaleringskaart Externe Veiligheid zijn de risicovolle inrichtingen en aandachtsgebieden in de omgeving onderzocht. De uitsnede van deze kaart is op onderstaande figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0014.png" Figuur 5.6.1. Uitsnede EV signaleringskaart, plangebied in rood aangegeven. (Atlas leefomgeving)

Gifwolkaandachtsgebied C. Steinweg Handelsveem B.V., Pier I.

De locatie ligt binnen een placeholder gifwolkaandachtsgebied van een bedrijf onder de naam C. Steinweg Handelsveem B.V., Pier I. Binnen aandachtsgebieden moet de gemeente in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico (artikel 5.15 van het Bkl). Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Het RIVM heeft het handboek omgevingsveiligheid opgesteld met daarin een stappenplan besluitvorming groepsrisico. Dit stappenplan licht toe welke stappen het bevoegd gezag kan nemen in het bestuurlijke afwegingproces om mens en milieu binnen aandachtsgebieden te beschermen en geeft daarmee invulling aan lid 2 van artikel 5.15, onderstaand loopt de stappen langs:

Afstand houden van het aandachtsgebied

Het is niet mogelijk de beoogde ontwikkeling buiten het aandachtsgebied te plaatsen. Het verminderen van het aantal woningen is niet wenselijk vanuit stedenbouwkundige en financieel economische overwegingen. Aanpassing aan de plaatsing, binnen de projectgrens, van het pand zal geen effect hebben op het verminderen van het groepsrisico.

Waarderen al bestaande bescherming

Het gifwolkaandachstgebied heeft een straal van 1,5 kilometer. De projectlocatie ligt aan de rand van het gifwolkaandachtsgebied. Tussen de milieubelastende activiteit en de beoogde locatie bevinden zich meerdere woningen die bescherming bieden tegen de verspreiding van toxische stoffen. De wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen, o.a. de organisatie van hulpdiensten en risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's), zijn al op orde.

Overwegen aanvullende bescherming

Conform het Bbl bestaat de verplichting tot mechanische ventilatie en dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Bij het ontwerp van de nieuwbouw is hier dan ook nadrukkelijk rekening mee gehouden. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk. De aanbeveling luidt om woningen te voorzien van mechanische ventilatie zodat de luchttoevoer bij een toxische wolk kan worden geminimaliseerd.

De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Door actief te communiceren over risico's zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. Het advies luidt op een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied (brandweer en veiligheidsregio). In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico's wordt gecommuniceerd. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract kunnen bewoners op de (externe) veiligheidsrisico's gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn.

Advies van de VRR legt belang bij de constructie van het gebouw; construeer het gebouw zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen.

Voorgaande stappen tonen dat het groepsrisico voldoende is verantwoord. De genoemde maatregelen kunnen de omvang en effecten van mogelijke incidenten reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht. Aanvullende (bouw)maatregelen of planregels worden niet noodzakelijk geacht.

Overige aandachtsgebieden en PR-contouren

De locatie bevindt zich niet binnen de contouren van het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden (gifwolk-, brand- en explosieaandachtsgebieden) van activiteiten met een extern veiligheidsrisico (opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen), noch in een belemmeringengebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen risicovolle activiteiten gerealiseerd. Gelet hierop zijn de instructieregels in § 5.1.2.2 e.v. van het Bkl niet van toepassing. Verder bevindt de planlocatie zich niet in een van de aandachtsgebieden van de niet-basisnetwegen zoals bepaald in artikel 7.3.2.4. van de provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland.

De VRR attendeert op het aspect waterveiligheid in het kader van klimaatbestendig bouwen. De volgende maatregelen dienen te worden overwogen een aangepaste drempelhoogte en/of het hoger plaatsen van de aansluitingen voor elektriciteit. Met in achtneming van deze maatregelen zijn de gevolgen, in het kader van veiligheid, aanvaardbaar.

Voor deze wijziging van het omgevingsplan zijn wel de algemene bepalingen in § 5.1.2.1 van het Bkl van belang. Op basis van artikel 5.2 van het Bkl wordt in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang van:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;
  • de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en
  • de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet.

Deze instructieregel is 'vertaald' in de artikelen 22.13 tot en met 22.15 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (de bruidsschat). Deze artikelen bevatten regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid die een toereikende bluswatervoorziening, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen waarborgen. Met deze verantwoording van het groepsrisico wordt er voldaan aan de instructieregel artikel 5.15 van het Bkl.

De VRR adviseert rondom de te realiseren gebouwen nabij "Texelsestraat" zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Hierbij dient er te worden voldaan aan de eisen en voorwaarden van het regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR'

5.6.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande is de aangevraagde activiteit in overeenstemming met instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid.

De ontwikkeling draagt voor het aspect waarborgen van de veiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat:

  • geen nieuwe risicovolle activiteit wordt gerealiseerd;
  • er voldoende rekening is gehouden met het groepsrisico ten aanzien van het gifwolkaandachtsgebied, de beoogde situatie is aanvaardbaar;
  • er geen overige risico's ontstaan vanwege nabijgelegen risicovolle activiteiten;
  • het omgevingsplan regels bevat met het oog op het waarborgen van de veiligheid.

Er zijn geen planregels nodig om te voldoen aan etfal en de instructieregels.

5.7 Luchtkwaliteit

5.7.1 Toetsingskader

Als een plan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, is het plan uitvoerbaar als de omgevingswaarden als bedoeld in artikel 8.17 Bkl voor deze stoffen in acht worden genomen. Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. De gemeente Rotterdam is zo'n aandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijnstof. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.

Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In artikel 5.54 Bkl zijn standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Het gaat onder andere om het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met:

1°. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of

2°. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.

5.7.2 Planlocatie

De planlocatie bevindt zich in een in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeld aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. De ontwikkeling betreft het mogelijk maken van maximaal 39 appartementen en valt daarmee onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit, zoals vermeld in Artikel 5.54 van het Bkl. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder.

Voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) 2023. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Pleinweg, ten noorden van de planlocatie. Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022; 27,41 µg/m³ voor NO2, 19,1 µg/m³ voor PM10 en 9,93 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7 dagen.

5.7.3 Conclusie

De ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat:

  • Het voornemen valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit.
  • de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar en voorziet de beoogde ontwikkeling niet in betekende mate toe aan de luchtkwaliteit. Uit de CIMLK blijkt dat er ter plaatse geen overschrijding plaats vindt aan de standaardwaarde voor luchtkwaliteit.

De ontwikkeling is in artikel 5.54 Bkl aangewezen als een standaardgeval dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De artikelen 5.50 en 5.51 van het Bkl zijn niet van toepassing. Gelet hierop vereisen de instructieregels niet tot het stellen van planregels en wordt er voldaan aan de instructieregels voor het aspect luchtkwaliteit.

5.8 Bodem en grondwaterkwaliteit

5.8.1 Toetsingskader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het Aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie.

De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en-aantastingen

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het gebiedsdekkende omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Paragraaf 7.3.5 van de provinciale omgevingsverordening van Zuid-Holland bevat instructieregels die gericht zijn op het waarborgen van de grondwaterkwaliteit en het voorkomen van verdere verspreiding van verontreinigingen in het watersysteem.

Allereerst, bij het toelaten van bouwactiviteiten op grondwatergevoelige locaties moeten grondige voorzorgsmaatregelen worden genomen. Dit omvat het uitvoeren van onderzoek om te controleren op verontreiniging van grondwater, tenzij het omgevingsplan anders bepaalt. Als er sprake is van verontreiniging, is een risicobeoordeling vereist en moeten er sanerende maatregelen worden getroffen om verdere vervuiling te voorkomen. Een omgevingsvergunning is vereist voor bouwactiviteiten op dergelijke locaties, waarbij maatregelen voor sanering moeten worden aangetoond.

Daarnaast regelt de verordening ook het saneren van bodemverontreiniging als onderdeel van een bronaanpak. Afdekken als saneringsaanpak is over het algemeen niet toegestaan, tenzij het omgevingsplan anders bepaalt. Maatwerkvoorschriften voor alternatieve saneringsmethoden zijn alleen toegestaan als deze de verontreiniging van het grondwater beperken.

Het rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater is verboden, tenzij specifieke voorwaarden zijn vastgesteld in het omgevingsplan. Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld voor het lozen, maar alleen als dit geen gevaar oplevert voor de kwaliteit van het grondwater.

Ten slotte is er aandacht voor activiteiten op locaties met een historische bodemverontreiniging. Maatregelen moeten worden genomen om verdere verontreiniging van het grondwater te voorkomen of te beperken. Omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen worden alleen verleend als deze verenigbaar zijn met het belang van waterbeheer en bescherming van de kwaliteit van watersystemen.

Deze samenhangende regels zorgen voor een geïntegreerde aanpak van grondwaterkwaliteit en bescherming van watersystemen binnen de provincie Zuid-Holland.

5.8.2 Toetsing

De 'Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam' geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. De Bodemkwaliteitskaart geeft aan dat de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) in de wijk Carnisse licht is verontreinigd. De bodem tussen de 1 meter en 2 meter beneden het straatpeil is eveneens licht verontreinigd. Voor de wijk Carnisse geldt de functieklasse Wonen.

Ten aanzien van de woningen is er geen sprake van een functiewijziging aangezien in de huidige situatie er reeds sprake is van woningbouw. De beoogde ontwikkeling maakt ook horeca mogelijk, deze activiteit is niet meer milieugevoelig of bodem belastend dan de in huidige situatie aanwezige woningen. De bodemkwaliteit op de locatie wordt geschikt geacht voor het voorgenomen gebruik.

In de bruidsschat zijn met betrekking tot de bouw van een bodemgevoelig gebouw regels opgenomen die grotendeels voldoen aan de instructieregels uit het Bkl en waarbij wordt aangesloten in deze wijziging. Deze regels bevatten waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, een vergunningplicht voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en hieraan gekoppelde beoordelingsregels die waarborgen dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem en het college van B&W wordt geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of beschermende maatregelen zijn getroffen.

Provinciale omgevingsverordening

De planlocatie betreft geen grondwatergevoelige locatie, tevens maakt het beoogde plan geen (grondwater)verontreinigde activiteiten mogelijk. Er is geen aanleiding tot specifiek onderzoek. Er wordt geen verontreinigende stoffen gelost in het grondwater.

Conclusie

De kwaliteit van de bodem voldoet aan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit en draagt in zoverre bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De ontwikkeling draagt voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat:

  • Geen bodemverontreinigende activiteiten worden mogelijk gemaakt.
  • De bodemkwaliteit op de locatie wordt geschikt geacht voor het voorgenomen gebruik.

Er zijn geen planregels nodig om te voldoen aan etfal en de instructieregels.

5.9 Natuur

5.9.1 Toetsingskader

Toetsingskader

In het Bkl zijn regels opgenomen voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden.

Soortenonderzoek naar beschermde soorten moet uitsluiten of er beschermde soorten en/of functies aanwezig zijn in of nabij het plangebied. Indien deze aanwezig zijn, worden de aantallen en locaties in kaart gebracht. Daarna wordt bepaald of de voorgenomen werkzaamheden in strijd zijn met hoofdstuk 11 (art. 11.37 vogelrichtlijnsoorten, art. 11.46 habitatrichtlijnsoorten en art. 11.54) van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en /of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling.

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een wijziging van het omgevingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

• alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;

• het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en

• de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland

Artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit)

Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit.

5.9.2 Planlocatie

Soortenbescherming

Er is een ecologische quickscan uitgevoerd. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 2. Hieruit blijkt dat de planlocatie vermoedelijk gebruikt wordt door de huismus, gierzwaluw en vleermuizen.

Naar aanleiding van deze bevindingen uit de quickscan, is vervolgens nader soortenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit dit nader onderzoek is gebleken dat er beschermde functies aanwezig zijn in de directe omgeving van de planlocatie, namelijk een paarterritorium van de gewone dwergvleermuis en nestplaatsen van de gierzwaluw en de huismus. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de gemeente Rotterdam een adviesnotitie opgesteld, hoe in voldoende mate rekening kan worden gehouden met deze beschermde functies. Dit advies is opgenomen als bijlage 4. Hierna volgt een beknopte weergave van dit advies.

Advies

In de directe omgeving van het plangebied is een paarverblijf van de gewone dwergvleermuis, circa 14 nestplaatsen van de gierzwaluw en 1 nestplaats van de huismus aangetroffen. De volgende maatregelen dienen te worden genomen om schadelijke handelingen voor de gewone dwergvleermuis, gierzwaluw en huismus te voorkomen:

  • Voorkom dat verblijfplaatsen van vleermuizen rond het plangebied verstoord worden. Verstoring kan optreden door bijvoorbeeld verlichting en/of trillingen tijdens de werkzaamheden;
  • Start met de werkzaamheden buiten de winterslaapperiode van vleermuizen (1 november tot 1 april);
  • Voer de werkzaamheden uit buiten het broedseizoen van de huismus (maart tot en met augustus) en/of gierzwaluw (15 april tot en met augustus);
  • Voorkom dat nesten en functionele leefomgeving van huismus en/of gierzwaluw verstoord worden door de werkzaamheden;
  • Zorg dat er bij werkzaamheden (zonder verstoring) tijdens het broedseizoen (half april t/m augustus) er te allen tijde een vrije aanvliegroute is voor de invliegopeningen van de gierzwaluwnestplaatsen. Dit betekent dat er een vrije ruimte moet zijn van minimaal drie meter hoog en één meter breed voor de invliegopening;
  • Werk buiten het broedseizoen van de kauw (april-juli) of laat een broedvogelinspectie doen door een ecoloog voor de start van de werkzaamheden;
  • Maak gebruik van elektrische voortuigen om verstoring te beperken of voorkomen;
  • Het minderen van voertuigbewegingen op de bouwplaats om verstoring te beperken.

De bovenstaande maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol, waarin aantoonbaar wordt gemaakt hoe de maatregelen worden bewerkstelligd. Hierbij dient een ecoloog te worden ingeschakeld om het proces te begeleiden.

Er dient voorkomen te worden dat de gebouwen waar het paarterritoria van de gewone dwergvleermuis is aangetroffen buiten het plangebied beschenen worden door verlichting tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. Om verstoring op deze verblijfplaats te voorkomen dient een lichtplan opgesteld te worden waaruit blijkt dat de in te zetten verlichting niet tot dit gebied reikt.

Omgevingsvergunning voor een flora -en fauna-activiteit

Indien niet aan deze maatregelen kan worden voldaan, is de aanvraag van een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten noodzakelijk. Deze aanvraag moet bij de het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland worden ingediend.

Provinciale omgevingsverordening Zuid-Holland

Artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit)

Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit.

Toetsing

De gemeente Rotterdam werkt ten aanzien van biodiversiteit met een kernbiotopen-indeling van de stad. Voor de Texelsestraat, gelegen in de kernbiotoop stadswijken, zijn de volgende gidssoorten aangewezen: de gierzwaluw, het boomblauwtje en de egel. Voor deze soorten worden voorzieningen getroffen.

Gebiedsbescherming

De planlocatie vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. De planlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in de planlocatie of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. Het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft de Biesbosch op een afstand van circa 20 km. De afstand tot het dichtstbijzijnde NNN -gebied bedraagt circa 5 km.

De planlocatie ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van de planlocatie (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Omdat stikstofgevoelige gebieden effecten kunnen ondervinden van ontwikkelingen die op afstand plaatsvinden, is in het kader van dit TAM-omgevingsplan de stikstofdepositie voor de realisatie- en gebruiksfase berekend middels Aerius-berekeningen. De berekening en de bijbehorende memo zijn opgenomen in bijlage 5en 6.

Uit de rekenresultaten blijkt dat voor de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve is in het kader van de Omgevingswet geen vergunning noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0015.png"

Figuur 5.9.1 Planlocatie en Natura 2000 (aerius.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0016.png" Figuur 5.9.2. Planlocatie en NNN (zuid-holland.nl)

5.9.3 Conclusie

Soortenbescherming

Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er mogelijk sprake is van een effect op de gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw. In het nader onderzoek zijn maatregelen benoemd welke grondslag moeten vinden in de verdere uitwerking van het plan en dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Er moet een lichtplan worden opgesteld om verstoring op de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis te beperken. Voor de andere soorten kan met eenvoudige maatregelen overtreding worden voorkomen en zijn geen aanvullende handelingen nodig. Indien de eventuele aanvullende maatregelen in acht worden genomen, draagt de ontwikkeling voor het aspect ecologie soortenbescherming bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Indien niet aan deze maatregelen kan worden voldaan is de aanvraag van een Omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit nodig.

Gebiedsbescherming

De ontwikkeling is niet in een natuur- of groengebied met een beschermde status gelegen. De ontwikkeling draagt voor het aspect ecologie gebiedsbescherming bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat uit de stikstofberekening blijkt dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast.

5.10 Duurzaamheid

Toetsingskader

Klimaat Actieplan Rotterdam

De gemeente Rotterdam heeft in het Klimaat Actieplan Rotterdam (KAR) beleid opgenomen om in 2030 de stad groener en gezonder te maken. KAR is een overzicht van alle acties die de gemeente Rotterdam uitvoert om dit voor elkaar te krijgen. De belangrijkste pijlers zijn:

  • 1. Schone, duurzame en robuuste energievoorziening

In de toekomst gebruiken we geen fossiele brandstoffen meer zoals aardgas, steenkool en aardolie. Dan gebruiken we bijvoorbeeld zonne-energie en windenergie. We noemen dat de energietransitie.

  • 2. Gebouwde omgeving

Met stedelijke en gebiedsgerichte aanpakken bevorderen we isolatie en energiebesparing door bewoners, eigenaren en ondernemers. Van aardgas naar stadsverwarming over te stappen. Bij nieuwe woningen is het onze ambitie om in te zetten op milieuvriendelijk en toekomstbestendig bouwen, boven op de wettelijke eisen.

  • 3. Mobiliteit

Eenvoudig opladen van elektrische voertuigen voor iedereen in Rotterdam. Al het personenvervoer (bussen, deelauto's, taxi's) wordt elektrisch.

  • 4. Haven van de toekomst

De Rotterdamse haven is erg belangrijk in de wereld. Om de haven sterker te maken, moet deze duurzaam worden. Het doel is om in 2050 klimaatneutraal te zijn. In 2050 is de industrie in de haven ook volledig circulair.

  • 5. Klimaatadaptatie

In Rotterdam zijn we al begonnen de stad aan te passen aan een klimaat dat verandert. We planten meer groen in de stad. We letten daarbij op de biodiversiteit: we zorgen dat er verschillende soorten planten en dieren kunnen leven. We gaan hier op een slimme manier mee om: wanneer we aanpassingen maken in de stad, denken we meteen na over hoe we die veranderingen kunnen laten samengaan met de klimaatverandering. Het programma Rotterdams WeerWoord laat zien welke stappen we hiervoor kunnen nemen.

Rotterdams Duurzaamheidskompas

De doelstellingen van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn onder te verdelen in de volgende ambities: energietransitie, circulaire economie en gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. In het Rotterdams Duurzaamheidskompas geeft de gemeente de richting en ambities aan hoe er de komende jaren werken aan een duurzame stad.

Rotterdam Circulair

Het programma beschrijft de circulaire ambities van de gemeente. Voor de vier sleutelsectoren (bouw, voedselstromen, consumptiegoederen en de zorg) zijn de opgaven, kansen en acties benoemd.

Rotterdam Adaptatiestrategie

Deze strategie biedt een kader en uitgangspunten, zodat bij elke (ruimtelijke) ontwikkeling onderwerpen als waterveiligheid, bereikbaarheid en robuustheid van de stad worden meegenomen.

Programma Multifunctionele daken

Dit programma zorgt voor een integrale benadering van daken, waardoor deze optimaal kunnen worden benut, de maatschappelijke opgaven worden verkleind en de leefbaarheid

in de stad behouden blijft. Het verenigt doelstellingen van verschillende andere programma’s en strategieën (zoals Resilience, Energietransitie, Klimaatadaptatie, Groei van de Stad, Mobiliteitstransitie, Luchtkwaliteit, Vergroeningsopgave, Omgevingswet en Circulariteit).

Toetsing

In de Nota van Uitgangspunten zijn de volgende punten opgenomen in het kader van duurzaamheid.

Energietransitie

Alle parkeervoorzieningen op privaatterrein worden (constructief) voorbereid op laadinfrastructuur bij voorkeur met de mogelijkheid om bidirectioneel te laden. Hiermee wordt lokaal opgewekte elektriciteit worden opgeslagen in de auto’s en worden teruggeleverd. Op die manier worden pieken op het elektriciteitsnet gereduceerd.

Voor het project Texelsestraat ligt er een aansluitplicht voor stadsverwarming bij Vattenfall. Warmteoverdrachtstations worden inpandig gerealiseerd. In straatprofielen wordt voldoende ruimte gereserveerd voor (toekomstige) warmteleidingen. In dit projectgebied vraagt dit extra aandacht omdat (delen van) de ondergrond meer dan 75% van de ruimte al benut is.

Circulair

Bij projectontwikkeling door middel van sloop-nieuwbouw laat de gemeente een waardescan uitvoeren. Dit is een inventarisatie van wat er al in het gebied is en wat behouden kan worden; als product, als materiaal of als grondstof. Slopen en demonteren van bestaande bouwwerken gebeurt op slimme en circulaire wijze. Hierbij wordt gestuurd op waarde-behoud en het beperken van afval. Van de uitkomende materialen wordt bij voorkeur zoveel mogelijk binnen de eigen projecten hergebruikt en anders zo dicht bij de slooplocatie mogelijk.

Toepassingen van primaire grondstoffen wordt zoveel mogelijk beperkt, zodat milieu-impact afneemt. Daarnaast kan de toepassing van biobased materialen ook de milieu-impact beperken. De woningen dienen een maximale MPG te hebben van 0,5 (zoals naar verwachting wettelijk verplicht per 2025).

Klimaatbestendig

Gemeentelijke eisen ten aanzien van omgang met hemelwater:

1. Gescheiden aanbieden van het regenwater en vuilwater is een eis. Omdat er in de Texelsestraat (nog) een gemengd riool ligt moeten de twee buizen buiten de gevel aan de straatkant tot één buis worden gekoppeld.

2. Water van balkon en loggia af laten stromen naar het vuilwatersysteem.

Aanvullende tips t.a.v. hemelwaterafvoer:

3. Als het gebouw 50 m x 6 m en 50 cm hoog (opstaande rand van het platte dak) dan geeft dat een berging van 7,5 m3. En als er ook nog Regenwaterzak 12.000 liter - GEP Water voor onder het gebouw.

4. Graag toepassing geveltuintje/groene gevel.

5.11 Milieuzonering en milieubelastende activiteiten

5.11.1 Toetsingskader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat in het omgevingsplan voorwaarden worden vastgelegd om te zorgen dat bedrijfsmatige activiteiten en milieugevoelige activiteiten (zoals wonen) op een goede manier op elkaar worden afgestemd. Afhankelijk van de aard en omvang van de activiteiten die het omgevingsplan toestaat zal het daarbij in ieder geval gaan om regels op het vlak van geluid. Verder is bij het toestaan van nieuwe gevoelige activiteiten ook een afweging van de gevolgen voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bedrijven noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2 instructieregels voor geluid door activiteiten. Op grond van artikel 5.59 Bkl dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen.

Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0017.png"

Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0018.png"

In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan de binnenwaarden volgens bovenstaande tabellen.

 

5.11.2 Planlocatie

De omgeving kenmerkt zich als een gemengd gebied waarbinnen woningen en bedrijfsactiviteiten dicht bij elkaar plaats vinden. Hier is sprake van functiemening in stedelijk gebied. Ten westen van de planlocatie is een PLUS supermarkt gesitueerd, het betreft hier de achterzijde van de supermarkt. De entree en het parkeren zijn gesitueerd aan de voorzijde van de supermarkt. Nabij de planlocatie is er met betrekking tot de supermarkt uitsluitend sprake van het laden en lossen, wat ook waar te nemen valt uit onderstaande figuur. Aan deze activiteiten kan potentieel geluidshinder worden ondervonden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0019.png"

Figuur 5.11.1 Uitsnede bestemmingsplan en satellietfoto aanzicht supermarkt.

De wijziging van het omgevingsplan voorziet in de realisatie van woningen. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen, zoals geregeld in artikel 3.21 lid 3 Bkl. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4.2 'Geluid door activiteiten' van het Bkl relevant.

Gezien het feit dat er in de bestaande situatie al bestaande woningen aanwezig zijn binnen de planlocatie en de nieuwe woningen niet dichterbij worden toegestaan betekent dit dat de supermarkt niet in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd in vergelijking met haar huidige bedrijfsvoering.

Dat wil niet zeggen dat er geen sprake kan zijn van waarneembaar geluid. Hiervoor heeft de supermarkt zich te houden aan de regels ten aanzien van geluid zoals opgenomen in de bruidsschat. Daarin is bepaald dat laden en lossen plaatsvindt tussen 07:00u en 19:00u. De in de bruidsschat gegeven maximale geluidwaarden LAmax zijn in die periode niet van toepassing op laden en lossen. Uit de Ow en het Bkl vloeit geen verplichting of instructie voort voor de gemeente om afzonderlijke geluidwaarden in het omgevingsplan op te nemen voor piekniveaus in de dagperiode (bijvoorbeeld door laden en lossen). Het DCMR heeft advies gegeven over deze kwestie en ziet geen aanleiding voor vervolgonderzoek.

5.11.3 Conclusie

Bovenstaande toont aan dat er sprake is van een aanvaardbare situatie in het kader van geluid (door activiteiten). Ter plaatse van de woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat, terwijl de omliggende bedrijven niet worden beperkt in hun geluidsruimte. Er wordt voldaan aan de geldende instructieregels en er is sprake van een evenwichtige toedeling functies van locaties, zodoende zijn er geen aanvullende planregels nodig.

5.12 Geluid

Algemeen

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals genoemd in figuur 5.12.1. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens figuur 5.12.1.

Figuur 5.12.1: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0020.png"

In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:

  • 1. bij vervangende nieuwbouw maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde en het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde mag niet wezenlijk toenemen;
  • 2. bij functiewijziging maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde (transformatie);
  • 3. bij zeehavengebonden activiteiten maximaal 5 dB hoger dan de grenswaarde;
  • 4. bij een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen;
  • 5. bij een niet-geluidgevoelige gevel.

Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.

Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.

Geluid door activiteiten

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in figuur 5.12.2 en 5.12.3

Figuur 5.12.2: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

  07.00-19.00 uur   19.00-23.00 uur   23.00-07.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   50 dB(A)   45 dB(A)   40 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   70 dB(A)   70 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   65 dB(A)   65 dB(A)  

Figuur 5.12.3: Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

  07.00-19.00 uur   19.00-23.00 uur   23.00-07.00 uur  
LAr,LT als gevolg van activiteiten   35 dB(A)   30 dB(A)   25 dB(A)  
LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   55 dB(A)   55 dB(A)  
LAmax door andere piekgeluiden   --   45 dB(A)   45 dB(A)  

Voor een activiteit op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kunnen de waarden uit figuren 5.12.2 en 5.12.3 met 5 dB worden verhoogd voor geluidgevoelige gebouwen op datzelfde bedrijventerrein.

In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan de binnenwaarden volgens 5.12.2 en 5.12.3.

5.12.1 Toetsing

Het beoogde plan voorziet in het mogelijk maken van woningen, deze woningen zijn op grond van artikel 3.21 van het Bkl bepaald als een geluidsgevoelig gebouw. De locatie is daarom akoestisch onderzocht, het akoestisch onderzoek is opgenomen in de bijlage 7. Onderstaand beslaan de conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek.

Voor het plan zijn wegverkeerslawaai en industrielawaai van belang. Bepaald is wat het geluid vanwege deze bronnen op de gevels van de locatie is en of deze voldoet aan de eisen uit het Bkl en de eisen van de Wgh op grond van het overgangsrecht voor industrielawaai. Daarnaast is bepaald of het plan voldoet aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam.

Wegverkeerslawaai

De standaardwaarde voor wegverkeer (53 Lden) wordt niet overschreden. Er zijn daarom geen geluidbeperkende maatregelen noodzakelijk.

Industrielawaai (en nestgeluid)

Uit de berekening van het akoestisch onderzoek blijkt dat de maximale geluidbelasting vanwege het industrielawaai afkomstig van het industrieterrein Waal-Eemhaven op de ontwikkellocatie 53 dB(A) bedraagt. Daarmee wordt de voorkeurswaarde voor industrielawaai, te weten 50 dB(A), overschreden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 55 dB(A) voor nieuwe woningen wordt hiermee niet overschreden.

Nestgeluid

In de havens van Waal en Eemhaven en de ten noorden van het plangebied gelegen Maas en Rijnhaven is sprake van nestgeluid. Deze geluidbron is niet opgenomen in het zonebewakingsmodel van het gezoneerde industrieterrein waarmee industrielawaai wordt bepaald. Bij vaststelling van de nieuwe geluidemissie van het industrieterrein onder het stelsel van geluidproductieplafonds zal nestgeluid wel worden meegenomen. Vooruitlopend op deze vaststelling wordt in het kader van het interim beleid nestgeluid de geluidbelasting vanwege nestgeluid op nieuwbouwlocaties bepaald. Deze geluidbelasting moet worden meegenomen bij het bepalen van de geluidwering van nieuwbouwwoningen en daarom meegenomen bij de bepaling van het gezamenlijk geluid.

Uit de berekening van het akoestisch onderzoek blijkt dat de maximale geluidbelasting als gevolg van nestgeluid 55 dB Lden is. Dit is gelijk aan de gehanteerde streefwaarde van 55 dB voor het geluid van varende schepen Bij de geluidwering van deze locatie dient rekening te worden gehouden met deze bijdrage op de gevel als gevolg van vanwege nestgeluid. Dit gebeurt door het gezamenlijk geluid - waarover later in deze paragraaf meer - als uitgangspunt te hanteren voor de uitwerking van de gevels. Het nestgeluid is meegenomen bij het bepalen van dit gezamenlijk geluid.

Gezamenlijk geluid en binnenwaarde

In het geval van een overschrijding van de standaardwaarde, legt het bevoegd gezag de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel vast in het omgevingsplan vast. Dit volgt uit artikel 5.78ad Bkl. In dit geval is er sprake van overschrijding van de standaardwaarde als gevolg van industrielawaai, wat maakt dat in deze wijziging van het omgevingsplan het gezamenlijk geluid in de regels is vastgelegd

In combinatie met de vereiste binnenwaarde kunnen initiatiefnemer en bevoegd gezag dan bij de bouwactiviteit de benodigde geluidwering van die gevel bepalen (artikel 4.103 Bbl).

Het behalen van de vereiste binnenwaarde van 33 dB (en 35 dB(A) voor industrielawaai) in de beoogde woningen is door middel van aanvullende geluidwerende gevelvoorzieningen technisch en financieel haalbaar.

Het gezamenlijk geluid is berekend op 58 dB(A) en is vastgelegd in artikel 5.2.3 .

Hogere waarden

Gelet op de optredende geluidbelasting als gevolg van industrielawaai, zijn hogere waarden nodig. Bij dit besluit wordt de afweging meegenomen of er bron- en/of overdrachtsmaatregelen (kunnen) worden getroffen om de optredende geluidbelasting omlaag te brengen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat dergelijke maatregelen in dit geval niet reëel zijn.

Om die reden worden parallel aan deze wijziging van het omgevingsplan hogere waarden vastgesteld. Dit besluit is bijgevoegd als bijlage 8. De benodigde hogere waarden zijn opgenomen in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0599.TAM907Texelsestr-va01_0021.png"

Ontheffingsbeleid Rotterdam

De ontwikkellocatie beschikt over een geluidluwe gevel vanwege industrielawaai. Tevens is elke woning voorzien van één geluidsluwe buitenruimte welke zijn gesitueerd aan de oostzijde van het gebouw. De locatie voldoet daarmee aan het ontheffingsbeleid Wgh van Rotterdam.

5.12.2 Conclusie

De standaardwaarde voor wegverkeerslawaai (53 Lden) wordt niet overschreden. De standaardwaarde vanwege het industrielawaai afkomstig van het industrieterrein Waal-Eemhaven wordt op de ontwikkellocatie overschreden. Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen (kunnen) worden getroffen om de geluidbelasting tot standaardwaarde te reduceren, wordt geadviseerd om hogere waarden aan te vragen bij het college van burgemeester en wethouders. De locatie voldoet aan het ontheffingsbeleid van Rotterdam. Het gezamenlijk geluid is berekend op 58 dB(A) en is vastgelegd in artikel 5.2.3.

5.13 Gezondheid

Een van de doelen van de Ow is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b Ow). In lid 4 is benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Het beschermen gaat over het ervoor zorgen dat de schade aan de gezondheid zo laag mogelijk is middels normeringen en zoneringen. Dit zijn de milieu- en veiligheidsaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, bodem, veiligheid, et cetera.

Gezondheid is breder dan gezondheidbeschermende factoren en kent ook gezondheid bevorderende factoren. Gezondheidbevorderende aspecten hebben betrekking op het stimuleren van gezond gedrag bijvoorbeeld door uitnodigen tot bewegen, ontmoeten en toegang tot voorzieningen. Denk hierbij aan beweegvriendelijkheid, de aanwezigheid van aantrekkelijk en beleefbaar groen en ontmoetingsplaatsen.

Toetsing

Een groot deel van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk heeft een gezondheidscomponent. Voor de aspecten luchtkwaliteit en omgevingsveiligheid is de situatie binnen de planlocatie gunstig, al liggen de concentraties luchtverontreinigende stoffen wel boven de gezondheidskundige advieswaarden (maar dat geldt voor de hele gemeente Rotterdam omdat de achtergrondconcentraties reeds hoger zijn dan deze advieswaarden).

Met het oog op de gezondheidssituatie in brede zin, is van belang dat de planlocatie goed (en zowel verkeersveilig als sociaalveilig) bereikbaar is voor langzaam verkeer. Alle voorzieningen zijn op loop- of fietsafstand bereikbaar, waarmee het autogebruik wordt beperkt en een gezonde leefstijl (met zo veel mogelijk beweging) wordt gestimuleerd. Binnen de planlocatie wordt ingezet op vergroening en in de omgeving van de planlocatie is veel groen aanwezig met ruimte voor beweging, ontmoeting en recreatie.

Binnen delen van het plangebied is er sprake van geluidbelastingen door industrie. Aangezien voor een deel van de onderhavige woningen de standaardwaarde wordt overschreden dient het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te worden betrokken. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor de belaste woningen geldt dat deze de beschikking hebben over ten minste één gevel waarvoor de geluidbelasting de standaardwaarde niet overschrijdt. De kans op geluidhinder en slaapverstoring wordt hiermee zo veel mogelijk beperkt.

De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organisation, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige advieswaarden bedragen 10 ìg/m³ voor NO2, 15 ìg/m³ voor PM10 en 5 ìg/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. De concentraties ter hoogte van het plangebied zijn hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor het projectgebied, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt.

Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp van de onderliggende motivatie tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit, geluid, trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid.

Conclusie

Bovenstaand toont aan dat er sprake is van een aanvaardbare situatie voor toekomstige bewoners. Geluidoverlast kan worden voorkomen middels het treffen van enkele maatregelen. Vanuit de overige omgevingsaspecten zijn er geen significante effecten op de gezondheid van de toekomstige aanwezige mensen. De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor gezondheid. De ontwikkeling draagt voor het aspect gezondheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 6 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

6.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In Hoofdstuk 3 Rijks- en provinciaal beleid en instructieregels en Hoofdstuk 5 Gevolgen voor activiteiten in de fysieke leefomgeving is aangegeven dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

In deze paragraaf worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven.

Conclusie beleid

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het herontwikkelen van een binnenstedelijke woonlocatie. Het plan gaat uit van sloop van verouderde bebouwing en het realiseren van een nieuw woongebouw met andere functies in de plint. Door de sloop van de verouderde bebouwing en het realiseren van een nieuw gebouw met een eenduidig volume, net zoals bij de omliggende gebouwen, wordt de ruimtelijke kwaliteit in het gebied verhoogd. De nieuwe functie past bij de aard van het gebied waar al een mix van woningen en bedrijvigheid aanwezig is.

De voorgenomen ontwikkeling valt in binnenstedelijk gebied. Steden krijgen te maken met een toename van hittestress en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering en verdichting. Het uitvallen van stedelijke functies en hoge kosten op lange termijn kunnen voorkomen worden door beperking van wateroverlast en hitte als ontwerpuitgangspunt op te nemen bij de (her)inrichting van de stad.

Uit de toetsing van het relevante beleid en instructieregels van Rijk en provincie is gebleken dat met dit plan wordt bijgedragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie omgevingsaspecten

De impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.

Uit de toetsing van de relevante instructieregels van Rijk en provincie is gebleken dat met dit plan wordt bijgedragen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.2 Wijzigen omgevingsplan

6.2.1 Systematiek van de planregels

Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-omgevingsplan voorkomen.

De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in:

  • Algemene bepalingen;
  • Regels voor functies en activiteiten;
  • Algemene regels;
  • Overgangsregels.

6.2.2 Inleidende regels

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Daarnaast zijn de begrippen zoals opgenomen in de respectievelijke bijlagen bij de Omgevingswet en de AMvB's van kracht op dit plan.

6.2.3 Bestemmingsregels

Binnen de bestemming 'Wonen' is bebouwing toegestaan. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn bouwwerken toegestaan, waarin ruimte is voor onder andere woonactiviteiten en voorzieningen, behorende bij deze functie, zoals berg- en stallingsruimten, tuinen, erven, groen en ontsluitingswegen en -paden.

Ten aanzien van het bouwen ten behoeve van het wonen is de regeling voor een groot deel terug te voeren tot de algemene bouwregels uit artikel 8, waarin onder andere is bepaald dat er binnen bouwvlak gebouwd dient te worden en dat de maximum bouwhoogte zoals weergegeven op de verbeelding maatgevend is. In de bestemming wonen zijn twee verbijzonderingen opgenomen ten aanzien van het bouwen. Daarmee is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' een onderdoorgang met de minimaal genoemde afmetingen vrij moet blijven van bebouwing. Ook is bepaald dat de maximum bouwhoogte onder voorwaarden mag worden overschreden door een dakopbouw ten behoeve van een gezamenlijke bewonersruimte, niet zijnde een woning.

De archeologische waarden zijn vastgelegd met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. Deze dubbelbestemming is gericht op de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden en geldt aanvullend op de ter plaatse aanwezige enkelbestemming. In de dubbelbestemming zijn regels opgenomen die bepalen wanneer er archeologisch onderzoek nodig is alvorens er gebouwd mag worden of er andere werken en werkzaamheden uitgevoerd mogen worden. Wanneer een bouwplan deze bepalingen (bestaande uit een diepte- en/of hoogtemaat) overschreden wordt, dient eerst archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd om de uitvoerbaarheid, al dan niet met te treffen maatregelen, aan te tonen.

Verder is een gebiedsaanduiding 'overige zone - moderniseringslocatie' opgenomen die regelt dat de gehele planlocatie als moderniseringslocatie in de zin van artikel 4.18 Omgevingswet is aangewezen. Met deze dubbelbestemming kan modernisering van de bestaande bouwwerken worden afgedwongen. Het niet voldoen aan deze moderniseringsplicht resulteert in een met het omgevingsplan strijdig gebruik, waartegen met bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen kan worden opgetreden.

6.2.4 Algemene regels

De anti-dubbeltelregel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het omgevingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Dit artikel bevalt regels ten aanzien van het bouwen die in algemene zin van kracht zijn. Deze zijn dus niet specifiek gekoppeld aan één of meerdere bestemmingen, maar zijn altijd van toepassing.

Dit artikel bevalt regels om onder voorwaarden af te kunnen wijken van elders in het omgevingsplan voorgeschreven afmetingen, (afstands)maten en percentages. Tevens kunnen ondergeschikte bouwdelen worden toegestaan die de bouwhoogte overschrijden.

Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid

Op 21 december 2023 heeft de gemeenteraad de grondexploitatie vastgesteld voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen.

De kosten van grondexploitatie worden anderszins verhaald middels gronduitgifte. Voor de uitvoering van de opgenomen bouwplannen is een grondexploitatie vastgesteld met een tekort. Ter dekking van dit tekort heeft de gemeente een voorziening getroffen vanuit NPRZ-middelen. Door deze dekking is het plan financieel uitvoerbaar.

Om de herontwikkeling daadwerkelijk te kunnen realiseren, moeten gronden verworven worden. De benodigde eigendommen zijn minnelijk verkregen. Voor de uitvoering van het project is een splitsing van een grondperceel vereist, waarvoor ook mogelijk toestemming van andere appartementseigenaren nodig is.  Mocht deze toestemming niet worden verkregen dan dienen de gronden alsnog onteigend te worden. Basis voor deze onteigening vormt het onderhavige omgevingsplan.

Na verwerving door de gemeente zal zij de grond weer uitgeven aan een derde die het plan gaat ontwikkelen.

De kosten ten behoeve van minnelijke verwerving en eventuele onteigening zijn onderdeel van de vastgestelde grondexploitatie. Daarmee zijn de kosten voor de verwerving gedekt, zodat de uitvoering van het plan is geborgd.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Zienswijzen

Het ontwerp-wijzigingsbesluit met de daarbij behorende stukken zal gedurende een periode van zes weken ter inzage liggen. Gedurende deze periode is het voor eenieder mogelijk om mondeling of schriftelijk een zienswijze op het ontwerp-wijzigingsbesluit te geven.