| Plan: | Voskuilerdijk 26 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0351.BPVoskuilerdijk26-vg01 |
Op de locatie is een pluimveehouderij met sinds 2019 een biogasvergister aanwezig. Gelet op de behoefte aan duurzame energie en circulaire mestverwerking is de behoefte de capaciteit van deze installatie uit te breiden en een bestaand foliebassin te vervangen voor naopslag. Dat kan voor een belangrijk deel binnen de bestaande voorzieningen, alleen voor de nieuwe na-opslag silo is binnen het bestaande bouwvlak geen ruimte. Om ruimte te creëren voor deze silo en gelijktijdig de bedrijfsfuncties elk van een passende, toekomstgerichte bestemming te voorzien is deze planherziening opgesteld.
In eerste instantie was de planherziening wat betreft de agrarische bestemming bedoeld om de bestaande stallen opnieuw in te richten en het perceel na een uitbreiding van de stallen in te zetten voor Freiland pluimveehouderij. Onder andere gewijzigde marktomstandig en tegen het ontwerp-bestemmingsplan gerezen bezwaren hebben aanleiding gegeven tot wijziging van de plannen.
Thans wordt beoogd stal 6, meer nabij het adres Voskuilerdijk 28 gelegen, niet meer als stal te gebruiken en stal 7 naar achteren uit te breiden. Hiermee wordt het plangebied efficiënter benut en worden de afstand tussen de stal en de meest nabije gevoelige functies aanzienlijk vergroot. Tegenover deze maatregel wordt in overleg met de eigenaar/bewoner van het adres Voskuilerdijk 28 op dat perceel de bouwmogelijkheid voor een woning zo beperkt dat dit niet binnen de voorkeursafstand van de veehouderij plaats zal vinden.
De bedrijfsbestemming voor de gronden en gebouwen die hoofdzakelijk ten dienste zijn van de vergistingsinstallatie wordt, juridisch, gescheiden van de agrarische bestemming en uitgebreid. Hiermee wordt meer recht gedaan op de verschillen tussen de agrarische en de mestvergistingsbestemming. Ook wordt het hiermee niet meer mogelijk de mestvergisting uit te breiden naar het deel van het perceel dat oorspronkelijk enkel agrarisch werd gebruikt. De afstand tussen de bedrijfsbestemming ten dienste van de mestvergister en het adres Voskuilerdijk wordt daarmee tussen de 50 en 75 meter groter.
Ten opzichte van het ter inzage gelegde ontwerp-bestemmingsplan zijn, mede naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen enige wijzigingen aangebracht. Het betreft de volgende onderdelen:
Het perceel Voskuilerdijk 26 is gelegen in het noordelijke buitengebied van Woudenberg. Het perceel is op circa 4 km ten noordoosten van de dorpskern van Woudenberg gelegen. Ten zuiden van het perceel is het dorp Scherpenzeel gelegen. Kadastraal is het perceel bekend als gemeente Woudenberg, sectie A, nummers 1530 en 1531.
Ligging in de omgeving
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied 2010, in combinatie met de reparatieherziening daarvan: Buitengebied 2013 (herziening) en het wijzigingsplan Voskuilerdijk 26. Het bestemmingsplan Buitengebied 2010 is vastgesteld door de gemeenteraad op 23 september 2010. Het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (herziening) is vastgesteld op 27 juni 2013. Voor het grootste gedeelte van het plangebied geldt een wijziging van het bestemmingsplan. Dat is het wijzigingsplan Voskuilerdijk 26, vastgesteld door de burgemeester en wethouder op 20 mei 2015.
Voor het plangebied geldt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarde - Reliëf', met de functieaanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'specifieke vorm van bedrijf - mestvergistingsinstallatie'. Ter plaatse is één bedrijfswoning toegestaan, waarvoor een maximale inhoudt van 600 m3, inclusief aan- en uitbouwen geldt. Voor bedrijfswoningen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning bedraagt 80 m2. Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 11 meter.
Verder geldt voor het plangebied deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Naar verwachting aanwezige, archeologische waarden worden daarmee beschermd. Tevens rust op het plangebied ook de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwervingsgebied'.
Uitsnede plankaart
Binnen het geldende bestemmingsplan is het niet mogelijk het voornemen te realiseren. De uitbreiding van de vergistingsinstallatie, de nieuwe silo past, niet op een bedrijfseconomisch logische locatie in het bouwvlak. Ook de aanpassing van de stal ten behoeve van de modernisering van de pluimveehouderij en verbetering van de situering ten opzichte van het adres Voskuilerdijk 28 niet binnen het huidige bouwvlak. Daarom is een nieuw bestemmingsplan nodig voor het planvoornemen.
Dit plan vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van de bestaande en nieuwe situatie. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt het relevante beleidskader beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 de uitvoerbaarheid aangetoond. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Afsluitend zijn de resultaten van inspraak en overleg opgenomen.
Het plangebied is gelegen in het Woudenbergse buitengebied tussen de kernen van Woudenberg en Scherpenzeel. Het plangebied is op ongeveer 4 km ten noordoosten van de kern van Woudenberg gelegen en ongeveer 2 km ten noordwesten van de kern van Scherpenzeel. Het landschap is voornamelijk te typeren als kampenlandschap. Dit is een kleinschalig landschap met een onregelmatig, bochtig wegenpatroon, onregelmatige perceelsvormen en veel opgaande begroeiing in de vorm van bospercelen, houtsingels, laanbeplantingen en erfbeplantingen. Het grondgebruik is overwegend agrarisch. De agrarische erven staan verspreid in het landschap.
Luchtfoto omgeving met het plangebied in rood omkaderd
Het plangebied is gelegen aan een aftakking van de Voskuilerdijk, midden in een vrij open agrarisch landschap. De Voskuilerdijk is een relatief lange, lokale weg die in het zuiden, via de Oud Willaer, aansluit op de provinciale weg tussen Woudenberg en Scherpenzeel, de N224. Ten noorden van het perceel is een bosperceel aanwezig. Langs de Voskuilerdijk zijn enkele andere agrarische erven aanwezig.
Binnen het plangebied is een intensieve veehouderij aanwezig. Aan de noordkant van het perceel is de bedrijfswoning aanwezig. Naast de bedrijfswoning zijn twee stallen voor pluimvee aanwezig. Ten zuiden van de woning is een loods aanwezig, die mede gebruikt voor de vergistingsinstallatie waar de rest van het bouwvlak mee gevuld is. Onder de loods zijn ook twee vergisters aanwezig.
Het perceel heeft een eigen oprit/toegangsweg vanaf de Voskuilerdijk. Rondom de bedrijfsgebouwen is bestrating aanwezig. Beplanting is voornamelijk aanwezig langs de perceelsranden en in en rond de voortuin bij de bedrijfswoning.
Luchtfoto plangebied
Op de locatie is sinds 2019 naast een agrarisch bedrijf ook een biogasinstallatie aan de Voskuilerdijk 26 in Woudenberg in bedrijf. Momenteel is er sprake van één bestemming: een pluimveebedrijf met een co-/mestvergistingsinstallatie. Het voornemen van de eigenaar is om de vergister uit te breiden.
Deze uitbreiding is noodzakelijk op grond van bedrijfseconomische gronden. De huidige omvang is te klein om duurzaam in stand te blijven en in de toekomst te investeren in de modernste technologieën. Dit is noodzakelijk om bij te kunnen dragen aan de energietransitie en aan de verwerking van het lokaal aanwezige mestoverschot. Verplaatsing van de mestvergistingsinstallatie is op dit moment niet mogelijk omdat dit neer komt op een, niet financierbare, desinvestering door sloop van de huidige installatie.
De stallen zijn aan het einde van hun technische levensduur. Om mogelijke hinder te voorkomen en de bedrijfsvoering te rationaliseren zullen in stal 6 geen dieren meer worden ondergebracht en zal al het pluimvee in stal 7 worden ondergebracht. Deze stal zal daartoe naar achteren worden uitgebreid.
Juridische motivering
Een splitsing van het plangebied in een agrarisch deel en industrieel deel heeft een juridische en een praktische reden. Zoals Gedeputeerde Staten van Utrecht in hun zienswijzen terecht opmerken wordt met de splitsing recht gedaan aan het niet agrarische karakter van de mestvergistingsinstallatie. Er is een duidelijk verschil tussen de vergister en het agrarisch bedrijf waarbij de omvang van beide activiteiten zodanig is dat geen sprake is van ondergeschiktheid. Van een dubbel bestemming kan ook geen sprake zijn nu geen sprake is van een rangorde. De Regeling Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) geeft aldus aanleiding tot de toekenning van beide verschillende bestemmingen.
Daarnaast wordt met deze splitsing voorkomen dat de mestvergisting plaatsvindt op dat gedeelte van het perceel dat tot heden enkel agrarisch wordt gebruikt. De juridische afstand tussen de woning op het adres Voskuilerduik 28 en de mestvergister neemt hiermee aanzienlijk toe.
De bedrijfsvoering tussen beide bedrijfsonderdelen zal verbonden blijven. In het bestemmingsplan wordt opgenomen dat de aanwezige bedrijfswoning bij beide bestemmingen behoort zodat van daaruit op beide bedrijfsonderdelen toezicht kan worden gehouden.
Feitelijke motivering
Via de vergisting produceert het bedrijf biogas. Het biogas wordt voor een gedeelte opgewaardeerd tot groen gas en een ander deel wordt via een warmtekrachtkoppeling verbrand en omgezet tot groene stroom (±40%) en warmte (±60%). In 2023 was de aanvoer van producten als volgt:
Met deze producten wist het bedrijf het volgende te produceren:
Het digestaat is de mest die na vergisting achterblijft in de vergister. In Nederland worden ook de toegevoegde coproducten als dierlijke mest gezien. Dit digestaat wordt eerst gescheiden in een vaste organische fractie en een vloeibare dunne fractie. De vaste fractie wordt met de in de warmtekrachtkoppeling geproduceerde warmte gedroogd tot 90% droge stof (dus slechts 10% van het achterblijvende product is water). Een mestkorrelproducent maakt daar vervolgens mestkorrels van. Die worden wereldwijd verkocht aan tuinders en akkerbouwers in gebieden waar nutriënten (meststoffen) heel schaars zijn – en waar deze mestkorrels enorm waardevol zijn voor de bodem en de gewasgroei, -gezondheid en - kwaliteit. De volumineuze dunne fractie uit het digestaat wordt als dierlijke mest op Nederlandse landbouwpercelen gebruikt, het liefst zo dicht mogelijk bij de locatie. Toch moet het digestaat ook over wat grotere afstanden worden vervoerd vanwege de beperkte mestplaatsingsruimte in de regio.
Initiatiefnemer wil de capaciteit verdubbelen tot 60.000 ton ingaande mest van rund- en pluimvee en organische restproducten. Door stijgende kosten voor biomassa en digestaatafzet en de afbouw van subsidies voor groene stroom, is deze uitbreiding noodzakelijk om de installatie rendabel te houden, en investeringen in de nieuwste (milieu)technieken mogelijk te maken. Daarnaast sluit dit aan bij het nationale beleid om meer groengas te produceren. Hierbij wordt het extra te produceren biogas volledig opgewaardeerd tot groen gas, de dikke fractie uit het digestaat net als nu gedroogd voor de mestkorrelproductie.
Concreet wordt er een nieuwe vergister van 4.926 m3 en een naopslag van 8.413 m3 gerealiseerd, die beide niet hoger worden dan de bestaande vergisters (13 meter). Een aanpassing van het bouwvlak is daarvoor noodzakelijk. De Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht (IOV) maakt onderscheid tussen klein- en grootschalige vergistingsinstallaties. Er is geen duidelijke scherpe grens tussen klein- en grootschalig. Echter, in deze situatie wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de aanwezige voorzieningen en functies. Bij een verplaatsing naar een bedrijventerrein is niet alleen sprake van, een niet financierbare, kapitaalvernietiging van het niet meer gebruiken van recente en nog niet afgeschreven voorzieningen, maar ook is dan een investering nodig in de aanleg daarvan. Vooral het feit dat gebruik gemaakt kan worden van de bestaande netcapaciteit en gasleiding maakt dat wenselijk en aanvaardbaar is dat de vergrote installatie op deze locatie gerealiseerd wordt. De behoefte van Nederland aan duurzame en groene energie versterkt dat. Door de vergroting ontstaat is geen sprake meer van een nevenfunctie bij het agrarisch bedrijf. Daarom wordt gekozen voor een aparte bestemming die wel verbonden is met het agrarische gebruik. Niet alleen in eigendom en bemensing, maar ook in de delen van voorzieningen (gebouwen, infrastructuur etc.) en de mest voor de installatie.
Het huidige foliebassin (in een omwalling) wordt mede vanwege geurhinder vervangen door een luchtdichte betonnen bassin (eind-opslag dunne stikstofrijke digestaat), met een afdekkap van folie (spankapconstructie). De uitbreiding van de co-/mestvergistingsinstallatie, de nieuwe silo met de biogasopslagkoepel, komt ten zuiden van de bestaande koepels.
Verder wordt de pluimveetak gemoderniseerd. Stal nr 6 wordt buiten gebruik gezet en als opslag en stalling gebruikt. Stal 7 wordt uitgebreid. Door het pluimvee in één stal onder te brengen zijn door toegenomen efficientie meer investeringen in dierwelzijn en milieutechnologie mogelijk. De te verlengen pluimveestal is momenteel 80 meter lang. Stal 7 wordt in de nieuwe situatie verlengd naar ongeveer 157 meter. Het aantal te houden stuks pluimvee blijft gelijk. Voor de verbouwing is een aanpassing van het bouwvlak noodzakelijk.
Verkeer
Voor dit plan is door adviesbureau BonoTraffics een verkeersonderbouwing gemaakt, opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting. Door de verbouwing van stal 7, zal de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van het agrarische bedrijf niet toenemen. Ten aanzien van de vergistingsinstallaties neemt de verkeersgeneratie vanwege de verdubbeling van de capaciteit wel toe, van gemiddeld 6-7 vrachtwagens per dag naar gemiddeld 11-13 vrachtwagens per dag. Er zijn ruim voldoende parkeerplaatsen, manoeuvreermogelijkheden en opstelplaatsen voor lossende en ladende vrachtwagens die de inrichting (biogasinstallatie en pluimveebedrijf) aandoen. De bestaande parkeerplaatsen zijn voldoende voor beide inrichtingen, mede door het mogelijke dubbelgebruik.
Leveranciers die de ontwikkellocatie bezoeken worden verzocht na hun bezoek de locatie te verlaten in westelijke richting, via de Voskuilerweg richting Woudenberg. Chauffeurs worden hierover actief geïnformeerd. Hierdoor maakt geen/minder zwaar verkeer met herkomst of bestemming aan de Voskuilerdijk 26 gebruik van de route via Oud Willaer.
De Voskuilerweg, richting Woudenberg en gelegen ten westen van de ontwikkeling Voskuilerdijk 26, heeft een wegbreedte van 4,5 m waarnaast grasbetonblokken zijn gelegd. Dit stelt de zware voertuigen in staat tegemoetkomend verkeer te passeren door gebruik te maken van de grasbetonblokken naast de rijbaan, waardoor bermschade wordt voorkomen.
Nieuwe situatie
Landschappelijke inpassing
Het Inpassingsplan Grebbelinielandschap is op 8 december 2014 vastgesteld. Een inpassingsplan is een bestemmingsplan dat door de provincie wordt vastgesteld. Het doel van dit Inpassingsplan is het borgen van de waarden van de Grebbelinie bij de toepassing van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden in vigerende bestemmingsplannen. Het inpassingsplan leidt tot de inspanningsverplichting voor gemeenten om bij hun nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de waarden van de Grebbelinie.
Door het Inpassingsplan is ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming "Waarde - Grebbelinielandschap" toegekend. Hiermee zijn deze gronden tevens zijn aangewezen voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie. Deze waarden zijn in het Beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage bij de regels van het inpassingsplan is opgenomen, beschreven. Voor de locatie van het plangebied zijn de volgende criteria opgenomen:
Algemeen:
Uitbreiding van het erf:
Functieverandering van het erf:
Rekening houdend met deze criteria, is een landschappelijk inpassingpslan gemaakt. Dat inpassingsplan is opgenomen als Bijlage 2. Hieronder is een uitsnede weergeven. Er worden een aantal nieuwe boomrijen aangelegd. Die worden rondom en naast de nieuwe bebouwing geplant, zodat de bebouwing meer uit het zicht onttrokken wordt. Daarnaast wordt er een waterberging gerealiseerd, waarmee de toename van de bebouwing tevens gecompenseerd wordt. De nadruk van de nieuwe bomenrijen ligt op inheemse bomen, waarbij aandacht zal zijn aan het waar mogelijk versterken van de biodiversiteit.
Ten oosten van de planlocatie wordt - richting Breehoef - een houtwal met boom- en struikvormers aangelegd. Dit is historisch gezien een juiste keuze en het is daarnaast een goede groene omzoming van de westzijde van de planlocatie. Tegelijk brengt een inheemse eikensingel een sterke en verbinding tussen de Voskuilerdijkbos en Landgoed Berkhorst/Breehoef, dat vanuit ecologisch opzicht een hele mooie aanwinst is. Daarnaast is het voor de beeldkwaliteit van het landschap wenselijk om het bedrijf visueel enigszins af te schermen vanaf het perspectief van de Roffelaarskade.
Aan de zuidzijde van de planlocatie wordt nieuw struweel aangeplant. Daarnaast is ten zuiden van de Nattegatsloot al een groenstructuur aanwezig welke behouden blijft.
Het bestaande erf aan de noordzijde is al goed ingepast. Vanwege de uitbreiding van de pluimveestal wordt hier wel een aanvullende inpassing gedaan in de vorm van een vogelbosje (grenzend aan Voskuilerdijk 28) en het aanplanten van een bomenrij tot aan het einde van de stal. Vanwege de uitloop van het pluimvee is onderbeplanting of een groter vogelbosje niet mogelijk.
Inpassingsplan
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd:
Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd:
De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast.
Toetsing
Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.
Met het vastgestelde Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (30 december 2011), ook wel Barro genoemd, geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen en wordt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen uit de voormalige Nota Ruimte gewaarborgd. Doel van dit besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken, dan wel te beschermen. Het gaat hierbij om de volgende onderwerpen:
Toetsing
Gelet op de ligging van het plangebied, alsmede de aard en omvang van de beoogde planontwikkeling dat in het voorliggende bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, wordt geconcludeerd dat er geen strijdigheid is met het nationaal ruimtelijk belang, zoals neergelegd in het Barro. Voornoemde onderwerpen hebben geen betrekking op het plangebied.
De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De Omgevingsvisie is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De Omgevingsvisie is uitgewerkt aan de hand van 7 thema's en 3 regio's. De thema's zijn als volgt:
De drie regio's zijn U16, Amersfoort en Foodvalley.
De Omgevingsvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Interim Omgevingsverordening, die tegelijk met de Omgevingsvisie is vastgesteld. Op grond van de Wro heeft de Omgevingsvisie alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De Interim Omgevingsverordening zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten.
Aantrekkelijke landschappen
Elk Utrechts landschap heeft zijn eigen kwaliteiten die mede richting geven aan de daarin gelegen en omliggende functies en hun ontwikkelingsmogelijkheden. Daarom willen wij op de kernkwaliteiten van de verschillende landschappen voortbouwen en deze doorontwikkelen in onze provincie. Een landschap is geen statisch plaatje; landschap is altijd in ontwikkeling en elk landschap heeft ruimte voor een vorm van dynamiek. Maar wel op zo’n manier dat de landschapskwaliteit wordt doorontwikkeld en beter beleefbaar wordt, onder andere met behulp van creatieve verbeeldingskracht. In het werken met landschapskwaliteit gaan we uit van een samenspel tussen het beeld (wat zie je), functies (wat gebeurt er) en robuuste structuren (samenhang, relaties).
Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten van het landschap. Voor de open landschappen gelden andere principes dan voor de meer gesloten landschappen. Landschappen vragen om bebouwing die qua maat en schaal passen bij de kernen die in het landelijk gebied gelegen zijn.
Toetsing
Dit bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van de vergistingsinstallatie en een wijziging van het bouwvlak ten behoeve van de uitbreiding van stal 7. Beide bedrijfstakken worden zelfstandig bestemd. De nieuwe situatie wordt goed ingepast binnen de bestaande landschapsstructuur, rekeninghoudend met de aanwezige kernkwaliteit. In paragraaf 3.2.2 wordt verder ingegaan op de kernkwaliteiten van het landschap. Verder draagt de vergistingsinstallatie bij aan de klimaatdoelstellingen voor duurzame energie.
Dit plan is in overeenstemming c.q. niet in strijd met de Omgevingsvisie.
De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De omgevingsverordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de omgevingsverordening staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de omgevingsverordening zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen.
De omgevingsverordening geeft soms harde ruimtelijke grenzen aan. Soms wordt volstaan met de verplichting om een ruimtelijke keuze voor een bepaald beleidsaspect goed te onderbouwen. Daarnaast bevat de omgevingsverordening ook regels die voortvloeien uit het Barro. Bij de verordening zijn verschillende kaarten opgenomen. Navolgend worden de voor het plangebied relevante bepalingen besproken.
Energie
Het plangebied ligt in het gebied 'energie'. Artikel 5.1 bepaalt hierover het volgende:
In afwijking van Artikel 9.2 Verstedelijkingsverbod landelijk gebied kan een bestemmingsplan verstedelijking in het Landelijk gebied toestaan om nieuwe bestemmingen voor energie en transformatorstations mogelijk te maken.
Toetsing
Dit plan voorziet in de uitbreiding van een vergistingsinstallatie en het apart bestemmen daarvan. De vergistingsinstallatie voorziet in duurzame energie. Dat is in overeenstemming met artikel 5.1.
Cultuurhistorie en landschap
Op de kaart 'cultuurhistorie en landschap' is het plangebied gelegen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur, nader aangeduid als 'militair erfgoed'. Artikel 7.7 bepaalt hierover het volgende:
Voor dit plan gaat het om de waarden van het militaire erfgoed dat gevormd wordt door de Grebbelinie. De waarden hiervan zijn als volgt beschreven:
De Grebbelinie is een zestig kilometer lange waterlinie, gelegen in de Gelderse Vallei tussen de voormalige Zuiderzee en de Nederrijn. De linie is vanaf het midden van de achttiende eeuw aangelegd om de vijand uit het oosten te weren. De Grebbelinie is een samenhangend verdedigingsstelsel van liniedijk, keerkaden, aarden verdedigingswerken, sluizen, waterlopen, inundatie- en schootsvelden. In 1939/40 is de linie versterkt met loopgraven, tankgrachten en kazematten om een Duitse aanval uit het oosten tegen te houden. De hoofdweerstandslijn, gevormd door het Valleikanaal met liniedijk en de Eem boven Amersfoort, werd toen uitgebreid met een voorpostenlijn en een stoplijn als achterste begrenzing. In 1944/45 is door de Duitse bezetter de ‘Pantherstellung’ deels op de Grebbelinie aangelegd. De verdediging in de breedte is uniek aan deze linie. De forten markeren de plaats van de linie in het landschap, zij liggen op strategische plekken, gebouwd ter verdediging van een acces, zoals (spoor)wegen en stroomruggen. De openheid van de voormalige inundatiegebieden versterkt de beleving van de linie. De Grebbelinie is nog grotendeels ongeschonden aanwezig en manifesteert zich als een groen lint door het landschap.
Van de Grebbelinie willen we de volgende kernkwaliteiten behouden:
Toetsing
Dit bestemmingsplan voorziet in een bestemmingswijziging, waarbij het plangebied gesplitst wordt in twee bedrijfstakken. Ter plaatse was al een agrarisch (en daarmee een mestvergistingsinstallatie) toegestaan. De uitbreiding van de stal en de nieuwe vergisters zorgen niet voor een (significante) aantasting van de openheid.
Daarnaast zal in de nieuwe situatie meer groen aangelegd worden door de toevoeging van 120 bomen. Ook hierdoor worden de kernkwaliteiten van de Grebbelinie versterkt. In het plangebied zijn geen verdedigingssystemen aanwezig. Dit bestemmingsplan heeft dan ook geen negatieve invloed op de waarden van de Grebbelinie en het bijbehorende landschap.
Cultuurhistorie en landschap
Op de kaart 'cultuurhistorie en landschap' is het plangebied gelegen binnen het landschap Gelderse Vallei. Artikel 7.9 bepaalt hierover het volgende:
De kernkwaliteiten voor het landschap Gelderse Vallei zijn als volgt:
Toetsing
De kleinschaligheid van het landschap is in het plangebied en de directe omgeving beperkt aanwezig. De omgeving wordt eerder gekenmerkt door een vrij grootschalige, landschappelijke openheid, door de beperkte aanwezigheid van perceelsrandbeplantingen. In de nieuwe situatie wordt de kleinschaligheid en gevarieerdheid van het landschap aanmerkelijk versterkt door het aanbrengen van nieuwe bomen (zie paragraaf 2.2). Beken, griften en kanalen zijn in het plangebied niet aanwezig. Dit bestemmingsplan doet geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten die samenhangen met de Grebbelinie. De genoemde kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei worden in dit bestemmingsplan afdoende beschermd.
Landbouw
Op de kaart 'landbouw' ligt het plangebied binnen 'Agrarische bedrijven'. Artikel 8.1 bepaalt het volgende:
Toetsing
Ondanks dat dit plan voorziet in een uitbreiding van de pluimveestal, blijft het aantal stuks pluimvee gelijk. Hiervoor is een vormwijziging van het bouwvlak noodzakelijk, waarbij de omvang van het agrarische bouwperceel juist afneemt. Hiermee is de ontwikkeling niet in strijd met artikel 8.1.
Conclusie
Onderhavige ontwikkeling is in overeenstemming met de Interim Omgevingsverordening.
De Structuurvisie Woudenberg 2030 is vastgesteld door de gemeenteraad op 24 januari 2019. In de structuurvisie geeft het gemeentebestuur zijn visie over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren in Woudenberg voor de komende jaren tot 2030.
Richting 2030 zet Woudenberg in op het verbinden, combineren en vernieuwen van haar kwaliteiten. Een groot deel van deze kwaliteiten is opgehangen aan de landschappelijke en ruimtelijke (verkeers)structuur van Woudenberg, maar versterken elkaar op dit moment onvoldoende. Ze bestaan als het ware naast elkaar. Van west naar oost: recreatie rondom het Henschotermeer en de Pyramide van Austerlitz --> wonen en centrumvoorzieningen in de kern --> werken en horeca op bedrijventerrein Parallelweg en bij hotel Schimmel --> cultuurhistorie bij het Valleikanaal en de Grebbelinie en ten noorden en zuiden daarvan landbouw, natuur en landgoederen. Door het ruimtelijk verbinden en combineren van deze secoren ontstaat een sterk raamwerk: het ruimtelijk economisch structuurbeeld voor 2030. Hierin benut Woudenberg (de mogelijkheden van) haar kwaliteiten ten volle. Niet alleen door deze te verbinden en te combineren, maar ook door deze:
Woudenberg ligt in een divers en kwalitatief hoogwaardig landschap. Het groen in de bebouwde kom en het buitengebied van Woudenberg maken de gemeente een aantrekkelijke plaats met een goed woon- en leefkwaliteit. De historisch aanwezige groenstructuur is ontstaan door ontginningen in de Gelderse Vallei en wordt begrensd door de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug. De vallei wordt doorsneden met beken en er zijn veel historische landschapselementen aanwezig zoals houtwallen, elzensingels en historische lanen. Ook zijn in het landschap nog landschapstypen te herkennen zoals het slagen- en kampenlandschap. Hiermee vormt het landschap onmiskenbaar de onderlegger van de gemeente. Het laat niet alleen de geschiedenis en het heden zien, maar is (zeker in het buitengebied) ook een kapstok om toekomstige ontwikkelingen van haar gebruikers aan op te hangen. Deze gebruikers zijn: de agrarische sector, de landgoederen, de intrinsieke waarden van natuur en recreatie. Al eeuwenlang zijn dit de medegebruikers van het landschap. Vroeger hoofdzakelijk de agrarische sector, maar vandaag de dag is het landschap multifunctioneel in gebruik met verschillende functies. Functies die bovendien niet langer naast elkaar staan, maar steeds meer met elkaar samenwerken en in combinatie een sterk recreatief en economisch concept zijn voor het buitengebied.
Toetsing
Na vaststelling van de Structuurvisie heeft de gemeenteraad van Woudenberg op 1 juli 2021 de RES regio Amersfoort vastgesteld. Binnen de kaders van de RES past het om door middel van mestvergisting groene en duurzame energie op te wekken. De aanpassing van het bouwvlak voor het houden van pluimvee is ook in overeenstemming met de structuurvisie.
Dit bestemmingsplan leidt verder tot een versterking van de ruimtelijke structuur. Door het aanbrengen van nieuwe landschapselementen wordt het kampenlandschap in het buitengebied van Woudenberg beter herkenbaar en de landschappelijke zone, tussen de Utrechtse Heuvelrug en de dorpskern, wordt versterkt. Ook zal het primaat van de landbouw in het buitengebied niet aangetast worden.
Conclusie
Onderhavig plan is in overeenstemming c.q. niet in strijd met de structuurvisie.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.
In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.
Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging.
Planspecifiek
Dit plan voorziet in een uitbreiding van de pluimveestal en de realisatie van een nieuwe vergister en na-opslag. Feitelijk zijn bij beide functies (grotendeels) al toegestaan. De nieuwe situatie kent geen gevoeliger bodemgebruik dan de huidige situatie. Een bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gebruikt. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
Planspecifiek
Dit plan voorziet in het apart bestemmen en uitbreiden van een milieubelastende functie: het mestvergistingsbedrijf. Daarnaast wordt de locatie van de pluimveestal enigszins gewijzigd. Doordat stal 6 als pluimveestal buiten gebruik wordt gesteld neemt de afstand tussen de pluimveehouderij en de woning Voskuilerdijk 28 aanzienlijk toe. Daarnaast zal deze stal als buffer werken tussen de woning en het bedrijf. Doordat de uitbreiding van stal 7 aan de oostkant plaatsvindt, komen de voor milieuzonering relevante woningen van derden niet dichter bij de stallen te liggen dan nu al het geval is. Daarnaast zorgt deze uitbreiding niet voor een vergroting van het aantal stuks pluimvee. Op voorhand is daarom al te concluderen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen van derden in de omgeving verbetert ten aanzien van de pluimveehouderij.
Voor het mestvergistingsbedrijf geldt milieucategorie 3,2, met een bijbehorende richtafstand van 100 meter. De dichtstbijzijnde, milieugevoelige functie van derden is de woning aan de Voskuilerdijk 28. Deze woning ligt op ruim 105 meter vanaf de bedrijfsbestemming. Overige milieugevoelige functies zijn op ruimere afstand gelegen. Milieuzoneringen staan de uitvoerbaarheid van onderhavig plan niet in de weg.
Zorgvuldigheidshalve is door adviesbureau Noorman is een akoestisch onderzoek naar bedrijfslawaai uitgevoerd. Dat onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting niet toeneemt en de inrichting kan blijven voldoen aan de vergunde geluidgrenswaarden. Dit geldt zowel voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus. Incidenteel worden leghennen afgevoerd (en nadien aangevoerd). Uit het onderzoek volgt dat onevenredige hinder vanwege deze activiteiten niet is te verwachten. De geluidbelasting veroorzaakt door bedrijfsverkeer, rijdend over de openbare weg naar en van de inrichting voldoet ter plaatse van de omliggende woningen aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.
Daarnaast is, zorgvuldigheidshalve en gelet op de specifieke bedrijfsvoering, door adviesbureau Olfasense een geuronderzoek uitgevoerd, opgenomen als Bijlage 4. Uit de geurberekening blijkt dat de geurbelasting als gevolg van het bedrijf op omliggende woningen beperkt is, waarbij sprake is en blijft van een aanvaardbaar geurhinderniveau.
Ook is een geurberekening gemaakt voor de wijzigingen in de pluimveetak van het bedrijf op de locatie. Dat onderzoek is opgenomen als Bijlage 5. Ook daaruit blijkt dat voldaan wordt aan de geldende geurnormen.
De bebouwingsgrens waar de woning aan de Voskuilerdijk 28 planologisch mogelijk is ligt op ca 80 meter van de grens van het bestemmingsvlak met de bestemming bedrijf. In overleg met de eigenaar/bewoner van het adres Voskuilerdijk 28 is beoogd dat die woning niet verplaatst kan worden binnen de 100 meter-contour van de bedrijfsbestemming, evenals de mogelijkheid dieren te houden op een deel van het perceel van Voskuilerdijk 26. Hierdoor wordt de afstand tussen beide functies vergroot conform de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering. De buren hebben hiertoe een overeenkomst gesloten.
Doordat het bestemmingsplan erin voorziet dat de bedrijfsbestemming gescheiden wordt van de agrarische bestemming neemt de afstand tot de bestemmingsgrens van het adres Voskuilerdijk 28 tussen de 50 en 70 meter toe. Met het gegeven dat de externe invloed van de mestvergister, zoals blijkt uit de rapportages, wat betreft geluid en geur niet of nauwelijks toeneemt is te spreken van een niet onaanzienlijke ruimtelijke verbetering waarmee de afwijking van de voorkeursafstand acceptabel is.
Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is alleen gelegen binnen de invloedssfeer van verkeerswegen: de Voskuilerdijk.
Planspecifiek
Dit plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan.
Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat:
In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren.
Planspecifiek
Dit plan voorziet in een uitbreiding van de vergistingsinstallatie en van de pluimveestal. De verkeersaantrekkende werking hiervan is dusdanig beperkt dat bij voorbaat worden aangenomen dat de effecten op de luchtkwaliteit daarvan lager zijn dan de projecten die per definitie niet in betekende mate bijdragen aan het verslechteren van de lucht kwaliteit, zoals een woningbouwlocatie met 1500 woningen en één ontsluitingsweg.
Ten aanzien van luchtemissies van beide inrichtingen zal geen significante wijziging plaatsvinden. Een vergistingstank wordt gesloten (gasdicht) uitgevoerd en is voorzien van een overdrukbeveiliging. Bij een normale bedrijfsvoering zullen er daardoor geen emissies naar de lucht zijn. De overdrukbeveiliging zorgt dat de druk in het systeem niet te hoog op kan lopen. Het aantal stuks pluimvee neemt af, waardoor ook de luchtemissies afnemen.
Daarnaast is voor dit project door adviesbureau Noorman een onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd. Dat onderzoek is opgenomen als Bijlage 6. Uit dat onderzoek blijkt dat de berekende concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ruim lager zijn dan de grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen wijzigingen en uitbreiding van de vergistingscapaciteit.
Zoals in paragraaf 3.6 van de als bijlage bijgevoegde aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling blijkt bestaat het restgas van de gasopwerking voor 98-99% CO2, en bevat daarnaast nog kleine hoeveelheden CH4, N2, O2 en water. Het principe waarop de werking van de CO2-terugwininstallatie is gebaseerd, is het drogen van het restgas, gevolgd door het vloeibaar maken van de CO2, waardoor de niet-condenseerbare verontreinigingen (N2, O2, CH4) in de gasfase achterblijven en de CO2 eenvoudig per tankwagen afgevoerd kan worden.
Het is bedrijfseconomisch interessant geworden om de bij de biogasopwerking vrijkomende CO2 af te vangen en vloeibaar te maken en bijv. naar de glastuinbouw (kassen) af te zetten. Het transport zal per vrachtwagen plaatsvinden.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt.
Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening en de Wabo de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Uitsnede risicokaart
Uit bovenstaande uitsnede van de risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen de invloedsfeer van bevi-bedrijven of transportassen van gevaarlijke stoffen gelegen is. Enkel ten zuiden van het plangebied is een bedrijf aanwezig waar een propaantank aanwezig is. Dit bedrijf is echter op meer dan 500 meter vanaf het plangebied gelegen. Daarnaast ligt het plangebied ruim buiten de risicocontouren.
Voor dit plan is tevens een rapport opgesteld naar de interne en externe veiligheid met betrekking tot de mestvergistingsinstallaties. Dat rapport is opgenomen als Bijlage 7. Hieruit blijkt dat de co-/mestvergistingsinstallatie niet valt onder de BRZO-regelgeving en daarmee is ook het BEVI niet van toepassing. In dat rapport is tevens de volgende passage opgenomen ten aanzien van explosiegevaar:
Explosiegevaar kan wel optreden bij het opstarten en stilleggen van het vergistingsproces. Dan treedt de mengverhouding 90% lucht en 5-10% methaan wel korte tijd op. In het geval dat de gehele installatie moet worden stilgelegd vanwege een langdurige storing in het vergistingsproces of een langdurige onderhoudsperiode dient een veiligheidszone van ten minste 5 meter rondom de biogashoudende onderdelen te worden aangehouden. Deze situatie zal zich nauwelijks voordoen, gelet op de aanwezigheid van een WKK, straks 2 gasopwaardeerinstallaties, er kan altijd gewisseld worden, en de grote biogasopslagcapaciteit in de vergistersilo's.
Binnen genoemde afstanden dienen ontstekingsbronnen zoveel mogelijk te worden geweerd. De plaats van de vergistersilo's op het terrein van de inrichting is zodanig gekozen dat in ieder geval binnen een straal van 5 meter rond de gasreservoirs geen voorzieningen van derden en mogelijke ontstekingsbronnen aanwezig zijn. De silo's zijn waar nodig, tegen aanrijden beschermd.
Externe veiligheidsrisico's staan de uitvoerbaarheid van onderhavig plan niet in de weg.
In het onderhavige geval is een passende beoordeling met betrekking tot stikstofdepositie noodzakelijk zodat in beginsel een plan MER opgesteld moet worden (artikel 7.2a lid 1 wet Milieubeheer). Echter is hier sprake van een uitzondering op grond van artikel 7.2a lid 2 wet Milieubeheer en artikel 3 Besluit milieueffectrapportage. Immers met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan is de raad het bevoegde orgaan. Het plangebied omvat ongeveer 27.000 m² terwijl het oppervlak van de gemeente Woudenberg als geheel 36,73 km² is. Daarmee bedraagt het oppervlak van het plangebied slechts 0,07% van het oppervlak van de gehele gemeente waarmee sprake is van een zeer klein gedeelte daarvan. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten zodat een milieueffectrapportage niet verplicht is.
Naast het voormelde wordt in de bijlage van het Besluit m.e.r. aangegeven welke activiteiten in het kader van het de ruimtelijke onderbouwing plan-m.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), project-m.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie D 18.1, te weten de wijziging van een installatievoor de verwijdering van afval anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D.18.7 met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag of meer. De gemeenteraad dient dus te beoordelen of een milieueffectrapportage noodzakelijk is.
Uit de bijgevoegde aanmeldnotitie blijkt dat de voorgenomen activiteit geen belangrijke milieugevolgen heeft zodat voor de mestvergisting geen milieueffectrapportage noodzakelijk is.
Dit plan voorziet niet in een toename van de veebezetting en is daarmee niet rechtstreeks plan-m.e.r.-, project-m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Omdat het planvoornemen wel een activiteit (wijziging inrichting) betreft zoals genoemd in lijst D is een vormvrije m.e.r. beoordeling nodig. De vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie is opgenomen als Bijlage 8.
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta vormen de basis voor de omgang met archeologie in deze wet. Naast archeologie op het land en onder water heeft de Erfgoedwet betrekking op museale objecten, musea en monumenten. Samen met de in 2022 in te voeren Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het Nederlandse cultureel erfgoed mogelijk. In de Omgevingswet worden alle onderdelen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving samengebracht. Tot de invoering van deze wet zullen alle over te nemen delen van de Monumentenwet uit 1988 van kracht blijven. Ze zijn opgenomen in het overgangsrecht in de Erfgoedwet. Op grond van de Monumentenwet is de raad verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.
Op 20 juli 2021 is het gemeentelijke archeologiebeleid geactualiseerd. Op de archeologische waarden- en verwachtingskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting.
Uitsnede archeologische beleidskaart
Planspecifiek
De nieuwe na-opslag en vergister liggen in het gebied met een lage verwachting. Hier geldt als ondergrens voor archeologisch onderzoek een oppervlakte van 10.000 m2 én een diepte van 0,3 m -mv. Die ondergrens wordt niet overschreden.
De uitbreiding van de pluimveestal is gelegen in de gebieden met een hoge en middelhoge verwachting. Daar geldt als ondergrens voor archeologisch onderzoek een oppervlakte van 100 m2 bij een hoge verwachting en 1.000 m2 bij een middelhoge verwachting én een diepte van 0,3 m -mv. Ondanks dat die oppervlaktes overschreden worden, wordt de ondergrens van niet dieper dan 0,3 m onder het maaiveld niet overschreden op basis van de bouwplannen zoals ze nu bekend zijn. Archeologisch onderzoek is daarom nu niet noodzakelijk. De archeologische waarden blijven beschermd met archeologische dubbelbestemmingen.
In het plangebied zelf zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel is het plangebied gelegen in het cultuurhistorisch waardevolle Grebbelinielandschap. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe bouwmogelijkheden gerealiseerd. Enkel krijgt het plangebied een andere landschappelijke inpassing, waar de huidige gebouwen blijven staan. Hiermee worden de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie niet negatief beïnvloed. Monumenten zijn niet aanwezig in het plangebied.
Per 1 januari 2017 zijn de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een afwijkingsplicht. Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000- gebieden en het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden.
Planspecifiek
Voor dit plan is door adviesbureau Groenewold een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Deze quickscan is opgenomen als Bijlage 9 bij deze toelichting. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Soortenbescherming
Er zijn geen beschermde soorten gevonden of te verwachten, behoudens enkele broedende vogels tijdens het broedseizoen en nesten van de boerenzwaluw aan de oostgevel van de pluimveestal. Specifiek is gezocht naar aanwijzingen voor nesten van uilen en mogelijk verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren. Deze zijn niet aangetroffen of te verwachten. Vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen, uilen of marters zijn uit te sluiten. Nesten van de boerenzwaluw zijn alleen beschermd als er geen andere opties in de omgeving zijn. Die zijn er wel en na realisatie van de uitbreiding kunnen de oostgevels van de stallen weer worden gebruikt als nestplaats. Advies is om een aantal kunstnesten te plaatsen, om de vogels sneller te verleiden daar weer te gaan broeden.
De huidige kwaliteit van het gebied als foerageergebied voor vogels en vleermuizen is matig tot redelijk. Realisatie van het plan heeft naar verwachting verder geen negatieve gevolgen voor de foerageermogelijkheden.
Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten. Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht.
Er vindt door realisatie van het plan/uitvoering van de activiteiten dan geen overtreding plaats van de verbodsbepalingen van art. 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming. Het aanvragen van een Wnb ontheffing soorten is daarmee niet nodig.
Gebiedsbescherming
Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Veluwe, Rijntakken en Binnenveld, alle op ca. 11 km afstand.
Er zijn geen gevolgen te verwachten op daarin beschermde soorten of habitats. Vooralsnog is aanvragen van een Wnb vergunning gebieden niet nodig. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour. Hiervoor geldt geen externe werking. Nader onderzoek is niet nodig.
Voor dit plan is een stikstofonderzoek uitgevoerd door adviesbureau Noorman, opgenomen als Bijlage 10. Daaruit blijkt dat op voorhand significante effecten niet zijn uit te sluiten. Er is sprake van vergunningplicht. Het project dient passend te worden beoordeeld. In dat kader mag intern worden gesaldeerd met de reeds vergunde emissies en depositiebijdrages. Het is aannemelijk dat een natuurvergunning verkregen kan worden voor de beoogde situatie.
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.
Planspecifiek
Met dit plan neemt het bebouwd oppervlak op het plangebied toe met circa 1.880 m2. Voor deze toename wordt een waterberging met een capaciteit van 59,73 m3 gerealiseerd (zie inrichtingsplan in paragraaf 2.3).
Voor dit plan is een notitie gemaakt waarin de waterhuishouding beschreven wordt, zie Bijlage 11.
Het hemelwater dat op de nieuwe gebouwen valt zal, op dezelfde wijze als de woning en bijgebouwen, afgevoerd worden richting de omliggende weilanden en sloten.
Door het plangebied loopt een C-watergang. Die watergang loopt door/onder een duiker. De uitbreiding van de stal komen over die duiker te liggen.
Door dit bestemmingsplan worden geen nieuwe sloten of ander oppervlaktewater binnen het plangebied geïntroduceerd.
Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Onderhavig wijzigingsplan voorziet niet een bouwplan in de zin van de Bro. Derhalve is het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk.
Met de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met het onderhavige bestemmingsplan voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze herziening heeft derhalve voor de gemeente geen financiële gevolgen.
In hoofdstuk 2 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling.
Voor de regels van dit plan zijn de regels uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2010, in combinatie met de reparatieherziening daarvan: bestemmingsplan Buitengebied 2013 (herziening), als basis gebruikt. Die regels zijn vervolgens ontdaan van overbodige elementen, geactualiseerd op gewijzigde wetgeving en op onderdelen aangepast in verband met de beoogde situatie in het plangebied. Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat in ieder geval, en vervangt daarmee, het plangebied van het wijzigingsplan 'Voskuilerdijk 26'.
De gegeven bestemmingen worden hierna kort besproken.
Een gedeelte van het plangebied blijft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Reliëf' behouden. Met deze bestemming blijven de gronden in hoofdzaak bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met uitzondering van fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen. Ook de aanduiding 'intensieve veehouderij' blijft behouden. De aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - mestvergistingsinstallatie' vervalt.
Het deel van het plangebied waar de bebouwing aanwezig is en komt voor de mestvergistingsinstallatie krijgt de bestemming 'Bedrijf'. Verder krijgt deze bestemming de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - mestvergistingsinstallatiebedrijf'. Bedrijfsbebouwing is toegestaan binnen het bouwvlak. Een bedrijfswoning is uitgesloten. Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 6 en 11 meter. Voor mestvergisters- en opslagen geldt een maximale bouwhoogte van 13 meter. Verder is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag van droge te vergisten producten’ een gebouw van maximaal 1.000 m2 is toegestaan ten behoeve van het opslaan van te vergisten producten, aanvullend op de toegestane maximale bebouwingsoppervlakte van gebouwen en overkappingen.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Naar verwachting aanwezige, archeologische waarden worden hiermee beschermd. Verder is gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' overgenomen.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-1-2024 is voor dit plan afgezien van vooroverleg en wordt het plan in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan verzonden.
De ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van dit plan voor inspraak ter inzage gelegen.
Initiatiefnemer heeft een inloopavond georganiseerd waarin de planvoornemens gepresenteerd zijn aan de buurtbewoners. De bewoners van de Voskuilerdijk 13,15, 23, 20, 24, 28, 30, 36, 40 en de Kolfschoterdijk 24 waren hierbij aanwezig. De zorgen die geuit werden gaan over geuroverlast, verkeershinder, het nakomen van eventuele gemaakte afspraken en het borgen van goede communicatie in de toekomst.
Geuroverlast wordt met dit bestemmingsplan juist aangepakt door het mestbassin te vervangen door een lucht-/gasdichte opslagsilo. Met de andere punten is de initiatiefnemer nog aan de slag. Hij zal daar op een later moment op terugkomen. Zo heeft hij voor verkeershinder in onderzoek of hij de routing voor de vrachtwagens zo kan laten lopen dat de gevolgen voor de omgeving door de uitbreiding tot een minimum beperkt worden.
Het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft van 29 december 2023 tot en met 8 februari 2024 ter inzage gelegen. Toen zijn [P.M.] zienswijzen ingediend.