| Plan: | TAM-omgevingsplan Plaggebaan 13 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0302.TAM0022r-vg01 |
behorende bij het TAM-omgevingsplan Plaggebaan 13
Aan de Plaggebaan 13 en 13a in Elspeet, gemeente Nunspeet zijn twee woningen aanwezig. De woning op 13a is volgens het omgevingsplan een 'kleine woning'. Dat betekent dat de inhoud van die woning niet meer mag bedragen dan 300 m3 of tenminste de bestaande inhoud. Voor de woning op nummer 13 geldt de reguliere, maximale oppervlaktemaat van 120 m2. Initiatiefnemer wil de bouwmogelijkheden van beide woningen graag 'omruilen' en de vorm van de beide woonpercelen aan te passen. Dat maakt het voor hem mogelijk om op nummer 13a te slopen en daar vervolgens een nieuwe woning van (maximaal) 120 m2 te bouwen, die daarbij ook beter gesitueerd kan worden op het perceel dan de bestaande, te slopen woning. De woning op nummer met nummer 13 wordt hierbij dan de 'kleine woning'. Voor dit voornemen is een wijziging van het omgevingsplan nodig.
De locatie is gelegen in het buitengebied van Nunspeet, op ongeveer 2 kilometer van de dorpskern van Elspeet. Kadastraal staat de locatie bekend als gemeente Nunspeet, sectie F, nummer 4947.
Ligging in omgeving
Voor het werkingsgebied geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Het tijdelijk deel wordt onder andere gevormd door het bestemmingsplan Buitengebied 2023, vastgesteld door de gemeenteraad op 21 maart 2024, en het Parapluplan Parkeren, vastgesteld op 29 april 2021. Ook het Parapluplan Onzelfstandige Bewoning en Logies Arbeidsmigranten / Seizoenarbeiders e.a. en het Parapluplan Bed en Breakfast maken deel uit.
Voor de locatie geldt de functie 'Wonen'. Per aanduidingsvlak is 1 woning toegestaan. Er geldt een maximale omvang van 120 m2 voor woningen. Daarnaast geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 9 meter. De inhoud van een woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' mag niet meer bedragen dan 300 m3 of tenminste de bestaande inhoud. Die aanduiding is nu van toepassing op de woning op nummer 13a.
Verder geldt de functie 'Waarde - Archeologie 3'. Daarmee zijn deze gronden mede bedoeld voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden.
In het Parapluplan Parkeren zijn als het ware regels en normen voor parkeren toegevoegd aan het omgevingsplan binnen de gemeente. In het kort houden deze regels in dat bij het bouwen of aanpassen van gebouwen in voldoende parkeerruimte moet worden voorzien.
Met het Parapluplan Bed en Breakfast zijn regels gesteld voor bed & breakfastvoorzieningen in het byutengebied. In het Parapluplan Onzelfstandige Bewoning en Logies zijn regels toegevoegd aan het omgevingsplan binnen de gemeente Nunspeet. In het kort houden deze regels in dat kamergewijze verhuur en huisvesting van arbeidsmigranten alleen onder strikte voorwaarden zijn toegestaan.
Uitsnede verbeelding
Het (tijdelijke deel) van het omgevingsplan maakt het initiatief niet mogelijk. Verschuiving van de bouwmogelijkheden is niet mogelijk. Het omgevingsplan bevat verder geen relevante, toereikende omgevingsplanactiviteit om wel te kunnen voorzien in het voornemen. Voor het initiatief is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig.
Deze motivering vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het plan. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 6 en 7 wordt afgesloten met de (economische) uitvoerbaarheid en de procedure.
De locatie is gelegen in het buitengebied van Elspeet. Het landschap is voornamelijk te typeren als kampenlandschap. Dit is een kleinschalig landschap met een onregelmatig, bochtig wegenpatroon, onregelmatige perceelsvormen en veel opgaande begroeiing in de vorm van bospercelen, houtsingels, laanbeplantingen en erfbeplantingen. Het grondgebruik is overwegend agrarisch. De agrarische erven staan verspreid in het landschap.
Luchtfoto omgeving
De locatie is gelegen aan de Plaggebaan. Dat is een lokale weg door het buitengebied van Elspeet. Op het perceel zijn twee woningen en bijgebouwen aanwezig. De woningen zijn gelegen op een kruispunt van wegen in het buitengebied van Elspeet. Het perceel wordt omringd door agrarische gronden, waardoor het geheel solitair in het landschap ligt. Langs de Kleine Kolonieweg staan enkele beeldbepalende bomen die bijdragen aan het groene karakter van de omgeving.
Luchtfoto locatie
Op het perceel bevindt zich momenteel een eenvoudige hoofdwoning en een kleinere 'bijwoning'. In de loop der tijd zijn er diverse bijgebouwen gerealiseerd. Met name aan de zijde van de Kleine Kolonieweg maakt het geheel een wat vervallen en rommelige indruk. Dit komt mede doordat de kleine woning parallel aan de weg ligt, waardoor het open karakter van het landschap wordt verstoord.
De eigenaren hebben de wens om het perceel beter in te richten en een kwaliteitsslag te maken, zodat het beter aansluit bij de ruimtelijke en landschappelijke kenmerken van de omgeving. Het voornemen is daarom om de bestaande bebouwing te herschikken. De huidige hoofdwoning wordt omgezet naar een 'woning met een afwijkende maatvoering'; een woning van maximaal 300 m3 of tenminste de bestaande inhoud. Dat past binnen de geldende voorwaarden, gezien de geringe, bestaande inhoud. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om de huidige woning met afwijkende maatvoering om te zetten naar een reguliere hoofdwoning.
Voor dit voornemen wordt alle bebouwing op het perceel, op de woning op nummer 13 na, gesloopt. Vervolgens wordt ter plaatse van 13a een nieuwe woning gebouwd. Beide woningen krijgen een nieuw bijgebouw. Door deze herschikking wordt de bebouwing verder van de weg geplaatst, wat zorgt voor een ruimtelijk beter ingepaste situatie en een meer open landschap. De bestaande woning blijft gelegen aan de Plaggebaan, terwijl de nieuw te realiseren woning aan de Kleine Kolonieweg komt te staan. De nieuwe woning komt haaks op de Kleine Kolonieweg te staan, wat beter aansluit bij de landschappelijke structuur. Ter inpassing van de nieuwe situatie worden nieuwe hagen aangelegd rond de perceelsgrenzen. Verder wordt aan de zuidkant een singel met zomereiken aangelegd. De bestaande bomen blijven gehandhaafd.
Landschappelijk inpassingsplan
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd, waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd:
De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast.
Toetsing
Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van het werkingsgebied. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De instructieregels voor een omgevingsplan staan in hoofdstuk 5 beschreven. In afdeling 5.1 staan de instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt in dat er een balans is tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een omgevingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu).
De instructieregels uit afdeling 5.1 gaan over:
Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Het gaat dan vooral om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Tot slot bevat afdeling 5.3 regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.
Toetsing
In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de instructieregels en wordt het initiatief getoetst.
Met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland wil de provincie Gelderland in de toekomst gaaf houden. In deze omgevingsvisie wordt beschreven wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om nu en in de toekomst prettig in de provincie te kunnen wonen, studeren en ontspannen. Samen met partners wordt elke dag gewerkt aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Er wordt gericht op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Aan de hand van 7 onderwerpen wordt hier richting aan gegeven:
Voor dit project zijn geen specifieke uitgangspunten genoemd in de omgevingsvisie. Dit project is overeen c.q. niet in strijd met de Omgevingsvisie Gelderland.
In de Omgevingsverordening Gelderland zijn regels opgenomen die door gemeenten meegenomen moeten worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Deze regels beschermen en waarborgen de belangen van de provincie. In de verordening zijn verschillende kaarten opgenomen. Hieronder worden de relevantie bepalingen voor de locatie besproken.
Artikel 5.44 (beschermen landschap Gelderse streken: Veluwe)
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Veluwe bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Veluwe.
Voor deze streek zijn de volgende kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen benoemd:
De genoemde kernkwaliteiten zijn specifiek op de locatie niet aanwezig. De nieuwe situatie zal wel zorgen voor een verbeterslag van de ruimtelijke kwaliteit. Dit project zal dan ook geen afbreuk doen aan de kernkwaliteiten van de Veluwe.
Conclusie
Dit project is in overeenstemming met de omgevingsverordening van de provincie Gelderland.
In de vergadering van 29 november 2018 heeft de Nunspeetse gemeenteraad de Omgevingsvisie vastgesteld. Een document dat op hoofdlijnen de kwaliteit van de fysieke leefomgeving beschrijft. En dan gaat het niet alleen om ruimtelijke aspecten, maar ook ontwikkelingen op het gebied van cultureel erfgoed, energie-infrastructuur, landbouw, landschap, milieu, natuur en water komen in de visie aan de orde. Met de Omgevingsvisie Nunspeet bouwt het gemeentebestuur voort op de Integrale Toekomstvisie Nunspeet 2030 en speelt hiermee ook in op toekomstige wetgeving.
Een van de belangrijke thema's in de omgevingsvisie is het versterken van de sociaaleconomische positionering. Hierbij gelden de volgende kernpunten:
In Nunspeet is het aantrekkelijk wonen, werken en recreëren. Dit komt niet alleen door de fraaie landschappelijke omgeving van de Veluwe. Maar zeker ook door de fijne sfeer in combinatie met de stedelijke voorzieningen om de hoek en de relatief goede bereikbaarheid van werkgelegenheidsconcentraties en de aanhaking op de A28. De gemeente wil deze kansen verder benutten, voortvarend inspelen op nieuwe uitdagingen zoals rondom de energietransitie en klimaatadaptatie. Verder wil de gemeente de (landschappelijke) kwaliteiten en dorpse identiteit koesteren en waar mogelijk versterken.
De gemeente wil dat iedereen die dat wil, in Nunspeet moet kunnen blijven wonen in een woning en op een plek waar men zich thuis voelt. Dat geldt ook voor degenen die zich vanwege werk of om andere redenen in de gemeente Nunspeet willen vestigen. Dit betekent dat nieuwbouw en herontwikkeling zo goed mogelijk voldoen aan de uitbreidingsbehoefte, zowel in aantallen, woningtypen als woningprijzen. De gemeente wil aantrekkelijke woonmilieus behouden en toevoegen. Toevoegingen van woonlocaties zijn in balans met de uitbreidingsbehoefte.
Toetsing
Dit project voorziet in een herschikking van de bouwmogelijkheden van twee bestaande woningen. Dat is in lijn met de visie van de gemeente dat iedereen die dat wil in Nunspeet moet kunnen blijven wonen en op een plek waar men zich thuis voelt.
Conclusie
Dit project is in overeenstemming met de omgevingsvisie van de gemeente Nunspeet.
In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties:
Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen.
Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit. De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl.
Voor dit project is door adviesbureau Beacx een bomdemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 1. Hierna worden de uitkomsten kort besproken.
Het bodemonderzoek is uitgevoerd de volgende strategie: “onverdachte locatie (ONV)”. De hypothese hierbij is als volgt: de locatie is onverdacht op bodemverontreinigingen.
Op basis van de resultaten van het veldonderzoek en de toetsing van de analyseresultaten concludeert Baecx dat zowel de boven- en ondergrond als het grondwater van de locatie geen verhogingen aan analytisch onderzochte stoffen bevat.
Vanwege de resultaten dient de vooraf vastgestelde hypothese te worden geaccepteerd. De locatie wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Dit onderzoek is uitsluitend gericht op verontreinigingen in bodem en is steekproefsgewijs uitgevoerd.
Ondanks dat het onderzoek conform de geldende normen en richtlijnen uitgevoerd, kan nooit worden uitgesloten dat elders op de locatie (andere) verontreinigingen aanwezig zijn. Bij grondverzet dient hiermee rekening gehouden te worden.
Onder de Omgevingswet is ook een goede afstemming nodig om hinder tussen woningen en bedrijven te voorkomen. Waar onder de Wet milieubeheer gesproken werd over milieubelastende 'inrichtingen', gaat het in de Omgevingswet over milieubelastende 'activiteiten'. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen hier niet onder.
Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden is n de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uit 2024 gebruikt. Deze nieuwe handreiking is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019.
Bij deze nieuwe uitgave zit ook een nieuwe tabel, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten zones met afstanden zijn aangegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft zones voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geluid en geur.
Dit project voorziet in het herbouwen van een woning. Daarmee is alleen sprake van inwaartse zonering.
Aan de Kleine Kolonieweg 166 is een intensieve veehouderij aanwezig. Daar worden vleeskalveren gehouden. Daarvoor geldt geluidzone 1. Die zone wordt toegekend op een afstand van 30 meter tot milieugevoelige functies. Voor het geuraspect geldt de vaste afstand van 50 meter. De afstand tot de nieuwe woning bedraagt meer dan 200 meer.
Overige milieubelastende activiteiten zijn op ruimere afstand gelegen. Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor dit project. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.
Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een basisgeluidemissie en geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde. De beoordeling van deze geluidbronnen bij gevoelige gebouwen ligt bij het bevoegd gezag.
Voor dit project is door AWG Geluidadvies een akoestische beschouwing wegverkeerslawaai gemaakt, opgenomen als Bijlage 2. De relevante wegen, de Plaggebaan en de Kleine Kolonieweg, zijn twee smalle buitenwegen met uitsluitend bestemmingsverkeer en een geschatte verkeersintensiteit van maximaal 500 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van gegevens uit de Atlas Leefomgeving is vastgesteld dat de geluidbelasting op de gevels van de woningen lager is dan 46 dB (Lden). Omdat de nieuwbouw op grotere afstand van de weg wordt gerealiseerd, zal de geluidbelasting daar zelfs nog lager zijn. Hiermee blijft de geluidbelasting ruim onder de wettelijke streefwaarde van 53 dB, wat betekent dat sprake is van een goed akoestisch woon- en leefklimaat. Een formeel akoestisch onderzoek is daarom niet vereist.
Wegverkeerslawaai staat de uitvoerbaarheid van dit project niet in de weg.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Een van de standaardgevallen NIBM is 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Dit project voorziet in 1 nieuwe woning. Daarmee draagt dit project niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is niet nodig. Luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van dit project niet in de weg.
De instructieregels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
Kwetsbare gebouwen en locaties
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's.
Plaatsgebonden risico
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit is een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar. Dit geldt voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit komen. In acht nemen van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen van de grenswaarde mag afwijken onder de voorwaarden die in het Bkl staan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moeten gemeenten rekening houden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. De standaardwaarde is 1 op de 1.000.000 per jaar.
Aandachtsgebieden
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden:
De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl.
Uitsnede risicokaart
Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet gelegen is binnen de invloedsfeer van risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. De locatie is niet gelegen in of nabij een aandachtsgebied. Externe veiligheidsrisico's staan de uitvoerbaarheid van dit project niet in de weg.
Dit omgevingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling over te gaan.
De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.
Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart geldt voor de locatie deels een middel verwachting. Hier is archeologische onderzoek nodig bij ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm. Die ondergrens wordt met dit project niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.
Op de locatie zijn geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook ligt de locatie niet binnen een beschermd dorps- of stadsgezicht.
Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet waarborgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit.
Voor dit project is door adviesbureau Groenewold een natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3. Hierna worden de uitkomsten besproken.
Soortenbescherming
Het terrein is onderzocht op de aanwezigheid van beschermde soorten en/of verblijfplaatsen. Daarbij is specifiek gekeken naar jaarrond beschermde nesten. In de dakgoot van woning 13 zijn vermoedelijk twee huismusnesten aangetroffen. Om deze verblijfplaatsen aan te tonen of uit te sluiten, is een verdiepend onderzoek nodig in de periode april-mei. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd conform het kennisdocument huismus. Indien huismusnesten daadwerkelijk worden aangetroffen, is een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten noodzakelijk.
Daarnaast is er specifiek gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van marters, uilen en vleermuizen. Martens en uilen zijn niet aangetroffen, maar kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn evenmin op voorhand uit te sluiten, omdat op verschillende locaties goede toegang is tot het dakvlak via de kantpannen van de woningen en de schuren. Er is geen sprake van aantasting van essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Daarom wordt geadviseerd om, conform het vleermuisprotocol, een verdiepend onderzoek uit te voeren om verblijfplaatsen aan te tonen of uit te sluiten.
Bij de uitvoering van de werkzaamheden moet altijd invulling worden gegeven aan de ‘specifieke zorgplicht’ (artikel 11.27 en 11.28 van het Besluit activiteiten leefomgeving – Bal). Dit houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. Een voorbeeld hiervan is om sloopwerkzaamheden buiten de broedtijd te starten.
Nader onderzoek
Het nadere onderzoek naar de huismus en vleermuis is opgenomen als Bijlage 4. Uit het onderzoek naar de huismus blijkt dat er in de te slopen bebouwing geen nestplaatsen van de huismus zijn vastgesteld. Wel zijn twee nesten gevonden in het te behouden deel van de woning, aan de kopse kant, buiten de verstoringszone. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is niet nodig.
Verder is uit het nadere onderzoek naar vleermuizen gebeken dat in de westelijke gevel van Plaggebaan 13a één zomerverblijfplaats en één paarplaats aanwezig is. Op basis van de waarnemingen zijn in de te slopen schuur van Plaggebaan 13 met zekerheid geen kraamkolonie, winterverblijfplaats, zomerverblijfplaats of paarplaats aanwezig. Voor de sloop van de kleine woning Plaggebaan 13a is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. De provincie Gelderland is daarvoor het bevoegd gezag. De aanvraag omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is in voorbereiding.
Gebiedsbescherming
De locatie is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland of de Groene ontwikkelingszone. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op ca. 48 m afstand en is gevoelig voor stikstof. Het gaat in zowel de bestaande als de nieuwe situatie om twee woningen. Daarom zijn significant negatieve effecten voor beschermde soorten of habitats door realisatie van het plan niet te verwachten. Advies is wel om onnodige verlichting te voorkomen en naar beneden gerichte armaturen toe te passen. Voor de externe werking naar eventuele stikstofdepositie op voor verzuring gevoelige gebieden is het advies een separate stikstofrapportage op te stellen.
Stikstof
Door adviesbureau Groenewold is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd, opgemomen als Bijlage 5. Zowel de gebruiksfase als de aanlegfase zijn berekend. In de gebruiksfase is voor de nieuwe situatie een stikstofdepositie berekend van 0,06 mol/ha/jaar. Na intern salderen is er geen toename van de stikstofdepositie berekend groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Sinds de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 is intern salderen niet meer mogelijk zonder natuurvergunning. Ook de aanlegfase is ingevoerd in Aerius. Bij toepassing van elektrisch materieel is er een tijdelijke toename berekend van 0,09 mol/ha/jaar.
Om te kijken of het project geen significant nadelige gevolgen heeft voor stikstofgevoelige habitats in de Veluwe, is een voortoets uitgevoerd. Deze voortoets is opgenomen als Bijlage 6. In de aanlegfase vindt er tijdelijk een kleine stikstofdepositietoename plaats van 0,01–0,09 mol/ha/jr, gedurende maximaal 1 jaar. Het beïnvloede aantal hectares is verwaarloosbaar klein van 0,01–6,82 ha. De voortoets heeft uitgewezen dat een dergelijke kleine uitstoot geen enkel significant negatief effect heeft op de beïnvloede habitattypen.
Ook voor de gebruiksfase, met een depositie van 0,06 mol/ha/jr, geldt dat een dergelijke kleine bijdrage geen enkel significant negatief effect heeft op de beïnvloede habitattypen. De uitstoot zal daarbij in de nieuwe situatie in de praktijk structureel 0,11 mol N/ha/jr lager zijn dan in de oude situatie.
Dergelijke kleine deposities hebben geen ecologische relevantie hebben voor de betreffende habitats. Er is geen enkele invloed op groeisnelheid, concurrentiepositie, soortensamenstelling of verschuiving binnen habitats. Daarmee is er met zekerheid geen sprake van de aantasting van de natuurlijke kenmerken en waarden van Natura 2000-gebied Veluwe. Significante negatieve effecten zijn uit te sluiten.
Aanvragen van een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit is niet nodig. Het project ligt buiten het beperkingengebied stikstof waarvoor de provincie een voorbereidingsbesluit heeft genomen. De regeling is dan ook niet op dit project van toepassing.
Aan de hand van CROW-publicatie 744 is een inschatting van de te verwachten verkeersgeneratie te maken. Voor een vrijstaand koophuis in het buitengebied geldt het maximale kengetal van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Dit wijzigt echter niet ten opzichte van de bestaande situatie.
Volgens de Parkeernota van de gemeente Nunspeet geldt voor een vrijstaand koophuis een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen per woning. Afgerond moet er voorzien worden in 3 parkeerplaatsen. Op het eigen terrein zal voldoende ruimte zijn om drie auto's te kunnen parkeren. Er wordt dan ook voldaan aan de parkeernorm.
Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Daarnaast kan de weging van het waterbelang ook nodig zijn bij andere instrumenten. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Beleids- en beheerplan Water en Riolering
De gemeenten Hattem, Oldebroek, Elburg en Nunspeet werken samen met Waterschap Vallei en Veluwe aan een integrale en toekomstbestendige aanpak van stedelijk waterbeheer. In het beleids- en beheerplan Water en Riolering staan vier centrale ambities centraal: bescherming van de volksgezondheid, klimaatadaptatie, educatie en participatie, en bijdragen aan de circulaire economie. Binnen deze thema’s worden maatregelen getroffen zoals het afkoppelen van hemelwater van de riolering, ondergrondse en bovengrondse waterberging (bijv. wadi’s, infiltratievoorzieningen en waterbergende verharding), risicogestuurd rioolbeheer en het stimuleren van waterbewust gedrag bij inwoners. Ook wordt ingezet op het hergebruik van afvalwater, terugwinning van grondstoffen (zoals fosfaat en cellulose) en toepassing van energieconcepten zoals riothermie. Nieuwbouw- en herontwikkelingslocaties worden ingericht volgens de eisen van klimaatbestendig bouwen, waaronder 60 mm waterberging per m² verhard oppervlak en een verhoogd bouwpeil om water- en grondwateroverlast te voorkomen. Door deze integrale aanpak – in samenhang met andere beleidsvelden – wordt gewerkt aan een robuust en veerkrachtig watersysteem dat bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering en dat aansluit bij de uitgangspunten van de Omgevingswet en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie.
Voor dit project is een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is opgenomen als Bijlage 7. Hieruit blijkt dat geen relevante waterschapsbelangen geraakt worden.
Waterberging
Met dit project neemt het totale verhardingsoppervlak op de locatie af. Compenserende maatregelen voor waterberging zijn daarom niet nodig.
Het hemelwater dat op de nieuwe gebouwen valt zal opgevangen en afgevoerd worden richting de omliggende gronden, waar het de bodem kan infiltreren.
Klimaatadaptatie
Met de nieuwe inrichting van de locatie neemt de klimaatbestendigheid toe. Door minder verhard oppevlak kan water beter de bodem infiltreren. Daarnaast wordt hittestress daardoor beperkt. Hemelwater wordt, zoals benoemd, opgevangen. In tijden van droogte wordt wateroverlast daarmee voorkomen.
Oppervlaktewater
Op de locatie en in de omgeving is geen grondwateroverlast bekend. Ten zuidwesten van de locatie ligt een C-watergang. Dit project wijzigt niets aan die watergang.
Vuilwaterafvoer
De vuilwaterafvoer van de nieuwe woning zal aangesloten worden op het bestaande gemeentelijke rioleringssysteem.
Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het project economisch uitvoerbaar is.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, op andere wijze verzekerd zijn of vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met het deze wijziging voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft voor de gemeente geen financiële gevolgen.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2024. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Plaggebaan 13, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAM0022r-vg01 zoals weergeven op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
Dit TAM-omgevingsplan wijzigt de volgende planregels van het omgevingsplan:
Aan de verbeelding wordt ter plaatse van het werkingsgebied de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - aangepaste maatvoering' toegekend ter plaatse van de Plaggebaan 13.
Artikel 3 Wonen
Met artikel 3 blijft de functie Wonen toegekend aan het werkingsgebied. Beide woningen krijgen, net als in de bestaande situatie, een eigen bestemmingsvlak. De bestaande woning krijgt een afwijkende maatvoering van 300 m3. Voor het overige is aangesloten bij de bestaande regeling.
Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan is toegezonden worden aan de provincie Gelderland en het waterschap Vallei en Veluwe in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. Dit concept is niet toegezonden aan de Rijksoverheid, aangezien er geen nationale belangen in het geding zijn.
De ontwikkeling die dit project mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan voor inspraak ter inzage gelegen.
De buurtbewoners zijn geïnformeerd over het initiatief. Het gaat om de bewoners van de Kleine Kolonieweg 14 en 156 en de Plaggebaan 6, 15 en 20. Enkel de bewoners van de Plaggebaan 15 gaven aan dichtere beplanting te willen zien ter afscheiding. Het inrichtingsplan is daarop aangepast.
Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van 30 december 2025 tot en met 10 februari 2026 ter inzage gelegen. Toen zijn geen zienswijzen ingediend.