direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Plaggebaan 13
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0302.TAM0022r-vg01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op de realisatie van nieuwe woningen aan de Plaggebaan 13 in Elspeet en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22r) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22r van het omgevingsplan van de gemeente Nunspeet. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22r' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22r' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Algemene bepalingen

1.1 Toepassingsbereik
  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a. van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit zoals bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22r;
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Plaggebaan 13, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0302.TAM0022r-vg01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de volgende begrippen gehanteerd:

3.1 plan

Het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Plaggebaan 13/13a, Hoofdstuk 22r met identificatienummer: NL.IMRO.0302.TAM0022r-ow01 van de gemeente Nunspeet.

3.2 omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

3.3 Aan huis verbonden beroep

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk te stellen gebied, uitgezonderd prostitutie, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend door de gebruiker, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

3.4 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

3.5 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

3.6 Achtererfgebied

Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

3.7 Agrarisch bedrijf

Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren, niet zijnde: een glastuinbouwbedrijf, een hout- en/of fruitteeltbedrijf, een boom- en/of sierkwekerij, een gebruiksgerichte paardenhouderij of een bollenteeltbedrijf

3.8 Ander werk

Een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid;

3.9 Archeologische waarde

De waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

3.10 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

3.11 Bebouwingsgebied

Achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

3.12 Bed & breakfast

Een bedrijfsmatige voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als toeristisch-recreatieve activiteit, welke bedrijfsmatige voorziening ondergeschikt is aan de hoofdfunctie;

3.13 Bedrijf

Een bedrijfseconomische eenheid; onder eenheid worden ook verstaan rechtspersonen die ruimtelijk als één bedrijf optreden. Onder bedrijf - buitengebied gerelateerd wordt begrepen een bedrijf dat vanwege de aard van de bedrijfsvoering past in het buitengebied;

3.14 Bedrijfsgebouw

Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

3.15 Bedrijfsmatig

In de uitoefening van een beroep of bedrijf of tegen vergoeding;

3.16 Bedrijfswoning/beheerderswoning/dienstwoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is voor beheer of toezicht;

3.17 Bestaande

Bestaand en legaal aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

3.18 Bijbehorend bouwwerk

Functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

3.19 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

3.20 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; indien en voorzover twee bouwpercelen middels de figuur relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel;

3.21 Bouwperceelgrens

Een grens van een bouwperceel;

3.22 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

3.23 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

3.24 Cultuurhistorische waarden

De aan een bouwwerk of gebied (waaronder begrepen landschapselementen) toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

3.25 Dak

Iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

3.26 Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

3.27 Erf

Een al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een woning en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van de woning;

3.28 Erfbeplanting

Afschermende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bouwvlak van een agrarisch bedrijf of binnen of direct aansluitend aan een ander bedrijf of een woning;

3.29 Extensief recreatief medegebruik

Een extensief dagrecreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, waaronder in elk geval niet wordt verstaan: boerengolf, paintball, gemotoriseerde sport;

3.30 Functievlak/locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een functie en/of een gebruiksdoel;

3.31 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

3.32 Gebruiksgerichte paardenhouderij

Een bedrijf dat hoofdzakelijk is gericht op het beleren en trainen van paarden door het bedrijf zelf, het bieden van pensionstalling en/of een kunstmatig inseminatie bedrijf voor paarden of pony's, niet zijnde een manege;

3.33 Geomorfologische waarde

De waarde van de gronden vanwege de ontstaansgeschiedenis van de vormen van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid van de vormen;

3.34 Gevaarlijke stoffen

Gevaarlijke stoffen, gevaarlijke afvalstoffen en/of bestrijdingsmiddelen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

3.35 Groene ontwikkelingszone

Zone, zoals bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland, die bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en daar functioneel mee samenhangen en waarin wordt ingezet op versterking van die samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden;

3.36 Groepsaccommodatie

Een (deel van) een gebouw dat blijvend is bestemd voor recreatief nachtverblijf door groepen, waarbij wordt overnacht in slaapzalen en/of slaapkamers en waarin een dagverblijf beschikbaar is waarin de gasten mede huishoudelijke werkzaamheden kunnen verrichten;

3.37 Hoofdgebouw

Een gebouw dat gelet op de functie als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

3.38 Huishouden

Een verzameling van één of meerdere personen die samen één zelfstandig huishouden vormen dat zich kenmerkt door continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid;

3.39 Inwoning

Twee huishoudens in een woning waarbij er sprake is van een hoofdtoegang, die toegang verschaft tot een gemeenschappelijke hal van waaruit rechtstreekse toegang tot de beide woonruimtes wordt verschaft en waarbij er sprake blijft van één aansluiting op de nutsvoorzieningen;

3.40 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, geheel of overwegend door middel van handwerk, geen detailhandel zijnde en prostitutie, dat in of bij een woonhuis of de bedrijfswoning wordt uitgeoefend door de gebruiker, en waarvan de omvang zodanig is, dat het woonhuis of de bedrijfswoning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

3.41 Landschappelijke inpassing

Inpassing in het omringende landschap door bij de situering in te spelen op de landschappelijke kenmerken en/of door het gebruik van beplanting die past bij het landschapstype ter plaatse, om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen;

3.42 Landschappelijke waarde

De aan een gebied toegekende waarde, in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

3.43 Manege

Een bedrijf met een publieksgericht karakter, dat is gericht op het bieden van gelegenheid tot het stallen van paarden/pony's en/of het berijden van paarden/pony's, waaronder begrepen lesgeven, verhuur en het houden van wedstrijden en/of andere hippische evenementen;

3.44 Mantelzorg

Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

3.45 Mantelzorgunit

Een tijdelijk bijbehorend bouwwerk ten behoeve van mantelzorg;

3.46 Natuurlijke waarde

De aan een gebied toegekende waarde, in verband met de geologische, geomorfologische, bodemkundige en/of biologische elementen, voorkomend in dat gebied;

3.47 Normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden

Werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waaronder begrepen de handhaving dan wel de realisering van de functie;

3.48 Paardenbak

Een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen;

3.49 Peil

Voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:

a. de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

c. indien in of op het water wordt gebouwd:

Het plaatselijke niveau ten opzichte van Nieuw Amsterdams Peil;

d. indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil;

3.50 Prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding;

3.51 Recreatief verblijf

De overnachting die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie (dus niet als hoofdverblijf);

3.52 Seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

3.53 Stacaravan

Een gebouw, bestaande uit een lichte constructie, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf en dat binnen 24 uur demontabel is. De stacaravan mag niet zijn/worden opgebouwd uit steenachtige materialen;

3.54 Trekkershut

Een kleinschalig gebouw, bestaande uit een lichte constructie, dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor kortdurend recreatief nachtverblijf en niet is opgebouwd uit steenachtige materialen met uitzondering van fundering;

3.55 Veldschuur

Een vrij in het open veld staande schuur, die wordt of werd gebruikt voor het stallen of het melken van vee, en/of de opslag van agrarische producten of agrarische werktuigen;

3.56 Verbeelding/plankaart
  • a. de digitale verbeelding van het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Plaggebaan 13, hoofdstuk 22r;
  • b. de analoge (papieren) kaart van het omgevingsplan TAM-omgevingsplan Plaggebaan 13, hoofdstuk 22r, met legenda en tekeningnummer NL.IMRO.0302.TAM0022r-vg01;
3.57 Verticale as-turbine (VAT)

Een kleinschalige windturbine waarbij de as loodrecht op de richting van de wind staat, terwijl de wieken evenwijdig aan de as zijn bevestigd;

3.58 Voorgevel

De naar de weg gekeerde gevel van een woning of, bij onduidelijkheid daarover, de als zodanig door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

3.59 Woning

Een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

3.60 Woonhuis

Een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat;

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meter (m), m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

4.1 afstand tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens

Tussen de zijdelingse grens van het perceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is

4.2 dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

4.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.4 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Wolfseinden worden hieronder niet begrepen.

4.5 de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.6 de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bouwonderdelen zoals, goten, dakoverstekken en in dakoverstekken geïntegreerde goten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen met een oversteek van meer dan 75 cm worden in de oppervlakte meegerekend.

4.7 maatvoering

Alle maten zijn, tenzij anders aangegeven:

  • a. Voor lengten in meters (m);
  • b. Voor oppervlakten in vierkante meters (m2);
  • c. Voor inhoudsmaten in kubieke meters (m3);
  • d. Voor verhoudingen in procenten (%);
  • e. Voor hoeken/hellingen in graden (º).

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 6 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies

Artikel 7 Wonen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen voor Wonen.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Wonen heeft de volgende functies:

  • a. het wonen in een woning of een woonhuis al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep en/of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;
  • b. landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting;

Met de bij de functie behorende

  • c. gebouwen;
  • d. bijbehorende bouwwerken;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • f. andere werken;
  • g. tuinen en erven.
7.3 Bouwactiviteit – algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in 7.2.

7.4 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
7.4.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels.

7.4.2 Beoordelingsregels hoofdgebouwen

Voor het bouwen van een hoofdgebouw gelden de volgende regels:

  • a. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
  • b. Per functievlak mag niet meer dan één woonhuis worden gebouwd;
  • c. De afstand van een woonhuis ten opzichte van de weg zal ten minste 3 m of de bestaande afstand bedragen;
  • d. De oppervlakte van een woonhuis mag niet meer dan 120m2 bedragen;
  • e. De inhoud van een woonhuis mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – afwijkende maatvoering' niet meer bedragen dan 300m2, of tenminste de bestaande inhoud;
  • f. De goothoogte mag niet meer dan 4 m bedragen, tenzij de bestaande goothoogte hoger is, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte mag bedragen;
  • g. De bouwhoogte mag niet meer dan 9 m bedragen, tenzij de bestaande bouwhoogte hoger is, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte mag bedragen;
  • h. De dakhelling mag niet minder dan 15° bedragen;
  • i. Kelders mogen uitsluiten worden gerealiseerd loodrecht onder het woonhuis, inclusief de aangebouwde bijbehorende bouwwerken, tot een diepte van niet meer dan 3,50 m;
  • j. De afstand tot de bouwperceelgrens moet ten minsten 3 m bedragen.
7.4.3 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken bij een woning:

  • a. Een bijbehorend bouwwerk moet worden gesitueerd op een afstand van ten minste 1 m achter de voorgevel van het woonhuis;
  • b. Een vrijstaand bijbehorend bouwwerk moet worden gesitueerd op een afstand van ten hoogste 25 m van het dichtstbijzijnde punt van het woonhuis;
  • c. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer bedragen dan 110 m2. Indien het bebouwingsgebied groter is dan 500 m2, mag de gezamenlijke oppervlakte worden vermeerderd met 10% van de oppervlakte van het bebouwingsgebied vanaf 500 m2 tot een maximum van 150 m2, waarbij geldt dat:
    • 1. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – afwijkende maatvoering' de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan 40 m2.
  • d. De goothoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 3,50 m bedragen;
  • e. De bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer dan 6 m bedragen;
  • f. De afstand tot de bouwperceelgrens moet ten minste 3 m bedragen;
  • g. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen niet worden voorzien van een kelder.
7.4.4 Beoordelingsregels Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. Indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1,5 m bedragen;
  • b. In overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedragen.
7.5 Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten
7.5.1 Specifieke beoordelingsregels afstand woonhuis tot de weg

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.2 onder c in die zin dat een woonhuis dichter naar de weg wordt gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. Dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
  • b. Voor zover het geluidgevoelige functies betreft, wordt gebouwd met inachtneming van het bepaalde in Artikel 10.2;
  • c. Geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.5.2 Specifieke beoordelingsregels oppervlakte woonhuis bij nieuwbouw of verbouw

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.2 onder d in die zin dat de oppervlakte van een woonhuis niet meer dan 140m2 mag bedragen, met dien verstande dat:

  • a. het boerderijvormen betreft met cultuurhistorische en/of architectonische waarde en een lage goot- en bouwhoogte;
  • b. de vergroting van de oppervlakte bijdraagt aan de cultuurhistorische waarde;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld en de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
7.5.3 Specifieke beoordelingsregels oppervlakte woonhuis ten behoeve van inwoning

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van 7.4.2, onder d, in die zin dat de oppervlakte van een woonhuis niet meer dan 140 m2 mag bedragen, met dien verstande dat:

  • a. de uitbreiding plaatsvindt ten behoeve van inwoning waarvoor afwijking is of wordt verleend zoals bedoeld in 7.7.5.
7.5.4 Specifieke beoordelingsregels bouw erkers en serres

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.2 onder d in die zin dat de oppervlakte van een woonhuis wordt vergroot ten behoeve van de bouw van erkers of serres, met dien verstande dat:

de oppervlakte van een erker of een serre niet meer bedraagt dan 12 m2.

7.5.5 Specifieke beoordelingsregels bouwhoogte woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.2 onder g in die zin dat de bouwhoogte van een woonhuis wordt vergroot tot niet meer dan 10 m, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.5.6 Specifieke beoordelingsregels dakvorm

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.2 onder h ten behoeve van een afwijkende dakvorm, met dien verstande dat:

  • a. het bebouwingsbeeld daardoor niet onevenredig wordt aangetast.
7.5.7 Specifieke beoordelingsregels afstand bijbehorend bouwwerk tot voorgevel woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.3 onder a in die zin dat een bijbehorend bouwwerk op minder dan 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel vóór de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.5.8 Specifieke beoordelingsregels afstand vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.3 onder b in die zin dat een vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd op een afstand van meer dan 25 m vanaf het dichtstbijzijnde punt van het woonhuis, met dien verstande dat:

  • a. er binnen de afstand van 25 m redelijkerwijs geen ruimte aanwezig is voor de bouw van het vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.5.9 Specifieke beoordelingsregels afstand tot bouwperceelgrens

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.2 onder j en 7.4.3 onder f in die zin dat de afstand van een gebouw tot de bouwperceelgrens minder bedraagt dan 3 m, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.5.10 Specifieke beoordelingsregels vergroten woonruimte

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.2 en 7.4.3 ten behoeve van het vergroten van de woonruimte met behoud van de waarde van het kleine woonhuis, afgeweken wordt van de vereiste ondergeschiktheid van bijbehorende bouwwerken qua afmetingen aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat:

  • a. er sprake is van een architectonisch hoogwaardig bouwplan waarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de waarden van het kleine woonhuis;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken ten hoogste 200 m2 zal bedragen;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk ten hoogste 4,50 m zal bedragen;
  • d. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk ten hoogste 9 m zal bedragen;
  • e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.5.11 Specifieke beoordelingsregels aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan een woonhuis

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.4.3 onder c ten behoeve van het vergroten van een woonhuis dat kleiner is dan 120 m2 door middel van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk, met dien verstande dat:

  • a. het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk wordt gebruikt voor de uitbreiding van een primaire woonfunctie (uitbreiding woonkamer, keuken, badkamer of slaapkamer);
  • b. het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk ten hoogste 25 m2 bedraagt;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van het woonhuis en het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk niet meer bedraagt dan de in 7.4.2 onder d genoemde maximale oppervlakte;
  • d. de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken als bedoeld in 7.4.3 onder c al volledig is benut;
  • e. de goothoogte van het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk ten hoogste 3,5 m zal bedragen;
  • f. de bouwhoogte van het aan te bouwen bijbehorende bouwwerk ten hoogste 7,5 m zal bedragen;
  • g. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.6 Beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
7.6.1 Verboden gebruiksactiviteiten

Het is verboden binnen deze functie de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van een grondwal;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis en de daarbijbehorende bouwwerken voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis voor meer dan één woning;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardenbak;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken ten behoeve van bewoning;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;
  • g. het gebruiken of laten gebruiken van een woonhuis ten behoeve van een extra huishouden;
  • h. het gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van bewoning van bijbehorende bouwwerken - die al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn gerealiseerd - waarin de bewoning in verband met mantelzorg niet binnen drie maanden is beëindigd.
7.6.2 Gebruiksactiviteit – voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing

Bij het in gebruik of het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde in 7.2 is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarden dat de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in bijlage 1, is uitgevoerd en duurzaam in stand wordt gehouden.

7.7 Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteiten
7.7.1 Specifieke beoordelingsregels aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7, lid 7.6.1, onder b, in die zin dat het is toegestaan een woonhuis en de daarbijbehorende bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor een aan huis verbonden beroep en/of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, met dien verstande dat:

  • a. ten hoogste 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het woonhuis met de daarbijbehorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep en/of de kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, mits deze gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m2;
  • b. de uitstraling als woning intact blijft;
  • c. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu;
  • d. het gebruik geen nadelige gevolgen heeft op de normale ontwikkeling van het verkeer en geen nadelige toename van de parkeerbehoefte veroorzaakt;
  • e. geen detailhandel wordt uitgeoefend;
  • f. geen sprake is van reclame-uitingen en buitenopslag.
7.7.2 Specifieke beoordelingsregels woningsplitsing

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.6.1, onder c, in die zin dat twee woningen in 1 woonhuis worden gevestigd (woningsplitsing), met dien verstande dat:

  • a. het de oorspronkelijke woning betreft;
  • b. de inhoud van de twee woningen tezamen niet minder dan 700 m3 bedraagt;
  • c. de woningsplitsing uit milieu-oogpunt toelaatbaar is, waaronder begrepen geluid en externe veiligheid;
  • d. door de woningsplitsing de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • e. de afwijking passend is in het geldende woningbouwbeleid;
  • f. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.7.3 Specifieke beoordelingsregels paardenbak

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.6.1, onder d, ten behoeve van het gebruik en de bouw van 1 paardenbak voor eigen hobbymatig gebruik, met dien verstande dat:

  • a. de paardenbak moet zijn gesitueerd bij een woning, waarbij geldt dat de paardenbak voor niet minder 20% moet zijn gelegen on het locatievlak waarin de woning is gelegen. In geval een deel van de paardenbak buiten het locatievlak waarin de woning is gelegen wordt aangelegd, moet daarnaast worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de paardenbak moet zijn gesitueerd bij een woonhuis of bedrijfswoning gelegen binnen een locatievlak, waarbij geldt dat de paardenbak voor niet minder dan 20% moet zijn gelegen binnen de functie Agrarisch;
    • 2. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast in combinatie en qua criteria passend met de afwijking voor de aanleg van een paardenbak binnen de van toepassing zijnde functie;
    • 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden,
  • b. de paardenbak moet zij gesitueerd achter de voorgevel van de woning;
  • c. de oppervlakte van de paardenbak niet meer mag bedragen dan 800 m2;
  • d. daarbij tevens de bouw van lichtmasten kan worden toegestaan tot een bouwhoogte van niet meer dan 6 m;
  • e. de afstand tot een andere woning:
  • f. niet minder dan 50 m mag bedragen, indien palen en masten ten behoeve van de paardenbak aanwezig zijn;
  • g. niet minder dan 30 m mag bedragen, indien geen palen en masten ten behoeve van de paardenbak aanwezig zijn.
  • h. palen en masten ten behoeve van de paardenbak niet zijn toegestaan buiten het functievlak;
  • i. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.7.4 Specifieke beoordelingsregels mantelzorg

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.6.1, onder e, ten behoeve van mantelzorg in een aangebouwd of vrijstaand bijbehorend bouwwerk of een aparte unit bij een woning, met dien verstande dat:

  • a. de zorgbehoefte objectief aannemelijk is gemaakt;
  • b. verzekerd is dat na beëindiging van de mantelzorg het bijbehorend bouwwerk ongeschikt wordt gemaakt voor bewoning ten behoeve waarvan een overeenkomst wordt gesloten;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeerssituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
7.7.5 Specifieke beoordelingsregels inwoning

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.6.1, onder g, in die zin dat een woonhuis wordt gebruikt voor meer dan één huishouden ten behoeve van inwoning, met dien verstande dat:

  • a. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van de huisvesting van één extra huishouden van één of twee personen;
  • b. de vloeroppervlakte van het inwoondeel niet meer dan 60 m² mag bedragen;
  • c. de inwoning wordt gerealiseerd op de begane grond waarbij minimaal 30 m² in het architectonische hoofdgebouw wordt gerealiseerd.
7.8 Beoordelingsregels overige activiteiten
7.8.1 Verbod uitvoeren werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het vellen of het rooien van houtopstanden, houtwallen, singels, bomenrijen, boomgroepen en bos, voor zover dat in de Bomenverordening 2021 of een eventuele rechtsopvolger op grond van de Omgevingswet is bepaald.
7.8.2 Uitzonderingen

Het verbod bedoeld in 7.8.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  • a. normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen;
  • b. worden uitgevoerd krachtens een vastgesteld beheerplan.
7.8.3 Specifieke beoordelingsregels uitvoeren werk en werkzaamheden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk en werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.8.1, kan slechts worden verleend, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 3

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde – Archeologie 3.

8.2 Gebiedsomschrijving

De locaties binnen het gebied Waarde – Archeologie 3 zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden.

8.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
8.3.1 Vergunningsplicht

Het is verboden om op of in de locaties bedoeld in artikel 8.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bouwactiviteiten uit te voeren met een oppervlakte groter dan 500m2 waarbij voor de gehele oppervlakte bodemingrepen dieper dan 0,50 m onder het maaiveld plaatsvinden.

8.3.2 Aanvraagvereisten

De aanvrager van een omgevingsvergunning legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld.

8.3.3 Beoordelingsregels

Het bevoegd gezag verleent de in 8.3.1 bedoelde omgevingsvergunning indien naar hun onderdeel uit het rapport zoals bedoeld in 8.3.2 genoegzaam blijkt dat:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad;
  • c. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord.
8.3.4 Specifieke beoordelingsregels

In afwijking van het bepaalde in artikel 8.3.2 behoeft geen rapport te worden overgelegd als wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. de archeologische waarde van de gronden is afdoende vastgesteld in andere beschikbare informatie;
  • b. het bedoelde in 8.3.4, onder a, is getoetst door de archeologisch deskundige.
8.3.5 Maatwerkvoorschriften

In de situatie zoals bedoeld in 8.3.3, onder b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, en/of;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificatie.
8.4 Beoordelingsregels overige activiteiten
8.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden om op of in de locaties bedoeld in 8.2, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden, waartoe gerekend worden het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verlagen van het waterpeil;
  • c. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.4.2 Toegestane activiteiten

Het in lid 8.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing, indien:

  • a. de werken of werkzaamheden worden verricht op of in gronden onder bestaande gebouwen dan wel op of in gronden die 5 m rondom bestaande gebouwen zijn gelegen;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat:
    • 1. geen archeologische waarden aanwezig zij; dan wel
    • 2. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; dan wel
    • 3. de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet kunnen worden verstoord;
  • c. het werken betreft op een geringere diepte dan 0,50 m onder het maaiveld;
  • d. het werken betreft op een grotere diepte dan 0,50 m onder maaiveld maar met een kleinere oppervlakte dan 2500 m2.
8.4.3 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals bedoeld onder 8.4.1 wordt een rapport overgelegd waarin de archeologische waarde van het desbetreffende terrein is vastgesteld.

8.4.4 Beoordelingsregels

Het bevoegd gezag verleent de in 8.4.1 bedoelde omgevingsvergunning indien naar hun onderdeel uit het rapport als bedoeld in lid 8.4.3 genoegzaam blijkt dat:

  • a. Op basis van archeologisch onderzoek door het bevoegd gezag is bepaald dat bescherming van archeologisch materiaal afdoende kan plaatsvinden door aan de omgevingsvergunning een van de volgende voorwaarden te verbinden:
    • 1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. De verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. De verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificatie.

Hoofdstuk 3 Algemene regels voor activiteiten

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten

10.1 Overschrijding van de bouw en/of functiegrenzen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlakgrenzen niet meer dan 0,75 m bedraagt.

10.2 Wegverkeerslawaai
10.2.1 Toepassingsbereik

De regels in dit lid gaan over het toestaan van een geluidgevoelig gebouw in de nabijheid van een gemeenteweg.

10.2.2 Beoordelingsregels wegverkeerslawaai

De realisering van een geluidgevoelig gebouw op een plek of (bouw)hoogte waar nog geen geluidgevoelig gebouw aanwezig is, is uitsluitend toegestaan indien voor dat gebouw, respectievelijk de geluidgevoelige ruimte in dat gebouw:

  • a. Voldaan zal worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting zoals vastgelegd in:
  • b. Artikel 12.13m van het Besluit kwaliteit leefomgeving jo. Artikel 3.27, lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving vanwege gemeentewegen en waterschapswegen;
  • c. Artikel 12.13ia, lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving vanwege provinciale wegen
  • d. Artikel 5.78t Besluit kwaliteit leefomgeving, vanwege rijkswegen;
  • e. Dan wel, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in lid a, voldaan zal worden aan een door het bevoegd gezag vastgestelde en bij dit plan behorend Besluit hogere waarde overeenkomstig artikel 5.78u van het Besluit activiteiten leefomgevingl
  • f. Dan wel, indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in lid a of b, sprake zal zijn van geluidbelasting op een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen in de zin van artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 11 Algemene beoordelingsregels gebruiksactiviteiten

11.1 Verboden gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, te laten gebruiken of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven functies, tenzij voor dit afwijkende gebruik een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met ruimtelijke regelgeving is verleend. Tot een strijdig gebruik met de functies wordt, tenzij anders bepaald in de betreffende functie, in ieder geval gerekend:
    • a. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale, ter plaatse toegestane bedrijfsvoering;
    • b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als renbaan of menterrein, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend;
    • c. het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend ;
    • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van gemotoriseerde of gemechaniseerde sporten, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend;
    • e. het gebruiken of laten gebruiken van recreatiewoningen, groepsaccommodaties, chalets, stacaravans, trekkershutten, toercaravans, vouwwagens, campers, tenten, huifkarren en andere recreatieobjecten voor niet recreatieve overnachtingen;
    • f. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
    • g. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van zwembaden met een oppervlakte van meer dan 40 m2;
    • h. het gebruiken of laten gebruiken ten behoeve van bewoning van bijbehorende bouwwerken - die al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn gerealiseerd - waarin de bewoning in verband met mantelzorg niet binnen drie maanden is beëindigd.
  • 2. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 2º van de Wet op de economische delicten.
11.2 Specifiek verbod bed & breakfast
11.2.1 Verbodsbepaling voor nieuwbouw ten behoeve van bed & breakfast
  • 1. Nieuwbouw ten behoeve van een bed en breakfast is niet toegestaan binnen het omgevingsplangebied.
  • 2. Artikel 12.2.1, lid 1, is niet van toepassing indien er nieuwbouw in de vorm van herbouw plaatsvindt.
11.2.2 Verbodsbepaling voor het gebruiken van een gebouw voor een bed & breakfast en voor het verbouwen van een gebouw tot een bed & breakfast
  • 1. Het is verboden een gebouw te gebruiken voor een bed en breakfast, en het is verboden een gebouw te verbouwen tot een bed en breakfast, binnen het omgevingsplangebied.
  • 2. Als voldaan wordt aan de specifieke beoordelingsregels, zoals omschreven in 11.6.2 kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van de verbodsbepaling volgens 11.2.2, lid 1.
11.3 Specifiek verbod m.b.t. activiteit onzelfstandige bewoning
11.3.1 Verbodsbepalingen onzelfstandige bewoning
  • a. Het is verboden om voor de functies "Wonen" en/of "Woongebied" aangewezen gronden woningen, en/of woonhuizen, en/of wooneenheden, en/of bedrijfswoningen te gebruiken of in gebruik te geven voor onzelfstandige bewoning.
  • b. Het is tevens verboden in andere functies dan "Wonen" of "Woongebied" waar volgens de functieregeling de functie wonen is toegestaan in woningen, en/of woonhuizen, en/of wooneenheden, en/of bedrijfswoningen te gebruiken of in gebruik te geven voor onzelfstandige bewoning.
  • c. De verboden zoals beschreven in dit artikel onder lid a, en onder lid b, gelden ook voor (ver)bouwwerkzaamheden ten behoeve van onzelfstandige bewoning.
  • d. Het bepaalde in dit artikel onder a, onder b, en onder c, is niet van toepassing op bestaande onzelfstandige bewoning in woningen en/of woonhuizen, en/of wooneenheden en/of bedrijfswoningen die voor onzelfstandige bewoning gebruikt mogen worden op grond van het (tijdelijke) omgevingsplan op grond van de Omgevingswet en/of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.
11.4 Specifiek verbod logies voor arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.

Onder strijdig gebruik wordt in dit plan specifiek het volgende verstaan, zoals genoemd onder de leden a tot en met e:

  • a. binnen de functies Recreatie, Recreatie - Bungalowpark, Recreatie - Gemengd terrein, en Recreatie - Kampeerterrein het gebruiken van een gebouw met de functie/activiteit "hotel" voor logies voor arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.;
  • b. binnen de functies Recreatie, Recreatie – Bungalowpark, Recreatie – Gemengd terrein, en Recreatie – Kampeerterrein het gebruiken van een gebouw met een andere recreatieve functie dan hotel voor logies voor arbeidsmigranten/seizoensarbeiders e.a.;
  • c. binnen de functie Horeca het gebruiken van een gebouw met deze functie voor logies ten behoeve van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.;
  • d. binnen de functie Maatschappelijk het gebruiken van een gebouw voor logies ten behoeve van arbeidsmigranten/seizoenarbeiders e.a.;
  • e. het gebruik van bouwwerken/gebouwen binnen andere functies dan de in dit artikel onder a, b, c, en d. genoemde functies, voor logies ten behoeve van arbeidsmigranten en/of seizoenarbeiders e.a.;
  • f. het verboden gebruik, zoals genoemd in dit artikel onder a, b, c, d en e betekent ook dat het verboden is voor dit gebruik de activiteit bouwen uit te oefenen;
  • g. de verbodsbepalingen, zoals genoemd onder het bepaalde onder letter a tot en met f zijn niet van toepassing op bestaande bouwwerken / gebouwen waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is verleend voor het toestaan van het logies voor arbeidsmigranten, of waarvan het gebruik (en de activiteit bouwen) reeds is toegestaan volgens het geldende omgevingsplan.
11.5 Toegestaan gebruik

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval niet gerekend het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van:

  • a. het aanleggen of het laten aanleggen van kabels en/of leidingen ten behoeve van de drinkwatervoorziening, de riolering, de waterhuishouding, de energievoorziening en de datacommunicatie, met uitzondering van:
    • 1. aardgastransportleidingen met een diameter van meer dan 4" en/of een druk van meer dan 40 bar;
    • 2. transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie met een diameter van meer dan 4";
    • 3. hoogspanningsleidingen;
    • 4. buisleidingen voor het transport van water, afvalwater of stoom met een doorsnede van 1 meter of meer en een lengte van 10 km of meer.
11.6 Specifieke beoordelingsregels
11.6.1 Specifieke beoordelingsregels bouw zwembaden

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 11.1, onder g, in die zin dat gronden en bouwwerken gebruikt mogen worden ten behoeve van zwembaden met een oppervlakte van niet meer dan 60m2, met dien verstande dat:

  • a. dit alleen wordt toegestaan op percelen met een omvang van minimaal 1000 m2 en met een villa-achtige bebouwing.
11.6.2 Specifieke beoordelingsregels bed & breakfast in het buitengebied

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 7.6.1, onder f, en 11.2.2, in die zin dat een gebouw mag worden gebruikt en verbouwd voor een bed & breakfast, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • 1. Een bed en breakfast mag gerealiseerd worden in een woning of in een bedrijfswoning behorend bij de functies Agrarisch – Agrarisch bedrijf, Agrarisch – Kwekerij, Agrarisch – Paardenhouderij, Bedrijf, Bedrijf – Buitengebied gerelateerd, Detailhandel, Horeca, Maatschappelijk, Sport – Manege, en Wonen. Binnen de functie Tuin is een bed en breakfast nadrukkelijk niet toegestaan. Ook in een niet-vrijstaand bijbehorend bouwwerk behorend bij de woning/bedrijfswoning bij deze functies kan onder voorwaarden een bed en breakfast worden gerealiseerd.
  • 2. woning/bedrijfswoning en een niet-vrijstaand bijbehorend bouwwerk worden gebruikt met een maximum van 120 m2. Onder de toegestane oppervlakte van een bed en breakfast vallen de volgende ruimten:
    • a. slaapkamer(s);
    • b. bad-, douche-, en toiletruimten die niet gedeeld worden met bewoner(s);
    • c. een gemeenschappelijke ruimte (gemeenschappelijke verkeersruimtes hoeven niet bij de toegestane oppervlakte te worden meegerekend).
  • 3. Voor het realiseren van een bed en breakfast buiten de bebouwde kom in vrijstaande bijbehorende bouwwerken kan vergunning worden verleend met dien verstande dat:
    • a. deze bijdraagt aan de doelstellingen zoals deze genoemd worden in Thema 3 van de Omgevingsvisie Nunspeet;
    • b. niet meer dan maximaal 100 m2 van de vrijstaande bijbehorende bouwwerken hiervoor wordt ingericht. Hierbij dient wel het maximum aan m2 voor een bed en breakfast van in totaal 120 m2, volgens lid 2 van dit artikel, in acht te worden genomen;
    • c. de desbetreffende vrijstaande bijbehorende bouwwerken op minimaal 3 meter van de erfgrens staan. Bij knelpunten vanwege deze 3 meter-eis, kan het college van B&W – op ondergeschikte gedeelten van deze afstandslijn tot de perceelgrens – hiervan afwijken.
  • 4. In geval het een functie 'Waarde – Landgoed' betreft, mag een bed en breakfast ook worden uitgeoefend in een bijbehorend bouwwerk.
  • 5. Degene die de bed en breakfast exploiteert, dient ingeschreven te staan in de BRP (Basisregistratie Personen) op het desbetreffende adres.
  • 6. Een bed en breakfast mag eveneens worden gerealiseerd in een uniek object, niet zijnde een woning of bijbehorend bouwwerk. Het gaat dan om karakteristieke gebouwen en/of varende constructies. Voorwaarde is dat het gebouw en/of de varende constructie voldoet aan de eisen zoals deze genoemd worden in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dergelijke initiatieven worden per geval beoordeeld. Omdat hier niet altijd sprake is van een inschrijving in de BRP (Basisregistratie Personen) van de bewoner(s) wordt een afweging per geval gemaakt.
  • 7. In de bed en breakfast mag geen zelfstandige kookvoorziening aanwezig zijn.
  • 8. Er moet een parkeergelegenheid aanwezig zijn of worden aangelegd op het perceel waarop de bed en breakfast wordt aangeboden. Het aantal parkeerplaatsen voor de bed en breakfast moet minimaal overeenkomen met het aantal slaapkamers van de bed en breakfast en komt boven op het aantal parkeerplaatsen dat bij de functie hoort.
  • 9. Ter beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning vindt een belangenafweging plaats, waarbij de volgende aspecten worden getoetst en meegewogen:
    • a. de belangen van de gebruikers of de eigenaren van de aanliggende gronden en nabijgelegen woningen en bedrijven;
    • b. de afstand van de bed en breakfast tot een woning op een naastgelegen perceel moet minimaal 10 m bedragen; bij knelpunten vanwege deze 10 meter-eis kan het college van B&W hiervan afwijken waarbij aan de overige letters van dit sublid (letters a, c, d, e, f, en g) wel moet worden voldaan;
    • c. de milieusituatie (aan de bedrijfsvoering van agrarische en niet-agrarische bedrijven in de nabije omgeving mag door een bed en breakfast geen beperking ontstaan);
    • d. de verkeersveiligheid;
    • e. de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
    • f. het straatbeeld;
    • g. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en naastgelegen woningen.
  • 10. Degene die de gelegenheid biedt tot het houden van nachtverblijf is belasting verschuldigd op grond van de geldende Verordening op de heffing en de invordering van toeristenbelasting. De exploitant is verplicht hiervoor een eigen nachtverblijfregister bij te houden, die door de gemeente kan worden gecontroleerd.
  • 11. Het aantal overnachtingen waarbij in een bed en breakfast mag worden overnacht mag maximaal 14 nachten achtereen bedragen.
  • 12. Op het perceel van de bed en breakfast mag maximaal één reclameaanduiding in de vorm van een bord met een opschrift voor de bed en breakfast worden geplaatst. Dit bord dient te voldoen aan de eisen die aan reclame worden gesteld in de ''Reclameverordening 1994'' en in de ''Welstandsnota'' of diens rechtsopvolger.
11.6.3 Specifieke beoordelingsregels m.b.t. onzelfstandige bewoning

Met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 11.3.1 onder a, onder b, en onder c, voor het gebruik van een woning en/of woonhuis en/of bedrijfswoning en/of wooneenheid voor onzelfstandige bewoning, mits:

  • a. Het de huisvesting van maximaal 5 personen betreft;
  • b. Maximaal 5% van de woningen in de straat wordt aangewend voor de huisvesting voor onzelfstandige bewoning;
  • c. Minimaal vier aaneengesloten panden aanwezig moeten zijn die niet als onzelfstandig gebruikte woningen en/of wooneenheden en/of bedrijfswoningen worden gebruikt tussen de woningen die aangewend worden voor onzelfstandige bewoning;
  • d. voor woningen en/of woningen met kamergewijze verhuur in woongebouwen met 6 of meer woningen en/of woningen met kamergewijze verhuur geldt als aanvullende regel dat er tussen twee woningen met kamergewijze verhuur minimaal twee woningen gelegen moeten zijn;
  • e. binnen een straal van 250 meter rondom het vrijstaande kamerverhuurpand is geen ander vrijstaand pand met onzelfstandige bewoning, zoals bijvoorbeeld een kamerverhuurpand, aanwezig;
  • f. er mogen niet meer bewoners zijn dan het aantal aanwezige kamers (gemeenschappelijke ruimtes niet meegerekend);
  • g. er per bewoner minimaal één kamer aanwezig is;
  • h. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, hierbij spelen de volgende factoren een rol:
    • 1. het woon- en leefklimaat;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeersveiligheid en de parkeersituatie;
    • 4. de brandveiligheid;
    • 5. de externe veiligheid;
    • 6. de rampenbestrijding;
    • 7. de milieusituatie;
    • 8. de cultuurhistorische waarde;
    • 9. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • i. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de parkeernormen zoals vastgelegd in artikel 12, onder 12.1;
  • j. Sprake is van verblijfsruimte van minimaal 12m2 per persoon;
  • k. Voldaan wordt aan milieu wet- en regelgeving
  • l. Dit niet leidt tot strijdigheid met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals dit blijkt uit:
    • 1. Het woon- en leefklimaat;
    • 2. Het straat- en bebouwingsbeeld
    • 3. De verkeersveiligheid en de parkeersituatie;
    • 4. De brandveiligheid
    • 5. Externe veiligheid
    • 6. De rampenbestrijding
    • 7. De milieusituatie
    • 8. De cultuurhistorische waarde
    • 9. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 12 Algemene beoordelingscriteria overige criteria

12.1 Beoordelingscriteria parkeeractiviteiten
12.1.1 Beoordelingsregels parkeeractiviteiten
  • 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en/of voor het wijzigen van het gebruik van een gebouw dan wel voor het wijzigen van het gebruik van een onbebouwd terrein wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de functie van het gebouw of het terrein in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor:
    • a. het parkeren of stallen van auto's en fietsen;
    • b. het laden of lossen van goederen;
    • c. het realiseren van parkeervoorzieningen voor invaliden.
  • 2. De onder 12.1, lid 1 genoemde voorzieningen voor parkeren en laden of lossen worden gerealiseerd op eigen terrein, in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort respectievelijk op of onder het onbebouwde terrein waarvan het gebruik wordt gewijzigd.
12.1.2 Specifieke beoordelingsregels parkeeractiviteiten

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 12.1.1:

  • 1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit;
  • 2. of voor zover aantoonbaar op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;

met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

    • a. de parkeersituatie in de openbare ruimte;
    • b. het woon- en leefklimaat;
    • c. de sociale veiligheid;
    • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
12.1.3 Parkeerfonds
  • 1. Van de parkeerregels genoemd in 12.1 kan, indien er geen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, en de parkeerplaatsen niet voldoende in het openbaar gebied aanwezig (kunnen) zijn, door het college van Burgemeester en Wethouders ook worden afgeweken met een omgevingsvergunning, door de aanvrager van een omgevingsvergunning een financiële bijdrage te doen storten in het parkeerfonds.
  • 2. Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in lid 1, komt tot stand volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014).
  • 3. De financiële bijdrage voor het parkeerfonds wordt berekend volgens Hoofdstuk 3 van de Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014).
12.1.4 Beleidsregels

Bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in de leden 12.1.1, 12.1.2 en 12.1.3 wordt getoetst aan de beleidsregel Parkeernota van de gemeente Nunspeet (2014) dan wel, in het geval deze tussentijds wordt gewijzigd of vervangen door een andere beleidsregel, aan deze gewijzigde, respectievelijk vervangende, beleidsregel.

12.2 Beoordelingscriteria kleine windturbines bij andere functies dan agrarische bedrijven

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de functieregels voor het bouwen van kleine windturbines binnen functies waar een hoofdgebouw aanwezig is, mits wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. vrijstaande windturbines zijn niet toegestaan;
  • b. per functievlak is maximaal één windturbine toegestaan, met uitzondering van 'wokkels', waarvan er meerdere zijn toegestaan;
  • c. rotorbladen zijn niet toegestaan;
  • d. de hoogte van de windturbine is maximaal 1,5 m boven dak- of nokhoogte van het gebouw waarop of waaraan plaatsing plaatsvindt;
  • e. de afstand tot de perceelgrens is minimaal 3 m, gemeten vanaf de as van de windturbine tot aan de perceelgrens;
  • f. plaatsing van windturbines bij gemeentelijke of rijksmonumenten is enkel mogelijk in overleg met de Monumentencommissie;
  • g. het verlenen van de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Van belang daarbij kunnen zijn:
    • 1. de bezonningssituatie;
    • 2. de lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing;
    • 3. zichtlijnen of visuele hinder;
    • 4. het optreden van slagschaduw;
    • 5. risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten;
    • 6. afbreuk monumentaal karakter van een pand
    • 7. geluidhinder; of
    • 8. de mogelijkheden tot voortzetting c.q. uitbreiding van een bestaand bedrijf.
12.3 Beoordelingscriteria overige activiteiten
12.3.1 12.3.1 Beoordelingsregels gegeven maten, afmetingen en percentages

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, met dien verstande dat:

  • a. deze afwijking niet geldt voor oppervlakte- en inhoudsmaten;
  • b. deze afwijking beperkt blijft tot maximaal 10% van die maten, afmetingen en percentages.
12.3.2 Beoordelingsregels beloop, profiel en aansluiting wegen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast indien de verkeersveiligheid en/of verkeersintensiteit hiertoe aanleiding geven.

12.3.3 Beoordelingsregels werkelijke afmetingen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, met dien verstande dat:

  • a. de structuur van het plan niet wordt aangetast;
  • b. de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad; en
  • c. deze afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan.
12.3.4 Beoordelingsregels bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouw zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
12.3.5 Beoordelingsregels bouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat wordt gebouwd voor nutsvoorzieningen, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt;
  • b. de oppervlakte maximaal 25 m2 bedraagt.
12.3.6 Beoordelingsregels plaatselijke verhogingen gebouwen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en schotelantennes, indien de oppervlakte van de vergroting van de verhoging niet meer bedraagt dan 1 m2, met dien verstande dat:

  • a. de oppervlakte van de vergroting ten behoeve van een liftkoker maximaal 4 m2 bedraagt.
12.3.7 Beoordelingsregels bijenstallen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels in die zin dat wordt gebouwd ten behoeve van bijenstallen.

12.3.8 Beoordelingsregels ontsluitingswegen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de functieregels ten behoeve van de aanleg van ontsluitingswegen van percelen, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. de natuurlijke en landschappelijke waarden;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de woonsituatie; en
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Artikel 13 Overige regels

13.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

13.2 Verwijzing adressen

De adressen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, betreffen de adressen zoals deze op de verbeelding zijn terug te vinden op het moment van vaststelling van het plan. Deze zijn niet leesbaar op ruimtelijke plannen.

13.3 Aanvullende werking welstandscriteria

De ter plaatse en in de regels geboden ruimte ten aanzien van de situering, de maatvoering en de vormgeving van bouwwerken kan nader worden ingevuld door de welstandscriteria, zoals opgenomen in de gemeentelijke "Welstandsnota 2015" of diens rechtsopvolger.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkintreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.