direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stoerwoud, Doesburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de zuidrand van de wijk Beinum in Doesburg wordt een nieuw woningbouwplan ontwikkeld. Op de gronden gelegen tussen De Strijp, Breedestraat en de provinciale weg N338 worden maximaal 85 woningen gebouwd. Het nieuwbouwplan heeft de naam 'Stoerwoud' gekregen.

Om dit te kunnen realiseren moet het omgevingsplan (voorheen: het bestemmingsplan) van de gemeente Doesburg worden gewijzigd. Onderhavige motivering bevat een beschrijving van het plan, wordt de wenselijkheid ervan gemotiveerd en onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied betreft de gronden gelegen tussen De Strijp, Breedestraat en de provinciale weg N338 aan de zuidkant van de wijk Beinum. De volgende afbeelding geeft de ligging van het plangebied in de omgeving weer. Daarna volgt een luchtfoto van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0001.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0002.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: pdok.nl)

Het ontwikkelgebied is circa 3 ha groot en omvat de kadastrale percelen DBG-02-E-3314, 1663 en 1661. In voorliggend plan is ook een deel van het kadastrale perceel 3295 meegenomen om de ontsluiting van de nieuwe woonbuurt en de aanleg van een geluidwal/-scherm mogelijk te maken. Voorts is een strook langs de Breedestraat en langs de provinciale weg opgenomen. Deze gronden hadden een agrarische bestemming en worden met dit plan van een passende functie te voorzien.

1.3 Het tijdelijke omgevingsplan

De gemeente Doesburg beschikt nog niet over een omgevingsplan dat is opgesteld op grond van de Omgevingswet. Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Beinum 2012", dat op 26 juni 2013 door de raad is vastgesteld. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Agrarisch'.

De volgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan. Het plangebied is rood omlijnd. Aan weerszijden van het plangebied liggen woningen op een grote kavel. Aan de zuidkant van het plangebied staat een transformatorstation van Liander.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0003.png"

Uitsnede uit het bestemmingsplan 'Beinum 2012'

Daarnaast gelden ook het 'Parapluplan parkeren' (vastgesteld op 28 juni 2018) en het bestemmingsplan 'Archeologie Doesburg 2009' (vastgesteld op 28 januari 2010). Het gehele plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', het noordelijk en oostelijke deel van het plangebied heeft bovendien de gebiedsaanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologische verwachtingswaarde hoog' en deels 'archeologisch verwachtingswaarde middelhoog'.

Het Parapluplan parkeren regelt dat bij nieuwe ontwikkelingen op eigen terrein voldaan moet worden aan het aantal benodigde parkeerplaatsen.

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het plan is om nieuwe woningen te ontwikkelen op gronden die nu nog een agrarische bestemming hebben. Om dit mogelijk te maken moeten de regels voor gebruik en bouwen worden herzien.

1.4 Leeswijzer

Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de motivering is het volgende opgenomen:

  • een beschrijving van de huidige situatie en van het voorgenomen plan (hoofdstuk 2);
  • een samenvatting van het relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente en hoe het initiatief past binnen deze beleidskaders (hoofdstuk 3);
  • in hoofdstuk 4 wordt het plan inhoudelijk getoetst op de milieu- en omgevingsaspecten die relevant zijn voor een veilige en gezonder leefomgeving, een goede omgevingskwaliteit;
  • in hoofdstuk 5 wordt de conclusie getrokken ten aanzien van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
  • een toelichting op de juridische opzet van het plan staat in hoofdstuk 6.

Alléén relevante onderwerpen

Deze motivering gaat in lijn met de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet, paragraaf 2.2 en 4.16.4, in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het project, het effect van het project op de omgeving. Onderwerpen die niet relevant zijn worden dientengevolge niet behandeld. Deze zijn daarmee niet vergeten noch onbelangrijk, maar slechts niet relevant voor het besluit.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied ligt in Beinum-west, de jongste en recent voltooide uitbreidingswijk van Doesburg. Het betreft een nog onbebouwd gebied, gelegen tussen de bestaande woonwijk en de provinciale weg N338.

De woningen aan de noordzijde van De Strijp betreft de laatste invulling van Beinum. Deze woningen zijn gebouwd tussen 2019 en 2023. Het betreft vrijstaande woningen.

Aan de oostkant van het plangebied ligt een bestaande woning aan de Breedestraat 132. De Breedestraat is een belangrijke ontsluitingsweg van Beinum. Aan de zuidwestkant van het plangebied ligt ook kavel met twee woningen (Parallelweg 4-6). Deze liggen wat afgekeerd van het gebied en worden vanaf de zuidkant ontsloten via de N338 en de Parallelweg.

Onderstaande foto's geven een beeld van het plangebied en omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0004.png"

Aan de zuidkant van het gebied staat een transformatorhuisje van Liander. Vanaf daar loopt er een elektriciteitskabel in noordelijke richting naar de Breedestraat.

2.2 Toekomstige situatie

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3 ha. Hier worden maximaal 85 woningen gerealiseerd, waarbij wordt ingezet op een groen en sociaal woonmilieu. Het plan gaat uit van een aantal collectief opgezette woonhoven die landschappelijk en klimaatadaptief worden ingericht. De verkeersontsluiting loopt als een lus door het gebied heen. In deze paragraaf wordt een beschrijving op hoofdlijnen gegeven van het stedenbouwkundige plan. Een uitgebreide beschrijving is opgenomen in bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0005.png"

Stedenbouwkundige opzet van Stoerwoud (ontwerp: LAP Landscape & Urban Design)

Stedenbouwkundige opzet

Het wonen wordt ingericht rondom drie collectieve hoven. De hoven worden ingebed in bosachtige beplanting en onderling verbonden door een autovrije paden. Langs het pad liggen speelvoorzieningen en ontmoetingsplekken. De ruime hoeveelheid groen maakt het mogelijk om de hoven klimaatadaptief en natuurinclusief in te richten, met nadruk op biodiversiteit, infiltratie van hemelwater en schaduwvoorziening.

De entrees van de woningen zijn gericht naar de hof, terwijl de private buitenruimte aan de tegenovergestelde zijde ligt. Bij de entree is ruimte voor een zitje en een veranda in de vorm van een pergola. Bijgebouwen worden gerealiseerd aan de andere zijde of naast de woningen en zijn onderdeel van het architectonische concept.

De woningen aan de oostkant van het plangebied markeren de entree van het gebied vanaf de Breedestraat. Aan de westzijde krijgt de verkaveling een andere, meer individuele structuur met een aantal vrijstaande en geschakelde woningen.

Buurtschuur

Op een plek in het plan, aan de kant van De Strijp, is een speciale ontmoetingsplek voorzien in de vorm van een buurtschuur. Deze plek kan fungeren als ontmoetingsplek waar bewoners uit verschillende buurten samenkomen.

Verkeer en parkeren

De entree van het plangebied ligt aan de Breedestraat. Vanaf hier wordt het gebied via een lus ontsloten voor het autoverkeer. Langs de ontsluitingsweg worden de parkeerplaatsen aangelegd, in combinatie met bomen. De hoven blijven zo autovrij. Tussen de hoven door lopen twee routes voor langzaam verkeer en ook gebruikt kunnen worden door nood- en hulpdiensten. Het merendeel van de parkeerplaatsen bevindt zich aan de zuidkant van het plan, waardoor het hart van het project autovrij blijft.

Tussen de hoven door zijn er wel mogelijkheden om te wandelen en fietsen. Voor het langzaam verkeer komen er twee directe ontsluitingen op De Strijp. Te voet kan men dwars door het hele gebied heen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0006.png"

Logistiek en bereikbaarheid

Groenstructuur

Het groenplan van Stoerwoud bestaat een meerdere samenhangende onderdelen: de groene geluidswal, de bomenkrans rondom het plan, de woonhoven, het landschap tussen de hoven, en de overgangen naar De Strijp en de Breedestraat. De geluidswal is essentieel om een goed woon- en leefklimaat te realiseren en de geluidsoverlast van de provinciale weg N338 te beperken. In het stedenbouwkundig plan in bijlage 1 staat de voorgenomen inrichting van de groene gebieden beschreven. De groenstructuur is van belang voor de landschappelijke inpassing en heeft een ecologische en sociale meerwaarde.

Privacy omliggende woningen

Het plan is zo opgezet dat de nieuwe woningen in Stoerwoud en bestaande omliggende woningen van elkaar worden gescheiden door een groene zone. Naast de landschappelijke aankleding zorgt deze buffer ook voor privacy voor de bewoners. Aan de westkant grenst het plangebied direct aan het perceel van de woningen Parallelweg 4-6. Hier zal in overleg met de bewoners een erfafscheiding worden gerealiseerd.

Klimaatadaptatie: water & droogteplan

De groene inrichting van het gebied is ook van belang om de gevolgen van klimaatverandering te kunnen dragen. Het plan draagt bij aan:

  • het tegengaan van hittestress;
  • het bufferen en infiltreren van regenwater;
  • het versterken van het lokale ecosysteem.

Groene en blauwe structuren zorgen voor een aangenaam microklimaat. Wadi’s hebben meerdere functies: ze bevorderen de infiltratie van regenwater, beperken uitdroging van de bodem en verhogen het verblijfsklimaat in warme periodes. Grote, schaduwrijke bomen dragen bij aan verkoeling; circa 30% van het plangebied wordt voorzien van natuurlijke schaduw door boomaanplant.

Watermanagementplan

Het project werkt met een watertrap-principe, waarbij hemelwater zoveel mogelijk binnen het plangebied wordt opgevangen:

  • Buffers op eigen perceel vangen kleine buien op.
  • Overflow naar de wadi's van het woonhof bij zwaardere buien.
  • Bij extreme neerslag wordt water afgevoerd naar het collectieve hemelwaterriool, dat zelf ook een buffercapaciteit kent.
  • Pas in uitzonderlijke gevallen wordt water geloosd op het gemeentelijke rioleringsnetwerk.
  • Voor extra bescherming wordt het vloerpeil van woningen klimaatadaptief verhoogd met circa 10 cm, waarmee droge voeten bij extreme neerslag worden gegarandeerd.

Woningbouwprogramma

De te bouwen woningen worden gerealiseerd in verschillende prijsklassen. De verdeling is 20% sociaal, 40% in de categorie goedkoop en middenduur en 40% duur.

Bebouwingstypologie

De woningen variëren in bouwhoogte en kapvorm. De woningen worden gerealiseerd in 1 of 2 bouwlagen met kap. Een deel van de woningen wordt uitgevoerd in 2 bouwlagen met een plat dak. Om de kleinschaligheid binnen de woonhoven te waarborgen bestaat elk woonblok uit maximaal 4 geschakelde woningen.

Bijlage 2 bevat het omgevingskwaliteitsplan. Deze uitgangspunten gelden als beeldkwaliteitskader bij de verdere uitwerking in bouwplannen.

Geluidwering

Om het wegverkeersgeluid van de N388 te verminderen wordt aan de zuidkant van het plangebied een geluidwerende voorziening gerealiseerd. De geluidswal zal bestaan uit een grondlichaam met daarop een geluidabsorberend scherm. De wal wordt daar waar er ruimte voor is voorzien van beplanting.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl geeft regels voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (Ladder voor duurzame verstedelijking). Dit artikel bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het nationale beleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 3.3 waarin de behoefte aan woningen onderbouwd wordt.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving.

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze wordt regelmatig op onderdelen geactualiseerd (laatste versie 24-09-2025). De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Voor onderhavig plan zijn de volgende onderwerpen uit de Omgevingsvisie relevant:

Wonen

De Omgevingsverordening Gelderland geeft in artikel 5.62 t/m 5.64 regels met het oog op een evenwichtige en toekomstbestendige woningvoorraad. Per regio maken Gedeputeerde Staten samen met gemeentebesturen afspraken over onder meer het aantal te realiseren woningen, het aandeel betaalbare woningen en het toewerken naar voldoende plancapaciteit. Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonafspraken. Voor de onderbouwing van de woningbouwbehoefte en de afstemming met de regio wordt verwezen naar paragraaf 4.12 en Bijlage 9.

Landschap

Het plangebied ligt binnen de gebiedsaanwijzing 'Gelderse streek Liemers'. Artikel 5.40 van de Omgevingsverordening bevat een instructieregel dat bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. Het accent ligt daarbij op het buitengebied. Voor voorliggend plan is dit minder relevant, omdat het hier gaat om een uitbreiding van de kern. Het plangebied ligt ingeklemd tussen de bestaande woonwijk en de N338 en heeft door deze geïsoleerde ligging weinig relatie met het omliggende landschap.

Klimaatadaptatie

De provinciale omgevingsverordening bevat de instructieregel klimaatadaptie (artikel 5.85). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.11 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Voorliggend plan betreft de ontwikkeling van een woningbouwplan aan de zuidrand van de wijk Doesburg-Beinum. Het plan is regionaal afgestemd. De omgevingsvisie of -verordening stellen verder geen specifieke eisen aan de locatie.

De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Doesburg 2030

De ruimtelijke hoofdstructuren binnen de gemeente Doesburg zijn reeds uitgekristalliseerd. Hierin zullen tot 2030 geen grote wijzigingen plaatsvinden. Binnen de hoofdstructuur liggen echter nog diverse mogelijkheden en opgaven voor verbetering en verduurzaming. Kern van de structuurvisie is dan ook het verbeteren en verduurzamen van locaties in en om de stad Doesburg rond de thema's wonen, werken, voorzieningen en recreëren. De structuurvisie richt zich voornamelijk op een tiental specifieke locaties, waarvoor specifieke doelen zijn benoemd. De structuurvisie is vastgesteld in 2016. De locatie Stoerwoud was destijds nog niet in beeld als mogelijke uitbreidingslocatie.

3.3.2 Toekomstvisie Doesburg 2040

In 2021 heeft de gemeenteraad de Toekomstvisie Doesburg 2040 vastgesteld. In de Toekomstvisie worden hoofdkeuzes voor de ontwikkeling van Doesburg gemaakt die vragen om een verdere uitwerking. Onderdeel van de Toekomstvisie is 'Balans in wonen (voor elke leeftijd) en ondernemen'. Voor woningbouw zijn de volgende specifieke aandachtspunten opgenomen:

  • De leefruimte van de gemeente zo inrichten dat die recht doet aan waar we sterk in zijn en een basis vormt voor plezierig wonen, werken en ontspannen.
  • Meer mensen met geld aan trekken, meer jonge gezinnen en meer starters om meer balans te brengen in wie er per wijk wonen.
  • Voorkomen dat bepaalde groepen wegtrekken omdat er te weinig huur- en koophuizen zijn voor mensen die net te veel verdienen voor een huurhuis van de woningcorporatie. Zorgen dat ze kunnen doorgroeien naar een goed huis.
  • Met de doelen hierboven ook doorstroom helpen, zodat ook nieuwe bewoners hier een plek vinden en startende gezinnen naar gezinswoningen kunnen waar nu senioren wonen.
  • Variatie in soorten huizen, in balans met de variatie van inwoners (leeftijd, beroep en zo) en de wensen van de inwoners (kleinere woonruimte en toegankelijke wooneenheden)
  • In een gecombineerd plan brengen we deze twee situaties - wonen en beperkte ruimte - samen. Daarbij zien we vooral kansen in slimmer en ander gebruik van bestaande ruimte (inbreiding, herontwikkeling, herbestemming) dan in uitbreiden van nieuwe gebieden
3.3.3 Woonzorgwelzijnsvisie Doesburg 2024-2028

De gemeenteraad van Doesburg heeft in zijn vergadering van 4 juli 2024 de Woonzorgwelzijnsvisie Doesburg 2024-2028 vastgesteld. Deze is in belangrijke mate gebaseerd op het woningbehoefteonderzoek 2022-2040. De Woonzorgwelzijnsvisie is afgestemd met de regio.

De bevolking van Doesburg vergrijst en ontgroent sterker dan het landelijk gemiddelde. De verwachting is dat in de periode tot 2040 het aantal 75-plussers in de gemeente verdubbelt. De bevolking in Doesburg is in de afgelopen jaren gekrompen, gemiddeld met 95 personen per jaar. Het aantal huishoudens nam wel toe, met gemiddeld +15 per jaar. Dit is het gevolg van vergrijzing en huishoudensverdunning. Een relatief groot deel van de woningvoorraad (39%) bestaat in Doesburg uit sociale huurwoningen. Dit aandeel ligt hoger dan in andere gemeenten in de Liemers.

In de Woonzorgwelzijnsvisie zijn de prioriteiten van het lokale woonbeleid voor de komende jaren vastgelegd, inclusief wat er nodig is op het gebied van zorg en welzijn. De hoofdthema's zijn:

  • Beschikbaarheid en betaalbaarheid: de gemeente blijft zich inspannen voor voldoende betaalbare huisvesting voor jongeren en ouderen en voor aandachtsgroepen.
  • Beter in balans: de gemeente Doesburg heeft een grote sociale huursector, daarom wil de gemeente meer woningen toevoegen in de (middel)dure koop- en huursector. Nieuwbouw en herstructurering wordt aangegrepen op meer kwaliteit in de woonomgeving te realiseren.
  • Omzien naar elkaar: door de vergrijzing neemt het aantal ouderen toe. De gemeente spant zich om het aanbod wonen met (intensieve) zorg uit te breiden.
  • Duurzaamheid, circulariteit en klimaatadaptatie zijn uitgangspunt bij alle bouwprojecten. Rondom (vervangende) nieuwbouw wordt zoveel mogelijk groen aangelegd en de opvangcapaciteit voor regenwater wordt vergroot met het oog op klimaatverandering.

Op 20 februari 2025 is de woonzorgwelzijnsvisie aangevuld met een bijlage waarin mogelijke bouwlocaties zijn benoemd. In dit overzicht is ook Beinum-Zuid opgenomen als potentiële bouwlocatie.

3.3.4 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Doesburg 2017

De Nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Doesburg vormt de basis voor het kwaliteitsbeeld van de gemeente voor de publieke ruimte. Binnen deze Nota wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende deelgebieden in de kern. Het plangebied valt in het deelgebied "Beinum".

Beinum is gegroeid is fasen en groeit nog steeds door. De verschillende fasen zijn als buurten goed te herkennen, doordat ze elk een specifieke stedenbouwkundige opzet en architectuurbeeld bezitten. De groen- en waterstructuur in samenhang met het padennetwerk en de oude erven en linten vormt de verborgen kwaliteit van Beinum.

Elke buurt in Beinum heeft een eigen karakter. Binnen een buurt kan de samenhang in het beeld van de openbare ruimte, de architectuur en het kleurgebruik worden versterkt. In de beleving mag het verschil tussen de buurten groter worden. Bijzondere aandacht verdienen de randen van de buurten en de plekken waar je de buurt binnengaat.

3.3.5 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

In de regio en in de gemeente is er een duidelijke behoefte aan nieuwe woningen. De uitbreidingslocatie Stoerwoud is pas vrij recent in beeld gekomen. In de Structuurvisie Doesburg 2030 werd deze nog niet genoemd. De Woonzorgwelzijnsvisie is in februari 2025 aangevuld met een bijlage waarin mogelijke bouwlocaties zijn genoemd, waaronder ook Beinum-Zuid (Stoerwoud). Deze is als zodanig ook in de regionale Woondeal 2.1 verwerkt.

Vanuit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit geldt voor Beinum de algemene welstandscategorie. Deze is voor onderhavig plan uitgewerkt in een beeldkwaliteitsplan dat als bijlage 2 in dit plan is opgenomen.

Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkelingen past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. Het past echter niet binnen de geldende regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Verkeer en parkeren

Onderdeel van een zorgvuldige planvoorbereiding is het in beeld brengen van de effecten op de verkeersstructuur en het parkeren.

Verkeersstructuur

Het plangebied wordt vanaf de oostzijde ontsloten op de Breedestraat, één van de gebiedsontsluitingswegen van de wijk Beinum. Vanaf hier loopt er een lus voor het autoverkeer door het gebied heen. Het gemotoriseerd verkeer gaat om de hofjes met woningen heen, de hofjes zelf zijn daarmee autoluw. Langs de ontsluitingslus wordt ook het parkeren ingericht.

Het fietsverkeer kan ook gebruik maken van deze lus, maar voor fietsers zijn er ook twee noordzuid gerichte routes tussen de hofjes door en is er op twee plaatsen een directe aansluiting op De Strijp. De noord-zuidroutes kunnen in geval van calamiteiten ook worden gebruikt door de hulpdiensten. Dat geldt ook voor de meest westelijke aansluiting van de fietsroute op De Strijp.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0007.png"

Logistiek en bereikbaarheid

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0008.png"

Fietsstructuur

Verkeersgeneratie

Door bureau Goudappel is op basis van het woningbouwprogramma en kencijfers van het CROW een berekening gemaakt van de toekomstige verkeersgeneratie (zie bijlage 3). Daaruit komt een verkeersgeneratie van 601 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde dag, op een werkdag kunnen dat 668 mvt/etmaal zijn. Deze worden via de Breedestraat / Angerloseweg afgewikkeld. Dit zijn beide gebiedsontsluitingswegen van de wijk Beinum.

In de notitie in bijlage 3 is tevens onderzocht wat dit betekent voor de mate van doorstroming op de kruising met de Breedestraat, die een belangrijke ontsluitingsweg is van de wijk Beinum. Op basis van de cijfers wordt geconcludeerd dat er sprake is van een goede doorstroming, ook op de drukste momenten van de dag in het ochtend- en avondspitsuur.

Parkeren

Het aantal benodigde parkeerplaatsen is berekend op basis van de Nota Parkeernomen 2025 van de gemeente Doesburg. Onderstaande tabel laat deze berekening zien.

Programma   aantal   parkeernorm   parkeerplaatsen  
koop, vrijstaand
koop, twee-onder-een-kap
koop, tussen/hoekwoning
huur, sociale huur  
3
4
60
18  
2,1
2,0
1,9
1,3  
6,3
8,0
114
23,4  
Totaal   85     152  

Onderstaande tekening laat zien waar de parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Het parkeren wordt ingericht aan de buitenrand van het plan langs de ontsluitingslus. Het zwaartepunt ligt aan de zuidrand van het plangebied (113 pp). Langs de noordelijke rand worden 35 parkeerplaatsen aangelegd. De vrijstaande en 2-onder-1-kapwoningen aan de westzijde van het plangebied hebben een dubbele oprit met 2 parkeerplaatsen. Volgens de rekenwijze in de Nota Parkeernormen 2025 van de gemeente Doesburg tellen deze voor 1,7 mee, omdat in de praktijk blijkt dat men deze niet altijd als zodanig gebruikt. Het aantal parkeerplaatsen dat meetelt in de berekening bedraagt hier derhalve niet het theoretische aantal van 14 pp (zoals op de tekening staat), maar 11. De inrichtingstekening laat zien dat er met (113 + 35 + 11=) 159 pp voldoende ruimte is in het plangebied om aan de parkeernorm te voldoen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0009.png"

Parkeren Stoerwoud

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in het aspect verkeer en parkeren om dit mee te wegen in hoofdstuk 5.

4.2 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

In 2024 is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Aanleiding was de transactie van de gronden.

Uit het historisch onderzoek blijkt dat de locatie altijd in agrarisch gebruik is geweest, met de uitzondering dat op de locatie drie voormalige, onverharde wegen hebben gelopen. Er zijn ter plaatse van deze voormalige wegen boringen geplaatst om te onderzoeken of er restanten van de voormalige wegen aanwezig zijn. Er is geen bodemvreemde bijmenging aangetroffen, ook niet ter plaatse van de voormalige wegen. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat zowel bij de boven- als ondergrond geen interventiewaarden overschreden. Ook in het grondwater worden geen interventiewaarden overschreden. Geconcludeerd wordt dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.

In 2025 is een second opinion en actualiserend vooronderzoek gedaan vanwege de geplande woningbouw op de locatie. Uit dit onderzoek is geen informatie naar voren gekomen die kan duiden op extra (nog niet onderzochte) potentiële bronnen van bodemverontreiniging. Ook is er geen informatie die kan duiden dat de bodemkwaliteit sinds het in juli 2024 uitgevoerde bodemonderzoek negatief is beïnvloed. De conclusie uit het rapport van het eerder uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt onderschreven. Het terrein is geschikt voor de voorgenomen woningbouw.

Het rapportage van het bodemonderzoek en het actualiserend vooronderzoek zijn opgenomen in bijlage 4.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in het aspect bodem om dit mee te wegen in hoofdstuk 5.

4.3 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidaandachtsgebied. De omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeersdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Gemeentelijk geluidbeleid

De hoofdlijnen van het gemeentelijk geluidbeleid zijn vastgelegd in de Nota Geluidsbeleid Gemeente Doesburg. De belangrijkste doelstelling van het geluidbeleid is het realiseren van een passende geluidkwaliteit per gebied. Voor verschillende typen gebieden zijn ambities vastgesteld en is aangegeven to welke bovengrens bij uitzondering daarvan mag worden afgeweken. Op de kaarten bij het geluidbeleid is het plangebied aangegeven als toekomstig woongebied.

Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn enkele figuren met geluidsklassen uit het geluidsbeleid en bijbehorende nota's aangepast. De wijzigingen zijn verwerkt in een addendum: aanpassing Geluidsbeleid Omgevingswet.

Planspecifiek

Voorliggend plan maakt nieuwe geluidgevoelige bebouwing mogelijk. Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de provinciale weg N338. Daarnaast zijn er lokale wegen die van invloed zijn op het geluid. Het akoestisch rapport is opgenomen in bijlage 5. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen:

  • Het geluid van de lokale (gemeente)wegen is niet relevant voor het plan.
  • Het geluid van de provinciale weg N338 aan de zuidkant van het plangebied is wel relevant. Zonder maatregelen kan niet overal aan het gemeentelijke geluidbeleid worden voldaan. Deze geeft voor een rustig woongebied een ambitiewaarde van 50 dB en een bovengrens van 60 dB;
  • Er is een derhalve een geluidwerende voorziening nodig langs de N338. Deze wordt gerealiseerd in de vorm van een wal met daarboven een scherm met een totale hoogte van minimaal 4 meter t.o.v. maaiveld.
  • Hiermee wordt voldaan aan de bovengrens voor een woongebied. Tevens wordt dan voldaan aan het geluidbeleid.
  • Er wordt voldaan aan het criterium dat geluid bij de buitenruimtes/balkons moet voldoen aan de ambitiewaarde.
  • Bij enkele woningen is het geluid op de tweede en/of derde bouwlaag hoger dan de standaardwaarde van 50 dB. Dit leidt tot extra criteria voor wat betreft de woningindeling. Randvoorwaarde is dat bij appartementen minimaal 1 verblijfsruimte is gelegen aan de luwe zijde en bij woningen minimaal 3 verblijfsruimten. Daaraan kan worden voldaan.
  • Als gevolg van extra verkeersbewegingen is geen significante toename van geluid te verwachten.
  • Reflecties als gevolg van het bouwplan en het realiseren van een wal met geluidsscherm zijn eveneens niet significant.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. De gemeente Doesburg ligt niet in een aandachtsgebied.

Gezondheid

In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Eén van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Ook de luchtkwaliteit heeft effect op de gezondheid. Vanuit gezondheid wordt daarom ook gekeken naar afstanden tot (agrarische) bedrijvigheid en het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Op agrarische percelen kan gebruik worden gemaakt van bestrijdingsmiddelen. Op basis van jurisprudentie is 50 meter een voldoende grote afstand voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In sommige gevallen kan gemotiveerd worden afgeweken van deze afstand. Daarbij moet ook worden gemotiveerd dat de eigenaar van het agrarisch perceel niet wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering.

In de GGD-richtlijn veehouderij en gezondheid (2020) wordt geadviseerd om bij onderstaande situaties te beoordelen wat de gezondheidsrisico's zijn:

  • 1. Uitbreiding of nieuwvestiging van een veehouderij binnen 250 meter van een gevoelige bestemming, of een nieuwe gevoelige bestemming binnen 250 meter van een veehouderij.
  • 2. Uitbreiding of nieuwvestiging van een geitenhouderij binnen 2 kilometer van een gevoelige bestemming, of een nieuwe gevoelige bestemming binnen 2 kilometer van een geitenhouderij.
  • 3. De opvang van gevoelige groepen binnen 250 meter van een veehouderij, of binnen 2 kilometer van een geitenhouderij.
  • 4. Een nieuwe gevoelige bestemming met meer dan vijftien veehouderijbedrijven binnen een straal van 1 kilometer.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Met het oog op een goed woon- en leefklimaat is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de gegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (cimlk.nl). Hierbij worden de concentraties ter plaatse getoetst aan de grenswaarden. Langs de N338 ten zuiden van het plangebied zijn meerdere rekenpunten aanwezig. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0010.png"


 

 
Berekende totale concentratie jaargemiddelde 2023(µg/m3)  

rekenpunt  

coördinaten  
NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
1   51468751_15568019   11,36   14,53   8,09  
2   51468751_15568021   11,35   14,52   8,09  
3   51468751_15568023   11,31   14,52   8,09  
4   51468751_15568025   11,30   14,52   8,09  
5   51468751_15568027   11,16   14,51   8,08  
6   51468751_15568029   11,00   14,49   8,08  
Resultaatverplichting concentratie (µg/m3) kalenderjaargemiddelde   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

Uit de tabel blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Met behulp van de rekentool kan worden berekend of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In de berekening is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 601 motorvoertuigbewegingen voor een werkdag (bron: Verkeerskundige analyse door Goudappel, bijlage 3).

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0011.png"

Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

De woningen worden niet gebouwd binnen 50 meter van een agrarisch perceel waar bestrijdingsmiddelen gebruikt kunnen worden en binnen een afstand van een kilometer zijn niet meer dan 15 veehouderijen aanwezig. De locatie ligt op minder dan 250 meter van een veehouderij, de verdere beoordeling hiervan is opgenomen in de geurparagraaf (paragraaf 4.5).

De locatie ligt op ruim 1.200 meter van een geitenhouderij. De landelijke gezondheidsraad heeft recent de opdracht gekregen om eindelijk meer duidelijkheid te geven over de (on)mogelijkheden in de omgeving van geitenhouderijen. In deel I van het advies is de beschikbare wetenschappelijke informatie verzameld, deel II is nog niet uitgebracht en zal nader ingaan op de gezondheidseffecten.

Uit deel I volgt wel dat er geen wetenschappelijke informatie is specifiek over het gebied 1 tot 2 kilometer, het meeste gaat over de zone binnen 500 meter en binnen 1 kilometer. Reden waarom toch vaak ook 1 tot 2 km wordt genoemd is dat er een onderzoek is uitgevoerd waarin is gekeken naar effecten binnen 2 kilometer. Het onderzoek heeft daarbij geen onderscheid gemaakt binnen de 2 kilometerzone (dus in de zone zitten effecten van alle afstanden, ook die binnen 500 meter). Uit andere onderzoeken volgt geen informatie die op voorhand duidelijk maakt dat er buiten de kilometer waarneembare effecten zijn. Op basis van de huidige kennis is daarom aannemelijk dat er geen onevenredige effecten op meer dan 1.200 meter afstand zijn.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

4.5 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Planspecifiek

Met voorliggend plan worden woningen - en daarmee nieuwe geurgevoelige objecten - gerealiseerd. Dit wordt onderdeel van de bebouwde kom van Doesburg. Ten zuiden van de N338 ligt het agrarische perceel Het Klooster 1 te Angerlo (gemeente Zevenaar). Op het perceel staat de bedrijfsbebouwing van een voormalige veehouderij. Er worden echter geen dieren meer gehouden op de locatie, de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn al geruime tijd gestaakt en er zijn geen concrete plannen om in de toekomst opnieuw een veehouderij te vestigen. Er is derhalve op dit moment geen sprake van geuroverlast.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0012.png"

Afstand tussen emissiepunt dierenverblijf en woningen in Stoerwoud

Wel is het zo dat het perceel Het Klooster 1 nog een agrarische bestemming heeft. Op grond van deze bestemming mag een grondgebonden agrarisch bedrijf worden uitgeoefend binnen het bouwvlak. De nieuwe woningen in het plangebied komen op kortere afstand van het bedrijf te liggen en kunnen daarmee een belemmering vormen om het perceel opnieuw in gebruik te nemen als veehouderij.

In algemene zin bestaat de bevoegdheid om het omgevingsplan zodanig te wijzigen dat de gebruiksmogelijkheden van een perceel worden beperkt ten opzichte van het voorgaande plan. Daarvoor moeten wel alle betrokken belangen worden afgewogen, waaronder het belang van een grondeigenaar om de bestaande planologische mogelijkheden te blijven benutten. Daarom moet worden gemotiveerd dat in redelijkheid een groter gewicht wordt toegekend aan het belang van woningbouw dan aan het belang van de eigenaar van het agrarische perceel bij het behoud van de volledige gebruiksmogelijkheden die thans worden geboden in het geldende bestemmingsplan. Hierbij wordt het volgende overwogen:

  • Er wordt momenteel – en in ieder geval al ruim tien jaar – geen veehouderij op het agrarische perceel geëxploiteerd.
  • Er is ook geen sprake van concrete plannen om dat gebruik in de nabije toekomst te starten.
  • Zouden dergelijke plannen al bestaan, dan is het zeer de vraag of daar vanwege de stikstofproblematiek ook uitvoering aan kan worden gegeven. Van een werkelijke beperking van de bedrijfsvoering is dus geen sprake.
  • In de huidige planologische situatie ligt ten westen van het agrarische perceel reeds een woning (Het Klooster 6 te Angerlo) op kortere afstand. De afstand tussen het meest dichtbij gelegen dierenverblijf en de gevel van de bestaande woning aan Het Klooster 6 bedraagt circa 35 meter. De gebruiksmogelijkheden van het agrarische perceel worden dus in de bestaande situatie reeds beperkt door omliggende woningen.
  • Ook met de woningbouw staat de geurregelgeving uit het omgevingsplan er niet aan in de weg dat de bestaande stallen weer in gebruik worden genomen voor een (niet intensief) veehouderijbedrijf met landbouwhuisdieren die een geuremissiefactor hebben, mits wordt voldaan aan de grenswaarden voor de geurbelasting uit art. 22.98 van het omgevingsplan. De minimumafstand uit art. 22.103 van het omgevingsplan van 50 meter tussen het dichtstbijzijnde dierenverblijf en de dichtstbijzijnde gevel van de woningen in het plan Stoerwoud wordt ruimschoots aangehouden (zie bovenstaande afbeelding, de afstand tussen (het emissiepunt van) het dierenverblijf en de dichtstbij gelegen woningen bedraagt ca. 85 meter). Ook het houden van dieren zonder geuremissiefactor blijft mogelijk. Daarvoor zou zo nodig met een maatwerkvoorschrift een kortere afstand kunnen worden toegestaan dan de minimumafstanden die zijn worden voorgeschreven in art. 22.101 van het omgevingsplan. Dat geldt ook voor de in art. 22.114 lid 3 van het omgevingsplan voorgeschreven afstand van 100 meter vanaf de mestopslag tot de beoogde woningen. De afstand van de (voormalige) mestopslag tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt circa 95 meter. Het maatwerkvoorschrift kan worden vastgesteld zodra een nieuw bedrijf zich vestigt in de bestaande stallen.

Rioolgemaal

Het bestaande rioolgemaal aan de Breedestraat zal worden verplaatst naar een locatie aan de oostzijde van de hoofdontsluiting van Stoerwoud. Voor dit rioolgemaal geldt een richtafstand van 30 meter vanwege geur. Dit aspect wordt behandeld in paragraaf 4.6 Activiteiten en milieuzonering.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in het aspect geur om dit mee te wegen in hoofdstuk 5.

4.6 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

Het plan Stoerwoud wordt gerealiseerd grenzend aan de woonwijk Beinum. In de directe omgeving zijn geen andere functies dan woningen aanwezig. Ten zuiden van de provinciale weg N338 liggen wel enkele bedrijven, zoals is te zien op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0013.png"

In de tabel zijn de omliggende milieubelastende bedrijven en de bijbehorende richtafstanden weergegeven. Uit de tabel blijkt dat alle functies in de omgeving zich op voldoende afstand bevinden tot het plangebied en dat er aan de richtafstanden wordt voldaan.

Adres   Type bedrijf   Grootste richtafstand   Feitelijke afstand tot plangebied  
Het Klooster 16   Bouwbedrijf <1000m²   30 m   250 m  
Het Klooster 8   Smederij   50 m   130 m  
Het Klooster 1   Agrarisch bedrijf   30 m*   40 m  

*dit betreft de richtafstand vanwege geluid. Het aspect geur is behandeld in paragraaf 4.5.

Gemaal waterschap

Het perceel ten oosten van het plangebied is de beoogde locatie waar het waterschap Rijn en IJssel een nieuw rioolgemaal wil realiseren. Dit gemaal is nodig om de wijk Beinum toekomstbestendig en goed voorbereid te maken op veranderende klimaatomstandigheden. Volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten geldt voor een rioolgemaal een richtafstand van 30 meter vanwege geur en 10 meter vanwege geluid. Daarbij wordt in principe gemeten vanaf de grens van het functievlak.

Op onderstaande afbeelding is de beoogde toekomstige situatie in beeld gebracht. De getallen geven de afstanden weer, hieruit blijkt dat de afstand tussen de grens van het functievlak voor het rioolgemaal en de dichtstbijzijnde woning minder is dan 30 meter, namelijk ca. 24 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0014.png"

Afstanden tussen beoogd functievlak van het nieuwe rioolgemaal tot aan de nieuwe woningen

De voorzieningen van het rioolgemaal zelf zijn voorzien aan de oostkant van het terrein (lichte vlakjes op de tekening). Uit de tekening valt af te leiden dat de afstand van deze voorzieningen tot aan de woningen meer dan 30 meter bedraagt. Het overige deel van het vlak omvat verhard terrein. De activiteit die hier plaatsvindt is dat er twee maal per jaar een vrachtwagen komt om slib dat zich heeft opgehoopt in het gemaal te verzamelen en af te voeren (bron: informatie waterschap). Op deze momenten kan er mogelijk geurhinder voor de omgeving ontstaan. Gelet op het incidentele karakter hiervan kan echter gesteld worden dat deze situatie acceptabel is en dat dit de bouw en het gebruik van de woningen niet in de weg staat.

Spuitzonering

Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen agrarische gronden en woningen. Deze 50 meter is een indicatieve afstand waarvan kan worden afgeweken, mits goed gemotiveerd.

In voorliggend plan bedraagt de afstand tussen de nieuwe woningen en de agrarische gronden ten zuiden van het plangebied meer dan 50 meter. Ook wordt er in het tussengelegen gebied een geluidwal/-scherm aangelegd langs de provinciale weg. Ten aanzien van spuitzonering is er sprake van voldoende afstand voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De conclusie is dat er vanuit het aspect milieuzonering sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het plangebied. Met voorliggend plan worden geen bedrijven of functies belemmerd in hun bedrijfsvoering. Er is geen reden tot verder onderzoek. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0015.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Ten westen van Doesburg ligt de IJssel waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ten zuidoosten van Doesburg ligt een gasleiding. Op de risicokaart is te zien dat het plangebied zich niet in het de risicocontour of een aandachtsgebied bevindt. Een verdere verantwoording van het risico is niet nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

4.8 Waterhuishouding

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Beleid waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap Rijn en IJssel draagt zorg voor het water in en rond het plangebied van dit Omgevingsplan. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht. Dat geeft het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken.

De fysieke leefomgeving en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Daarnaast wordt onze leefomgeving en het waterbeheer sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben.

Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.

In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's:

  • Klimaatrobuust gebied: het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
  • Veilig gebied: het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar wordt ingespeeld op ontwikkelingen. Het waterschap voert het beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
  • Circulaire Economie en Energietransitie: het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.
  • Gezonde leefomgeving: het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het streven is dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven.

Vanuit de waterschapsverordening wordt de eis gehanteerd dat bij een toename van meer dan 500 m² aan verhard oppervlak er 80 mm geborgen moet worden binnen het plangebied. De toelaatbare afvoer vanaf verhard gebied naar oppervlaktewater is bij een maatgevende bui van T=100+10% 1,6 l/s/ha.

Planspecifiek

Huidige situatie

In de wijk Beinum zijn zeven vijvers aanwezig die onderling met elkaar in verbinding staan door middel van een watersysteem dat grotendeels ondergronds ligt (duikers). De vijvers wordt voornamelijk met regenwater gevoed. Het regenwater dat tijdens een bui op verharde oppervlaktes valt in de wijk, wordt via een gescheiden stelsel afgevoerd naar dit watersysteem. Vervolgens wordt het water in zuidoostelijke richting verder afgevoerd. In de jongste uitbreiding Beinum-West wordt het hemelwater op een oppervlakkiger manier geborgen in wadi's. In onderhavig plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

Onderstaande afbeelding laat een uitsnede zien van de legger van het waterschap Rijn en IJssel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0016.png"

Uitsnede legger Waterschap Rijn en IJssel

Nieuwe situatie

Vanuit de waterschapsverordening wordt de eis gehanteerd dat bij een toename van meer dan 500 m² aan verhard oppervlak er 80 mm geborgen moet worden binnen het plangebied. De toelaatbare afvoer vanaf verhard gebied naar oppervlaktewater is bij een maatgevende bui van T=100+10% 1,6 l/s/ha.

In de nieuwe situatie zal het hemelwater binnen het plangebied voor een deel worden opgevangen in wadi's en voor een deel in infiltratiekratten onder de grond. Berekend is wat de toename aan verhard oppervlak (bebouwing en overige verharding) is en hoeveel m3 water er geborgen moet worden. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding en worden daarom voor 50% in het verhard oppervlak meegeteld. De oppervlakte van tuinen wordt voor 70% meegeteld.

Type verharding   Oppervlakte (m2)   Percentage  
Bebouwing   7.610,7   100%  
Bestrating   6.456,7   100%  
Open verharding (parkeren)   989,3   50%  
Tuin   705,8   70%  
Totaal   15.762,5    

Berekening verhard oppervlak

De benodigde waterbergingsopgave bedraagt daarmee: 15.762,5 x 0,08 = 1.261 m3

Het hemelwater wordt binnen het plangebied op de volgende wijze opgevangen:

  • 1. Buffers op eigen perceel vangen kleine buien op.
  • 2. Overflow naar de wadi's van het woonhof bij zwaardere buien.
  • 3. Bij extreme neerslag wordt water afgevoerd naar het collectieve hemelwaterriool, dat zelf ook een buffercapaciteit kent.
  • 4. Pas in uitzonderlijke gevallen wordt water geloosd op het gemeentelijke rioleringsnetwerk.
  • 5. Voor extra bescherming wordt het vloerpeil van woningen klimaatadaptief verhoogd met circa 10 cm, waarmee droge voeten bij extreme neerslag worden gegarandeerd.

In de groene zone langs De Strijp en op het middenterrein van de woonhoven worden wadi's aangelegd, deels gecombineerd met infiltratiekratten. Ook onder de parkeervakken kan water worden geborgen. Daarnaast voorziet het plan aan de zuidkant van het plangebied in een cluster met infiltratriekratten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0017.png"

Ontwerp van het waterbergingssysteem (ontwerp: LAP Landscape & urban design)

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0018.png"

Het waterschap Rijn en IJssel is betrokken geweest bij de voorbereiding van het plan. Het realiseren van voldoende hemelwaterberging is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels (artikel 12.3). Bij verdere uitwerking van de plannen wordt in overleg met het waterschap een waterhuishoudkundig plan opgesteld.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

4.9 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd, met uitzondering van de toetsing van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten. Deze Quickscan Natuur is opgenomen in bijlage 6. De belangrijkste conclusies worden hieronder vermeld.

Soortenbescherming

Op basis van veldbezoek en bureaustudie is beoordeeld wat de potentie van de planlocatie en directe omgeving is voor beschermde soorten en welke effecten daarop te verwachten zijn als gevolg van de ruimtelijke ingrepen die worden gedaan met dit plan. Uit dit onderzoek komt daar voren dat het plangebied een functie zou kunnen hebben voor marterachtigen. Het plangebied heeft met huidige maïsveld, de verruigde omzoming en de omgeving voldoende schuil- en rustplekken met voldoende dekking die geschikt zijn als leefgebied voor marterachtigen. Alhoewel er in de directe omgeving van de planlocatie voldoende alternatief geschikt leefgebied aanwezig is, kan er niet met zekerheid uitgesloten worden dat de planlocatie enkel een functionele functie heeft en geen essentiële functie als leefgebied voor marterachtigen. Negatieve effecten op martersoorten kunnen niet met zekerheid worden uitgesloten.

Daarom wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden met aanvullend onderzoek vast te stellen of het terrein een relevante functie heeft voor marterachtigen. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan het bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen is hiertoe uitvoerbaar). Wegens het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zou kunnen worden.

Voor andere beschermde flora- en faunasoorten heef het plangebied geen essentiële betekenis. Wel dienen er enkele algemene en specifieke maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (zie daarvoor paragraaf 4.4 van bijlage 6).

Houtopstanden

Er zijn geen beschermde houtopstanden in het gebied aanwezig, er hoeven derhalve geen kapwerkzaamheden uitgevoerd te worden.

Gebiedsbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied 'Rijntakken' op een afstand van circa 690 meter van het plangebied. Het Natura 2000-gebied Veluwe ligt op ruim 4,7 km. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot het Natura 2000-gebied en haar instandhoudingsdoelstellingen per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan op grotere afstand een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Er is een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Uit de berekeningen blijkt dat de uitstoot van stikstof als gevolg van zowel de aanleg als het toekomstig gebruik niet zorgt voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op (bijna) overbelaste hexagonen van Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden zoals bedoeld in het Bal, Artikel 11.6, specifieke zorgplicht, onder 2). De natuurlijke kenmerken van het gebied worden niet aangetast. Aangezien significant negatieve effecten zijn uitgesloten, staat de Natura 2000-toets het vaststellen van het plan niet in de weg.

Het plangebied maakt geen deel uit van andere beschermde gebieden zoals het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone of andere gebieden die door regels in de Omgevingsverordening Gelderland worden beschermd.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

4.10 Archeologie en cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie is opgenomen op de 'Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Doesburg'. Dit is weer vertaald in het bestemmingsplan 'Archeologie Doesburg 2009' (en daarmee in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan).

Planspecifiek

Cultuurhistorie

Het plangebied betreft een agrarisch perceel, gelegen tussen de meest recente uitbreiding van de woonwijk Beinum en de provinciale weg N338. Het terrein heeft geen cultuurhistorische waarden. De bestaande erven aan de oost- en westzijde van het plangebied worden gerespecteerd. De erven liggen als het ware met hun rug naar het plangebied toe en worden door een groenzone afgeschermd van het nieuwbouwplan. Daarmee blijven zij als zelfstandige elementen herkenbaar.

Archeologie

In het bestemmingsplan 'Archeologie Doesburg 2009' heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en deels de gebiedsaanduiding 'specifieke vorm van waarde - archeologische verwachtingswaarde hoog' en 'specifieke vorm van waarde - archeologische verwachtingswaarde middelhoog'

Vanwege de hoge verwachtingswaarde is er geen verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd, maar wordt er direct onderzoek gedaan door middel van proefsleuven. Daarvoor is een Programma van Eisen opgesteld (zie bijlage 8). Het proefsleuvenonderzoek wordt naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 uitgevoerd.

Ter bescherming van de archeologische waarden blijft de regeling uit het bestemmingsplan 'Archeologie Doesburg 2009' vooralsnog van kracht (opgenomen in artikel 14).

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid is opgenomen in de volgende documenten:

  • Programma Conceptueel Circulair Bouwen 2023 – 2030: gericht op het verminderen van het gebruik van primaire materialen in de bouw en het stimuleren van conceptueel en industrieel bouwen.
  • Laadvisie: bepaalt de strategie van de gemeente Doesburg om tijdig een toegankelijke, betaalbare, betrouwbare en veilige laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen te realiseren. Dit in navolging van de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL).
  • Transitievisie Warmte: in deze visie is op hoofdlijnen inzichtelijk gemaakt hoe de overgang van het verwarmen met gas naar het verwarmen met duurzame warmte in Doesburg kan plaatsvinden. Per wijk is inzichtelijk gemaakt welke warmtebron of -bronnen aanwezig zijn en met welke techniek de woningen en overige gebouwen duurzaam verwarmd kunnen worden.

Planspecifiek

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Vervolgens is beschreven hoe in onderhavige ontwikkeling rekening wordt gehouden met duurzaamheid en klimaatverandering.

Wateroverlast

Hevige neerslag over een korte periode kan lokaal zorgen voor wateroverlast. Dit type wateroverlast komt het meest voor bij wolkbreuken in de zomer. Een groot deel van de Nederlandse straten en pleinen kunnen bij hevige buien onder water komen te staan. De meeste schade treedt op wanneer het water (over de stoepen) gebouwen instroomt.

In het stedenbouwkundig ontwerp voor Stoerwoud is rekening gehouden met voldoende waterberging voor een bui T=100+10%, conform de eisen van het waterschap (zie paragraaf 4.8). Er worden verspreid over het gebied wadi's en infiltratievoorzieningen aangelegd die bij hevige regenbuien het hemelwater kunnen opvangen en aan de zuidkant van het plangebied wordt een extra bergingsmogelijkheid aangelegd in de vorm van infiltratiekratten. Daarnaast wordt het plan gekenmerkt door veel groen, hier hoeft het hemelwater niet te worden afgevoerd, maar kan het direct de bodem inzijgen. Bij het bouwrijp maken van het gebied moet er rekening mee worden gehouden dat de woningen voldoende hoog liggen ten opzichte van omliggende wegen en groen om te voorkomen dat bij hevige buiten het water de woningen kan instromen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0019.png"

Stedenbouwkundig plan Stoerwoud

Hittestress

In het algemeen worden er als gevolg van klimaatverandering meer tropische dagen en langere hitte verwacht. De nieuwe woningen worden goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Het plan voorziet in de aanleg van veel groen, dit levert een belangrijke bijdrage aan het voorkomen van hittestress.

Droogte

In heel Nederland kan een hoger neerslagtekort worden verwacht. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie.


Overstroming

Het plangebied ligt op enige afstand tot de IJssel. Uit de kaartbeelden blijkt dat de overstromingskans klein is (kans van 1:300 tot 1:3000 per jaar). Het risico is daarmee gelijk aan dat in nagenoeg de gehele gemeente Doesburg.

Gemeentelijk duurzaamheidsbeleid

Voor de locatie is de voorkeurstechniek voor verwarming individuele oplossingen. Er zijn geen specifieke koppelkansen met andere ontwikkelingen. Het parkeren wordt ingericht aan de buitenrand van het plan langs de ontsluitingslus. Het zwaartepunt ligt aan de zuidrand van het plangebied, dit biedt goede mogelijkheden voor het bundelen van laadvoorzieningen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 5.

4.12 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking

De gemeente Doesburg staat voor een aanzienlijke woningbouwopgave. Om deze opgave zorgvuldig en toekomstbestendig in te vullen heeft de gemeente Doesburg alle in de Woonzorgwelzijnsvisie 2024-2028 (inclusief addendum) opgenomen woningbouwlocaties getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze notitie is opgenomen in bijlage 9. Kortheidshalve wordt verwezen naar deze notitie.

De hierin opgenomen conclusie luidt dat op basis van de uitgevoerde analyse de stedelijke woningbouwontwikkelingen in de gemeente Doesburg voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Als uitwerking van de gemeentelijke toekomstvisie Doesburg 2040 is in de 'Woonzorgwelzijnvisie Doesburg 2024-2028' de woningbehoefte gemotiveerd:

  • dat voldaan wordt aan lokale behoefte aan woningen conform uitgevoerd woningmarktonderzoek.
  • dat er een betere balans ontstaat in de woningvoorraad, een woningvoorraad die zich kenmerkt door een relatief grote voorraad aan sociale huurwoningen en goedkope koopwoningen.
  • dat er een bijdrage wordt geleverd aan het generieke woningtekort door volgens afspraken gemaakt in onder andere de regionale woondeal ook te bouwen voor vestigers.

Daarmee is de woningbehoefte actueel en onderbouwd.

Deze actuele woningbehoefte is meegenomen in de actualisatie van de regionale Woondeal 2.0, waarmee de regionale afstemming is gewaarborgd.

  • Binnen stedelijk gebied is er ruimte voor woningbouw, maar dit is ontoereikend om in de woningbehoefte te kunnen voorzien zoals gemotiveerd in de 'Woonzorgwelzijnsvisie 2024 – 2028'.
  • Uitbreiding buiten bestaand stedelijk gebied op de in de woonzorgwelzijnsvisie genoemde locaties is zorgvuldig gemotiveerd aan de hand van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13 Explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Om het risico op niet-gesprongen explosieven in beeld te hebben heeft de gemeente Doesburg een Historisch Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten laten uitvoeren, wat resulteert in een risicokaart.

Planspecifiek

Aan de oostzijde van het plangebied liggen twee verdachte gebieden voor geschutmunitie (Duits). Bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen dient er daar, voorafgaand aan de uitvoering, uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01_0020.png"

4.14 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek

Het onderhavige initiatief omvat een woningbouwontwikkeling met 85 woningen. Dit valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom nodig. Deze is opgenomen in bijlage 10. Hierin is geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieuaspecten. Het plan is niet mer-plichtig.

Hoofdstuk 5 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4.

Planspecifiek

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van bodem, luchtkwaliteit, geur en omgevingsveiligheid worden geen normen overschreden. Voor het aspect geluid geldt dat er in het plangebied sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde. Het vergroten van de afstand tussen de woningen en de betreffende provinciale weg N338 is niet mogelijk, aangezien de gronden dan niet efficiënt benut kunnen worden. De geluidbelasting wordt tot een teruggebracht tot het gewenste niveau door de aanleg van een geluidwerende voorziening. De optredende cumulatieve geluidbelastingen worden daarmee acceptabel geacht. Om aan de binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl te voldoen moeten bij een deel van de woningen extra maatregelen aan de gevel worden getroffen voor voldoende geluidwering. Dit is goed haalbaar. De woningen voldoen aan de voorwaarden van het gemeentelijke geluidbeleid ten aanzien van een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte.

Er zijn geen belemmeringen vanuit een goede omgevingskwaliteit waarbij waarden onevenredig aangetast worden. Wel wordt vervolgonderzoek naar marterachtigen geadviseerd. In de Quickscan Natuur wordt echter ook gesteld dat er in de omgeving voldoende alternatief geschikt leefgebied aanwezig is. Bovendien wordt er in het plangebied een stevige groenstructuur aangelegd waarmee ook nieuwe ecologische potenties (waaronder ook voor marterachtigen) ontstaan. Vanuit de algemene zorgplicht en soortenbescherming moeten een aantal maatregelen worden getroffen.

De hoge archeologische verwachtingswaarde die het gebied heeft wordt in het kader van dit plan nader in beeld gebracht door middel van een proefsleuvenonderzoek.

Met de ontwikkeling word bijgedragen aan de beleidsdoelen van de gemeente ten aanzien van woningbouw. Dit is een zwaarwegend belang waarbij met inachtneming van bovengenoemde maatregelen een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding

Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan. De voorgenomen ontwikkeling aan de rand van Beinum is in strijd met het tijdelijke deel van het Omgevingsplan (i.c. het bestemmingsplan 'Beinum 2012'). Het omgevingsplan moet daarom gewijzigd worden.

Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Het TAM-omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

6.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn opgesteld in lijn met Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 4: Overgangsregels.

6.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22b van het omgevingsplan.

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22b wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan Doesburg . Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

De regels van de geldende bestemmingsplannen vervallen op de locatie van voorliggend plan bij vaststelling van voorliggend plan.

6.4 Beschrijving per functie

Onderhavig TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies:

Groen

De groenstructuur is een belangrijk onderdeel van de planopzet. Het kent verschillende onderdelen (binnenterrein van de woonhoven, het landschap tussen de woonhoven, de groene geluidswal en de overgangen naar De Strijp en de Breedestraat) die allemaal zijn opgenomen in de functie Groen. Binnen deze functie zijn fiets- en wandelpaden en erfontsluitingen toegestaan als ook speelvoorzieningen, kunstwerken, straatmeubilair, ecologische voorzieningen en voorzieningen voor de waterberging. In de regels is de mogelijkheid opgenomen voor de bouw van een buurtschuur, verder geldt er een beperkte bebouwingsregeling voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

De langzaamverkeersroute door het groengebied kan in geval van calamiteiten gebruikt worden door de hulpverleningsdiensten. Dit is met de functieaanduiding 'specifiek vorm van groen - calamiteitenroute' aangegeven.

Om te borgen dat de groenvoorzieningen worden aangelegd is daartoe in artikel 6.3.3 een voorwaardelijke verplichting opgenomen die is gekoppeld aan de realisatie van de woningen.

Verkeer

Binnen deze functie ligt de ontsluitingsweg voor het gemotoriseerd verkeer en de parkeervoorzieningen.

Wonen

De functie Wonen omvat alle percelen waarop woningen en bijbehorende bouwwerken zijn toegelaten. Door middel van een aanduiding op de verbeelding wordt onderscheid gemaakt in verschillende bebouwingstypen:

  • aaneengebouwde woningen;
  • vrijstaande woningen;
  • geschakelde woningen (twee-aaneen).

De hoofdgebouwen (de woning zelf) moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. Op het gedeelte achter het hoofdgebouw (achtererf) mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Omdat er voor dit plan specifieke beeldkwaliteitseisen gelden, mag dit niet vergunningsvrij en is dit aan specifieke voorschriften gebonden. De mogelijkheden zijn afhankelijk van de ligging en het type woning. In bijlage 4 Opties achtererf is voor de woningen in de hoven een overzicht opgenomen van wat er op welke plek mogelijk is op het achtererf.

Bij de aaneengebouwde woningen in de hoven is tevens een regeling opgenomen die het mogelijk maakt om aan de voorzijde van de woning een pergola te realiseren. Bij een aantal hoekwoningen kan de pergola worden doorgetrokken naar de zijgevel, mits deze binnen de aangegeven functie Wonen blijft.

Een deel van de woningen krijgt te maken met een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde van 50 dB, ondanks de aanleg van een geluidwerende voorziening. Bij deze woningen dienen bouwkundige, geluidbeperkende maatregelen aan de bouwkundige schil (de gevel en/of het dak) worden genomen om te kunnen voldoen aan de vereiste binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl (doelvoorschrift). Dit is geregeld in artikel 6.8. Aangezien dit een ontwerpopgave voor de woningen is, wordt niet voorgeschreven welke maatregelen dat zijn.

Voor het te realiseren uiterlijk (beeldkwaliteit) is artikel 10.2 opgenomen.

Leiding - Beschermingszone elektriciteitskabel

In de regels van deze beschermingszone is een voorrangsregeling opgenomen met het oog op de bescherming van de belangen van de aanwezige stroomkabel. Dit betreft een onderhoudsstrook/belemmeringengebied, die o.a. gebruikt wordt om onderhoud aan de leiding te plegen. De gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de onderliggende functies kunnen hierdoor worden beperkt.

Waarde - Archeologie

Omdat het archeologisch onderzoek nog niet is afgerond, blijft de huidige dubbelfunctie voor archeologie gelden. Dit betekent dat er geen ingrijpende bodemwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd voordat er onderzoek is gedaan.

In de algemene regels is een regeling opgenomen om te borgen dat er in het plan voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd (artikel 12.1) en voldoende waterberging wordt gerealiseerd (artikel 12.3).

Hoofdstuk 7 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

7.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Planspecifiek

De gemeenteraad van Doesburg heeft geen categorieën van ontwikkelingen aangewezen waarvoor verplichte participatie-eisen van toepassing zijn. Wel worden partijen gestimuleerd een zorgvuldig participatieproces te doorlopen. Initiatiefnemer heeft in een vroeg stadium de omwonenden betrokken bij de planontwikkeling. Hiervoor is een participatieplan opgesteld. Dit plan en de verslagen van de bewonersavonden zijn net als de overige documenten over het plan op www.onsdoesburg.nl geplaatst.

7.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen als alternatief een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek

Met initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten. De gemeentelijke proceskosten voor de wijziging van het omgevingsplan zijn in deze overeenkomst opgenomen. In de overeenkomst zijn ook afspraken gemaakt over vergoeding van nadeelcompensatie. Daarmee is het plan voor de gemeente uitvoerbaar.

7.3 Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met belanghebbende instanties. Het plan is voorgelegd aan het Gelders Genootschap, het waterschap Rijn en IJssel, Vitens, Liander, de Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland, de Omgevingsdienst Regio Arnhem en de Provincie Gelderland.

De ontvangen reacties zijn verwerkt in onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

7.4 Zienswijzen

Het ontwerp-TAM-omgevingsplan heeft van 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026 voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens de termijn is één zienswijze ingediend. Deze was afkomstig van het Waterschap Rijn en IJssel. In de Nota zienswijzen, opgenomen in bijlage 11, is de inhoud van de zienswijze samengevat en van een gemeentelijk antwoord voorzien.

Naar aanleiding van de zienswijze van het waterschap is de voorwaardelijke verplichting in de regels aangepast, zodat deze beter in overeenstemming is met de uitgangspunten van het waterschap en de bodemsamenstelling in het plangebied. Hiermee wordt er in onderhavig omgevingsplan voldoende rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van de watersystemen.