direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stoerwoud, Doesburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van woningbouwontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stoerwoud, Doesburg en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22d) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Doesburg. Dit hoofdstuk 22d is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk 22d conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Doesburg. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22d' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Doesburg

Dit plan wijzigt het omgevingsplan Doesburg in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Doesburg een hoofdstuk 22d wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.
1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 1.4, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22d.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk 22d zijn van toepassing op de locatie Stoerwoud waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

2.2 aanvullende begrippen

in aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk 22d de

begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.60 gehanteerd.

2.3 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Stoerwoud, Doesburg met identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 van de gemeente Doesburg bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.4 locatievlak

een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.5 aan huis gebonden bedrijf

een bedrijf, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt. Hier worden onder verstaan de onder 'bedrijf aan huis' genoemde bedrijven in bijlage 2 en daaraan naar aard en omvang gelijk te stellen bedrijven.

2.6 aan huis gebonden beroep

een beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, (ontwerp)technisch of kunstzinnig gebied, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt. Hier worden onder verstaan de onder 'beroep aan huis' genoemde bedrijven in bijlage 2 en daaraan naar aard en omvang gelijk te stellen beroepen.

2.7 aanbouw

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.8 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.9 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.10 aaneengebouwde woning

een woning die deel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit drie of meer hoofdgebouwen.

2.11 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.12 bedrijf

het bedrijfsmatig vervaardigen en/of bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen.

2.13 begane grondvloer

de vloer van een gebouw niet zijnde een keldervloer, op het peilniveau.

2.14 bestaand
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een vergunning.
  • b. bij gebruik: het legale gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
2.15 bijgebouw

een al dan niet vrijstaand gebouw, dat architectonisch zowel als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw.

2.16 bouwactiviteit

een activiteit bestaand uit bouwen.

2.17 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

2.18 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

2.19 bouwlaag

een geheel van op gelijke of nagenoeg gelijke vloerhoogte gelegen ruimten in een gebouw uitgezonderd kelders.

2.20 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.21 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

2.22 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

2.23 bouwwerk

constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

2.24 buurtschuur

gebouw dat als centrum dient voor het sociale en culturele leven van een buurt met plaats voor vergaderingen en voorzieningen voor activiteiten van recreatieve en educatieve aard.

2.25 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

2.26 dakopbouw

een constructie ter vergroting van een gebouw die zich boven de dakvoet bevindt waarbij deze constructie deels boven de daknok van het oorspronkelijke hoofdgebouw uitkomt en de onderzijden van de constructie in een of beide dakvlakken is zijn geplaatst.

2.27 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen.

2.28 ecologische voorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het behoud, het herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden, zoals faunapassages, faunaduikers, faunarasters, nest- of vleermuiskasten, insectenhotels, vleermuisvriendelijke verlichting en kleinschalige natuurontwikkeling.

2.29 functiegrens

de grens van een functievlak.

2.30 functievlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

2.31 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.32 geluidluwe zijde

zijde van een woning waar het gezamenlijke geluid niet meer bedraagt dan 50 dB.

2.33 gezamenlijk geluid

gezamenlijk geluid als bedoeld in artikel 3.39 Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.34 hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als er meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

2.35 huishouden

persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.

2.36 kap

een dakconstructie van een gebouw gevormd door ten minste twee dakschilden met een geheel of gedeeltelijk hellend dakvlak van elk tenminste 15° en ten hoogste 75°.

2.37 kelder

onder de begane grondvloer, of, voor zover de begane grondvloer niet overeenkomt met peil, onder peil, aanwezige constructiedeel of -delen worden niet meegerekend voor zover die zijn gelegen binnen de denkbeeldig doorgetrokken buitenwerkse gevelvlakken (en/of harten van de scheidingsmuren) én voor zover niet rechtstreeks buiten de woning bereikbaar via een hellingbaan, trap of soortgelijke toegang.

2.38 laden en lossen

onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

2.39 nutsvoorziening

een voorziening ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van ondergrondse afvalinzamelijk en apparatuur voor telecommunicatie.

2.40 ondergronds

onder peil.

2.41 ondergeschikte bouwdelen

ondergeschikte delen aan een gebouw zoals trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en naar aard en omvang daaraan gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.42 ondergeschikte functie

een functie welke dient ter ondersteuning van de hoofdfunctie en daar onderdeel van uitmaakt, waarbij de functie qua oppervlakte, aard en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan de hoofdfunctie, de functie uitsluitend te bereiken is via de entree van de hoofdfunctie en de openingstijden van de functie niet afwijken van de openingstijden van de hoofdfunctie.

2.43 oorspronkelijk hoofdgebouw

het hoofdgebouw is zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd. Van het hoofdgebouw te onderscheiden aan- en uitbouwen, die als functioneel onderdeel van het hoofdgebouw op basis van de vergunning tegelijkertijd zijn meegebouwd, worden geacht deel uit te maken van het oorspronkelijk hoofdgebouw. Het moet dan gaan om aan- of uitbouwen waarin gebruik wordt gerealiseerd dat gelet op de bestemming het belangrijkst is. In bouwkundige zin van het hoofdgebouw te onderscheiden aangebouwde bouwwerken waarin slechts ondergeschikte functies plaatsvinden – zoals aangebouwde garage/berging – maken geen deel uit van het hoofdgebouw en dus ook niet van het oorspronkelijk hoofdgebouw.

2.44 overkapping

een bouwwerk met een draagconstructie niet door wanden van zichzelf omsloten en voorzien van een dak.

2.45 parkeereis

parkeereis als bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Doesburg 2025', waarbij rekening wordt gehouden met wijzigingen op de nota.

2.46 parkeervoorzieningen

parkeerplaatsen t.b.v. (vracht)auto's en overige verkeersvoertuigen waarbij voldaan dient te worden aan het gemeentelijke parkeerbeleid en, voor zover van toepassing, mede dient te worden voldaan aan de eisen t.b.v. de ontsluiting en bevoorrading als opgenomen in het gemeentelijke beleid. Indien het gemeentelijke beleid over een bepaald onderwerp geen (volledig) beeld geeft gelden de meest recente normen van het CROW als beleidsdocument.

2.47 parkeren

parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

2.48 peil
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van het gebouw.
2.49 pergola

een open, vrijstaand of aangebouwd bouwwerk (geen gebouw zijnde), zonder dak of dichte wanden, bestaande uit verticale palen of kolommen die horizontaal met elkaar verbonden zijn;

2.50 prostitutiebedrijf

een inrichting of instelling gericht op het tegen betaling doen plaatsvinden van seksuele omgang met prostituees op een naar buiten toe kenbare wijze, zoals een bordeel of escortservice.

2.51 seks- en/of pornobedrijf

een inrichting of instelling gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotische en/of pornografische aard dan wel voor detailhandel in seks- en/of porno-artikelen, zoals een seksbioscoop, seksclub, seksautomaat of sekswinkel.

2.52 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.53 slopen

het al dan niet geheel afbreken van gebouwen en andere bouwwerken.

2.54 straatmeubilair

onverminderd het bepaalde in het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt onder straatmeubilair voor de werking van dit omgevingsplan mede verstaan: papier-, glas- en andere inzamelbakken, toegangsconstructies voor ondergrondse voorzieningen; kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame, alsmede abri's en kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen.

2.55 twee-aaneengebouwde woning

een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee aaneengebouwde woningen, alsmede door garages geschakelde woningen waarbij het hoofdgebouw aan één zijde op de zijdelingse perceelsgrens gebouwd mag worden.

2.56 uitbouw

een als vergroting van het hoofdgebouw gebouwd gebouw, hetwelk door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en daar in architectonisch opzicht ondergeschikt aan is, maar in functioneel opzicht wel deel uitmaakt van dat hoofdgebouw.

2.57 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.

2.58 voorgevelrooilijn

de lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan.

2.59 wonen

het gehuisvest zijn in een woning/wooneenheid.

2.60 woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de permanente huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.

2.61 wooneenheid

een woning.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 Meetbepalingen

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit

omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen:

3.2 bebouwingspercentage

het deel van het bouwperceel uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden, tenzij in de regels anders is vermeld.

3.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 goothoogte van een bouwwerk

van de bovenkant van de goot dan wel de druiplijn, het boeiboord of een gelijk daaraan te stellen constructiedeel, tot aan de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse. Bij toepassing van het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden dakkapellen buiten beschouwing gelaten, behoudens dakkapellen waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de breedte van het betreffende dakvlak. De goothoogte wordt dan gemeten vanaf het peil tot aan de goot van de dakkapel.

3.5 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen en met uitzondering van ondergrondse bouwwerken.

3.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.7 de oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

3.8 dakhelling

de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak.

3.9 uitzonderingen

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

3.10 werking van bouwgrenzen

De bouwgrenzen mogen in afwijking van de verbeelding en het bepaalde in Hoofdstuk 2 van deze regels uitsluitend worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen, hellingbanen, funderingen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Groen

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met

identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Groen.

4.2 Functieomschrijving Groen

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Groen heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen;
  • c. (fiets-)paden en verhardingen;
  • d. erfontsluitingen;
  • e. speelvoorzieningen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. kunstwerken;
  • h. straatmeubilair;
  • i. ecologische voorzieningen;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - buurtschuur' een buurtschuur;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - geluidwerende voorzieningen' een geluidwerende voorziening;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - calamiteitenroute' is een bij calamiteiten te gebruiken weg voor hulpverleningsdiensten toegestaan;

met daarbij behorende bouwwerken, voorzieningen en onbebouwde gronden.

4.3 Bouwactiviteiten - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan als zij ten dienste staan van de functies genoemd in lid 4.2.

4.4 Bouwactiviteit - gebouwen
4.4.1 Beoordelingsregels

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van gebouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - buurtschuur';
  • b. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m respectievelijk 5 m.
4.5 Bouwactiviteiten - bouwwerken, geen gebouwen zijnde
4.5.1 Beoordelingsregels

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, is maximaal 2,5 m, met dien verstande dat de hoogte van lichtmasten maximaal 6 m mag bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van een voetbalkooi maximaal 5 m bedragen;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van sport- en speeltoestellen maximaal 5 m bedragen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - geluidwerende voorzieningen' bedraagt de hoogte van een geluidwerende voorziening minimaal 4 meter en maximaal 5 meter.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met

identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Verkeer.

5.2 Functieomschrijving Verkeer

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Verkeer heeft de volgende functies:

  • a. wegen, rotondes, pleinen en verkeersvoorzieningen;
  • b. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen;
  • d. (fiets-)paden en verhardingen;
  • e. (erf)ontsluitingswegen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. speelvoorzieningen;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. kunstwerken;
  • j. straatmeubilair;
  • k. ecologische voorzieningen;
  • l. voorzieningen ten behoeve van elektrisch laden van voertuigen;

met daarbij behorende bouwwerken, voorzieningen en onbebouwde gronden.

5.3 Bouwactiviteiten - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in lid 5.2.

5.4 Bouwactiviteiten - gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

5.5 Bouwactiviteiten - bouwwerken, geen gebouwen zijnde
5.5.1 Beoordelingsregels

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 2,5 m, met dien verstande dat de hoogte van lichtmasten maximaal 6 m mag bedragen.

Artikel 6 Wonen

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met

identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen.

6.2 Functieomschrijving Wonen
6.2.1 Algemeen

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies:

  • a. wonen;
  • b. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen;
  • c. aan huis gebonden beroepen;
  • d. erfontsluitingswegen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. kunstwerken;
  • i. staatmeubilair;
  • j. ecologische voorzieningen;

met de daarbij behorende bouwwerken, voorzieningen en onbebouwde gronden.

6.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels
6.3.1 Aantal woningen

Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven.

6.3.2 Voorwaardelijke verplichting- aanleg geluidwerende voorziening

Het gebruik van de gronden en gebouwen overeenkomstig het bepaalde in lid 6.2 is alleen toegestaan als:

  • a. er is voorzien in de aanleg van een geluidwerende voorziening met een minimale hoogte van 4 meter en een maximale hoogte van 5 meter ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - geluidwerende voorzieningen' conform bepaald is in het akoestisch onderzoek zoals opgenomen in bijlage 5. De geluidwerende voorziening dient vervolgens in stand te worden gehouden.

6.3.3 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing
  • a. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw zijn de volgende aanvraagvereisten van toepassing:
    • 1. een beheerplan voor de landschappelijke inpassing waarbij de afspraken dienen te waarborgen dat het groen zijn ecologische, landschappelijke en sociale functies behoudt.
  • b. Het gebruik van de gronden en gebouwen overeenkomstig het bepaalde in lid 6.2 is alleen toegestaan als:
    • 1. de groene inpassing en beplanting aan de randen van het plangebied in het eerste plantseizoen na gereedmelding van de eerste woning, is aangelegd en in stand wordt gehouden conform het in bijlage 3 opgenomen landschappelijk inpassingsplan. Voor de overige gebieden dient de aanplant te worden gerealiseerd in het eerste plantseizoen na oplevering van het openbaar gebied. Het niet uitvoeren van deze maatregelen wordt gezien als strijdig gebruik.
    • 2. Met een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde onder 1. voor een langere termijn en/of een ander gelijkwaardig landschappelijk inpassingsplan, als daartoe een gemotiveerd verzoek wordt ingediend, waarmee eveneens een zorgvuldige groene inrichting van de woningbouwontwikkeling in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden bereikt.

6.3.4 Aan huis gebonden beroep

Het ten behoeve van het aan huis gebonden beroep in gebruik te nemen vloeroppervlak bedraagt maximaal 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijgebouwen met een maximum van 50 m².

6.4 Bouwactiviteit - algemeen
6.4.1 Functionele relatie

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in lid 6.2.

6.4.2 Algemeen
  • a. Het totaal aantal woningen binnen de functie 'Wonen' mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven.
  • b. De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - vergunningplicht'.
6.5 Bouwactiviteit - hoofdgebouwen
6.5.1 Beoordelingsregels

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' worden de hoofdgebouwen aaneengebouwd gebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' worden de hoofdgebouwen aaneen gebouwd;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' wordt het hoofdgebouw vrijstaand gebouwd;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' dient de voorgevel van het hoofdgebouw op de gevellijn of op een afstand van maximaal 1 meter daarachter te worden gebouwd;
  • f. de goothoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)';
  • g. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'.
6.6 Bouwactiviteit - bijbehorende bouwwerken
6.6.1 Aanwijzing vergunningplicht

Bijbehorende bouwwerken (in de vorm van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) mogen niet zonder omgevingsvergunning worden gebouwd.

6.6.2 Beoordelingsregels

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken (in de vorm van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) gelden de volgende regels:

  • a. worden uitsluitend gebouwd voor de functie wonen;
  • b. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mogen bijgebouwen worden gebouwd;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen ter plaatse van de aanduiding:
    • 1. 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken 1' geen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
    • 2. 'specifieke bouwaanduiding 2' uitsluitend worden gebouwd:
      • een uitbouw met een diepte van maximaal 1,2 m;
    • 3. 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken 3' uitsluitend worden gebouwd:
      • een uitbouw met een diepte van 1,2 m;
      • één bijgebouw met een maximale oppervlakte van 6 m²;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand':
    • 1. mogen uitsluitend aan- en uitbouwen worden gebouwd;
    • 2. bedraagt de oppervlakte aan aan- en uitbouwen maximaal 40 m²;
    • 3. worden aan- en uitbouwen gebouwd binnen het bouwvlak;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen':
    • 1. mogen uitsluitend aan- en uitbouwen worden gebouwd;
    • 2. mogen aan- en uitbouwen de grens van het bouwvlak overschrijden;
    • 3. bedraagt de oppervlakte aan aan- en uitbouwen maximaal 30 m²
6.7 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouw zijnde
6.7.1 Beoordelingsregels

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de functie wonen gelden de volgende regels:

  • a. erf- en terreinafscheidingen:
    • 1. uitsluitend in het achtererfgebied toegestaan, met een bouwhoogte van maximaal 1,4 m;
    • 2. in afwijking van het bepaalde onder 1. bedraagt de bouwhoogte maximaal 1,8 m, voor zover voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
      • gelegen binnen de aanduiding 'aaneengebouwd';
      • uitsluitend binnen 1,8 m van de achtergevel van het hoofdgebouw;
      • het hoofdgebouw op eigen perceel en het hoofdgebouw op het aan de erf- en terreinscheiding grenzende perceel heeft geen uitbouw;
  • b. pergola's:
    • 1. de bouwhoogte van pergola's bedraagt maximaal 3 m;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd':
      • mogen pergola's op het voorerf en zijerf worden gebouwd binnen 2,6 m vanaf de gevels van het hoofdgebouw;
      • mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken 1' geen pergola's worden gebouwd;
      • mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken 2' pergola's worden gebouwd binnen 1,2 m vanaf de achtergevel van het hoofdgebouw of vanaf de achtergevel van een uitbouw;
      • mogen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijbehorende bouwwerken 3' pergola's worden gebouwd binnen 2,75 m van de achterste perceelsgrens;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' en 'twee-aaneen':
      • zijn pergola's alleen toegestaan binnen het bouwvlak;
      • bedraagt de maximale oppervlakte aan pergola's 10 m2.
  • c. overige bouwwerken:
    • 1. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 2,7 m.
6.8 Geluidbeperkende maatregelen
6.8.1 Gezamenlijk geluid

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidbeperkende maatregelen' bedraagt het gezamenlijke geluid op de gevels maximaal 57 dB.

 

6.8.2 Beoordelingsregels - geluidbeperkende maatregelen

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidbeperkende maatregelen' geldt dat aan de bouwkundige schil bouwkundige, geluidbeperkende maatregelen getroffen moeten worden om te voldoen aan het wettelijke bepaalde binnenniveau.

6.9 Functies - Omgevingsplanactiviteit
6.9.1 Aan huis gebonden bedrijf
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan huis gebonden bedrijf is verboden zonder omgevingsvergunning.
  • b. De omgevingsvergunning bedoeld onder a. wordt alleen verleend indien:
    • 1. het ten behoeve van het aan huis gebonden bedrijf in gebruik te nemen vloeroppervlak niet meer bedraagt dan maximaal 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijgebouwen met een maximum van 50 m2;
    • 2. het aan huis gebonden bedrijf geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het karakter van de buurt;
    • 3. het aan huis gebonden bedrijf geen nadelige invloed heeft op de afwikkeling van het verkeer en/of leidt tot een onevenredige parkeerdruk;
    • 4. (detail)handel is alleen toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk 22d zijn van toepassing op de locatie Stoerwoud waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 8 Aanvraagvereisten

  • a. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • 1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan;
    • 2. het bepaalde in artikel 22.285 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in dit plan; en
    • 3. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder a. worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Bouwactiviteit - algemeen

10.1 Specifieke beoordelingsregels - overschrijding van de bouwgrenzen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunnning afwijken van de bepalingen in Hoofdstuk 2 en toestaan dan bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen dan wel functiegrenzen worden overschreden, indien bij definitieve uitmeting of verkaveling blijkt dat deze afwijking in het belang van een juiste verwezenlijking van het plan en in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties redelijk, gewenst of noodzakelijk is, mits:
    • 1. de overschrijding niet meer bedraagt dan 2 meter;
    • 2. de belangen van eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • 3. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt geschaad;.
  • b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om in de gevallen genoemd in a tot en met f, in afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk 2 een omgevingsvergunning voor het bouwen, instandhouden en gebruiken te verlenen voor:
    • 1. toegangsbruggen en funderingen, waarbij de grens van de weg niet wordt overschreden;
    • 2. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de bouwgrens, waaraan de voorgevel gelegen is, niet meer dan 12 cm bedraagt en daarbij de grens van de weg niet wordt overschreden;
    • 3. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, galerijen en luifels, mits zij de bouwgrens, waaraan de voorgevel gelegen is, met niet meer dan 50 cm overschrijden en niet lager zijn aangebracht dan:
      • 4,20 m boven een rijbaan of boven een strook ter breedte van 1,50 m langs een rijbaan
      • 2,20 m boven een voetpad, voor zover dit voetpad geen deel uitmaakt van de genoemde strook;
    • 4. ondergrondse funderingen en ondergrondse bouwwerken, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden en daarbij de grens van de weg niet wordt overschreden;
    • 5. goten en ondergrondse afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen;
    • 6. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de bouwgrens, waaraan de voorgevel gelegen is, met meer dan 1 m overschrijden en voor zover zij de grens van de weg niet overschrijden en niet lager zijn geplaatst dan 4,20 m boven de hoogte van de rijbaan.
10.2 Bouwactiviteit - beeldkwaliteit
10.2.1 Algemeen

Het bepaalde in lid 10.2 geldt in plaats van het bepaalde in artikel 22.29 lid 1 onder b en lid 2 en artikel 22.35 sub i van dit omgevingsplan.

10.2.2 Beoordelingsregels
  • a. De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor bouwen wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  • b. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
  • c. Of sprake is van een onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.

10.2.3 Vergunningvoorschriften beeldkwaliteit

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid van 10.2.2 genoemde belang.

10.2.4 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken en pergola's
  • a. De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een pergola wordt alleen verleend als de vorm en de plaatsing van het bouwwerk geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  • b. Er is geen sprake van een onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als het bouwwerk overeenkomt met één van de opties in bijlage 4.
  • c. Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde onder b. als het bouwwerk qua vorm en plaatsing naar aard en omvang aan één van de opties in bijlage 4 gelijk te stellen is.

10.2.5 Aanvraagvereisten beeldkwaliteit

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor bouwen worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan het bepaalde in 10.2.2:

  • a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  • b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  • c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  • d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
  • e. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Artikel 11 Gebruiksactiviteit - algemeen

11.1 Algemeen verboden gebruik

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

11.2 Specifiek verboden gebruik

Het is in ieder geval verboden om:

  • a. onbebouwde grond te gebruiken als stort- en opslagplaats van aan het gebruik onttrokken goederen en materialen, anders dan als tijdelijke opslag ten behoeve van het normale gebruik en onderhoud;
  • b. grond en bebouwing te gebruiken ten behoeve van een seks- en/of pornobedrijf en/of prostitutiebedrijf;
  • c. grond en bebouwing te gebruiken voor kamerbewoning / kamerverhuur.

Artikel 12 Beoordelingsregels - algemeen

Het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ter plaatse van het besluitgebied, is alleen toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

12.1 Voorwaardelijke verplichting parkeren
12.1.1 Algemeen

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken wordt alleen verleend als aan de parkeereis op eigen bouwperceel wordt voldaan.

12.1.2 Beoordelingsregels

Of wordt voldaan aan de parkeereis wordt beoordeeld volgens:

  • a. De parkeernormen in Bijlage 1 Parkeernormen (woonfuncties) waarbij ter plaatse van de volgende gebiedsaanduidingen de volgende normen gelden:
    • 1. 'Overige zone – centrum Doesburg' de normen als opgenomen in de kolom 'Centrum Doesburg';
    • 2. 'Overige zone - rest bebouwde kom' de normen zoals opgenomen in de kolom 'Rest bebouwde kom';
    • 3. 'Overige zone - buitengebied' de normen als opgenomen in de kolom 'Buitengebied'.
  • b. De beleidsregel 'Nota Parkeernormen Doesburg 2025', waarbij rekening wordt gehouden met wijzigingen op de nota.

12.1.3 Vergunningvoorschriften

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 12.1.1 indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen gerechtvaardigd wordt, waarbij een naar aard en omvang gelijkwaardige voorziening wordt getroffen die voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

12.1.4 Aanvraagvereisten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35 en paragraaf 22.5.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder 12.1.1 voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
    • 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
    • 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
    • 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
    • 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
    • 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
  • b. de inrichting van parkeervoorzieningen;
  • c. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een toetsing aan de beoordelingsregels genoemd in 12.1.2.
12.2 Voorwaardelijke verplichting laden/lossen
12.2.1 Algemeen

Indien de functie van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen met bijbehorende voorzieningen, wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken alleen verleend als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen.

12.2.2 Beoordelingsregels

Of wordt voldaan aan op eigen terrein voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen wordt beoordeeld volgens de richtlijnen van de CROW.

12.2.3 Vergunningvoorschriften

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in 12.2.1 indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen gerechtvaardigd wordt, waarbij een naar aard en omvang gelijkwaardige voorziening wordt getroffen die voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

12.2.4 Aanvraagvereisten

In aanvulling op het bepaalde in paragraaf 22.5.2 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels genoemd in 12.2.2.

12.3 Voorwaardelijke verplichting berging hemelwater
12.3.1 Algemeen

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor de functie wonen binnen het gebruiksdoel Wonen alleen verleend als aan de hemelwaterbergingseis wordt voldaan.

12.3.2 Beoordelingsregels
  • a. Aan de hemelwaterbergingseis wordt voldaan indien op eigen bouwperceel, of in het geval van een gezamenlijk ontwikkeling van meerdere bouwpercelen via een collectieve voorziening, wordt voorzien in een hemelwaterbergingsvoorziening die de toename van afstromend verhard oppervlak compenseert op basis van de volgende uitgangspunten:

Totale neerslaghoeveelheid (mm)   111  
Afvoer via oppervlaktewater (mm)   28  
Berging dak/straat/etc. (mm)   3  
Maatgevende buiduur (uur)   48  
Afvoer T=100 (l/s/ha)   1,6  
Afvoer T=1 (l/s/ha)   0,8  
Benodigde berging   80  
Wijze van bergen   statisch  
Infiltratiecapaciteit   10 mm/u  

  • b. Bij het bepalen van de toename aan afstromend verhard oppervlak tellen de volgende percentages aan oppervlakten van de bouwpercelen mee als verhard oppervlak:

vrijstaande woningen   70%  
twee-onder-één-kap woningen   80%  
aaneengebouwde woningen   90%  
gestapelde woningen   100%  
wegen en paden   100%  
parkeren op grasbetonstenen   70%  

12.3.3 Vergunningvoorschriften

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 12.3.1 indien strikte toepassing van dit artikel leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen gerechtvaardigd wordt, waarbij een naar aard en omvang gelijkwaardige voorziening wordt getroffen die voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

12.3.4 Aanvraagvereisten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35 en paragraaf 22.5.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder artikel 12.3.1 voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
    • 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
    • 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
    • 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
    • 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
    • 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
  • b. de inrichting, maatvoering en infiltratiecapaciteit van hemelwatervoorzieningen (inclusief doorsneden);
  • c. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een toetsing aan de beoordelingsregels genoemd in artikel 12.3.2.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 13 Leiding - Beschermingszone elektriciteitskabel

13.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

13.2 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk 22d zijn van toepassing op de locatie Stoerwoud waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

13.3 Functieomschrijving Beschermingszone elektriciteitskabel

Een locatie die is aangewezen als Leiding - Beschermingszone elektriciteitskabel heeft mede als functie de bescherming van de aanwezige elektriciteitskabel.

13.4 Vergunningplichtige overige activiteiten
13.4.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in lid 13.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunnning de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, ontginnen en aanleggen van drainage; afgraven of ophogen van gronden;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • d. het beplanten met diepwortelende beplanting;
  • e. het vellen, rooien van bomen en andere houtopstanden;
  • f. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • g. aanleggen van onder- en/of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen, en de daarmee verband houdende constructies en/of installaties.

13.4.2 Uitzonderingen op de vergunningplicht

Het in lid 13.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor het normale onderhoud van de gronden;
  • b. niet dieper zijn dan 30 cm;
  • c. noodzakelijk zijn voor de realisering van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend of die vergunningvrij kunnen worden gebouwd;
  • d. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

13.4.3 Beoordelingsregels

De in 13.4.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien:

  • a. de werken en/of werkzaamheden nodig zijn voor de realisering of handhaving van de aan de gronden gegeven bestemming, functies of waarden;
  • b. er geen kwetsbare objecten worden toegelaten;
  • c. de werken en/of werkzaamheden verenigbaar zijn met de belangen van de leiding en de leidingbeheerder daarover schriftelijk heeft geadviseerd.

Artikel 14 Waarde - Archeologie

14.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

14.2 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk 22d zijn van toepassing op de locatie Stoerwoud waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

14.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie heeft mede als functie de bescherming van de archeologische verwachting en de archeologische waarden.

14.4 Omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden
14.4.1 Vergunningplicht
  • a. Ter plaatse van de volgende aanduidingen is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren:
    • 1. 'overige zone - bekende archeologische waarden binnenstad middelhoog' voor bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 2. 'overige zone - bekende archeologische waarden binnenstad hoog' voor bodemingrepen groter dan 25 m2 en dieper dan 0,3m;
    • 3. 'overige zone - bekende archeologische waarden binnenstad zeer hoog' voor bodemingrepen groter dan 10 m2 en dieper dan 0,3m;
    • 4. 'overige zone - bekende archeologische waarden buitengebied middelhoog' voor bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 5. 'overige zone - bekende archeologische waarden buitengebied hoog' voor bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 6. 'overige zone - archeologische verwachtingswaarde middelhoog' voor bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 7. 'overige zone - archeologische verwachtingswaarde hoog' voor bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 8. 'overige zone - archeologische verwachtingswaarde historische ijssellopen' voor bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 7,5m + NAP;
  • b. indien geen aanduiding is opgenomen geldt dat het verboden is om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren voor bodemingrepen groter dan 10,000 m2 en dieper dan 0,5m.
  • c. Het verbod als bedoeld onder a. geldt niet voor werken en werkzaamheden:
    • 1. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
    • 2. in het kader van het normale agrarische gebruik;
    • 3. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
    • 4. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit artikel een aanlegvergunning of omgevingsvergunning in dit kader is verleend.

14.4.2 Aanvullende aanvraagvereisten

Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder 14.4.1 goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

14.4.3 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning mag alleen worden verleend, indien is gebleken dat de in 14.3 en 14.4 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal dan wel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

14.5 Maatwerkvoorschrift
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen de volgende nadere eisen stellen aanvullend aan het bepaalde in lid 14.4 ten behoeve van de bescherming van de archeologische verwachting en de archeologische waarden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • b. Het besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld onder a. moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder geval blijkt dat de voorschriften noodzakelijk zijn voor de bescherming van de archeologische verwachting en de archeologische waarden.


Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 15 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk 22d zijn van toepassing op de locatie Stoerwoud waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0221.TAM22DHBE-VA01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
16.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

16.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 16.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 16.1.1 met maximaal 10%.

16.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in 16.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan.

16.2 Overgangsrecht gebruik
16.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

16.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 16.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

16.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 16.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

16.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in 16.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit plan.