IFV-terrein Kemperbergerweg    

Toelichting     

van het bestemmingsplan

IFV-terrein Kemperbergerweg

(plannummer: NL.IMRO.0202.887-0301)

Hoofdstuk 1 Inleiding     

.

1.1 Aanleiding     

Op en rond het terrein van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) aan de Kemperbergerweg 783 te Schaarsbergen, gemeente Arnhem hebben een aantal (komende) ontwikkelingen geleid tot het onderhavige bestemmingsplan. Circa 3 jaar geleden is op het terrein het Nationaal Brandweermonument gerealiseerd. Dit herdenkingsmonument is mogelijk gemaakt door middel van een omgevingsvergunning maar is nog niet juridisch-planologisch verankerd in een bestemmingsplan. In de huidige situatie is reeds sprake van een parkeerprobleem. Bovendien worden/zijn verschillende instanties in het kader van 'fysieke veiligheid' in het bestaande kantoorcomplex geconcentreerd, waardoor het aantal parkeerplaatsen uitgebreid dient te worden. In het onderhavige plan wordt eveneens een deel maatschappelijke bestemming gewijzigd in 'Bos' ter compensatie van het verloren gegane bos ten tijde van de realisatie van de voertuigenstalling in 1997.

Het complex is gelegen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Veluwe. Het betreft een bestaand perceel waarin het bestaande parkeerterrein in het bos wordt uitgebreid buiten het bestaande perceel. Het voormalige uit 1979 stammende karakteristieke brandweeracademiegebouw betreft een gemeentelijk monument. Het gebouw dient derhalve om zijn cultuurhistorische waarden behouden te blijven. Het gebouw heeft in de huidige situatie een educatieve functie (opleidingen met ondergeschikte kantoorfunctie). De parkeervoorzieningen zijn echter niet afdoende om het gebouw in gebruik te kunnen houden. Om het monument een duurzame toekomst te bieden waarin het bovendien de huidige functie kan blijven behouden dient de bijbehorende parkeervoorziening te voldoen aan de minimale norm voor een dergelijke functie.

De bovenstaande ontwikkelingen zijn niet toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Arnhem-Noord 2007'. Het plan wordt mogelijk gemaakt door het bestemmingsplan partieel te herzien.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied     

Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van de gemeente Arnhem, direct ten noorden van de A12 (zie figuur 1.1). Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de A12. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door bos, aan de noordzijde door manege Mansour en aan de oostzijde vormt de Kemperbergerweg de begrenzing van het plangebied.

verplicht

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving     

2.1 Huidige situatie     

Het onderzoeksgebied maakt onderdeel uit van Natura 2000-gebied 'Veluwe'. Het wettelijk beschermde deel van de Veluwe is 91.200 ha groot. De Veluwe is daarmee het grootste aaneengesloten (terrestrische) natuurgebied van Nederland. Binnen het natuurgebied ligt (bestaande) bebouwing en infrastructuur, die buiten de bescherming van het Natura 2000-gebied valt. In het gebied zijn verschillende monumentale gebouwen en laanstructuren aanwezig, zo ook op en aangrenzend aan het terrein van het IFV. De gemeente heeft haar lanen in het buitengebied geïnventariseerd en gewaardeerd. De lanen in het bosgebied rondom het terrein van het IFV staan hierin niet vermeld. Aspecten zoals aaneengeslotenheid en rust en donkerte zijn in mindere mate aanwezig in de omgeving van Schaarsbergen. De rijksweg A12/A50 en lintbebouwing aan de Kemperbergerweg zorgen hier voor barrièrewerking en verstoring.

 Het plangebied

Het plangebied bestaat uit een omheind gebouwencomplex met omliggende parkeerverharding en tuinbeplanting, met daaromheen bosgebied. Het hoofdgebouw is in 1979 gerealiseerd. Daarvóór is de locatie ook bebouwd geweest. De bebouwing op de locatie gaat terug tot het begin van de twintigste eeuw.

Het terrein rondom de bebouwing kenmerkt zich door hoogteverschillen. Het oostelijke deel is hoger gelegen dan het westelijke deel en er is verdeeld over het plangebied ook een microreliëf aanwezig. Een groot deel van het terrein is verhard met klinkerverharding. De onverharde delen zijn ingericht als tuin met gazon, verspreide bomen en heesters en parkbos.

Het gebied ten westen en zuiden van het omheinde terrein is begroeid met gemengd bos en geclassificeerd als plantgemeenschap 37 Aa2 (beuken-eikenbos). Soorten die er groeien zijn Amerikaanse eik met een enkele Grove den, Ruwe berk en Douglasspar. Delen van het bosgebied voor de manege zijn verstoord door grondwerk en is lokaal begroeid met storingssoorten. In het overige gedeelte van het bos is ondergroei vrijwel afwezig, met plaatselijk Haarmos, Brede stekelvaren en Braam (Cobra, 2011).

De houtopstanden zijn vermoedelijk ontstaan door zaailingen van oudere Amerikaanse eiken die in lanen in het gebied zijn aangeplant. Deze laanstructuren zijn nog als zodanig in het gebied herkenbaar. De laanbomen zijn naar schatting 70 à 80 jaar oud; de overige bomen zijn een stuk jonger.

IFV

In het kader van aanpassing van de Wet veiligheidsregio's is het Instituut Fysieke veiligheid (IFV) de ondersteuningsorganisatie voor alle veiligheidsregio's in Nederland opgericht. Het IFV bevat taken op het terrein van beleidsondersteuning voor het Veiligheidsberaad, kennisontwikkeling, opleiden, trainen, inkoop en beheer van materieel, shared services en op het terrein van ICT (onder meer netcentrisch werken en geo-informatie).

Sinds 2009 fungeert het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) als drager voor de organisatie. Vanaf dat moment zijn, vooruitlopend op de situatie die ontstaat na invoering van de aanpassingswet, verschillende organisaties bij het IFV ondergebracht. Naast het secretariaat van de branchevereniging voor de brandweer (Nederlandse Vereniging voor Brandweer en Rampbestrijding, NVBR), die sinds 1996 in het gebouw van IFV is gehuisvest, zijn daar recentelijk de volgende IFV-organisaties ondergebracht:

  • het Bureau Veiligheidsberaad (BVB);
  • het Bureau Landelijk Management Development Brandweer BLMD;
  • het Project Netcentrisch Werken;
  • een deel van het Landelijk Bureau GHOR;
  • het Nederlands Bureau Brandweerexamens (Nbbe) en de Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding.

Door de bundeling van activiteiten is het aantal medewerkers dat in Schaarsbergen is gehuisvest gegroeid. Door de centrale ligging van Schaarsbergen in Nederland zal het aantal vergaderingen en symposia eveneens toenemen.

Brandweermonument

Met het Nationaal Brandweermonument heeft Brandweer Nederland een plek gekregen om brandweermensen te herdenken die tijdens hun werk voor de samenleving, zijn omgekomen. Tegelijkertijd heeft het monument ook een functie om respect en waardering te tonen voor het brandweervak. Het monument is van en voor alle brandweermensen in Nederland. De keuze voor de locatie van het Nationale Brandweermonument is gevallen op het terrein van het IFV, omdat dit complex van oorsprong is gerealiseerd als de Rijksbrandweeracademie, waar elke brandweerman van Nederland diverse trainingen en scholingen heeft gevolgd. Het IFV is de rechtsopvolger van de Rijksbrandweeracademie.

Het brandweermonument is in de noordoosthoek van het plangebied gerealiseerd. Voor de realisatie van het monument hebben enkele parkeerplaatsen plaats moeten maken.

Het monument is door middel van een omgevingsvergunning in 2011 reeds in afwijking van de onderliggende bestemming juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

Parkeerterrein

In de huidige situatie wordt verspreid over het terrein, aan de noord-, west- en zuidzijde van het gebouw geparkeerd, deels op een parkeerterrein en deels langs een kronkelend pad aan de noordzijde. Het parkeerterrein aan de zuidzijde is gepositioneerd tussen de bomen in. In totaal kunnen circa 156 auto's op het terrein parkeren. Figuur 2.1 geeft de huidige parkeersituatie weer.

verplicht
Figuur 2.1: huidige situatie parkeren

2.2 Toekomstige situatie     

Het onderhavige bestemmingsplan heeft als doel een passende juridisch-planologische regeling te bieden voor de volgende ontwikkelingen:

  • realisatie van voldoende parkeerplaatsen in de vorm van een beperkte uitbreiding (647 m²) en intensivering van het bestaande parkeerterrein;
  • compensatie van verloren gegane groenstructuren en EHS/natuur;
  • verwerken van de omgevingsvergunning van het brandweermonument in een bestemmingsplan.

2.2.1 Realisatie van de parkeerplaatsen     

De noodzakelijke uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen ten behoeve van het IFV wordt verkregen door enerzijds het bestaande parkeerterrein efficiënter in te richten en anderzijds door het parkeerterrein aan de zuidzijde te vergroten.

verplicht

Het efficiënter inrichten van het parkeerterrein wordt op twee manieren verkregen. Enerzijds wordt het parkeerterrein vervormd, anderzijds wordt aan de zuidzijde een efficiënt terrein ingericht waarbij desondanks maximaal rekening wordt gehouden met behoud van bomen van betekenis. Het inrichten van het parkeerterrein aan de zuidzijde wordt in twee fasen gerealiseerd.

Met vervorming wordt bedoeld dat het parkeren aan de noordzijde van het pand langs het kronkelend pad wordt opgeheven en aan de zuidoostzijde van het plangebied wordt een hoek dat in de huidige situatie buiten het bestemmingsvlak is gelegen bij het efficiënt in te richten parkeerterrein gevoegd. Figuur 2.2 illustreert de wijzigingen in het bestemmingsvlak.

Met het opheffen van het parkeren aan de noordzijde wordt een zeer inefficiënt deel van het parkeerterrein, dat in de huidige situatie bestemd, is als 'Maatschappelijk' herbestemd naar 'Bos'. Een groot oppervlak van het perceel 'Maatschappelijk', waar maar een zeer beperkt aantal auto's konden parkeren (maar zorgt voor een chaos aan willekeurig geparkeerde auto's), wordt weer aangewend voor natuur/bos doeleinden.

Fase A

In fase A wordt het parkeerterrein aan de zuidzijde van het gebouw van IFV en ten noorden en oosten van de voertuigenloods aangelegd. Tussen het parkeerterrein en de Kemperbergerweg blijft een zone met bos behouden zodat het terrein vanaf de straat aan het zicht wordt onttrokken. De capaciteit van het heringerichte en aan de zuidoostzijde beperkt uitgebreide parkeerterrein bedraagt 221 auto's (zie fase A in figuur 2.3).

verplicht
verplicht



Figuur 2.3: herinrichting van het parkeerterrein in twee fasen

Fase B

Ten behoeve van een verdere intensivering wordt in de tweede fase een parkeerdek gerealiseerd ten behoeve van 51 extra parkeerplaatsen. De mogelijkheid voor de realisatie van het parkeerdek wordt in het bestemmingsplan opgenomen door middel van een afwijkingsbevoegdheid. Het maaiveld in het plangebied ligt niet overal gelijk. Het maaiveld loopt in westelijk richting af. De zijde van de Kemperbergerweg ligt derhalve hoger (circa 36 meter +NAP dan de zijde ter hoogte van de voertuigenloods (circa 32 meter +NAP). Hierdoor kan een parkeerdek worden gerealiseerd zonder dat het parkeerdek boven het maaiveld vanaf de Kemperbergeweg uit komt. In figuur 2.3 is de locatie van het parkeerdek op het terrein weergegeven. Figuur 2.4 geeft een dwarsdoorsnede weer (oost-west) waarin schematisch is weergegeven dat het bovenste parkeerdek niet boven het westelijke maaiveld komt te liggen. De verantwoording met betrekking tot het parkeren is verder uitgewerkt in paragraaf 'parkeren'.

verplicht

Te kappen en te behouden bomen

Ten behoeve van de inrichting is een inventarisatie gemaakt van de aanwezig bomen. Bomen dikker dan 25 centimeter dienen bij kap namelijk te worden gecompenseerd. De onderstaande illustratie laat zien welke bomen worden gekapt en welke bomen juist blijven behouden. In de noordoostelijke hoek van het parkeerterrein blijven enkele bomen behouden. Bovendien blijven de volwassen bomen aan de oostzijde, tussen het parkeerterrein en de Kemperbergerweg, behouden. Figuur 2.5 geeft inzicht in de te kappen bomen op het terrein met een omvang van meer dan 25 centimeter.

verplicht

2.2.2 Natuur en groencompensatie     

Ten behoeve van het onderhavige plan dient natuur/groen compensatie plaats te vinden. Deze compensatie wordt op enkele vlakken uitgevoerd, deels als gevolg van de uitbreiding van de parkeerplaatsen en deels als gevolg van een uit 1997 stammende natuurcompensatieplicht.

Ter compensatie van voertuigenloods (1997)

In 1997 is toestemming verleend voor de realisatie van een voertuigenloods ten westen van het IFV gebouw (zie omcirkeld grijs vlak in figuur 2.6). Ten behoeve van deze loods dient 1.280 m² bos te worden gerealiseerd en bestemdvoetnoot: Brief NIBRA aan gemeente Arnhem. Kenmerk NIBRA97/U188. 27 februari 1997. Onderwerp: voor-waarden partiële wijziging 1996-02 bestemmingsplan 'Buitengebied-Noord'.. Deze compensatie vindt plaats binnen het plangebied aan de noordzijde van het IFV complex. Binnen de rood gearceerde zone in figuur 2.6 wordt de ter plaatse geldende bestemming 'Maatschappelijk' gewijzigd naar 'Bos'. Het oppervlak van dit deel bedraagt 790 m². Er dient nog ruimte gevonden te worden voor de compensatie van 446 m². Dit oppervlak wordt gecompenseerd op perceel P714, gemeente Elst.

verplicht

Ter compensatie aanleg parkeerplaatsen (binnen de bestemming Maatschappelijk)

Provincie Gelderland

De bestemming 'Maatschappelijk' valt binnen de Groene Ontwikkelzone (GO) van de Omgevingsvisie Gelderland, de uitbreiding van het parkeren valt binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De vermindering van het areaal bos-bomen valt daarmee onder provinciale compensatieregels. De gemeentelijke regels treden dan terug.

Gemeente Arnhem

De gemeente Arnhem hanteert binnen haar grenzen het uitgangspunt 'groen blijft groen' en 'zuinig omgaan met bestaande en potentiele kwaliteiten'. Wanneer per saldo minder oppervlakte groen en/of minder bomen in het plangebied terugkomen, volgt er een groencompensatie. De regeling is aanvullend op de provinciale compensatieregeling 'Natuur en Bos', die geldt buiten de grenzen van de bebouwde kom (en bestemde verstedelijkte gebieden). Wanneer de provinciale compensatieregeling niet van toepassing is, geldt de gemeentelijke regeling.

Indien groen verdwijnt op particuliere gronden (of gronden in eigendom van andere overheden dan de gemeente Arnhem) geldt er een herplantplicht voor gekapte bomen met een diameter groter dan 25 centimeter. In figuur 2.5 is een aangegeven welke bomen met een diameter groter dan 25 centimeter gekapt gaan worden bij herinrichting. Deze bomen dienen op dezelfde locatie of in de directe nabijheid herplant te worden. In het onderhavige plan worden deze bomen derhalve in overleg met de afdeling Omgevingskwaliteit van de gemeente Arnhem herplant.

Ter compensatie aanleg parkeerplaatsen (buiten de bestemming 'Maatschappelijk')

Provincie Gelderland

Ter compensatie van de aan te leggen parkeerplaatsen buiten het bestemmingsvlak dient conform het provinciaal beleid te worden gecompenseerd. De provincie heeft aangegeven dat compensatie ter plaatse niet zinvol zal zijn. Voor het verlies aan bos zal elders in de regio bos- of natuur worden gecompenseerd, namelijk op perceel P714,gemeente Elst.

Compensatieopgave

Conform de compensatierichtlijn van de provincie Gelderland dient een kwaliteitstoeslag van 2/3 plaats te vinden. De optimalisatie van het bestaande parkeerterrein gaat ten koste van 2.692 m2 bos binnen de Groene Ontwikkelzone (GO) en 455 m2 bos binnen het Gelders Natuurnetwerk. De totale oppervlakte bedraagt 3.147 m2. Conform de provinciale verordening is compensatie met toeslag van 2/3 aan de orde. De te compenseren oppervlakte bedraagt daarmee 5.224 m2.

De nog te compenseren oppervlakte voor de voertuigenloods bedraagt 446 m². De oude en nieuwe compensatie komt daarmee op totaal 4.778 m². Dit oppervlak wordt gecompenseerd op perceel P714, gemeente Elst

2.2.3 Brandweermonument     

Ten behoeve van de realisatie van het brandweermonument is reeds een omgevingsvergunning afgegeven. Deze vergunning wordt verwerkt in het onderhavige bestemmingsplan.

2.3 Bestemmingen     

Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied Arnhem Noord 2007'. Het plangebied is bestemd als 'Maatschappelijke doeleinden', 'Bos' en 'Landschappelijke waarden' (zie figuur 2.7).

verplicht

Conclusie

Het te intensiveren parkeerterrein wordt voor een klein deel binnen de bestemming 'Bos' gerealiseerd, grotendeels binnen de bestemming 'Maatschappelijk' en geheel binnen de aanduiding 'landschappelijke waarden'. Binnen de bestemming 'Bos' is parkeren niet toegestaan. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' is parkeren wel toegestaan, maar laat de aanduiding 'landschappelijke waarden' het niet toe om binnen deze bestemming te parkeren. Deze aanduiding ligt in zijn geheel over de bestemming 'Maatschappelijk' en daarmee over het bestaande parkeerterrein van het IFV. Het parkeren is in de huidige situatie derhalve niet toegestaan. Ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan Buitengebied Arnhem Noord is dit foutje er in geslopen. Met onderhavig bestemmingsplan wordt deze functie mogelijk gemaakt door de bestemming 'Bos' te wijzigen in de bestemming 'Maatschappelijk' en parkeren in combinatie met de bestemming 'Maatschappelijk' mogelijk te maken.

Bovendien dient een omgevingsvergunning te worden verleend ten behoeve van de aanleg van de parkeerplaatsen (werken en werkzaamheden).

Hoofdstuk 3 Bestaand beleid     

3.1 Provinciaal beleid     

3.1.1 Omgevingsvisie Gelderland     

De Omgevingsvisie Gelderland is op 9 juli 2014 vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland. In de Omgevingsvisie heeft de provincie twee doelen gedefinieerd die de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur benadrukken. De doelen zijn:

  1. een duurzame economische structuurversterking,
  2. het borgen van de kwaliteit en de veiligheid van onze leefomgeving.

Het plangebied is gelegen binnen een gebied dat is aangemerkt als 'Gelders Natuurnetwerk' en 'Groene ontwikkelingszone'. Hierna wordt achtereenvolgens op deze onderdelen ingegaan.

Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelzone

In de figuur 3.1 wordt de ligging van het plangebied in het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelzone inzichtelijk gemaakt.

verplicht

Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een Zoekgebied nieuwe natuur van 7.300 hectare, voor 5.300 hectare nog te realiseren nieuwe natuur. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening.

De Groene ontwikkelzone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. In de Groene Ontwikkelingszone (GO) kunnen initiatieven ontwikkeld worden die bijdragen aan de realisatie van deze dubbele doelstelling. Vanwege de dubbele doelstelling is er in de GO ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en voor een uitbreiding van bestaande bedrijven, woningen en bouwwerken en andere functies. Net als voor het GNN zijn er in de verordening ook regels opgenomen voor het GO.

Doorwerking plangebied

Het merendeel van de ontwikkelingen waarin dit bestemmingsplan voorziet vinden plaats binnen het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' zoals opgenomen in het geldend bestemmingsvlak. Enkel de aan te leggen parkeerplaatsen aan de zuidzijde worden gerealiseerd buiten dit bestemmingsvlak 'Maatschappelijk', binnen de bestemming 'Bos'. Middels dit bestemmingsvlak wijzigt deze bestemming 'Bos' in 'Maatschappelijk'. Vanwege het feit dat deze gronden zijn aangemerkt als onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk dient conform het provinciaal beleid te worden gecompenseerd. In 3.1.2 wordt hier, bij de toetsing aan de Omgevingsverordening, nader op ingegaan. Hier wordt geconcludeerd dat er slechts sprake is van een beperkt oppervlakteverlies dat ruimschoots wordt gecompenseerd conform de compensatierichtlijn van de provincie Gelderland. Dit bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met het provinciaal beleid zoals verwoordt in de Omgevingsvisie Gelderland.

3.1.2 Omgevingsverordening Gelderland     

De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.

Van toepassing zijnde regels Omgevingsverordening

De bij de verordening behorende kaart Natuur komt overeen met het kaartbeeld zoals weergegeven in figuur 3.1. Dit betekent dat in dit geval met name de regels uit de verordening ten aanzien van de uitbreiding van bestaande functies in het Gelders Natuurnetwerk (artikel 2.7.1.2, lid 1) in de Groene Ontwikkelingszone (artikel 2.7.2, 2) van toepassing zijn op dit bestemmingsplan. Op deze regels wordt hierna nader ingegaan.

Artikel 2.7.1.2 Uitbreiding

In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) kan uitbreiding van bestaande functies mogelijk worden gemaakt indien in de toelichting bij het plan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt en deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

Artikel 2.7.2.2 Uitbreiding

1. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kan uitbreiding van bestaande functies met meer dan 30 procent mogelijk worden gemaakt, indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt en deze versterking is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

Doorwerking plangebied

Artikel 2.7.1.2

Met de aanleg van de nieuwe parkeerplaatsen buiten het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' is sprake van de uitbreiding van een bestaande functie binnen het Gelders Natuurnetwerk. Binnen de begrenzing van het huidige bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' zijn redelijkerwijs geen andere alternatieven aanwezig om de parkeerproblematiek op te kunnen lossen. Gelet op het feit dat zowel het IFV als omwonenden deze parkeerproblematiek als zeer storend ervaren, is sprake van een reden van openbaar belang. De oppervlakte die wordt geamoveerd van het GNN blijft beperkt door het terrein efficiënt in te richten. Bij deze inrichting wordt desondanks maximaal rekening gehouden met behoud van bomen van betekenis.

Uitbreiding van bestaande functies in het GNN is mogelijk mits de kernkwaliteiten van het gebied per saldo versterkt worden. Ten aanzien hiervan heeft de provincie Gelderland al aangegeven dat ter compensatie van het oppervlakteverlies van GNN, er conform het provinciaal beleid gecompenseerd dient te worden. Tevens heeft de provincie aangegeven dat compensatie ter plaatse en op de Veluwe geen locaties beschikbaar zijn om bos voor bos te compenseren. Het realiseren van een ander gewenst natuurdoel binnen een ecologische verbindingszone behoort tot de mogelijkheden. De compensatie locatie P714, gemeente Elst, in eigendom van de gemeente Arnhem voldoet aan de gestelde voorwaarden en versterkt een EVZ (ecologische verbindingszone).

Omdat sprake is van een 'matig vervangbaar' natuurtype (bos met een ouderdom van 25 tot 100 jaar) geldt er een toeslag in oppervlakte van 2/3, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten (inrichtings- en beheerskosten). Ten behoeve van de uitbreiding van het parkeerterrein is sprake van een oppervlakteverlies van GNN van 455 m2. Dit betekent dat in ruil hiervoor in totaal circa 758 m2 (455 m2 + (2/3 van 455 m2) aan oppervlakte gecompenseerd te worden. De ontwikkeling van een compensatielocatie wordt per saldo, aldus de toelichting bij de Omgevingsverordening, gezien als een verbetering van de kernkwaliteiten van het GNN. Voor een nadere toelichting op de te verichten compensatie wordt tevens verwezen naar paragraaf 2.2.2.

Voor het verrichten van deze compensatie is een anterieure overeenkomst gesloten waarin de (financiële) compensatieafspraken zijn vastgelegd. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de bepalingen van artikel 2.7.1.2 uit de Omgevingsverordening Gelderland.

Artikel 2.7.2.2

De noodzakelijke uitbreiding van het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' omhelst, in vergelijking tot het huidige bestemmingsvlak 'Maatschappelijk', een oppervlakte die kleiner is dan 30%. Ten aanzien van de voorwaarde dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied per saldo sunstantieel worden versterkt wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.7.1.2. Hieruit volgt dat aan deze voorwaarde wordt voldaan, derhalve voldoet het voorliggende bestemmingsplan aan artikel 2.7.2.2. van de verordening.

0.0.1 Wettelijk (voor)overleg

In het Besuit ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van de betrokken gemeenten, waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Provincie Gelderland

De provincie heeft in het kader van het vooroverleg gereageerd. De reactie van de provincie is bijgevoegd als bijlage. Abusievelijk is een onderdeel uit de reactie van de provincie niet verwerkt in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan. Het betreft de reactie met betrekking tot het regime voor de uitbreiding van bestaande functies in het GNN en de GO. Dit onderdeel van de reactie is verwerkt nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen.

Waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap Rijn en IJssel heeft op 22 september in het kader van het vooroverleg gereageerd op het plan. Het waterschap heeft aangegeven dat de relevante waterthema's voldoende zijn uitgewerkt en heeft geen op- en/of aanmerkingente hebben op het plan.

GNMF

Het GNMF heeft in het kader van het vooroverleg gereageerd. De reactie van het GNMF is bijgevoegd als bijlage. Met het GNMF en Groenforum is een gesprek gevoerd, waarin een toelichting is gegeven op het plan en de gemaakte keuzes. De tijdens dit gesprek gemaakte afspraken over o.a. de kleurstelling van de verlichting zijn vastgelegd in een gespreksverslag. Dit verslag is doorgestuurd naar het IFV zodat daarmee bij de uitvoering rekening kan worden gehouden.Het verslag is eveneens als bijlage bijgevoegd.

 

3.2 Gemeentelijk beleid     

Structuurvisie Arnhem 2020 - 2040

Een structuurvisie voor de stad biedt een strategisch kader voor ruimtelijke planning op stedelijk niveau voor de lange termijn. Exacte voorspellingen voor de langere termijn kunnen niet worden gedaan. Wel tekenen zich bepaalde ontwikkelingen af; een gestaag doorzettende trendmatige groei ligt niet in het verschiet, ruimtevragende functies in de domeinen van wonen, werken en voorzieningen zullen anders kleuren en andere eisen stellen aan de stad.

De hoofdlijnen van de structuurvisie worden geschetst in hoofdstuk 1:

  • allereerst wordt een aantal principes benoemd die van belang zijn bij het bepalen van ruimtelijke koers voor de stad;
  • vervolgens wordt de bestaande ruimtelijke hoofdstructuur van de stad gekarakteriseerd;
  • tenslotte leiden de principes en karakterisering tot het kaartbeeld van het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief met de gebieden en opgaven die daarbij op stedelijke schaal een hoofdrol spelen.

Buitengebied Noord, van achtererf naar voortuin

Het buitengebied van Arnhem-Noord maakt deel uit van de Veluwe. Eigenlijk is het gebied te karakteriseren als één groot natuurgebied met daarin een aantal min of meer stedelijke functies zoals militaire complexen, (zweef)vliegvelden, maatschappelijke instellingen als Siza dorpgroep, Bio-Kinderrevalidatie en 's Koningsjacht, het sportcentrum Papendal, woningen, campings, horeca, terreinen voor hondensport en motorcross, grootschalige infrastructuur en grote toeristische trekkers: de dierentuin Burgers' Zoo, het Openluchtmuseum en Het Nationale Park De Hoge Veluwe. In het buitengebied is ook een aantal agrarische bedrijven gelegen.

De kwaliteit van het gebied is allereerst de hoge natuur- en landschappelijke waarde. Het is dé groene voortuin van Arnhem. Daarnaast moet de cultuurhistorische waarde van het gebied worden genoemd, met name de grafheuvels, landgoederen, lanen en het militaire verleden. Ook de bijzonder gunstige ligging van het gebied in de nabijheid van de stad is een kwaliteit. Het is door dit alles een bijzonder aantrekkelijk gebied om te wonen, te werken en te recreëren. Het noordelijke buitengebied is bovendien van groot economisch belang voor Arnhem. Zo herbergt het grote recreatieve publieksmagneten, zijn er grote werkgevers gevestigd en vindt er waterwinning plaats.

In de voorzienbare toekomst zal er geen sprake zijn van grootschalige ontwikkelingen of verandering van functies in het gebied. Kleinschalige ontwikkelingen zullen echter nodig blijven om het gebied in economisch en recreatief opzicht vitaal te houden. Het gebied moet niet 'op slot worden gezet'. Daarbij moet wel voorkomen worden dat een veelheid aan kleine ontwikkelingen sluipenderwijs leidt tot verdere verrommeling en versnippering.

Om dit te bereiken dienen ontwikkelingen altijd samen te hangen met bestaande functies en bovendien plaats te vinden op plekken waar de betreffende functie nu al sterk aanwezig is. Nieuwe natuur laten aansluiten bij bestaande natuur, nieuwe landgoederen bij bestaande, grote publiekstrekkers bij bestaande enzovoort. Een heldere zonering van het gebied voor ruimtelijke ontwikkelingen helpt hierbij (zie kaartbeeld). Uitgangspunt hierbij is het beter benutten, en waar mogelijk versterken van de bestaande kwaliteiten van het gebied. Dezelfde uitgangspunten gelden als functieverandering aan de orde is, bijvoorbeeld als er geen bedrijfopvolging bij agrarische ondernemingen is of als militaire terreinen hun functie verliezen.

verplicht

Ten noorden van de Koningsweg geldt de zone “Natuur”, waar het verbeteren van de natuurwaarde en de mogelijkheid om natuur te beleven voorop staat. Ten zuiden van de Koningsweg geldt de zone “Natuur & Cultuur”, die met respect voor alle (natuurlijke) kwaliteiten intensiever benut kan worden. Een stad heeft een stadsrand nodig waar wat kan gebeuren. Het beter benutten van de bestaande rode functies (landgoederen en agrarische bedrijven), het ontsluiten voor een groter publiek en het eventueel toevoegen van functies, zijn hier in beginsel mogelijk. Binnen de zone Natuur & Cultuur geldt een accent op landgoederen in het gebied tussen Kemperbergerweg en Amsterdamseweg en een accent op publiekstrekkers ten noorden van de Schelmseweg tussen Cattepoelseweg en Apeldoornseweg. Ook hier geldt dat de ontwikkelingen moeten bijdragen aan een betere toegankelijkheid van het gebied.

Toevoeging van rood in de zone “Cultuur & Natuur” is denkbaar in beperkte omvang (kleinschalig en incidenteel) langs bestaande infrastructuur en dan bij voorkeur langs de Kemperbergerweg. De bebouwing zal moeten bijdragen aan een verbetering van de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten, waarbij de afwisseling tussen dichte bebouwing en open landschap behouden blijft of versterkt wordt (bebouwing 'dienstbaar' aan landschap).

Conclusie

Het onderhavige plan wordt conform het gemeentelijk beleid gerealiseerd. In de zone 'Natuur & Cultuur' is ruimte voor 'rood'. In het onderhavige plan vindt een beperkte bestemmingswijziging plaats ten behoeve van het intensiveringen en beperkt uitbreiden van het bestaande parkeerterrein. 553 m² bestemming 'Bos' wordt gewijzigd naar bestemming 'Maatschappelijk'. Conform het gemeentelijk beleid dienen ontwikkelingen altijd samen te hangen met bestaande functies en bovendien plaats te vinden op plekken waar de betreffende functie nu al sterk aanwezig is. In het onderhavige plan worden parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van een bestaande functie. Het tijdelijk parkeren op de Dorpsbrink van Schaarsbergen zal komen te vervallen. Daardoor wordt de landschappelijke kwaliteit ter plaatse aanmerkelijk verbeterd. Bovendien betreft het pand in het plangebied een gemeentelijk monument. Om dergelijke gebouwen een functie te laten houden dienen de bijbehorende voorzieningen aangepast te worden aan de eisen van deze tijd zodat het gebouw kan worden behoed voor leegstand.

Spelregels groencompensatie

De gemeente Arnhem hanteert binnen haar grenzen het uitgangspunt 'groen blijft groen' en 'zuinig omgaan met bestaande en potentiele kwaliteiten'. Wanneer per saldo minder oppervlakte groen en/of minder bomen in het plangebied terugkomen, volgt er een groencompensatie. De regeling is aanvullend op de provinciale compensatieregeling 'Natuur en Bos', die geldt buiten de grenzen van de bebouwde kom (en bestemde verstedelijkte gebieden). Wanneer de provinciale compensatieregeling niet van toepassing is, geldt de gemeentelijke regeling.

In het onderhavige plan worden de parkeerplaatsen binnen de bestemming 'Maatschappelijk' en voor een klein deel binnen de bestemming 'Bos' gerealiseerd (en geïntensiveerd). Het provinciale beleid geldt uitsluitend ter plaatse van de bestemming 'Bos'. Dit betekent automatisch dat op locaties waar groen verdwijnt binnen de bestemming 'Maatschappelijk' het provinciale beleid geen compensatieplicht kent en het gemeentelijk beleid wel. In het onderhavige plan vindt compensatie van het verloren gegane groen binnen de bestemming 'Maatschappelijk' plaats. Deze compensatie is verder uitgewerkt in paragraaf 'flora en fauna'.

Parkeerbeleid

Voor parkeren gelden de gemeentelijke beleidsregels vastgelegd in 'Beleidsregels voor toepassing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Arnhem 2003', van kracht per 05-01-2012. Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein wordt gerealiseerd. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, indien de aanvrager met gegronde redenen kan aantonen dat realisering van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is, een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de gestelde parkeereis. Een nadere onderbouwing van de parkeeroplossing is opgenomen in paragraaf 4.1.

Hoofdstuk 4 Milieuhygienische en planologische verantwoording     

4.1 Parkeren     

Parkeren huidige situatie

In totaal kunnen in de huidige situatie circa 156 auto's op het eigen terrein van IFV parkeren. Door veranderingen in, en intensivering van de activiteiten van het IFV op deze locatie voldoet de huidige parkeercapaciteit niet aan de parkeerbehoefte. Er sprake is van een grotere parkeerdruk op het terrein van het IFV. Omdat er onvoldoende parkeerplaatsen zijn op het eigen terrein worden ook buiten het eigen terrein auto's geparkeerd. Bijna dagelijks wordt er geparkeerd rondom de kerk van Schaarsbergen en de aangrenzende groene brink (op korte afstand van het plangebied). Bij grotere congressen wordt gebruik gemaakt van de parkeerfaciliteiten van Nationaal Park De Hooge Veluwe aan de Koningsweg.

Parkeerbehoefte in beeld

In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte voor de verschillende functies van het IFV opgenomen op basis van de gemeentelijke parkeernormen. In de beleidsregels van de gemeente Arnhem zijn parkeernormen voor kantoren & bedrijven en bedrijfsterreinen opgenomen. De locatie IFV maakt geen onderdeel uit van een van de aangewezen gebieden voor kantoren & bedrijven en bedrijfsterreinen. Het IFV behoort tot een gebied met gemengd milieu. De hierbij geldende parkeernorm voor kantoren en bedrijfsruimten is 1 parkeerplaats per 50 m2 bvo. Voor vergader- en congresfuncties geldt de norm van 8 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Voor de onderwijsactiviteiten wordt de parkeernorm voor avondonderwijs gevolgd. Die is 0,8 parkeerplaats per student.

Functie Oppervlakte Parkeernorm Parkeeropgave
Kantoorfunctie 4.365 m² bvo 1,0/50 m² bvo 87
Overige ruimte: 1.265 m² bvo
- Onderwijsfunctie (11 lokalen, elk max.30 studenten) 0,8/student* 264
- Vergader-, congresfunctie 8,0/100 m² bvo 101
Maximale parkeerbehoefte afgerond 189 -- 351

* Norm voor avondonderwijs

De vergader- en congresruimte wordt niet bij elk congres volledig benut. Ook wordt de onderwijsruimte (lokalen) in een aantal gevallen bij een congres gebruikt als sub-zalen, waardoor niet gelijktijdig onderwijs wordt gegeven. De dagelijkse praktijk is dat de verschillende gebruiksfuncties in een gemengde vorm voorkomen binnen de beschikbare ruimte. Het gaat om kantoorfuncties, onderwijs en vergader- en congresactiviteiten. Er vinden in het gebouw ook symposia plaats en vergaderingen van de veiligheidsregio's. Er worden zowel overdag en in de avonduren cursussen en leerbijeenkomsten gegeven waarbij personeel dat gebruik maakt van kantoorfaciliteiten deelnemer, begeleider en cursusleider kan zijn. Op het moment dat in de avonduren de ruimten volledig bezet zijn voor avondonderwijs, zijn de kantoren niet meer in gebruik. Daardoor is er ruimte voor de uitwisseling van parkeerplaatsen, het zogenaamd dubbelgebruik. De maximale parkeeropgave van 365 is dan ook hoger dan de maatgevende parkeeropgave in een representatieve situatie. De representatieve situatie varieert van bijna 200 parkeerplaatsen (kantoor- en vergader-/congresfunctie) tot ca. 275 parkeerplaatsen (avondonderwijs en deel kantoorfunctie).

Uitbreiding parkeercapaciteit

Om de extra parkeerbehoefte op eigen terrein te faciliteren maakt het bestemmingsplan een herinrichting mogelijk waarbij de parkeercapaciteit wordt uitgebreid tot circa 221 parkeerplaatsen (figuur 2.3, fase A) mogelijk. Met een de mogelijkheid om binnen de planperiode een parkeerdek aan te leggen kan deze parkeercapaciteit veder worden vergroot tot circa 272 parkeerplaatsen (figuur 2.3, fase B). Hiermee wordt in de meest voorkomende situaties voorzien in voldoende parkeerruimte. Voor die incidentele situaties dat alle functies gelijktijdig in gebruik zijn, treft het IFV aanvullende maatregelen.

Aanvullende maatregelen

In geval van congressen en grotere evenementen kan een parkeerdruk ontstaan die groter is dan de aanwezige parkeercapaciteit. Om ervoor te zorgen dat bij dergelijke situaties geen verdringing van het parkeren plaatsvindt, voert het IFV een succesvol parkeermanagement. Er zijn afspraken dat er in dat geval geparkeerd wordt op het parkeerterrein bij Nationaal Park De Hooge Veluwe. Het IFV zorgt dan voor taxivervoer tussen het parkeerterrein en IFV.

Het IFV geeft het personeel mogelijkheden om met korting met het openbaar vervoer te reizen. Door de beperkte busverbinding tussen het centrum van Arnhem (treinstation) en het IFV wordt het openbaar vervoer maar beperkt gebruikt. IFV onderzoekt de mogelijkheden om dit te verbeteren. De fietsafstand tussen IFV en het station Arnhem Centraal is met circa 7 km voor een aantal werkers en reizigers een alternatief. Met de komst van e-bikes verbetert deze mogelijkheid. Ook is carpoolen een goed alternatief voor werknemers en bezoekers van het IFV. IFV bevordert de mogelijkheden van een duurzame modal split, waarmee de parkeerdruk op het eigen terrein kan afnemen.

Conclusie

Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid van maximaal 272 parkeerplaatsen. In de meest voorkomende representatieve situatie voorziet IFV aldus in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Ter voorkoming van ongewenste parkeerdruk bij grotere congressen en evenementen wordt gebruik gemaakt van een nabij gelegen parkeerterrein. Voorts spant het IFV zich extra in voor een meer duurzame model split door het gebruik van het openbaar vervoer en door het gebruik van de fiets te ondersteunen. Met de gezamenlijkheid van de maatregelen wordt een ruimtelijk aanvaardbare parkeeroplossing gerealiseerd.

4.2 Flora en fauna     

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbe-schermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Gelders Natuurnetwerk (EHS), die op provinciaal niveau in de Omgevingsvisie Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland is vastgelegd. Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Door het ruimtelijk plan kan namelijk het leefgebied van beschermde flora en fauna verloren gaan en kunnen beschermde natuurgebieden worden geschaad. Ten behoeve van het onderhavige plan is een natuurtoets uitgevoerd inclusief veldonderzoek. In deze paragraaf zijn uitsluitend de conclusie en aanbevelingen opgenomen. De gehele rapportage is als bijlage opgenomen.

Conclusie en aanbevelingen

Flora- en faunawet

Vanuit de Flora- en faunawet zijn de volgende voorwaarden verbonden aan het plan. Wanneer hiermee rekening gehouden wordt, is overtreding van de Flora- en faunawet redelijkerwijs uit te sluiten.

Verzachten van verstoring van foerageergebied vleermuizen

Er wordt slechts gebruik gemaakt van dynamische verlichting (bewegingssensoren) en “vleermuisvriendelijke” verlichting (er is speciale verlichting in de handel die een voor vleermuizen minder storend, amberkleurig licht verspreidt). Tevens wordt gebruik gemaakt van armaturen die zo min mogelijk strooilicht verspreiden.

Bij de groene inrichting van het terrein wordt gebruik gemaakt van inheemse planten die prooidieren voor vleermuizen (insecten) aantrekken. Bijvoorbeeld kamperfoelie trekt nachtvlinders aan.

Voorkomen van verstoring van broedvogels

Door de beplanting te verwijderen buiten de broed- en nestperiode is overtreding van de Flora- en faunawet te voorkomen. Deze broed- en nestperiode loopt globaal van half maart tot half augustus. Vanuit de Flora- en faunawet is echter niet de periode leidend, maar het daadwerkelijke broeden van vogels.

Natuurbeschermingswet

Het initiatief heeft geen verslechterende invloed op de aangewezen habitattypen binnen het Natura 2000-gebied. De verstorende invloed op de aangewezen broedvogelsoorten wespendief en zwarte specht is als verwaarloosbaar te beschouwen en zeker niet significant. Vanuit de Natuurbeschermingswet is in dit geval geen vergunning nodig.

Provinciale natuurbescherming

Voor het verdwijnen van 455 m2 bos is vanuit de Omgevingsverordening Gelderland compensatie vereist. Omdat sprake is van een 'matig vervangbaar' natuurtype (bos met een ouderdom van 25 tot 100 jaar) is volgens deze richtlijn (artikel 2.7.1 van de Omgevingsverordening) bovenop deze oppervlakte een toeslag vereist van 2/3%. Daarmee komt de compensatieopgave op 758 m2 (455 m2 + (2/3 van 455 m2).

De natuurcompensatie zal in samenspraak met Gemeente Arnhem geregeld worden. De gemeente heeft grond beschikbaar waarop aanplant van bos ter compensatie mogelijk is. Hiervoor zal een privaatrechtelijke overeenkomst vastgelegd worden met de gemeente om de feitelijke aanplant en planologische verankering te waarborgen.

Gemeentelijk groenbeleid

Voor de geplande uitbreiding van parkeergelegenheid zullen binnen de bestemming “Maatschappelijk” bomen verdwijnen. Deze worden binnen het plangebied herplant.

4.3 Archeologie     

De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (R.A.C.M.) spreekt op basis van gebieds- en bodemkenmerken haar verwachting uit over mogelijke archeologische vondsten in de bodem. Wanneer de verwachting is dat er archeologische resten gevonden kunnen worden dient het RACM ingelicht te worden wanneer ingrepen gedaan kunnen worden, die deze vondsten zouden kunnen aantasten. De gemeente Arnhem heeft voor het eigen grondgebied een archeologische verwachtingskaart laten opstellen en heeft regels opgenomen in de vastgestelde 'Erfgoed verordening'. Op deze verwachtingskaart is het plangebied gelegen in de zones 'lage verwachting' en 'kans op grafheuvels' (zie figuur 4.1). Binnen de zone 'lage verwachting' is een onderzoek noodzakelijk indien de oppervlakte van het te verstoren gebied meer dan 2.000 m² bedraagt en de diepte meer dan 40 cm. Ten behoeve van de zone 'kans op grafheuvels' is in de 'Erfgoed verordening' en op de maatregelen kaart geen beleid opgenomen.

verplicht

Het plangebied heeft op de archeologische waardenkaart van de gemeente Arnhem een lage verwachtingswaarde. Een onderzoek is derhalve verplicht bij bepaalde bodemingrepen. In het onderhavige plan wordt echter uitsluitend een bestaand parkeerterrein beperkt uitgebreid. De bodem wordt niet dieper verstoord dan 40 centimeter. Een onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Indien in de toekomst met behulp van de afwijkingsmogelijkheid het parkeerdek wordt gerealiseerd dient, indien bodemingrepen plaatsvinden, het onderzoek in het kader van deze procedure alsnog plaats te vinden. Het aspect archeologie vormt vooralsnog geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.4 Cultuurhistorie     

Wetgeving en beleid

De monumentenzorg is gemoderniseerd zodat de cultuurhistorische waarde van een object in het proces van de ruimtelijke ordening moet worden geïnventariseerd en geanalyseerd. Ook andere vormen van cultuurhistorie krijgen een belangrijke plek in het te ontwikkelen beleid. Het erfgoed heeft een maatschappelijke betekenis; het biedt kennis over het verleden en zorgt ervoor dat mensen weten wie ze zijn en waar ze vandaan komen. Daarnaast versterkt cultuurhistorie en erfgoed de ruimtelijke kwaliteit en biedt het inspiratie voor de inrichting van de ruimte.

Met een gemoderniseerd monumentenstelsel is op rijksniveau de impuls gegeven om goed te zorgen voor het erfgoed, zodat het optimaal bijdraagt aan kwaliteit van de ruimte en daarmee aan de kwaliteit van het leven. Dat geldt voor gebouwde objecten, maar ook voor gebieden met cultuurhistorische waarden.

Daarnaast zijn cultuurhistorische waarden één van de wegingsfactoren bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Bij wijziging van het bestemmingsplan wordt het effect van die verandering op de cultuurhistorische waarden afgewogen tegen andere belangen.

In Nederland bestaan er meerdere soorten monumenten: rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, provinciale monumenten en beeldbepalende panden in beschermde stads- en dorpsgezichten. In de Monumentenwet zijn de rechten en plichten van de verschillende monumenten bepaald.

Aanwezige monumenten en waardevolle monumenten

Rijksmonumenten

De wettelijke bescherming van onroerende rijksmonumenten en door het rijk aangewezen stads- en dorpsgezichten is geregeld in de Monumentenwet 1988. In het plangebied komen geen Rijksmonumenten voor.

Gemeentelijke monumenten

De gemeente Arnhem heeft het uit 1979 stammende gebouw van het IFV, het voormalige brandweeracademiegebouw, als gemeentelijke monument aangewezen.

Stedenbouwkundige waarden: het complex heeft stedenbouwkundige waarde vanwege zijn aanleg volgens de ideeën van de Forum-beweging. Het gebouw is opgedeeld in grillig gevormde en aan elkaar geschakelde eenheden binnen een tuinaanleg. Het was de bedoeling een massaal imponerend gebouw te vermijden en de kleinschalige sfeer van bijvoorbeeld een oude binnenstad te evenaren. Door zijn ligging op een verhoging met taluds, omgeven door verdiept geleden wegen en parkeerterreinen, staat het complex als een soort kleine vestingstad in contrast met zijn bosachtige omgeving.

Architectonische waarden: Het gebouw is door zijn omvang, typologisch consequente uitvoering en rijke detaillering een zeldzaam voorbeeld in zijn soort en het belangrijkste Forum-gebouw in Arnhem. Ondanks wijzigingen aan de entree en het centrale, overdekte 'plein' zijn de hoofdstructuur, de gevels en het interieur van de diverse vleugels goed bewaard gebleven. Het complex is ontworpen door J. Verhoeven en is met zijn gecompliceerde, maar regelmatige structuur van overhoeks geplaatste en gestapelde eenheden die samen een geheel vormen een typisch voorbeeld van zijn werk.

Cultuurhistorische waarden, Forum-beweging: het object heeft cultuurhistorische waarde als uiting van de Forum-beweging, die ontstond rond het in 1959 opgerichte architectuurtijdschrift Forum. Deze beweging keerde zich tegen de schaalloosheid, eindeloze repetitie van gelijkvormige bouwblokken en het gebrek aan herkenbaarheid in de naoorlogse functionalistische architectuur.

In het onderhavige plan worden geen wijzigingen aan het pand aangebracht. De bescherming van het gemeentelijk monument is geborgd in de gemeentelijke monumenten verordening.

Aanwezigheid cultuurhistorische structuren

Het gebied heeft landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het monumentale hoofdgebouw van belang. Daarnaast zijn de lanen, met name de laan die uitkijkt op de kerk van Schaarsbergen, cultuurhistorisch waardevol. De bosbegroeiing aan weerszijden van het gebouw is landschappelijk zeer belangrijk voor het beeld van het 'stadje in het bos'. De tuinbegroeiing aan de voorzijde van het gebouw heeft eerder een verstorend effect op dit beeld. Door de aanplant van veel verschillende soorten coniferen, ontstaat een wat vervreemdend beeld in deze natuurlijke, bosachtige omgeving. Andere ontsierende elementen in het plangebied zijn de omheining van het terrein met harmonicagaas en overal op het terrein geparkeerde auto's. In het onderhavige plan blijven de lanen behouden en waar nodig versterkt. Het voorterrein wordt heringericht waarbij gebiedsvreemde elementen (landschaps)elementen worden verwijderd en/of worden vervangen. Het parkeren verdwijnt uit het voorterrein en wordt meer geconcentreerd.

4.5 Waterparagraaf     

Bij ieder ruimtelijke plan is een watertoets verplicht omdat de ontwikkeling geen negatieve invloed mag uitoefenen op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de omgeving. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft derhalve een watertoets plaats gevonden. In deze paragraaf zijn de hoofdpunten uit dit onderzoek opgenomen. In de bijlage is de gehele rapportage opgenomen.

Het terrein wordt heringericht om meer parkeerruimte te creëren. Aan de zuidzijde van het terrein neemt het verhard oppervlak toe. Daarnaast verdwijnt in dit deel de huidige waterbergingsvoorziening (voormalige blusvijver). Aan de noordzijde neemt het verhard oppervlak af. Daar worden bestaande verharde paden/wegen verwijderd en wordt de bestemming 'Maatschappelijk' gewijzigd in 'Bos'.

In de nieuwe situatie wordt regenwater van de verhardingen zoveel mogelijk in de berm en groenstroken geïnfiltreerd. Dat is maar gedeeltelijk mogelijk. De huidige pompen rondom het gebouw worden gebruikt om het water naar de groenstroken te pompen en ter plaatse te infiltreren. De loods zal afwateren in een wadi aan de achterzijde van de loods. Voor het overige (het hoofdgebouw en de verhardingen) wordt een ondergrondse berging aangelegd. De omvang van de berging wordt bepaald door de maatgevende regenintensiteit. De berging wordt voorzien van een filterende laag.

verplicht

Totaal wordt er 7.475 m² afgevoerd naar de berging. Voor bui T=10 + 10% gedurende 45 minuten bedraagt de benodigde berging 295 m³. Bij hevigere en langdurigere buien zal het overtollige water overlopen naar het naastgelegen bosperceel.

verplicht

4.6 Bodem     

Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren moet de bodemkwaliteit worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te kunnen verzekeren dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. In het onderhavige plan worden parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt een deel van het plangebied aangewend ten behoeve van natuurcompensatie.

Het merendeel van de intensivering van het bestaande parkeerterrein wordt binnen de bestemming 'Maatschappelijk' gerealiseerd. De functie en het gebruik worden op deze locatie niet gewijzigd. Een klein deel van de parkeerplaatsen wordt binnen de bestemming 'Bos' gerealiseerd. De bestemming wordt gewijzigd naar 'Maatschappelijk' ten behoeve van de parkeerplaatsen. Bovendien wordt tevens een deel van de bestemming 'Maatschappelijk' bestemd naar 'Bos'. In het kader van de bestemmingswijziging dient de bodem te worden beoordeeld. Voormalig bosgebied wordt in gebruik genomen ten behoeve van parkeren. Het is onwaarschijnlijk dat dit bosgebied dusdanig verontreinigd is dat de bodem niet geschikt is voor de functie parkeren. Ook is het niet waarschijnlijk dat de bestemming 'Maatschappelijk' dusdanig verontreinigd is dat het niet geschikt is voor de functie bos. Een onderzoek is derhalve niet zinvol. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.7 Bedrijven en milieuzonering     

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' voetnoot: Bedrijven en milieuzonering handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk, uitgave VNG, 2009.

Richtafstandenlijsten

Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven in de VNG-publicatie. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

In het onderhavige plan worden uitsluitend parkeerplaatsen gerealiseerd. Conform de VNG publicatie hoort bij een parkeerterrein (sbi2008 code 5221) een grootste richtafstand van 30 meter. Deze parkeerplaatsen worden hoofdzakelijk gerealiseerd ter plaatse van het bestaande parkeerterrein. Het terrein wordt echter aan de zuidzijde beperkt uitgebreid. Aan de zuidzijde zijn twee gevoelige objecten (woningen) gelegen. De afstand tot de meest in de nabijheid gelegen woning bedraagt echter circa 60 meter (zie figuur 4.3). De woningen vormen derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

verplicht

Per 1 januari 2007 is de nieuwe wet 'Geurhinder en veehouderij' (Wvg) in werking getreden. Ten behoeve van het plangebied is het van belang dat omliggende agrarische bedrijven niet belemmerd worden in hun bedrijfsontwikkeling en dat ter plaatse van het plangebied (bij gevoelige objecten) een goed 'woon- en leefklimaat' moet heersen. Er zal dus duidelijkheid gegeven worden in de invloed van nabijgelegen veehouderijbedrijven op het plangebied. Een parkeerplaats is geen geurgevoelig object. Het aspect geur hoeft derhalve niet nader te worden verantwoord.

4.8 Akoestiek, spoor- en wegverkeer     

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:

  • wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen;
  • wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.

Het plangebied is gelegen binnen een zone (van de A50 en de Kemperbergerweg) waarbinnen een 'akoestisch onderzoek, wegverkeer' noodzakelijk is indien gevoelige objecten worden gerealiseerd of indien als gevolg van het onderhavige plan het verkeer dusdanig toeneemt dat een onderzoek uitgevoerd dient te worden ten behoeve van andere gevoelige objecten in de omgeving. In het onderhavige plan worden geen gevoelige objecten gerealiseerd. Bovendien is er geen significante toename van het verkeer. Er worden circa 65 parkeerplaatsen op het terrein toegevoegd (met een maximale toename naar 116 parkeerplaatsen). In de huidige situatie wordt geparkeerd aan de overzijde van de Kemperbergerweg, ter plaatse van de groene brink. De parkeerplaatsen die met onderhavig bestemmingsplan op eigen terrein worden toegevoegd zijn daarmee grotendeels reeds in het gebied aanwezig, echter buiten eigen terrein. Na realisatie van de parkeerplaatsen op eigen terrein vervalt het parkeren op de groene brink. De verkeersintensiteit op de Kemperbergerweg neemt dus maar in beperkte mate toe. Het aspect akoestiek (spoor- en wegverkeer) vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.9 Luchtkwaliteit     

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer. Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Conclusie

In het onderhavige plan vindt een beperkte toename van de verkeersgeneratie plaats Het betreft de realisatie van parkeerplaatsen voor een bestaande functie met een parkeerprobleem. De verkeersaantrekkende werking van het kantoor ten behoeve van de educatieve functie wijzigt niet door het onderhavige plan. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.10 Externe veiligheid     

In het kader van de externe veiligheid is het van belang om een onderzoek uit te voeren naar de invloed van de in de nabijheid aanwezige inrichtingen en transportroutes in relatie tot de bestemmingsplanontwikkeling in het voorliggend plan. Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat de afstand tussen gevoelige bestemmingen en activiteiten met gevaarlijke stoffen voldoende blijft.

verplicht

Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Het betreft de risico's die worden veroorzaakt door activiteiten binnen en buiten het plangebied, die relevant kunnen zijn voor het plangebied en de toetsing van deze risico's aan de normen voor externe veiligheid.

Concreet gaat het om:

  • risico veroorzakende leidingen in en nabij het plangebied;
  • andere risico-opleverende transportroutes/wegverkeer over water-, spoor- en/of autowegen;
  • risico veroorzakende inrichtingen zoals LPG-tankstations en bedrijven;
  • luchthavens.

Conclusie

Het onderhavige plan maakt uitsluitend de intensivering en beperkte uitbreiding van een parkeerterrein mogelijk. Het onderhavige plan bevat derhalve geen nieuwe gevoelige functies. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet     

5.1 Algemeen     

Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting.

De regels  bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en de overheid bindende deel van het bestemmingsplan.

Op de verbeelding is de bestaande situatie, wat betreft bebouwing en de eigendomsgrenzen, in de (topografische) ondergrond weergegeven. Op deze ondergrond zijn vlakken ingetekend waar via een bestemming is aangegeven welk gebruik ter plaatse is toegestaan. Deze bestemmingen zijn met een letter aangeduid of met een combinatie van letters en zijn in de legenda en in de planregels nader verklaard. Naast de bestemmingen zijn verschillende aanduidingen op de verbeelding opgenomen, die ook in het renvooi en de planregels worden verklaard. Enkele gegevens van de verbeelding zijn uitsluitend in de legenda aangegeven als verklaring, zoals de plangrens. Voor de beoordeling van de gebruiks- en bouwmogelijkheden ter plaatse van een perceel dienen de op de verbeelding aangebrachte bestemming en eventuele aanduidingen te worden bekeken, de legenda te worden geraadpleegd en het bijbehorende artikel in de planregels te worden gelezen.

De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2 Systematiek     

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet.

De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012, de bestemmingsplansystematiek van de gemeente Arnhem en het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Arnhem Noord 2007'. In onderstaande paragrafen zullen de regels nader worden uiteengezet.

5.2.1 Inleidende regels     

Begrippen

In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.2.2 Bestemmingsregels     

In dit hoofdstuk komen alle bestemmingen aan de orde. Het betreft een indeling van bestemmingen in hoofdgroepen waarin de meest voorkomende functies kunnen worden ondergebracht. De indeling in hoofdgroepen maakt het raadplegen van een bestemmingsplan en het zoeken naar bepaalde functies eenvoudiger.

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen heeft verleend. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt verleend indien zij voldoet aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.

De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uitvoetnoot: Duidelijk mag zijn, dat een bestemmingsplanbepaling niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming en per bestemmingsplan verschillen.:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;

Daarnaast zijn in de bestemmingen soms nog de volgende elementen opgenomen:

  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • afwijkingsbevoegdheid.

Hieronder volgt per toegepast enkelbestemmingsonderdeel een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving

De bestemmingsomschrijving bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de gronden worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de gronden toegekende functies. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Tevens zijn daarbij bijbehorende functies zoals paden en dergelijke toegestaan.

De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfuncties ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid wordt weergegeven door de zinsnede 'met daaraan ondergeschikt'. Tevens wordt aangegeven welke functies bij de bestemming behoren door middel van de zinsnede 'en tevens voor'. Het betreft hier meestal functies als groenvoorzieningen en speelvoorzieningen. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel, maar kan ook inrichtingsaspecten bevatten.

Bouwregels

In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Nadere eisen

Nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van bepaalde kwalitatief omschreven criteria, zoals woonsituatie, straat- en bebouwingsbeeld en verkeersveiligheid. De nadere eisen-regeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning sturend op te treden.

Afwijken van de bouwregels

Van bepaalde algemeen toegestane bouwregels kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning onder specifiek in de regels genoemde voorwaarden worden afgeweken. Het gaat hier om afwijkingen voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).

Specifieke gebruiksregels

In dit onderdeel van de bestemmingsregeling wordt aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Deze bepaling geeft enkel en alleen de gebruiksvormen weer, waarvan uit de bestemmingsomschrijving niet rechtstreeks is op te maken dat zij binnen een bepaalde bestemming niet zijn toegestaan. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de bestemmingsomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels

Van bepaalde gebruiksregels kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning onder specifiek in de regels genoemde voorwaarden worden afgeweken. Het gaat hier om afwijkingen voor specifieke bestemmingen. Een afwijking van een gebruiksregel mag overigens niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming, wat inhoudt dat de afwijking uitsluitend kan worden verleend voor functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via een afwijking kunnen geen 'nieuwe' functies worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ingrijpende ruimtelijke ingrepen worden geregeld via een afwijkingsbevoegdheid.

Wijzigingsbevoegdheid

Door het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). In de meeste gevallen zal het gaan om het wijzigen van de op een perceel gelegde bestemming, maar deze wijziging kan eventueel ook gebruikt worden om de bouwmogelijkheden op een perceel te wijzigen.

Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien wijzigingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).

5.2.3 Algemene regels     

Antidubbeltelregel

Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels

In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen, onder andere bepalingen over ondergeschikte bouwdelen, bouwen binnen het bouwvlak en het bebouwingspercentage.

Algemene gebruiksregels

In deze bepaling wordt geregeld wat in ieder geval als strijdig gebruik van gronden of bouwwerken wordt verstaan. De specifieke gebruiksregels, zoals deze kunnen worden opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen, is aanvullend op de algemene gebruiksbepaling van het bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om voor alle in het plan voorkomende bestemmingen af te wijken van de planregels ten behoeve van onder andere maatvoerings- en situeringsbepalingen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

5.2.4 Overgangs- en slotregels     

Overgangsrecht

In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik.

Slotregel

Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

5.3 Specifieke bestemmingsregels     

In deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op de in het plan voorkomende bestemmingen.

5.3.1 Bestemming 'Bos'     

Gebruik

De voor 'Bos' bestemde gronden zijn onder meer bestemd voor het behoud, herstel of de ontwikkeling van het bos voor natuur, landschap en houtteelt en het behoud of herstel van de voorkomende waarden, zoals natuur- en cultuurhistorische waarden. Daarnaast mogen de gronden worden gebruikt ten behoeve van extensieve recreatie en groenvoorzieningen. Parkeren is niet toegestaan binnen de bestemming 'Bos'. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 1' is tevens een brandweermonument toegestaan. De bestaande bomen van betekenis zijn als zodanig aangeduid ('specifieke vorm van groen – 1'). De gebruiksregels zijn tevens gericht op behoud van deze bomen.

Bouwen

Op de gronden met de bestemming 'Bos' mag in beginsel niet worden gebouwd. Afwijking van deze regeling is door middel van een omgevingsvergunning in een aantal gevallen, onder bijzondere voorwaarden, toegestaan. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning benodigd voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (onder meer het vellen, rooien en beschadigen van houtgewas).

5.3.2 Bestemming 'Maatschappelijk'     

Gebruik

De voor 'Maatschappelijk' bestemde gronden mogen onder meer worden gebruikt voor educatieve doeleinden, onzelfstandige kantoren, geïnstitutionaliseerde zorg en voorzieningen ten behoeve van het verkeer, groen-, parkeer- en speelvoorzieningen en straatmeubilair. Ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn de gronden specifiek bestemd voor groenvoorzieningen en paden; parkeervoorzieningen zijn binnen deze aanduiding niet toegestaan. Verder zijn bijbehorende en ondergeschikte functies zoals waterbergende voorzieningen, kleinschalige horeca en detailhandel en parkeer-, groen- en speelvoorzieningen toegestaan.



Bouwen

Op de gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd (met inachtneming van de aangegeven maximale bouwhoogte), met dien verstande dat maximaal één bedrijfswoning per bestemmingsvlak is toegestaan. Door middel van een afwijkingsbevoegdheid kunnen kleine bouwwerken, zoals fietsenstallingen, hekwerken en zitbanken met een maximale bouwhoogte van 3 meter worden gerealiseerd. Daarnaast kan, tevens door middel van een afwijkingsbevoegdheid, een verdiepte parkeervoorziening worden gerealiseerd ofwel een parkeerdek. Hierbij moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • de hoogte van het parkeerdek mag niet hoger zijn dan de hoogte van het maaiveld aan de Kemperbergerweg (36 meter +NAP);
  • voorzien is in een doelmatige landschappelijke inpassing;
  • door middel van een geo-hydrologisch onderzoek is aangetoond dat de ontwikkeling hydrologisch neutraal is.

Dit is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de betreffende gebiedsaanduiding 'wetgevingszone - afwijkingsgebied', met een marge van maximaal 2,5 meter aan de noord- en oostkant.

5.3.3 Dubbelbestemming Leiding - Riool     

Ter bescherming van de in het plangebied aanwezige rioolleiding is de dubbelbestemming 'Leiding – Riool' opgenomen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten behoeve van deze dubbelbestemming worden gebouwd. De maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter (tot maximaal 80 m boven NAP).

5.3.4 Dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie (lage verwachting)'     

Ter bescherming van eventueel in de grond voorkomende archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie (lage verwachting)' voor het gehele plangebied opgenomen. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning benodigd voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

5.3.5 Dubbelbestemming 'Waarde – Landschap'     

Ter behoud, herstel en versterking van de in de grond voorkomende cultuurhistorische en landschappelijke waarden is de dubbelbestemming 'Waarde – Landschap' opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid     

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid     

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

6.1.1 Wettelijk (voor)overleg     

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van de betrokken gemeenten, waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.1. lid 2 Bro hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland bepaald, dat geen overleg is vereist met de diensten bij plannen van lokaal belang. Onderhavige ontwikkeling kan worden beschouwd als een plan van lokaal belang. Er is dan ook geen overleg met provinciale diensten vereist.

Desalniettemin wordt de provincie in het kader van het 3.1.1.-overleg geraadpleegd.

6.1.2 Planprocedure: inspraak en zienswijzen     

De Wet ruimtelijke ordening bepaald dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene Wet bestuursrecht van toepassing is. Dit betekent dat het college het ontwerp-bestemmingsplan zes weken ter inzage dient te leggen, zodat belanghebbenden hun zienswijzen naar voren kunnen brengen. Het vaststellen van dit bestemmingsplan is een bevoegdheid van de gemeenteraad. De raad neemt daarbij ook een standpunt in met betrekking tot de eventueel ingediende zienswijzen. De indieners van eventuele zienswijzen worden hierover geïnformeerd. Vervolgens wordt het vaststellingsbesluit ter inzage gelegd. Tegen het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid     

De uitvoering van het plan is in handen van één ontwikkelende partij. Met deze partij heeft de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten. Eventuele planschade zijn voor rekening van de ontwikkelende partij Eén en ander is vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Daarmee is verzekerd dat alle projectgebonden kosten worden verhaald op de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 7 Procedure     

7.1 Vooroverleg     

Publicatie voornemen ontwikkeling

Volgens artikel 1.3.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening moet het voornemen tot een ontwikkeling worden gepubliceerd. Aan deze verplichting is voldaan met het publiceren van de kennisgeving van het bestemmingsplan in de Staatscourant, in het digitaal gemeenteblad en op de gemeentelijke website.

Artikel 3.1.1 Bro overleg

Het plan is in het kader van het 3.1.1. Bro overleg toegestuurd aan de provincie Gelderland, de gasunie, de dorpsraad Schaarsbergen, het GNMF, waterschap en Vitens) gezonden. Het waterschap en provincie stemmen in met de voorgenomen ontwikkeling. De gasunie ziet geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het GNMF heeft een reactie gestuurd. Over de beoordeling van deze reactie wordt met het GNMF in gesprek getreden.De overige instanties hebben niet gereageerd. De dorpsraad Schaarsbergen wordt geïnformeerd over de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan en het vervolg van de procedure.

7.2 Terinzagelegging (ontwerp-bestemmingsplan)     

Het ontwerp-bestemmingsplan 'IFV Kemperbergerweg' heeft vanaf 21 november 2016 tot en met 1 januari 2017 ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Op 30 januari 2017 is het bestemmingsplan door de gemeenteraad ongewijzigd vastgesteld.

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Plan     

Het bestemmingsplan 'IFV-terrein Kemperbergerweg' met identificatienummer NL.IMRO.0202.887-0301 van de gemeente Arnhem.

1.2 Bestemmingsplan     

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

1.3 Aanduiding     

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 Aanduidingsgrens     

Grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 Archeologische waarden     

De aan een object / terrein / gebied toegekende waarden in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of - activiteit uit het verleden.

1.6 Bebouwing     

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.7 Bebouwingspercentage     

Een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van een gedeelte van een bestemmingsvlak of gedeelte van een bouwvlak aangeeft dat ten hoogste mag worden bebouwd.

1.8 Bedrijf     

Een onderneming of gedeelte van een onderneming, die een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en is gericht op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten, hieronder begrepen ondernemingen of gedeelten van ondernemingen, die door of vanwege de overheid worden geleid.

1.9 Bedrijfswoning     

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is.

1.10 Bestemmingsgrens     

De grens van een bestemmingsvlak.

1.11 Bestemmingsvlak     

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.12 Bouwen     

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.13 Bouwgrens     

De grens van een bouwvlak.

1.14 Bouwperceel     

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.15 Bouwperceelsgrens     

De grens van een bouwperceel.

1.16 Bouwvlak     

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.17 Bouwwerk     

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.18 Brandweermonument     

Het Nationaal Brandweermonument, waar brandweermensen worden herdacht die tijdens hun werk zijn omgekomen.

1.19 Cultuurhistorische waarden     

De kenmerken van het gebruik dat de mens in de loop der geschiedenis van grond en gebouwen heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het slotenpatroon of de architectuur. Onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan de archeologische waarden en monumenten.

1.20 Detailhandel     

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; dienstverlening door een horecabedrijf wordt hieronder niet begrepen.

1.21 Ecologische waarden     

Waarden betreffende de natuurlijke samenhang tussen organismen en hun milieu.

1.22 Educatieve voorzieningen     

Voorzieningen ten behoeve van de educatie en opleiding van mensen, zoals onder andere scholen, onderwijsinstellingen en particuliere instellingen.

1.23 Extensieve recreatie     

Die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, trimmen, paardrijden, vissen, roeien en dergelijke.

1.24 Gebouw     

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.25 Hoofdgebouw     

Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken.

1.26 Kampeermiddel     

  1. een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
  2. enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan.

Een en ander voor zover de onder 1 en 2 bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruik voor recreatief nachtverblijf.

1.27 Landschappelijke inpassing     

Het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden om zo te komen tot een landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing die recht doet aan de kwaliteit en de beleving van het landschap.

1.28 Landschappelijke waarde     

De aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid en de waarneembaarheid van de onderlinge samenhang van beïnvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens).

1.29 Natuurwaarde     

De aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van geologische, bodemkundige, geomorfologische en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang (ecologie).

1.30 Onzelfstandig kantoor     

Een onderdeel van een organisatie waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft.

1.31 Peil     

  1. Voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of pad grenst: de hoogte van die weg of dat pad ter plaatse van de hoofdtoegang.
  2. Voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
  3. Voor een ander bouwwerk: indien het bouwwerk een toegang heeft: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de toegang van het bouwwerk bij voltooiing van de bouw. Indien het bouwwerk geen toegang heeft de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw.

1.32 Prostitutie     

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.33 Prostitué(e)     

Degene, die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.34 Raamprostitutie     

Een vorm van prostitutie waarbij de werving van klanten geschiedt door een prostitué(e) die door houding, gebaren, kleding of anderszins, vanuit een vitrine de aandacht op zich vestigt en waarbij de seksuele handelingen in een voor het publiek besloten ruimte plaatsvinden.

1.35 Seksinrichting     

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte (hieronder wordt mede begrepen een voer- of vaartuig) waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichtingen wordt in elk geval verstaan een (raam)prostitutiebedrijf, een seksclub, een privé-huis, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.36 Straatmeubilair     

Onverminderd het bepaalde in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht wordt onder straatmeubilair voor de werking van dit bestemmingsplan mede verstaan: papier-, glas- en andere inzamelbakken, toegangsconstructies voor ondergrondse voorzieningen, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame, alsmede abri's en kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen.

1.37 Thuisprostitutie     

Vorm van prostitutie waarbij de seksuele dienstverlening plaatsvindt op het woonadres van de prostitué(e) en waarbij ook alleen door deze prostitué(e) op dit adres gewerkt wordt als prostitué(e).

1.38 Vestigingsbeleid     

Het beleid neergelegd in de nota "van Rood naar Groen" (vastgesteld 26 juni 2000).

1.39 Werkplek     

Een plaats, waar één prostitué(e) zijn of haar werk verricht.

1.40 Wijk     

Wijk, zoals gehanteerd wordt in de indeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

1.41 Woning     

Een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één huishouding.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De inhoud van een bouwwerk     

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.2 De bouwhoogte van een bouwwerk     

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 De oppervlakte van een bouwwerk     

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Bos     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het behoud, herstel of de ontwikkeling van het bos voor natuur, landschap en houtteelt;
  2. het behoud of herstel van de op deze gronden voorkomende, dan wel daaraan eigen natuurwaarden, ecologische waarden, landschappelijke waarden en cultuurhistorische waarden;
  3. vormen van extensieve recreatie, welke niet strijdig zijn met het behoud of herstel van bovengenoemde waarden;
  4. watergangen, waterpartijen, waterinfiltratievoorzieningen en andere voorzieningen voor de waterhuishouding;
  5. behoud van de bestaande waardevolle bomen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - 1';

en tevens voor:

  1. instandhouding van onverharde wegen;
  2. wegen ten behoeve van bestemmingsverkeer;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 1', een brandweermonument.

3.2 Bouwregels     

  1. Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd;
  2. In afwijking van het bepaalde in sub a geldt dat de bouwhoogte van het bouwwerk, geen gebouw zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 1' niet meer mag bedragen dan is aangeduid op de verbeelding met een bebouwingspercentage van maximaal 10% van het aanduidingsvlak.

3.3 Afwijken van de bouwregels     

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 ten behoeve van:

  1. het oprichten van brandtorens;
  2. het oprichten van voederbergingen of voederruiven voor wild, mits:
    1. deze bergingen noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het wild;
    2. de inhoud per bouwwerk maximaal 3 m³ bedraagt;
    3. de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt;
  3. voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van het bosbeheer en extensieve recreatie, mits:
    1. door de bouwwerken de aanwezige natuurwaarden en landschappelijke waarden niet onevenredig worden geschaad;
    2. de bouwhoogte maximaal 2,5 meter bedraagt;
    3. de oppervlakte per bouwwerk maximaal 10 m² bedraagt.

3.4 Specifieke gebruiksregels     

  1. Onder gebruik van de gronden in strijd met de bestemming, wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden:
    1. als standplaats voor kampeermiddelen of voor enige andere vorm van kamperen;
    2. voor het aanbrengen van afbeeldingen of tekens voor commerciële doeleinden;
    3. voor het opstellen, opslaan, lozen c.q. storten, al dan niet ten verkoop, van onbruikbare dan wel aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, materialen, stoffen, producten, voer- of vaartuigen of machines;
    4. voor parkeren.
  2. De in dit lid onder a genoemde gebruiksvormen zijn niet verboden, indien en voorzover deze onlosmakelijk verbonden zijn met werken en werkzaamheden, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

3.5.1 Verbod     

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het vellen, rooien en beschadigen van houtgewassen;
  2. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse leidingen, constructies, installaties of andere apparatuur;
  3. het aanleggen of aanbrengen van beschoeiingen en puinstortingen;
  4. het graven, dichten, verdiepen of verbreden van greppels, sloten, vijvers, beken en andere watergangen;
  5. het verlagen van de bodem of het afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  6. het ophogen van gronden;
  7. het aanleggen, verbreden of verharden van voet- en rijwielpaden;
  8. het aanbrengen van oppervlakteverharding groter dan 25 m².

3.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 3.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  1. die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

3.5.3 Toelaatbaarheid van de werkzaamheden     

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 3.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende bestemmingen zijn toegekend;
  2. hierdoor dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, natuurwaarden en kwaliteit van gronden dan wel de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 4 Maatschappelijk     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. educatieve voorzieningen;
  2. onzelfstandige kantoren;
  3. geïnstitutionaliseerde zorg;
  4. therapeutische doeleinden;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'groen', uitsluitend paden, groenvoorzieningen, in- en uitgangen en ontsluitingen ten behoeve van gebouwen;
  6. parkeervoorzieningen inclusief een parkeerdek, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';
  7. behoud van de bestaande bomen van betekenis ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - 1';

en tevens voor:

  1. voorzieningen ten behoeve van het verkeer, groen- en speelvoorzieningen en straatmeubilair;
  2. waterbergende voorzieningen;
  3. wonen in een bedrijfswoning;

met daaraan ondergeschikt:

  1. kleinschalige, ondergeschikte horeca en detailhandel, uitsluitend ten dienste van bovengenoemde functies.

4.2 Bouwregels     

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven bouwvlak, maximale bouwhoogte en, voor zover aangegeven, het bebouwingspercentage, uitsluitend in de gegeven bestemming passende gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat:

  1. maximaal één bedrijfswoning per bestemmingsvlak is toegestaan;
  2. in afwijking hiervan de bouwhoogte van een telecommunicatiemast maximaal 40 meter mag bedragen. Per bestemming mag slechts één telecommunicatiemast worden geplaatst;
  3. de hoogte van 80 meter +NAP niet mag worden overschreden.

4.3 Afwijken van de bouwregels     

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.1 ten behoeve van het bouwen buiten het bouwvlak van:

  1. kleine bouwwerken passend in de bestemming zoals fietsenstallingen, hekwerken en zitbanken met een maximale bouwhoogte van 3 meter;
  2. verdiepte parkeervoorzieningen met een parkeerdek ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - afwijkingsgebied', waarbij voldaan moet zijn aan de volgende voorwaarde:
    1. de hoogte van het parkeerdek mag niet hoger zijn dan 36 meter +NAP;
    2. voorzien is in een doelmatige landschappelijke inpassing;
    3. door middel van een geo-hydrologisch onderzoek is aangetoond dat de ontwikkeling hydrologisch neutraal is;
    4. aan de noord- en/of oostkant mogen de voorzieningen maximaal 2,5 meter buiten de aanduiding 'wetgevingszone - afwijkingsgebied' worden gerealiseerd.

4.4 Specifieke gebruiksregels     

4.4.1 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend:

  1. het gebruik van gronden ten behoeve van parkeervoorzieningen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'.

4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

4.5.1 Verbod     

Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'groen' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het vellen, rooien en beschadigen van houtgewassen;
  2. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse leidingen, constructies, installaties of andere apparatuur;
  3. het aanleggen of aanbrengen van beschoeiingen en puinstortingen;
  4. het graven, dichten, verdiepen of verbreden van greppels, sloten, vijvers, beken en andere watergangen;
  5. het verlagen van de bodem of het afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  6. het ophogen van gronden;
  7. het aanleggen, verbreden of verharden van voet- en rijwielpaden;
  8. het aanbrengen van oppervlakteverharding groter dan 25 m².

4.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 4.5.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  1. die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

4.5.3 Toelaatbaarheid van de werkzaamheden     

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 4.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende bestemmingen zijn toegekend;
  2. hierdoor dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, natuurwaarden en kwaliteit van gronden dan wel de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 5 Leiding - Riool     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een ondergrondse rioolleiding ten behoeve van het transport van afvalwater met de daarbij behorende belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de as van de leiding.

5.2 Bouwregels     

Uitsluitend mogen worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de in lid 5.1 genoemde bestemmingen, waarbij:

  1. de bouwhoogte van de bouwwerken maximaal 3 meter bedraagt, met dien verstande dat de hoogte van 80+NAP niet mag worden overschreden.

5.3 Afwijken van de bouwregels     

Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 5.2 voor de bouw van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming, zoals bedoeld in de artikelen 3 en 4, mits:

  1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig functioneren van de leidingen en de veiligheid daarvan;
  2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij en akkoord is verkregen van de beheerder van de betrokken leidingen omtrent het onder a. gestelde.

Artikel 6 Waarde - Archeologie (lage verwachting)     

6.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Archeologie (lage verwachting)' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

6.2 Bouwregels     

Binnen de voor deze bestemming aangewezen gronden mogen:

  1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn;
  2. bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden aangewezen bestemmingen worden gebouwd, indien het betreft:
    1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid of,
    2. een bouwwerk waarvan de binnen de bestemming gelegen oppervlakte ten hoogste 2.000 m² bedraagt.

6.3 Afwijken van de bouwregels     

  1. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels.
  2. Afwijken als bedoeld in artikel 6.3 sub a is mogelijk, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologische deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
  3. Afwijken als bedoeld in artikel 6.3 sub a is voorts mogelijk, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken regels te verbinden gericht op:
    1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. het doen van opgravingen;
    3. begeleiding van de bouwwerkzaamheden door een archeologisch deskundige.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

6.4.1 Verbod     

Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  2. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard en/of indien stobben worden verwijderd;
  3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

6.4.2 Uitzonderingen     

Het in 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing indien:

  1. de werken die, voor zover deze zijn gelegen binnen deze bestemming, een oppervlakte hebben tot ten hoogste 2.000 m² of een omvang van 2.000 m¹;
  2. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of een ontgrondingsvergunning;
  3. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan;
  4. de werken of werkzaamheden behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;
  5. de werken of werkzaamheden ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

6.4.3 Toelaatbaarheid     

De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van 6.4.1 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad of mogelijk schade kan worden voorkomen door aan de vergunning regels te verbinden gericht op:

  1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  2. het doen van opgravingen;
  3. begeleiding van de aanlegwerkzaamheden door een archeologisch deskundige.

6.5 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk     

Het is verboden binnen de voor 'Waarde - Archeologie (lage verwachting)' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning) reeds aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 2.000 m².

6.6 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (lage verwachting)' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat:

  1. op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  2. wel aanwezige archeologische waarden in voldoende mate zijn veilig gesteld.

Artikel 7 Waarde - Landschap     

7.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en de versterking van de op of in deze gronden voorkomende dan wel daaraan eigen cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden.

7.2 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van de situering van bouwwerken die mogen worden gebouwd op grond van de andere bestemming(en) nadere eisen stellen ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de aanwezige landschappelijke waarden.

7.3 Specifieke gebruiksregels     

Onder gebruik van de gronden en opstallen in strijd met de bestemming wordt in elk geval begrepen:

  1. het aanbrengen van recreatievoorzieningen, dan wel als standplaats voor kampeermiddelen of voor enige andere vorm van kamperen;
  2. het aanbrengen van afbeeldingen of tekens voor commerciële doeleinden;
  3. het opslaan, lozen c.q. storten, als dan niet ten verkoop van onbruikbare dan wel aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, materialen, stoffen, producten, voer- of vaartuigen of machines;
  4. voor het racen en crossen met motorvoertuigen en bromfietsen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels     

9.1 Bouwen binnen bouwvlak     

  1. Indien binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven mag, behoudens andersluidende bepalingen in deze regels, uitsluitend worden gebouwd binnen dit bouwvlak.
  2. Indien in een bestemmingsvlak geen bouwvlak is aangegeven, mag uitsluitend worden gebouwd voor zover daartoe in de betreffende bestemmingsregel uitdrukkelijk mogelijkheden zijn opgenomen.

9.2 Bebouwingspercentage     

  1. Indien in een bouwvlak geen bebouwingspercentage is aangegeven, mag dit vlak geheel worden bebouwd.
  2. Indien binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak en een bebouwingspercentage zijn aangegeven is het bebouwingspercentage van toepassing op de gronden binnen het bouwvlak.
  3. Indien in een bestemmingsvlak respectievelijk bouwvlak slechts één bebouwingspercentage is aangegeven geldt dit percentage voor het gehele bestemmingsvlak respectievelijk bouwvlak.
  4. Indien in een bestemmingsvlak respectievelijk bouwvlak meerdere bebouwingspercentages zijn aangegeven, gelden deze percentages voor die delen van het bestemmingsvlak respectievelijk bouwvlak waarin ze zijn aangegeven.

9.3 Ondergeschikte bouwdelen     

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels     

Onder gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan:

  1. het gebruik van de gronden ten behoeve van thuisprostitutie, raamprostitutie en seksinrichtingen;
  2. het gebruik van de gronden ten behoeve van onderdelen van sport die geluidhinder veroorzaken, zoals motorsport, modelvliegsport, hondensport en schietsport;
  3. het aanbrengen van afbeeldingen of tekens voor commerciële doeleinden;
  4. het permanent bewonen van bedrijfsruimten, behoudens de bedrijfswoning;
  5. het plaatsen van kampeermiddelen.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels     

11.1 Algemeen     

Indien niet op grond van een andere bepaling kan worden afgeweken van deze regels kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van:

  1. de in deze regels opgenomen bebouwingsregels, voor zover betreffende de maximum bouwhoogte, en de maximum inhoud, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in de regels vastgelegde maten;
  2. de verplichting tot het bouwen binnen het bouwvlak, zoals bedoeld in lid 9.1 mits:
    1. de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan twee meter, de bestemmingsgrens niet wordt overschreden en het de bouw betreft van erkers, luifels, balkons, keldergaten (koekoeken) of galerijen;
    2. het de bouw van volledig beneden peil gelegen bouwwerken betreft, mits:
      • een diepte van 6 meter niet wordt overschreden;
      • het maaiveld wordt afgewerkt op een wijze die past binnen de bestemming;
      • door de nieuwe ontwikkeling geen onevenredige toename van de parkeerdruk plaatsvindt;
      • de bestemmingsgrens niet wordt overschreden;
  3. de bestemmingsbepalingen voor het oprichten van:
    1. kunstobjecten en niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorstations, rioolgemalen, schakelhuisjes voor zover met een inhoud groter dan 3 m³, en haltes van vervoersdiensten, alle met een inhoud van maximaal 75 m³;
    2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van (tele)communicatie:
      • voor zover vrijstaand, met een hoogte van maximaal 20 meter;
      • voor zover op of aan een ander bouwwerk te plaatsen, met een hoogte van maximaal 8 meter boven de aangegeven maximum bouwhoogte;
      • geluidwerende voorzieningen voor zover deze noodzakelijk zijn ingevolge de bepalingen van de Wet geluidhinder.
  4. de in deze regels opgenomen bepalingen omtrent de maximum bouwhoogte voor het oprichten van hekwerken ten behoeve van het gebruik van platte daken als dakterras tot een maximum van 1 meter boven de maximaal toegestane bouwhoogte, mits:
    1. dit passend is in het bebouwingsbeeld van de omringende bebouwing en,
    2. de belangen van omwonenden met betrekking tot privacy, uitzicht en bezonning niet onevenredig worden geschaad.

het bepaalde in artikel 10 voor de vestiging van maximaal één seksinrichting per wijk onder voorwaarde dat:

  1. het geen raamprostitutie betreft;
  2. de aanvraag past binnen de ruimtelijk relevante aspecten van het vestigingsbeleid prostitutie;
  3. het aantal seksinrichtingen, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, op het grondgebied van de gemeente Arnhem na het afwijken van de regels niet meer dan acht zal bedragen;
  4. er in de wijk nog geen seksinrichting is;
  5. de seksinrichting niet in een appartementengebouw wordt gevestigd;
  6. het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast;
  7. er geen onevenredige vergroting van de parkeerdruk ontstaat;
  8. de afstand tot de dichtstbijzijnde seksinrichting hemelsbreed ten minste 250 meter bedraagt;
  9. de inrichting niet meer dan acht werkplekken bevat.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

Artikel 12 Overgangsrecht     

12.1 Overgangsrecht bouwwerken     

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  3. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik     

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

12.3 Hardheidsclausule     

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht afwijken.

Artikel 13 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'IFV-terrein Kemperbergerweg'.