| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22f Emmeloord - Emmelhage fase 4 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0171.TAM0752-VS01 |
Ten noorden van Emmeloord, in de gemeente Noordoostpolder, liggen de gronden van de uitbreidingswijk Emmelhage. Voor deze wijk is in 2005 het bestemmingsplan “Emmelhage 2004” vastgesteld. Op grond van dit bestemmingsplan is een gefaseerde uitwerking van de uitbreidingswijk Emmelhage mogelijk gemaakt (zie paragraaf 1.2.1’), om te kunnen voorzien in de woningbehoefte binnen de gemeente Noordoostpolder.
De eerste twee fasen van Emmelhage zijn afgerond en reeds in gebruik genomen. De derde fase nadert de bouwkundige afronding. Om ook in de toekomst te kunnen voldoen aan de toenemende woningbehoefte, wordt met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan gestart met de voorbereiding van fase 4 van Emmelhage.
Fase 4 voorziet in de realisatie van maximaal 406 woningen. Daarnaast maakt het plan het doortrekken van de Buitensingel mogelijk, ten noorden van de eerste drie fasen van Emmelhage.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan biedt het juridisch-planologische kader dat nodig is voor de hierboven beschreven ontwikkeling. In deze motivering wordt aangetoond dat deze ontwikkeling in overeenstemming is met een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.
Het omgevingsplan van de gemeente Noordoostpolder bevat regels in het tijdelijke deel. De regels voor de onderhavige locatie zijn opgenomen in de volgende onderdelen (artikel 22.1 van de Omgevingswet):
Sinds 1 januari 2024 geldt ter plaatse van het plangebied het ‘Omgevingsplan van de gemeente Noordoostpolder’. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn voor het betreffende gebied de volgende bestemmingsplannen opgenomen.
| Type plan | Plannaam | Datum vaststelling |
| Bestemmingsplan | Emmelhage 2004 | 30-09-2005 |
| Bestemmingsplan | Facetbestemmingsplan Toevoegen Laddertoets | 04-03-2019 |
| Bestemmingsplan | Parapluplan parkeren | 08-07-2019 |
| Bestemmingsplan | Paraplubestemmingsplan Wonen | 24-04-2024 |
Voor de beoogde ontwikkeling gelden de bestemmingen en bijbehorende regels die deel uitmaken van het Bestemmingsplan Emmelhage 2004. In figuur 1.1 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven.
Figuur 1.1: uitsnede plankaart bestemmingsplan “Emmelhage 2004” (plangebied aangegeven met rode contour) (bron: Omgevingsloket: Regels op de kaart)
Hieronder worden de geldende bestemmingen en de gebiedsaanduiding nader beschreven:
Woongebied uit te werken
De voor ‘Woongebied uit te werken’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor woonhuizen, tuinen, erven, verkeers- en verblijfsdoeleinden, water, fiets-, voetpaden en groen-, nuts- en parkeervoorzieningen.
Binnen deze bestemming zijn uitwerkingsregels opgenomen voor de realisatie van minimaal 315 en maximaal 351 woningen. Sinds 1 januari 2024, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is het opstellen van uitwerkingsplannen niet langer toegestaan. Daarom moet het omgevingsplan worden aangepast om de ontwikkeling van fase 4 mogelijk te maken.
Water
De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor water, watergangen en oeverstroken. Ter plaatse van de aanduiding ‘waterfiltering’ zijn deze uitsluitend bestemd voor water ten behoeve van een biezenveld of andere natuurlijke vormen van waterzuivering, met bijbehorende landschappelijke en ecologische waarden.
Verkeersdoeleinden
De voor ‘Verkeersdoeleinden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen met een functie voor doorgaand verkeer en ontsluitingswegen, evenals voor parkeer-, groen-, nuts-, water- en speelvoorzieningen.
Groenvoorzieningen
De voor ‘Groenvoorzieningen’ aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor groen- en speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, watergangen, paden en verhardingen.
Het planvoornemen is strijdig met deze bestemmingen omdat:
Dit facetbestemmingsplan voegt de laddertoets toe aan onderliggende bestemmingsplannen met uitwerkingsplichten of wijzigingsbevoegdheden. Daarnaast is het ook van toepassing op omgevingsplannen. Het plan bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders bij uitwerking of wijziging van activiteiten de laddertoets moet toepassen.
In paragraaf 4.1 van deze motivering wordt ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Voor alle geldende bestemmingsplannen binnen het grondgebied van de gemeente Noordoostpolder is op 8 juli 2019 het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren’ vastgesteld. Hiermee zijn de regels met betrekking tot parkeren voor alle bestemmingsplannen binnen de gemeente gewijzigd.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden aangetoond dat in de parkeerbehoefte in beginsel op eigen terrein kan worden voorzien. In paragraaf 4.5.2.5 (fiets)Parkeerbehoefte wordt aangetoond dat aan de parkeerbehoefte wordt voldaan.
Ten behoeve van een nadere toelichting op het begrip ‘Wonen’ in bestemmingsplannen waarin deze ontbrak, is op 22 april 2023 het ‘Paraplubestemmingsplan Wonen’ vastgesteld. Dit plan bevat een nadere definitie van het begrip ‘Wonen’ met het doel kamerverhuur te reguleren.
Omdat het wenselijk is dat de bestaande regels uit dit parapluplan ook gelden voor deze wijziging van het omgevingsplan, zullen de bijbehorende bepalingen worden overgenomen, teneinde de verhuur van onzelfstandige woonruimte te reguleren.
Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening inzake de afvoer van regen- en grondwater, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. In dit geval maakt de Verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Noordoostpolder onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
De bodemkwaliteitskaart (ook wel ontgravingskaart genoemd) is een door de gemeente vastgestelde kaart waarop de bodemkwaliteit per gebied is aangegeven. De gemeente Noordoostpolder beschikt over een bodemkwaliteitskaart en een bodemfunctieklassenkaart; beide zijn opgenomen in de Nota Bodembeheer.
In paragraaf 4.13.2 wordt nader op dit aspect ingegaan. Er is geen sprake van strijdigheid.
In de Bruidsschat zijn diverse regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Deze omvatten onder andere voorrangsbepalingen, overgangsrecht, regels voor bouwwerken, open erven en terreinen, milieubelastende activiteiten, het aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond, en regels omtrent gemeentelijke omgevingsvergunningen. In hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt nader op de regels ingegaan.
Gezien de aard en omvang van het initiatief is ervoor gekozen om het omgevingsplan te wijzigen met toepassing van de TAM-IMRO-techniek.
Gemeenten kunnen de TAM-IMRO-techniek toepassen totdat zij het omgevingsplan-instrument op basis van de STOP/TPOD-standaard kunnen publiceren, bekendmaken en beschikbaar stellen via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Met een TAM-IMRO-omgevingsplan wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om een omgevingsplan te maken op basis van de techniek van de oude Wet ruimtelijke ordening (de RO-Standaarden 2012).
Technisch gezien blijft een omgevingsplan op basis van TAM-IMRO een bestemmingsplan in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het met IMRO2012 opgestelde omgevingsplan moet, net als andere bestemmingsplannen, uiteindelijk worden verwerkt in het omgevingsplan op basis van de STOP/TPOD-standaard. Juridisch gezien is een TAM-IMRO-omgevingsplan een volwaardige wijziging van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Inhoudelijk moet deze wijziging voldoen aan de eisen van de Omgevingswet.
De gemeente Noordoostpolder is momenteel bezig met het opstellen van de structuur van het gemeentedekkende omgevingsplan. Omdat deze structuur nog niet definitief is, kan dit plan nog geen basis vormen voor de beoogde ontwikkeling. Daarom is ervoor gekozen de ontwikkeling mogelijk te maken met een TAM-IMRO-omgevingsplan. Zodra de structuur definitief is vastgesteld, zal dit plan worden geïntegreerd in het definitieve omgevingsplan. Voor de uitgebreide motivering wordt verwezen naar de hoofdstukken 3 voor beleid en 4 voor de milieutoetsing.
De gemeente Noordoostpolder hanteert een uitzonderingslijst voor ontwikkelingen waarvoor de gemeenteraad niet hoeft te worden geraadpleegd. In dergelijke gevallen is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om zelfstandig besluiten te nemen.
Uitleglocaties, waaronder Emmelhage, zijn niet opgenomen in de uitzonderingslijst. Dit betekent dat het voorliggende plan ter kennisname aan de gemeenteraad wordt voorgelegd.
Voor dit plan geldt een verplichte participatie. De gemeente Noordoostpolder heeft deze taak zelf uitgevoerd aan de hand van het gemeentelijke stappenplan, samen met de omwonenden. In hoofdstuk 7 Participatie en keten is een beschrijving opgenomen van de uitgevoerde participatie.
Een bestuursorgaan kan de bevoegdheid voor bepaalde handelingen uit het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit bouwwerken leefomgeving overdragen aan een ander bestuursorgaan. Dit geldt ook voor bevoegdheden uit decentrale regelgeving, zoals het omgevingsplan. Voorbeelden hiervan zijn de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften op te stellen of toestemming te verlenen voor het toepassen van een gelijkwaardige maatregel.
Deze delegatie is slechts mogelijk indien het ontvangende bestuursorgaan hiermee instemt. Artikel 4.13a van de Omgevingswet geeft hierover nadere toelichting.
De motivering is als volgt opgebouwd:
Het plangebied ligt ten noorden van de kern Emmeloord en ten westen van de nieuwbouwlocatie Emmelhage fase 3.
De ruimtelijke structuur van de omgeving wordt voornamelijk gekenmerkt door woonbebouwing ten oosten en zuiden van het plangebied, en door de Espelerweg (N351) aan de zuidzijde. De verkavelingsstructuur bestaat uit een regelmatig raster, gebaseerd op de toen gangbare rationele agrarische verkaveling, met kavels van 300 meter breed en 800 meter diep.
Het plangebied is momenteel onbebouwd en bestaat uit agrarische cultuurgrond waarop onder andere verschillende groentesoorten en tarwe worden verbouwd. Het gebied wordt ontsloten via de Espelerweg aan de zuidzijde; aan de noordzijde ligt de Onderduikerstocht. De omliggende agrarische erven zijn omgeven door een brede groene rand met hoog opgaande erfbeplanting.
De directe omgeving wordt functioneel gekenmerkt door een mix van woonfuncties en agrarische cultuurgronden.
Figuur 2.1 toont een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied. De gele contour geeft globaal de ligging van de plangrens weer. In figuren 2.2 en 2.3 zijn de kadastrale percelen weergegeven, en figuur 2.4 toont het huidige straatbeeld vanaf de Espelerweg.
Figuur 2.1: ligging plangebied (aangegeven met gele contour)(bron: pdok)
Figuur 2.2: toont het kadastrale perceel (Noordoostpolder, sectie AX, nummer 755)
waar het plangebied deel van uitmaakt (bron: kadastralekaart.nl)
Figuur 2.3: toont het kadastrale perceel (Noordoostpolder, sectie AX, nummer 757)
waar het plangebied deel van uitmaakt (bron: kadastralekaart.nl)
Figuur 2.4: straatbeeld plangebied vanaf de Espelerweg (bron: Google Streetview)
De woonwijk Emmelhage wordt gefaseerd ontwikkeld. Fase 1 en 2 zijn reeds voltooid; fase 3 is momenteel in ontwikkeling. Om in te spelen op ontwikkelingen op de woningmarkt en blijvend te kunnen voorzien in de toenemende woningbehoefte, wordt fase 4 van Emmelhage, met maximaal 406 woningen, in procedure gebracht. Onderdeel van dit plan is het doortrekken van de Buitensingel tot en met fase 4.
Emmelhage fase 4 vormt de volgende stap in de ontwikkeling van zowel Emmelhage als de noordelijke rand van Emmeloord. Deze fase sluit deels aan op de bestaande polderstructuur, maar biedt tevens ruimte voor een eigen identiteit. Het plan verenigt respect voor het verleden met een toekomstgerichte visie. De volgende aspecten spelen daarbij een belangrijke rol:
Emmelhage fase 4 biedt ruimte voor maximaal 406 woningen. In afbeelding 2.5 is een concept stedenbouwkundig plan weergegeven. Het plan voorziet in een mix van grondgebonden woningen, bestaande uit vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen en rijwoningen.
Voor het gebied is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Dit plan is als bijlage 1 opgenomen in deze motivering.
Figuur 2.5: uitsnede plangebied van het stedenbouwkundig plan (bron: IMOSS Stedenbouw landschap buitenruimte).
Stedenbouwkundige opzet
Emmelhage Fase 4 markeert een belangrijke ontwikkeling in Emmelhage en de noordrand van Emmeloord. Dit project sluit deels aan bij de bestaande polderstructuur, maar biedt tegelijkertijd ruimte voor een eigen identiteit. Hier wordt het DNA van Emmeloord herontdekt en versterkt, wat men kan aanduiden als DNA 2.0. Dit unieke project respecteert het verleden, terwijl het tegelijkertijd met een open blik naar de toekomst kijkt. De volgende ‘bouwstenen’ zijn cruciaal voor deze ontwikkeling:
Groen en water
Zoals beschreven bij de stedenbouwkundige opzet zijn de (groen/blauwe structuren zijn leidend. Het water en groen worden vanuit fase 3 doorgetrokken naar fase 4. Zo wordt de centrale watervoorziening en de Buitensingel doorgetrokken. Ook de bomenrij aan de noordzijde van fase 3 wordt doorgetrokken naar fase 4.
Ontsluiting
De hoofdontsluiting voor het verkeer vindt plaats via een nieuw aan te leggen rotonde op de Espelerweg, die geschikt is voor gemotoriseerd verkeer. Direct naast de rotonde wordt een apart fietspad aangelegd voor fietsers en voetgangers.
Daarnaast wordt de ontsluitingsweg Buitensingel aan de noordzijde van het plangebied verder doorgetrokken. Deze weg, gelegen ten noorden van de woonwijk Emmelhage, biedt een verbinding met de N718. Bij de afronding van Emmelhage zal de Buitensingel in zuidelijke richting worden doorgetrokken, parallel aan de Emmeloorder Dwarstocht, en aansluiten op de N724.
In figuur 2.6 is de wegenstructuur van Emmelhage fase 4 weergegeven .
Figuur 2.6: uitsnede plangebied van het stedenbouwkundig plan (bron: IMOSS Stedenbouw landschap buitenruimte)
Zoals aangegeven wordt in fase 4 van Emmelhage ruimte geboden aan maximaal 406 woningen, waarvan circa 32% sociaal, 31% betaalbaar, 22% middelduur en 16% duur.
Het programma sociaal en betaalbaar 63%, is als volgt onderverdeeld:
Hiermee wordt afgeweken van de aan de voorkant afgesproken 66,6%. Echter, een deel van de geprogrammeerde twee-onder-één-kapwoningen zal uiteindelijk onder de betaalbaarheidsgrens vallen. Bij een aantal van 15 van de 90 geprogrammeerde woningen wordt alsnog voldaan aan de norm van 66,6%.
Hiermee wordt voldaan aan de woningbehoefte, zoals nader uitgewerkt in paragraaf 3.4.2 woonbehoefteonderzoek Noordoostpolder 2024-2035. Binnen het plangebied worden verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen gerealiseerd, zoals appartementen, rijwoningen en 2-onder-1 kapwoningen en vrijstaande woningen evenals levensloopbestendige woningen.
Om flexibiliteit in het plan te behouden, kan de vrijstaande woning worden ingeruild voor twee-onder-één-kapwoningen en vice versa. Het woningbouwprogramma is opgenomen in figuur 2.7.
Figuur 2.7: woonprogramma Emmelhage fase 4.
Het toezicht op het uiterlijk van bouwwerken verloopt via het gemeentelijke omgevingsplan. Daarnaast geldt binnen de gemeente Noordoostpolder de ‘Beleidsregel uiterlijk bouwwerken’. Hierin staan de criteria beschreven voor de toepasselijkheid van de beleidsregel en de bijbehorende voorwaarden. Dit wordt verder uitgewerkt in paragraaf 3.4.3.
Om de toekomstige bouwplannen binnen deze wijziging van het omgevingsplan te kunnen toetsen aan de gewenste beeldkwaliteit, is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Zie hiervoor de bijlage 2.
In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met het aspect gezondheid. Er is aandacht voor de aanleg van groenstructuren die sport en ontspanning voor bewoners van alle leeftijden kunnen faciliteren. Een groene wijk met voldoende blauwstructuren zorgt daarnaast ook voor infiltratiemogelijkheden van regenwater en helpt hittestress tegen te gaan, wat de gezondheid van de bewoners bevordert.
Tot slot wordt opgemerkt dat in het stedenbouwkundig plan de benodigde wandel en fietspaden zijn aangegeven.
In paragraaf 4.3 wordt hier nader op ingegaan.
De ontwikkeling is getoetst aan het beleid en de regels die het Rijk heeft opgenomen in de AmvB's, de provincie in de omgevingsverordening en aan het gemeentelijke beleid. De toetsing is in dit hoofdstuk beschreven. Ook is beschreven welke instructieregel overgenomen en/of uitgewerkt wordt in het omgevingsplan.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
De voorliggende ontwikkeling sluit aan bij prioriteit 1: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie van de NOVI omdat wordt voorzien in een wijkuitbreiding waarin aandacht is voor de aspecten klimaatadaptatie en energietransitie. Het klimaatadaptieve vermogen van het project wordt bewerkstelligd doormiddel van de uitgebreide groen- en blauwstructuur en vanwege de eis om nieuwe woning aardgasvrij te realiseren zal worden voorzien in een wijkuitbreiding met woningen die kunnen worden beschouwd als energiezuinig.
Vanwege de woningbehoefte in de Noordoostpolder en het feit dat het planvoornemen voorziet in een groot aantal woningen aan de rand van het bestaande stedelijk gebied, kan tevens worden geconcludeerd dat wordt aangesloten bij prioriteit 3: sterke en gezonde steden en regio's.
Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen in lijn is met de NOVI.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en de decentrale overheden, waaronder gemeenten in hun omgevingsplannen.
In het Bkl worden in hoofdstuk 5 instructieregels gegeven aan de gemeente voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ten behoeve van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevante instructie- en beoordelingsregels uit het Bkl.
In hoofdstuk 4 van deze motivering wordt getoetst aan de instructieregels in het Bkl wanneer deze relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling. Per onderwerp vindt een toetsing plaats.
De gemeente Noordoostpolder is een van de 30 wederopbouwgebieden van nationaal belang. Het beleidsdocument Noordoostpolder - 'Toonbeeld van de wederopbouw' is opgesteld naar aanleiding van het deelprogramma Wederopbouw van de visie Erfgoed en ruimte en is een nadere uitwerking van de kernkwaliteiten zoals genoemd in de Visie Erfgoed en Ruimte van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De kernkwaliteiten van het landelijk gebied van de Noordoostpolder zijn:
Toetsing aan de aanwijzing als wederopbouw gebied
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet in de realisatie van nieuwbouwwoningen en niet in de sloop van woningen. De bestaande woningen langs de Espelerweg worden in de voorliggende plannen gehandhaafd.
In deze paragraaf 3.1 komt naar voren dat het initiatief passend volgens de uitgangspunten van het relevante rijksbeleid.
De provincie Flevoland heeft een Omgevingsvisie (zie paragraaf 3.2.1) en een Omgevingsverordening (zie paragraaf 3.2.2) vastgesteld.
In de motivering van het plan wordt aangegeven welke onderdelen van de Provinciale Omgevingsvisie en de Provinciale Omgevingsverordening van toepassing zijn, en of het plan binnen de kaders van de provincie Flevoland past.
De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de langetermijnvisie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. Het gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Flevoland liggen. Er zijn drie kernopgaven:
Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waarbij de provincie Flevoland betrokken is. Dit geldt zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie als voor andere beleidsvraagstukken. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven:
De voorgenomen ontwikkeling betreft een uitbreiding van een woningbouwgebied ten noorden van Emmeloord, waarmee wordt voorzien in de lokale woningbehoefte. Deze ontwikkeling sluit goed aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie FlevolandStraks, in het bijzonder bij ‘Het Verhaal van Flevoland’.
Elke provincie moet een Omgevingsverordening vaststellen waarin zij instructieregels opnemen voor andere bestuursorganen. In deze verordening staan regels over hoe de provincie Flevoland omgaat met de fysieke leefomgeving. Het betreft onder meer regels over (vaar)wegen, grondwater, watersystemen, zwemwater, stiltegebieden, beschermingsgebieden, natuur, ontgrondingen, reclameborden in het landelijk gebied, duurzame energie, geitenhouderijen en schaliegas.
Voor voorliggend plan zijn de volgende instructieregels van toepassing:
Artikel 7.4 Aanwijzing vergunningvrije gevallen (ontgrondingen)
In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod uit artikel 5.1 van de Omgevingswet om zonder vergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet, voor zover het gaat om ontgrondingen:
Artikel 7.5 Melding (Ontgrondingen)
Het is onbekend hoeveel grond zal worden afgegraven. Indien sprake is van een ontgrondingsactiviteit zoals benoemd in artikel 7.4, dan wordt voorafgaand aan de werkzaamheden een vergunningsaanvraag ingediend conform de gestelde eisen uit artikel 7.4.
Artikel 9.2a Geluidproductieplafonds provinciale wegen
Voor de in Bijlage XIV Lijst provinciale wegen waar geluidproductieplafonds gelden opgenomen openbare wegen in beheer bij de provincie Flevoland worden geluidproductieplafonds vastgesteld.
Paragraaf 4.6 gaat nader in op het aspect geluid. Op dit moment heeft de provincie geen gpp's vastgesteld en is de Wet geluidhinder van kracht.
Artikel 6.8 Gegevens en bescheiden: onbekende historische grondwaterverontreiniging
Gedeputeerde staten ontvangen onverwijld een afschrift van de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving die aan burgemeester en wethouders worden verstrekt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of omgevingsplan, indien uit het voorafgaand bodemonderzoek dat plaatsvindt buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging blijkt dat voor één of meer verontreinigende stoffen de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in Bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden.
Paragraaf 4.13 gaat nader in op de bodemkwaltieit. Uit de onderzoeken is gebleken dat de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in Bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt overschreden.
Artikel 12.8 Omgevingswaarden wateroverlast binnen bebouwde kom
Voor het gebied binnen de bebouwde kom geldt een overstromingskans van ten hoogste 1/100 per jaar.
Paragraaf 4.4 gaat hier nader op in.
Artikel 14.17 Buiten windgebied
Een omgevingsplan sluit uit dat buiten windgebied nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald.
In paragraaf 4.12 Hinder wind, licht en (slag)schaduw is beschreven dat nieuwe windmolens niet mogelijk worden gemaakt. Het plan is niet in strijd met deze instructieregel.
Artikel 15.15 Natuurnetwerk Nederland
Een omgevingsplan, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij het aangewezen Natuurnetwerk Nederland:
Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van het NNN en derhalve is de ontwikkeling niet in strijd met deze regels. Paragraaf 4.15 gaat hier nader op in.
Artikel 17.4 Instructieregels omgevingsplan (geitenhouderijen)
In de planregels van voorliggend plan wordt de nieuwvestiging van geitenhouderijen uitgesloten.
In het hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante instructieregels.
In dit hoofdstuk wordt aangetoond op welke wijze in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt voldaan aan de relevante instructieregels van de provincie Flevoland.
Provinciale Staten stelde deze woonagenda vast op woensdag 13 oktober 2021. De Flevolandse Woonagenda moet er aan bijdragen er meer balans komt op de woningmarkt binnen Flevoland. Het gaat om méér dan alleen goede woningen. Het gaat ook om wonen op een plek van waaruit je makkelijk je werk, scholen en andere voorzieningen kunt bereiken, maar ook een mooie (natuurlijke) omgeving. In de Flevolandse woonagenda beschrijft de provincie actiepunten die hieraan bijdragen. Gelet op deze lokale verantwoordelijkheid heeft de provincie Flevoland deze woonagenda samen met de gemeenten opgesteld.
De ambitie van de provincie is het realiseren van een volwaardige kwalitatieve ontwikkeling van het wonen in Flevoland. Hierbij richt de provincie zich op:
Het betreft een nieuwe uitbreiding van een bestaande wijk. In het voornemen wordt een variatie aan woningen mogelijk gemaakt. Dit kan een brede groep mogelijke bewoners aantrekken. In het plangebied is voorzien in vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen, rijwoningen en rug-aan-rugwoningen.
De ontwikkeling zet in op een goed en volwaardig woonklimaat door de bestaande groen- en blauwstructuren door te trekken naar fase 4. Hierdoor is de toekomstige woonwijk groen ingericht. Ter bevordering van het leefklimaat worden bovendien meerdere parken aangelegd waar inwoners kunnen ontspannen.
De nieuwe wijk draagt op deze manier bij aan de Flevolandse Woonagenda.
Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen in lijn is met het relevante provinciale beleid. In hoofdstuk 4 van deze motivering wordt nader aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan de diverse instructieregels.
De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang, wat ertoe kan leiden dat er op regionaal niveau beleid wordt vastgesteld.
Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht, wordt met het Nationaal Programma Woningbouw ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Het streven is vanaf 2024 jaarlijks 100.000 nieuwbouwwoningen te realiseren, waarvan ten minste twee derde betaalbaar is. Daarom wordt nationaal ingezet op de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment (waarvan 50.000 middenhuurwoningen door woningcorporaties en koopwoningen onder de €355.000). Gemeenten, provincies en het Rijk maken samen afspraken over hun aandeel in het behalen van deze doelstellingen. De nationale opgave is vastgesteld in de Nationale Woon- en Bouwagenda en uitgewerkt in bestuurlijke afspraken op provinciaal niveau. (zie paragraaf 3.2.3) en op regionaal niveau tussen de gemeente ZUND-gemeenten (Zeewolde, Urk, Noordoostpolder en Dronten) in deze woondeal.
De woondeal betreft nu nog bestuurlijke afspraken. Deze prestatieafspraken zullen uiteindelijk wettelijk geborgd worden in de Wet versterking regie volkshuisvesting (Wvrv). De provincie dient bij inwerkingtreding van de Wvrv de voortgang van de gemaakte afspraken te monitoren. De beoogde datum van inwerkingtreding van de Wvrv is 1 juli 2025 (of uiterlijk 1 januari 2026).
Toetsing aan de Regionale woondeal ZUND-gemeenten
In paragraaf 4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking is de ontwikkeling getoetst aan het woonbeleid waaronder ook de Regionale woondeal ZUND-gemeente. In deze toetsing is geconcludeerd dat het plan voldoet aan deze regionale woonagenda.
De voorliggende ontwikkeling is in lijn met het relevante regionale beleid.
De omgevingsvisie is de routekaart naar de toekomst van Noordoostpolder, tot stand gekomen samen met inwoners die op verschillende manieren participeerden.
De doelen tot 2050 staan beschreven in de 3 kernopgaven;
Kernopgave 1: Groei en bloei van dorpen en wijken
De sociale kracht is van oorsprong sterk in de Noordoostpolder. Tegelijkertijd is er een woningbehoefte, staan voorzieningen onder druk en moeten er blijvend worden gewerkt aan kansengelijkheid en perspectief voor alle inwoners. Hierom wordt ingezet op de menselijke maat: nieuwe woonbuurtjes, die zorgen voor versterking van bestaande en nieuwe voorzieningen, prettige omgangsvormen en individuele ontplooiing. Voor voorliggende ontwikkeling zijn onderstaande uitgangspunten relevant om te wegen.
Openbare ruimte is basis voor veilige samenleving
De inrichting van de openbare ruimte is van invloed op het gedrag van inwoners. Het is de basis voor een veilige samenleving en voorwaarde voor gezonde, betrokken inwoners, met aandacht voor elkaar. Er zijn nieuwe woonbuurten met passende woningen nodig. Plekken waar nieuwe inwoners zich thuis voelen.
Ontwikkeling woningvoorraad in kwaliteit en hoeveelheid
Kernopgave 2: Vitaal landelijk gebied
De Noordoostpolder heeft van meet af aan ten dienste gestaan van de landbouw- en voedselproductie in de regio en het land. Tegelijkertijd spelen uitdagingen zoals bodemdaling, stikstofopgave en duurzame energieopwekking. Hierom wordt ruimte geboden voor (agrarisch) ondernemen, passend bij een goed en duurzaam woon- en leefklimaat, een gezond bodem- en watersysteem, een vitaalkrachtige natuur, het kenmerkende landschap en een aantrekkelijk recreatie- en toerismeaanbod.
Kernopgave 3: Aantrekkelijke regio.
De Noordoostpolder biedt veel. Voor huidige en toekomstige inwoners, voor ondernemers, voor bezoekers. Hierom wordt er gewerkt aan het bieden van voorwaarden en voorzieningen om een aantrekkelijke, toekomstbestendige en unieke regio te zijn.
In de omgevingsvisie is daarnaast een uitvoeringsagenda opgenomen per deelopgave. Voor de voorliggende ontwikkeling is met name kernopgave 1 relevant. De relevante deelopgaven van kernopgave 1 met de daaraan gekoppelde acties zijn als volgt:
Vitale en gezonde inwoners.
Passend en toekomstbestendig woningaanbod.
Voorzieningen zijn toegankelijk, nabij en bereikbaar.
Zorgen voor een goede leefomgeving.
De gemeente moedigt betaalbare woningen met meer woonlagen aan in Emmeloord en mogelijk in de dorpen. De gemeente stelt daarom een visie op bouwhoogte op.
Het plangebied ligt aangrenzend aan het stedelijk gebied van Emmelaard. Het planvoornemen sluit aan bij 'kernopgave 1 'Groei en bloei van dorpen en wijken' omdat het realiseren van een woonwijkuitbreiding versterkend werkt voor het woningaanbod en daarmee de vitaliteit van het stedelijk gebied. Daarnaast wordt in paragraaf 4.3 Gezondheid nader beschreven dat het plan aantrekkelijke voorzieningen of gelegen is in de buurt van aantrekkelijke voorzieningen. Het plan voldoet aan kernopgave 3.
Op basis van het woonbehoefteonderzoek Noordoostpolder 2024-2035 is er in het hoog-dorpsscenario een verwachte behoefte van 2.300 woningen. Met andere woorden: voor deze periode is de gemiddelde woningbehoefte voor Noordoostpolder 209 woningen per jaar. Het grootste deel van de vraag komt voor rekening van de periode 2024-2030. Er zijn dan zo'n 1.400 extra huizen nodig. Dat is ongeveer de helft van de totale nettobehoefte tot 2050. Tot 2035 zijn er naar verwachting nog eens 900 extra woningen nodig. Na 2035 neemt het groeitempo af en wordt de voorspelling onzekerder. Wat wel zeker is, is dat het aantal huishoudens in Noordoostpolder dan van nature zal dalen, doordat het aantal seniorenhuishoudens door sterfte afneemt. Of de gemeente nog blijft groeien, hangt dan in steeds grotere mate af van instroom uit andere gemeenten.
Kwantitatieve behoefte
Uitgangspunt voor de programmering is de bevolkingsprognose van de gemeente. Tegelijk is het beeld dat de groei hoger uit kan vallen. De ambitie van de gemeente is dan ook om aan die grotere behoefte te voldoen. Dat betekent dat er een flexibele programmering is, waarbij een jaarlijkse bijstelling van prognose en planning nodig is. Het doel is om meerjarig te voldoen aan de kwantitatieve behoefte die wordt afgeleid van de huishoudensprognose. Dat betekent dat er de komende 10 jaar in ieder geval de ruimte is om 1.000 woningen toe te voegen.
Dat aantal staat los van de intentie van de provincie Flevoland om in het kader van het project “Flevoland bouwt voor Nederland” in de provincie tot 2050 100.000 woningen extra te bouwen. Het is van belang zowel in Emmeloord als in de dorpen de ontwikkelruimte beschikbaar te hebben om aan de provinciale vraag te voldoen. Er zijn geen harde cijfers per kern om zo de programmering flexibel te houden en in te kunnen spelen op de behoefte.
Kwalitatieve behoefte
De kwalitatieve woningprogrammering kent drie invalshoeken:
Bij het bouwen van nieuwe woningen wordt gekeken naar inbreidingsmogelijkheden, transformatie van bestaand vastgoed en uitbreiding.
De inzet van de woonvisie is om de vraag en tekorten van vandaag op te lossen door een op doorstroming gericht seniorenprogramma dat invulling geeft aan de behoefte van morgen. Het doel is om zowel in Emmeloord als in de kernen een dergelijk programma te realiseren. Het gaat daarbij om huur- én koopwoningen, appartementen én grondgebonden woningen. Een dergelijk programma kan door doorstroming ruimte scheppen voor starters en andere groepen.
Betaalbaarheid
De basisstrategie is om door middel van het stimuleren van doorstroming betaalbare woningen in de voorraad beschikbaar te maken voor de groepen die daar behoefte aan hebben. Dit kan bijvoorbeeld door het toevoegen van seniorenwoningen.
Als de doorstroming niet voldoende op gang komt, moeten andere maatregelen worden genomen om woningen beschikbaar te krijgen. Hierbij kan worden gedacht aan een middenhuurprogramma of aan het geschikt maken van starterswoningen voor levensloopbestendig wonen.
Daarnaast is het doel om voor de groepen die tussen de sociale huurmarkt en de koopmarkt vallen, te komen tot een nieuw middenhuurprogramma.
Duurzaamheid
Het landelijk doel is om in 2050 een energieneutrale woningvoorraad te hebben. De gemeente heeft daarbij als subdoelstellingen de betaalbaarheid van het wonen én de kwaliteit van de bestaande voorraad. Vooral in de goedkopere delen van de koopvoorraad ligt hier een belangrijke opgave.
De komende jaren moet op gebiedsniveau invulling worden gegeven aan deze doelstelling. Vooruitlopend daarop is het doel te leren van experimenten en met die experimenten ook draagvlak onder de bevolking te creëren.
Een bijzonder aandachtspunt is de verwachting dat, zodra de strategie voor de energietransitie in een afrondende fase komt, de nieuwe opgave van de circulaire transitie zich aandient. De oplossingen voor de energietransitie kunnen strijdig zijn met die van circulair bouwen. Parallel daaraan zijn er ook de opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en biodiversiteit. Het doel is om tijdig met deze nieuwe opgaven rekening te houden bij het formuleren van strategieën.
De wijziging van het omgevingsplan voor Emmelhage fase 4 voorziet in een gevarieerd woningbouwprogramma. Er worden verschillende soorten woningen gebouwd, zoals rijwoningen, tweekappers en vrijstaande woningen. Hierdoor kan een brede doelgroep worden bediend. Rijwoningen en tweekappers zijn (zeer) geschikt voor, of geschikt te maken voor, starters en senioren. Daarnaast kunnen de vrijstaande woningen en tweekappers aantrekkelijk zijn voor doorstromers. Het planvoornemen heeft verder een duurzaam karakter door de aardgasvrije huizen en de ruime groen- en blauwstructuren die door het plangebied lopen.
Hiermee kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.
De gemeente Noordoostpolder kiest voor het verminderen van eisen voor het uiterlijk van bouwwerken. Hoewel hierdoor bestuurlijk minder wordt gestuurd op esthetische kwaliteiten van bebouwing, is flankerend beleid nodig. De gemeente Noordoostpolder wil met de Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken sturen op het behoud en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente.
De beleidsregel geldt voor de hele Noordoostpolder, maar spitst zich toe op een aantal specifieke gebieden en objecten. Daarnaast geldt voor sommige gebieden een beeldkwaliteitsplan ofbeeldkwaliteitseisen , waarin eisen zijn gesteld aan het uiterlijk van bouwwerken in dat specifieke gebied. Het kan zijn dat toetsing van het uiterlijk van bouwwerken noodzakelijk is of dat advies over beeldkwaliteit wordt gevraagd.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen die niet gelegen zijn in de aangewezen gebieden, maar die wel een grote impact hebben op de omgeving, kan de gemeenteraad een beeldkwaliteitsplan vaststellen voor dat gebied. Nu de gemeente voor grote gebieden geen specifieke regels stelt, zoals in het buitengebied, ligt het voor de hand dat het voorschrijven van een beeldkwaliteitsplan terughoudend wordt ingezet. Een beeldkwaliteitseisen kunnen worden ingezet bij in- en uitbreidingslocaties en entreegebieden.
Het plangebied is niet gelegen in een aangewezen gebied waarvoor regels zijn opgesteld of een beeldkwaliteitsplan van kracht is. Voor de ontwikkeling wordt daarom een beeldkwaliteitseisen opgesteld en separaat vastgesteld.
Het beeldkwaliteitseisen gaan, na vaststelling van voorliggend plan, onderdeel uitmaken van de Beleidsregel Uiterlijk Bouwwerken. Omgevingsvergunningen zullen op grond van de regels uit de bruidsschat getoetst worden aan de beleidsregel uiterlijk bouwwerken.
In haar duurzaamheidsvisie streeft de gemeente Noordoostpolder naar energieneutraliteit in 2030. De gemeente richt zich daarnaast op de inzet van schone energie. Energiegebruik en besparing in woningen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Het energiegebruik door woningen bedraagt ongeveer 16% van het totale energiegebruik in Noordoostpolder.
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD).
Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden, waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Sindsdien mogen er geen omgevingsvergunningen meer worden afgegeven voor nieuwbouw die wordt aangesloten op een gasnet. Deze regeling geldt voor vergunningaanvragen vanaf 1 juli 2018.
Een gemeente kan een ontheffing verlenen, waardoor toch op het gasnet aangesloten mag worden. Dit kan echter alleen in uitzonderlijke situaties waarbij grote maatschappelijke effecten ontstaan door het niet aansluiten op gas.
Voor de geplande woningen zijn technische duurzaamheidsoplossingen, zoals aardgasloos wonen en bouwen, beschikbaar en financieel haalbaar. Het is daarom niet noodzakelijk om een ontheffing te verlenen.
Bij de ontwikkeling dienen de parkeernormen, zoals opgenomen in het ‘Beleid parkeren en parkeernormen 2025-2030’, in acht te worden genomen. Parkeergelegenheid op eigen terrein, zoals opritten en garages, telt daarbij gedeeltelijk mee bij het parkeeraanbod. Ook hiervoor wordt verwezen naar het beleid.
Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Noordoostpolder, waarin het Parapluplan Parkeren is opgenomen, dient getoetst te worden aan dit parapluplan. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de normen die zijn opgenomen in de dan geldende beleidsregel. In voorliggend geval is dat het document 'Beleid parkeren en parkeernormen 2025-2030'.
Een plan dient in beginsel op eigen terrein aan de parkeerplaatsverplichting te voldoen. In het beleid is aangegeven dat Emmeloord qua stedelijkheidsgraad in de categorie ‘matig stedelijk’ ligt. Er is echter een duidelijk verschil tussen Emmeloord en de rest van de gemeente. De kernen en het buitengebied hebben een lagere stedelijkheidsgraad en zijn ‘niet stedelijk’. De hoogte van de parkeernorm wordt ook bepaald door te kijken naar de stedelijke zone (centrum, schil, overig, buitengebied) van een gebied. Het plangebied gaat onderdeel uitmaken van de bebouwde kom van Emmeloord, waardoor wordt uitgegaan van de stedelijke zone die behoort tot de ‘Rest Emmeloord’.
In paragraaf 4.5 Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren wordt inhoudelijk ingegaan op dit aspect. Er wordt geconcludeerd dan wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.
Per 1 januari 2025 is de Verordening fysieke leefomgeving (VFL) van kracht. In de verordening zijn voor de volgende onderwerpen regels opgesteld die relevant zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat om regels met betrekking tot houtopstanden, wegen en water, erfgoed, monumenten en het uiterlijk van bouwwerken.
Houtopstanden
Voor wat betreft houtopstanden geldt dat er geen sprake is van het vellen van houtopstanden. Dit is nader toegelicht in 4.15. Het plan is daarom niet in strijd met deze verordeningsregel.
Wegen en water
Voor het aanleggen van wegen of een uitweg geldt volgens artikel 3.1.1. dat deze activiteiten verboden zijn zonder (omgevings)vergunning. Met de voorliggende ontwikkeling worden nieuwe wegen mogelijk gemaakt door middel van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan. De (omgevings)vergunning voor de aanleg van de wegen wordt pas aangevraagd nadat het wijzigingsplan is vastgesteld.
Erfgoed, monumenten & uiterlijk van bouwwerken
Deze verordening bestaat uit beschermingsregels van gemeentelijke monumenten en stads- of dorpsgezichten. In voorliggend plan is hier geen sprake van.
Daarnaast zijn er aanvullende regels ten aanzien van archeologie opgenomen. Ter bescherming van archeologie is in het voortraject een onderzoek uitgevoerd. Paragraaf 4.14 gaat hier nader op in.
In het hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante verordeningsregels per omgevingsaspect. In dit hoofdstuk wordt geconcludeerd dat het plan niet in strijd is met verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Noordoostpolder.
Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarop door de beoogde ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.
De volgende thema's komen aan bod:
Omgevingswaarden
Per thema wordt ook ingegaan op eventuele omgevingswaarden. Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk, de provincie en de gemeente. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor:
Instructieregels
Voor meerdere thema's gelden instructieregels die opgenomen zijn in het Bkl. Naast deze instructieregels zijn ook de provinciale instructieregels van belang. De instructieregels van het Bkl zijn opgenomen in het algemene toetsingskader, onder het kopje 'algemeen'. Voor bepaalde aspecten zijn provinciale instructieregels van toepassing. Deze hebben een eigen subparagraaf per aspect.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl bepaalt dat deze instructieregel ook geldt voor een BOPA.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Facetbestemmingsplan Toevoegen laddertoets
Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het 'Facetbestemmingsplan Toevoegen laddertoets'. Hiervoor geldt dat burgemeester en wethouders bij de uitwerking van de bestemmingen ‘Wonen uit te werken’, ‘Wonen - Uit te werken’ en ‘Woongebied - Uit te werken’, en de wijziging van de bestemming ter plaatse van de aanduiding ‘wetgevingszone - wijzigingsgebied’, toepassing geven aan de laddertoets.
Een laddertoets bevat een beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan (tegenwoordig wijziging omgevingsplan) die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaande stedelijke gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaande stedelijke gebied in die behoefte kan worden voorzien. Derhalve wordt in onderstaande paragrafen de laddertoets uitgevoerd.
Planologisch worden maximaal 406 woningen mogelijk gemaakt, waarvan circa 32% sociaal, 29% betaalbaar, 23% middelduur en 16% duur. Binnen het plangebied komen verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen. Zo zitten er appartementen, rijwoningen en 2-onder-1 kapwoningen en vrijstaande woningen in het plan, evenals levensloopbestendige woningen. Daarnaast wordt 245 m2 ruimte voor (buurt)voorzieningen mogelijk gemaakt.
Het tijdelijke omgevingsplan is het vertrekpunt bij de beoordeling of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval is sprake van het toevoegen van 12 woningen of meer ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. De ruimte voor voorzieningen betreft, gelet op de beperkte omvang, geen stedelijke ontwikkeling. De locatie wordt op basis van jurisprudentie gezien als een locatie buiten bestaand stedelijk gebied, omdat deze een agrarische bestemming heeft.
Het project is gelet op de geldende jurisprudentie voldoende substantieel. De woningbehoefte moet worden beschreven. Voor de locatie moet ook worden gemotiveerd dat binnenstedelijk onvoldoende ruimte is om in de woningbehoefte te voorzien.
Beschrijving behoefte
De woningbehoefte blijkt uit diverse bronnen, die hierna worden behandeld.
Regionale Woondeal Zeewolde, Urk, NOP en Dronten (ZUND-gemeenten) (maart 2023)
Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht, wordt met het programma Woningbouw nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Om dit te realiseren wordt gestreefd naar de groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024. Daarbij is het streven dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar is. Daarom is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment (middenhuur, waarvan 50.000 door woningcorporaties, en koopwoningen tot de landelijke betaalbaarheidsgrens) nodig.
Met provincie Flevoland zijn in oktober 2022 afspraken gemaakt over het provinciale aandeel in de Nationale opgaven. In deze woondeal is een doorvertaling gemaakt van deze afspraken naar gemeenten.
Elke gemeente neemt een 'fair share' van de regionale opgave. Dat betekent dat elke gemeente een bijdrage levert aan de regionale opgave die past bij de lokale opgave en het karakter van de gemeente. Voor de ZUND-gemeenten zijn voor de periode 2022 tot en met 2030 totaal 8.343 te bouwen woningen opgenomen, waarvan 2.263 in de gemeente Noordoostpolder. In de gemeente is harde plancapaciteit voor 1.098 woningen. Dat betekent dat er nog harde plancapaciteit voor 1.165 woningen moet worden toegevoegd.
Figuur 4.1: woningbouwafspraken gemeente Noordoostpolder
In de ZUND-gemeenten is sprake van krapte op de woningmarkt en van hogere woningprijzen ten opzichte van 10 jaar geleden. Vooral voor lage inkomens is de kans op het vinden van een betaalbare koop- of huurwoning kleiner geworden, maar ook (lage) middeninkomens vallen steeds vaker tussen wal en schip door de gestegen koopprijzen.
Een belangrijk onderdeel van de Woondeals is de realisatie van twee derde woningen betaalbare waaronder 30% sociale huurwoningen. Noordoostpolder zet zich samen met de corporatie in voor de realisatie van 484 sociale huurwoningen in de periode 2022-2030.
Dit plan geeft met 400 woningen mede invulling aan de grote vraag naar woningen. Ook wordt voldaan aan de regionale afspraak om twee derde woningen betaalbare te realiseren.
Woonvisie Noordoostpolder, kansen grijpen (2020)
De opgave is 1.000 woningen te bouwen in tien jaar om de huishoudensgroei op te vangen. De gemeente wil daarbij de kansen voor groei grijpen. De prognose is geen belemmering om in de eerste 5 jaar meer dan het gemiddelde van 100 woningen per jaar te realiseren, zolang de totale groeiprognose voor 10 jaar niet wordt overschreden. Het is cruciaal steeds zowel in Emmeloord als in de dorpen de ontwikkelruimte beschikbaar te hebben om aan de vraag te voldoen. De gemeente wil ook voldoende aanbod organiseren in alle segmenten.
De inzet van de woonvisie is om de vraag en tekorten van vandaag op te lossen door een op doorstroming gericht seniorenprogramma dat invulling geeft aan de behoefte van morgen. Het doel is om zowel in Emmeloord als in de kernen een dergelijk programma te realiseren. Het gaat daarbij om huur- én koopwoningen, appartementen én grondgebonden woningen. Dit programma kan door doorstroming ruimte scheppen voor starters en andere groepen.
Als de doorstroming niet voldoende op gang komt, moeten andere maatregelen worden genomen om woningen beschikbaar te krijgen voor bijvoorbeeld starters. Hierbij kan worden gedacht aan een middenhuurprogramma en aan het levensloopgeschikt maken van woningen die nu voor starters zijn, maar straks voor senioren. Dit project voegt aanbod toe in alle segmenten, met nadruk op betaalbare woningen.
Ontwikkelperspectieven woningbouw Noordoostpolder 2025-2035
De gemeente heeft de potentiële ontwikkellocaties voor de komende 10 jaar in beeld gebracht. Dit document is de opvolger van de ontwikkelperspectieven 2021-2026.
Emmeloord ligt als grootste plaats centraal in de Noordoostpolder en vormt de voorzieningenkern. Het vergroten van de woningbouwvoorraad is hier het belangrijkst. In Emmeloord is de netto-woonbehoefte het grootst en bieden inbreidingsplekken onvoldoende mogelijkheden om de gewenste aantallen én kwaliteiten op te vangen.
De gemeente kiest in Emmeloord zo veel mogelijk voor locaties binnen de stadscontour, variërend van klein- tot grootschalig. Tegelijkertijd zijn er onvoldoende locaties om woningbouw te realiseren binnen de stadscontour, wat betekent dat uitbreiding niet te vermijden is. Daarom kiest de gemeente ervoor om Emmelhage verder uit te breiden.
In het ontwikkelperspectief zijn de volgende voorwaarden gekoppeld aan uitbreidingslocaties:
Omgevingsvisie Noordoostpolder
In de omgevingsvisie is groei en bloei van de dorpen en wijken aangemerkt als een van de drie kernopgaven. Circa 3.300 nieuwe woningen zijn nodig voor de autonome woningbehoefte. Daarnaast zijn minimaal 5.000 woningen voor woningzoekenden van buiten de gemeente nodig. De nieuwe woningen komen in en rondom de dorpen, in en rondom Emmeloord en op de vrijkomende agrarische erven. Een evenwichtige mix van huurwoningen en koopwoningen zorgt dat verschillende inwoners samenwonen en samenleven: jong tot oud, alleenwonend tot gezinnen, lokale inwoners tot inwoners van elders. Met dit project wordt daar mede invulling aan gegeven.
Motivering locatiekeuze (waarom niet binnenstedelijk)
De gronden hebben op basis van het bestemmingsplan Emmelhage 2004, dat nu onderdeel uitmaakt van het Omgevingsplan gemeente Noordoostpolder, de bestemming 'Woongebied uit te werken'. Het plangebied is gelegen in de uitwerkingsplicht fase III. Daarnaast ligt de keuze voor de betreffende locatie al geruime tijd vast.
In Emmeloord zijn alle inbreidings- en uitbreidingsplannen in 2022 door de gemeente in beeld gebracht. Uit het overzicht van plannen blijkt dat er te weinig inbreidingslocaties zijn om in de behoefte uit de woonvisie (circa 1.000 woningen in de gemeente) te voorzien. Daarom is ook gekozen voor verdere uitbreiding van Emmelhage (locatie 1) en de locatie Espelerlaan-Oud Espelerweg (Locatie 11). Slechts drie locaties betreffen harde plancapaciteit.
In regionaal verband is afgesproken om 2.263 woningen te realiseren om in de grote woningbehoefte te voorzien. Omdat er onvoldoende binnenstedelijke locaties beschikbaar zijn, is gekozen voor een locatie aangrenzend aan het stedelijk gebied. Emmelhage wordt in fasen ontwikkeld. Dit betreft fase 4, zoals al eerder is vastgesteld in het geldende bestemmingsplan Emmelhage 4 (zie paragraaf 1.2.1.1).
In de omgevingsvisie is gekozen voor in- en uitbreiding om te kunnen voorzien in voldoende woningaanbod. De locatie Emmelhage is aangemerkt als uitbreidingslocatie voor woningaanbod.
Conclusie
De voorgenomen woningbouw voorziet met maximaal 406 woningen in een gemengd programma, waarvan minimaal twee derde betaalbaar is, waarmee zowel in de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte wordt voorzien. Met het toevoegen van woningen op deze locatie, aansluitend aan de kern Emmeloord, wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
In het omgevingsplan staan regels over een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Zo kunnen ook bij de beoordeling of een brancheringsregeling voldoet aan de vereisten uit de Dienstenrichtlijn meer motieven dan alleen de ruimtelijke afweging een rol spelen. De Dienstenrichtlijn is van toepassing op diensten, waaronder bijvoorbeeld de vestiging van detailhandel en horeca.
Voor een nadere uitleg over de werking van de Dienstenrichtlijn wordt verwezen naar de Handreiking Dienstenrichtlijn en ruimtelijke ordening, opgesteld voor de Retailagenda.
Op grond van de Dienstenrichtlijn mogen er geen economische motieven zijn voor regels voor diensten in een omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is hiervoor een instructieregel opgenomen, artikel 5.1a. Het begrip ‘dienst’ moet breed worden geïnterpreteerd. Ook detailhandel is een dienst. De instructieregel bepaalt dat een omgevingsplan voldoet aan artikel 14, aanhef en onder 5, van de Dienstenrichtlijn. Hierin staat dat de vestiging van een dienstenactiviteit niet afhankelijk mag zijn van economische criteria. Vestigingseisen voor diensten mogen bijvoorbeeld niet gebaseerd zijn op argumenten van concurrentiebeperking.
Iedere verplichting, ieder verbod, iedere voorwaarde of beperking die aan toegang en uitoefening van dienstenactiviteiten wordt gesteld, valt onder de Dienstenrichtlijn. Beperkingen aan het vrije verkeer, zoals het stellen van bepaalde eisen of het instellen van een vergunningsstelsel, zijn alleen gerechtvaardigd als zij voldoen aan:
t de voorliggende ontwikkeling wordt een deel van het plangebied in gebruik genomen ten behoeve van gezondheidszorg. In artikel 2, lid 2 en 3 van de Dienstenrichtlijn zijn activiteiten opgenomen waarop de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is. Het realiseren van diensten van de gezondheidszorg is opgenomen in deze lijst. Met andere woorden: het voorliggende plan maakt geen diensten mogelijk die onder de Dienstenrichtlijn vallen.
Het plan is niet in strijd met de dienstenrichtlijn.
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten komen in de volgende paragrafen aan de orde.
Het is wenselijk om, naast de beoordeling van de diverse milieuaspecten, ook aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de wijziging van het omgevingsplan is meegenomen.
In paragraaf 2.4 Gezondheid (ontwerpopgave) staat beschreven hoe in het ontwerp rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. In deze paragraaf staat beschreven welke invloed de getroffen maatregelen hebben op de gezondheid.
Gezondheidsbescherming (milieuhygiënische situatie)
Een aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent, daarbij gaat het om de aspecten geluid, luchtkwaliteit, geur, spuitzones, trilling, omgevingsveiligheid, hinder wind, licht en slagschaduw en bodem. Uit de verschillen paragrafen behorende tot hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat binnen het plangebied geen sprake is van significante (negatieve) milieueffecten voor de gezondheid.
Gezondheidsbevordering
Met de inrichting van het plangebied wordt verder invulling gegeven aan het aspect gezondheid, zoals is benoemd in paragraaf 2.4 Gezondheid (ontwerpopgave).
De nieuwbouw die in Emmelhage zal plaatsvinden en de stedenbouwkundige kwaliteit die daarbij wordt nagestreefd, zorgen ervoor dat de woonomgeving en huisvesting een positieve bijdrage leveren aan de gezondheid van de gebruikers van het gebied.
Provinciale verordening
In artikel 17.4 is opgenomen dat een omgevingsplan de nieuwvestiging van geitenhouderijen uitsluit. Deze uitsluiting is opgenomen in de planregels.
Door de eisen die aan de ontwikkeling worden gesteld op grond van het stedenbouwkundig plan en de planregels, ontstaat een gemengd woon-/werkgebied dat een positieve bijdrage levert aan de gezondheid van de gebruikers.
In de planregels wordt de nieuwvestiging van geitenhouderijen uitgesloten.
Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als 'Weging van het waterbelang'. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding.
Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn.
Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig.
Voor deze ruimtelijke ontwikkeling is op 15 april 2025 een digitale watertoets uitgevoerd. Deze is wel afgestemd met Waterschap Zuiderzeeland. Op basis hiervan is de normale procedure van toepassing.
Europese Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren schoonhouden,
scheiden en zuiveren.
Omgevingswet
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de implementatie van de Omgevingswet verandert de wet- en regelgeving voor ruimtelijke projecten. De wet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem én water. Voor de Omgevingswet stellen provincies en gemeenten omgevingsvisies en omgevingsplannen op. Alle ambities en keuzes over het beheer, beschermen en benutten van de leefomgeving staan hierin. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de participatie van alle belanghebbenden. Omgevingsvisies en omgevingsplannen komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Uiterlijk in 2032 dienen alle bestaande plannen vervangen te zijn. Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet beschrijft wat onder het beheer van een watersysteem valt. Het beheer is gericht op:
Het waterschap neemt regels over waterstaatswerken op in de waterschapsverordening. Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken, en staan regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervangen.
Waterwet
De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet. De bepalingen rondom het huidige deltaprogramma en de financiële bepalingen over de verontreinigingsheffing en de provinciale grondwaterheffing gaan later over naar de Omgevingswet.
Programma's Water en Ruimte
In een programma leggen het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten maatregelen vast om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Het onderwerp 'ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water' is daarbij een belangrijk onderdeel. Centraal hierin staat het werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de natuur, de landbouw en de scheepvaart. Programma's zijn, in tegenstelling tot omgevingsvisies, meer gericht op uitvoering op korte termijn. En waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma's zich vaak op slechts één of een paar onderdelen van de fysieke leefomgeving. De vastgestelde maatregelen in programma's zijn een uitwerking van het globale beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen.
Er is een aantal verplichte programma's waarin maatregelen over ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water kunnen staan:
Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland
De Watervisie verbindt waterthema's en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgen dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.
Omgevingsvisie Noordoostpolder
De gemeente zorgt voor een goede leefomgeving. Een aantrekkelijke openbare ruimte met water, groen en voorzieningen (klimaatadaptief, passend bij de functie van de omgeving), zodat deze bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, extreme hitte, et cetera.) onder andere door onttegelen, ontstenen en vergroenen. Dit draagt tevens bij aan andere doelen, zoals het verhogen van de verblijfskwaliteit, het vergroten van de biodiversiteit.
Voor Emmelhage fase 4 geldt dat het gelegen is in een bodemdalingsgebied. Het is daarom van belang om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met het bodem- en watersysteem.
Verordening fysieke leefomgeving Noordoostpolder
Het is verboden om hemelwater en grondwater te lozen in het openbare vuilwaterriool. Dit geldt alleen voor gebieden die daarvoor zijn aangewezen in het omgevingsplan. Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden.
In 2009 is door Roelofs een berekening uitgevoerd waarin de doorspoelbaarheid van het watersysteem is geanalyseerd. De structuur van het watersysteem is per fase aanwijsbaar gewijzigd in vergelijking met de oorspronkelijke opzet. Ook zijn eisen en wensen omtrent oppervlaktewater geëvolueerd. Er wordt gestreefd naar een klimaatrobuuste inrichting, waarbij het doorspoelen van de waterpartij wordt vermeden. Het inlaten van gebiedsvreemd water wordt tot een minimum beperkt. De waterkwaliteit van de Onderduikerstocht is van slechtere kwaliteit in vergelijking met de aanwezige stedelijke waterpartij in Emmelhage.
Gemeente Noordoostpolder en Waterschap Zuiderzeeland hebben daarom een geactualiseerde doorrekening laten opstellen (zie bijlage 3 Oppervlaktewatersysteem Emmelhage). Deze bevat vier scenario's; voorkeur is uitgesproken voor scenario 4, wordt hieronder nader toegelicht.
De aan te leggen waterpartij in de nieuw te ontwikkelen wijk Rozenwijk ten zuiden van de Oude Espelerweg wordt via een duiker verbonden met het watersysteem van Emmelhage en gaat onderdeel uitmaken van peilvak Emmelhage. Dit is reden om de oppervlakken van Rozenwijk mee te nemen in de berekening van het plangebied Emmelhage 4.
Veiligheid/Waterkeringen
Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een primaire, regionale of overige waterkering. Voor het onderdeel primaire waterkering zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.
Voldoende Water
Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in landelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.
Uitgangspunten: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat voldoet aan de normering voor wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. De situatie van het beheergebied begin 2013 is de nulsituatie. De compensatieplicht geldt voor de netto toename van het verhard oppervlak vanaf de nulsituatie.
Genoemde beleidsregel wordt herzien met een verwachte vaststelling rond 2027. Daarbij wordt ook de bergingsnorm geactualiseerd in lijn met de meest recente KNMI-klimaatscenario's en neerslagstatistieken. De bestaande bergingsnorm maakt dan plaats voor een methodiek in de vorm van een universele norm die toepasbaar is voor open water én alternatieve waterberging. Voor een klimaatbestendige leefomgeving, nu en in de toekomst, is voldoende ruimte voor water cruciaal. Initiatiefnemers worden geadviseerd uit te gaan van de toekomstige advies-bergingsnorm. Deze is gebaseerd op KNMI-klimaatscenario's van 2023 en bijbehorende neerslagstatistiek: 10,2 m³/100 m² toename verhard oppervlak. Het plangebied ligt in stedelijk gebied.
Volgens de huidige compensatie norm geldt voor het gebied bij een netto toename van de verharding een extra benodigde waterberging van 5% tot 6%. Het waterschap maakt aan de hand van de meest recente KNMI-scenario's en neerslagstatistieken inmiddels gebruik van een gewijzigde normering. In overleg met het waterschap is afgesproken dat met dit plan wordt aangesloten bij de nog vast te stellen norm van 10,2 m3 per 100 m2 verhard oppervlak. In de berekening zoals opgenomen in bijlage 3, is van deze norm gebruik gemaakt.
Bij uitbreiding van het verhard oppervlak is compensatie nodig door het aanleggen van voldoende waterberging. Daarvoor worden in het plangebied nieuwe waterpartijen en wadi's aangelegd.
Volgens de huidige normering (10,2 m³ per 100 m² toename aan verharding) is een bergingscapaciteit van 6.410,30 m³ nodig voor Emmelhage en 371,33 m³ voor Rozenwijk. In totaal wordt ca. 222.580 m³ waterberging gerealiseerd. De benodigde waterberging voldoet ruimschoots. Dit betekent dat er per toename van 100 m² verhard oppervlak ongeveer 33 m³ waterberging wordt aangelegd. In figuur 4.2 (en bijlage I van bijlage 3) wordt het overzicht oppervlakte weergeven. De bijbehorende waarden staan tevens in tabel 4.1.
Figuur 4.2 overzicht oppervlakken (bron: Bijlage 3 Oppervlaktewatersysteem
Emmelhage)
Tabel 4.1 overzicht waarde oppervlakte (bron: Bijlage 3 Oppervlaktewatersysteem Emmelhage )
Goed functionerend watersysteem
Streefbeeld: Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.
Randvoorwaarden: Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is.
Dempen bestaand oppervlaktewater
In het plangebied wordt water gedempt. Voordat met enige demping wordt gestart, dient de compensatie van open water (verleggen, verbreden of nieuw aanleggen) te zijn aangelegd. De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit Bodemkwaliteit en /of de waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland.
Emmelhage beschikt over een goed functionerend, aaneengesloten watersysteem. Fase 4 sluit aan op dit systeem. Het peilbeheer, waterbalans en bodemhoogten zijn afgestemd op eerdere fases. Het stedelijk waterbeheer van het (aan te leggen) oppervlaktewater (hoofdwatersysteem) zal overgedragen worden aan het waterschap.
Tot slot wordt een aantal duikers aangelegd binnen het plangebied. Voor de duikers geldt dat een diameter van 1,2 meter het meest geschikt is, in navolging van de duikerdiameters van Emmelhage fase 1, 2 en 3, met het oog op de doorstroming en het waterbeheer met een maaiboot. De duikers voor de toegang naar de woningen van het plangebied (watergang die van west naar oost loopt) hebben bij voorkeur dezelfde diameter.
Zoals hiervoor beschreven is in de rapportage, zoals opgenomen in bijlage 3 , nader onderzoek opgesteld voor het waterbalans, voor de gehele wijk Emmelhage en Rozenwijk.
Uitgangspunten waterbalans:
Bij het opstellen van de waterbalansen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Scenario 4 (gewenste flexibele schijf)
Het vierde scenario is gebaseerd op een flexibele schijf van 0.70 m, met een maximaal waterpeil van NAP -4,85 m en een minimaal peil van NAP -5.55 m. De peilregulatie ligt op NAP -5,20 m. In het uiterste geval betreft de waterdiepte 1,20 m. Met deze flexibele schijf hoeft het peilbesluit niet aangepast te worden.
Scenario 4 gaat uit van een flexibele peilschijf (0,70 m), met een regulatiepeil van NAP -5,20 m. Alleen in droge zomers is waterinlaat nodig. De maximale afvoer bedraagt 1.140 m³/uur. Het systeem voorkomt afwenteling bij een maatgevende bui.
Anticiperen op watertekort
Streefbeeld: Een klimaatbestendig en robuust watersysteem kan anticiperen op extreem droge periodes. Afhankelijkheid van wateraanvoer en inlaten van gebiedsvreemd water past hier niet bij. Met het oog op toekomstige watertekorten is het wenselijk de hoeveelheid aanvoerwater zoveel mogelijk te beperken.
Randvoorwaarde is het dusdanig inrichten dat nieuwe watersystemen zelfvoorzienend zijn.
Bij scenario 4 wordt het inlaten van gebiedsvreemd water tot een minimum beperkt.
Schoon water
Goede structuurdiversiteit.
Streefbeeld: Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied.
Uitgangspunt: Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Bij de inrichting van het watersysteem zijn alleen milieuvriendelijke, niet-uitlogende en gecertificeerde materialen toegestaan. Voor beschoeiing geldt aanvullend dat de materialen niet-oxideerbaar zijn.
De oevers in het gebied bestaan uit groene oevers met een talud van 1:3 tot 1:4 en smalle oevervegetatie.
Goede oppervlaktewaterkwaliteit
Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.
Uitgangspunten: In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of bij de bron aangepakt. Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat schoon en vervuild hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd, maar in of nabij het plangebied wordt verwerkt. Bij voorkeur gebeurt dit via infiltratie in de bodem. Als infiltratie niet mogelijk is, volgt lozing in oppervlaktewater, waarbij vervuild hemelwater vooraf wordt gezuiverd. Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde.
Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Daarom wordt aangesloten op het bestaande peilgebied. Het waterschap wordt vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp, detaillering en inrichting van het nieuwe watersysteem.
Goed omgaan met afvalwater
Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen.
Uitgangspunt: Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd, zonodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Bij nieuwbouwgebieden (bijvoorbeeld woonwijk, industrieterrein) is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Voor bestaand gebied wordt gestreefd naar het afkoppelen van niet-vervuild verhard oppervlak van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde rioolstelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd.
Zie goed functionerend watersysteem, en bijlage 3. In zowel de huidige als de nieuwe situatie is/zal sprake zijn van een ecologisch gezond watersysteem. Door het afvoeren van relatief schoon water naar de nieuw aan te leggen watergangen, vindt er voldoende verversing plaats, wat ten goede komt aan de kwaliteit van het oppervlaktewater.
Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen zal duurzaam bouwen als uitgangspunt worden nagestreefd. Dit houdt concreet in het zoveel mogelijk voorkomen van het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink, koper, bitumineuze materialen en geïmpregneerd hout.
Overeenkomstig de gerealiseerde fasen 1, 2 en 3 wordt in fase 4 van Emmelhage een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd. De adressen Espelerweg 12-I en 12-II blijven aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel.
Het regenwater kan worden aangemerkt als relatief schoon en wordt door middel van "schoon" regenwaterriolen direct afgevoerd naar het stedelijk oppervlaktewater. De regenwaterriolen bieden tevens de mogelijkheid om, naast regenwater, ook drainagewater vanaf de woonpercelen af te voeren naar het stedelijk water.
Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de instructieregels van het Rijk en de provincie. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van regels is niet noodzakelijk.
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied.
Aangetoond dient te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet.
Het relevante gemeentelijke geleid voor dit omgevingsaspect bestaat uit de Nota Parkeernormen Noordoostpolder 2025 - 2030, zoals beschreven in paragraaf 3.4.5 en opgesteld om de parkeerbehoefte te bepalen. Deze nota maakt onderdeel uit van het omgevingsplan middel het parapluplan parkeren. In 4.5.2.5 wordt getoetst aan de nota.
De ontwikkelingslocatie is momenteel in gebruik als agrarisch gebied. Er is dan ook geen voetgangersinfrastructuur aanwezig. De ontwikkelingslocatie grenst in het oosten aan een woonbuurt in aanbouw, in het zuiden aan de Espelerweg, die als gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom is vormgegeven, maar waar de maximumsnelheid 60 km/u bedraagt. Voetgangers maken op deze weg gebruik van het vrijliggende fietspad. De oversteekbaarheid van de weg is niet goed. Er zijn geen voorzieningen om over te steken. De intensiteit aan gemotoriseerd verkeer is met bijna 6.000 mvt/etmaal vrij hoog, en door de inrichting van de weg is het waarschijnlijk dat autoverkeer vaak harder zal rijden dan de maximumsnelheid van 60 km/u.
Er zijn binnen een voor veel mensen acceptabele loopafstand weinig voorzieningen te vinden. Binnen 1,0 kilometer van de rand van de beoogde ontwikkeling zijn een klein buurtcentrum in De Erven en een huisartspraktijk het noemen waard. Voorzieningen als scholen, horeca of andere retail of dienstverlening liggen alle verder weg dan 1,0 km. Wel is in de plannen voor Emmelhage III, juist ten oosten van de beoogde ontwikkeling, een basisschool met daarbij een BSO opgenomen.
De dichtstbijzijnde OV-lijn is buslijn 77, die één keer per uur van Lemmer, via Rutten, Creil en Espel, naar het busstation van Emmeloord rijdt, en vice versa. Deze rijdt over de Espelerweg, direct ten zuiden van de beoogde ontwikkellocatie. De buslijn heeft een halte op 600 meter ten oosten van de ontwikkelingslocatie. De bereikbaarheid per openbaar vervoer is hiermee slecht te noemen. Het openbaar vervoer speelt geen grote rol in de ontsluiting van het noorden van Emmeloord.
In Emmeloord biedt Just-Go twee deelauto's aan. Deze zijn gestationeerd in de buurt van het gemeentehuis van de Noordoostpolder, op ongeveer 3 kilometer van de beoogde ontwikkeling. Er zijn in Emmeloord geen huurfietsen of ander deelvervoer beschikbaar. Deelvervoer speelt dan ook zo goed als geen rol op de locatie van de beoogde ontwikkeling.
Auto
De beoogde ontwikkeling ontsluit direct op de Espelerweg. Het nationale hoofdwegennet is vanuit de beoogde ontwikkelingslocatie in 5 minuten te bereiken via de N351, waarvan de Espelerweg deel uitmaakt. Deze weg leidt direct naar aansluiting 15 van de A6. Van en naar het zuiden kan de A6 worden bereikt via aansluiting 14. De rit hiernaartoe duurt ongeveer 6 minuten. Ook binnen Emmeloord zijn veel bestemmingen makkelijk per auto bereikbaar, en de auto kan gratis worden geparkeerd in heel Emmeloord. De bereikbaarheid per auto is hiermee goed te noemen.
Tijdens de beoogde realisatie van Emmelhage IV zal de omgeving vanuit het verkeersperspectief gezien aanzienlijk veranderen. Ten noorden van Emmelhage wordt een nieuwe randweg aangelegd. De voorbereidingen daartoe zijn reeds gestart. De Espelerweg ten zuiden van Emmelhage komt binnen de bebouwde kom te liggen en de maximumsnelheid zal verlaagd worden tot 50 km/u. Om het planeffect van Emmelhage fase 4 te kunnen duiden is een verkeerseffecten onderzoek opgesteld, zie hiervoor bijlage 4. Hierbij is het verkeersvolume vergeleken tussen een autonome situatie (zonder fase 4) en een plansituatie (met fase 4).
Het verkeer vanuit Emmelhage fase 4 verdeelt zich evenwichtig over de verschillende invalswegen. De nieuwe aansluiting op de kruising Kennemerlandlaan – Espelerweg (N351) zorgt voor een evenwichtiger spreiding van verkeer vanuit Emmelhage fase 3 en 4, waardoor de verkeersintensiteit op delen van de Espelerweg zelfs licht afneemt. De toename van verkeer bedraagt maximaal enkele honderden motorvoertuigbewegingen per etmaal per route, wat beperkt is binnen de totale verkeersstroom.
Verkeersafwikkeling
De capaciteit en doorstroming op zes onderzochte kruispunten zijn beoordeeld met de Kruispuntwijzer, van Goudappel. In zowel de autonome als de plansituatie is de afwikkelingskwaliteit goed. De wachtrijen en verliestijden blijven gering en de intensiteit-capaciteitverhouding (I/C) blijft overal ruim onder 0,7. Bij de kruising Espelerweg – Kennemerlandlaan wordt in de plansituatie een rotonde gerealiseerd die de afwikkeling verder verbetert en een veilige ontsluiting voor Emmelhage fase 4 biedt.
Ter illustratie is in figuur 4.5.1 een uitsnede uit het verkeersmodel Noordoostpolder en Urk weergegeven. Voor de toekomstige ontsluiting betekent dat Emmelhage IV aan de noord- en aan de zuidzijde een ontsluiting krijgt op een gebiedsontsluitingsweg. Bovendien zijn er ook 2 verbindingen voor auto's beoogd met Emmelhage III in het oosten en Emmelhage V in het westen.
Figuur 4.5.1 Etmaalintensiteiten Autonoom 2040 en Plan 2040
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van Emmelhage fase 4 niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Het extra verkeer kan goed worden verwerkt binnen de bestaande en geplande infrastructuur. Er zijn geen infrastructurele maatregelen noodzakelijk naast de geplande nieuwe aansluiting.
Fietsers kunnen ten zuiden van het plangebied gebruik maken van het vrijliggende fietspad van de Espelerweg. Momenteel zijn er weinig oversteekplaatsen om de Espelerweg over te steken. Met aanleg van de rotonde wordt een nieuwe oversteekplaats mogelijk gemaakt om eenvoudig naar het centrum van Emmeloord te fietsen.
De beoordeling van het plan op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. De gemeente Noordoostpolder heeft de Nota Parkeernormen Noordoostpolder 2025 opgesteld om de parkeerbehoefte te bepalen. Het plangebied is gelegen in 'Rest Emmeloord' en met het berekenen van de parkeernormen is aangesloten bij dezelfde uitgangspunten als de verkeersgeneratie.
De berekening is in figuur 4.5.3 en het stedenbouwkundigplan, zie hiervoor bijlage 1 nader uitgewerkt.
Figuur 4.5.3 Parkeeropgave
Voor de gehele ontwikkeling zijn 663,2 parkeerplaatsen noodzakelijk. Alle vrijstaande en twee-onder-eenkapwoningen moeten voorzien in parkeren op eigen terrein (in totaal 304). In het openbaar gebied worden 364 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Daarmee worden gezamenlijk 668 parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt voldaan aan de parkeeropgave in het gebied.
Binnen Emmeloord is de fiets een aantrekkelijke vervoerswijze. De centrale positie in de beoogde ontwikkeling van fietsinfrastructuur versterkt dit. Voor de bereikbaarheid van en naar bestemmingen buiten Emmeloord is de beoogde ontwikkeling vooral afhankelijk van de auto. Voor een deel van de reizen van en naar de beoogde ontwikkeling is het openbaar vervoer een mogelijkheid, die echter qua reistijd niet concurrerend is ten opzichte van de auto of de fiets.
De verkeersafwikkeling op de wegen van en naar de beoogde ontwikkeling is goed. De verkeerstoename door de beoogde ontwikkeling is dermate laag dat, in combinatie met de extra aan te leggen noordelijke randweg, de afwikkeling verbetert.
De verkeersveiligheid in de omgeving van de beoogde ontwikkeling is over het algemeen goed. De beoogde ontwikkeling veroorzaakt of verergert geen veiligheidsproblemen. Bereikbaarheid, effecten op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid zijn daarmee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Het plan is niet in strijd met het gemeentelijke beleid en de recente CROW-normen. Het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect is voldoende geborgd in het planvoornemen.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in het omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving.
Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat, op grond van en in overeenstemming met de instructieregels, waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met de beoogde ontwikkeling wordt woningbouw gerealiseerd. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen.
Wegverkeerslawaai
Nabij het plangebied zijn wegen in de omgeving aanwezig die kunnen leiden tot een te hoge geluidsbelasting op de gevels van de toekomstige woningen. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai, zie hiervoor bijlage 5.
De ontwikkeling maakt 406 woningen mogelijk en dit leidt tot een verkeersgeneratie van 3.331 mvt/etmaal. Dit kan leiden tot een uitstralingseffect op de bestaande woningen gelegen aan de Espelerweg. Om te bepalen wat de effecten zijn van het verkeer op de geluidsbelasting op de bestaande gevels, is ervoor gekozen om dit ook mee te nemen in het akoestisch onderzoek.
Bovendien maakt dit plan de aanleg van een nieuwe rotonde mogelijk. De reconstructie van deze weg kan leiden tot een verhoogde geluidsbelasting. De effecten van de aanleg van de rotonde zijn daarom ook onderzocht in het akoestisch onderzoek.
Uit het akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting op de nieuwe woningen binnen het plan Emmelhage fase 4 blijkt dat:
Als gevolg van het aanleggen van een rotonde in de Espelerweg moet het geluid bij de bestaande omliggende woningen worden onderzocht en beoordeeld. Uit het onderzoek blijkt dat:
Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van wegen als aanvaardbaar beoordeeld.
Met deze wijziging van het omgevingsplan zijn regels opgenomen die betrekking hebben op het gezamenlijke geluid. Daarnaast wordt het referentiewegdek op de Espelerweg, zoals geadviseerd in het onderzoek, vervangen door een stiller wegdek.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. Vanaf 1 januari 2024 zijn de normen voor luchtkwaliteit vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl bevat instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, om de gezondheid en het milieu te beschermen. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig
Er zijn enkele situaties die de overheid nog wel landelijk moet beoordelen:
De gemeente Noordoostpolder is geen aandachtsgebied voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) volgens het Bkl. Conform artikel 5.51 Bkl geldt er geen verplichting om onderzoek te doen naar de vraag of de ontwikkeling leidt tot een verhoging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
Bovendien maakt het plan de aanleg van een autosnelweg of tunnel langer dan 100 meter niet mogelijk. Ook staat het plan niet toe om milieubelastende activiteiten te realiseren.
De grootschalige concentratie- en depositiekaarten geven aan dat de luchtkwaliteit ter plaatse van voldoende kwaliteit is.
De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor luchtkwaliteit omdat het een woningbouwproject betreft op grote afstand van een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.
In het kader van ETFAL is de luchtkwaliteit ter plaatse onderzocht. Deze ligt ruim onder de grenswaarden van het Bkl. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden voor verschillende functies en activiteiten regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar de regels zijn opgenomen.
Activiteiten moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijke) omgevingsplan staan. Indien het tijdelijk omgevingsplan nog niet is aangepast en sprake is van een activiteit of inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.
De Bruidsschat bevat regels over:
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
In subparagraaf 22.3.6.2 van het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over;
Geurgevoelige gebouwen
In artikel 5.91, eerste lid, van het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval geurgevoelig zijn. Het betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Met de beoogde ontwikkeling worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Derhalve is nadere toetsing noodzakelijk.
Rondom het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen, geitenhouderijen of andere bedrijfsmatige activiteiten gelegen die geurhinder veroorzaken. De afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde veehouderij bedraagt ongeveer 700 meter. Ook worden in de nabije omgeving van het plangebied geen landbouwhuisdieren, paarden of pony's hobbymatig gehouden, waardoor geurhinder afkomstig daarvan ook kan worden uitgesloten. Het plan is derhalve niet in strijd met het Bkl en met de regels zoals opgenomen in H22 van de Bruidsschat.
Aan de Espelerweg 12.2 bevindt zich een boerderijschool met woonzorgvoorziening. Op deze locatie worden twee schapen en drie kippen gehouden. Dit is naar aard en omvang vergelijkbaar met hobbymatige dierhouderij.
Daarnaast kan worden opgemerkt dat de gewenste woonactiviteiten in het plangebied geen activiteiten zijn die geurhinder veroorzaken.
De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor geur omdat geurhinder uitgesloten kan worden. Ook is het aspect geur niet relevant in het kader van ETFAL. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Ter plaatse van agrarische gronden kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Bij ruimtelijke plannen in de omgeving van agrarische gronden dienen deze mogelijke gezondheidsrisico’s te worden afgewogen. Er gelden geen wettelijke normen of afstandseisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van woningen.
Toch wordt er, in het kader van een evenredige toedeling van functies aan locaties, gekeken hoe de woningen zich verhouden tot deze agrarische gronden. Hiervoor wordt veelal getoetst met een richtafstand van 50 meter tussen woningen en agrarische gronden. De 50 meter-contour is geen harde grens. Verkleinen van een spuitzone is in beginsel mogelijk maar dit dient wel goed te worden gemotiveerd.
Aan de noord- en westzijde van het plangebied liggen momenteel agrarische gronden. Op deze gronden is het toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen. Aan de noordzijde is een ruime groenstrook en watergang gesitueerd. De afstand tussen de agrarische gronden en de tuinen van de noordelijkst gelegen woningen bedraagt meer dan 50 meter en er wordt voldaan aan de richtafstand.
Ten westen van het gebied zal tussen de woningen een weg met een groenstrook liggen. De afstand tussen de voortuinen en de woningen zal ongeveer 40 meter bedragen. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand. Daarom is in de planregels van dit omgevingsplan een spuitvrije zone opgenomen, waarmee aan de richtafstand van 50 meter wordt voldaan.
Voor het planvoornemen worden maatregelen getroffen om te voldoen aan de richtafstand van 50 meter.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manieren optreden.
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Wat is een trillinggevoelig gebouw?
Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Weg- en spoorverkeer
Weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gemeentelijke wegen en/of trillinggevoelige gebouwen bij wegen
Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug. In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. In deze situatie kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn. Er gelden hiervoor geen instructieregels van het Rijk.
Woningen worden aangemerkt als trillinggevoelige gebouwen. In de nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bronnen die voor trillingen kunnen zorgen. In de nabije omgeving is geen spoorlijn gelegen. De enige bron van mogelijke trillingen is de Espelerweg. De afstand van de Espelerweg tot aan de woningen is dusdanig groot dat trilhinder door wegen kan worden uitgesloten. Daarnaast is wonen geen activiteit die zorgt voor trillingen.
De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor trillingen omdat in de omgeving geen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn die mogelijk trillingen veroorzaken ter plaatse van het plangebied. Verder zijn ook geen andere trillingsbronnen aanwezig in de omgeving waardoor trillingen in het kader van ETFAL niet relevant zijn. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Naast het werken met, de opslag of het vervoer van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelplangebied dat wordt gewijzigd aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van de veiligheidsregio’s zijn hiervoor de volgende thema’s aangewezen:
Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan. Bij het gebruik van gebouwen is de gebruiksmelding aangepast naar uitsluitend de zeer kwetsbare gebouwen binnen brand- of explosieaandachtsgebieden.
Aan de hand van de veiligheidskaarten van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In figuur 4.11.1 is de veiligheidskaart weergegeven.
Figuur 4.11.1 Uitsnede veiligheidskaart met het plangebied (paarse ster) (bron:
Atlas leefomgeving).
Uit voorgaande figuur blijkt dat het plangebied zich niet bevindt:
Met de beoogde ontwikkeling worden geen risicovolle inrichtingen gerealiseerd, aangezien wonen geen risicovolle activiteit is.
Ontplofbare Oorlogsresten
Naast de Atlas Leefomgeving is ook de provinciale Flevoland Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten geraadpleegd (zie figuur 4.11.2). Hieruit blijkt dat het plangebied is aangewezen als een onverdacht gebied: er zijn geen of onvoldoende aanwijzingen voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Voor grondroerende werkzaamheden hoeven daarom geen maatregelen getroffen te worden.
Figuur 4.11.2. Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten (plangebied
aangegeven met zwarte ster) (bron: Provincie Flevoland).
Overig
Naast externe veiligheidsrisico’s dient ook rekening gehouden te worden met risico’s van branden, rampen en crises. Ter plaatse van het projectgebied is geen verhoogde kans op branden. Op basis van de Atlas Leefomgeving is de kans op een overstroming vanuit zee, meer of rivier eenmaal per duizend jaar. Vanwege deze kans wordt hieronder kort ingegaan op de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid van het gebied.
Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid
Voor de volledigheid wordt kort ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten binnen het projectgebied, de bereikbaarheid van het projectgebied en de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied. Vanwege de relatief grote afstand tot relevante risicobronnen (ligging buiten brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied) wordt geen aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid aan de risicobron zelf, aangezien de bestrijdbaarheid afhankelijk is van het ongevalscenario. Het is niet nodig om bouweisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico.
In de toekomstige situatie blijft het projectgebied bestaan uit een woongebied. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige gehandicapten, kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. De aanwezigen zullen in staat zijn om zelfstandig, conform instructies, bijvoorbeeld via NL-Alert of het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS), te handelen. Vanwege de ligging is het goed mogelijk om in iedere windrichting te vluchten, weg van de calamiteit.
De verschillende delen van Emmelhage fase 4 zijn bereikbaar via de hoofdontsluitingswegen. Alle deelgebieden zijn via tenminste twee toegangen ontsloten. Fase 4A en 4B zijn verbonden door een dam die toegankelijk is voor nood- en hulpdiensten. Hierbij is het van belang dat deze doorgang minimaal 2 meter breed is.
Daarnaast is op meerdere plekken een passeerstrook aangelegd bestaande uit grasbetontegels. Hierdoor is het voor hulpdiensten mogelijk om veilig het overige verkeer of geparkeerde voertuigen te passeren.
De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor (externe) veiligheid, omdat het projectgebied niet in een aandachtsgebied ligt, geen risicobronnen mogelijk worden gemaakt en de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid in het plangebied voldoende is. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat er geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen en de directe omgeving. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.
In artikel 3.205 Besluit activiteiten leefomgeving wordt het telen van gewassen in kassen aangewezen als milieubelastende activiteit. Daarbij moet voldaan worden aan de regels die zijn gesteld in paragraaf 4.75 over assimilatiebelichting.
In paragraaf 4.75 geeft artikel 4.790 (lichthinder) voorschriften voor het gebruiken van assimilatiebelichting in een kas. Het voorschrift is hieronder opgenomen. Dit voorschrift is overeenkomstig artikel 3.56 t/m 3.59 van het Activiteitenbesluit, dat inmiddels is vervallen. Dit voorschrift heeft rechtstreekse werking en hoeft niet te worden opgenomen in het omgevingsplan.
In de Bruidsschat is artikel 22.239 opgenomen ter voorkoming van lichthinder door sportvelden. Dit is overeenkomstig artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit. Ons voorstel is om deze regel te behouden en op te nemen in hoofdstuk 11 Milieuaspecten van activiteiten. De gemeente kan voor het begrip lichthinder de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) gebruiken en op basis daarvan aanvullende regels stellen, bijvoorbeeld hoe sportverlichting moet worden uitgevoerd. Wanneer er nu geen problemen zijn ten aanzien van lichthinder, wordt geadviseerd voorlopig alleen de basisregel op te nemen.
Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden geborgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.89f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalfmaal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden.
In de nabijheid van het plangebied zijn geen kassen en sportvelden gelegen. Bovendien wordt een woonwijk mogelijk gemaakt en geen activiteiten die kunnen leiden tot lichthinder. Lichthinder is daarom uitgesloten.
De ontwikkeling voorziet niet in de aanleg van hoogbouw en is ook niet gelegen in de buurt van hoogbouw. Eveneens zijn in en nabij het plangebied geen windturbines toegestaan. Windhinder en slagschaduw kunnen daarom worden uitgesloten.
Met het plan worden windmolens niet mogelijk gemaakt en uitgesloten in de planregels. Hierdoor is het plan niet in strijd met de provinciale instructieregels.
Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Wel dient in de planregels een verbod opgenomen te worden voor het realiseren van windmolens, zodat het plan niet in strijd is met de provinciale instructieregels. Het aspect 'lichthinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Bodemgevoelig gebouw
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Met de beoogde ontwikkeling worden een bodemgevoelig gebouwen mogelijk gemaakt. Voor de beoogde ontwikkeling zijn twee bodemonderzoeken verricht. Het verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een verkennend bodemonderzoek asbest in puin conform NEN 5897 uitgevoerd (zie bijlage 6) en het milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN5725 (zie bijlage 6).
Milieuhygiënisch vooronderzoek
Uit het onderzoek blijkt het volgende:
Op basis van dit onderzoek wordt aanbevolen om ter plaatse van de zuidwestelijke dam een verkennend onderzoek uit te voeren om de milieuhygiënische kwaliteit vast te stellen. De aanwezigheid van bodemvreemd materiaal geeft aanleiding om bodemverontreiniging te vermoeden.
Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest in puin
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een bodemverontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De locatie is voldoende onderzocht en in het kader van de Omgevingswet zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.
Bodemfunctieklasse
Op basis van de bodemfunctieklassenkaart, die onderdeel is van de Nota Bodembeheer, heeft het gebied de functie ‘wonen’. Daarnaast kent het gebied een ontgravings- en toepassingsklasse landbouw/natuur. Het is niet noodzakelijk om de bodemfunctieklasse te wijzigen. Wel geldt dat bij het aanbrengen van nieuwe gronden, indien de klasse ongewijzigd blijft, deze moeten voldoen aan de waarden van de klasse landbouw/natuur.
De onderzoeken hebben aangetoond dat de bodem van voldoende kwaliteit is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het is niet noodzakelijk om de bodem te saneren en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.
In deze paragraaf wordt toegelicht op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met cultureel erfgoed en werelderfgoed, zowel binnen als buiten de locatie van de activiteit.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.
Archeologie
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.
Voor het bestemmingsplan “Emmelhage 2004” is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek is het bestemmingsplan vastgesteld zonder archeologische dubbelbestemming. Het opnemen van een aanlegvergunningplicht in de wijziging van het omgevingsplan kan daarom achterwege blijven.
Meldingsplicht toeval vondsten
Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Voor graafwerkzaamheden in de voormalige Zuiderzee-afzettingen geldt een blijvende verwachting op het aantreffen van resten van scheepswrakken uit de middeleeuwen en nieuwe tijd, vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog en fossiele eiken.
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van Flevoland en het gemeentelijke beleidsstuk ‘Erfgoed in de gemeente Noordoostpolder’ blijkt dat zich binnen het plangebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden bevinden (zie figuur 4.14.1).
Figuur 4.14.1. Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Flevoland (bron: provincie
Flevoland).
De kavels en de directe omgeving waarop de beoogde uitbreiding van Emmelhage, fase 4, is gesitueerd, kennen een aantal karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Het gaat om een gebied met de waarde 'Openheid'. Gebieden met deze waarde kenmerken zich door grootschalige open ruimten en vrije uitzichten tot aan de horizon, waarin weinig verticale elementen zoals boerderijen, bossen en wegbeplanting voorkomen. Openheid van het landschap is karakteristiek voor grote delen van de provincie Flevoland. Het planvoornemen zal geen afbreuk doen aan deze omliggende cultuurhistorische waarden.
Het plan is niet in strijd met de (instructie)regels. Het treffen van aanvullende maatregelen en/of het opstellen van planregels is niet noodzakelijk. Het aspect 'cultureel erfgoed' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of bij het afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
In artikel 15.5 van de provinciale verordening Flevoland zijn regels opgenomen die relevant zijn ter bescherming van het NNN wanneer een omgevingsplan wordt vastgesteld.
Artikel 15.15
Een omgevingsplan, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij het aangewezen Natuurnetwerk Nederland:
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. In de provinciale omgevingsverordening is dit doorvertaald in
Afdeling 16.2.2 'Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild'. Hierin bestaat benoemd voor welke soorten een vrijstelling geldt en voor welke soorten een omgevingsvergunning voor een flora-en-fauna-activiteit geldt.
Het plangebied ligt in binnenstedelijk gebied en maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 2,5 kilometer van het plangebied (zie figuur 4.15.1). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het IJsselmeer, bedraagt bijna 9 kilometer. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering zijn uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het plan is daarom niet in strijd met de provinciale instructieregel met betrekking tot de NNN.
Figuur 4.15.1. Uitsnede kaart met plangebied (zwarte ster) ten opzichte van
Natuurnetwerk Nederland/NNN gebieden (bron: atlasleefomgeving.nl)
Figuur 4.15.2 Uitsnede kaart met plangebied (blauwe ster) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (bron: atlasleefomgeving.nl)
Gebiedsbescherming: stikstof
Voor de ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is opgenomen in bijlage 8. In deze berekening is het hoogst maatgevende jaar en de exploitatiefase berekend.
Door middel van een Aerius-berekening is inzichtelijk gemaakt of er sprake is van depositie van stikstof op omliggende Natura-2000 gebieden en in welke mate. Uit deze berekening blijkt dat nergens sprake is van een depositie die hoger dan 0,00 m/ha/jaar is. De kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten verslechterd niet. Het project heeft geen significant effect op Natura-2000 gebieden.
Soortenbescherming
Het gebied is mogelijk geschikt als biotoop voor beschermde soorten. Om een effect op beschermde soorten uit te sluiten is door het onderzoeksbureau Mateboer Milieutechniek een Quickscan Ecologie uitgevoerd (EC247115/SK) die als bijlage 9 is toegevoegd bij deze motivering. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend veldbezoek kunnen de volgende conclusies met betrekking tot beschermde natuurgebieden en soorten worden getrokken:
Het plangebied is geschikt als vliegroute voor de vleermuis. Het is noodzakelijk om de werkzaamheden uit te voeren in de daglichtperiode en een verlichtingsplan op te stellen binnen het ecologisch werkprotocol. Voordat de werkzaamheden van start gaan, wordt er een ecologisch werkprotocol opgesteld. Tijdens het uitvoeren van de w erkzaamheden wordt dit protocol nageleefd.
Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van planregels is niet noodzakelijk. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden is het noodzakelijk om het ecologisch werkprotocol na te leven. Het aspect 'natuur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals de energietransitie, klimaatadaptatie en herbruikbaarheid.
Duurzaamheid
Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen: de energietransitie, mobiliteit, herbruikbaarheid etc. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van wijziging omgevingsplan rekening moet worden gehouden. In artikel 22.52 van het omgevingsplan gemeente Noordoostpolder zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen.
Klimaatadaptatie
Een ander doel van de Omgevingswet is onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p van de Omgevingswet).
De toekomstige woningen moeten voldoen aan de geldende BENG-normen. Hierdoor voorziet de ontwikkeling in het leveren van een bijdrage aan een duurzame huizenvoorraad. Tijdens het aanvragen van de omgevingsvergunning voor de bouwtechnische activiteit wordt nauwkeurig beschreven welke maatregelen getroffen worden om te voldoen aan de BENG-normen.
Ten opzichte van de huidige situatie neemt de verharde oppervlakte toe. Om dit zoveel mogelijk te compenseren, wordt het plangebied zo groen en blauw mogelijk ingericht, zoals beschreven in paragraaf 2.2 Beoogde situatie. De inrichting zorgt ervoor dat water kan infiltreren in de grond en opgevangen kan worden in de watergangen. Hierdoor wordt wateroverlast voorkomen en zijn er waterbuffers wanneer er sprake is van droogte.
Bovendien zorgt de groen-blauwe inrichting voor een verkoelend effect. Dit leidt tot een verlaging van de temperatuur in de toekomstige woonwijk.
Het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).
In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar:
Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob.
Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van:
De beoogde woningbouwontwikkeling is in het Omgevingsbesluit, bijlage V onder categorie J11 opgenomen als stedelijk ontwikkelingsproject. In het Omgevingsbesluit geldt voor een stedelijk ontwikkelingsproject geen directe mer-plicht bij het besluit Omgevingsplan maar wel een mer-beoordelingsplicht. Een mer-plicht kan wel ontstaan wanneer een passende beoordeling noodzakelijk is of uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke negatieve gevolgen niet uitgesloten kunnen worden. Ook zal een mer-plicht aan de orde zijn wanneer het Omgevingsplan een kader vormt voor nog te nemen besluiten over een mer-beoordelingsplichtige activiteit. Uitzonderingen hierop zijn plannen met een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Hiervoor geldt een plan-mer-beoordelingsplicht.
Voor de beoogde ontwikkeling geldt een mer-beoordelingsplicht. Er is een beoordeling opgesteld, op basis waarvan het bevoegd gezag een mer-beoordelingsbesluit zal nemen. Het mer-beoordelingsbesluit, inclusief de beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie, is opgenomen in bijlage 10.
Uit de informatie van de aanmeldingsnotitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. In de beoordeling is uitgegaan dat de onderstaande maatregelen worden uitgevoerd. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
Maatregelen
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht.
In de ruimtelijke motivering is getoetst aan het relevante beleid (hoofdstuk 3) en de gevolgen voor de leefomgeving (hoofdstuk 4). Hieruit is gebleken dat het plan in overeenstemming is met het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en dat het plan niet leidt tot negatieve gevolgen voor de leefomgeving.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt de wijziging van een agrarische activiteit naar een woongebied mogelijk. Op grond van deze motivering kan geconcludeerd worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In dit hoofdstuk is getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
Op 15 december 2025 heeft de gemeenteraad van Noordoostpolder de grondexploitatie Emmelhage fase 4 (complex X011F) vastgesteld. Conform artikel 16.13 van de Omgevingswet geeft de toelichting van het omgevingsplan inzicht in de (financiële) uitvoerbaarheid van het plan. Omdat voorafgaand aan de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan de betreffende grondexploitatie is vastgesteld door de gemeenteraad is de financiële uitvoerbaarheid van de wijziging omgevingsplan voldoende geborgd.
Voor Emmelhage fase 4 is een actieve grondexploitatie opgesteld. Bij actieve grondexploitatie verwerft de gemeente zelf gronden, maakt deze bouw- en woonrijp en geeft ze uit via kavels. De ontwikkelingskosten worden gedekt door de verkoop van woningbouwkavels, waarbij volledige kostendekking is gewaarborgd zonder afhankelijkheid van derden voor kostenverhaal. De grondexploitatie sluit met een geprognosticeerd positief financieel eindresultaat van € 1.534.129 op eindwaarde per 31-12-2034. Hierdoor is het kostenverhaal in de zin van artikel 13.13, derde lid, van de Omgevingswet anderszins verzekerd en kan worden afgezien van het opnemen van kostenverhaalregels in het omgevingsplan..
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe het participatietraject voor de beoogde ontwikkeling eruitziet. Daarbij wordt toegelicht welke adviezen zijn gevraagd en uitgebracht, welke ketenpartners zijn geconsulteerd en welke andere belanghebbenden op de hoogte zijn gebracht. Ook wordt uiteengezet hoe dit traject is verlopen.
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.
De gemeente heeft haar participatie vormgegeven door middel van een participatielogboek. Zie hiervoor bijlage 11.
Advies van het Rijk (de ministeries) kan aan de orde zijn bij onder andere rijksmonumentenactiviteiten, en Natura-2000 activiteiten. Voor voorliggende ontwikkeling is dit niet aan de orde.
De motivering en de planregels inclusief locaties van het voorliggende plan zijn voorgelegd aan de provincie Flevoland. De provincie Flevoland heeft hier inhoudelijk op gereageerd:
1. Voortgang overdracht Espelerweg
Dit aspect is bij eerdere uitbreidingen van Emmelhage een vast gespreksonderwerp geweest. De Espelerweg ter hoogte van Emmelhage en de toekomstige uitbreidingen van de wijk zijn nu nog provinciaal eigendom en vallen onder provinciaal beheer. Omdat Emmelhage steeds verder wordt uitgebreid, komt de weg meer en meer binnen de bebouwde kom te liggen. Daarmee is het de vraag of dit deel van de Espelerweg nog wel tot de provinciale infrastructuur behoort, bijvoorbeeld vanuit een stedenbouwkundig perspectief, maar vooral ook kijkend naar de functie en het gebruik van de weg. Overdracht van de weg ligt voor de hand.
Bestuurlijk is afgesproken om, voordat Emmelhage fase 4 in procedure wordt gebracht, afspraken te maken over de overdracht van een gedeelte van de Espelerweg.
Wij dringen er daarom op aan om de voortgang in het dossier rond de overdracht van wegen te behouden en het ontwerpplan voor Emmelhage fase 4 pas in procedure te brengen zodra er bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over de overdracht van de Espelerweg.
Reactie gemeente
Gemeente en provincie koersen beide op overdracht van de Espelerweg. Op 13 oktober 2025 heeft de gemeenteraad van Noordoostpolder besloten dat de overdracht van de Espelerweg (met voorrang) plaats zal vinden. Dit besluit kan gezien worden als een principeakkoord inzake de overdracht. Het besluit laat zien dat de door de provincie gevraagde voortgang in het dossier blijft.
De overdracht van de Espelerweg staat overigens los van het aantonen van een
evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als voldoende is aangetoond dat
het omgevingsplan uitvoerbaar is, kan de procedure doorgezet worden (voor nu:
ontwerp ter inzage).
2. Infrastructuur en mobiliteit
2.1 U verwacht dat dit plangebied 3.331 extra voertuigbewegingen zal genereren. Voor de ontsluiting wordt een nieuwe ontsluitingsweg voorzien die door middel van een rotonde moet worden aangesloten op de provinciale Espelerweg. Wij gaan ervan uit dat de kosten voor deze aansluiting voor rekening van uw gemeente komen.
2.2 Wij vragen u in het (nog uit te voeren) verkeersonderzoek aandacht te besteden aan de gevolgen voor de doorstroming op regionaal niveau.
2.3 Over de Espelerweg rijdt nu buslijn 77. Het concessiebeheer ligt bij de provincie. Als provincie en gemeente tot overeenstemming komen over de overdracht van de Espelerweg, heeft dit consequenties voor de dienstregeling. Dit kan mogelijk financiële gevolgen hebben, waarover tijdig het gesprek moet worden aangegaan met vervoerder EBS en de provincie. Het is wenselijk dit te doen voordat een ontwerpwijziging van het omgevingsplan in procedure wordt gebracht.
Reactie gemeente:
2.1 De rotonde die fase 4 van Emmelhage ontsluit, is opgenomen in het plan voor deze fase en in de gemeentelijke grondexploitatie van Emmelhage fase 4.
2.2 De gemeente is van oordeel dat, op basis van het gemeentelijke verkeersmodel en de verwachte verkeersgeneratie, geen onoverkomelijke effecten op bovenlokaal niveau optreden. Er vinden zowel ambtelijke als bestuurlijke gesprekken plaats (zie punt 1). Indien de gemeente besluit de rotonde bij fase 4 aan te leggen, zal net als bij fase 2, overleg plaatsvinden tussen de provincie en de gemeente.
2.3 Er lopen gesprekken over de OV-ontsluiting, met name over de mogelijke realisatie van een extra bushalte bij de rotonde van fase 4. De gemeente onderzoekt dit samen met de provincie en vervoerder EBS. Het is een gezamenlijk belang om hiermee mogelijk meer reizigers van het openbaar vervoer gebruik te laten maken. De conclusie dat de overdracht gevolgen zou hebben voor de dienstregeling achten wij prematuur. Indien de gemeente de weg overdraagt en aanpassingen aan de weg plaatsvinden, zal zij uiteraard de provincie en de vervoerder betrekken bij de beoordeling van mogelijke gevolgen voor de dienstregeling.Ook dit onderwerp staat los van de 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Er wordt nog gewerkt aan de uiteindelijke invulling. De verschillende scenario’s staan de uitvoerbaarheid van het plan echter niet in de weg.
3. Wonen
Op pagina 25 en 35 geeft u aan dat voorliggende uitbreiding van Emmelhage voldoet aan de afspraken uit de Regionale woondeal ZUND-gemeenten. De woondeal betreft nu nog bestuurlijke afspraken. Deze prestatieafspraken zullen uiteindelijk wettelijk geborgd worden in de Wet versterking regie volkshuisvesting (Wvrv), De provincie dient bij inwerkingtreding van de Wvrv de voortgang van de gemaakte afspraken te monitoren, De beoogde datum van inwerkingtreding van de Wvrv is 1 juli 2025 (of uiterlijk 1 januari 2026). De nu nog bestuurlijke prestatieafspraken uit de woondeals zijn dan harde afspraken en deze gelden ook voor Emmelhage fase 4.
Wij voorzien een knelpunt ten aanzien van de voorliggende motivering voor Emmelhage fase 4. Eén van de punten uit de Wvrv is dat twee derde van de nieuwbouw dient te bestaan uit betaalbare woningen. Wij lezen dat het plan voorziet in 23% (in plaats van 40% uit de woondeal) woningen in het middensegment. Wij lezen echter niet terug welke inspanning is gedaan om het percentage van 40% te behalen, of in welke andere bouwplannen dit gecompenseerd gaat worden. Wij willen u vragen een goede onderbouwing te geven van hoe u hiermee omgaat.
Reactie gemeente
De verwarring lijkt ontstaan doordat bij het concept een verouderde versie van het stedenbouwkundig plan is gebruikt, gedateerd 9 juli 2024. Er is inmiddels een nieuwere versie (2025 02 27 Stedenbouwkundig plan (24875)) die bij de stukken gevoegd zal worden. In de huidige versie van het stedenbouwkundig plan is geen berekening van het programma meer opgenomen.
De actuele programmering is te vinden in de tabel hieronder. Deze tabel wordt in de motivering ETFAL opgenomen. Door flexibel en adaptief te ontwikkelen kan er ingespeeld worden op de dan geldende woonvraag en woonbehoefte(n).
Het beoogde woningbouwprogramma is:
De oude tabel hield voor de toetsing aan de ZUND-afspraken een wat onhandige categorisering aan. Een gedeelte van wat als 'middelduur' is aangegeven in de tabel, is in het kader van de regionale afspraken ook aan te merken als 'betaalbaar'. De basis is het streven van 2/3 betaalbaar. Kortom 66,6% betaalbaar inclusief 30% sociale huur. Afwijken is, mits gemotiveerd, toegestaan.
Het programma is 63% betaalbaar onderverdeeld als volgt:
Hiermee wijken we aan de voorkant af van de 66,6%. Er zullen echter van de geprogrammeerde twee-onder-één-kappers een aantal uiteindelijk onder de betaalbaarheidsgrens gaan vallen. Bij een aantal van 15 van de 90 geprogrammeerde twee-onder-een-kapwoningen zal de huur- of koopprijs onder de betaalbaarheidsgrens liggen. Gezien de lagere grondprijs en bouwprijzen in de Gemeente Noordoostpolder is dit zeer aannemelijk. Dit is op 15 mei 2025 ambtelijk besproken met de provincie.
Er wordt in het gewisselde concept nog getoetst aan onze woonvisie 'Kansen Grijpen' uit 2020 in plaats van het woonbehoefteonderzoek en de onderbouwing daarvan. Dit is aangepast in pragraaf 3.3.1.
Inspraak en rechtsbescherming voor besluiten op grond van de Omgevingswet verlopen overeenkomstig de procedures van de Algemene wet bestuursrecht. In dat kader heeft het ontwerp omgevingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn bestond voor eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Naar aanleiding van een inhoudelijke toets zijn ambtshalve aanpassingen doorgevoerd in de regels, de verbeelding en de motivering ETFAL. Deze ambtshalve wijzigingen zijn opgenomen en samengevat in bijlage 13.