| Plan: | TAM-Omgevingsplan Rheezerend 27 en 29 Dedemsvaart |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0160.0000TAM0021-VG01 |
Voor de locatie Rheezerend 29 in Dedemsvaart is een plan ontwikkeld. De initiatiefnemers hebben het voornemen om de voormalige agrarische opstallen op het erf, die landschapontsierend zijn, te slopen om vervolgens een compensatiewoning te verkijgen. Aangezien de sloopmeters aan de Rheezerend 29 volgens gemeentelijk beleid niet toereikend zijn worden er elders in de gemeente ook landschapontsierende gebouwen gesloopt om de compensatiewoning mogelijk te maken. Hiervoor is gebruik gemaakt van een sloopvoucher. Tot slot wordt het naastgelegen woonerf aan de Rheezerend 27 betrokken bij het plan. De woonfunctie van Rheezerend 27 wordt vergroot overeenkomstig de bestaande situatie.
Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende omgevingsplan van de gemeente Hardenberg, waardoor een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk is. Voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.
Ligging
Het plangebied bestaat uit een agrarisch perceel aan de Rheezerend 29 en een woonperceel aan de Rheezerend 27 in Dedemsvaart. Het plangebied ligt in het buitengebied, ten oosten van de kern Dedemsvaart en staat kadastraal bekend als gemeente Avereerst, sectie P, perceelnummer 442, 1015 en 1016. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Atlas voor Leefomgeving; bewerking Ad Fontem)
Begrenzing
De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 met blauwe kleur weergegeven. In dit figuur is een kadastrale kaart en luchtfoto weergegeven waarop het plangebied en zijn directe omgeving is te zien. Aan de noordkant wordt het plangebied begrenst door de Rheezerend, aan de oost- en westkant door bestaande bebouwing en aan de zuidkant door agrarische gronden.
Figuur 1.2: begrenzing plangebied (bron: Kadastrale Kaart.com; bewerking Ad Fontem)
Het plangebied maakt onderdeel uit van het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege. Elke gemeente heeft met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 een omgevingsplan van rechtswege, welke bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat onder andere uit de (ruimtelijke) regels uit bestemmingsplannen. Voor het voorliggende plan zijn de bestemmingsplannen 'Buitengebied Hardenberg' en 'Dedemsvaart' relevant. In deze bestemmingsplan heeft het plangebied de hoofdfunctie 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap' en 'Woongebied'.
Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg' (bron: Omgevingsloket, regels op de kaart)
Figuur 1.4: Uitsnede bestemmingsplan 'Dedemsvaart' (bron: Omgevingsloket, regels op de kaart)
In het bestemmingsplan "Buitengebied gemeente Hardenberg" is aan de Rheezerend 29 de bestemming/functie "Agrarisch met waarden - open veenontginningslandschap" met bouwvlak toegekend. Voor Rheezerend 27, voor zover dat het oorspronkelijke woonerf betreft, is dus een ander bestemmingsplan van toepassing namelijk het bestemmingsplan "Dedemsvaart". Hierin heeft Rheezerend 27 een woonbestemming/-functie. De gronden van de Rheezerend 29 zijn daarmee bestemd voor de uitoefening van één agrarisch bedrijf, uitgezonderd glastuinbouw. Met voorliggend plan wordt een extra woning toegevoegd op het perceel aan de Rheezerend 29 en het agrarisch bouwvlak wordt verwijderd. Voor het perceel aan de Rheezerend 27 wordt de bestaande woonfunctie vergroot, overeenkomstig de bestaande feitelijke situatie. In het vervolg van deze motivering van het plan wordt aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plan ''TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a” bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de functies van de gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een motivering. De motivering geeft een duidelijk beeld van het plan. En van de daaraan ten grondslag liggende gedachten. Dit maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het TAM-omgevingsplan.
De locatie aan de Rheezerend 29 in Dedemsvaart betreft een voormalig agrarisch erf. Het erf is nog als zodanig bestemd (Agrarisch met waarden - open veenontginningslandschap) met een relatief groot bouwvlak. Van de bouwmogelijkheden is nooit gebruik gemaakt. Er is derhalve sprake van een relatief kleinschalig voormalig agrarisch erf. Het bestaande agrarische bouwvlak van de Rheezerend 29 ligt deels op een perceel dat behoort bij het naastgelegen woonerf Rheezerend 27. Aangezien dit agrarische bouwvlak wordt wegbestemd, zal dit perceel behorende bij de Rheerzerend 27 een woonfunctie krijgen.
In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse functies zoals woningen, bedrijfspercelen en agrarische percelen. In onderstaande figuur is een luchtfoto met enkele foto's opgenomen van het plangebied.
Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied, foto's zijn van het agrarische perceel aan de Rheezerend 29 (bron: N+L Landschapsontwerpers)
De initiatiefnemer heeft voor het agrarische perceel aan de Rheezerend 29 in Dedemsvaart een plan ontwikkeld. Het agrarische bedrijf op deze locatie is reeds beeindigd en de bedrijfsgebouwen bij de bedrijfswoning hebben geen functie meer. Het plan is om de functie van het perceel te wijzigen van agrarisch naar wonen en de bijbehorende bedrijfsgebouwen te slopen. Ter compenatie van de sloop wenst de initiatiefnemer een schuurwoning te bouwen achterop het perceel.
Ter compensatie voor de nieuw te bouwen schuurwoning wordt er 508 m² landschapsontsierende bebouwing met asbest ter plaatse gesloopt. Aanvullend wordt er 145 m2 aan landschapsontsierende bebouwing met asbest gesloopt aan Radewijkersweg 144 in Radewijk en 205 m2 aan Kromhofsweg 6 in Heemeserveen. Daarmee wordt er in totaal 858 m² aan landschapsontsierende bebouwing met asbest gesloopt. Dit is conform het gemeentelijk beleid 'Erven met Kwaliteit', waarvoor een sloopnorm geldt van minimaal 850 m². In hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan.
Met het voorliggende plan wordt de bestaande woning behouden. Alle overige bebouwing aan de Rheezerend 29 wordt gesloopt. De nieuwe bijgebouwen behorende bij de woningen (in totaal 300 m²) worden achter de bestaande woning gerealiseerd. Achterop het erf wordt de nieuwe schuurwoning voorzien. Het gehele erf wordt verder landschappelijk ingepast. Voor het plan is door N+L Landschapsontwerpers ruimtelijke kwaliteitsplan en een landschapsplan opgesteld. Deze zijn opgenomen in Bijlage 1 en Bijlage 2. De toekomstige situatie van het erf is opgenomen in figuur 2.2.
Het bestaande agrarische bouwvlak van de Rheezerend 29 ligt deels op een perceel dat behoort bij het naastgelegen woonerf Rheezerend 27. Aangezien dit agrarische bouwvlak wordt wegbestemd, zal dit perceel behorende bij de Rheerzerend 27 een woonfunctie krijgen.
Figuur 2.2: toekomstige situatie plangebied (bron: N+L Landschapsontwerpers)
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Toets
De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleine lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Er is daarmee geen sprake van strijd met het rijksbeleid.
De Omgevingsvisie Overijssel geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur aangehaald in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving.
Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.
Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De generieke beleidskeuzes zijn bepalend voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Artikel 4.8 Ruimtelijke kwaliteit (ontwikkelen ruimtelijke kwaliteit)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken
Artikel 4.9 Ruimtelijke kwaliteit (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)
Toets:
Met voorliggende ontwikkeling wordt een woonrecht mogelijk gemaakt op een bestaand erf. Ter compensatie wordt alle landschapontsierende bebouwing op het erf gesloopt. Ook wordt er op twee andere locaties binnen de gemeente Hardenberg landschapontsierende bebouwing gesloopt. Verder wordt het perceel aan de Rheezerend 29 landschappelijk ingepast en wordt de compensatiewoning gebouwd als schuurwoning. Dit is geborgd middels een erfinrichtingsplan en beeldkwaliteitsplan. Onder het kopje 'ontwikkelingsperspectieven' wordt de ontwikkeling getoetst aan het uitvoeringsmodel van de provincie Overijssel. Het plan is daarmee in overeenstemming met artikel 4.8 en 4.9 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.14 Woonafspraken
Wanneer de realisatie van nieuwe woningen niet past binnen geldende woonafspraken of wanneer er voor de gemeente geen woonafspraken gelden:
Toets:
Het bouwen van nieuwe woningen kan alleen als dit past binnen de geldende woonafspraken. Conform de Woondeal West-Overijssel (d.d. 2 december 2022) wil de regio zich inzetten om minimaal 28.200 woningen tot 2030 te realiseren. De beoogde nieuwe woning wordt gerealiseerd door het 'Erven met Kwaliteit'-beleid van de gemeente te volgen. De woning voldoen aan de kwalitatieve behoefte in de markt en wordt gebouwd voor de lokale behoefte. Daarnaast levert het een bijdrage aan de woningbouwopgave in West-Overijssel. Hiermee voldoet het aan het beleid van de provincie.
Ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. De provincie Overijssel ziet voorliggende locatie als stedelijk gebied. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd
(bron: provincie Overijssel)
Het plangebied aan de Rheezerend 27 en 29 in Dedemsvaart is gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken.
Het onderhavig plan geeft invulling aan dit perspectief; landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt. In ruil hiervoor wordt een woonrecht verkregen in de gemeente Hardenberg. Het geheel wordt landschappelijk ingepast en levert zodoende een bijdrage aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit op de bouw- en slooplocatie. De plannen van de initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor de functies in de omgeving.
Gebiedskenmerken
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Hoogveengebieden (in cultuur gebracht)' (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Op de locatie is het gebiedstype 'Hoogveengebieden (in cultuur gebracht)' van toepassing. Als ontwikkelingen plaats vinden in de nabijheid van hoogveenrestanten, dan dragen deze bij aan verbetering van de hydrologie om verdroging van het veenpakket tegen te gaan en, waar mogelijk, aan toename van natuurkwaliteit en het areaal levend hoogveen. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting.De gronden in het gebied zijn in gebruik als weiland behorende bij het huidige agrarisch bedrijf. De van oorsprong voorkomende natuurlijke laag is daardoor niet of nauwelijks meer aanwezig. Er wordt met een ruimtelijk kwaliteitsplan ingespeeld op de gebiedskenmerken. Het erf wordt landschappelijk ingericht conform de hier geldende gebiedskenmerken, zie hiervoor ook ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 1.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Veenkoloniaal landschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie
Overijssel)
Op de locatie is het gebiedstype 'Veenkoloniaal landschap' van toepassing. Dit betreft een grootschalig open landschap met een lineaire bebouwings-, verkavelings- en ontwateringsstructuur die ontstaan zijn door grootschalige ontginning van de hoogveengebieden ten behoeve van turfwinning. De ambitie is de aantrekkelijkheid, de leefbaarheid en kwaliteit van de veenkoloniale landschappen te versterken.
Door de inpassing met streekeigen beplanting, worden de kenmerken van het oorspronkelijke landschap van het landschapstype versterkt. Dit gebeurt door het erf in te richten met nieuwe, gebiedseigen beplanting. Zie tevens het ruimtelijke kwaliteitsplan in Bijlage 1. Daarmee is de ontwikkeling in overeenstemming met deze laag.
Stedelijke laag
De stedelijke laag kent het kenmerk 'Woonwijken 1955-nu' aan het gebied toe. In figuur 3.5 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.5: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Op de locatie is deels het gebiedskenmerk 'Woonwijken 1955 - nu' van toepassing. De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
Er wordt met een ruimtelijk kwaliteitsplan ingespeeld op de gebiedskenmerken van de stedelijke laag. Het erf wordt landschappelijk ingericht conform de hier geldende gebiedskenmerken, zie hiervoor ook ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 1.
Laag van de beleving
De laag van de beleving kent het kenmerk 'Donkerte' aan het gebied toe. In figuur 3.6 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 3.6: Laag van de beleving, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Op de locatie is het gebiedstype 'Donkerte' van toepassing. Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar ze liever nog wat donkerder te maken.
Lichtuitstraling hoort bij een woonfunctie. Door de nieuwe woning op een bestaand erf in het buitengebied te realiseren is er vrijwel geen sprake van een toename van (kunst)licht in het buitengebied. Onnodige verlichting wordt zoveel mogelijk voorkomen. De ontwikkeling is in overeenstemming met deze laag.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen omgevingsvisie. In deze visie is het verhaal van de gemeente Hardenberg voor het heden en de komende 20 jaar uitgewerkt. In de visie komt alles samen in het verhaal van de gemeente tot 2040. Het verhaal heet 'Landstad Hardenberg'.
De visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling. Dit betreffen de volgende:
Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval is met name het thema 'Hardenberg in balans' relevant, aangezien deze gaat over het landelijk gebied. En thema 'Hardenberg Duurzaam' omdat dit belangrijke aspecten zijn voor de fysieke leefomgeving.
Hardenberg in Balans
Het landelijk gebied van Hardenberg laat verschillende landschapstypen zien. Deze verschillende landschapstypen zijn de natuurlijke dragers voor ontwikkelingen in het buitengebied. Nieuwe ontwikkeling bouwen hierop voort. Voorliggend plan ligt in het 'open veenontginningslandschap'.
Ontwikkelingen in het buitengebied moeten bijdragen aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De resultaten zijn vastgelegd in Landschap-Identiteit-Kaarten (LIK's). In elke ontwikkelvisie staat op hoofdlijnen welke ontwikkelingen op een passende manier de ruimtelijke kwaliteit kunnen versterken. Hierbij is rekening gehouden met de voorkomende landschapstypen. Als een ontwikkeling afwijkt van het omgevingsplan moet de aanvrager een ruimtelijk kwaliteitsplan opstellen.
Hardenberg voor elkaar
De gemeente Hardenberg bouwt de komende jaren, tot 2035 tenminste 3.500 nieuwe woningen bij. De twee hoofdkernen (Hardenberg en Dedemsvaart) zijn in trek als woonlocatie, ook voor huishoudens buiten de gemeente.
Hardenberg duurzaam
De gemeente stimuleert woningeigenaren om te investeren in duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Zo blijft de particuliere woningvoorraad ook in de toekomst aantrekkelijk. De gemeente wil minder energie verbruiken en duurzame energie opwekken. De gemeente werkt samen met andere partijen om iedereen goed te informeren en bewust te maken. Ook wil de gemeente zelf het goede voorbeeld geven. Duurzame stroomopwek en de warmtetransitie moeten op een goede manier een plek krijgen in het landschap. Daarnaast reserveert de gemeente voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen en voor klimaatadaptatie.
Toets
Ten aanzien van het thema 'Hardenberg in Balans' geldt dat het initiatief bijdraagt aan het vitaal houden van het landelijk gebied en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Voorliggend plan ligt aan de rand van het 'open veenontginningslandschap'. Ontwikkelingen in deze gebieden dragen bij aan een vitale, veerkrachtige landbouw, ook van meer grootschalige agrarische functies. Nieuwe landbouw is op voorliggende locatie niet passend gelet op de situering tegen de bebouwde kom en het feit dat het achtergelegen gebied uitbreiding van het bedrijventerrein is voorzien. De open ruimte heeft desondanks wel een ruimtelijke kwaliteit en deze wordt dan ook behouden. Verder is het uitgangspunt in het buitengebied om bebouwingsclusters/erven compact te houden (voorkomen dichtslibben buitengebied). Dat is in voorliggende ontwikkeling het geval.
Voor het thema 'Hardenberg voor elkaar' geldt dat het initiatief bijdraagt aan de woningbouwopgave van de gemeente Hardenberg en de regio West-Overijssel. Het toevoegen van een compensatiewoning en het omvormen van een bedrijfswoning naar burgerwoning draagt bij aan de stedelijke ontwikkeling en vitale en leefbare kernen.
Voor het thema 'Hardenberg Duurzaam' geldt dat de nieuwe woning duurzaam en gasloos gebouwd gaat worden. Ook blijft er genoeg ruimte over in het gebied om water te bergen. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan een versterking van de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten. De ontwikkeling is daar een voorbeeld van. Ook worden woningen gezien als nieuwe economische dragers van het landelijk gebied.
Samenvattend wordt gesteld dat het initiatief past binnen de omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.
De gemeente Hardenberg heeft de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor het buitengebied van de gemeente geformuleerd in de 'Visienota Buitengebied Gemeente Hardenberg'. De nota richt zich vooral op de realisatie van ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied. De hoofddoelen van het ruimtelijk beleid zijn:
De hoofddoelen zijn in de visienota als volgt vertaald:
In dit geval is het thema 'wonen' van belang:
Dit heeft de gemeente vertaald in een aantal uitgangspunten/doelstellingen:
Wonen in het buitengebied wordt niet meer gezien als een ongewenste functie maar als een waardevol deel van het totale woningaanbod van de gemeente. De gemeente streeft dan ook naar het in stand houden van een gevarieerd aanbod van woonmilieus.
Gekeken naar de visienota valt de planlocatie onder deelgebied 3: Dedemsvaart-Zuid, Colenbranderbos, Slagharen-Oost/West, De Krim, Bergentheim-Zuid.
Toets
Door de ontwikkeling wordt landschapontsierende bebouwing gesloopt en wordt één compensatiewoning gerealiseerd. Deze wordt op een bestaand erf gebouwd. Het wordt landschappelijk ingepast volgens de kenmerken van de omgeving. Daarmee voldoet het o.a. aan uitgangspunt 4 (het bieden van mogelijkheden voor woningbouw bij het slopen van landschapsontsierende bebouwing). De woonfunctie vormt geen belemmering voor de omliggende ecologische functies. Ook vormt het geen belemmering voor de omliggende agrarische bedrijven. De ontwikkeling is in overeenstemming is met de Visienota Buitengebied.
De raad heeft op 16 juli 2024 de gewijzigde beleidsnotitie ‘Erven met kwaliteit’ vastgesteld. De doelstelling van het beleid is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, door de sloop van landschapsontsierende gebouwen.
Het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de landschapsontsierendheid van een gebouw is dat een erf niet op zichzelf staat, maar een eenheid vormt met het landschap. Of een gebouw landschapsontsierend is, moet worden gezien in relatie tot de gebiedskenmerken (uit de LIK en de welstandsnota) en wordt bepaald door een aantal kenmerken, te weten:
Daarnaast kan een gebouw ook als landschapsontsierend worden aangemerkt als het geen (potentiële) gebruikswaarde meer heeft. Een gebouw dat niet voor andere (economische) doeleinden geschikt is, heeft geen gebruikswaarde. Deze komt leeg te staan, verloedert en wordt daarmee vanzelf landschapsontsierend.
De minimale sloopoppervlakte aan landschapsontsierende gebouwen voor de bouw van een woning bedraagt 850 m2 met asbest en 1.000 m2 zonder asbest. Bij combinaties van sloop met en zonder asbest wordt naar rato gerekend. Zie onderstaande tabel:
Bij de berekening van de (minimaal) te slopen oppervlakte blijft per bestaande woning 150 m2 aan gebouwen en overkappingen buiten beschouwing. Omdat deze oppervlakte als bij de woning behorend bouwwerk mag blijven staan of worden teruggebouwd. Bebouwing waarop deze regeling van toepassing is, moet blijvend worden gesloopt. De gemeente werkt ook met sloopbewijzen die op een later moment voor nieuwe ontwikkelingen ingezet kunnen worden. Voor de inrichting van het erf moet een ruimtelijke kwaliteitsplan worden gemaakt.
Deze regeling gaat in de eerste plaats uit van de bouw van de nieuwe woning(en) op het eigen erf, dat wil zeggen op het erf van de slooplocatie. De bouw van de compensatiewoning moet bij voorkeur op het bestaande erf plaatsvinden en als dat niet lukt in hetzelfde gebied. Om landschappelijke redenen zijn echter geen nieuwe erven gewenst in het beekdallandschap en het essen- en hoevenlandschap, daar kan dus alleen op bestaande erven worden gebouwd. De begrenzing van een bestaand erf wordt bepaald door de feitelijke situatie en niet door de juridische begrenzing van de (woon)bestemming.
Bij de erfinrichting hanteert de gemeente de één-erfgedachte. De één-erf-gedachte houdt in dat zowel de nieuwe inrichting van het erf als de nieuwe bebouwing op het erf bijdragen aan het behoud en zo mogelijk het versterken van de oude erfstructuur. Vanuit de één-erfgedachte moet in elk geval worden voorkomen dat er tussen de woningen schuttingen of gesloten hagen worden aangebracht, waardoor er visueel gescheiden erven ontstaan.
Toets
Om een woning toe te kunnen staan dient er volgens de beleidsnotitie 850 m² aan landschapsontsierende bebouwing met asbesthoudende materialen te worden gesloopt of 1.000 m² aan landschapsontsierende bebouwing zonder asbest. Ter plaatse wordt 508 m² aan landschapsontsierende gebouwen met asbesthoudende materialen gesloopt. Verder is aan de Radewijkerweg 44 in Radewijk 145 m² en aan de Kromhofweg 6 in Heemserveen 205 m² aan landschapontsierende gebouwen met asbesthoudende materialen worden gesloopt. Hier zijn door de gemeente reeds sloopbewijzen voor afgegeven. In totaal wordt er 858 m² gesloopt. Aan de sloopeis wordt dus voldaan. Ter plaatse is geen agrarisch bedrijf meer actief en de ter plaatse te slopen gebouwen hebben dan ook, mede gelet op de afmetingen en indeling, geen gebruiksfunctie meer en zijn aan te merken als landschapsontsierend. In de nieuwe situatie zal niet meer dan 150 m² per woning aan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden.
Daarnaast voldoet het plan aan de één-erf-gedachte. De bebouwing en de gebiedseigen beplanting zijn passend bij de te plaatse aanwezige gebiedskenmerken. De bestaande woning is het hoofdgebouw en de overige bebouwing is daaraan ondergeschikt. De volumes staan geordend achter de bestaande woning en de nieuwe woning wordt vormgegeven als een schuurwoning. In de huidige situatie zijn er al twee ontsluitingen op de openbare weg. Deze ontsluitingen wijzigen niet.
Tot slot wordt het gehele erf landschappelijk ingepast. Hiervoor is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld, die ook is opgenomen in bijlage 1. Hierin worden bestaande groenstructuren gehandhaaft en nieuwe bomen aangepland om de landschapsstructuur te versterken.
Het plan voldoet aan de beleidsuitgangspunten van 'Erven met Kwaliteit'.
Op 21 december 2022 is de regionale woondeal West Overijssel getekend. De woondeal gaat over meerdere onderdelen, maar in het kort samengevat in ieder geval over de doelstellingen van deze regio West-Overijssel om de komende jaren tot de bouw van voldoende passende woningen te komen, waarmee het woningtekort in deze regio kan worden opgelost. De opgave/ambitie van de gemeente Hardenberg sluit kwantitatief aan bij de opgave vanuit de woondeal. De autonome opgave binnen West Overijssel is 28.200 woningen t/m 2030. De gemeenten zetten in op een opgave/ambitie van 40.000 woningen.
In het najaar van 2024 gaat de gemeente Hardenberg haar woon(zorg)beleid actualiseren. In lijn met het wetsvoorstel Versterking Regie Volkshuisvesting gaat de woonzorgvisie in op het woningbouwprogramma, betaalbaarheid, verduurzaming en leefbaarheid. Maar ook op de huisvesting van aandachtsgroepen en de zorg- en ondersteuningsbehoefte van deze groepen. Om gefundeerde keuzes te kunnen maken is actueel inzicht nodig in de woningbehoefte op zowel korte als langere termijn. De gemeente heeft daarom samen met Vechtdal Wonen een woningmarktonderzoek laten uitvoeren naar de woningbehoefte en opgave ten aanzien van aandachtsgroepen. Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de woningbehoefte en de woonzorgvraag van verschillende doelgroepen.
Belangrijkste conclusies met betrekking tot woningbehoefte zijn als volgt:
Toets
Dit plan voorziet in de bouw van één vrijstaande woning. Met dit initiatief wordt ingespeeld op de concrete, lokale behoefte. Het initiatief is in overeenstemming met het gemeentelijk woonbeleid.
Er moet rekening worden gehouden met de mogelijke extra verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. In de 'Parkeernormennota Hardenberg' is bepaald hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Dit is afhankelijk van de locatie en soort ontwikkeling. Het aantal verkeersbewegingen wordt bepaald door gebruik te maken van de kencijfers uit het CROW. Er wordt uitgegaan van gemiddelden.
Verkeersgeneratie
Met dit initiatief zijn schuren gesloopt. De aanwezige bedrijfswoning krijgt een woonfunctie. Dit zorgt voor minder verkeersbewegingen dan een volwaardig agrarisch bedrijf. De wijziging van functie zorgt niet voor een toename van de verkeersgeneratie. En er wordt één nieuwe woning gebouwd. Het gaat hierbij om een vrijstaande woning. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:
Voor een vrijstaande woning geldt, op basis van het CROW, een extra verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De omliggende wegen zijn goed ingericht om deze verkeerbewegingen eenvoudig en veilig te kunnen verwerken.
Parkeren
Voor een vrijstaande woning zijn 2,4 parkeerplaatsen per woning nodig. Dit geldt voor zowel de bestaande woning als de compensatiewoning. Op eigen erf is voldoende ruimte om te voorzien in die parkeerbehoefte. In het ruimtelijk kwaliteitsplan (Bijlage 1) is te zien dat er (ruim) voldoende ruimte is om op eigen terrein parkeerplaatsen te maken.
Conclusie
Er wordt voldaan aan het parkeerbeleid van de gemeente Hardenberg.
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gezondheid en het milieu worden beschermd. De aspecten sluiten aan op de onderdelen die zijn genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet.
Voor het beschermen van de gezondheid en het milieu staan in het Bkl regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en andere activiteiten. Ook zijn er regels opgenomen voor de bescherming van geluidgevoelige gebouwen. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl).
Het woonerf aan de Rheezerend 27 betreft een bestaand woonerf. Hier wordt geen nieuwe woning en daarmee geen nieuwe geluidsgevoelige functie, toegevoegd. Hier is geen aanvullend akoestisch onderzoek noodzakelijk. Achter de woning aan de Rheezerend 29 wordt wel een woning toegevoegd. Om te bepalen welke invloed de omliggende wegen hebben op de nieuwe woning aan de Rheezerend 29 is een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai gedaan. De uitkomsten van dit onderzoek zijn als Bijlage 3 opgenomen. De belangrijkste uitkomsten zijn als volgt:
Geconcludeerd wordt dat het aspect 'wegverkeerslawaai' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Op basis van overgangsrecht (artikel 17.5 Omgevingsregeling) bestaat het geluidaandachtsgebied bij een spoorweg met maximaal twee sporen uit het gebied dat zich 200 meter uitstrekt vanaf de buitenste spoorstaaf. Op circa 10 kilometer afstand ligt de dichtstbijzijnde spoorlijn. Dit is ruim voldoende dat er geen hinder van ondervonden wordt.
Het dichtstbijzijnde industrieterrein ligt aan de zuidkant van het plangebied, op circa 500 meter afstand. Op dit industrieterrein is bedrijvigheid tot en met categorie 3.2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan, waardoor geen sprake is van hinder.
In de nabijheid ligt een aantal bedrijven die geluid produceren. Het dichtstbijzijnde bedrijf ligt aan de Rheezerend 25, direct naast het bestaande woonerf aan de Rheezerend 27. Aan de Rheezerend 27 wordt geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. Dit hoeft derhalve niet getoetst te worden. De afstand van de Rheezerend 29-29a tot het bedrijfsperceel aan de Rheezerend 25 bedraagt circa 80 meter. Op dit perceel zijn bedrijven toegestaan tot en met categorie 2. Hierbij hoort een richtafstand tot 30 meter op het gebied van geluid. Hieraan wordt voldaan. Andere bedrijven liggen op verdere afstand van het plangebied. Hierdoor is er geen sprake van geluidshinder door individuele bedrijven.
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Rheezerend 29
Om te beoordelen of de bodem geschikt is voor het gewenste gebruik, is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 van deze motivering. De conclusie uit dit onderzoek is als volgt:
Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
Rheezerend 27
Het perceel van de Rheezerend 27 (kadastraal bekend als gemeente Avereest, sectie P, nummmer 1015) maakt ook onderdeel uit van dit Tam-Omgevingsplan. Dit perceel is sinds 2008 in gebruik als tuin bij de naastgelegen woning, Rheezerend 27. Echter is dit perceel nooit zo bestemd. Tot 2008 is dit perceel altijd in gebruik geweest als agrarische grond (weiland). Op het perceel heeft tot 2008 nooit agrarische bebouwing gestaan. Voor dit perceel is volledigheidshalve wel een vooronderzoek uitgevoerd volgens NEN5725. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. De conclusie uit dit onderzoek is als volgt:
Gegeven het historische gebruik van de locatie en de resultaten van onderhavig historisch
onderzoek wordt, bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een verkennend onderzoek
(NEN5740) niet noodzakelijk geacht. De locatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
De bodem is van voldoende kwaliteit voor de uitvoering van dit voornemen.
Voor de bescherming van de luchtkwaliteit zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Locaties met hoge concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof zijn aangemerkt als aandachtsgebied. Vooral in en vlakbij een aandachtsgebied moeten overheden toetsen aan de omgevingswaarden. Dit is niet nodig indien een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Volgens het Bkl dragen de volgende projecten niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging:
Er zijn een paar situaties die de overheid nog wel in het hele land moet beoordelen. Dit zijn:
Gelet op de aard en omvang van de voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals hiervoor beschreven kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.
In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
In de directe omgeving liggen diverse agrarische bedrijven. Het dichtstbijzijnde agrarische erf ligt aan de overkant van de straat, aan de Rheezerend 72. De onderlinge afstand bedraagt circa 110 meter (gemeten tussen de locatie van de te bouwen woning aan de Rheezerend 29 en het bouwvlak van de Rheezerend 72). In artikel 5.111 van het Bkl is een minimumafstand tussen de gevel van een ruimte-voor-ruimte woning (erventransitiebeleid) en het emissiepunt van een dierenverblijf. De minimumafstanden zijn als volgt:
In voorliggend geval wordt voldaan aan de hierboven gestelde voorwaarden, waardoor de te realiseren woning gezien kunnen worden als een ruimte-voor-ruimte woningen. De afstandsnorm van 50 meter is van toepassing. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Daarbij liggen tussen het plangebied en de veehouderij andere gebouwen dichterbij die geurgevoelig zijn. Het plan is daarmee niet maatgevend voor de veehouderij in de omgeving.
Daarnaast liggen in de nabijheid van het plangebied op relatief grote afstand meerdere intensieve veehouderijen. Het betreft o.a. een een varkenshouderij aan Het Bergje 6 Dedemsvaart op circa 1760 meter van het plangebied. Dit bedrijf kent een geuremissie van 30.092 ouE/m3. Tevens ligt op circa 2120 meter afstand een varkenshouderij aan de Luttergreppel 4 Slagharen. Deze veehouderij kent een geuremissie van 43.167 ouE/m3. Gezien de nabijheid van meerdere intensieve veehouderijen met een significante geuremissie dient het aspect geur nader te worden beschouwd en te worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse.
Van belang is om te beoordelen dat voor de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Volgens de geurverordening van de gemeente Hardenberg, welke is opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan, mag voor de nieuwe woning op de locatie Rheezerend 29 uitgegaan worden van een geurnorm van 14 oudeur. Gezien de afstand en geuruitstoot van de in de nabijheid gelegen veehouderijen blijft naar verwachting de geurimmissie beneden de geurnorm van 14 oudeur. Een uitgebreid geuronderzoek is niet noodzakelijk.
De planologische rechten van omliggende veehouderijen worden niet aangetast. Op basis van bovenstaande wordt geacht dat geur geen belemmering vormt voor het plan. Er blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit plan.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Met voorliggend project wordt een exra woonrecht mogelijk gemaakt aan de Rheezerend 29 in Dedemsvaart. Zoals aangegeven werkt rekening houden met trillingen door activiteiten twee kanten op.
Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'Trillingen'.
Vanuit het aspect 'trillingen' is er sprake van een evenwichte toedeling van functies aan locaties.
Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. In het Bbl staan regels voor voldoende daglicht in bouwwerken (nieuwbouw). Deze verschillen per gebruiksfunctie en soort ruimte.
Kunstlicht kan leiden tot diverse vormen van lichthinder. Kunstlicht komt van (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw en sportterreinen. De provincie heeft voor sommige gebieden 'donkerte' als waarde bepaald.
Bij de vergunningaanvraag voor de bouw van de woningen zal getoetst worden aan de regels over de daglichttoetreding en bezonning. Er zal geen toename zijn van (kunst)licht in het buitengebied doordat de woningen worden gebouwd als compensatie van gesloopte stallen.
Vanuit het aspect licht is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Waterschap Vechtstromen behartigd de plannen met betrekking tot water voor het plangebied.
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).
Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.
Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik.
In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen.
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem.
Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven.
Watervisie 2050
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie is doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zijn het beleid en de maatregelen opgenomen.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:
Weging van het waterbelang in voorliggend plan
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Toets
Op 23 december 2024 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht voor de locaties aan de Rheezerend 27 en 29. De watertoets is toegevoegd in Bijlage 9. Voor het plangebied geldt de korte procedure. De aanvraag is direct ingevuld en ingediend. Het waterschap heeft op voorhand geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling.
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ook gekeken worden naar de gevolgen van rampen. Daarvoor zijn in het Bkl risicobronnen aangewezen. Het gaat om:
Deze risicobronnen hebben aandachtsgebieden. Ze zijn digitaal te raadplegen in het Register Externe Veiligheid. Binnen een aandachtsgebied worden bij voorkeur geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd. En ook geen beperkt kwetsbare gebouwen of locaties of zeer kwetsbare gebouwen. Soms kan dat toch, bijvoorbeeld als er extra maatregelen worden getroffen die worden vastgelegd in voorschriftengebieden. Denk bijvoorbeeld aan extra bouweisen.
Aan hand van de kaarten met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' zoals opgenomen in de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
Figuur 6.1: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Voor wat betreft omgevingsveiligheid wordt er op het woonerf aan de Rheerzerend 27 geen nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. Bestaande risicobronnen moeten reeds rekening houden met dit woonerf. Aan de Rheezerend 29 wordt wel een nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. De dichtstbijzijnde risicobron tot de Rheezerend 29 ligt op circa 150 meter afstand (tot de explosie contour) en betreft een tankstation. Daarnaast ligt het plangebied op circa 350 meter afstand van de brandcontour van een gasleiding. Gezien de onderlinge afstand en het feit dat het plangebied buiten het aandachtsgebied ligt van deze risicobron, vormt deze risicobron geen belemmering voor dit initiatief.
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan instructieregels voor de gemeente. Deze gaan over:
De aspecten cultuurhistorie (monumenten) en archeologie worden hierna uitgewerkt.
Onder cultuurhistorische waarden worden alle gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
Er bevinden zich binnen het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden.
Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering met betrekking tot het plan.
In de Erfgoedwet staat een archeologische zorgplicht wanneer de bodem wordt verstoord. Er is dan onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
De archeologische verwachting is verwerkt in het bestemmingsplan Buitengebied, dat onderdeel is van het omgevingsplan. Op het plangebied geldt geen archeologische verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek is daarmee niet benodigd.
Het aspect archeologie is geen belemmering voor het plan.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Uit de jurisprudentie (ABRvS 28 juni 2017 ECLI:NL:RVS:2017:1724, 201608869/1/R3) blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling.
In het plan is sprake van het toevoegen van een compensatiewoning. Daarnaast is de bestaande bedrijfswoning bestemd voor regulier wonen. Er wordt dus één nieuwe woning toegevoegd. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing.
Voor de bescherming van het landschap geldt het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet staat dat 'landschappen' een onderdeel zijn van het fysieke leefomgeving. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd.
Er is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door het treffen van landschapsmaatregelen. Voor het bepalen van de landschapsmaatregelen is een ruimtelijke kwaliteitsplan (Bijlage 1) opgesteld. De landschappelijke kenmerkende waarden zijn als uitgangspunt genomen. De landschapsmaatregelen bestaan uit het aanplanten van gebiedseigen beplanting ter plaatse van het erf. De uitvoering van de landschapsmaatregelen is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Het plan is niet strijdig met het Europees Landschapsverdrag. De landschappelijke kenmerken/waarden worden versterkt.
Het is wenselijk dat bouwplannen voor gebouwen van goede kwaliteit zijn. En dat ze passen in het bebouwingsbeeld. Er zijn twee welstandsnota's, een voor de stads- en dorpskernen en een voor het buitengebied. Voor het buitengebied is dat de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente. Daarom is deze van toepassing. In de welstandsnota staan toetsingscriteria voor de beoordeling van woningen. Voor het realiseren van de beoogde schuurwoning zijn deze toetsingscriteria onvoldoende toereikend. Voor het beoogde plan is derhalve een beeldkwaliteitsplan opgesteld waarin de nieuwe toetsingscriteria zijn opgenomen. Het beeldkwaliteitsplan is vastgelegd in de regels van dit TAM-omgevingsplan (Bijlage 1).
De natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Bij natuurbescherming gaat het om de bescherming van gebieden en de bescherming van soorten. In dit hoofdstuk komt aan de orde hoe dit plan rekening houdt met de bescherming hiervan
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.
Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 7,5 km afstand en betreft 'Vecht- en Beneden- Reggegebied'. Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden.
Figuur 8.1: afstand tot Natura 2000-gebied (bron: Atlas Leefomgeving, bewerking Ad Fontem)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 850 meter afstand van het plangebied. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
Figuur 8.2: afstand tot Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas Leefomgeving, bewerking Ad Fontem)
Dit plan leidt niet tot negatieve effecten op beschermde gebieden.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Er wordt binnen het plangebied gesloopt en gebouwd. Dit zijn activiteiten die negatieve effecten kunnen hebben op beschermde soorten. Er is daarom een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn als Bijlage 6 bijgevoegd. De belangrijkste conclusies zijn als volgt:
Het plangebied is op 31 oktober 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten:
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde dieren hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied.
Door het rooien van beplanting rondom de schuren wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Voor de aanwezige vogelsoorten geldt dat uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Indien de werkzaamheden toch in de voortplantingsperiode van vogels worden uitgevoerd moet er een broedvogelscan uitgevoerd worden.
Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bosmuizen, huisspitsmuizen, rosse woelmuizen en veldmuizen die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling geldt niet voor steenmarter, voor deze soort dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden voor het beschadigen/vernielen van een vaste rust- of voortplantingsplaats op het erf. Voor de andere beschermde grondgebonden zoogdieren op het erf geldt een vrijstelling voor het beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Er geldt geen vrijstelling voor het doden. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie onderstaande tabel voor toepasbare vangmiddelen) of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Er dient wel een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden voor het beschadigen/vernielen van een vaste rust- en voortplantingsplaats van een steenmarter.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat vaste (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaatsen negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie tabel op vorige pagina van het onderzoek), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:
Activiteitenplan steenmarter
Door Natuurbank Overijssel is een Activiteitenplan steenmarter opgesteld. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7. De belangrijkste conclusies zijn als volgt:
Als gevolg van het slopen van de stallen kan niet uitgesloten worden dat de vaste rust- of voortplantingsplaatsen vernield worden van steenmarter;
Mitigerende maatregelen
In het plangebied worden twee steenmarterkasten geplaatst in de bestaande groenstructuur ten oosten van het plangebied. Deze steenmarterkasten worden bedekt met een laag takken of snoeiafval van tenminste 1 meter hoog, waarbij de ingang wordt vrijgehouden. Om te voorkomen dat er water in de kasten loopt dienen de kasten op een klein laagje grind of een stoeptegel gezet te worden. Het is van belang dat de kast een beetje beschut tussen het groen staat. De kraamkamer kan gevuld worden met hooi of stro. Voor de steenmarterkast kan gebruik gemaakt worden van het type ZK MA 01 van Vivara of een kwalitatief vergelijkbaar alternatief;
Natuurvrij maken
Voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten de kwetsbare periode van steenmarters dienen de schuren ongeschikt gemaakt te worden voor steenmarters. Omdat de exacte locatie van de verblijfplaats niet bekend is, wordt dit bewerkstelligd door de golfplaten van het dak te verwijderenonder begeleiding van een ecoloog. Bij het verwijderen van de golfplaten moet er ruimte zijn voor de steenmarter om te ontsnappen.
Compenserende maatregelen
Er zijn twee steenmarterkasten geplaatst die gelden als compenserende maatregel. Het plangebied wordt nadien landschappelijk ingepast door middel van de aanplant van bomen. Steenmarters zijn voedselgeneralisten en kunnen in een nacht enige kilometers afleggen om voedsel te zoeken, waarbij mannetjes doorgaans meer kilometers afleggen dan vrouwtjes. Het plangebied is in de huidige situatie als foerageergebied marginaal. Gelet op het feit dat steenmarters voedselgeneralisten zijn en gelet op de afstand die steenmarters kunnen afleggen, blijft er voldoende foerageergebied in de omgeving over. Daarnaast hebben steenmarters vaak meerdere verblijfplaatsen in hun territorium waar regelmatig tussen gewisseld wordt. Op de luchtfoto in het onderzoek staat aangegeven welke afstand steenmarters in een nacht kunnen afleggen, afgaande op dat mannetjes doorgaans 5 kilometer afleggen en vrouwtjes 3 kilometer.
De twee steenmarterkasten zijn in de bestaande en de te behouden groenstructuur geplaatst ten oosten van het plangebied. Op onderstaande tekening staan de locaties van de steenmarterkasten weergegeven met de gele sterren. Met de voorgeschreven maatregelen heeft het beoogde plan geen nadelige gevolgen voor de steenmarter.
Figuur 8.3: locatie voorzieningen steenmarter (bron: landschapsplan N+L Landschapsontwerpers)
Voor het beoogde plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot de vergunningplicht en de compenserende maatregelen voor de steenmarter. In het plangebied zijn twee steenmarterkasten geplaatst in de bestaande groenstructuur ten oosten van het plangebied. Met deze voorgeschreven maatregelen heeft het beoogde plan naar verwachting geen nadelige gevolgen voor de steenmarter. De provincie Overijssel heeft besloten om de vergunning te verlenen. Zie hiervoor ook Bijlage 8. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden. Wanneer deze voorschriften worden nageleefd en de compenserende maatregelen worden genomen is er geen belemmering meer en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Aan de hand van bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen. In kolom 1 staan de projecten opgesomd. In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is. In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt. Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.
Het plan betreft de sloop van bebouwing, de bouw een compensatiewoning en het omzetten van agrarische functie naar een woonfunctie. Op basis van kolom 1 van bijlage V Ob valt dit onder een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' (J11).
Beoordeeld moet worden of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Als dat het geval is moet een milieueffectrapport worden gemaakt. Of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn, dat wil zeggen: de kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële effecten.
Het project heeft geen aanzienlijke milieugevolgen vanwege:
1. de kenmerken van het project: het veranderen van een voormalig agrarisch erf in een woonerf en de bouw van een schuurwoning;
2. de plaats van het project: een voormalig boerenerf in het buitengebied tegen de bebouwde kom;
3. het ontbreken van relevante potentiële effecten. Dit blijkt uit de vorige hoofdstukken 4 t/m 9 van deze motivering.
Dit plan brengt geen negatieve effecten op het milieu met zich mee. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
Overheden zijn verplicht om de kosten van een ontwikkeling te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. In dit geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.
Participatie is een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. De initiatiefnemer is in juni 2024 langs de direct omwonenden gegaan om de plannen toe te lichten. De buurt heeft positief gereageerd op de plannen. De algemene reactie is dat zij blij zijn dat de oude schuren weggehaald worden en dat er een woning met hoogwaardige architectuur voor terugkomt. Het bezoek aan de buren heeft niet voor aanpassingen aan het plan gezorgd. Het participatieverslag is opgenomen in Bijlage 10.
Het plan is, in het kader van vooroverleg, voorgelegd aan de provincie Overijssel. De provincie kan instemmen met het plan. De ontwikkeling vindt plaats in het stedelijk gebied. Er is derhalve geen provinciaal belang.
Dit plan zal voor 6 weken als ontwerp ter inzage worden gelegd. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan voor de hele gemeente de regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het Bkl staan de instructieregels voor de hoofdonderwerpen. Een omgevingsplan houdt in ieder geval voldoende rekening met onderstaande onderwerpen:
Deze onderwerpen zijn beoordeeld in hoofdstuk 3 tot en met hoofdstuk 10. Hieruit blijkt dat het plan met alle aspecten voldoende rekening houdt. Geconcludeerd wordt dat met deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.