direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-Omgevingsplan Rheezerend 27 en 29 Dedemsvaart
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0160.0000TAM0021-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. De begripsbepalingen in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing voor dit TAM-omgevingsplan.
  • 2. De begripsbepalingen in de volgende bijlagen zijn van toepassing voor dit TAM-omgevingsplan, tenzij in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan daarvan is afgeweken:
      • bijlage bij de Omgevingswet;
      • bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
      • bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
      • bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
      • bijlage I bij het Omgevingsbesluit;
      • bijlage I bij de Omgevingsregeling.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

  • 1. Voor dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
    • a. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
    • b. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen worden hierbij buiten beschouwing gelaten;
    • c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
    • d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
    • e. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ruimten, zoals kelders en kruip- en soortgelijke ruimten, onder de onderzijde van de begane grondvloer - en tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren - worden niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk, tenzij:
      • de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen, of;
      • de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft.
      • In bestaande situaties wordt een kelder waarvan de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen of de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft, niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk. Bij recreatiewoningen wordt de inhoud van een kelder onder de recreatiewoning wel meegeteld bij de inhoud van de woning;
    • f. de bruto vloeroppervlakte: de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen;
    • g. de ashoogte van een windturbine:
      • turbines met een horizontale as: vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;
      • turbines met een verticale as: de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt;
    • h. de tiphoogte van een windturbine:
      • turbines met een horizontale as: de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;
      • turbines met een verticale as: de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt;
    • i. de rotordiameter van een windturbine: deze wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as;
    • j. wijziging van een (spoor)weg: daaronder wordt bij een weg verstaan:
      • het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 meter;
      • het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 meter;
      • een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;
      • het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of,
      • het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg;

en bij een spoorweg:

  • het verhogen van de maximumrijsnelheid;
  • het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of,
  • het verhogen van de treinintensiteit.

  • a. waar waarden gelden:
    • 1. op een gevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen:
      • op de gevel als het gaat om een gevoelig gebouw; en,
      • op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen gevoelig gebouw;
    • 2. op op de begrenzing van een locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen als het gaat om een woonschip of woonwagen; en
    • 3. in een gevoelige ruimte, als het gaat om een gevoelige ruimte.
  • b. de waarden voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten zijn niet van toepassing op:
    • 1. het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en
    • 2. onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.
  • 2. Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de grens van de locatie of de rooilijn met niet meer dan 1 meter wordt overschreden.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. Het oude planologische regime is niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid. Onder het oude planologische regime wordt verstaan de besluiten bedoeld in artikel 4.6, lid 1 onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet die deel uitmaken van het omgevingsplan.
  • 2. De regels in afdeling 22.2 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van de artikelen 22.36 tot en met 22.39, en de regels in afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels van dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Rheezerend 27, 29 en 29A zoals dat is begrensd in het GML-bestand NL.IMRO.0160.0000TAM0021-OW01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Doelen

  • 1. Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Hardenberg als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.
  • 2. De gemeente Hardenberg staat voor een nieuwe periode van groei waarin we ons ontwikkelen tot landstad Hardenberg. Daarbij staan vier uitgangspunten centraal:
    • a. De groei vasthouden en doortrekken, een stabiele bevolkingsgroei is daarbij een voorwaarde.
    • b. Kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker: we streven naar brede welvaart en een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken of te ondernemen.
    • c. Ruimte als troefkaart: daarmee onderscheiden we ons, in Hardenberg krijg je veel voor weinig.
    • d. Bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden: we zijn een regionaal economisch en vervoersknooppunt voor noordoost-Nederland. Met de as Zwolle-Hardenberg als basis voor samenwerking en bereikbaarheid.
  • 3. De ontwikkeling naar landstad Hardenberg vindt plaats op basis van de volgende kenmerken:
    • a. een grote verscheidenheid in het landelijk gebied;
    • b. aantrekkelijk wonen;
    • c. een vitale economie; en,
    • d. samen bouwen aan een duurzame toekomst.

Hoofdstuk 2 Functies en andere gebiedsaanwijzingen

Artikel 5 Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap

5.1 Oogmerk
  • 1. De regels over de functie 'agrarisch met waarden' binnen het 'Open veenontginningslandschap' in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
    • a. het behouden en ontwikkelen van agrarisch grondgebruik en faciliteren van bestaande agrarische bedrijven; en;
    • b. de instandhouding van de gebiedskenmerken van het besloten veenontginningslandschap.

5.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
5.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • a. het exploiteren van een agrarisch bedrijf, uitgezonderd glastuinbouw;
    • b. hobbymatige agrarische activiteiten;
  • 2. In aanvulling op het eerste lid zijn de volgende ondergeschikte activiteiten toegestaan:
    • a. kleinschalige duurzame energiewinning;
    • b. recreatief extensief verblijven.
5.3 Vergunningsplichtige gebruiksactiviteiten
5.3.1 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning chemische gewasbeschermingsmiddelen voor boom- en/of fruitteelt te gebruiken binnen 50 meter van:
    • a. concentraties van woningen (in lintbebouwing, buurtschappen en bebouwde kom);
    • b. de NNN-gebieden, zoals bepaald en begrensd in de Omgevingsverordening Overijssel; en,
    • c. recreatieve functies;
  • 2. De omgevingsvergunning wordt verleend indien door middel van onderzoek en/of door het treffen van maatregelen aangetoond kan worden dat het woon- en leefklimaat en de natuurlijke waarden van de omliggende gronden hierdoor niet onevenredig worden aangetast.
5.4 Verboden gebruiksactiviteiten
5.4.1 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 en 5.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor:
    • 1. glastuinbouw;
    • 2. horeca;
    • 3. detailhandel;
    • 4. recreatief nachtverblijf;
    • 5. groothandel;
    • 6. reparatiewerkzaamheden van motorvoertuigen, vaartuigen of caravans';
    • 7. buitenopslag;
    • 8. een paardenbak.
  • b. onder strijdig gebruik van gronden of bouwwerken wordt in ieder geval verstaan het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen in open teelten op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - spuitvrije zone'.
5.5 Toegestane ruimtelijke bouwactiviteiten
5.5.1 Aanwijzing toegestane ruimtelijke bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in 5.2 mits deze in overeenstemming is met Artikel 9.

5.6 Vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten
5.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige ruimtelijke bouwactiviteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in 5.2, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 5.5.1.

5.6.2 Vaste beoordelingsregels bouwwerken buiten bouwvlakken

De omgevingsvergunning wordt verleend indien het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, buiten een bouwvlak 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap' voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. andere (bouw)werken, waaronder tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met uitzondering van kuilvoerplaten, sleufsilo's, bouwwerken voor de opslag van mest en zonnecollectoren;
  • b. voor de bouwhoogte van bouwwerken gelden de maatvoeringsbepalingen zoals in de tabel aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0160.0000TAM0021-VG01_0019.png"

5.6.3 Aanwijzing verboden bouwactiviteiten

Bouwactiviteiten die afwijken van de bouwactiviteiten in 5.5 en 5.6 zijn verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a. andere vormen van mestopslag;
  • b. de bouw van zonnecollectoren.
5.7 Vergunningplichtige overige activiteiten
5.7.1 Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden
  • 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken:
    • a. aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    • b. aanleggen en dempen van wateren;
    • c. het aanleggen van een paardrijbak;
    • d. aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; en,
    • e. bebossen of op een andere manier beplanten met houtopstanden.
  • 2. Deze vergunningplicht geldt niet voor het verrichten van het volgende:
    • a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
    • b. werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • c. werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van de aan het kwetsbaar landschap eigen gebiedskenmerken als bedoeld in de Artikel 4 en 5.1;
    • d. werken en werkzaamheden met minder dan 250 m3 grondverzet;
    • e. kavelpaden, in- of uitritten en het verhogen en/of verlagen van de bodem ten behoeve van foliebassins, mestplaten, kuilvoerplaten en sleufsilo's;
    • f. werken en werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, onder b, voorzover het betreft het aanleggen van poelen.
5.7.2 Beoordelingsregels werken en werkzaamheden

Voor het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden wordt omgevingsvergunning verleend indien door die werken of werkzaamheden, of door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, een of meer waarden of functies van de in deze afdeling bedoelde gronden, die het plan beoogt te beschermen:

  • a. niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; of,
  • b. de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 6 Wonen

6.1 Oogmerk

De regels over de functie 'Wonen' in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. het benutten en ontwikkelen van woongebieden, ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;
  • b. het beschermen van de gezondheid en veiligheid van de directe woonomgeving; en,
6.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
6.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:

  • a. wonen door één huishouden in een woning;
  • b. kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis onder de voorwaarden in artikel 6.2.2; en,
6.2.2 Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis

Voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de exploitatie van de bedrijven zoals vermeld op de Lijst van toegestane kleinschalige bedrijfsactiviteiten in Bijlage 4 zijn in ieder geval toegestaan en ook de bedrijven die gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijkwaardig zijn;
  • b. de activiteit dient inpandig te worden verricht;
  • c. de vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 30% van het bruto vloeroppervlakte van de totale bestaande bebouwing tot een maximum van 100 m²;
  • d. degene die de activiteit uitoefent, dient ook de gebruiker te zijn van de woning;
  • e. een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met de kleinschalige bedrijfsactiviteit is toegestaan; en,
  • f. er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in artikel 7.1.
6.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
6.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren:

  • a. zorgfuncties bij het wonen: het wonen in één of meerdere woningen door wonen in groepsverband voor speciale doelgroepen, zoals hulpbehoevenden met daarbij behorende speciale woonzorgfuncties;
  • b. kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden uit artikel 6.2.2; en,
  • c. de exploitatie van een kinderopvang.
6.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. bij de activiteit als bedoeld in artikel 6.3.1, eerste lid onder c: degene die de activiteit uitoefent, dient ook de gebruiker te zijn van de woning;
  • b. de activiteit mag geen onevenredige hinder opleveren voor de omgeving;
  • c. de activiteit mag geen onevenredige afbreuk doen aan het ruimtelijk (woon)karakter van de buurt;
  • d. de activiteit mag de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden niet aantasten;
  • e. de activiteit mag geen onevenredige nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en er moet sprake zijn van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in 7.1.
  • f. de activiteit mag geen publieksgericht karakter hebben; en,
  • g. de activiteit doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken zoals bedoeld in artikel 6.1.

6.4 Verboden gebruiksactiviteiten
6.4.1 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 6.3.1 en subparagraaf 6.3.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden - anders dan kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis - voor:
    • 1. de exploitatie van horeca- of detailhandelsbedrijven, anders dan is bedoeld in artikel 6.2.1 onder b.
    • 2. activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf;
    • 3. groothandel;
    • 4. kapsalons aan huis
    • 5. reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motorvoertuigen, vaartuigen of caravans.
  • b. wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg- of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden; en,
  • c. opslag voor de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw;
  • d. het anders dan hobbymatig houden van landbouwhuisdieren.

6.4.2 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke inpassing
  • a. Tot een met de woonfunctie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen – voorwaardelijke verplichting' zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 2 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie Wonen onder de voorwaarde dat binnen 18 maanden na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 2 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan.
6.4.3 Voorwaardelijke verplichting - sloop
  • Er dient uiterlijk binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van de woonfunctie op de locatie sprake te zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door de sloop van landschapsontsierende gebouwen aan de Rheezerend 29 zoals aangegeven in Bijlage 5.

6.4.4 Voorwaardelijke verplichting - steenmarter
  • a. Tot een met de woonfunctie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het slopen van de landschapsontsierende bebouwing en het in gebruik laten nemen van nieuwe gebouwen zonder het plaatsen en het instandhouden van steenmarterkasten zoals opgenomen in Bijlage 6.

6.5 Toegestane ruimtelijke bouwactiviteiten
6.5.1 Aanwijzing toegestane ruimtelijke bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten zoals bedoeld in 6.2 en 6.3 mits deze in overeenstemming is met Artikel 9.

6.6 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
6.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een hoofdgebouw te (ver)bouwen en bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel 6.2.1 en 6.3.1, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in artikel 6.5.1.

6.6.2 Beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw

De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een hoofdgebouw voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. het hoofdgebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. per bouwvlak is ten hoogste één hoofdgebouw met één woning toegestaan;
  • c. de goothoogte van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 3,5 meter en de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 meter.
  • d. de dakhelling bedraagt ten minste 35°, maximaal 30 m² van het hoofdgebouw mag voorzien zijn van een plat dak;
  • e. ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'beeldkwaliteit' gelden de beeldkwaliteitseisen zoals opgenomen in de beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen in hoofdstuk 6 van het ruimtelijk kwaliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 3.

6.6.3 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken:

  • a. het bepaalde in dit lid is niet van toepassing op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk indien deze voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen zoals opgenomen in 6.6.2;
  • b. de goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter;
  • c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
  • d. de dakhelling bedraagt ten minste 18°, met uitzondering voor overkappingen waarvoor wel een plat dak is toegestaan;
  • e. bijbehorende bouwwerken worden binnen de specifieke bouwaanduiding 'bijbehorende bouwwerken' gebouwd;
  • f. overkappingen worden binnen de specifieke bouwaanduiding 'bijbehorende bouwwerken' gebouwd;
  • g. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt niet meer dan 150 m2 per hoofdgebouw.

6.6.4 Beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen of overkappingen zijnde)

De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van overige bouwwerken:

  • a. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 1 meter. In afwijking hiervan is een bouwhoogte van 2 meter toegestaan indien de erf- of perceelafscheiding achter de voorgevelrooilijn en/of op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied staat,
  • b. de bouwhoogte van alle andere overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.

Hoofdstuk 3 Algemene regels ten aanzien van activiteiten

Artikel 7 Parkeeractiviteiten

7.1 Parkeergelegenheid
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.
  • 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en,
    • b. een parkeerbalans en toelichting hierop.
  • 3. De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:
    • a. er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); en,
    • b. de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto's, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of,
    • c. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en b:
      • indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en,
      • als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik.
  • 4. Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid.

Artikel 8 Planologische gebruiksactiviteiten

8.1 Aanwijzing toegestane mantelzorg / extra huishouden

Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een (bedrijfs)woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen.

8.2 Kleinschalige duurzame energiewinning
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor kleinschalige duurzame energiewinning ten behoeve van de opwekking van windenergie en zonne-energie op gebouwen in afwijking van de toegedeelde functie in Artikel 6.
  • 2. De omgevingsvergunning wordt verleend voor zover het realiseren van de bouwwerken daarvoor op basis van de bouwregels bij die functie mogelijk is.
8.3 (Pre)mantelzorg
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren:
    • a. voor zover niet vergunningvrij is toegestaan: het bieden van mantelzorg danwel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning;
    • b. het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een (bedrijfs)woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg.
  • 2. De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een bedrijfswoning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:
    • a. het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    • b. het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving;
    • c. er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en,
    • d. het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie.
  • 3. De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel pré-mantelzorgwoningen gemeente Hardenberg” (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).
8.4 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten
  • 1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in Hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  • 2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een locatie 'mer-activiteiten toegestaan' is opgenomen.
  • 3. Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
  • 4. Het gebruik als seksinrichting is verboden.

Artikel 9 Ruimtelijke bouwactiviteiten

9.1 Bestaande maatvoering toegestaan
  • 1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van dit artikel danwel Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.
  • 2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan op grond van dit artikel danwel Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.
9.2 Anti-dubbeltelregel
  • 1. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
  • 2. Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
9.3 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken mits het in overeenstemming is met:
    • a. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; of,
    • b. elders in het omgevingsplan algemeen vastgelegde vergunningvrije bouwactiviteiten (artikel 22.27 of diens opvolger), de toegedeelde functie én de vaste beoordelingsregels van dit omgevingsplan die op die locatie van toepassing zijn.
  • 2. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van:
    • a. nutsvoorzieningen;
    • b. voorzieningen voor verkeer, parkeren en verblijf;
    • c. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen;
    • d. waterhuishoudkundige voorzieningen.
  • 3. Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.
  • 4. Voor de bouwwerken als bedoeld in het tweede en derde lid gelden de volgende voorwaarden:
    • a. de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;
    • b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en,
    • c. de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.
9.4 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan:
    • a. de bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 9.3 (toegestane bouwactiviteiten); en
    • b. de toegestane bouwactiviteiten, als bedoeld in Hoofdstuk 2.
9.5 Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten: algemeen
  • 1. De omgevingsvergunning wordt verleend indien:
    • a. de bouwactiviteit voldoet aan de beoordelingsregels als bedoeld in Hoofdstuk 2;
    • b. de bouwactiviteit voldoet aan de beoordelingsregels als opgenomen in deze subparagraaf.
9.6 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen
  • 1. De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen:
    • a. de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²;
    • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter;
    • c. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter;
    • d. de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en,
    • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.
  • 2. Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
    • a. niet hoger dan 4 meter; en,
    • b. uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.
  • 3. Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt.
9.7 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:

  • a. met een andere functie en anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in Hoofdstuk 2;
  • b. anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in artikel 8.1 t/m 9.6.

Artikel 10 Verrichten van werken en werkzaamheden

10.1 Aanwijzing toegestane aanlegactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten en de aan te leggen werken in stand te houden en te gebruiken, mits deze behoren bij de toegedeelde functie:

  • a. nutsvoorzieningen;
  • b. infrastructurele voorzieningen (waaronder parkeervoorzieningen);
  • c. verblijfsvoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en,
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen.

Hoofdstuk 4 Procesregels

Artikel 11 Algemene bepalingen

11.1 Rangorde

De regels in dit plan gaan voor op het omgevingsplan dat van rechtswege is ontstaan.

11.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. de gegevens en bescheiden, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a';
  • b. de aanduiding (aard en omvang) van de activiteit of activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd c.q. de melding wordt ingediend;
  • c. naam, adres, e-mailadres (voor zover beschikbaar), en woonplaats van de melder of aanvrager en diens eventuele gemachtigde;
  • d. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding;
  • e. een situatietekening of kaart met een schaal van tenminste 1:1.000 voorzien van een noordpijl waarop de ligging, indeling en uitvoering van de activiteit op de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven;
  • f. gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventuele benodigde beoordeling op grond van dit plan.
11.3 Advies
  • 1. Het bevoegd gezag vraagt advies aan de stadsbouwmeester over de welstandsaspecten van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten;
  • 2. De stadsbouwmeester baseert zijn/haar welstandsadvies op de criteria uit de vastgestelde beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Voorzover de regels aan ruimtelijke bouwactiviteiten met betrekking tot de voorgeschreven maximale goothoogte en maximale bouwhoogte en de plaatsing op het bouwperceel ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen, is deze ruimte tevens bedoeld voor het kunnen stellen van voorwaarden op basis van deze welstandscriteria (voor zover die binnen het betreffende gebied van toepassing zijn) mits:
    • a. de vermindering van de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15% van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte; en,
    • b. de binnen de regels te realiseren oppervlakte niet wordt verminderd.
11.4 Algemene beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning
  • 1. Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, als bedoeld in Hoofdstuk 2, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
    • a. er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de daarop toepasselijke doelen en/of oogmerken; en,
    • b. het met weigering van de omgevingsvergunning of handhaving van de algemene regel, als bedoeld in de aanhef, te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het doel en/of oogmerk van de activiteit.
  • 2. Bij de toepassing van het eerste lid, worden de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingsdoelen en/of –oogmerken afgewogen, af voor zover niet uit een instructieregel, dit omgevingsplan of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit.
11.5 Algemene weigeringsgronden omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

  • a. het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;
  • b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;
  • c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en,
  • d. de gemeentelijke doelstellingen als opgenomen in Artikel 4.
11.6 Algemene bevoegdheid stellen maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften
  • 1. Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in Hoofdstuk 2.
  • 2. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in dit hoofdstuk tenzij anders is bepaald.
  • 3. Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
  • 4. Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
  • 5. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
  • 6. Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
11.7 Gelijkwaardigheid
  • 1. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in plaats van een maatwerkregel of een vergunningvoorschrift als bedoeld in 12.6, een gelijkwaardige maatregel te treffen.
  • 2. Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel of het vergunningvoorschrift is beoogd.
11.8 Normadressaat
  • 1. Aan de hoofdstukken 1, 4 en 5 die algemeen geldende bepalingen bevatten, wordt door een ieder – waaronder de gemeente - voldaan.
  • 2. Aan het Hoofdstuk 2 dat gaat over de verschillende gebiedsaanwijzingen wordt voldaan door de eigenaar van de locatie en/of degene die uit anderen hoofde bevoegd is over de locatie te beschikken. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de locatie.
  • 3. Aan Hoofdstuk 3 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en/of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 12 Overgangsrechts

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
12.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in Hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
12.3 Overgangsrecht overig activiteiten
  • 1. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a':
    • a. vergunningplichtig is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit;
    • b. meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  • 2. Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.
  • 3. Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen.
  • 4. Op activiteiten die op het moment van de inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Rheezerend 27, 29 en 29a' krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van de hoofdstukken 1 en 3 t/m 5 van dit omgevingsplan rechtstreeks van toepassing.