direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Chw bestemmingsplan Stad Appingedam
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Wat is een Chw bestemmingsplan?

De gemeente Appingedam wil het geldende bestemmingsplan voor de stad Appingedam actualiseren. Aanleiding hiervoor is de aardbevingsproblematiek in de regio, waaruit een versterkingsopgave naar voren is gekomen. Bepaalde aspecten hiervan maken aanpassing en actualisatie van het geldende bestemmingsplan Stad Appingedam noodzakelijk, om te voorkomen dat voor elk versterkingsproject een ruimtelijke procedure moet worden gevolgd. Tevens moet de gemeente op grond van de omgevingsverordening van de provincie Groningen een inventarisatie uitvoeren naar karakteristieke panden en een passende bescherming opnemen in de regeling van het bestemmingsplan, zodat deze panden beschermd zijn tegen ongewenste sloop.

De gemeente Appingedam kiest ervoor om, in plaats van een 'gewoon' bestemmingsplan, een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op te stellen, formeel een Chw bestemmingsplan genoemd. Aanleiding voor dit plan is de komst van de Omgevingswet op 1 januari 2022. De gemeente heeft de ambitie om al met het nieuwe instrument omgevingsplan te oefenen. Dit doet de gemeente niet alleen, maar samen met de inwoners van Appingedam, stakeholders en ketenpartners (zoals provincie Groningen, de waterschappen Hunze en Aa's en Noorderzijlvest, de Veiligheidsregio Groningen, NCG, de GGD en Libau). De Omgevingswet geldt nu nog niet, daarom is het plan nog geen echt omgevingsplan, maar een variant tussen het bestemmingsplan en het omgevingsplan in. We noemen dit plan daarom, vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet, een Chw bestemmingsplan. Het is feitelijk gezien een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte waarmee op basis van de Crisis- en herstelwet van een aantal aspecten van de huidige wet- en regelgeving kan worden afgeweken.

1.2 Waarom een Chw bestemmingsplan?

Met het opstellen van een Chw bestemmingsplan wordt ingespeeld op een grote aanpassing van de huidige wet- en regelgeving op het gebied van de ruimtelijke ordening en milieu. Het Rijk werkt momenteel aan de Omgevingswet. De gemeente Appingedam heeft zich aangemeld als pilotgemeente om vooruit te kunnen lopen op deze nieuwe wetgeving. De ervaringen die tijdens de pilot worden opgedaan kunnen dienen als oefening voor het opstellen van het gemeentedekkend omgevingsplan dat de gemeente Eemsdelta in de jaren na de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied moet opstellen.

De reikwijdte van het Chw bestemmingsplan is breder dan die van het bestemmingsplan. Met het Chw bestemmingsplan kunnen regels worden gesteld voor alle activiteiten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Dit begrip omvat alles wat de kwaliteit van de fysieke leefomgeving bepaalt. Dus ook aspecten als duurzaamheid, gezondheid, welstand, landschap, milieu, veiligheid en cultureel erfgoed. Een aantal van deze aspecten worden nu nog in aparte gemeentelijke verordeningen en de welstandsnota geregeld. Met een Chw bestemmingsplan kan beter worden ingespeeld op actuele maatschappelijke vraagstukken in Appingedam en de regio, zoals demografische ontwikkelingen en de gevolgen van de gaswinning, omdat het de bredere sociaaleconomische doelstellingen verbindt aan de fysieke leefomgeving.

Het opstellen van een Chw bestemmingsplan is voor de gemeentelijke organisatie een mooie kans om zich voor te bereiden op de komst van de Omgevingswet en om na invoering van deze wet daadwerkelijk de kansen van deze wet te benutten. Ander voordeel van een omgevingsplan is ook dat de regelgeving minder versnipperd is over verschillende bestemmingsplannen en verordeningen, maar dat sprake is van één gemeentelijk instrument voor de fysieke leefomgeving.

Samengevat is het Chw bestemmingsplan een vernieuwend plan waarin de mogelijkheden die de Omgevingswet straks gaat bieden zo optimaal mogelijk worden benut. Het vernieuwende karakter komt vooral tot uiting in de verbrede reikwijdte en de digitale opzet van het plan. Daarnaast wil de gemeente met dit plan vooral uitnodigen tot ontwikkeling en initiatief. Hierbij wordt uitgegaan van de ja, mits-benadering. De gemeente staat positief tegenover initiatieven van inwoners en ondernemers. Uiteraard moeten deze initiatieven wel passen binnen de Omgevingsvisie en de kaders en randvoorwaarden die in het Chw bestemmingsplan zijn opgenomen. Het plan is mede met het oog hierop zo helder en gebruiksvriendelijk mogelijk opgezet. In het Chw bestemmingsplan Stad Appingedam wordt verder uitgelegd waarin het Chw bestemmingsplan verschilt van een 'gewoon' bestemmingsplan.

De Crisis- en Herstelwet en in het verlengde daarvan het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet maakt het mogelijk dat een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte wordt opgesteld. Pilotgemeenten mogen van een aantal wettelijke regelingen afwijken en sorteren hiermee voor op het instrument omgevingsplan. Appingedam is aangewezen als pilot op grond van artikel 7c en 7w van het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet.

1.3 Wat is het plangebied?

Het Chw bestemmingsplan Stad Appingedam geldt voor het grootste deel van het stedelijk gebied van de stad Appingedam. De volgende figuur geeft het plangebied van het plan weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0001.jpg"

Plangebied Chw bestemmingsplan Stad Appingedam

In het bestaand bebouwd gebied van Appingedam geldt het volgende bestemmingsplan:

  • Bestemmingsplan Stad Appingedam, geheel onherroepelijk, vastgesteld op 19 juni 2013 en deels herzien op 18 februari 2016.

De gemeente Appingedam kiest ervoor om voor het bestaand bebouwd gebied in één keer een geheel nieuw Chw bestemmingsplan op te stellen, met uitzondering van een viertal gebieden, waarvoor aparte bestemmingsplanprocedures zijn doorlopen. Het gaat om de volgende locaties:

  • De Tip, ten westen van het stadscentrum.
  • Scholenlocatie Olingermeeden, in het zuidwesten van Appingedam.
  • Opwierde zuid, in het zuiden van Appingedam.
  • Schoolcampus-locatie, in het noorden van het stedelijk gebied van Appingedam.

Voor deze locaties zijn recent aparte bestemmingsplan vastgesteld. Voor de Schoolcampus geldt ook een Chw bestemmingsplan.

1.4 Wat is het karakter van het Chw bestemmingsplan?

Het nieuwe Chw bestemmingsplan heeft in hoofdzaak een tweedelig karakter. Ten eerste is het Chw bestemmingsplan beheersgericht en wordt de ruimtelijk-functionele structuur vastgelegd voor bestaande functies. Verleende vergunningen worden verwerkt in het Chw bestemmingsplan.

Het Chw bestemmingsplan vormt echter geen statisch geheel, maar speelt ook zoveel mogelijk in op nieuwe ontwikkelingen die plaatsvinden in Stad Appingedam. In het kader van de versterkingsopgave wordt in Appingedam gewerkt aan meerdere projecten, die in het omgevingsplan al juridisch-planologisch mogelijk gemaakt worden. Het gaat hierbij onder meer om herontwikkeling van woongebieden in Opwierde 1, maar ook om de vrijkomende locaties van de scholen die zullen verhuizen naar de nieuw te ontwikkelen campus.

1.5 Wat is het beleidskader?

Vanuit diverse overheidslagen is beleid geformuleerd. Deze beleidskaders en de daarin opgenomen randvoorwaarden bepalen mede de beleidsvrijheid die de gemeente heeft bij het opstellen van het Chw bestemmingsplan voor Appingedam. In hoofdstuk 3 Beleidskader is een overzicht gegeven van het landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid dat relevant is voor het Chw bestemmingsplan Stad Appingedam.

Hoofdstuk 2 Ambities en uitgangspunten voor dit Chw bestemmingsplan

2.1 Ambities en uitgangspunten

Ten behoeve van het Chw bestemmingsplan is voorafgaand een Nota van Uitgangspunten opgesteld die op 13 december 2018 door de raad is vastgesteld. In deze nota zijn de uitgangspunten voor het Chw bestemmingsplan uiteengezet. In deze paragraaf wordt beknopt ingegaan op alle relevante uitgangspunten. De Nota van Uitgangspunten is opgenomen als bijlage 2. De uitgangspunten zijn thematisch hieronder opgesomd en kort gemotiveerd:

Gezondheid en veiligheid

Uitgangspunt:

Er is aandacht voor de sociale onderdelen van de fysieke leefomgeving: gezondheid en veiligheid. Dit is samen met de Veiligheidsregio en GGD verkend en vertaald in het Chw bestemmingsplan.

Gezondheid en veiligheid zijn thema's die onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving en die een duidelijke rol spelen in de versterkingsopgave en de problematiek in het aardbevingsgebied. Omwille van de veiligheid van de inwoners dienen de woningen en andere voorzieningen versterkt te worden. Daarom wordt in dit Chw bestemmingsplan aandacht gegeven aan deze thema's. Bij de planontwikkeling is aandacht voor toegankelijkheid voor mensen die minder mobiel zijn.

Stadsvisie Appingedam

Uitgangspunt:

Tijdens het proces van de Stadsvisie wordt continue afstemming gezocht met het Chw bestemmingsplan. De Stadsvisie wordt vertaald in het Chw bestemmingsplan.

De Stadsvisie (vastgesteld in juni 2019) geeft antwoord op de vraag welke ontwikkelrichting de gemeente aan Appingedam wil geven. In de visie wordt benoemd welke ingrepen er de komende vijf jaren worden gedaan op het gebied van wonen en ruimte. De visie bestaat uit een overkoepelend deel, maar levert ook drie meer concrete wijkontwikkelingsplannen op. Bovendien is de visie in nauwe samenwerking met de inwoners ontwikkeld. De bevindingen uit de Stadsvisie vormen belangrijke input voor het Chw bestemmingsplan en zijn hierin vertaald.

Cultureel erfgoed

Uitgangspunten:

De lijst van karakteristieke panden wordt opgenomen in het Chw bestemmingsplan, zowel in de regels als in de verbeelding. Met de vaststelling van het plan wordt daarmee ook de lijst van karakteristieke panden vastgesteld. In de regels worden de vergunningen met betrekking tot het slopen van karakteristieke panden en panden in karakteristieke gebieden opgenomen.

De regeling voor het beschermd stadsgezicht is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Stad Appingedam.

De regeling voor archeologische (verwachtings)waarden is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Stad Appingedam.

De stad Appingedam kent veel gebouwd cultureel erfgoed, waarvan een deel bescherming geniet op basis van de Erfgoedwet en een deel op basis van de gemeentelijke Erfgoedverordening. Bovendien geldt in het geldende bestemmingsplan een beschermende regeling voor het beschermd stadsgezicht en zijn er verschillende archeologische verwachtingswaarden in het plangebied aanwezig op basis van de geldende regeling. Daarnaast is vanuit de provincie een beschermende regeling ten aanzien van karakteristieke panden vereist. De beschermende regeling voor het cultureel erfgoed, alsmede de karakteristieke panden, hebben een plaats gekregen in dit Chw bestemmingsplan. Zie hiervoor paragraaf 5.7.

Welstand

Uitgangspunt:

Welstand is opgenomen in het Chw bestemmingsplan. Voor een aantal locaties gelden aparte welstandsregimes, deze zijn opgenomen in aparte beeldkwaliteitplannen. Dit vraagt om een toekomstbestendig regime dat flexibel genoeg is om in te spelen op de uitvoering van de Stadsvisie en de versterkingsopgave.

Het huidige welstandsregime is opgenomen in de Welstandsnota die in 2004 is vastgesteld en waarop in 2014 een aanvulling is geweest. De nota is gemaakt in een tijd dat de aardbevingsproblematiek nog niet speelde. Om ervoor te zorgen dat bij toekomstige ontwikkelingen, waarbij rekening moet worden gehouden met de versterkingsopgave, welstand en bouwregels op elkaar zijn afgestemd, is er voor gekozen om welstandsregels in het Chw bestemmingsplan op te nemen. Deze welstandsregels zijn aangepast en aangevuld met regels die inspelen op de versterkingsopgave. In hoofdstuk 7 is de toelichting op de welstandsregels uiteengezet. Voor De Eendracht is een apart ontwikkelingskader opgesteld waarin ook beeldkwaliteitseisen zijn opgenomen. Voor dit gebied geldt daarom een apart welstandskader. Ook voor de ontwikkelgebieden die onderdeel zijn van de 1588-gebieden worden te zijner tijd beeldkwaliteitsplannen opgesteld, die als welstandskader gaan fungeren en apart door de raad worden vastgesteld.

Duurzaamheid

Uitgangspunt:

Er wordt ruimte geboden voor duurzaamheidsmaatregelen en er wordt afgestemd met de in voorbereiding zijnde Ruimtelijke visie op duurzame energie die samen met de gemeenten Delfzijl en Loppersum is gemaakt.

De energietransitie is een belangrijk speerpunt in het beleid 'Duurzaam duurt het langst' van de gemeente Appingedam. De gemeente wil op termijn afscheid nemen van fossiele brandstoffen en zo de CO2-uitstoot verlagen. De energietransitie heeft een grote impact op hoe gebouwd en gewoond en gewerkt wordt en uiteindelijk op hoe de fysieke leefomgeving eruit ziet. Daarom is dit aspect expliciet meegenomen in dit Chw bestemmingsplan.

Integratie gemeentelijke verordeningen

Uitgangspunt:

De Bomenverordening, de Erfgoedverordening en de Woonschepenverordening worden meegenomen in het Chw bestemmingsplan. De insteek is om de inhoud van de verordeningen te analysen en waar mogelijk aan te passen, zodat toekomstbestendig zijn en aansluiten op de uitvoering van de Stadsvisie, de versterkingsopgave en de bescherming van karakteristieke panden.

In het Chw bestemmingsplan mogen regels uit gemeentelijke verordeningen mee worden genomen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Om deze regeling aan te kunnen laten sluiten bij de voorgenomen versterkingsopgave en regeling karakteristieke plannen en het voornemen om meer flexibiliteit in de regeling op te nemen, worden de stedenbouwkundige bepalingen van de Bouwverordening, de Bomenverordening en de Woonschepenverordening in dit Chw bestemmingsplan meegenomen. Uiteindelijk is besloten om de Erfgoedverordening niet in het Chw bestemmingsplan op te nemen. Na de herindeling van de gemeenten Appingedam, Delfzijl en Loppersum op 1 januari 2021 zullen de verordeningen van de drie gemeenten toch op elkaar afgestemd moeten worden.

Parkeren

Uitgangspunt:

Er wordt een parkeerregeling opgenomen in het bestemmingsplan waaraan bouwplannen worden getoetst. Ter uitvoering hiervan is een gemeentelijke beleidsregel vereist of er kan worden verwezen naar de CROW-parkeernormen.

Voorheen werd de parkeerbehoefte van een bouwplan aan de bouwverordening getoetst. De parkeerbepaling uit de bouwverordening is echter inmiddels vervallen. Om toch een regeling omtrent het parkeren vast te stellen, is een parkeerregeling opgenomen in het Chw bestemmingsplan waar bouwplannen aan getoetst moeten worden.

Actualisatie bestemmingsplan

Uitgangspunt:

Het geldende bestemmingsplan wordt geactualiseerd met verleende vergunningen, geüpdatet aan de hand van actuele onderwerpen en waar nodig worden onderzoeken naar milieu- en omgevingsaspecten uitgevoerd.

Sinds de vaststelling van het geldende bestemmingsplan Stad Appingedam zijn verschillende omgevingsvergunningen verleend, waarbij in sommige gevallen is afgeweken van het bestemmingsplan. Deze ontwikkelingen zullen in het Chw bestemmingsplan verwerkt worden. Tevens wordt bekeken of de milieu- en omgevingsaspecten geactualiseerd moeten worden. Dit zal in ieder geval voor concrete voorgenomen ontwikkelingen moeten gebeuren.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Europees beleid

Verdrag van Malta

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet maakte deel uit van de Monumentenwet en inmiddels van de Erfgoedwet. De kern van de Wamz is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De Wamz verplicht gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, zal het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld door een omgevingsvergunning verplicht te stellen voor uitvoering van (diepe) grondwerkzaamheden. In paragraaf 6.2 Archeologie en cultuurhistorie wordt hier nader op ingegaan.

Verder is in overleg tussen de provincie Groningen en de toenmalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in 2001 een Archeologische Monumentenkaart (AMK) opgesteld. Voor de regio Noord-Groningen is het archeologiebeleid als vervolg daarop in een regionale beleidsadvieskaart uitgewerkt (zie ook paragraaf 3.4 Regionaal en gemeentelijk beleid).

Natura 2000

De lidstaten van de Europese Unie hebben zich verplicht om tot een samenhangend Europees ecologisch netwerk van natuurgebieden te komen, zodat een soort ecologische hoofdstructuur op Europese schaal, genaamd 'Natura 2000', wordt gerealiseerd. Afspraken waarmee dit bereikt moet worden, zijn onder meer vastgelegd in de EG-Vogelrichtlijn en de EG-Habitatrichtlijn.

Zowel de Vogel- als de Habitatrichtlijn streven naar soort- en gebiedsbescherming. Zij zijn in principe niet rechtstreeks bindend voor de burger. Daartoe moet eerst doorvertaling vinden naar bestemmingsplannen, of (voor natuurgebieden) de Wet natuurbescherming.

De Wet natuurbescherming (Wnb) is de Nederlandse uitwerking van het internationale beleid, zoals dat is vastgesteld in de Vogel- en Habitatrichtlijn. Per 1 oktober 2005 is de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 in werking getreden. Vanaf dat moment heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Inmiddels is dit over gegaan in de Wet natuurbescherming. Provincies zijn in hoofdzaak het bevoegd gezag bij het verlenen van een vergunning. In deze wet wordt uitgegaan van twee typen gebieden:

  • de beschermde natuurmonumenten (voormalige beschermde natuurmonumenten en Staatsnatuurmonumenten die buiten de Natura 2000- gebieden liggen);
  • de Natura 2000-gebieden.

Het uitvoeringsinstrument voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in Nederland betreft de Wet natuurbescherming. Hierin zijn de voorgaande Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet vervangen. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het Natura 2000-gebied 'Waddenzee' (zie ook paragraaf 6.3 Ecologie).

Landbouwbeleid

Het landbouwbeleid wordt in belangrijke mate in Europees verband bepaald. Voor de landen van de EU is daarmee een open markt ontstaan, waarbinnen een gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt gevoerd.

Door uitbreiding van de EU met landen uit Midden- en Oost-Europa staat dit landbouwbeleid meer en meer ter discussie. Verwacht wordt dat er een liberalisering van de markt optreedt met minder steunmaatregelen en een EU-prijsontwikkeling in de richting van de wereldmarktprijzen.

Agrarisch milieubeleid

Op Europees niveau worden meerdere milieurichtlijnen uitgevaardigd, die zijn of worden verwerkt in de eigen wet- en regelgeving. Van belang voor de agrarische sector zijn in het bijzonder:

  • regelgeving gericht op de productie van veilig voedsel voor de mens;
  • dierengezondheidsbeleid;
  • (veehouderij) beleid voor melkprijzen en quotaregeling;
  • (akkerbouw) marktordeningsbeleid voor graan, suiker en aardappelen;
  • de Europese nitraatrichtlijn, gericht op bescherming van de bodem. De doorwerking betekent eisen aan de individuele landbouwers met op bedrijfsniveau een beheersing van in- en uitstroom van mineralen;
  • de Europese richtlijn milieu-effectrapportage (m.e.r.).

Dienstenrichtlijn

Tot voor kort werden beperkingen voor detailhandel die in bestemmingsplannen waren opgenomen niet getoetst aan de Europese Dienstenrichtlijn. Daarin is sinds 2018 verandering gekomen. Het Europese Hof van Justitie heeft in het arrest van 30 januari 2018 gesteld dat als in een bestemmingsplan beperkingen aan de detailhandelsontwikkelingen worden gesteld dat die beperkingen moeten voldoen aan de Dienstenrichtlijn (ECLI:EU:C:2018:44). Vervolgens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in de tussenuitspraak van 20 juni 2018 inzake het bestemmingsplan Stad Appingedam dit standpunt vertaald naar de Nederlandse bestemmingsplanpraktijk (20 juni 2018; ECLI:NL:RVS:2018:2062).

Uitgangspunt van de Dienstenrichtlijn

De Dienstenrichtlijn is gebaseerd op het Europees uitgangspunt van een vrije interne markt en vrijheid van vestiging van dienstverrichters. Het opnemen van beperkingen mag wel, daaraan verbindt de Dienstenrichtlijn voorwaarden.

Voorwaarden die de Dienstenrichtlijn aan beperkingen voor detailhandel geldt

Wanneer een gemeente beperkingen verbindt aan een locatie waar detailhandel is toegestaan, dan moeten deze beperkingen worden getoetst aan de criteria die zijn opgenomen in de Dienstenrichtlijn (artikel 15 lid 3). Een beperking moet voldoen aan de motiveringsplicht van artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Dit houdt in dat deze beperking moet voldoen aan drie voorwaarden. Op basis van jurisprudentie is inmiddels duidelijk geworden hoe de toetsing door de Afdeling moet worden uitgevoerd (Appingedam, 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2062; Maastricht, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4195; Schijndel, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4196, Decathlon Schiedam, 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:965).

  • a. 'Non-discriminatoir'
    Er mag geen onderscheid gemaakt worden in de vestiging van een bedrijf op basis van het land van herkomst. Dit speelt in de ruimtelijke ordening doorgaans geen rol van betekenis.
  • b. 'Noodzakelijkheid'
    De noodzakelijkheid van een vestigingsbeperking moet worden aangetoond in het kader van een 'dwingende reden van algemeen belang'. Een voorbeeld hiervan is het bevorderen van de aantrekkelijkheid van het centrum om de leefbaarheid te behouden en zo leegstand in het centrum te voorkomen. Dit doen gemeenten vaak ter bescherming van het stedelijk milieu in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Deze noodzakelijkheid zal in veel kernen en gemeenten in Nederland aan de orde zijn.
  • c. 'Evenredigheid'
    De motivering aan het 'evenredigheidscriterium' moet voldoen aan de volgende criteria:
    • 1. de maatregel moet geschikt zijn om het beoogde doel te bereiken;
    • 2. de maatregel wordt op coherente en systematische wijze uitgevoerd (hypocrisietest);
    • 3. de maatregel gaat niet verder dan nodig is; er moet worden beoordeeld of het beoogde doel niet ook met andere en/of minder beperkende middelen (flankerende maatregelen) kan worden bereikt.

In het voorliggende plan wordt geen bepaling opgenomen die betrekking heeft op het land van herkomst of een vergelijkbare bepaling. Dat betekent dat het plan voldoet aan het discriminatieverbod. De regeling moet dan ook worden getoetst aan de voorwaarden 'noodzakelijkheid' en 'evenredigheid'. Die hoofdlijnen van de conclusie van de toetsing is weergegeven in bijlage 3. Bijlagen 4 en 5 bevatten een uitvoeriger uiteenzetting van de motivering.

Toetsing aan de drie voorwaarden, in artikel 15, derde lid, Dienstenrichtlijn

  • Niet-discriminerend
    In de tussenuitspraak van 20 juni 2018 heeft de Afdeling geconstateerd dat partijen erover eens zijn dat de brancheringsregeling niet strijdig is met het discriminatieverbod in artikel 15, onder a (20 juni 2018; ECLI:NL:RVS:2018:2062; r.o. 8).
  • Noodzakelijkheid
    De tussenuitspraak is duidelijk ten aanzien van de noodzakelijkheid van de brancheringsregeling (20 juni 2018; ECLI:NL:RVS:2018:206; r.o. 11.1). De Afdeling is het met de gemeente eens dat het behoud van de leefbaarheid van het stadscentrum en het voorkomen van leegstand in binnenstedelijk gebied, noodzakelijk zijn voor de bescherming van het stedelijk milieu en een dwingende reden van algemeen belang vormen die branchering in het perifere winkelgebied rechtvaardigt. Daaruit volgt de conclusie van de Afdeling dat aan de voorwaarde van noodzakelijkheid (artikel 15, derde lid, onder b, van de Dienstenrichtlijn) daarmee is voldaan.
  • Evenredigheid
    Geconcludeerd wordt dat het doel dat met de brancheringsregeling wordt nagestreefd, niet met andere, vergelijkbare of minder verstrekkende maatregelen is te bereiken. De brancheringsregeling is de enige geschikte maatregel, andere maatregelen zijn ontoereikend. Met name dit onderdeel is in de bijlage uitvoerig beoordeeld.

De motivering die voor het bestemmingsplan Stad Appingedam is opgesteld, is onverminderd van kracht en van toepassing op het voorliggende plan. De regeling komt ook overeen met de oorspronkelijke regeling in het genoemde bestemmingsplan. Op basis hiervan kan dan ook worden gesteld dat wordt voldaan aan de in artikel 15, derde lid, Dienstenrichtlijn opgenomen drie voorwaarden waaraan een beperking voor detailhandel in een bestemmingsplan moet voldoen. Op basis van de overwegingen in de bijlage 3, 4 en 5 wordt geconcludeerd dat de brancheringsregeling voor het Woonplein niet-discriminerend en wel noodzakelijk en evenredig is.

Dat de regeling voor het Woonplein voldoet aan de Dienstenrichtlijn heeft de Afdeling op 24 juli 2019 bevestigd in de einduitspraak over het bestemmingsplan Stad Appingedam, ruim 6 jaar na de vaststelling van het bestemmingsplan op 19 juni 2013. De regels uit het bestemmingsplan Stad Appingedam zijn overgenomen in dit Chw bestemmingsplan.

3.2 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ('Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig') in werking getreden. Deze structuurvisie vervangt de voorgaande verschillende bestaande nota's, zoals de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de Agenda Vitaal Platteland en de Nota Pieken in de Delta.

De hoofdlijnen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn:

  • 1. de bemoeienis van het Rijk met de ruimtelijke ordening wordt teruggebracht tot een beperkt aantal opgaven van nationaal belang (selectiviteit);
  • 2. de blik van het Rijk (beleidsmatig en qua inzet van financiële middelen) wordt gericht op het vestigingsklimaat in gebieden met de hoogste verdiencapaciteit (de zogenaamde mainports, brainports en greenports);
  • 3. er wordt afgestapt van het concept van de Nationale Stedelijke Netwerken;
  • 4. overheveling van taken en verantwoordelijkheden op het gebied van de ruimtelijke ordening naar provincies (regierol) en gemeenten. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op (gebaseerd op de 'SER-ladder'). In het mobiliteitsbeleid komt de gebruiker centraal te staan en wordt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit versterkt. Hierdoor ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:

  • 1. een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt; bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports en greenports;
  • 2. over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan; bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed;
  • 3. een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is; bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners.

Deze drie criteria zijn leidend bij de in de structuurvisie benoemde rijksdoelen en bijbehorende nationale belangen.

In de SVIR zijn voor het gebied Noord-Nederland (de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe) de volgende opgaven aangemerkt als nationaal belang:

  • 1. het versterken van Energyport door het aanwijzen van locaties voor de vestiging van energiecentrales in de Eemshaven en het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk van Eemshaven via Ens naar Diemen (Noordwest 380 kV verbinding);
  • 2. het aanwijzen van leidingstroken voor buisleidingen voor gas en het ruimtelijk reserveren van locaties voor ondergrondse opslag;
  • 3. het aanwijzen van voorkeursgebieden voor grootschalige windenergie in Noord Nederland;
  • 4. de ontwikkeling van een robuust kustlandschap en zoetwatersysteem ter vergroting van de waterveiligheid en waterzelfvoorziening en het voorkomen van verdroging (onder andere door versterking van de afsluitdijk en bijbehorende sluizencomplexen, hoogwaterbeschermingsprogramma en deelprogramma's Zoetwatervoorziening, IJsselmeer en Waddengebied van het Deltaprogramma);
  • 5. het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) Ecologische Hoofdstructuur (EHS), inclusief de Natura 2000-gebieden en het Werelderfgoed (de Waddenzee).

De economische kracht van Noord Nederland ligt in de sterke internationale positie met betrekking tot energie, chemie (Delfzijl) en water(kennis)technologie. Energyport (Noord-) Nederland is het energieknooppunt van Noordwest Europa. Een groot aantal kabels en (buis)leidingen van elektriciteit, gas, telecom en data landt aan in de Eemshaven en vertakt zich naar de rest van Nederland en Europa. Energyport vormt het kenniscentrum voor energievoorziening en -transitie. De Waddenzee maakt onderdeel uit van het Europese Natura 2000 netwerk en van de herijkte EHS. Bovendien is de Waddenzee door de Unesco aangewezen als natuurlijk werelderfgoed. Het integrale beleid van het Rijk voor de Waddenzee staat weergegeven in de PKB Derde Nota Waddenzee. De hoofddoelstelling is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied.

Nationale ruimtelijke belangen

Het Rijk gaat ervan uit dat de nationale ruimtelijke belangen die via wet- en regelgeving opgedragen zijn aan andere overheden door hen goed worden behartigd. De vereisten van de Rijksoverheid met betrekking tot ruimtelijke plannen liggen vast in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het is gericht op doorwerking van de nationale belangen in onder meer gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het Rijk kiest voor een meer selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Deze 14 nationale belangen zijn:

  • 1. Rijksvaarwegen;
  • 2. Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • 3. Kustfundament;
  • 4. Grote rivieren;
  • 5. Waddenzee en waddengebied;
  • 6. Defensie;
  • 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
  • 8. Elektriciteitsvoorziening;
  • 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • 10. Ecologische hoofdstructuur;
  • 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;
  • 14. Parallelle Kaagbaan.

Voor het plangebied zijn de nationale belangen omtrent 'Kustfundament', 'Waddenzee en waddengebied' en 'Primaire waterkeringen buiten het kustfundament' gezien de ligging van het plangebied niet van belang. Wel van belang zijn de 'Ecologische hoofdstructuur' (Natuurnetwerk Nederland) en 'Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen'. Op deze aspecten wordt nader in gegaan in paragraaf 6.3 en 6.6, waar de milieu- en omgevingsaspecten Ecologie en Externe Veiligheid behandeld worden.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. Aan deze gewijzigde versie wordt in dit plan getoetst.

In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

In dit geval is de behoefte aan woningen in Appingedam berekend als onderdeel van het Woningmarktonderzoek Noord-Groningen uit 2018. Dit woningmarktonderzoek is tevens als basis gebruikt voor de opgestelde Stadsvisie Appingedam 2019-2030. Echter is in die Stadsvisie geconcludeerd dat de prognose uit gaat van een te laat aantal als wordt gekeken naar de reële vraag naar wonen in Appingedam. Daarom wordt voor de onderbouwing van de behoefte aan woningen verwezen naar de behoefte die uiteengezet is in de Stadsvisie. In de Stadsvisie is berekend dat de woningbehoefte in de periode tot en met 2030 maximaal 240 woningen betreft. Deze behoefte is opgesplitst in de periode 2019-2024, waarin behoefte is aan 150 woningen en de periode 2025-2030, waarin behoefte is aan nog eens 90 woningen.

Als gevolg van de herstructurerings- en versterkingsopgave die is ontstaan door de aardbevingsproblematiek is in Appingedam sprake van een carrousel aan woningbouwontwikkelingen, waarbij voornamelijk non-aardbevingsbestendige woningen worden vervangen voor aardbevingsbestendige woningen. Door deze carrousel ontstaan een periode waarin het mogelijk is dat er tijdelijk meer woningen in Appingedam aanwezig zijn dan in de Stadsvisie zijn opgenomen. Uitgangspunt is echter dat het aantal woningen na realisatie van de voorgenomen ontwikkelingen voldoet aan de aantallen die worden genoemd in de Stadsvisie. Omdat alle voorgenomen ontwikkelingen plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied, wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Nota Belvedère

De Rijksnota Belvedère richt zich op de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. De nota is voor Appingedam van belang aangezien de stad in de nota is aangewezen als een 'in cultuurhistorisch opzicht belangrijke stad'. Naast de stad zelf is ook het Groninger Wierdenlandschap aangemerkt als Belvederegebied. Deze gebieden verdienen vanuit de cultuurhistorie extra aandacht. De provincie en gemeenten zijn gevraagd voor deze gebieden en steden actief cultuurhistorisch beleid te formuleren dat gericht is op het herkenbaar houden en versterken van de historische en ruimtelijke samenhang en deze vervolgens in respectievelijk streekplannen en bestemmingsplannen, dan wel een Chw bestemmingsplan, vast te leggen. In de vorm van de Nota Cultuur en Toerisme Appingedam (paragraaf 3.4.8) heeft de gemeente Appingedam heeft de gemeente beleid op het gebied van cultuurhistorie vastgelegd. In boven genoemde paragraaf wordt hier dieper op ingegaan. Door onder meer een beschermde regeling ten aanzien van de gebouwen in de historische binnenstad van Appingedam en ten aanzien van karakteristieke panden en gebieden wordt in dit Chw bestemmingsplan zorgvuldig omgegaan met de bestaande cultuurhistorie in Appingedam.

Kiezen voor karakter, Visie erfgoed en ruimte

In 'Kiezen voor karakter, Visie erfgoed en ruimte' schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De modernisering van de monumentenzorg wordt hiermee voortgezet. Eén van de doelen van die modernisering is het meewegen van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vanuit de overtuiging dat het voor een ontwikkelingsgerichte erfgoedzorg noodzakelijk is het ruimtelijke ordeningsinstrumentarium te benutten, naast de sectorale instrumenten van de Monumentenwet. Het kabinet geeft op twee manieren invulling aan deze doelstelling. De aanpassing van het Besluit ruimtelijke ordening bewerkstelligt dat bij besluiten over nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (onder andere bij het opstellen van bestemmingsplannen) bijzondere aandacht wordt besteed aan de waarden van cultureel erfgoed, onder en boven de grond. Specifiek gaat het Rijk duidelijker prioriteiten stellen, en aangeven welke cultuurhistorische gebieden en opgaven hij van (inter)nationaal belang vindt en waar het Rijk voor zichzelf een rol ziet in het gebiedsgerichte erfgoedmanagement. Het rijk kiest voor de komende jaren vijf prioriteiten in zijn gebiedsgerichte erfgoedbeleid:

  • 1. Werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten.
  • 2. Eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren.
  • 3. Herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp.
  • 4. Levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie, ecologie.
  • 5. Wederopbouw: tonen van een tijdperk.

Deze beleidsvisie is complementair aan en consistent met de Structuurvisie infrastructuur en ruimte. Kiezen voor karakter luidt een volgende fase van de monumentenzorg in. Het gericht verbinden van de zorg voor het cultureel erfgoed met andere ruimtelijke ontwikkelingsopgaven op het gebied van onder andere economie, veiligheid en duurzaamheid, staat daarin centraal.

Nationaal Waterplan

Het beleid dat in deze nota is opgenomen, heeft tot doel duurzame en veilige watersystemen in stand te houden of tot stand te brengen. Dit beleid vormt ook de basis voor de watertoets, die het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor alle ruimtelijke plannen voorschrijft.

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW), die sinds 2000 van kracht is, heeft als doel om de kwaliteit van watersystemen in Europa te beschermen en waar nodig, te verbeteren. De KRW bevordert duurzaam watergebruik en het terugdringen of beëindigen van lozingen van gevaarlijke stoffen. De KRW richt zich op grond- en oppervlaktewater. De essentie van de KRW ligt in de stroomgebiedbenadering. Het beheer van rivieren wordt vanuit het stroomgebied benaderd. Het belangrijkste instrument van de KRW is het stroomgebiedbeheersplan. Deze stroomgebieden zijn weer onderverdeeld in deelstroomgebieden. De KRW stelt zich tot doel landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater te beschermen om:

  • water afhankelijke ecosystemen in stand te houden en te verbeteren;
  • de beschikbaarheid van water veilig te stellen en het duurzaam gebruik te bevorderen;
  • het aquatisch milieu in stand te houden en te verbeteren door het voorkomen van verontreiniging;
  • de gevolgen van overstroming en droogte te beperken.

De KRW bevat tevens een instrumentarium om de doelstellingen te bereiken. De beschreven indeling in stroomgebieden, is één van de instrumenten om het beleid van de richtlijn te realiseren.

Volgens het Rijksbeleid geven in de eerste plaats provincies en gemeenten uitwerking aan het ruimtelijke waterbeleid: nadelige effecten op de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater moeten worden voorkomen, verminderd dan wel gecompenseerd. Waar mogelijk wordt optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden die water biedt voor verbetering voor wonen, werken en recreëren aan het water. Het wateradvies van het Waterschap Noorderzijlvest (ten noorden van het Eemskanaal) en het Waterschap Hunze en Aa's (ten zuiden van het Eemskanaal) is in het Chw bestemmingsplan opgenomen en verwerkt (zie paragraaf 6.4 Water).

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie provincie Groningen (geconsolideerd, februari 2019)

De Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 is op 1 juni 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. In de geconsolideerde versie uit februari 2019 zijn de wijzigingen ten gevolgen van de actualisatie Omgevingsvisie provincie Groningen van 15 november 2017 en de actualisatie Omgevingsvisie provincie Groningen van 6 februari 2019 opgenomen.

De Omgevingsvisie bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie komt in de plaats van het Provinciaal Omgevingsplan (POP). Deze Omgevingsvisie heeft betrekking op het grondgebied van de provincie Groningen en geldt voor een periode van vier jaar (2016-2020) en kan daarna eenmalig voor een periode van twee jaar worden verlengd. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wellicht mogelijk dat deze termijn van vier jaar komt te vervallen. De provincie Groningen wil het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in haar provincie verder verbeteren. Daarom wordt in de omgevingsvisie gekeken naar kansen die zich voordoen om hier een bijdrage aan te leveren. Het accent van het beleid ligt op het benutten van ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen.

Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in de Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.

Provinciale thema's en belangen

In de Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen:

  • Ruimte:
    • 1. ruimtelijke kwaliteit;
    • 2. aantrekkelijk vestigingsklimaat;
    • 3. ruimte voor duurzame energie;
    • 4. vitale landbouw.
  • Natuur en landschap:
    • 1. beschermen landschap en cultureel erfgoed;
    • 2. vergroten biodiversiteit.
  • Water:
    • 1. waterveiligheid;
    • 2. schoon en voldoende water.
  • Mobiliteit:
    • 1. bereikbaarheid.
  • Milieu:
    • 1. tegengaan milieuhinder;
    • 2. gebruik van de ondergrond.

In de Omgevingsvisie wordt de provincie Groningen opgedeeld in zeven deelgebieden. Appingedam maakt onderdeel uit van het gebied Wierdenland en Waddengebied. Dit deelgebied wordt gekenmerkt door het wierdenlandschap met grote open ruimten waarin wierden(dorpen) liggen langs natuurlijke waterlopen in de kerngebieden en wierde(dorpe)n in reeksen samenvallen met oude kustlijnen. Het Waddengebied heeft een grootschalig open dijkenlandschap van parallelle dijken met boerderijreeksen langs slaperdijken.

Appingedam vervult hierin een centrumfunctie. In dit gebied liggen grote opgaven op het terrein van de waterveiligheid, ecologie, met name bij het wad en Eems-Dollard, de dalende bevolkingsaantallen en de aardbevingsproblematiek.

Ruimtelijke kwaliteit en het stedelijk gebied

De provincie Groningen streeft naar een zo hoog mogelijke ruimtelijke kwaliteit in de provincie. Ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door de mate waarin binnen een gebied de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in onderlinge verhouding geoptimaliseerd zijn. Gebruikswaarde is gericht op een efficiënte inrichting van het gebied voor uitoefening van de daaraan toegekende of toe te kennen functies. Bij belevingswaarde gaat het om de sfeer en allure van het gebied. Toekomstwaarde draait om de toekomstbestendigheid van de maatregelen die ten behoeve van de gebruiks- en belevingswaarde worden genomen.

Het Chw bestemmingsplan heeft betrekking op het stedelijk gebied van Appingedam. De provincie wil stedelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied, om het grote contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied te behouden. In lijn daarmee zijn alle herstructurerings- en versterkingsprojecten die binnen het stedelijk gebied worden mogelijk gemaakt in dit Chw bestemmingsplan. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de ruimtelijke kwaliteit binnen het stedelijk gebied.

Bedrijventerreinen

De provincie constateert dat er een overaanbod aan bedrijventerreinen is en vindt dit een onwenselijke situatie. Daarom stelt de provincie dat gemeenten in regionaal verband samen een visie moeten opstellen over de ontwikkeling van de bedrijventerreinen binnen de betrokken gemeenten. Voor Appingedam is deze visie terecht gekomen in de Bedrijventerreinvisie Eemsdelta 2015 - 2035, zoals uiteengezet in paragraaf 3.4.7.

Woningvoorraad

De kwaliteit van het wonen levert een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid van de provincie. Een hoge woonkwaliteit kan worden bereikt door het woningaanbod optimaal te laten aansluiten bij de wens van de inwoners; ook als het gaat om het soort kern waar men wil wonen: van een kleine kern tot een grote stad. Het is mogelijk om kleine kernen kleinschalig uit te breiden. Hiervoor worden primair de inbreidingsmogelijkheden benut. Door in Appingedam verschillende herstructureringsprojecten en versterkingsopgaven uit te voeren binnen het bestaand stedelijk gebied, wordt aangesloten op het beleid van de provincie. Hiermee worden kwalitatieve woningen gerealiseerd, die toekomstbestendig zijn. De provincie stelt dat gemeenten in regionaal verband een visie op de woningvoorraad moeten opstellen. Appingedam maakt deel uit van de visie Noord-Groningen Leeft! Woon- en Leefbaarheidsplan 2017 - 2021 als uiteengezet in paragraaf 3.4.1.

Detailhandel

Een goede detailhandelsstructuur is van belang voor de (regionale) economie en draagt bij aan de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit van de steden en kernen in de provincie. De detailhandelssector is dynamisch en sterk aan verandering onderhevig. In plaats van groei is in toenemende mate sprake van verdringing (meer aanbod dan vraag). Daarnaast spelen schaalvergroting, filialisering, de opkomst van online winkelen en vergrijzing van consumenten en van het ondernemersbestand. Er komt veel winkelruimte vrij die niet allemaal wordt ingevuld, met leegstand als gevolg. Deze ontwikkelingen hebben de positie van kernwinkelgebieden aangetast.

Ruimte voor duurzame energie

Ruimte voor duurzame energie gaat over concurrerend (Energyport), toekomstbestendig en schoon (een duurzame energievoorziening, minder CO2 en een goede ruimtelijke inpassing). De provincie stimuleert de opwekking van duurzame energie in de provincie. Vanwege de grote impact van gaswinning op de leefbaarheid vindt de provincie een versnelde energietransitie heel belangrijk. Daarom kiest de provincie er voor om duurzame energie (zon, wind, biomassa en geothermie), maar ook nieuwe ontwikkelingen, de ruimte te geven.

Goede ruimtelijke inpassing en maatschappelijke acceptatie vinden, vindt de provincie belangrijk. Met name deelname van burgers in en de maatschappelijke acceptatie van energieprojecten is daarbij van belang. De gemeente Appingedam heeft haar duurzaamheidsbeleid uiteengezet in de notitie Duurzaam duurt het langst, als uiteengezet in paragraaf 3.4.9. Bovendien wordt in het Chw bestemmingsplan ruimte geboden aan de aanleg van vormen van duurzame energie. Onder meer door het toestaan van zonnepanelen op daken onder bepaalde voorwaarden.

Bescherming landschap en cultureel erfgoed

De provincie kent veel verschillende landschappen met elk hun eigen belangrijke natuurlijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden. De provincie hecht grote waarde aan de bijzondere kwaliteiten van het landschap, zoals de weidsheid, de diversiteit en de herkenbaarheid. Deze kwaliteiten vormen een belangrijke onderlegger voor het provinciale ruimtelijk beleid, dat gericht is op behoud van de kwalitatief hoogwaardige leefomgeving.

De provincie Groningen beschikt over een grote diversiteit aan cultureel erfgoed. Dit cultureel erfgoed staat onder druk door leegstand en achterstallig onderhoud en wordt extra bedreigd door schade als gevolg van de gaswinning en demografische krimp. Dit is van grote invloed op de beleving van de culturele identiteit, leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit van Groningen.

Cultureel erfgoed levert duidelijk maatschappelijk en economisch gewin op en draagt in belangrijke mate bij aan de identiteit van onze provincie. Het levert een bijdrage aan de leefbaarheid, de sociale cohesie, de attractiewaarde, het toerisme en het vestigingsklimaat. Betrokkenheid van inwoners bij het erfgoed creëert verantwoordelijkheidsgevoel voor de (toekomst van de) omgeving.

De gemeente Appingedam heeft in haar Nota Cultuur en Toerisme 2013-2016, uiteengezet in paragraaf 3.4.8, omschreven dat het inzet op behoud van haar cultuur erfgoed, met name in de historische binnenstad. In het Chw bestemmingsplan is in de vorm van een beschermd stadsgezicht een beschermende regeling voor de historische binnenstad opgenomen. Voor karakteristieke panden en gebieden buiten dit gebied worden eveneens beschermd in de regeling van dit plan.

3.3.2 Omgevingsverordening provincie Groningen (geconsolideerd, februari 2019)

De Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 is op 1 juni 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. In de geconsolideerde versie zijn de wijzigingen en actualisatie vanaf de vaststellingsdatum tot en met de actualisatie van 6 februari 2019 meegenomen.

De Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 (hierna Omgevingsverordening genoemd) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De Omgevingsverordening is nauw verbonden met de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016 - 2020.

In de Omgevingsverordening zijn verschillende regelingen opgenomen die van toepassing zijn voor het Chw bestemmingsplan. De relevante artikelen zijn behandeld in deze paragraaf.

In Artikel 2.9.1 en 2.9.2 van de Omgevingsverordening is een regeling opgenomen met betrekking tot karakteristieke en beeldbepalende gebouwen gelegen binnen het aardbevingsgebied. In deze artikelen is een beschermende regeling opgenomen ten aanzien van deze panden, om te voorkomen dat deze verloren gaan. In het Chw bestemmingsplan is deze beschermende regeling opgenomen. Er is een inventarisatie uitgevoerd naar karakteristieke gebouwen en gebieden in Appingedam. Alle panden en gebieden die binnen het plangebied van het Chw bestemmingsplan liggen zijn aangeduid en voorzien van een beschermende regeling als uiteengezet in de Omgevingsverordening.

In artikel 2.12 is aangegeven dat de begrenzing van het buitengebied is weergegeven op kaart 1 behorende bij de Omgevingsverordening. Hieruit valt op te maken dat een klein deel van het plangebied van het Chw bestemmingsplan buitengebied betreft. In dit deel van het plangebied worden echter geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De stedelijke ontwikkelingen in het Chw bestemmingsplan vinden uitsluitend plaats binnen bestaand stedelijk gebied.

In artikel 2.15.1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een plan alleen kan voorzien in de bouw van nieuwe woningen, voor zover deze woningbouwmogelijkheden naar aard, locatie en aantal overeenstemmen met een regionale woonvisie die rekening houdt met regionale woningbehoefteprognoses. In dit geval is de woonvisie van Appingedam neergelegd in het Woon- en Leefbaarheidsplan 2017 - 2021 ( zie paragraaf 3.4.1). Hierin is ten aanzien van Appingedam opgenomen dat ruimte is voor beperkte groei in Appingedam.

Binnen Appingedam is op dit moment sprake van meerdere herstructurerings- en versterkingsopgave als gevolg van de aardbevingsproblematiek die in de regio heerst. Als gevolg daarvan is een bijzondere woningcarrousel op gang gekomen in het stedelijk gebied van Appingedam. Verspreid worden op meerdere locaties non-aardbevingsbestendige woningen gesloopt en worden aardbevingsbestendige woningen hiervoor in de plaats gebouwd. Ook worden woningen versterkt tot aardbevingsbestendige woningen. Door deze carrousel kan het voorkomen dat, voor een bepaalde periode, er meer woningen in Appingedam aanwezig zijn dan opgenomen in het Woon- en Leefbaarheidsplan. Er moet namelijk steeds rekening worden gehouden met de sloop en nieuwbouw van woningen en daarnaast onderdak worden geboden aan alle inwoners die hier betrokken bij zijn. Het uitgangspunt is echter dat, na realisatie van alle voorgenomen ontwikkelingen, het aantal woningen past binnen de gestelde kaders van het Woon- en Leefbaarheidsplan.

3.4 Regionaal en gemeentelijk beleid

3.4.1 Noord-Groningen Leeft! Woon- en Leefbaarheidsplan 2017-2021

In navolging van het eerste Woon- en Leefbaarheidsplan in 2012, is in 2017 een nieuw Woon- en Leefbaarheidsplan opgesteld, aangepast aan de huidige situatie in de regio. Het nieuwe woon- en leefbaarheidsplan gaat uit van vijf kernopgaven:

  • sociale vitaliteit en het werken aan lokale doelen;
  • nieuwe kansen voor kinderen;
  • van zorgstructuur naar zorgprestatie;
  • het wonen van de toekomst;
  • krachtige kernen.

Door deze vijf opgaven lopen de bevolkingsdaling en de versterking als rode draden heen. In de gemeenten die betrokken zijn bij het woon- en leefbaarheidsplan is over het algemeen sprake van krimp. Voor alle kernen is de opgave om te zorgen voor een robuuste structuur van de kern. Niet uitbreiden maar inbreiden is daarbij het leidmotief. Van binnenuit versterken en verbeteren. De 'ladder' voor Noord-Groningen als belangrijk instrument. Bij de Noord-Groningse ladder staan drie principes centraal:

  • de dorps- of stadskern staat centraal. Bij nieuwe bebouwing of de vernieuwing van bestaande gebouwen gaat de aandacht eerst uit naar de structuur die er al is. Deze kan krachtiger worden gemaakt door nieuwe ontwikkelingen hier te situeren;
  • bestaand en waardevol vastgoed wordt behouden. Noord-Groningen is rijk aan panden met een betekenis voor inwoners en bezoekers. Herontwikkeling en hergebruik dragen bij aan hun voortbestaan;
  • Op een paar plekken in het gebied is behoefte aan voorzieningen die de hele regio verzorgen. deze kunnen het beste in centrumdorpen en regionale centra worden gebouwd.

In het woon- en leefbaarheidsplan is een volgorde van wenselijkheid voor nieuwe bouw initiatieven weergegeven. De voorkeur gaat uit naar leegstaande panden. Het herontwikkelen en transformeren hiervan geniet prioriteit. Wanneer dit niet lukt, moet geprobeerd worden bestaande dorps- en stadskernen te versterken. De derde mogelijkheid is het bouwen binnen de bebouwde kom. Dit is alleen wenselijk wanneer de twee andere locaties geen of onvoldoende mogelijkheden bieden.

Daarnaast is in het Woon- en Leefbaarheidsplan aandacht voor de versterkingsoperatie in het kader van het aardbevingsbestendig maken van de bestaande woningen en voorzieningen. In het kader daarvan zijn in Appingedam veel van de ontwikkelingen als genoemd in hoofdstuk 5 uitgevoerd, of moeten nog worden uitgevoerd.

3.4.2 Plan van aanpak Mijnraadadvies

Op 29 maart 2018 besloot het kabinet de gaswinning uit het Groningenveld sneller af te bouwen dan voorheen voorzien was. Naar aanleiding van het kabinetsbesluit heeft de Mijnraad advies uitgebracht over de veiligheidsvooruitzichten en heeft een herijking van de versterkingsopgave plaatsgevonden. Ondanks de verbeterde veiligheidsvooruitzichten staat de gemeente Appingedam nog steeds voor een zeer omvangrijke opgave. Deze opgave, bestaande uit een onderzoeks- en uitvoeringsagenda is vastgelegd in het lokale Plan van Aanpak Mijnraadadvies. De gemeenteraad heeft in januari 2019 ingestemd met de inhoud van het Plan van Aanpak, dat periodiek wordt geëvalueerd en herijkt. Het Plan Van Aanpak 2020 wordt in het tweede kwartaal van 2020 ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.

3.4.3 Notitie Kansrijk Opgroeien - Positief Jeugdbeleid Appingedam 2018-2022

Positief jeugdbeleid is gericht op het versterken van een gezonde leefstijl, groei van veiligheid, het vergroten van weerbaarheid, ouderbetrokkenheid en het versterken van talent. Het creëren van een sterke basis van het gewone, dagelijkse leven is belangrijk om kinderen zoveel mogelijk kansrijk, gezond en veilig te laten opgroeien in hun eigen omgeving. Belangrijk is het versterken van beschermende factoren thuis, op school en in de vrije tijd van de jeugd. De notitie sluit aan bij het Positieve gezondheidsbeleid van Appingedam.

Appingedam wil een kind- en gezinsvriendelijke stad zijn waar de jeugd prettig opgroeit en meedoet in de samenleving. Om dit te bereiken is vakmanschap, samenhang en bevlogenheid nodig. Vanuit ouders, jeugdigen, burger, welzijn, veiligheid, inkomen en werkgelegenheid, onderwijs, cultuur, sport, Centrum Jeugd en Gezin, bedrijfsleven, wonen en de fysieke leefomgeving.

De visie en benoemde activiteiten uit het positief jeugdbeleid zijn gebaseerd op de ontwikkelingen uit verschillende bovenliggende onderwerpen, zoals landelijke ontwikkelingen en meer lokaal de nota Lokaal gezondheidsbeleid en de kadernota de 4Decentralisaties (4D's). Op het gebied van Jeugdbeleid wordt zowel in de beleidsvorming als uitvoering samengewerkt met de gemeenten Delfzijl en Loppersum. De nota's zijn in de basis gelijk en sluiten goed op elkaar aan en op bovenliggende stukken, zoals de Jeugdwet en de gezamenlijke kadernota's 4D's.

3.4.4 Appingedam gezond in beweging - Sport en beweegvisie Appingedam 2016

De Sport- en Beweegvisie is door de gemeente opgesteld om een beleidsmatig sturings- en toetsingskader op het gebied van sport te vormen. De visie maakt inzichtelijk waar de gemeente naar toe wil met het sport, beweeg- en gezondheidsbeleid voor al haar inwoners. Een belangrijk aspect en de basis van de sport- en beweegvisie is het verbinden van lokale partijen zoals sportverenigingen, welzijnsorganisaties en onderwijs. Meer samenwerking op het gebied van sport en bewegen biedt creativiteit, een fijnmazig sport- en beweegnetwerk en nieuwe mogelijkheden met bestaande middelen.

Bestaande rijksregelingen in het kader van sporten en bewegen (Impuls Brede Scholen, Sport en Cultuur, buurtsportcoaches) en multifunctionele accommodaties (samenwerking onder een dak) geven extra mogelijkheden aan het slim en innovatief verhogen van sport- en beweegbeleid en daarmee de leefbaarheid.

De Sport- en Beweegvisie is gestoeld op vier speerpunten die tijdens een interactieve bijeenkomst over de sportvisie naar voren kwamen:

  • actieve sportstimulering;
  • sterke sportverenigingen;
  • fysiek bereikbare en kwalitatief goede sportaccommodaties;
  • sportieve openbare ruimte.

De gemeente wil stimuleren, coördineren en daar waar mogelijk faciliteren. Maatschappelijke partners kunnen met concrete projecten, die aansluiten bij de visie, in overleg met de gemeente om te bezien welke rol de gemeente hierin kan hebben. Daarbij heeft de gemeente het stimuleren van eigen kracht hoog in het vaandel staan. De gemeente heeft zodoende bij de verschillende sportinitiatieven niet vanzelfsprekend de rol van financier of uitvoerder. De gemeente spreekt dan de kracht van de vitale samenleving aan voor samenwerking vanuit verantwoordelijkheid en gelijkwaardigheid.

3.4.5 Lokaal gezondheidsbeleid Delfzijl - Appingedam - Loppersum 2017 - 2020

De gemeente Delfzijl, Appingedam en Loppersum hebben besloten gezamenlijk integraal gezondheidsbeleid te ontwikkelen. Een notitie op hoofdlijnen, waarna vervolgens lokaal invulling wordt gegeven aan de uitvoering.

Gezondheid is een waarde op zich, maar ook een voorwaarde om als burger mee te kunnen doen aan het maatschappelijk leven. Het nieuwe gezondheidsbeleid gaat uit van het begrip positieve gezondheid; het bevorderen van veerkracht, participatie en zelfredzaamheid. Door inzet op preventie, ontmoeting, netwerken, sociale binding en maatschappelijke betrokkenheid willen de gemeente gezondheid bevorderen en het beroep op dure voorzieningen doen afnemen. Een goede gezondheid draagt er aan bij dat kinderen beter kunnen leren, jongeren en volwassenen gemakkelijker aan het werk komen en beter kunnen meedoen in de maatschappij. Gezondheidsbeleid maakt deel uit van het brede sociale domein, veilig en gezond wonen en ruimtelijk beleid.

In 2017 is het derde wetenschappelijke rapport van het onderzoek Gronings perspectief uitgebracht. In dit rapport is geconcludeerd dat het hebben van meervoudige schade aan de woning de ervaren veiligheid van de bewoners en hun gezondheid aantast. Het onderzoek toont aan dat schade een hogere kans op psychische klachten en stress veroorzaakt, ten opzichte van de basismeting die in 2006-2011 is afgenomen. Dit oorzakelijk verband was tot op heden nog niet bewezen. De bevinding dat de gezondheid van één en dezelfde persoon als gevolg van meervoudige schade slechter wordt sluit alternatieve verklaringen (dat dit bijvoorbeeld door krimp of persoonskenmerken komt) uit.

In het gebied waar de bevingen voorkomen wordt gewerkt aan het versterken van woningen en gebouwen, het vergoten van de leefbaarheid en duurzaamheid en tegelijkertijd aan het versterken van de regionale economie en een Kansrijk Groningen. Het is duidelijk dat de versterkingsopgave in het kader van de aardbevingsproblematiek, omgevingsbeleid en woonvisie raakvlak hebben met het gezondheidsbeleid.

Op basis van onderzoek en werkconferenties in de drie gemeente in 2016 en 2017 en in overleg met de Adviesraad Sociaal Domein in maart 2017 zijn voor de drie betrokken gemeenten de volgende speerpunten benoemd:

  • voorkoming alcoholgebruik, -misbruik en aanpak drugs;
  • gezond gewicht: vermindering overgewicht en obesitas;
  • gezond wonen en een zorgaanbod dat god aansluit bij de vraag;
  • stimuleren burgerinitiatieven en participatie.
3.4.6 Evenementennota gemeente Appingedam 2011

Binnen de gemeente Appingedam wordt jaarlijks een groot aantal evenementen/activiteiten georganiseerd, variërend van grote evenementen zoals het Horecaweekend en de Damsterdag en activiteiten als buurtbarbecues en braderieën. Dit levert vooralsnog weinig problemen op. Er kan echter op termijn frictie ontstaan omdat tegengestelde belangen in het geding zijn. Er was echter geen instrument (spelregels) om deze belangen op een verantwoorde wijze te kunnen afwegen. Met een duidelijk kader kunnen randvoorwaarden voor (nieuwe) evenementen worden aangegeven, waarmee belangen kunnen worden afgewogen en evenementen de leefbaarheid in Appingedam blijven versterken. Ook zullen door het stellen van regels over de aanvraagtermijn de hulpverleningsdiensten beter in staat gesteld worden te adviseren en inzet van personeel te plannen.

In de nota worden drie typen evenementen onderscheiden:

  • meldingplichtige evenementen;
  • belastende evenementen;
  • grootschalige evenementen.

Een risicoanalyse-tool ondersteunt de vergunningverlener bij de beoordeling van het type evenement en de risico's daar om heen. Met dit beleid loopt de gemeente in de pas bij de landelijke en regionale ontwikkelingen op dit gebied.

Resumerend kan gesteld worden dat de gemeente Appingedam positief staat ten opzichte van evenementen. Evenementen dragen bij aan een levendige en leefbare woonomgeving. Hier hoort ongemak bij, maar eventuele overlast moet beperkt worden.

3.4.7 Bedrijventerreinenvisie Eemsdelta 2015 - 2035

De Eemsdelta kenmerkt zich in het afgelopen decennium door een versnelde economische ontwikkeling. Het gebied staat sterker in de belangstelling bij bedrijven in binnen- en buitenland. De vestiging van twee grote energiecentrales in de Eemshaven, een chloorfabriek en twee afval(energie) centrales in Delfzijl en de vestiging van een groot (tweede) datacenter in de Eemshaven hebben de Eemsdelta definitief op de kaart gezet. Deze ontwikkelingen vertalen zich in de periode 2003-2014 in een bovengemiddelde uitgifte van hectares bedrijventerrein in de Eemsdelta ten opzichte van het decennium daarvoor. Daarnaast kenmerkt de Eemsdelta zich door de ruime beschikbaarheid van uitgeefbaar zeehaventerrein in Delfzijl en Eemshaven en de landinwaarts gelegen bedrijventerreinen nabij Appingedam, Loppersum, Uithuizen en Spijk.

Doel van deze visie is inzichtelijk maken in hoeverre het bestaande aanbod aan bedrijventerrein in de Eemsdelta de toekomstige vraag in de periode 2015-2035 kan faciliteren in kwalitatieve en kwantitatieve zin. Dit inzicht geeft de betrokken partijen de mogelijkheid hun beleid hierop af te stemmen.

In de gemeente Appingedam is gekeken naar de bedrijventerreinen Fivelpoort en Farmsumerweg, Sikkel, Energieweg. Voor Fivelpoort geldt dat binnen de parameter herstructurering naar voren komt dat er op dit bedrijventerrein bij ondernemers behoefte bestaat aan de mogelijkheid om ook kleinere kavels (< 2.000 m²) af te nemen. Voor Farmsumerweg, Sikkel, Energieweg worden verbetering van bereikbaarheid en inrichting zeer wenselijk geacht. Ook de openbare verlichting is verouderd en voor verbetering vatbaar. De beeldkwaliteit op deze bedrijventerreinen is matig en de groenstructuur vraagt aandacht. Daarnaast wordt binnen de parameter herstructurering opgemerkt dat met name op de bestaande en volledig uitgegeven terreinen bij bedrijven met business-to-consumer contacten behoefte bestaat aan revitalisering en verbetering van de ontsluiting.

3.4.8 Stadskompas Appingedam - Nota Cultuur en Toerisme Appingedam 2013 - 2016

De stad Appingedam neemt binnen de Eemsdelta-regio een geheel eigen positie in. Als tweede stad van de provincie Groningen is zij reeds van oudsher een centrum met een sterke, regionaal verzorgende functie. Op velerlei terreinen is de stad dienstverlenend aan het omringende gebied en de wijdere regio. Daarnaast biedt zij (inter)nationale inkomende toeristengroepen een boeiend historisch decor waarbinnen aansprekende evenementen plaatsvinden en mensen op een prettige manier korte en langere tijd kunnen verblijven. Om meer en nieuwe toeristen en recreanten naar de stad te trekken en daarmee de economische en culturele ontwikkeling van Appingedam te stimuleren en de recente ontwikkelingen rond het centrum en de cultuurtoeristische infrastructuur met elkaar te verbinden, is het nodig een beleidsfase in te luiden waarin integraal gekeken wordt naar ontwikkelingen op belendende beleidsterreinen en waarin heldere en logisch uit alle voorgaande stappen voortvloeiende keuzes ten grondslag liggen aan beleid.

De nota Cultuur en Toerisme wil de speerpunten waarop en de kaders waarbinnen inspanningen geleverd moeten worden om de levendigheid van de stad vast te houden en zijn identiteit te versterken, vastleggen. Op grond hiervan kunnen gedurende de beleidsperiode keuzes gemaakt worden aangaande:

  • de richting waarin cultuur, recreatie, toerisme en evenementen zich moeten ontwikkelen; en
  • welke rol de gemeente en de Damster organisaties en ondernemers hierin moeten spelen.

Appingedam heeft een sterke traditie wat betreft publiek-private samenwerking. De gemeente ziet een belangrijke rol voor private partijen in de realisering van beleid. Mede daarom is bij de totstandkoming van deze nota gekozen voor een interactief proces met belanghebbenden (burgers, organisaties en bedrijfsleven). De gemeentelijke rol ten aanzien van het in de nota Cultuur en Toerisme geformuleerde beleid is er een van regisseren en faciliteren.

Voortdurende zorg voor het erfgoed, de kwaliteit van de binnenstad, de stedelijke en landelijke omgeving en de voorzieningen ten behoeve van bewoners en bezoekers staan als speerpunten centraal. Het gaat daarbij enerzijds om investeringen in hardware (monumenten, openbare ruimte en voorzieningen) en anderzijds in software (mensen, sociale infrastructuur en organisaties). Van daaruit staan de volgende speerpunten centraal:

  • in stand houden historisch centrum, voorzieningenniveau en beleefbaarheid binnenstad en water;
  • versterking toeristisch-recreatieve infrastructuur;
  • versterking culturele infrastructuur;
  • productontwikkeling.
3.4.9 Duurzaam duurt het langst - Duurzaamheidsbeleid Appingedam 2017 - 2019

Mede naar aanleiding van de uitkomsten van de gehouden burgertop in het najaar van 2015 en het vervolg hierop in februari 2016 is bestuurlijk vastgesteld dat de gemeentelijke inspanning op het thema duurzaamheid binnen Appingedam verhoogd moet worden. Vanuit de burgertop is een groep geïnteresseerde en gemotiveerde burgers gevormd die gezamenlijk een duurzaamheid coöperatie willen vormen. Dit gegeven en de bestuurlijke intentie om de te leveren inspanningen op het gebied van duurzaamheid te verhogen leidt er toe dat in de komende periode sprake zal zijn van een inhaalslag. Kortom: Appingedam maakt werk van duurzaamheid/verduurzaming.

Binnen de gemeente zijn op dit moment een drietal relevante ontwikkelingen, in relatie tot het duurzaamheidsbeleid, gaande: Het gaswinningdossier, de lokale invulling van de landelijke prestatie afspraken met de woningcorporaties en het woon- en leefbaarheidsplan. Naast de afstemming met en het bijdragen aan de realisatie van het rijks- en provinciale beleid vormen deze drie (boven)lokale ontwikkelingen de rode draad in de gemeentelijke context.

Daarnaast zijn in de notitie vier hoofdthema's uitgewerkt:

  • duurzame energie;
  • stimulering circulaire economie;
  • klimaatbestendige stad;
  • verduurzaming gemeentelijke bedrijfsvoering.

Per thema zijn maatregelen en/of acties benoemd en is een uitvoeringsprogramma opgesteld.

3.4.10 Toepassing gemeentelijke verordeningen

In dit Chw bestemmingsplan is een aantal gemeentelijke verordeningen, voor zover ruimtelijk relevant, opgenomen in de regels. Het gaat hierbij om de Bomenverordening en de Woonschepenverordening. In deze paragraaf is kort onderbouwd vanuit welk oogpunt de betreffende verordeningen worden meegenomen in het Chw bestemmingsplan.

Bomenverordening

In het kader van de versterkingsopgave worden in Appingedam percelen, straten en ook hele wijken onderworpen aan herontwikkeling in de vorm van versterking van bestaande panden en sloop- en nieuwbouw. Als gevolg hiervan is het in een aantal gevallen noodzakelijk om bomen te kappen. Andersom geldt ook dat het mogelijk kan zijn dat bepaalde bomen een beschermde regeling hebben en juist niet zullen worden gekapt. De Bomenverordening is om die reden geïntegreerd in het Chw bestemmingsplan en aangepast naar een complete regeling, waarin ook met de versterkingsopgave rekening wordt gehouden.

Woonschepenverordening

In de Woonschepenverordening zijn regels opgenomen ten aanzien van de ligging, het gebruik en de afmetingen van woonschepen. Tevens zijn hierin welstandsregels opgenomen. Omdat deze verordening een grote ruimtelijke component heeft, is besloten deze verordening te integreren in dit Chw bestemmingsplan. De ligplaatsen van woonschepen zijn aangegeven op de ligplaatsenkaart die is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan. In de regels van het Chw bestemmingsplan zijn de voorschriften met betrekking tot het gebruik, de afmetingen en de welstand opgenomen. Ook de vergunningsregels hebben een plek gekregen in dit Chw bestemmingsplan.

3.4.11 Stadsvisie Appingedam (2019)

Met de stadsvisie vertaalt de gemeente Appingedam de inhoud van regionale visies, onderzoeken en afspraken naar lokale keuzes en oplossingen. Het doel is om de komende jaren een kwaliteitssprong te maken op het gebied van wonen, scholen, zorg, sport en de sociale ladder, en daarmee de sterke positie van Appingedam in de regio te behouden.

In de Stadsvisie is de actuele woonvraag in Appingedam uiteengezet. Appingedam kent gemiddeld een vraaggroei van ongeveer 0,5% huishoudens per jaar, die richting 2030 afneemt naar ongeveer 0,25% per jaar. Gelet op deze vergelijking en op basis van de marktsignalen wordt daarom rekening gehouden met een groei van 150 woningen tot 2025 (15 tot 30 per jaar) en nog eens 90 woningen voor de periode 2025-2030 (15 per jaar).

De stadsvisie richt zich daarnaast op de kwaliteit van het wonen en leven in Appingedam. Dat betreft zowel de woningen, de mensen, als de omgeving. Als het gaat om woningen richt de gemeente zich op kwaliteit, betaalbaarheid, beschikbaarheid, duurzaamheid generatiebestendigheid en goede doorstroming voor woningverbetering, herbestemming, sloop, nieuwbouw op bestaande en nieuwe plekken. Als het gaat om mensen richt de gemeente zich op perspectief voor jong en oud, zowel sociaal als economisch. Als het gaat om de omgeving, richt de gemeente zich op leefbaarheid, de openbare ruimte, het voorzieningenniveau, sociale kwaliteit, bereikbaarheid en verbondenheid van de stad.

De stadsvisie is primair gericht op wonen. Voor het opstellen van de stadsvisie is veel informatie opgedaan bij bewoners van Appingedam. Tijdens de wijkavonden zijn met name drie boodschappen naar voren gekomen:

  • Inwoners van Appingedam zien graag dat lege plekken en lege gebouwen in de stad op een goede manier met wonen worden ingevuld.
  • Iedereen moet goed in Appingedam kunnen wonen. Er moet aandacht zijn voor de groeiende groep ouderen, het behoud van jongeren en gezinnen.
  • De bewoners willen graag versleten woningen en straten verbeteren.

In de stadsvisie is per wijk een wijkontwikkelingsplan opgesteld. Zo zijn er wijkontwikkelingsplannen opgesteld voor:

  • Opwierde;
  • Tjamsweer en Oling;
  • Centrum, Noord, Oranjebuurt;
  • De Eendracht.

Hierin worden de ambities en ontwikkellocaties in de wijken benoemd. Het grootste deel van deze locaties zijn opgenomen in dit Chw bestemmingsplan als toekomstige ontwikkellocaties. Voor enkele locaties (o.a. Opwierde Zuid, De Tip) zijn aparte ruimtelijke procedures doorlopen.

3.4.12 Ontwikkelingsperspectief Appingedam - Delfzijl 2030

De gemeentebesturen van Appingedam en Delfzijl werken samen met Loppersum en Eemsmond in de Eemsdelta regio. De samenwerking richt zich onder andere op wonen en voorzieningen, op arbeidsmarktbeleid en op gezamenlijke organisatorische vraagstukken. In het kader van deze samenwerking is afgesproken dat Appingedam en Delfzijl een gezamenlijke visie ontwikkelen voor de stedelijke kernen en het platteland van beide gemeenten. Op basis van deze visie willen beide gemeenten komen tot een gezamenlijke structuurvisie, conform de Wet ruimtelijke ordening, voor het grondgebied van de beide gemeenten. Beide gemeenten willen de samenwerking op alle relevante beleidsterreinen versterken, de ontwikkelingen op elkaar afstemmen en de ruimtelijke ontwikkeling sturen in de gewenste richting. Beide gemeenten hebben te maken met belangrijke opgaven die vragen om een gezamenlijke aanpak. Gezien de samenwerking tussen Delfzijl en Appingedam met betrekking tot stedelijke ontwikkeling, in het bijzonder met betrekking tot detailhandel, stadsactiviteiten (evenementen, citymarketing, revitalisering) is er voor gekozen een gezamenlijke visie op te stellen, welke visie in 2009 is afgerond. Op basis van deze visie is in 2010 het projectenboek, uitvoeringsprogramma Ontwikkelingsperspectief 2030 Appingedam- Delfzijl, opgesteld. Het Ontwikkelingsperspectief 2030 voorziet behalve in een visie op de ontwikkeling van beide gemeenten ook in een uitvoeringsprogramma met een financiële onderbouwing.

De ontwikkeling van het wonen in het stedelijk gebied van Appingedam en Delfzijl vormt één van de belangrijkste thema's van dit ontwikkelingsperspectief. De prognoses geven aan dat het de komende 10 jaar noodzakelijk is ingrijpend te investeren in de kwaliteit van het wonen in de kernen Appingedam en Delfzijl. Beide gemeenten kampen met een deels verouderd woningbestand, veel woningen zijn bouwtechnisch slecht en zijn onvoldoende geïsoleerd. De belangrijkste opgave voor beide gemeenten is een woningvoorraad te realiseren met bijbehorende woonmilieus die passen bij de functie die het stedelijk gebied Appingedam-Delfzijl moet vervullen als regionaal voorzieningen centrum in relatie tot het economisch kerngebied Eemsdelta.

3.4.13 Waterplan Appingedam

Het Waterplan Appingedam (2004) heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente, zowel het stedelijk als het landelijk gebied. Met het Waterplan worden verschillende doelen gediend. Ten eerste dient het waterplan om te komen tot optimalisatie van het waterbeheer in Appingedam, zowel kwalitatief als kwantitatief en tegen aanvaardbare kosten. Ten tweede is water één van de ordende elementen in de ruimtelijke ordening geworden. Door water onder en boven de grond zichtbaar te maken en functies toe te kennen, kan een goede afweging gemaakt worden voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast is samenwerking tussen verschillende beleidsvelden van belang, de bestuurlijke samenwerking en het waterplan maakt communicatie over water mogelijk.

De waterschappen die binnen de gemeente opereren zijn het Waterschap Noorderzijlvest en het Waterschap Hunze en Aa's. Het grootste gedeelte van het grondgebied van de gemeente valt onder het beheer van het waterschap Noorderzijlvest. Dit zijn de gronden ten noorden van het Eemskanaal. De gronden ten zuiden van het kanaal vallen onder het beheer van het waterschap Hunze en Aa's. Het waterschap Noorderzijlvest heeft zijn beleid verwoord in het Waterbeheerplan 2016-2021. Het waterschap Hunze en Aa's heeft zijn beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021.

3.4.14 Groninger Zorgakkoord

In regionaal verband is gewerkt aan visievorming voor aardbevings- en toekomstbestendige zorg inclusief bijbehorend vastgoed. Deze zorgvisie was de basis onder een convenant tussen de regio en het Rijk: het Groninger Zorgakkoord. Voor de uitvoering van het zorgakkoord is 323 miljoen euro beschikbaar. Lokaal zoeken zorgpartijen de samenwerking met elkaar om de vastgoedcarrousel in beweging te zetten. De gemeente Appingedam neemt in dit proces een regisserende en faciliterende rol op zich. Momenteel vindt er een verkenning plaats voor intramurale zorg op de kop van de Eendrachtslocatie. Medio 2020 hopen we daarover een principeakkoord te hebben afgesloten met het Rijk. Hiernaast is ook de locatie van Eelwerd in beeld voor zorgvastgoed.

Hoofdstuk 4 Historisch ruimtelijke ontwikkeling

Appingedam ligt in het zuidelijk deel van het wierdenlandschap, op de rand van het overgangsgebied van de Groninger zeeklei in het noorden naar het zand/veengebied in zuidelijke richting.

De eerste bewoning van Appingedam ontstond in de zevende of achtste eeuw toen vanuit Tjamsweer een wierde werd opgeworpen in de bocht van de stroom de Apt. Dit riviertje stroomde van de zuidelijk gelegen Woldstreek in de richting van de Eems. Deze wierde werd Appe genoemd. Appingedam wordt het eerst in 1224 in geschriften vermeld.

In 1327 kreeg Appingedam stadsrechten. Van een nederzetting heeft Appingedam zich in de loop der tijd ontwikkeld tot de voornaamste handelsplaats en regionale marktplaats van het toenmalige Fivelingo. Na de grote bloei van de stad in de veertiende eeuw, werd de stad in de vijftiende eeuw een haven aan een waterverbinding met Groningen. Deze Ommelander stad behoorde eens samen met Groningen tot de enige twee plaatsen in het gewest Stad en Lande met stadsrechten. Begin 16e eeuw ondervond Appingedam veel oorlogsgeweld en werden de vestingwerken afwisselend veroverd, opgebouwd en afgebroken. Toen in 1536 de stad werd veroverd door George Schenk van Toutenburg, in dienst van de landsheer Karel V, werden de vestingwerken definitief gesloopt, mede op aandringen van de stad Groningen, die geen tweede versterkte stad naast zich duldde. In het begin van de zeventiende eeuw brak een nieuwe bloeiperiode aan, die tot in de achttiende eeuw duurde. Het belang van het Damsterdiep (en daarmee van Appingedam) nam af na de aanleg van het Eemskanaal en de spoorlijn Groningen - Delfzijl. De stad is tot circa eind negentiende eeuw betrekkelijk kleinschalig gebleven getuige de historische kaart uit circa 1867 (zie volgend figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0002.png"

Historische kaart Appingedam uit omstreeks 1867

In de twintigste eeuw is hier verandering in gekomen en is het bebouwd oppervlak van de stad zelfs vertienvoudigd. Dit heeft ertoe geleid dat het grootste deel van de stad van geringere ouderdom is en dat met name de oorspronkelijke binnenstad de oudheid van de stad aangeeft. Juist door de zeer vroege bloeiperiode van (dit deel van) Appingedam (van circa 1150 tot 1300) maakt dat het stratenpatroon in het centrum nog uit de middeleeuwen stamt. De huidige binnenstad kan dan ook getypeerd worden als een historisch nog grotendeels gaaf centrum rondom het Damsterdiep. Dit heeft onder andere tot gevolg gehad dat een groot deel van de binnenstad op 13 november 1972 is aangewezen als beschermd stadsgezicht in het kader van de Monumentenwet 1988. Op 28 maart 1991 is nog een deel aangewezen. Het aanwijzingsbesluit en de toelichting er op zijn opgenomen als Bijlage 12 en Bijlage 13.

Hoofdstuk 5 Ontwikkelingen in het Chw bestemmingsplan

Het vigerende bestemmingsplan Stad Appingedam is in juni 2013 vastgesteld door de gemeente Appingedam, met een kleine herziening begin 2016. Sindsdien hebben er meerdere ruimtelijke ontwikkelingen plaatsgevonden die met omgevingsvergunningen, zowel binnen- als buitenplans mogelijk zijn gemaakt. Deze ontwikkelingen worden, bij wijze van actualisatie, meegenomen in dit Chw bestemmingsplan om zo een passende regeling voor de nieuwe situatie op te stellen. Daarnaast zijn in Appingedam een aantal concrete en minder concrete ruimtelijke plannen in ontwikkeling, die in de nabije toekomst uitgevoerd gaan worden. Deze ontwikkelingen komen veelal voort uit de versterkingsopgave die vanuit de aardbevingsproblematiek is ontstaan. Het Chw bestemmingsplan speelt in op deze toekomstige ontwikkelingen, om deze juridisch-planologisch alvast mogelijk te maken.

Toekomstige ontwikkelingen en projecten

Verspreid over Appingedam zijn verschillende locaties in de stad waar plannen zijn voor woningbouw en andere functies. De ontwikkelingen hangen veelal samen met de versterkingsopgave en/of de Stadsvisie. Dat betekent dat er in de stad woningen kunnen worden gebouwd die elders vanwege de versterkingsopgave worden gesloopt. Tevens is het in het kader van de versterkingsopgave noodzakelijk om onderwijsinstellingen te versterken of dan wel aardbevingsbestendige nieuwbouw te realiseren.

Voor een aantal projecten is de procedure al doorlopen of loopt deze nog. Voor anderen moet de procedure nog worden gestart. In paragraaf 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4 worden de projecten behandeld die worden meegenomen in het Chw bestemmingsplan en waarvoor op dit moment nog geen ruimtelijke procedure is of wordt doorlopen. In paragraaf 5.5 wordt de ontwikkeling van De Eendracht specifiek toegelicht.

Actualisatie verleende vergunningen

Om in het Chw bestemmingsplan de regels en verbeelding in overeenstemming te brengen met de vergunde situatie zoals deze ten tijde van vaststelling is, is het noodzaak de verleende omgevingsvergunningen sinds de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan mee te nemen in het Chw bestemmingsplan. Op deze wijze kan een passende regeling voor de bestaande situatie worden geboden.

Vanuit dat uitgangspunt zijn in dit Chw bestemmingsplan alle verleende vergunningen, zowel binnenplans als buitenplans in het plan opgenomen. In paragraaf 5.6 is per vergunning kort uiteengezet waarvoor de vergunning is verleend en op welke wijze dit een uitwerking heeft in het Chw bestemmingsplan.

Karakteristieke panden

Vanuit de provincie geldt de verplichting om karakteristieke panden in het bestemmingsplan, in dit geval het Chw bestemmingsplan, te voorzien van een beschermende regeling. In paragraaf 5.7 wordt hier nader op ingegaan.

5.1 Toekomstige projecten

Verspreid over Appingedam zijn verschillende locaties in de stad waar plannen zijn voor woningbouw en andere functies. De ontwikkelingen hangen veelal samen met de versterkingsopgave en hebben betrekking op zowel woningen, onderwijsgebouwen als zorgvastgoed. De ruimtelijke opgave voor de komende jaren is vastgelegd in de Stadsvisie Appingedam 'Groot in kleinschaligheid', die in de raad van juni 2019 werd vastgesteld. Deze Stadsvisie is een overkoepelende visie op het thema 'wonen' en geeft richting aan de opgaven waar de gemeente Appingedam voor staat.

De versterkingsopgave in Appingedam startte in 2016 met het inspecteren en beoordelen van woningen. Inmiddels is duidelijk dat heel veel bouwwerken niet voldoen aan de norm voor aardbevingsbestendig bouwen en dat versterkingsmaatregelen noodzakelijk zijn. De kosten voor het uitvoeren van deze maatregelen zijn hoog en de impact op bewoners is fors, zonder dat het woongenot substantieel wordt vergroot. Daardoor is tot nu toe (najaar 2019) in veel gevallen gekozen voor versterking middels sloop-herbouw. In de gemeente Appingedam betreft het ruim 1.100 woningen. Dit vraagt iets van ruimtelijke toetsingskaders zoals bestemmingsplan en welstandsnota.

Voor een aantal projecten is de procedure tot het passend maken van het bestemmingsplan al doorlopen of loopt er een separaat traject. In het Chw bestemmingsplan wordt ook voorgesorteerd op ontwikkelingen. In onderstaande figuur is een overzicht gegeven van projecten die worden meegenomen in het Chw bestemmingsplan. Het betreft gebieden die onder de versterkingsopgave vallen en reguliere ontwikkelingen. In deze paragraaf volgt een beschrijving van het project. Grootschalige versterkingsprojecten die via een separate ruimtelijke procedure (zijn ge)lopen zijn: Opwierde-Zuid, Campus aan de Pastorielaan en tijdelijke huisvesting basisonderwijs/nieuwbouw speciaal basisonderwijs aan de Olingermeeden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0003.jpg"

Figuur: Projecten in de stad Appingedam

5.2 Versterkingsbatch 1588

In 2018 zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de uitvoering van versterkingsadviezen voor circa 700 woningen in Opwierde-I. Hiertoe behoren 143 particuliere woningen. Omdat de versterkingskosten dusdanig hoog zijn, wordt met de eigenaren van de 700 woningen gewerkt aan plannen voor sloop-nieuwbouw. Op verschillende locaties in Opwierde wordt gesloopt, waarna in andere vorm wordt terug gebouwd: minder gestapeld, meer grondgebonden. De bouwplannen zijn nog niet definitief, waardoor enige flexibiliteit in het bestemmingsplan is aangebracht. Basis onder de huidige regels is een stedenbouwkundige verkenning die in opdracht de gemeente Appingedam is uitgevoerd.

5.2.1 Versterkingslocaties

Op de bestemmingsplankaart zijn meerdere locaties aangeduid als 'Woongebied-1'. Hiertoe behoren in de basis de locaties waar woningen staan die onderdeel uitmaken van de versterkingsbatch '1588'. Dit betreft locaties in Opwierde-I. Het slopen en herbouwen van de (deels gestapelde) woningen die tot de batch 1588 behoren, zorgt er echter voor dat ook andere locaties herontwikkeld worden: tientallen woningen kunnen niet herbouwd worden binnen Opwierde-I, maar worden buiten de wijk gebouwd. De volgende locaties behoren tot de batch 1588:

  • Burgemeester Klauckelaan e.o.;
  • Harkenrothstraat;
  • Heiman Akkerstraat, Houwerdastraat en Ripperdastraat;
  • Abel Eppensstraat;
  • Rengersstraat en Graaf Edzardstraat;
  • George van Saksenlaan;
  • Meester A.T. Voslaan.

Alle locaties zijn weergegeven in het figuur in paragraaf 5.1. Voor deze locaties geldt dat de bestaande woningen niet aardbevingsbestendig zijn. Daarom is besloten om deze woningen te slopen en opnieuw te bouwen. Dit biedt de mogelijkheid om de deelgebieden anders in te delen dan in de huidige situaties. Daarom worden niet alle woningen uit de deelgebieden op dezelfde locatie terug gebouwd en zijn ook locaties buiten Opwierde I nodig om de versterkingsopgave te laten landen. Voor de locaties geldt dat er nog geen definitieve indeling is gemaakt. Daarom biedt de planologische regeling veel flexibiliteit. Voor eventueel gestapelde bouw zijn aanduidingen opgenomen zodat voorkomen wordt dat gestapeld kan worden gebouwd waar dat niet gewenst is. Op deze manier is enigszins richting gegeven aan de inrichting van de locaties.

De locaties waar de carrousel van de 1588 landt, worden ook aangeduid als 'Woongebied-1'. Hierbij gaat het om de locaties 'De Citer' aan de Dijkhuizenweg en het 'Noorderpoort-college' aan de Farmsumerweg. Beide locaties zijn nader omschreven in paragraaf 5.3.

Tot slot is het complex van Woongroep Marenland aan de Gerrit Raapstraat en Pieter Veningastraat aangeduid als 'Woongebied-1'. Vanuit het strategisch voorraadbeleid wordt een herontwikkeling voorzien. Ten behoeve van flexibiliteit in de planontwikkeling worden de percelen aangeduid met 'Woongebied-1' om ruimte te bieden aan deze herontwikkeling.

De gebieden 'Woongebied-1' zijn bestemd voor woningbouw. Waar de mogelijkheid wordt geboden om gestapelde bouw te realiseren is dit middels een begrenzing aangegeven. Het totale aantal woningen binnen de aanduiding 'Woongebied - 1' bedraagt ten hoogste 695. Binnen de verschillende locaties is geen maximaal toegestaan aantal woningen opgenomen, zodat uitwisseling van de aantallen tussen de verschillende gebieden mogelijk is.

5.2.2 Brons-woningen

Op de plankaart is het deelgebied dat behoort tot het versterkingsproject 'Brons-woningen' aangeduid als 'Woongebied-3'. Binnen dit project wordt gewerkt aan de sloop en herbouw van 143 particuliere woningen en 12 woningen in corporatiebezit. Tevens is de locatie van de voormalige schoollocatie 'Pinkeltje' in dit gebied opgenomen. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden om ook deze locatie in te vullen met woningbouw. Het totaal aantal te bouwen woningen bedraagt 170. Deze woningen dienen in het kader van de versterkingsopgave gesloopt en opnieuw gebouwd te worden. Omdat het in dit gebied vrijwel uitsluitend om particuliere woningen gaat, is ervoor gekozen om planologisch het gebied los te trekken van de overige deelgebieden uit de versterkingsbatch 1588.

5.3 Herontwikkeling

Een aantal locaties in de gemeente Appingedam staat aan de vooravond van een herontwikkeling: bestaande bouwwerken worden op termijn gesloopt en de vrijkomende locaties krijgen nieuwe invullingen. In deze paragraaf zijn deze locaties uiteengezet.

5.3.1 De Citer

Aan de Dijkhuizenweg 5 is de voormalige bebouwing van de voormalige basisschool De Citer grotendeels gesloopt en voor een klein deel nog aanwezig. De school is inmiddels verhuisd naar een andere locatie in Appingedam. Zodoende is het pand aan de Dijkhuizenweg 5 leeg komen te staan. Het voornemen is in principe om ter plaatse circa 20 grondgebonden woningen te realiseren. Deze locatie geldt als één van de locaties waar vanuit de versterkingsbatch 1588 naar wordt uitgeweken, buiten Opwierde I. Als alternatief van dit voornemen zijn er ook nog plannen om ter plaatse mogelijk een dorpshuis te realiseren.

5.3.2 Noorderpoortcollege

Met de bouw van een onderwijscampus aan de Pastorielaan vervalt van een aantal gebouwen in Appingedam de onderwijsfunctie. Eén daarvan is het pand van het Noorderpoort aan de Farmsumerweg. Het voornemen is om ter plaatse op termijn woningbouw te realiseren. Dit is in het CHW-bestemmingsplan mogelijk gemaakt door ter plaatse een woonbestemming op te nemen. Deze locatie geldt eveneens als één van de locaties waar vanuit de versterkingsbatch 1588 naar wordt uitgeweken.

5.3.3 Eelwerd

Aan de Opwierderweg, in het oosten van Appingedam is eveneens een onderwijslocatie gevestigd, die met de komst van de onderwijscampus verhuist naar de Pastorielaan. Plaatselijk is deze locatie bekend als 'Eelwerd'. Deze locatie wordt gebruikt voor het realiseren van nieuw zorgvastgoed. In het Chw bestemmingsplan wordt de locatie voorzien van een passende maatschappelijke bestemming.

5.4 Stadsontwikkeling

De Stadsvisie Appingedam 'Groot in kleinschaligheid', is een overkoepelende visie op het thema 'wonen' die richting geeft aan de opgaven waar de gemeente Appingedam voor staat. In de Stadsvisie is onder andere opgenomen welke locaties worden ontwikkeld tot woonlocaties. Voor deze locaties is in het Chw bestemmingsplan een passende regeling opgenomen, waarmee wordt voorgesorteerd op de voorgenomen stadsontwikkelingen.

5.4.1 Oling 5

De locatie Oling 5 ligt in het zuidwesten van Appingedam. De locatie is in eigendom bij de gemeente Appingedam en aangewezen als woningbouwlocatie. Omdat er nog geen sprake was van concrete plannen is de locatie verpacht. Op basis van het geldende bestemmingsplan geldt een uit te werken woonbestemming, waarbinnen maximaal 35 woningen zijn toegestaan. Het oostelijk deel van het gebied is inmiddels ingericht als groenvoorziening. Dit deel wordt als natuurcompensatie voor een ontwikkeling elders in Appingedam ook behouden als groenvoorziening.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is dit gebied in twee delen gedeeld. Het oostelijk deel is bestemd als 'Groen', omdat deze gronden als natuurcompensatie een groene inrichting moeten behouden. Het westelijk deel is bestemd als 'Wonen - Woongebied'. Er worden maximaal 35 woningen toegestaan.

5.4.2 Herontwikkeling sportterreinen

Binnen de verschillende sportbestemmingen zijn in de huidige plansystematiek bouwvlakken opgenomen ter plaatse van de huidige bebouwing ten behoeve van de sportclubs. In de toekomst is het echter voor enkele sportclubs noodzakelijk om de bestaande bebouwing te herontwikkelen, ofwel uit breiden. Daarnaast is er de wens om, voorsorterend op de mogelijke ontwikkeling van een multifunctioneel centrum, maatschappelijke voorzieningen mogelijk te maken op het sportterrein aan de Burgemeester Klauckelaan. Er zijn nog geen concrete plannen voor de ontwikkeling van het multifunctioneel centrum.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Om de voorgenomen ontwikkelingen op het sportpark aan de Burgemeester Klauckelaan planologisch mogelijk te maken en ook de combinatie met een multifunctioneel centrum mogelijk te maken, is dit gebied in het Chw bestemmingsplan bestemd als 'Maatschappelijk - 3' met een aanduiding 'sport'. Op deze manier zijn maatschappelijke functies toegestaan, zodat een eventueel multifunctioneel centrum is toegestaan en kunnen ook sportvoorzieningen hier worden gebouwd. Er is voor gekozen geen bouwvlak op te nemen, maar een maximum bebouwingspercentage vast te leggen. Op die manier is het in de toekomst mogelijk om bebouwing beperkt uit te breiden en te herontwikkelen zonder dat hierbij de beperkingen van een bouwvlak gelden. Voor het sportterrein in het oosten van Appingedam (waar de ijsbaan is gevestigd) blijft sprake van een sportbestemming. Ook hier is een bebouwingspercentage opgenomen in plaats van een bouwvlak om eventuele (beperkte) uitbreiding van de bebouwing mogelijk te maken.

5.4.3 Stationsstraat

In het huidige bestemmingsplan zijn aan de Stationsstraat een aantal panden bestemd als 'Centrum'. Voor een aantal van de bewoners van deze panden geldt dat zij een verhuissubsidie hebben ontvangen om te verhuizen naar de Wijkstraat om daar hun bedrijf voort te zetten en te gaan wonen op de verdieping. Dit is in het kader van het concentreren van deze voorzieningen in het centrum van de stad.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan wordt voor drie percelen de bestemming aangepast naar het feitelijk gebruik ter plaatse. Dit houdt het volgende in:

  • aan de Stationsstraat 18 wordt naast de bedrijfsbestemming ook wonen mogelijk gemaakt;
  • aan de Stationsstraat 4 wordt de bestemming gewijzigd van dienstverlening naar een woonbestemming;
  • aan de Stationsstraat 6 en 8 wordt de bestemming gewijzigd van detailhandel naar dienstverlening.

5.5 De Eendracht

Na bijna 100 jaar het middelpunt te zijn geweest van de bedrijvigheid in Appingedam sloot kartonfabriek De Eendracht in 2006 haar deuren. De gemeente Appingedam heeft het terrein van de voormalige fabriek aangekocht. Het terrein De Eendracht is sindsdien niet meer voor dergelijke bedrijvigheid in gebruik genomen. Het terrein ligt nabij het centrum van Appingedam, tussen de wijken Olingermeeden en Opwierde.

Huidige situatie

Na de sluiting van de kartonfabriek is vrijwel de gehele bebouwing van de fabriek gesloopt. Alleen de oude centrale met de fabriekspijp en het oude kantoorpand zijn destijds niet gesloopt. Daarnaast zijn nog waterpartijen en betonnen bassins overgebleven uit de periode dat de kartonfabriek in het gebied gevestigd was.

Het hoofdkantoor is momenteel in gebruik als hoofdkantoor van de Nationaal Coördinator Groningen. Het gebouw van de centrale is niet opnieuw in gebruik genomen omdat het daarvoor niet geschikt is bevonden. Dit gebouw staat daarom leeg. De bodem en het water zijn volledig gesaneerd. Het grootste deel van de gronden betreft op dit moment braakliggend terrein. Midden in het gebied loopt, van noord naar zuid, de Kartonbaan. Dit betreft een fietspad dat is aangelegd ter ontsluiting van het gebied naar het centrum van Appingedam.

Voorgenomen situatie

Het voornemen is om op de Eendracht een nieuwe hoogwaardige woonwijk te ontwikkelen, bestaande uit circa 200 woningen met daarnaast ruimte voor werken, recreatie en toerisme. Het gebied wordt toegankelijk en beleefbaar vanuit en langs één langzaam verkeersroute, de Kartonbaan. Deze vormt de drager van het gebied. Daarnaast bepalen de grote ruimten uit het industriële verleden in belangrijke mate de ruimtelijke indeling en beleving van het gebied. Over de hele lengte en breedte is de behandeling van de openbare ruimte dezelfde; ook dit zorgt voor de gewenste samenhang en identiteit. Het gebied krijgt een ruig en parkachtig karakter, waarin gewoond, gewerkt, genoten en gespeeld wordt. De bebouwing zal bestaan uit verschillende volumes en architecturen, die aansluiten bij het bestaande karakter van grote ruimten en gebouwen.

Tevens is het voornemen om zorg te integreren in de wijk. Aanleiding voor het integreren van wonen met zorg op deze locatie is de nabijheid van een gezondheidscentrum en het feit dat er voldoende ruimte in het gebied is voor het combineren van intramurale en extramurale zorg met regulier wonen. Voor mensen met beperkte mobiliteit biedt het noordelijke deel van de wijk, door de korte afstand naar voorzieningen, een optimale locatie om zelfstandig te kunnen wonen. Voor het gebied is een ontwikkelstrategie opgesteld die is opgenomen als bijlage 6.

Stedenbouwkundige plan

In het stedenbouwkundige is uitgegaan van de structuurvisie Eendracht die in 2011 is opgesteld, in combinatie met bevindingen en uitwerkingen die sinds die tijd zijn gedaan. Ook wordt rekening gehouden met verschillende toekomstperspectieven voor De Eendracht door flexibiliteit voor de uiteindelijke invulling te behouden.

Het bijzondere van het Eendrachtterrein is dat dit gebied is getransformeerd van fabrieksterrein tot landschappelijk park waarin elementen van het fabrieksverleden nog terug te vinden zijn. Deze elementen zullen in de nieuwe wijk de herinnering aan het fabrieksverleden leven houden, maar zijn tegelijkertijd ook aanleidingen voor nieuwe gebruiksmogelijkheden in het woonlandschap.

Het gebied wordt verdeeld in verschillende woonvelden. De woonvelden nemen een positie in ten opzichte van hun directe omgeving, zoals in onderstaande figuur is weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0004.png"

Ligging van de woonvelden op het Eendrachtterrein

Legenda

  • 1. Wonen in een parksetting met doorzichten en open structuur;
  • 2. Wonen aan het water;
  • 3. Wonen in een parksetting met doorzichten en open structuur;
  • 4. Wonen aan het park;
  • 5. Wonen in het lint aan de Woldweg;
  • 6. Wonen met herinnering aan de fabrieksarchitectuur;
  • 7. Wonen aan het park;
  • 8. Wonen aan het water;
  • 9. Wonen met herinnering aan de fabrieksarchitectuur;
  • 10. Wonen aan het water;
  • 11. Wonen met herinnering aan de fabrieksarchitectuur.

Wonen in het parklandschap is het leidende thema in de wijk. De woonvelden worden daarom zo ontwikkeld dat de beleving van het parklandschap optimaal is. De ruimtelijke kwaliteit van het parklandschap wordt onder meer vormgegeven door de slingerende Kartonbaan met bermen en boomgroepen, waterpartijen, de wilgentenen langs de Olingermeeden, de (tijdelijke) Stadstuin.

Per woonveld zijn ruimtelijke uitgangspunten geformuleerd voor de uit te werken verkavelingen voor de eerste fase in de ontwikkeling van het gebied. De eerste fase betreft het noordelijke en oostelijke deel van het Eendrachtterrein. Deze ruimtelijke punten zijn opgenomen in de ontwikkelvisie in bijlage 6.

Inmiddels is voor de woonvelden 2, 3, 4 en 5 een nadere uitwerking opgesteld en zijn per woonveld ruimtelijke uitgangspunten geformuleerd voor de uit te werken verkavelingen. Deze uitwerking is uiteengezet in de als bijlage 7 opgenomen 'Ontwikkelkader woonlandschap de Eendracht Appingedam'. Dit zullen de eerste woonvelden worden waar woningbouw wordt ontwikkeld.

Ontsluiting

Het uitgangspunt voor de ontsluiting van de wijk is dat het gemotoriseerd verkeer los staat van het langzaam verkeer. De opzet is dat de auto-routing tussen de Woldweg en Olingermeeden met een zichtlijn op de nieuwe centrale en de pijp wordt aangelegd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de huidige ligging van de weg. Daarnaast komt er een auto-routing langs de parkrand. Per bouwveld kan de benodigde auto-ontsluiting nader uitgewerkt worden in aansluiting op de autoroutes. Voor het langzaam verkeer vormt de Kartonbaan de basis, als snelle fietsroute naar de binnenstad en als hoofdrecreatieve looproute die alle gebieden met elkaar verbindt. Kleine paden in de bouwvelden maken het langzaam verkeer netwerk compleet.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0005.png"

Kaart verkeersstructuur

Duurzaamheid en aardbevingsbestendig

Op het Eendrachtterrein wordt energie neutrale bouw gestimuleerd en wordt bekeken of het mogelijk is om op het terrein duurzame energie op te wekken. Daarnaast wordt het gebruik van gezonde en natuurvriendelijke bouwmaterialen gestimuleerd, die in de toekomst goed hergebruikt of gerecycled kunnen worden. Daarnaast zal alles aardbevingsbestendig gebouwd worden, op basis van de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR). Het terrein zal ook klimaatbestendig opgezet worden, door te anticiperen op aspecten als hittestress en wateroverlast. Dit gebeurt onder meer door het aanleggen van een goede water- en groenstructuur waar al mee begonnen is.

5.6 Actualisatie verleende vergunningen

In deze paragraaf is een overzicht gegeven van de verleende vergunningen sinds de vaststelling van het voorgaande bestemmingplan Stad Appingedam. Per vergunning is uiteengezet op welke wijze de vergunde situatie is verwerkt in dit Chw bestemmingsplan.

Bolwerk 30

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het in gebruik nemen van het perceel ten behoeve van de woonfunctie, met daarbij werken aan huis. Daarbij zal het pand worden gesloopt en opnieuw worden gebouwd. In het geldende bestemmingsplan geldt echter de bestemming 'Bedrijf - 1', waardoor het voornemen in strijd was met het bestemmingsplan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is voor dit perceel een woonbestemming opgenomen. De regels zullen aansluiten bij een geldende woonbestemming, waarbij de huidige bebouwing als uitgangspunt voor maatvoeringsregels zal gelden. Het geldende bouwvlak kan behouden blijven.

Boterbloemstraat 2

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de uitbreiding van een bestaande garage. De garage is aan drie zijden vergroot, waardoor het op minder dan 4 meter achter de naar de weg gekeerde gevel is gebouwd. Het bijgebouw overschrijdt deze afstand met 0,014 meter. Dit was in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan
Gezien de schaalgrootte en detaillering van de verbeelding is het niet zichtbaar om op deze locatie de grens met 1,4 centimeter te verschuiven. Deze verschuiving is meegenomen in dit plan en de vergunde mogelijkheden blijven ook in de nieuwe planologische regeling geldig.

Burgemeester Potter van Loonstraat 5

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor een uitbreiding van het oppervlakte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot 79 m² en een erfafscheiding voor de voorgevel met een hoogte van 1,5 meter. In de geldende regeling is opgenomen dat maximaal 60 m² aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is toegestaan en de erfafscheiding aan de voorzijde maximaal 1 meter hoog mag zijn.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is in de regels opgenomen dat bestaande grotere dan de in de regels opgenomen oppervlakten aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen eveneens is toegestaan. Hiermee wordt de uitbreiding van de oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen aan de Burg. Potter van Loonstraat bij recht toegestaan.

Buxzijlweg 1

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de uitbreiding van het hoofdgebouw ter plaatse waarbij de bouwhoogte uitkomt op 14,74 meter. In het geldende bestemmingsplan is echter een maximale bouwhoogte opgenomen van 10 meter. Door gebruik van de kruimelregeling (op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) is de grotere bouwhoogte toegestaan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Ter plaatse van de verhoging in het hoofdgebouw aan de Buxzijlweg 1 is in het Chw bestemmingsplan een maximale goot- en bouwhoogte opgenomen van 15 meter, zodat de regeling op een juiste wijze is afgestemd op de vergunde situatie. De goot- en bouwhoogte wijken hierbij licht af van de vergunde situatie, om zo de bouwhoogte in hele meters te kunnen uitdrukken. Deze verhoogde maximale goot- en bouwhoogte zijn aangeduid op de verbeelding.

De Haas Okkenstraat 23

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het vergoten van de woning met één bouwlaag met een oppervlakte van circa 75 m². De uitbreiding van de woning is uitgevoerd met een plat dak. Omdat een dakhelling van minimaal 30 graden geldt op basis van het geldende bestemmingsplan is deze ontwikkeling strijdig met het destijds geldende bestemmingsplan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan wordt de uitbreiding van het gebouw beschouwd als een aanbouw. Daarop is opgenomen dat de bestaande oppervlakte aan aanbouwen is toegestaan, waarmee deze ontwikkeling binnen de regels past.

De Tinge 5

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de bouw van een garage met een oppervlakte van 45,3 m². Op basis van het geldende plan is maximaal 35 m² aan vrijstaande bijgebouwen toegestaan. Daarnaast is er strijd met het maximum aantal vierkante meters aan oppervlakte aan- en uitbouwen en bijgebouwen. De bestaande serre heeft een oppervlakte van 20 m². Samen met de nieuw te bouwen garage komt dit uit op 63,5 m² terwijl 60 m² is toegestaan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is in de regels opgenomen dat bestaande oppervlakten aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen eveneens is toegestaan. Hiermee is de garage bij recht toegestaan.

Dijkstraat 35

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het realiseren van drie woningen (deels op de begane grond) en twee winkels aan de Dijkstraat. Dit is in strijd met het geldende bestemmingsplan waarin wonen op de begane grond niet is toegestaan. Bovendien worden er woningen toegevoegd.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

De verbeelding wordt aangepast naar de feitelijke situatie door, ter plaatse van de Dijkstraat 35 de aanduiding 'specifieke vorm van wonen uitgesloten - begane grond' te verwijderen, waardoor het wonen ook op de begane grond wordt toegestaan.

Ds. Sprengerweg 8

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het slopen van een destijds bestaande schuilstal voor een nieuwe schuilstal met een gelijke oppervlakte. De schuur wordt hiermee 10 meter noordelijker geplaatst. Dit is strijdig met het geldende plan omdat schuilstallen met een maximale oppervlakte van 25 m² alleen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schuilstal' geplaatst mogen worden.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

De schuilstal is in het Chw bestemmingsplan aangeduid op de verbeelding, waarbij de oppervlakte van 40 m² ter plaatse wordt toegestaan. Op deze manier is de schuilstal toegestaan in het nieuwe plan.

Emmastraat

Verleende vergunning

De vergunning de bouw van 42 woningen aan weerszijden van de Emmastraat, die gedeeltelijk buiten het bouwvlak worden geplaatst. De voormalige woningen zijn ten behoeve van de nieuwe woningen gesloopt. Omdat de voorgenomen woningen deels buiten het bouwvlak geplaatst werden, was het voornemen strijdig met de geldende regeling.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan zijn de bouwvlakken ter plaatse van de inmiddels gerealiseerde woningen gebaseerd op de locatie van deze woningen. Op die manier sluit de verbeelding aan bij de feitelijke en reeds vergunde situatie.

Focco Ukenalaan

Verleende vergunning

Aan de zuidzijde van de Focco Ukenalaan is sprake van een aantal leegstaande percelen, die ingericht zijn als grasvelden. Voorheen was hier sprake van verschillende detailhandelsvestigingen waaronder een supermarkt, groenteboer en bloemenwinkel. Deze vestigingen zijn inmiddels gesloopt. Inmiddels is een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 24 woningen.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan zijn de verbeelding en regels voor deze locatie afgestemd op de vergunde situatie. Dit houdt in dat de 24 grondgebonden woningen bij recht zijn toegestaan in de regels en dat de ligging van de bouwvlakken en bestemmingen hierop zijn afgestemd.

Heidensgang 5

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het realiseren van een bijgebouw van 76 m² met een bouwhoogte van 5,176 meter. Op basis van de geldende regeling is echter slechts 60 m² aan bijgebouwen toegestaan waarvan de oppervlakte per bijgebouw maximaal 35 m² mag bedragen.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is in de regels opgenomen dat bestaande oppervlakten aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen die afwijken van wat in de regels is toegestaan eveneens is toegestaan. Hiermee is het bijgebouw bij recht toegestaan in het Chw bestemmingsplan.

Jan Leugsstraat 10

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het legaliseren van twee afmeersteigers, één aan de Jan Leugsstraat 10 en één aan de Jan Leugsstraat 12. De steigers zijn in strijd met de geldende regeling omdat ze 3 meter diep zijn. Conform de regeling mag de diepte slechts 1,5 meter bedragen, tenzij de bestaande diepte afwijkt.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Onder dit nieuwe plan is de vergunde afmeting nu de bestaande afmeting en valt daarbij onder de bestaande regeling.

Jan van Nieuwenhuyzenlocatie

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor een gewijzigde verkaveling van de voorgenomen woningen op deze locatie. Het aantal woningen blijft daarmee gelijk, maar is anders gesitueerd.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan zijn de verbeelding en regels afgestemd op de vergunde situatie. De gewijzigde verkaveling is hierdoor toegestaan.

Jonkerslaan 2 t/m 32

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het versterken en verduurzamen van de corporatiewoningen aan de Jonkerslaan 2 t/m 32, waardoor de buitenste schil van de woningen breder en hoger wordt. Hierdoor komen de woningen deels buiten het in het bestemmingsplan aangegeven bouwvlak te liggen.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan het bouwvlak ter plaatse van de woningen aan de Jonkerslaan 2 t/m 32 op basis van de nieuwe woningen ingetekend, waardoor de woningen bij recht zijn toegestaan.

Klaas Bosstraat

Verleende vergunning

Aan de Klaas Bosstraat is een herontwikkelingsplan uitgevoerd waarbij de voormalige, verouderde woningen gesloopt. Daarop zijn 28 nieuwe, levensloopbestendige woningen gerealiseerd. Dit plan is inmiddels uitgevoerd. De woningen zijn voorzien van één bouwlaag met een kap.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is de regeling voor deze locatie afgestemd op de nieuwe woningen. Omdat de woningen onlangs gerealiseerd zijn, kan op de verbeelding en in de regeling volledig worden uitgegaan van deze ontwikkeling en hoeft in principe geen rekening gehouden te worden met een mogelijke versterkingsopgave op deze locatie.

Kniestraat 2

Verleende vergunning

Aan de Kniestraat 2 is het pand in de bestaande situatie bestemd met de bestemming 'Dienstverlening'. Het pand is echter in gebruik genomen als reguliere woning. Dit is op basis van de verleende vergunning toegestaan. Er vinden verder geen bedrijfsactiviteiten, dan wel dienstverlening plaats.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is het perceel bestemd met een woonbestemming, om zo aan te sluiten bij de vergunde situatie. Dit is opgenomen op de verbeelding.

Koningstraat 9

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de legalisering van de reclame-uiting op de voorgevel en een afvoerpijp aan de achterzijde ten behoeve van de aanwezige pizzeria aan de Koningstraat 9. De hoogte van de afvoerpijp bedraagt meer dan 5 meter en de reclame-uiting is tevens niet toegestaan op basis van het geldende plan. Daarnaast is het gebruik van de gronden ten behoeve van een pizzeria in strijd met de geldende bestemming.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Op de verbeelding van het Chw bestemmingsplan is een horecabestemming opgenomen om het feitelijk gebruik te legaliseren, dit gaat om de bestemming 'Horeca - 2'. Voor de pijp is opgenomen dat de bestaande hoogte van overige bouwwerken is toegestaan, naast de maximale hoogte van 5 meter voor nieuw te bouwen overige bouwwerken. Daarmee is de afvoerpijp toegestaan.

Koningstraat 51

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het in gebruik nemen van de voormalige bibliotheek als kantoorpand, waarbij het historische pand in oude luister is hersteld. Het gebruik van het pand als kantoorpand is niet toegestaan op basis van de geldende regeling, waarin het pand als 'Maatschappelijk' is bestemd.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is aan het perceel een bestemming toegekend die passend is bij het vergunde gebruik. In het Chw bestemmingsplan is in het kader daarvan de bestemming 'Kantoor' van toepassing voor dit perceel.

Korenbloemstraat 1

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het plaatsen van een hekwerk voor de voorgevel van het hoofdgebouw, met een hoogte van 1,2 meter over een lengte van 3 meter. Dit is in strijd met de geldende regeling waarbij een maximale bouwhoogte van 1 meter voor erfafscheidingen voor de voorgevel is voorgeschreven.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is opgenomen dat de bestaande hoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel eveneens is toegestaan, waardoor het hek aan de Korenbloemstraat 1 binnen de regels past.

Lange Sissen 14

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de realisatie van een carport en luifel op minder dan 4 meter vanuit de voorgevelgrens en deels voor de voorgevelgrens. Dit is in strijd met de geldende regeling, waarin is opgenomen dat aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op minimaal 4 meter achter de voorgevelgrens gerealiseerd moeten worden.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is opgenomen dat bestaande aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op minder dan 4 meter van de voorgevel eveneens zijn toegestaan. Daarmee zijn de gerealiseerde carport en luifel aan de Lange Sissen 14 toegestaan op basis van de regeling in dit Chw bestemmingsplan.

Noordersingel 1/Stationsweg 4

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de functiewijziging van het perceel Stationsweg 4 van Dienstverlening naar Wonen en de sloop/nieuwbouw van het tussengebouw tussen Stationsweg 4 en Noordersingel 1. De woonfunctie is op het perceel Stationsweg 4 niet toegestaan op basis van de geldende regeling. Daarnaast is de uitbreiding van het 'tussenstuk' eveneens in strijd met het geldende plan omdat deze plaatsvindt buiten het bouwvlak.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is het bouwvlak aangepast naar de bestaande situatie, waarbij de uitbreiding van het tussenstuk is gerealiseerd. Daarnaast is aan de Stationsweg 4 een woonbestemming toegekend, overeenkomstig met het feitelijke gebruik.

Olingermeeden

Verleende vergunning

Ter plaatse van deze locatie zijn in het bestemmingsplan 'Stad Appingedam' vier woningen toegestaan. De invulling van het gebied zal echter op een andere wijze gebeuren dan waar het bestemmingsplan 'Stad Appingedam' vanuit is gegaan. Daardoor zullen de beoogde woningen niet passen in de bouwvlakken die in het vigerende plan gelden. Door middel van een buitenplanse omgevingsvergunning is de beoogde ontwikkeling uiteindelijk mogelijk gemaakt.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is de verbeelding afgestemd op de indeling van deze locatie, zoals vergund in de omgevingsvergunning. Dit houdt in dat de woningen anders gepositioneerd worden en er een toegangsweg richting de woningen wordt aangelegd.

Opwierderweg 61

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de tijdelijke plaatsing van een zeecontainer (voor de opslag van de ijsclub) voor een periode van 5 jaar. Omdat de zeecontainer buiten het bouwvlak geplaatst wordt is het voornemen in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is binnen de bestemming Sport een bebouwingspercentage opgenomen van 10% van de totale oppervlakte. Daarbij worden geen bouwvlakken gehanteerd. Op die manier is het voor sportclubs mogelijk hun bebouwing beperkt uit te breiden en is ook de plaatsing van de zeecontainer toegestaan.

Opwierderweg 160

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het realiseren van een bijgebouw met een oppervlakte van 127,1 m², met een bouwhoogte van 5,96 meter. Dit is niet toegestaan op basis van de geldende regeling, waarin is opgenomen dat de maximale oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal 60 m² mag bedragen en een bouwhoogte van maximaal 5 meter mag hebben. Daarnaast geldt per bijgebouw een maximale oppervlakte van 35 m². Daarnaast is ook de woning gesloopt en is er een kleinere woning voor terug gebouwd. Het bouwvlak is hierop aangepast.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is in de regels opgenomen dat bestaande oppervlakten aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen eveneens is toegestaan. Hiermee is het bijgebouw bij recht toegestaan in het Chw bestemmingsplan. Daarnaast is het bouwvlak afgestemd op de nieuwe woning en daarmee verkleind ten opzichte van de voorgaande situatie.

Oranjeweg 20

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de sloop/nieuwbouw van het bijgebouw bij de woning. De oppervlakte van het bijgebouw blijft hiermee ongewijzigd. Echter wordt de bouwhoogte verhoogd naar 6,8 meter. Op basis van de geldende regeling is een bouwhoogte van 6,5 meter voor bijgebouwen toegestaan. Daarom is het voornemen in strijd met de geldende regeling.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is opgenomen dat bestaande bouwhoogten van bijgebouwen eveneens zijn toegestaan, naast de geldende maximale bouwhoogte van 6,5 meter.

Patrimoniumstraat

Verleende vergunning

Aan de noordzijde van de Patrimoniumstraat is sprake van een aantal verouderde rijwoningen, die zeer dicht op de weg staan gesitueerd. Het voornemen is om deze verouderde woningen te slopen en te vervangen voor nieuwbouwwoningen. In de huidige situatie is sprake van zes woningen aan weerszijden van de straat. In de nieuwe situatie zijn aan de westzijde van de straat vijf woningen en zes woningen aan de oostzijde vergund. Deze woningen zullen aardgasvrij en aardbevingsbestendig gebouwd worden.

Aan de westzijde van de straat zal een twee-onder-één-kap woning en een drie-onder-één-kap woning worden gerealiseerd. Aan de oostzijde gaat het om drie twee-onder-één kap woningen. Alle woningen zullen bestaan uit één bouwlaag met kap. Daarmee wordt aangesloten op het bebouwingsbeeld in de Patrimoniumstraat.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan zijn de verbeelding en de bestemmingsregels afgestemd op de vergunde situatie, waarmee de voorgenomen woningen bij recht zijn toegestaan.

Professor Cleveringaplein 1

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de bouw van een nieuwe loods/fietsenstalling ter vervanging van de voorgaande stalling. De bouw van de nieuwe loods/fietsenstalling is strijdig omdat deze deels buiten het bouwvlak valt. Dit is niet toegestaan op basis van de geldende regeling.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Het bouwvlak is op de verbeelding aangepast naar de vergunde situatie. Op die manier is de nieuw gebouwde loods/fietsenstalling bij recht toegestaan.

Sikkel 29

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het realiseren van een CNG-eiland en een CNG-unit. Het CNG-eiland is functioneel verbonden aan het Tango tankstation en daarmee een uitbreiding van het bestaande verkooppunt motorbrandstoffen. Omdat het CNG-eiland buiten de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' gerealiseerd wordt, is het in strijd met de geldende regeling.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' vergroot, zodat ook het CNG-eiland binnen de aanduiding valt. Hiermee is de verkoop van CNG ter plaatse toegestaan.

Stationsstraat 8

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor een functiewijziging aan de Stationsstraat 8 van een woonfunctie naar dienstverlening, om een dierenartspraktijk juridisch-planologisch mogelijk te maken. De dierenartspraktijk is op basis van de woonbestemming niet toegestaan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Het perceel is op de verbeelding bestemd als Dienstverlening, waarbij een dierenartspraktijk is toegestaan.

Stationsstraat 18

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor een functiewijziging om een reguliere woning mogelijk te maken ter plaatse van de Stationsstraat 18. Conform het geldende bestemmingsplan is bewoning niet mogelijk op basis van de bedrijfsbestemming.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is ter plaatse van de Stationsstraat 18 de bestemming 'Wonen - A1' opgenomen.

Stationsweg 4

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het wijzigen van de functie van het perceel van dienstverlening naar een woonfunctie. Het hoofdgebouw is in gebruik genomen als reguliere woning.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Op de verbeelding is ter plaatse van Stationsweg 4 de woonbestemming 'Wonen - A1' opgenomen die aansluit bij de vergunde situatie en het feitelijk gebruik van het perceel. Tevens wordt de bestemming 'Tuin' opgenomen aan de straatzijden van het perceel.

St. Jansplein 1

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het wijzigen van de functie van het perceel van maatschappelijk naar een woonfunctie. Het hoofdgebouw is in gebruik genomen als reguliere woning.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Op de verbeelding is ter plaatse van het St. Jansplein 1 de bestemming 'Wonen' opgenomen, die aansluit bij de vergunde situatie en het feitelijk gebruik van het perceel.

Tichelplaats 1

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de bouw van een woning die deels buiten het bestaande bouwvlak valt. Omdat hoofdgebouwen binnen het bouwvlak gebouwd dienen te worden, is het voornemen in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is het bouwvlak getekend op basis van de vergunde situatie, waarmee de gehele woning binnen het bouwvlak valt.

Tichelplaats 9

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de bouw van een garage aan de Tichelplaats 9. De bouw is in strijd met het geldende bestemmingsplan omdat deze op minder dan 4 meter (3 meter) achter de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw gebouwd wordt.

Uitwerking in het bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is opgenomen dat bestaande aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op minder dan 4 meter van de voorgevel eveneens zijn toegestaan. Daarmee is de garage aan de Tichelplaats 9 toegestaan.

Westersingel 1

Verleende vergunning

De verleende vergunning betreft de realisatie van een kapschuur met een oppervlakte van 15 m². De bouw is in strijd met het geldende bestemmingsplan omdat de schuur binnen de bestemming Tuin wordt geplaatst. Daarin is het bouwen van een schuur niet toegestaan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan is ter plaatse van de Westersingel de woonbestemming uitgebreid, waarmee ook de vergunde kapschuur binnen deze bestemming valt.

Westersingel 31

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor de bouw van een woning met een oppervlakte van 113 m². Op basis van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is een omgevingsvergunning noodzakelijk bij ingrepen groter dan 100 m², waardoor het voornemen in strijd was met het bestemmingsplan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan behoeft geen wijziging ten opzichte van het voorgaande plan te worden doorgevoerd. De woning is op basis van de enkelbestemming 'Wonen - A1' al toegestaan.

Westersingel naast 56A

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het realiseren van een vrijstaande woning met een plat dak. Dit is in strijd met het geldende bestemmingsplan omdat een plat dak niet is toegestaan. Er geldt een minimale dakhelling van 30 graden.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Op de verbeelding van het Chw bestemmingsplan is de aanduiding 'plat dak' opgenomen om ter plaatse een plat dak toe te staan.

Willem Alexanderlaan 9

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het plaatsen van een bouwwerk ter plaatse van een verkeersbestemming. Binnen de verkeersbestemming is dit bouwwerk niet toegestaan.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

In het Chw bestemmingsplan zal het deel van het perceel dat momenteel nog als 'Verkeer - Verblijf' is bestemd, bestemd worden als 'Wonen - A2', waarmee de bestemming overeenkomt met het feitelijk gebruik van de gronden. Het bouwwerk is binnen deze bestemming toegestaan.

Woldweg 69

Verleende vergunning

De vergunning is verleend voor het realiseren van een vrijstaande woning waarbij aan de linker- en achtergevel de toegestane goothoogte van 4 meter wordt overschreden en een deel van het dak buiten het bouwvlak ligt.

Uitwerking in het Chw bestemmingsplan

Op de verbeelding van het Chw bestemmingsplan is het bouwvlak aangepast naar de vergunde situatie, waarmee de volledige woning binnen het bouwvlak valt.

5.7 Karakteristieke panden

In het Erfgoedprogramma van Nationaal Coördinator Groningen wordt een verzameling woningen geïntroduceerd die op basis van planologische regelingen bescherming zou moeten genieten. Dit zijn de zogeheten karakteristieke panden. Vanuit de Provinciale Omgevingsverordening Groningen is beschermende planologisch verplicht gesteld. In artikel 2.9.1 lid 1 is opgenomen dat een bestemmingsplan, dat betrekking heeft op het aardbevingsgebied, regels moet bevatten die erop gericht zijn te voorkomen dat de karakteristiek en kenmerken van deze gebouwen door verbouw kunnen worden aangetast.

Karakteristieke panden zijn panden die op grond van hun hoofdvorm, typologie, architectuur, landschappelijke en/of stedenbouwkundige situering, gaafheid of zeldzaamheid bijdragen aan de identiteit van de omgeving. Door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Appingedam is een lijst opgesteld met daarop alle karakteristieke panden die in de gemeente voorkomen. Daarnaast zijn tevens karakteristieke gebieden aangewezen. Dit zijn coherente gebieden van (bijna-)karakteristieke panden. In bijlage 14 is een kaart opgenomen met daarop alle karakteristieke panden en gebieden binnen het plangebied van dit Chw bestemmingsplan opgenomen.

In het Chw bestemmingsplan is een sloopvergunningstelsel opgenomen in artikel 73.2 die sloop van karakteristieke panden zoveel mogelijk moet voorkomen. Een uitzondering kan hierop gemaakt worden wanneer blijkt dat vanwege de veiligheid het niet meer verantwoord is dat het gebouw blijft staan. Met deze regeling wordt aangesloten op de provinciale omgevingsverordening. Karakteristieke panden zijn met de aanduiding 'karakteristiek' opgenomen in het Chw bestemmingsplan. Karakteristieke gebieden zijn middels de dubbelbestemming 'Waarde - Karakteristiek gebied' opgenomen in het bestemmingsplan. Beide dubbelbestemmingen bieden beschermende regelingen met betrekking tot de karakteristieke panden en gebieden. Voor beide gelden ook toegesneden welstandscriteria (Bijlage 7 bij de regels).

5.8 Bedrijvengebieden Farmsumerweg, Woldweg en Fivelpoort

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0006.png"

Bedrijvengebieden Farmsumerweg, Woldweg en Fivelpoort

5.8.1 Bedrijvengebied Farmsumerweg

In het noordoosten van Appingedam, in het tussengebied richting Delfzijl is het bedrijvengebied Farmsumerweg gelegen (zie bovenstaand figuur). Dit bedrijvengebied is gelegen tussen de Farmsumerweg en het Damsterdiep, en wordt doorsneden door de N33. Het bedrijventerrein heeft, evenals bedrijvengebied Woldweg, een gemengd karakter van verschillende soorten bedrijven. Hier wordt evenwel iets meer variatie aangetroffen in de vorm van volumineuze detailhandel en hoogwaardige (verzorgende) bedrijvigheid met eventueel een ondergeschikte productiefunctie. Langs de N33 en de Farmsumerweg is een woonplein met volumineuze detailhandel aanwezig en ook een McDonald's restaurant. Naast het woonplein, kan dit gebied historisch gezien worden opgesplitst in een oostelijk en een westelijk deel. Het meest oostelijk deel (ten oosten van de N33) kan worden gezien als een uitloop van de volumineuze detailhandelslocatie richting Delfzijl. Dit vertaalt zich onder andere in een keukencentrum, maar ook niet-detailhandelsbedrijven zoals een stomerij. Deze twee delen van het bedrijvengebied Farmsumerweg (het woonplein en het deel ten oosten van de N33) kunnen worden beschouwd als zichtlocatie. Op het meeste westelijke deel is machinefabriek Control Seal actief, een voor Damster begrippen groot bedrijf. Tussen deze twee uitersten bevindt zich een deel van het bedrijvengebied waarop zich uiteenlopende vormen van bedrijvigheid bevinden, zoals een rioolwaterzuivering, een gasdrukregel- en meetstation maar ook reguliere bedrijven zoals een garagebedrijf. Qua milieuzonering zijn de bestaande rechten overgenomen, waarbij de bestemming 'Bedrijventerrein - 1' een milieucategorie van maximaal 2 is toegestaan, bij 'Bedrijventerrein - 2' een milieucategorie van maximaal 3.1. is toegestaan en bij 'Bedrijventerrein - 3' een milieucategorie van maximaal 3.2. is toegestaan.

5.8.2 Bedrijvengebied Woldweg

Het meest westelijk gelegen bedrijvengebied Woldweg in Appingedam is gelegen tussen de Woldweg en de Groeve-Noord. Aan de noordzijde van dit bedrijvengebied was de voormalige Kartonfabriek 'De Eendracht' gelegen, waarvan de historie teruggaat tot de 19e eeuw. De onderneming is thans failliet verklaard en niet meer actief. Zoals aangegeven in paragraaf 5.5 is voor de herontwikkeling van dit gebied een ontwikkelingskader opgesteld. De ontwikkelingen in dit gebied zijn opgenomen in dit Chw bestemmingsplan.

Van meer recentere datum is het bedrijvengebied aan de zuidzijde langs de Woldweg. Dit bedrijvengebied heeft een belangrijke lokale opvangfunctie voor het segment 'modern gemengd' (industrie, handel en bouwnijverheid). In dit gebied bevinden zich bedrijven zoals bouwbedrijven, autoschadeherstelbedrijven en loonbedrijven. Er is nog beperkte uitbreidingsruimte.

5.8.3 Bedrijvengebied Fivelpoort

Het meest recente bedrijvengebied in Appingedam is Fivelpoort. Dit gebied is ten zuiden van het Eemskanaal gelegen, langs de N33 en de N989. Fivelpoort heeft niet alleen een functie voor Appingedam, maar ook voor Delfzijl en het hele Eemsmondgebied. Het terrein is dan ook gezamenlijk ontwikkeld door Groningen Seaports en de gemeenten Appingedam en Delfzijl, welke zich verenigd hebben in Fivelpoort CV. Eén en ander kwam voort uit de behoefte om op regionaal niveau een locatie te ontwikkelen voor representatieve bedrijven nabij een belangrijke (inter)regionale verbindingsweg.

Fivelpoort richt zich op dienstverlening in kantoorachtige setting (segment hoogwaardig, zuidelijke strook), lichte productie, handel en bouwnijverheid (segment modern gemengd, middenstrook) en transport en distributie (segment logistiek, noordelijke strook). De in het bestemmingsplan Bedrijvenpark Fivelpoort opgenomen ambities en regelingen zijn integraal opgenomen in dit nieuwe bestemmingsplan. Fivelpoort biedt aan de zuid- en de zuidwestzijde ruimte aan kantoren. Andere bedrijven kunnen worden gevestigd op de andere delen van Fivelpoort. Op het bedrijvenpark zijn verschillende bedrijven gevestigd.

Gezien de actualisering van het bestemmingsplan, concrete ontwikkelingen en vragen van potentiële klanten is er op het bedrijventerrein Fivelpoort een aantal aanpassingen doorgevoerd. Zo is op het voorste deel van het terrein (waar een maximale milieucategorie 3.1. is toegestaan) volumineuze detailhandel in de vorm van auto's, boten en caravans en grove bouwmaterialen toegestaan. Daarnaast is er gezien het toenemende verkeer op de N33 een concrete vraag naar een bemand brandstoffenpunt, met een wasstraat op het bedrijvenpark. Door het nieuwe tracé van de N33 zal in de toekomst een verandering plaatsvinden op het zuidelijke deel van Fivelpoort. De situering van het brandstoffenpunt is hier van afhankelijk en is vastgelegd.

Op dit moment wordt de bestaande laad- en loskade aan de kade van het Eemskanaal ZZ gebruikt voor de overslag van granen en een weg- en waterbouwbedrijf. Er zijn ontwikkelingen gaande de kade mogelijk te gebruiken voor de overslag van zand en grind e.d. en containers. Daarnaast ligt er een afspraak met de Provincie Groningen, dat bij vervanging van de huidige Woldbrug in het Eemskanaal er een andere locatie voor de kade gezocht zal worden. Dit zal in oostelijke richting plaatsvinden. Ook ontstaat er door het gebruik van het bedrijventerrein de behoefte om de kade ruimere gebruiksmogelijkheden te geven zodat deze door een grotere verscheidenheid aan bedrijven gebruikt kan worden.

Vanwege deze ontwikkelingen wordt in het nieuwe bestemmingsplan ruimte gereserveerd voor uitbreiding van de bestaande laad- en loskade in zowel afmeting als gebruik. De fysieke reservering bedraagt twee ligplaatsen van elk 130 meter.

Om het bedrijventerrein de genoemde ruimere gebruiksmogelijkheden te geven zodat deze door een grotere verscheidenheid aan bedrijven kan worden gebruikt is onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluidssituatie richting de woningen aan de Woldweg. Uit dit onderzoek (Bureau Spreen, Akoestisch onderzoek Fivelpoortkade te Appingedam, Rapport: 20130705) blijkt dat er een geluidscherm tussen Fivelpoort en de woningen aan de Woldweg gebouwd dient te worden. Deze is op de verbeelding aangeduid als 'geluidscherm' en hiervan zijn specifieke bepalingen opgenomen in de bestemming Groen. De bouwhoogte van dit geluidscherm dient minimaal 3,5 meter bedragen.

5.9 Beschermd stadsgezicht

Een groot deel van het centrum van Appingedam is ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet aangewezen als Beschermd Stadsgezicht. Deze aanwijzing is een erkenning van het bijzondere historische karakter van de binnenstad van Appingedam. De bedoeling van de aanwijzing is om deze bijzondere historische karakteristieken te behouden en nadrukkelijk een plaats te geven in toekomstige ontwikkelingen. Na de aanwijzing van een gebied als beschermd dorps- of stadsgezicht moet hiervoor een beschermend bestemmingsplan worden vastgesteld. Voor het centrum van Appingedam heeft dat plaatsgevonden met de vaststelling van het deelplan Centrumgebied in 2010. In voorliggend Chw bestemmingsplan is de regeling uit dat plan één op één overgenomen, nadat deze regeling eveneens in het voorgaande bestemmingsplan Stad Appingedam uit 2013 was opgenomen.

Het beschermende beleid ten aanzien van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden is niet bedoeld om het bestaande beeld volledig vast te leggen. De Monumentenwet voorziet hier al voor een belangrijk deel in door de beschermende regeling voor individuele rijksmonumenten. Voor het bestemmingsplan is het meer de taak om de beeldbepalende gebiedswaarden te beschermen en om vanuit dat perspectief een regeling te bieden voor waardevolle elementen (van de niet als rijksmonument en gemeentelijk monument aangewezen bebouwing), de onderlinge samenhang en variatie in de bebouwing en de gehele stedenbouwkundige structuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0007.jpg"

Historisch-ruimtelijke waarderingskaart

Het is essentieel dat deze structurele kenmerken van het Beschermd Stadsgezicht worden vastgelegd, maar nog belangrijker dat marges worden aangegeven, waarmee op ontwikkelingen in de planperiode kan worden ingespeeld zonder dat de structurele kenmerken worden aangetast.

Binnen het gevarieerde gebied van de binnenstad zijn de belangen van het Beschermd Stadsgezicht niet overal gelijk.

De Historische-ruimtelijke waarderingskaart (zie bovenstaand figuur) geeft daar een beeld van. Deze kaart is destijds opgesteld door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (nu Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed) en maakt deel uit van het aanwijzingsbesluit van het Beschermd Stadsgezicht Appingedam van 1991. De indeling van deze kaart is richtinggevend voor de regeling van het Chw bestemmingsplan.

De Historische-ruimtelijke waarderingskaart laat een driedeling zien in de te beschermen niveaus. Deze driedeling is maatgevend voor het beschermingsniveau dat in het bestemmingsplan wordt gehanteerd.

  • a. Beschermingsniveau 1 heeft uitsluitend betrekking op de regeling van de ruimtelijke hoofdstructuur: alleen het beloop van de wegen, de situering van de bebouwing ten opzichte van de weg (aanwezigheid voorgevelrooilijn) en het ruimtelijk profiel (de verhouding tussen bebouwing en openbare ruimte) zijn historisch van belang en worden als waardevol beschermd. Voor nieuwe ontwikkelingen betekent dit dat de schaalmogelijkheden van bebouwing worden getoetst aan het silhouet van het Beschermd Stadsgezicht en aan de waarde en betekenis van de aangrenzende openbare ruimte.
  • b. Beschermingsniveau 2 heeft tevens betrekking op de ruimtelijke waarden op het niveau van de straatwand. Behalve de ruimtelijke hoofdstructuur is ook de onderlinge samenhang in de bebouwing belangrijk. Dus naast de situering/rooilijn zijn ook de bebouwingsschaal en het ritme van de bebouwing bepalend. Van belang is dat aanwezige variaties in het bebouwingsbeeld gehandhaafd blijven.
  • c. Bij beschermingsniveau 3 gaat het mede om de historische waarden op gevelniveau. Naast de situering/rooilijn en de bebouwingsschaal worden ook de hoofdvorm, de detaillering en de architectuur van het individuele pand van belang. In de gevelwanden binnen deze gebieden vormen de vele monumenten de leidraad voor het beschermingsregime.

Beschikbare gevelkaarten zijn gebruikt bij het nader detailleren van de regelingen voor (deel)gebieden en als (digitale) informatie aan het Chw bestemmingsplan gekoppeld. In de bouwregels zijn de volgende aspecten of combinaties daarvan vastgelegd:

  • a. de situering (rooilijn en kavelrichting);
  • b. inrichting en profiel van de buitenruimte;
  • c. bouwmassa (goothoogte, nokhoogte en korrelmaat);
  • d. ritme en individualiteit van bouwmassa;
  • e. kapvorm en nokrichting;
  • f. gevelindeling;
  • g. kleur en materiaalgebruik.

Voorts komen binnen de openbare ruimte elementen voor die mede de ruimtelijke kwaliteit van het Beschermd Stadsgezicht bepalen. Te denken valt aan bijvoorbeeld kades, bruggen, de profielindeling van de openbare ruimtes et cetera. In het aanwijzingsbesluit voor het Beschermd Stadsgezicht worden deze nader benoemd.

Dergelijke elementen verdienen bescherming, maar tegelijkertijd moet dubbele regelgeving voorkomen worden, daar waar zaken al op andere wijze afdoende worden geregeld. Voorts speelt hierin mee dat de gemeente over het algemeen zelf eigenaar is van de openbare ruimte en dus ook vanuit dien hoofde een leidende rol speelt bij herinrichtingsmaatregelen. Niettemin zijn vanwege de karakteristieke waarden enkele markante elementen extra beschermd.

Welstand

De gemeente Appingedam voert sinds lange tijd een actief welstandsbeleid. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een extern werkende welstandscommissie, ondergebracht bij Libau, de organisatie die in de provincie Groningen alle gemeenten adviseert over welstands- en monumentenzaken. Deze commissie baseert haar adviezen zoveel mogelijk op geformuleerd beleid, zoals dit is aangegeven in structuurplannen, en beeldkwaliteitplannen. Daarnaast is de welstandsnota geïntegreerd in het Chw bestemmingsplan en is eveneens bepalend in de adviesvorming van de welstandscommissie.

De welstandsnota is toegelicht in hoofdstuk 7 van deze toelichting en de criteria zijn opgenomen in de regels van het Chw bestemmingsplan. Voor een aantal deelgebieden gelden afzonderlijke beeldkwaliteitplannen. De welstandsregels van dit Chw bestemmingsplan zijn op die gebieden niet van toepassing.

Rijks- en gemeentelijke monumenten

In de binnenstad van Appingedam is een flink aantal individuele monumenten aangewezen die net als het Beschermd Stadsgezicht beschermd worden in de wet. De bescherming van de Rijksmonumenten is afdoende geregeld in de Erfgoedwet zodat in principe een uitgebreide regeling in het bestemmingsplan niet noodzakelijk is.

Naast de Rijksmonumenten kent de gemeente een aantal beeldbepalende c.q. karakteristieke panden die niet zijn aangewezen als Rijksmonument maar binnen de gemeente wel als behoudenswaardig worden gezien. Voor deze gemeentelijke monumenten geldt ter bescherming de gemeentelijke Erfgoedverordening. Appingedam heeft namelijk sinds 1991 een gemeentelijke monumentenverordening waarin de formele zaken in het verlengde van de Monumentenwet (nu Erfgoedwet) zijn vastgelegd.

De grondslag voor de Damster monumentencommissie is neergelegd in deze verordening. Voor de advisering inzake wijzigingen aan de gemeentelijke- en rijksmonumenten en ingrijpende wijzigingen binnen het Beschermd Stadsgezicht maakt de gemeente, naast de 'eigen' Damster monumentencommissie, gebruik van de provinciale monumentencommissie van Libau. Dit is een commissie die met de nodige specifieke deskundigen is geïntegreerd in de eerdergenoemde welstandscommissie. Behoudens ondergeschikte wijzigingen aan de monumenten, worden de Damster leden altijd uitgenodigd door de provinciale commissie om een gezamenlijk advies op te stellen.

5.10 Detailhandel

Appingedam heeft van oudsher voor wat betreft winkelvoorzieningen een verzorgende functie in de regio, waarbij het zich met name door de aantrekkelijke historische ambiance en het relatief grote (modisch-recreatieve) aanbod onderscheidt van het nabijgelegen centrum van Delfzijl. Het (winkel)centrum van de stad is tamelijk langgerekt waarbij de meeste winkels aan de Dijkstraat te vinden zijn. Deze straat is de belangrijkste winkelstraat van de stad en is dan ook ingericht als verblijfsgebied. De historische panden aan deze betrekkelijk nauwe straat geven het winkelgebied een aantrekkelijke historische uitstraling. Verder is het centrum goed bereikbaar door de aanwezigheid van diverse, goed bereikbare (gratis) parkeerterreinen rondom de binnenstad. Ter versterking van de mogelijkheden voor de dagelijkse boodschappen is ten zuiden van het winkelgebied, op het Overdiepterrein, een supermarkt-cluster ontwikkeld.

Gestreefd wordt naar de ontwikkeling van drie sterke polen in het centrumgebied: Cleveringaplein, Ossedrift en het Overdiepterrein (zie onderstaand figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0008.jpg"

Centrumvisie detailhandelsstructuur (bron: Droogh Trommelen Broekhuis)

Een heldere begrenzing van het winkelgebied vormt daarmee de Dijkstraat en de drie polen (Ossedrift, Cleveringaplein en Overdiep). Hierbuiten dienen winkelontwikkelingen te worden afgeremd. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk ingezet op verplaatsing van winkelbedrijven naar het centrumgebied. Om de Dijkstraat ook in de toekomst te behouden tot hoofdwinkelstraat van Appingedam dient de branchering in deze straat uit een compleet aanbod te bestaan. Dit impliceert dat zowel voor boodschappenwinkels als overige winkels ruimte dient te bestaan. Hiervoor is het onder andere noodzakelijk dat bestaande winkels vergroot kunnen worden. Voorwaarde daarbij is wel dat het historische karakter (gevels) van de panden behouden blijft. Daarnaast is het voor de verlenging van de verblijfsduur gewenst om (dag)horeca in te passen in deze hoofdwinkelstraat.

Voor de beide winkelpolen (Ossedrift en het Cleveringaplein) is een ontwikkeling gewenst waarbij één of meer middelgrote winkelpanden (400 tot 800 m²) zich hier kunnen gaan vestigen om als trekkers te kunnen fungeren. Met name het Cleveringaplein is een unieke locatie voor vestiging van winkelondersteunende horeca met terrassen aan het water. Daarnaast is vooral aan dit plein een uitbreiding van de parkeergelegenheden nodig. Tot slot kan de branchering in de Solwerderstraat afgestemd worden op het winkelaanbod door het productaanbod in deze straat meer te richten op ambachtelijke bedrijvigheid, galeries en ateliers, dienstverlening en sociaal-culturele functies (cultuurtoerisme). Door een optimalisatie van de verbinding over het Damsterdiep tussen deze straat en de Dijkstraat vindt een betere uitwisseling van bezoekersstromen plaats en wordt de toeristisch-recreatieve status van de stad vergroot. Het winkelgebied Dijkstraat, Ossedrift en Cleveringaplein is in het bestemmingsplan ondergebracht in de bestemming 'Centrum', die onder meer detailhandel, wonen (ter plaatse van de Dijkstraat vanaf tweede bouwlaag) en andere centrumfuncties (zoals dienstverlening) bij recht toestaat. Met name voor de Dijkstraat is het van belang dat voor boodschappenwinkels en overige winkels (in de niet dagelijkse goederen) voldoende vestigingsmogelijkheden aanwezig zijn. Het Overdiepterrein kent een bestemming die meer specifiek op detailhandel, in combinatie met dienstverlening en wonen, is gericht. Bestaande detailhandel buiten het aangegeven centrumwinkelgebied is zodanig bestemd dat na vertrek/beëindiging van de detailhandelsactiviteiten de bestemming gewijzigd kan worden in een andere bestemming dan detailhandel. Op die manier wordt bewerkstelligd dat de detailhandelsfunctie zich mettertijd concentreert binnen het kernwinkelgebied. De gemeente wil het centrum van Appingedam vitaal houden door het voorkomen van leegstand. Mede vanuit de problematiek krimp is leegstand een actueel probleem in Noord-Nederland.

Volumineuze detailhandel

Langs de N33 en de Farmsumerweg is een woonplein met volumineuze detailhandel aanwezig en ook een McDonald's restaurant. Ten oosten van de N33 ligt een uitloop van de volumineuze detailhandelslocatie richting Delfzijl. Deze twee delen van het bedrijvengebied Farmsumerweg (het woonplein en het deel ten oosten van de N33) kunnen worden beschouwd als zichtlocatie. Deze locatie, gelegen buiten het centrum is bij uitstek geschikt voor volumineuze detailhandel.

Het beleid van de gemeente is er al jaren op gericht om dit ook zo te houden en de leefbaarheid van het centrum te behouden. De kern van dit beleid is dat de positie van het bestaande winkelcentrum centraal staat. Het is van belang om dit bestaande centrum aantrekkelijk te houden voor de bezoekersmotieven 'boodschappen doen' en 'recreatief winkelen'. Door het clusteren van winkels (en aanvullende horeca en culturele voorzieningen) wordt voor deze bezoekersmotieven een aantrekkelijk gebied in stand gehouden voor winkelen, horecabezoek en cultuurbezoek. Kenmerkend is immers de behoefte aan combinatiebezoek van meerdere voorzieningen of winkels. Vernieuwing of uitbreiding van detailhandel is daarmee alleen wenselijk binnen het bestaande winkelgebied. Hiermee wordt het goed functioneren van het winkelcentrum geborgd en structurele leegstand zoveel mogelijk voorkomen (zorgvuldig ruimtegebruik). Voor niet-frequente doelgerichte aankopen (bezoekersmotief 'doelgericht winkelen') is detailhandel buiten de bestaande winkelcentra mogelijk, indien deze moeilijk inpasbaar is in het bestaande centrum, vanwege de volumineuze aard, het brand of explosiegevaar en vanwege de verkeersontsluiting (dagelijkse bevoorrading, parkeerbehoefte bezoekers). Dit is ook de reden waarom voor deze volumineuze detailhandel buiten het centrum is gekozen voor branchering van detailhandel. Volumineuze detailhandel richt zich op specifieke productgroepen en branches, zoals auto's, boten, caravans, tuincentra, bouwmarkten, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en meubels. Het gaat dus niet alleen om de oppervlakte van de winkelunit, maar ook om het bezoekersmotief en de specifieke kenmerken van de producten.

Volumineuze detailhandel op Fivelpoort 

In het Chw bestemmingsplan is geen sprake van nieuwe concrete ontwikkelingen of vragen van potentiële klanten op het bedrijventerrein Fivelpoort. Daarom is de geldende regeling vrijwel ongewijzigd overgenomen. Zo is op het voorste deel van het terrein volumineuze detailhandel in de vorm van auto's, boten en caravans en grove bouwmaterialen toegestaan. Daarnaast is er een bemand brandstoffenpunt, met een wasstraat op het bedrijvenpark toegestaan bij de toegang van het bedrijventerrein.

5.11 Groen en water

In het Groenstructuurplan Appingedam-2000 en het Waterplan Appingedam is de uitgangssituatie aangaande groen en water beschreven. Samengevat zijn voor de bedrijvengebieden met name de groene randen belangrijk. Zo zijn/worden de kantoren in het zuidelijke deel van bedrijvengebied Fivelpoort in een groene setting gesitueerd. Ook is het groen in de centrale delen van zowel bedrijvengebied Woldweg als bedrijvengebied Farmsumerweg kenmerkend. Het kleinschalige openbare groen dat in de bedrijvengebieden aanwezig is, is vooral van betekenis voor het kwaliteitsbeeld van de bedrijvengebieden zelf.

Wat betreft het water zijn met name het Eemskanaal, de Groeve-Noord en het Nieuwe Damsterdiep van betekenis voor de bedrijvengebieden. De waterpartij aan de zuidzijde van Fivelpoort draagt bij aan een hoogwaardig beeld vanaf de N33. Daarnaast heeft de watergordel langs de zuidzijde van Fivelpoort een belangrijke functie voor het waterbeheer van het terrein. Het zorgt voor voldoende drooglegging en waterberging.

5.12 Horeca

Het gemeentelijk horecabeleid zet in op een verdere horecaontwikkeling in de Wijkstraat, als onderdeel van de inrichting van deze straat tot verblijfsgebied en dan met name de omgeving van de Oude Rechtbank/Nicolaikerk. Ook deze ontwikkeling creëert een kwalitatief betere relatie tussen het Overdiep en de historische binnenstad.

In z'n algemeenheid geldt dat voor wat betreft de horecavestigingen in de binnenstad een onderverdeling worden aangehouden bij de wijze van bestemmen. Daarbij wordt overeenkomstig het gestelde in de horecanota onderscheid gemaakt in hotels/restaurants/dagzaken, cafetaria's en avond-/nachthoreca. Voorts is het mogelijk om zwaardere vormen van horeca om te zetten naar lichtere vormen van horeca.

Nieuwvestiging van horeca kan plaatsvinden conform het horecavestigingsbeleid van de gemeente. Dit betekent dat binnen de op het onderstaand figuur aangegeven horecazone nieuwvestiging van dag- en avond-/nachthoreca conform de daartoe aangewezen gebieden onder voorwaarden is toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0009.jpg"

Horeca in de binnenstad

5.13 Maatschappelijke voorzieningen

De ontwikkelingen die in het onderwijs spelen, hebben betrekking op een verdergaande schaalvergroting en concentratie van onderwijsinstellingen. Goede voorbeelden hierin zijn de concentratie van de activiteiten van de brede school op één locatie en de realisatie van de schoolcampus Appingedam. Beide locaties zijn geregeld met aparte planologische procedures en zijn om die reden niet opgenomen in dit Chw bestemmingsplan.

Voor de scholenlocaties die vrijkomen als gevolg van de concentratie van onderwijsinstellingen is in paragraaf 5.3 benoemd dat deze veelal worden herontwikkeld tot woonlocaties of voor andere maatschappelijke voorzieningen.

Verder wordt ruimte geboden voor een nieuw multifunctioneel centrum ter plaatse van het ASWA-gebouw en het naastgelegen sportterrein. De overige maatschappelijke voorzieningen zijn voorzien van een conserverende regeling. Wel dient er een bepaalde mate van uitwisselbaarheid tussen de verschillende maatschappelijke functies aanwezig te zijn, waarmee kan worden ingespeeld op mogelijke ontwikkelingen in de planperiode.

Voor de sportieve en recreatieve voorzieningen wordt behoud en versterking van de aanwezige voorzieningen voorgestaan, waarmee de (toekomstige) recreatieve status van Appingedam zo goed mogelijk ondersteund wordt.

5.14 (Verblijfs)recreatie op en rond het Damsterdiep

In de nota (Verblijfs)recreatie op en rond het Damsterdiep van november 2009 zet de gemeente Appingedam in op de recreatief/toeristische ontwikkeling van de binnenstad van Appingedam, met als onderleggers historie, cultuur en gezellig winkelen. Twee van de belangrijks speerpunten hierbij zijn: (1) de beleving van het water in en rond het centrum versterken, en (2) de ontwikkeling van de jachthaven als passantenhaven. In het kader van het thema 'wonen' is gekozen voor het stimuleren van de ontwikkeling van een buitenplaatszone aan de westkant van Appingedam, met aandacht voor de recreatieve betekenis van de Damsterdiepzone richting Delfzijl en aanvulling van de ecologische verbinding Schildmeer - Noordelijk Wierdenlandschap.

De gemeente Appingedam heeft in het kader van de stimulering van het plattelandstoerisme binnen de bestemmingsplannen nadrukkelijk ruimte gecreëerd voor recreatief medegebruik en kleinschalige verblijfsrecreatie. De keuze is gemaakt om geen nieuwe grootschalige en/of intensieve vormen van recreatie zich te laten ontwikkelen. Een uitgangspunt dat aansluit bij de intenties om het Damsterdiep een 'parelketting' en de 'tuin van het Noorden' te laten zijn. De gemeente Appingedam stimuleert daarbij de ontwikkeling van kleinschalige verblijfsrecreatie ten behoeve van het plattelandstoerisme een en ander ter verbreding van en in aansluiting op het (verblijfs)recreatieve segment in de kern van Appingedam, zoals Bed & Breakfast-voorzieningen (B&B), een kleinschalige vorm van verblijfsrecreatie.

Conclusies en aanbevelingen uit het de nota zijn:

  • Het Damsterdiep is een bijzonder gebied dat kwaliteiten heeft die te vangen zijn in woorden als 'lommerrijk' en 'rustgevend'. Afgewogen keuzes zijn hier dus van belang.
  • In de ontwikkelde visies en beleidsplannen is ruimte voor nieuwe recreatieve en culturele ontwikkelingen op en rond het Damsterdiep, bijvoorbeeld bij (beoogde) recreatieve knooppunten. Deze zogenaamde 'stapstenen' zullen de ontdekking van het Damsterdiep-gebied bevorderen.
  • Voor stapstenen in of in de nabijheid van Appingedam kan gedacht worden aan landgoed Ekenstein, in de nabijheid van Museum Møhlmann en de passantenhaven.
  • Het verdient aanbeveling bij de ontwikkeling van deze stapstenen ook de ontwikkeling van Toeristische Informatie Punten (TIP) en/of Toeristische Overstap Punten (TOP) in overweging te nemen om zodoende de kleine watersporter en de wandelende of de fietsende recreant / toerist beter te kunnen bedienen.

5.15 Werken en bedrijvigheid

In het Chw bestemmingsplan is aangesloten bij de milieuzonering van de VNG, versie 2009.

Kantoren

Ter uitwerking van het beleid uit de regionale visie Markt en profiel van de bedrijventerreinen in de Eemsmondregio is in het stationsgebied voorzien in een verdere ontwikkeling van zakelijke dienstverlening: het bestemmingsplan reserveert ruimte voor enkele kantoren. Qua locatie en hoofdvorm sluiten deze aan bij de al bestaande vestigingen. Op bedrijvengebied Fivelpoort zijn de zogeheten 'parels' aan de zuidzijde van het terrein aangewezen voor de vestiging van kantoren.

Individueel gevestigde bedrijven

Voor individueel gevestigde bedrijven in het plangebied wordt onderscheid gemaakt tussen gemengde gebieden en rustige woonwijken.

Gemengde gebieden

Dit zijn gebieden waar, naast functies als het wonen, maatschappelijke functies of horeca, de bedrijvigheid zich van oudsher heeft ontwikkeld. In Appingedam gaat het met name om de gebieden rondom de verbindingswegen vanuit het centrum en rond de bedrijvengebieden.

De woonfunctie is in deze gebieden dus niet de enige functie, maar verschillende functies komen in onderlinge afwisseling voor. De milieukwaliteit van deze gebieden wordt daarom bepaald door omgevingsgeluid, verkeersbeeld, visuele aspecten, etc. Binnen deze gebieden is 'lichte' bedrijvigheid aanvaardbaar.

Rustige woonwijken

Anders dan voor de gemengde gebieden geldt voor 'rustige' woonwijken (zoals bijvoorbeeld Opwierde en Olingermeeden) als uitgangspunt dat het wonen de bepalende functie is en dat de bedrijfsfunctie hieraan ondergeschikt is. Dit impliceert dat bedrijvigheid geen belemmering voor de uitoefening en ontwikkeling van de woonfunctie mag vormen. De vestiging van bedrijven op nieuwe locaties binnen de bestaande woongebieden zal daarom, met uitzondering van beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis, in beginsel niet mogelijk worden gemaakt.

Niettemin is er binnen woongebieden op een enkele locatie bedrijvigheid gevestigd. Hiervoor geldt een vergelijkbaar zoneringsprincipe als voor de gebieden met een gemengd karakter, met dien verstande dat alleen bedrijven van de lichtste milieucategorie (categorie 1) in het algemeen kunnen worden toegelaten. Bij deze bedrijven dient op grond van de VNG-lijst een grootste richtafstand van 10 meter ten opzichte van gevoelige bebouwing (zoals woningen) in acht te worden genomen. Bestaande bedrijven die tot deze categorie behoren, hebben zodanig beperkte milieueffecten dat zij zonder meer in een woonomgeving kunnen worden bestemd.

Bedrijfstypen van de milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 30 meter dient te worden aangehouden, worden in een woonomgeving aanvaardbaar geacht als de richtafstand ook daadwerkelijk in acht kan worden genomen.

Bedrijfsverplaatsing en -beëindiging

De solitaire bedrijven, die qua milieubelasting afwijken van de algemene regeling voor het gebied en daardoor eerder thuishoren op een bedrijventerrein, hebben in dit bestemmingsplan een specifieke regeling.

Na (eventuele) beëindiging van het betreffende bedrijf mag alleen een bedrijf met een minder milieubelastende activiteit, dan wel een bedrijf met een soortgelijke bedrijfsvoering op de betreffende locatie gevestigd worden. Als het laatste niet het geval is, kan de specifieke regeling bij bedrijfsverplaatsing of -beëindiging van de betreffende bedrijfslocatie afgehaald worden. Hiervoor geldt wel het beleid dat dit pas wordt gedaan als de functie er minimaal een jaar niet meer is gevestigd.

De gemeente voert hierbij een beleid dat volgend is aan de maatschappelijke ontwikkelingen. Er zal geen actief verplaatsingsbeleid worden gevoerd.

Uitgangspunt voor solitaire bedrijven in de woongebieden is dat de bestaande bedrijven van de milieucategorie 1 zonder meer aanvaardbaar zijn en daarom positief zijn bestemd ('Bedrijf - 1').

Voor bedrijvigheid uit de categorie 2 geldt het “ja, mits-principe”: deze bedrijven kunnen op de aanwezige locaties worden toegelaten, maar alleen indien deze locatie voldoet aan de richtafstand van 30 meter. Is dit niet het geval, dan is het bedrijf specifiek bestemd en wordt alleen de ter plaatse gevestigde bedrijfsactiviteit mogelijk gemaakt ('Bedrijf - 2').

Voor bedrijven uit een hogere categorie (3 e.v.) wordt het “nee, tenzij-principe” gehanteerd. Alleen de specifieke bedrijfsvorm is via een aanduiding op de reguliere bedrijfsbestemmingen ('Bedrijf - 1 en Bedrijf - 2') bestemd. Hiermee wordt voorkomen dat na beëindiging/verplaatsing van het betreffende bedrijf een andersoortig bedrijf uit dezelfde categorie (met wellicht een grotere milieubelasting) zich in de woonomgeving kan gaan vestigen.

5.16 Verkeer en parkeren

Verkeersfuncties in Appingedam

In Appingedam kan op basis van de verkeersfunctie onderscheid gemaakt worden tussen verschillende typen wegen. De belangrijkste wegen in de externe ontsluiting zijn de N33, die de verbinding vormt tussen de Eemshaven en de A7/A28, en de N360 tussen Groningen en Delfzijl. In de interne ontsluiting vormen de Woldweg (N989), de Burgemeester Hooft van Iddekingesingel/Opwierderweg en de Farmsumerweg de belangrijkste wegen in de ontsluiting van de verschillende bedrijvengebieden en zo ook voor de woongebieden en het centrumgebied in Appingedam. Deze wegen zijn als gebiedsontsluitingswegen aangegeven met een maximumsnelheid van 50 km per uur met een ruim profiel. De overige wegen in het plangebied behoren tot een bedrijvengebied of woonwijk en zijn/worden als 30-km/uur-weg ingericht.

De Eendracht

Ter plaatse van het terrein van de voormalige kartonfabriek worden circa 200 nieuwe woningen gerealiseerd. Om de verkeerskundige gevolgen van deze ontwikkeling nader te onderzoeken is een memo opgesteld met een onderzoek naar deze gevolgen. Deze memo is opgenomen als bijlage 19. Hieruit is geconcludeerd dat het plangebied goed bereikbaar is voor zowel gemotoriseerd verkeer, fietsverkeer en per openbaar vervoer. De parkeerbehoefte moet worden voorzien binnen het plangebied. Het programma kan nog flexibel worden ingevuld, dit maakt het van belang om per fase de verkeersafwikkeling inzichtelijk te brengen. De verkeersafwikkeling zal per fase beoordeeld moeten worden. Het verkeer en parkeren staan, indien de verkeersafwikkeling per fase wordt gewaarborgd, de ontwikkeling van het Eendrachtterrein dan ook niet in de weg.

5.17 Wonen

Bestaande woongebieden

Uitgangspunt voor de woonbestemmingen is een regeling waarbij de ruimtelijke eigenheid van de verschillende woongebieden zoveel mogelijk aanwezig blijft. Voor het centrumgebied is een aparte op maat gesneden bestemming opgenomen vanwege de ligging in het beschermd stadsgezicht. Daarnaast zijn voor de ontwikkelingsgebieden juist ruimere bestemmingsregels opgenomen om een breed kader te bieden voor de herontwikkeling en invulling van het gebied.

Hoofdbebouwing woningen en woongebouwen

In dit plan is daarbij onderscheid gemaakt tussen woonhuizen in gestapelde vorm en de zogeheten grondgebonden woningen. Binnen deze laatste categorie zijn woningen onderverdeeld naar woningtype (rijen, half-vrijstaand of vrijstaand) en afmetingen (op basis van goot- en bouwhoogte). Wanneer het straat- en bebouwingsbeeld dit toelaat, kan binnen deze categorie de woonbebouwing naar een ander woningtype omgezet worden of kunnen andere afmetingen mogelijk worden gemaakt. Belangrijke toetsingskaders daarbij zijn de Stadsvisie, het Woonplan Appingedam en de welstandsregels die in dit plan zijn opgenomen of de aparte beeldkwaliteitplannen die voor bepaalde locaties van toepassing zijn.

In dit Chw bestemmingsplan hebben de woningen in de bestaande woonbuurten een op de aard en omvang afgestemde bestemming hebben gekregen; de aanwezige woningtypen zijn de basis voor de verschillende woningtypen. De gebieden die in aanmerking komen voor herontwikkeling hebben een bestemming gekregen die hier op afgestemd is. Woongebouwen hebben daarnaast een eigen bestemming gekregen. Voor de gestapelde bouw in Opwierde I is gekozen voor de bouwaanduiding 'gestapeld' binnen een meer globale woongebiedbestemming.

De mogelijkheden voor het (uit)bouwen van woonhuizen zijn per woningtype zoveel mogelijk gelijk getrokken. Daarmee wordt aan een groot deel van het woningbestand een zekere uitbreidingsruimte geboden. Bij vrijstaande woningen is in beginsel een bouwvlak gelegd met een diepte van 15 meter met als maximale oppervlaktemaat 150 m2. Indien deze 15 meter vanwege de (minimale) afstand van 5 meter tot de achterperceelsgrens niet mogelijk is, is het bouwvlak minder diep aangegeven. De (minimale) breedte is, met inachtneming van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, 10 meter.

Bij halfvrijstaande en rijenwoningen wordt een bouwvlak gelegd met een diepte van 12 meter, waarbij voor de rijenwoningen geldt dat het bouwvlak op 3 meter vanaf de achtergevel gelegd is, tot een maximum van 12 meter.

Bovenstaande is niet van toepassing op de gebieden die een 'Woongebied'-bestemming hebben. Deze bestemming biedt in het kader van de voorgenomen herontwikkeling meer flexibiliteit in de regeling. Er is hierbij geen bouwvlak opgenomen, zodat het gebied vrij ingericht kan worden. Ook onder meer groenvoorzieningen en wegen en paden kunnen binnen deze gebieden aangelegd worden.

Erfbebouwing

Bij erfbebouwing, oftewel de aan het hoofdgebouw in functionele en/of ruimtelijke ondergeschikte bebouwing, is onderscheid gemaakt tussen bijgebouwen, aan- en uitbouwen en overkappingen. Hieraan ligt zowel een ruimtelijk criterium ten grondslag (hoofdgebouwen zijn architectonisch bepalend, bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn daaraan ondergeschikt, alsook een functioneel criterium (aan- en uitbouwen zijn functioneel - dus qua gebruik - niet ondergeschikt aan het hoofdgebouw, bijgebouwen zijn dat wel). De mogelijkheden voor het realiseren van erfbebouwing is gerelateerd aan de grootte van het perceel. Wel geldt een maximum van 60 m2 aan erfbebouwing (waarvan een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of overkapping maximaal 35 m² groot mag zijn), mits dit niet meer dan maximaal 50% van het erf behelst. Bij kleinere percelen kan het dus voorkomen dat minder dan 60 m² aan erfbebouwing gebouwd mag worden.

Deze regeling is opgenomen om een goede verhouding tussen hoofdgebouw, bijgebouwen en erf te waarborgen.

Tuinen

Daar waar vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen erfbebouwing gewenst is, zijn de gronden bestemd als “Tuin”. In de meeste gevallen is dit aan de voorzijde, maar ook bij hoek- en zijerven kunnen bestaande rooi- en zichtlijnen en de eventuele aanwezigheid van bebouwing op zijerven de bestemming “Tuin” gewenst maken. Indien vanuit deze invalshoek het leggen van deze bestemming nodig is, wordt deze gelegd op maximaal 2 meter vanuit de perceelsgrens. Bij woningen die niet evenwijdig aan de weg gesitueerd zijn, is voor de ligging van de bestemming “Tuin” een op-maat-oplossing gekozen, rekening houdend met voldoende vrije ruimte naar de wegzijde. Overigens is voor de ontwikkelgebieden er voor gekozen om niet te werken met de bestemming 'Tuin' omdat de indeling nog niet definitief is.

Beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis

Binnen alle woonbestemmingen is een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis toegestaan.

Het gaat dan om kleinschalige activiteiten die in ruimtelijk-functioneel opzicht ondergeschikt zijn aan de woonfunctie en daardoor verantwoord zijn in woongebieden.

Hierbij kan zowel gedacht worden aan de klassieke "vrije" beroepen (arts, advocaat, notaris, e.d.) alsook de overige beroepsmatige (makelaar, accountant e.d.) en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten (kapper, schoonheidsspecialist).

Het Chw bestemmingsplan biedt binnen woonbestemmingen ruimte voor de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, onder afstemming op de recente beleidslijn in het plan Olingermeeden, met als criteria:

  • a. De activiteit mag niet meer dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel (bouwvlak én erf) bevatten, met een absoluut maximum van bijvoorbeeld 75 m².
  • b. De beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis mag geen uitzondering op de erfbebouwingsregeling (maximaal 60 m² aan gebouwen op het erf, mits maximaal 35 m² vrijstaand en mits niet meer dan 50% van dat erf wordt bebouwd) met zich meebrengen. Er worden voorwaarden gesteld waarmee gewaarborgd wordt dat de activiteiten qua uitstraling/vorm ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Dit zijn onder andere de volgende voorwaarden:
    • 1. detailhandel dient direct verband te houden met het aan-huis-verbonden beroep, waarbij de woonfunctie de overwegende functie moet blijven;
    • 2. de activiteit brengt geen verkeersaantrekkende werking met zich mee, terwijl parkeervoorzieningen op het erf aanwezig moeten zijn.

Hoofdstuk 6 Milieu- en omgevingsaspecten

Naast het feit dat een nieuwe bestemmingsregeling binnen het vigerende beleid tot stand moet komen, dient er ook rekening te worden gehouden met de aanwezige functies in en rond het gebied. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden, die voortvloeien uit de fysieke omgeving, beschreven. Achtereenvolgens komen aspecten als milieueffectrapportage, archeologie en cultuurhistorie, ecologie, water, geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, bodem, geur, bedrijven en milieuzonering, kabels en leidingen en duurzaamheid aan bod.

6.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling/Milieueffectrapportage

Beleid en Normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

  • Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
  • Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Onderzoek

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Binnen het plangebied zijn meerdere locaties aangewezen voor mogelijke ontwikkeling. De beoogde ontwikkelingen zijn veelal gericht op het herontwikkelen van bestaande maatschappelijke en bedrijfslocaties naar de functie wonen. Ook worden bestaande woongebieden herontwikkeld in het kader van de versterkingsopgave. Door de carrousel die aan woningbouwontwikkelingen die als gevolg van de versterkingsopgave gepland staat zal het aantal woningen tijdelijk kunnen toenemen. Echter, na realisatie van alle herontwikkelingsplannen zal worden voldaan aan het maximum aantal woningen dat in het woningbouwprogramma staat omschreven. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.

Bij het ontwerp Chw bestemmingsplan is een vormvrije mer-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen als bijlage 9. Het college heeft op basis van deze notitie besloten dat geen m.e.r. procedure hoeft te worden doorlopen.

6.2 Archeologie en cultuurhistorie

6.2.1 Archeologie

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De Wamz verplicht gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, zal het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een vergunningstelsel.

De gemeenten in de regio Noord-Groningen hebben in een Nota Archeologiebeleid een uitwerking gegeven aan hun archeologiebeleid.

Zo geven de gemeenten aan:

  • hun beleid te willen laten aansluiten op de nieuwe wetgeving over de archeologische monumentenzorg;
  • archeologische waarden zoveel mogelijk 'in situ' te laten behouden;
  • cultuurhistorie (archeologie) vroegtijdig in te brengen van in de totstandkoming van ruimtelijke plannen;
  • aandacht te hebben voor interactie tussen ruimtelijke ordening en het bodemarchief.

De archeologische waarden in het plangebied zijn vertaald in de Archeologische verwachtingskaart en beleidsadvieskaart gemeente Appingedam (zie bijlage 10) en bekende archeologische vindplaatsen en verwachte archeologische waarden.

Voor een aantal gebieden is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Voor de rijksbeschermde AMK-terreinen (Waarde - Archeologie 1) is het Rijk bevoegd gezag. Voor elke bodemingreep dient via de gemeente een vergunning aangevraagd te worden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Aan de overige gebieden is een archeologische dubbelbestemming gekoppeld die is opgenomen in de bestemmingsplanregeling (Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 4). Met het Chw bestemmingsplan wordt ingespeeld op een aantal ontwikkelingen die nog plaats moeten vinden. Omdat voor veel van deze ontwikkelingen nog niet precies bekend is waar de gronden geroerd worden en wat de omvang van de geroerde gronden zal zijn. Daarom is ook nog onbekend of en waar archeologisch onderzoek uitgevoerd zal moeten worden. Om die reden is ervoor gekozen de archeologische dubbelbestemmingen uit het geldende plan over te nemen. Wanneer bij de planvorming blijkt dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, zal dat te zijner tijd worden uitgevoerd.

In opdracht van de gemeente Appingedam is door Libau op 11 september 2012 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie Stadstuin De Eendracht (zie bijlage 11). Conclusie van dit onderzoek is dat het gehele plangebied voor de 'Stadstuin De Eendracht' archeologisch wordt vrijgegeven. Mochten tijdens de bodemingrepen onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt krachtens de Erfgoedwet een meldingsplicht. Vondsten dienen in dat geval zo spoedig mogelijk te worden gemeld bij de gemeente Appingedam en bij Libau.

6.2.2 Cultuurhistorie

Met de wijziging van het Bro per 1 januari 2012 dienen gemeenten nadrukkelijk aandacht te besteden aan het aspect cultuurhistorie. Het bestemmingsplan dient een beschrijving te geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Deze eis geldt ook voor een Chw bestemmingsplan.

Naast een groot aantal Rijksmonumenten kent Appingedam een aantal gemeentelijke monumenten. Uiteraard is het merendeel van deze monumenten gelegen in de historische binnenstad. De Rijksmonumenten worden beschermd op grond van de Monumentenwet. Hiermee worden deze monumenten afdoende beschermd en hoeft in het bestemmingsplan geen aanvullende beschermende regeling te worden opgenomen.

Het beschermd stadsgezicht van de binnenstad van Appingedam is in de regels en verbeelding van het bestemmingsplan meegenomen. Het aanwijzingsbesluit is opgenomen in bijlage 12. De toelichting op dit aanwijzingsbesluit is opgenomen in bijlage 13. Daarnaast is op aanwijzing van de provinciale verordening inventarisatie gemaakt van karakteristieke panden en gebieden die buiten het beschermd stadsgezicht vallen. Deze panden en gebieden zijn voorzien van een beschermende regeling in dit plan. De kaart en lijst van karakteristieke panden en gebieden zijn opgenomen als bijlage 14. Door de beschermende regelingen voor de verschillende cultuurhistorisch waardevolle gebieden en gebouwen is voldoende rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden in het plangebied en is geen nader onderzoek noodzakelijk. Zie voor dit onderwerp ook paragraaf 5.7.

6.3 Ecologie

Wet natuurbescherming

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

• Natura 2000-gebieden;

• Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura 2000-gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

• soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;

• soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;

• overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Groningen

In de provincie Groningen wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In verband met de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkering, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer, de uitvoering van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw of bestendig gebruik worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage II bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderbouwing

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Binnen het plangebied zijn vier gebieden opgenomen die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn.

Het plangebied ligt buiten beschermde Natura 2000-gebieden. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Waddenzee bedraagt 3,3 km (zie figuur 6.1). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000-gebied Waddenzee is niet gevoelig voor stikstofdepositie. Significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied kunnen derhalve worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0010.png"

Figuur 6.1 Uitsnede Natura 2000-gebieden

Binnen de ontwikkellocatie Oling 5 is een NNN gebied gelegen (figuur 6.2). Op het westelijk deel buiten het NNN gebied worden in de toekomst maximaal 35 woningen gerealiseerd. Het oostelijk deel waaronder het NNN gebied, is gereserveerd voor natuurcompensatie middels de bestemming 'Groen'. Alvorens deze plannen worden gerealiseerd zal de effecten van de woningbouwlocatie op het huidige NNN-gebied moeten worden onderzocht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0011.png"

Figuur 6.2 Uitsnede NNN gebieden, provincie Groningen

Stikstofdepositie

Om uit te zoeken of, als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied, er sprake is van significante stikstofdepositie waarbij de drempelwaarde van 0,00 mol N/ha/jr, is een stikstofonderzoek uitgevoerd (bijlage 15). Met behulp van de AERIUS-calculator zijn zowel de aanlegfase als de gebruiksfase berekend van de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met dit plan.

Uit de berekeningen blijkt dat in de aanlegfase blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan de drempelwaarde van 0,00 mol N/ha/jr. Hierbij is er vanuit gegaan dat de ontwikkelingen gefaseerd worden uitgevoerd.

Uit de berekeningen blijkt daarnaast dat in de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan de drempelwaarde van 0,00 mol N/ha/jr.

Voor projecten waarbij sprake is van rekenresultaten die onder de drempelwaarde liggen geldt een vrijstelling tot vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het wordt uitgesloten dat de ontwikkelingen binnen dit plan een significant negatief effect hebben op de doelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden in de omgeving. De ontwikkelingen binnen het Chw bestemmingsplan worden daarmee uitvoerbaar geacht binnen de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie.

Soortenbescherming

Voor alle (her)ontwikkellocaties geldt dat er voldaan moet worden aan de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Groningen. Bij sloopwerkzaamheden en het verwijderen van groen kunnen effecten op mogelijke beschermde soorten niet worden uitgesloten. Alvorens de plannen worden uitgevoerd dient een quickscan Flora en Fauna te worden uitgevoerd om de effecten op mogelijk aanwezige beschermde soorten te kunnen bepalen. Hieruit zal blijken of een ontheffing of mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Indien algemene soorten aanwezig zijn waarvoor de provincie Groningen vrijstelling heeft verleend dient alsnog rekening gehouden te worden met de Wet natuurbescherming. Het is daarom van belang om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

Op de locatie De Eendracht is inmiddels al wel een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Binnen deze locatie zijn er potentiële nest- of verblijfplaatsen voor verschillende beschermde aangetroffen:

  • loods 23 beschikt over geschikte nestplaatsen voor huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd;
  • omdat er onvoldoende alternatieve nestgelegenheden zijn voor de huiszwaluwen zijn de nesten van deze soort in dit geval ook jaarrond beschermd. Een zeventig tal nesten zijn aangetroffen onder de dakrand van de voormalige fabriek. Daarnaast zijn meerdere nestkasten voor de huiszwaluw aangetroffen aan de buitenzijde van loods 21;
  • alle gebouwen binnen de onderzoekslocatie kunnen dienen als verblijfplaats voor de steenmarter. Tevens kan de onderzoekslocatie deel uit maken van het foerageergebied van de steenmarter;
  • in de gebouwen: loods 12b, loods 23, de voormalige fabriek en het voormalige kantoor van De Eendracht kunnen zich verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden. Tevens kan de onderzoekslocatie en de directe omgeving deel uitmaken van het foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen;
  • de overige te verwachten diersoorten zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten waarvoor in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik en onderhoud aan infrastructuur of ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt. Dit houdt in dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing noodzakelijk is voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden Daarnaast worden populaties van bovengenoemde soorten niet in gevaar gebracht. Het zal voornamelijk gaan om verstoring van individuen;
  • binnen de gehele onderzoekslocatie kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. alle in gebruik zijnde vogelnesten zijn beschermd. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden.

Het blijkt hieruit dat nader onderzoek nodig is ten aanzien van verschillende gebouwen en beschermde soorten. Deze nadere onderzoeken zullen voorafgaand aan de herontwikkeling worden uitgevoerd. Op basis hiervan zal worden bepaald of nadere maatregelen genomen dienen te worden.

6.4 Water

Toetsingskader

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Noorderzijlvest, waterschap Hunze en Aa's en Rijkswaterstaat, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit Chw-bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europees:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

Het beleid van waterschap Noorderzijlvest is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2016- 2021 en in de Notitie Water en Ruimte 2013. Voor waterschap Hunze en Aa's is de Notitie Stedelijk Waterbeheer opgesteld. In deze notities is beschreven hoe de waterschappen haar taken en verantwoordelijkheden in het stedelijk gebied wil invullen. In deze notities staan de normen en richtlijnen die door het waterschap worden gehanteerd in het stedelijk gebied.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit stedelijk gebied. Het deel ten noorden van het Eemskanaal ligt in het beheergebied van waterschap Noorderzijlvest. Het gebied ten zuiden van het Eemskanaal ligt in het beheergebied van waterschap Hunze & Aa's. Het Eemskanaal is in de Legger Rijkswaterstaatswerken van Rijkswaterstaat (zie figuur 6.3) opgenomen als Rijksvaarweg en valt onder het beheer van district Noord Nederland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0012.png"

Figuur 6.3 Uitsnede Legger Rijkswaterstaat

Bodem en grondwater

Uit de Bodemkaart Nederland blijkt dat de bodem binnen het plangebied voor een groot deel is gekarteerd als bebouwd gebied. De gebieden eromheen bestaan uit zware klei op veen, lichte klei met zware tussenlaag of ondergrond, lichte klei met homogeen profiel en veen. Binnen het plangebied varieert de grondwaterstand. De in het plangebied voorkomende grondwatertrappen de bijbehorende grondwaterstand is in het onderstaande figuur weergegeven. De maaiveldhoogte in het plangebied ligt gemiddeld rond de 0,25 m +NAP.

Vanwege de ondiepe storende lagen in de bodem kan het hemelwater moeilijk in de bodem infiltreren. Hierdoor kan er wateroverlast ontstaan bij hevige neerslag. Deze locaties zijn zonder aanvullende maatregelen ongeschikt voor bijvoorbeeld woningbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0013.png"

Figuur 6.4 Uitsnede Bodemkaart Nederland incl. Grondwatertrappen

Waterkwantiteit

Op de legger van beide waterschappen zijn hoofdwatergangen aangeduid met een blauwe lijn. Hoofdwatergangen zijn primaire watergangen en hebben een belangrijke functie voor de aan- en afvoer van oppervlaktewater binnen het gebied. Deze zijn essentieel voor het goed functioneren van het watersysteem. Tevens hebben de hoofdwatergangen een waterbergende functie. Alle watergangen, inclusief de daarin gelegen kunstwerken (waaronder bruggen, duikers, stuwen, gemalen) worden beschermd door middel van de Keuren van het waterschap. Voor het verrichten van handelingen binnen de kern- en beschermingszone is een watervergunning nodig. De kernzone betreft de watergang tussen de beide boveninsteken, de beschermingszone reikt tot 5 meter buiten de beide boveninsteken.

Het Eemskanaal betreft een belangrijke vaarroute tussen het IJsselmeer en de Eems. Het beheer en onderhoud wordt uitgevoerd door Rijkswaterstaat. Voor activiteiten binnen de grens waterstaatkundig beheer en de Rijksvaarweg geldt een vergunningplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0014.png"

Figuur 6.5 Uitsnede legger water waterschap Noorderzijlvest

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0015.png"

Figuur 6.6 Legger wateren waterschap Hunze en Aa's

Waterkwaliteit

Het Damsterdiep - Nieuwe diep is opgenomen als KRW waterlichaam type M3 kunstmatig. Het eindoordeel van de chemische kwaliteit is slecht. Voor de ecologische kwaliteit is dit eindoordeel ontoereikend. Het Eemskanaal is in de factsheets van Hunze en Aa's opgenomen als KRW waterlichaam type M7b kunstmatig. Het eindoordeel van de chemische kwaliteit is slecht en voor de ecologische kwaliteit is het eindoordeel matig. Binnen het plangebied zijn voor beide waterlichamen geen maatregelen voorgesteld om de waterkwaliteit te verbeteren. De overige watergangen maken geen onderdeel uit van een KRW waterlichaam. Hiervoor zijn geen specifieke doelen opgenomen ter verbetering van de waterkwaliteit. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

Binnen het plangebied, in zowel het beheergebied van Noorderzijlvest als Hunze en Aa's zijn regionale keringen gelegen (zie figuur 6.7). Voor deze keringen is naast een kernzone van 4 meter een beschermingszone van 4 en 5 meter van toepassing. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient hier nadrukkelijk rekening mee gehouden te worden. Deze zones worden opgenomen (met een functieaanduiding) op de verbeelding en in de regels. Voor het uitvoeren van werkzaamheden binnen de kern- en beschermingszone is een watervergunning nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0016.png"

Figuur 6.7 Legger Waterkeringen Noorderzijlvest

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0017.png"

Figuur 6.8 Legger Waterkeringen waterschap Hunze en Aa's

Afvalwaterketen en riolering

Het 'huishoudelijk' afvalwater wordt via een gemeentelijk stelsel bij het waterschap aangeboden voor zuivering. Binnen het plangebied zijn persleidingen en een rioolgemaal 'Appingedam' aanwezig die het afvalwater transporteren naar de RWZI Delfzijl. De persleiding is met een zone van 5 meter rondom de leiding opgenomen op de verbeelding. Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0018.png"

Figuur 6.9 Uitsnede Waterzuivering Noorderzijlvest

Klimaatadaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwde gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Bij de inrichting van het plangebied kan hier op geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Hiervoor is het ook belangrijk te kijken naar maatregelen zoals, waterdoorlatende verharding, infiltratievoorziening, ondergrondse buffers, groene daken, etc. door deze of vergelijkbare maatregelen toe te passen heb je de voordelen van verharde oppervlaktes maar draagt bij aan het klimaatbestendig maken van onze leefomgeving.

Toekomstige situatie

Algemeen

Het Chw- bestemmingsplan is voor een groot deel consoliderend van aard. Op een aantal locaties wordt een herontwikkeling van huidige bebouwing mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling leiden niet direct tot negatieve gevolgen voor het watersysteem. Binnen deze gebieden zijn geen water en of waterstaatkundige werken aanwezig waarop een bescherming van toepassing is. Wel dient bij de uitvoering van de ontwikkelingen aandacht te worden besteed aan het afkoppelen van hemelwater en het treffen van maatregelen om het hemelwater zo lang mogelijk in het gebied te houden zonder dat daardoor wateroverlast ontstaat.

Oling 5

Voor het gebied Oling 5 wordt op termijn een woningbouwopgave van maximaal 35 woningen mogelijk gemaakt. Het terrein heeft een oppervlakte van circa 6 hectare. In de huidige situatie bestaat het terrein uit grasland en een NNN- gebied. Omdat de definitieve inrichting van het gebied nog niet bekend is, wordt een beschrijving gegeven van de belangrijke waterhuishoudkundige aspecten waarbij in de verdere planuitwerking rekening dient te worden gehouden.

Het gebied wordt aan de noord en oostzijde begrensd door de hoofdwatergangen Damster Rechtertocht en Groeve Noord. Op deze hoofdwatergangen is een beschermingszone van 5 meter vanaf de insteek van toepassing. Aan de west en zuidzijde wordt het gebied begrensd door een regionale kering. Hierop is een beschermingszone van 4 meter van toepassing. Voor werkzaamheden binnen deze zones geldt een vergunningplicht. Het oostelijk deel van het gebied wordt gereserveerd voor natuurcompensatie. Op deze grens is een persleiding gelegen. Met de realisatie van maximaal 35 woningen en de benodigde infrastructuur, neemt het verhard oppervlak met meer dan 750 m2 toe. Bij een toename van verhard oppervlak dient beoordeeld te worden of het hemelwater dat hierop valt versneld tot afvoer komt. Vindt er versnelde afvoer van hemelwater plaats dan dient op grond van de uitgangspunten van de Notitie Water en Ruimte van Noorderzijlvest 10% van de toename gecompenseerd te worden door het graven van open water.

De Eendracht

Het voornemen is om op de Eendracht een nieuwe hoogwaardige woonwijk te ontwikkelen, bestaande uit circa 200 woningen met daarnaast ruimte voor werken, recreatie en toerisme. Het gebied heeft een oppervlakte van circa 24 hectare waarvan voor het zuidelijk deel de bestemming groen is opgenomen. Voor dit gebied is een globale inrichtingsschets gemaakt. Voor de uitwerking van deze schets is het noodzakelijk een watervergunning aan te vragen voor werkzaamheden in en nabij beschermingszones van hoofdwatergangen en een regionale kering. In het noorden van het gebied is een rioolgemaal aanwezig dat het afvalwater via een persleiding afvoert richting de RWZI Delfzijl. Bij de verdere uitwerking van het gebied, dient hiermee rekening te worden gehouden. De ontwikkeling zal leiden tot een toename in het verhard oppervlak met meer dan 750 m2. Bij een toename van verhard oppervlak dient beoordeeld te worden of het hemelwater dat hierop valt versneld tot afvoer komt. Vindt er versnelde afvoer van hemelwater plaats dan dient op grond van de uitgangspunten van de Notitie Water en Ruimte van Noorderzijlvest 10% van de toename gecompenseerd te worden door het graven van open water. Het noordelijk deel van het gebied tot de regionale kering en de Woldweg watert af op de Groeve Noord. Dit betekend dat tot de regionale kering en de Woldweg watercompensatie kan plaatsvinden door het realiseren van open water dat aansluit op de Groeve Noord.

Omdat in de huidige situatie het grootste gedeelte van het gebied al afwatert op de hoofdwatergang Groeve Noord en het zuidelijk deel is bestemd met de bestemming 'Groen', is het voor dit gebied niet noodzakelijk om een exacte berekening op basis van regenduurlijnen uit te voeren. Vooralsnog wordt volstaan met een compensatie van minimaal 10% van de toename van het verhardoppervlak.

Water en Waterstaat in het bestemmingsplan

In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' gekregen.

Conclusie

Indien wordt voldaan aan de voorwaarden die de Keur stelt, heeft de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

6.5 Geluid

6.5.1 Industrielawaai

Toetsingskader

Geluidzone industrielawaai

Een geluidzone wordt vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die 'in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken' zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Dergelijke bedrijven worden in de volksmond ook wel 'grote lawaaimakers' genoemd. In dat kader is in het verleden voor onder andere industrieterrein Woldweg en Farmsumerweg een geluidzone vastgesteld. Op grond van de wet behoort tot de geluidzone het gebied tussen het industrieterrein zelf en de buitengrens van de zone. Het industrieterrein zelf maakt dus geen deel uit van de zone. Buiten een geluidzone mag de geluidsbelasting als gevolg van het betreffende industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Voor het gezoneerde industrieterrein zelf en daarop aanwezige of geprojecteerde woningen gelden geen geluidnormen.

Aanpassing geluidzone industrielawaai

Op grond van de Wet geluidhinder kan een geluidzone alleen worden aangepast door de vaststelling van een bestemmingsplan waarin de gewijzigde zone is opgenomen. Als gevolg van de zonewijziging mag geen gebied waar de geluidsbelasting meer dan 50 dB(A) bedraagt buiten de zone komen te liggen. Tevens moeten daarbij de geldende grenswaarden bij woningen (en andere geluidsgevoelige bestemmingen) in acht worden genomen.

Grenswaarden voor nieuwe gevoelige functies

Binnen de geluidzone zijn woonbestemmingen en andere geluidsgevoelige bestemmingen slechts aanvaardbaar indien de geluidsbelasting aan de gevel aan de wettelijke grenswaarden voldoet. Voor nieuwe geluidsgevoelige functies, zoals woningen, geldt een wettelijke voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Voor nieuwe woningen die binnen de geluidzone liggen, is in het algemeen de vaststelling van een hogere waarde tot 55 dB(A) mogelijk. Op grond van de momenteel vigerende Wet geluidhinder kan het bevoegd gezag de betreffende hogere grenswaarden vaststellen indien blijkt dat maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ondervinden van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard.

Onderzoek en conclusie

De geluidzone Woldweg is na de opheffing van de inrichting De Eendracht aangepast. De zone is verkleind tot over het zuidelijk deel van het ontwikkelgebied de eendracht. Binnen deze zone worden geen geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt door de bestemming 'Groen' op te nemen. Er wordt voldaan aan de Wet geluidhinder.

6.5.2 Verkeerslawaai

In de Wet geluidhinder wordt de omvang van de wettelijke zones langs verkeerswegen aangegeven. Op grond van de Wet geluidhinder hebben alle wegen een geluidszone, tenzij er sprake is van een woonerf, een 30-km/uur-gebied of een gemeentelijke geluidsniveaukaart waaruit blijkt dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook 48 dB of minder bedraagt. De 48 dB is de voorkeursgrenswaarde voor het wegverkeerslawaai. Voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die in een zone geprojecteerd worden, bepaalt de wet dat akoestisch onderzoek verplicht is. De geluidbelasting van het verkeer op de buitengevels van geluidsgevoelige bestemmingen mag de in de wet genoemde normen niet overschrijden.

Bestaande situaties

Met de consequenties van het wegverkeerslawaai voor geluidsgevoelige functies is, voor zover noodzakelijk, rekening gehouden. Van de wegen in het buitengebied is op de plankaart een dwarsprofiel opgenomen. Van het dwarsprofiel mag slechts via een omgevingsvergunning worden afgeweken, mits er geen wezenlijke verandering in de geluidssituatie optreedt en de verkeersveiligheid niet onevenredig zal worden aangetast. De bestaande geluidsgevoelige bebouwing langs de zoneplichtige wegen mag niet dichter naar de weg toe worden gebouwd

Herontwikkelingsgebieden

Binnen de herontwikkelingsgebieden die zijn opgenomen in dit Chw bestemmingsplan worden de gronden opnieuw ingericht. Dit kan ervoor zorgen dat woningen dichter op geluidzoneringsplichtige wegen en/of spoorwegen komen te liggen. Daarom is een akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai uitgevoerd, om per ontwikkelgebied te bepalen of, en zo ja waar, hogere waarden nodig zijn. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 18.

Uit de berekeningsresultaten blijkt dat niet overal aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB kan worden voldaan, maar dat voor wat betreft de huidige binnenstedelijke maximale ontheffingswaarde van Lden = 63 dB er geen knelpunten zijn te verwachten. Het gebied binnen de zone van de N33 wordt gezien als buitenstedelijk met een maximale grenswaarde van Lden 53 dB. Uit het onderzoek blijkt dat hieraan wordt voldaan.

Voor de gebieden waar niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde wordt middels dit Chw bestemmingsplan een hogere waarden procedure gevolgd. In onderstaand figuur zijn de gebieden aangeduid waar hogere waarden verleend worden middels deze procedure. In de regels en op de verbeelding zijn deze gebieden ook opgenomen, als zijnde gebieden waar hogere waarden zijn verleend. Door het vaststellen van hogere waarden is geen nader onderzoek noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0019.jpg"

Figuur 6.10 Hogere waarden gebieden

Conclusie

Er is geen nader onderzoek naar het aspect geluid noodzakelijk. De hogere grenswaarden zijn met dit Chw bestemmingsplan door de raad vastgesteld.

6.5.3 Spoorweglawaai

Ten noorden van het woongebied loopt de spoorlijn Groningen-Delfzijl. Ook spoorwegen hebben wettelijke zones waarbinnen grenswaarden gelden voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen. Deze zijn vastgelegd in het besluit geluidhinder spoorwegen, waaronder de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In het kader van de actualisering van het gemeentelijk geluidbeleid is ook het spoorweggeluid van dit tracé onderzocht.

Ten behoeve van het in beeld brengen van mogelijke saneringssituaties als gevolg van het railverkeer is een akoestisch onderzoek verricht (eindmelding sanering railverkeerslawaai Appingedam, DGMR Industrie, Verkeer en Milieu BV, 2007). Het onderzoek stelt het volgende vast:

  • reeds uit een eerdere melding aan het Ministerie van VROM was gebleken dat er ten gevolge van het railverkeer geen sprake was van saneringswoningen;
  • ook uit de hier aan de orde zijnde eindmelding zijn geen saneringswoningen langs de spoorweg naar voren gekomen. Ook is er geen geluidsgevoelig buitenterrein of ander geluidsgevoelige bestemming bepaald waar een saneringssituatie in de zin van de Wet Geluidhinder aan de orde is. Woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen staan daarvoor op voldoende afstand van het traject van de spoorbaan.
6.5.4 Vliegverkeer

Op circa 1,5 kilometer buiten de bebouwde kom ligt aan de Garrelweersterweg 16 een modelvliegtuigterrein van Aeroclub Fivelingo. Ook bij dergelijke vliegterreinen dient rekening te worden gehouden met eventuele geluidsbelasting. Gezien echter het gebruik van het terrein voor modelvliegtuigen en de tijdstippen waarop dit gebeurt in relatie tot de grote afstand (1,5 km) tot aan de bebouwde kom, zijn er geen beperkingen voor de juridisch-planologische mogelijkheden voor de geluidsgevoelige functies.

6.6 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. 

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.  In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Onderbouwing

Op de risicokaart staan de risico's (en aandachtspunten) met betrekking tot externe veiligheid weergegeven. Onderstaand is gekeken naar de soort inrichting (wel of geen Bevi-inrichting) en de bijzonderheden op de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0020.png"

Figuur 6.11 Risicokaart provincie Groningen

Uit de professionele risicokaart blijkt dat ten noordoosten van het plangebied een risicobron is gelegen. Het gaat hierbij om gasdrukregel-meetstation N-279 aan de Energieweg 8. De inrichting heeft een invloedsgebied van 15 meter en is op een dusdanige afstand van de te ontwikkelen locaties gelegen, 240 meter of meer, dat deze niet van invloed is op de externe veiligheidssituatie.

Ten oosten van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg N33: afrit N360 (Appingedam) - afrit N362 (bij Opwierde). Op dit traject vindt vervoer plaats van de stofcategorie LF1, LF2, LT1, LT2 en GF3. Het invloedsgebied bedraagt 355 meter, de stofcategorie GF3 is hier maatgevend. De weg heeft een 10-6 contour van 25 meter. Binnen het 10-6 contour zijn geen kwetsbare objecten gelegen en worden met dit bestemmingsplan ook niet toegestaan. Er worden eveneens geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt binnen het invloedsgebied die van invloed zijn op de externe veiligheidssituatie. Het dichtstbijzijnde ontwikkelgebied betreft de herontwikkeling van een sportterrein in het oosten van Appingedam. De herontwikkeling van het sportterrein op circa 95 meter van de weg bestaat uit het realiseren van een bijgebouw. Een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk.

Ten oosten van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg N360. Op dit traject vindt vervoer plaats van de stofcategorie LT2 en GF3. Het invloedsgebied bedraagt 880 meter, de stofcategorie LT2 is hier maatgevend. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt binnen het invloedsgebied die van invloed zijn op de externe veiligheidssituatie. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Ten noorden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats per spoor, Delfzijl-Groningen. Op dit traject vindt vervoer plaats van de stofcategorie A, B2, B3, C3 en D3. Het invloedsgebied bedraagt 4.000 meter. Het gehele plangebied valt binnen het invloedsgebied. Voor ontwikkelingen binnen het invloedgebied geldt een verantwoordingsplicht. Er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt binnen een zone van 200 meter van het spoor. Een groepsrisicoberekening is voor dit plan niet noodzakelijk.

Ten zuiden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over water, door het Eemskanaal. Op dit traject vindt vervoer plaats van de stofcategorie LF1, LF2 en GT3. Het invloedsgebied bedraagt 560 meter, de stofcategorie GT3 is hier maatgevend. Het zuidelijk deel van de locatie de eendracht is gelegen op en afstand van 400 meter en dus binnen het invloedsgebied van de vaarweg. Voor ontwikkelingen binnen het invloedgebied geldt een verantwoordingsplicht.

Ten noorden en oosten van het plangebied is een aardgasleiding N-509-40 gelegen. De leiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. De aardgasleiding (12,76 inch; 40 bar) heeft een invloedsgebied van 140 meter. Op een afstand van 95 meter van de voorgenoemde leiding wordt een bijgebouw mogelijk gemaakt op het sportterrein. Deze ontwikkeling heeft geen invloed op de externe veiligheidssituatie ter plaatse.

Belemmeringenstrook

Voor hoofdgastransportleidingen (leidingnummers beginnend met A en een hogere maximale werkdruk van 40 bar) moet een belemmeringstrook van 5 meter ter weerszijden van de hartlijn van de leiding in acht worden genomen, voor de regionale leidingen (vanaf een werkdruk van 16 bar tot en met een maximale werkdruk van 40 bar) 4 meter. Doel van deze strook is het waarborgen van een veilig en bedrijfszeker gastransport en ter beperking van gevaar voor personen en goederen in de directe omgeving van de leiding. De belemmeringstroken zijn bestemd als 'Leiding - Gas'.

Conclusie

Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van het spoor en het Eemskanaal dient op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes het groepsrisico te worden verantwoord. In de verantwoording wordt ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid. Voor het opstellen van de verantwoording is uitgegaan van de reactie van de Veiligheidsregio Groningen.

Beknopte verantwoording groepsrisico

Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico en de afweging van mogelijke maatregelen onderkennen de veiligheidsregio's ontwerpprincipes waarop ingegaan dient te worden bij de verantwoording van het groepsrisico.

Bestrijdbaarheid

Bij bestrijdbaarheid gaat het om de mogelijkheden tot voorbereiding van de bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit. Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hun hulpverlenende taken. Om de bestrijdbaarheid te kunnen verantwoorden wordt gekeken naar:

  • bereikbaarheid van het plangebied en de risicobronnen;
  • bluswatervoorzieningen binnen het plangebied en nabij de risicobronnen.

Bereikbaarheid

Het plangebied is als geheel voor de hulpdiensten voldoende snel in voldoende mate tweezijdig bereikbaar. Daarmee is het plangebied en de risicobron bovenwinds bereikbaar. De risicobronnen N33 en N360 zijn via twee aanrijroutes goed te bereiken. Het spoor Groningen-Delfzijl is ter plaatse van Appingedam ook relatief goed bereikbaar voor de hulpdiensten, evenals het Eemskanaal. Ter plaatse van de ontwikkelgebieden wordt in de wegenstructuur rekening gehouden met een goede bereikbaarheid van de woningen. Alleen in het oude centrum van Appingedam is de bereikbaarheid niet optimaal. Het gaat hierbij om zogenaamde 'oude binnenstedelijke problematiek'. Hier zal met dit plan geen verandering in komen, maar ook niet verslechteren. Tot slot ligt een hogedrukaardgasleiding grotendeels in onbebouwd en onverhard gebied, waardoor deze minder goed bereikbaar is voor hulpdiensten.

Bluswatervoorzieningen

In het grootste deel van het plangebied zijn voldoende primaire bluswatervoorzieningen aanwezig. In het oude centrum van Appingedam zijn de bluswatervoorzieningen niet overal optimaal. In en nabij het plangebied bevinden zich verder secundaire bluswatervoorzieningen in de vorm van open water (Damsterdiep en Eemskanaal). Deze kunnen worden gebruikt voor het bestrijden van grote incidenten in het plangebied. Ter plaatse van locatie De Eendracht zijn in de huidige situatie nog geen primaire bluswatervoorzieningen aanwezig. Deze zullen worden aangelegd met de ontwikkeling van het gebied. In de nabijheid van de N360 en het spoor bevindt zich een aantal ondergrondse brandkranen. Ter hoogte van het Eemskanaal is onbeperkt open water beschikbaar. Daarmee zijn deze transportroutes voldoende voorzien van bluswatervoorzieningen.

In de directe omgeving van de N33 zijn nauwelijks bluswatervoorzieningen aanwezig. Hierdoor is de brandweer afhankelijk van tertiaire bluswatervoorzieningen (groot watertransport). Hiervoor geldt een langere opkomsttijd. Dit geeft beperkingen aan het snel en effectief bestrijden van incidenten op deze weg. Ter hoogte van de hogedrukaardgasleiding ontbreken bluswatervoorzieningen. Voor incidenten met een aardgasleiding geldt dat een gasbrand niet geblust kan worden. De brandweer zal zich voornamelijk richten op het bestrijden van secundaire branden en het assisteren bij het ontruimen van de gevarenzone. Voor het bestrijden van secundaire bronnen is voldoende bluswater beschikbaar in het plangebied.

Zelfredzaamheid

Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron, om zichzelf in veiligheid te brengen. Belangrijk aspect hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen Het is noodzakelijk dat mensen zich bewust zijn van de risico's en handelingsperspectieven. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is bepalend voor de omvang van de hulpverlening tijdens en ramp of een zwaar ongeval. Om de zelfredzaamheid van de aanwezige personen te beoordelen, is gekeken naar de volgende aspecten:

  • zelfredzaam vermogen;
  • mogelijkheden tot vluchten of schuilen;
  • alarmeringsmogelijkheden.

Zelfredzaam vermogen

Binnen het plangebied is rondom de N360 een veiligheidszone opgenomen waarbinnen geen kwetsbare functies gerealiseerd mogen worden. Daarmee worden geen objecten die specifiek bestemd zijn voor langdurig verblijf van groepen met een verminderde zelfredzaamheid mogelijk gemaakt binnen invloedsgebieden van risicobronnen.

Mogelijkheden tot vluchten of schuilen

Het plangebied biedt over het algemeen voldoende mogelijkheden voor het ontvluchten van de mogelijke rampgebieden. Een aantal delen van het plangebied liggen in de huidige situatie braak. In de toekomst, wanneer deze gebieden worden herontwikkeld, worden voldoende wegen aangelegd om mogelijkheden te bieden tot vluchten.

Alarmeringsmogelijkheden

Het plangebied ligt deels buiten het sirenebereik van het bestaande Waarschuwings- en alarmeringssysteem. Echter is eind 2012 NL-Alert geïntroduceerd. Met NL-Alert kan de overheid mensen in een rampgebied en in de directe omgeving van een (dreigende) noodsituatie met een tekstbericht informeren via de eigen mobiele telefoon. Daarnaast wordt in de toekomst bij grote rampen alarm geslagen via onder meer calamiteitenzenders, geluidswagens en sociale media. Hierdoor is een snelle alarmering in het hele plangebied mogelijk.

6.7 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

Tabel 6.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

Het Chw bestemmingsplan maakt de realisatie van circa 235 nieuwe woningen over een periode van 20 jaar mogelijk. De overige woningbouw betreft vervangende woningbouw voor woningen die binnen het plangebied worden gesloopt. Het aantal van 235 woningen valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N33, direct ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2017; 11,6 µg/m³ voor NO2, 14,2 µg/m³ voor PM10 en 7,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

6.8 Lichthinder

Blootstelling aan kunstmatige verlichting heeft tijdens de nachtperiode negatieve gevolgen voor mens en dier. Waar het bij dieren leidt tot een verstoring van de oriëntatie en het bioritme, heeft het bij mensen vooral invloed op de kwaliteit van de nachtrust.

Strikte normen met afstandsbepalingen voor lichthinder zijn niet voorhanden. De regelgeving die voorhanden of in voorbereiding is, richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Specifieke regels over kunstlicht zijn opgenomen in:

  • het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit);
  • het Besluit glastuinbouw;
  • het Besluit landbouw milieubeheer.

De strekking van de regels is dan als volgt:

  • lichthinder wordt voorkomen en als dat echt niet mogelijk is wordt het tot een aanvaardbaar niveau beperkt;
  • de verlichting van gebouwen en van open terrein(en) van de inrichting, inclusief de verlichting ten behoeve van reclamedoeleinden, wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van woningen wordt voorkomen;
  • gedurende een specifiek tijdspad is de verlichting uit of niet zichtbaar (bijvoorbeeld bij assimilatiebelichting en verlichting bij sportvelden e.d.).

6.9 Duisternis en stilte

De regeling is erop gericht de kernkarakteristiek duisternis te beschermen. De lichtuitstraling van ligboxenstallen mag daarbij niet meer bedragen dan 150 lux, tenzij tussen 20.00 uur en 6.00 uur de lichtuitstraling met ten minste 90% wordt gereduceerd. Overeenkomstig het provinciaal beleid is ten aanzien van ligboxstallen een bepaling in de planregels opgenomen.

Duisternis en stilte zijn belangrijke kernkarakteristieken. Lichtuitstoot en lawaai verstoren het dag-nachtritme, de oriëntatie en de rust van dieren en tasten de belevingswaarde van duisternis en stilte voor de mens aan.

In dit Chw bestemmingsplan zijn duisternis en stilte op de volgende manier beschermd:

Duisternis:

  • er is een bepaling opgenomen voor de lichtuitstraling van ligboxstallen;
  • in de planregels is een bepaling opgenomen die het oprichten van kassen niet toestaat.

Stilte:

  • er zijn geen bedrijfsmatige activiteiten mogelijk gemaakt die veel lawaai maken. De bedrijfsmatige activiteiten die mogelijk zijn, zijn kleinschalig van aard (zie paragraaf 6.11);
  • er zijn bepalingen opgenomen die er voor zorgen dat er niet zonder meer geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd binnen bepaalde geluidzones van (spoor)wegen en industrie.

6.10 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Voor de ontwikkelgebieden in Opwierde zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Het gaat om verkennende bodemonderzoeken ter plaatse van de verschillende locaties. De resultaten hiervan zijn raadpleegbaar via de gemeente Appingedam. Daar waar nodig wordt aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd voorafgaand aan de herontwikkelingswerkzaamheden. Wat betreft de motivering van het aspect bodem ten aanzien van dit bestemmingsplan, is het zo dat in de huidige situatie de gronden grotendeels al geschikt zijn bevonden voor bodemgevoelige functies. Het gaat hierbij met name om woonfuncties en maatschappelijke functies als onderwijsinstellingen. Daarom kan er vanuit worden gegaan dat de gronden ook geschikt zijn voor de toekomstige ontwikkelingen.

Voor het Eendrachtterrein is eveneens een bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen als bijlage 19. Gedurende circa 100 jaar hebben op deze locatie bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden die een bedreiging voor de kwaliteit van de bodem vormden. Deze activiteiten omvatten naast het normale productieproces ook de verwerking van afvalstoffen via bezinkvelden en stortplaatsen en het inrichten van depots. Ook calamiteiten zoals leidingbreuk en branden hebben geleid tot een bedreiging van de bodem. Er zijn een groot aantal verdachte locaties binnen de contouren van het bedrijfsterrein aanwezig.

Uit voorgaande onderzoeken en dit betreffende onderzoek is gebleken dat de genoemde activiteiten inderdaad hebben geleid tot een aantasting van de kwaliteit van de bodem. In zowel de grond als het grondwater zijn verontreinigingen aangetroffen. Het betreft voornamelijk minerale olieproducten of zware metalen, maar ook andere stoffen zijn (incidenteel) aanwezig. Uit indicatief onderzoek blijkt tevens dat op meerdere plaatsen in de bodem asbest aanwezig is in de vorm van losse vezels.

Het gehele terrein is in meer of mindere mate verontreinigd. De verontreinigingen in de bovengrond zijn vaak gerelateerd aan het aanwezige puin of andere bodemvreemd materiaal. In de verticale richting is de omvang vaak beperkt tot de puinlaag (tot circa 0,5 á 1 m-mv). Op een aantal plaatsen is de grondverontreiniging dieper doorgedrongen, meestal als gevolg van verspreiding van mobiele verontreinigingen (minerale olie), het volgooien van voormalige kelders of andere dempingen. Het grondwater is plaatselijk sterk verontreinigd, maar door de bodemopbouw (klei en veen) is de verspreiding gering van omvang.

Alle verontreinigingen op de locatie worden als één geval van bodemverontreiniging beschouwd. De locatiegrens wordt vooralsnog als horizontale begrenzing van het geval van bodemverontreiniging aangemerkt. Vanwege de afwezigheid van actuele risico's bij het huidige gebruik is sanering van dit geval van bodemverontreiniging niet spoedeisend.

In samenspraak met de provincie is besloten om het gehele gebied dat ontwikkeld wordt ten behoeve van woningbouw te gaan saneren voor uitvoering van de woningbouw. In het zuiden van het gebied is een locatie aanwezen waar de vervuilde grond naar wordt afgevoerd. Op deze gronden worden geen woningen ontwikkeld. Hoe deze sanering wordt uitgevoerd zal worden vastgelegd in een saneringsplan.

6.11 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

Onderbouwing

Binnen het plangebied zijn verschillende bedrijven aanwezig. Het betreft solitair gevestigde bedrijven, die zich verspreid over het plangebied bevinden. De milieuhinder die bedrijven veroorzaken kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze handreiking is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies (zoals woningen) waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden.

In de VNG-handreiking worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk 'rustige woonwijk'/'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De indicatieve afstanden uit de bedrijvenlijst zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een 'rustige woonwijk'.

Voor woningen in een 'gemengd gebied' mag deze afstand worden gecorrigeerd en kan de indicatieve afstand met één trede worden verlaagd. Een correctie is alleen mogelijk voor de aspecten geluid, geur en stof. Voor het aspect gevaar is verlaging van de indicatieve afstand niet mogelijk. Het uitgangspunt van de VNG-handreiking is gemotiveerd toepassen, in plaats van gemotiveerd afwijken. De indicatieve afstanden uit de VNG-handreiking geven een goede indicatie van de aan te houden afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De (milieu) wetgeving blijft echter leidend.

Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG handreiking ingedeeld in milieucategorieën die variëren van 1 (indicatieve afstand 10 meter) tot 6 (indicatieve afstand 1.500 meter). In het plangebied komen zowel kleinschalige ambachtelijke bedrijven (categorie 1 of 2) als meer grootschalige bedrijven (categorie 3) voor. Ook komt eenmaal een bedrijf uit milieucategorie 4.2 voor in het zuiden van het plangebied.

De in het plangebied aanwezige solitaire bedrijven zijn positief bestemd. In het algemeen geldt dat bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2, gezien de beperkte hinder die zij veroorzaken, goed inpasbaar zijn in de woonomgeving. Nieuwvestiging van bedrijven is hier in deze milieucategorieën direct toegestaan. Op een aantal locaties zijn bedrijven gevestigd die in een hogere milieucategorie vallen. Deze zijn uit het vigerend bestemmingsplan overgenomen. Deze bedrijven zijn positief bestemd door middel van een aanduiding. Hierdoor mogen op de betreffende percelen, naast de algemeen toegestane bedrijven in milieucategorie 1 en 2, ook de bestaande bedrijven gevestigd blijven.

De in het plangebied gelegen bedrijven, zowel op als buiten bedrijventerreinen, zijn overeenkomstig het geldende planologische regime bestemd. Er worden geen nieuwe bedrijfslocaties mogelijk gemaakt met het Chw-bestemmingsplan. De bestaande juridisch-planologische regelingen voor de bedrijven worden in dit plan gehandhaafd. Daarmee behouden de bedrijven dezelfde mogelijkheden als in de huidige situatie.

In de toekomstige situatie is sprake van een aantal ontwikkelingsgebieden binnen het plangebied. Het gaat hier om de realisatie van milieugevoelige functies, ter plaatse van locaties waar in de huidige situatie ook al milieugevoelige functies zijn toegestaan. De voorgenomen ontwikkelingen binnen deze gebieden zorgen daarom niet voor belemmeringen in de bedrijfsvoering ter plaatse van bestaande bedrijven. Andersom wordt voor deze ontwikkelingsgebieden voldaan aan de richtafstanden die gelden op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarmee kan er vanuit worden gegaan dat ter plaatse van de ontwikkelingsgebieden geen hinder wordt ondervonden van de bedrijven in het plangebied. Daarom is geen nader onderzoek noodzakelijk naar de milieuzonering.

6.12 Milieuhinder (agrarische) bedrijven

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.

Tabel Overzicht geurnormen Wgv

    concentratiegebied   niet-concentratiegebied  
binnen bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 3 ouE/m³
   
max. 2 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object  
buiten
bebouwde kom  
diercategorieën Rgv   max. 14 ouE/m³   max. 8 ouE/m³  
  andere diercategorieën   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object  

Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom.

Regeling geurhinder en veehouderij

In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:

  • de geurbelasting wordt bepaald;
  • de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten.

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

Onderbouwing

De beoogde ontwikkeling betreft voornamelijk milieugevoelige functies. Ten gevolge van de omliggende agrarische bedrijfsactiviteiten kunnen woningen hinder ondervinden. Daarnaast kan de realisatie van een woning omliggende (agrarische) bedrijven beperken in hun bedrijfsvoering. Op beide aspecten wordt getoetst.

Grotere industriële geurveroorzakers, waarbij rekening dient te worden gehouden met een stankcirkel (zoals bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties) komen binnen de gemeentegrenzen niet voor. Wel zijn in het buitengebied van Appingedam enkele veehouderijen aanwezig, waarbij rekening moet worden gehouden met een geurcontour. Eén bedrijf verdient in het kader van onderhavig bestemmingsplan extra aandacht. Dit betreft het vleeskuikenbedrijf aan de Garreweersterweg 16. Volgens de richtlijn veehouderij en stankhinder heeft dit bedrijf bij gewone stallen een stankcirkel van 230 meter in relatie tot de bebouwde kom. Dit bedrijf ligt zeker op 1,5 kilometer ten opzichte van het meest nabijgelegen bebouwing van de wijk Olingermeeden. Deze afstand in acht nemende levert dit bedrijf voor de mogelijkheden in dit Chw bestemmingsplan geen problemen op.

Daarnaast ligt er nog een agrarisch bouwperceel aan de zuidzijde van het woongebied, maar de afstand daarvan tot het plan (400 à 500 meter) is zodanig dat hieruit geen beperkingen voortvloeien.

Verder is er geen (agrarische) bedrijvigheid in de directe omgeving aanwezig die van invloed is op de milieusituatie in het plangebied of die in hun bedrijfsvoering worden beperkt door de beoogde ontwikkeling. Op basis hiervan zal er ter plaatse van de beoogde woningen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

6.13 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).

Onderbouwing

Binnen het plangebied zijn planologisch relevante gasleidingen aanwezig. Op de gastransportleidingen is een belemmeringenzone van 5 meter aan weerszijden van toepassing. De belemmeringstroken zijn bestemd als 'Leiding - Gas'. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

6.14 Duurzaamheid

Toetsingskader

Nederland is bezig met een energietransitie van fossiele naar meer duurzame energiebronnen. In dit kader is op 1 juli 2018 de Wet Voortgang Energietransitie in werking getreden (Wet VET). Met deze wet is de Gaswet gewijzigd, waardoor onder de 40 m3 doorlaatwaarde per jaar netbeheerders nieuwe gebouwen niet meer op het gasnet mogen aansluiten. In de praktijk betekent dit dat nieuwe woningen en (kleinere) bedrijfsgebouwen gasloos in gebruik moeten worden gebouwd. Dit betekent dat voor het in dit bestemmingsplan voorziene project moet worden omgezien naar alternatieven voor verwarming en andere energievoorziening.

Hiervoor is een mix van oplossingen mogelijk. Gelet op de strengere energieprestatienormen moeten nieuwe gebouwen beter worden geïsoleerd. In combinatie met zonnepanelen of -collectoren op daken, vloerverwarming, meer apparatuur op elektriciteit, (lucht)warmtepompen is doorgaans gasloos bouwen goed mogelijk. Hiermee kan het project uitvoerbaar worden geoordeeld.

Onderbouwing

Dit Chw bestemmingsplan geeft niet bij voorbaat welke mogelijkheden moeten worden gekozen. De regeling in het Chw bestemmingsplan geeft voldoende ruimte voor voorzieningen om gasloos te kunnen bouwen.

Hoofdstuk 7 Welstand

7.1 Inleiding

7.1.1 Inleiding

Voorheen was sprake van een zelfstandige welstandsnota voor de gehele gemeente Appingedam. Als onderdeel van dit Chw bestemmingsplan worden de welstandseisen voor het plangebied geïntegreerd in dit plan. Daarmee vervalt voor het plangebied de welstandsnota. Voor het gemeentelijk grondgebied dat niet onder dit plan valt blijft de welstandsnota van kracht of gelden aparte beeldkwaliteitsplannen. Deze deelgebieden zijn in het Chw bestemmingsplan specifiek benoemd. Voor de overige deelgebieden zijn de beoordelingsregels wanneer een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand opgenomen in de regels van dit plan.

Het begrip welstand duidt op het welstaan van bouwwerken in hun omgeving. Iedereen heeft wel een opvatting over zijn eigen woon- of werkomgeving en de invloed van nieuwe of veranderende bebouwing in die situatie. Het welstandsbeleid is geformuleerd vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het publieke belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dient te behartigen. De overheid grijpt met het welstandstoezicht in in de individuele vrijheid van burgers en ondernemers omdat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van het individu alleen. Een bouwwerk maakt immers deel uit van de publieke ruimte, een voorbijganger wordt er mee geconfronteerd of hij wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt de belevingswaarde en de economische waarde van het onroerende goed en versterkt het vestigingsklimaat. De welstandszorg moet hieraan in alle openheid een bijdrage leveren.

7.1.2 Doel en uitgangspunten van het welstandsbeleid

Het doel van het welstandsbeleid is om een bijdrage te leveren aan het behouden en, daar waar nodig, het versterken van de schoonheid en aantrekkelijkheid van de gemeente Appingedam. Door het opstellen van welstandsbeleid kan de gemeente een effectief, controleerbaar en klantvriendelijk welstandstoezicht inrichten en opdrachtgevers en ontwerpers in een vroeg stadium informeren over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen. In het welstandsbeleid dienen de “redelijke eisen van welstand” in concrete criteria te worden vertaald. Het welstandsbeleid moet uit te leggen zijn en de uitvoering ervan moet openbaar en controleerbaar zijn. Kort gezegd dienen welstandsregels inhoudelijke (gebieds)kennis te koppelen aan juridisch houdbare en inzichtelijke welstandscriteria. De welstandscriteria vormen een vangnet en dienen er toe bouwplannen die het aanzien niet waard zijn uit de gemeente Appingedam te weren. Goede opdrachtgevers gebruiken ze echter als opstapje naar betere plannen en om een discussie te voeren over de schoonheid van het gebouw in zijn context. Belangrijk is dat het beleid en de criteria met name voor burgers leesbaar en begrijpelijk zijn. Omdat de welstandsnota een weigeringsgrond vormt voor het verlenen van een bouwvergunning is het tevens van groot belang dat maatschappelijk draagvlak voor het welstandsbeleid wordt verkregen. Het welstandsbeleid dient tot slot deel uit te maken van het integrale ruimtelijke kwaliteitsbeleid van de gemeente Appingedam.

7.2 Ruimtelijk kwaliteitsbeleid Appingedam

7.2.1 Welstandszorg in de oude situatie

De gemeente Appingedam voert al sinds lange tijd een actief welstandsbeleid. De gemeente Appingedam maakt voor de advisering inzake de welstandszorg gebruik van Libau, de organisatie die in de provincie Groningen alle gemeenten adviseert over welstands- en monumentenzaken. De commissie baseert haar adviezen zoveel mogelijk op de regeling in dit Chw bestemmingsplan algemene welstandscriteria. Bij de beoordeling van een bouwplan op redelijke eisen van welstand gaat het om het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf als in relatie met de omgeving. Hierbij is de aanvaardbaarheid van het bouwwerk aan de orde in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte en de stedenbouwkundige context. Daarbij speelt de massa, materiaal, maat, schaal detaillering en kleurstelling een rol, mede in verband met de samenhang in het bouwwerk zelf.

7.2.2 Monumentenzorg

De gemeente Appingedam voert een actief monumentenbeleid. In 1965 is reeds een gemeentelijke monumentenlijst vastgesteld waarvan op dit moment 12 objecten de status van gemeentelijk monument hebben gekregen. Alle 99 rijksmonumenten zijn bouwtechnisch in kaart gebracht en gekwantificeerd op hun onderhoudsgevoeligheid. Appingedam heeft sinds 1991 een gemeentelijke monumentenverordening waarin de formele zaken in het verlengde van de Monumentenwet zijn vastgelegd. De grondslag voor de Damster monumentencommissie is neergelegd in deze Monumentenverordening. Voor de advisering inzake wijzigingen aan de gemeentelijke- en rijksmonumenten en ingrijpende wijzigingen binnen het beschermd stadsgezicht maakt de gemeente gebruik van de provinciale monumentencommissie van Libau. Dit is een commissie die met de nodige specifieke deskundigen is geïntegreerd in de eerdergenoemde welstandscommissie.

7.2.3 Ruimtelijk beleid

Ruimtelijke beleidsplannen

De globale ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Appingedam is vastgelegd in de Ontwikkelingsvisie Appingedam 2030. Uitwerking van de Ontwikkelingsvisie voor wat betreft de woningbouw is neergelegd in het Noord-Groningen Leeft! Woon- en Leefbaarheidsplan 2017-2021 Hierin wordt de gemeentelijke visie op de kwantiteit en kwaliteit van het wonen in de gemeente Appingedam voor de komende tien jaren aangegeven. Daarnaast is de Stadsvisie 2019 gericht op de kwaliteit van het leven en wonen in Appingedam. Meer gedetailleerd is de ruimtelijke ontwikkeling vastgelegd in dit Chw bestemmingsplan. Hierin zijn alle, voor Stad Appingedam geldende plannen geactualiseerd en opgenomen. Tevens wordt ruimte geboden voor enkele aanstaande ontwikkelingen.

Openbare ruimte en landschap

Voor wat betreft de inrichting en het beheer van het openbare groen in de gemeente is het beleid vastgelegd in de Groenstructuurvisie gemeente Appingedam en het hieruit voortvloeiende Groenbeheerplan. Ten aanzien van de overige openbare ruimte is er geen sprake van expliciet kwaliteitsbeleid. De gemeentelijke dienst draagt zorg voor de inrichtingsplannen, de uitvoering en het beheer. Ten aanzien van het plaatsen van reclameborden zijn regels in dit Chw bestemmingsplan opgenomen. Hierin is vastgelegd wanneer voor (licht)reclame een vergunning is vereist van burgemeester en wethouders. De kwaliteit van de openbare ruimte wordt tot slot ook door de welstandscommissie bewaakt doordat in de welstandsbeoordeling van ingrepen ook cultuurhistorische aspecten nadrukkelijk een rol spelen.

7.2.4 Integratie welstandsnota in het Chw bestemmingsplan

Voorheen voerde de gemeente Appingedam haar beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteiten met veel verschillende instrumenten en vanuit verschillende invalshoeken. Het is van groot belang zorg te dragen voor een goede aansluiting tussen de verschillende instrumenten. In het kader daarvan is in de Omgevingswet het uitgangspunt al het beleid en de regelingen ten aanzien van de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk te integreren in één plan. Daarom is in dit Chw bestemmingsplan de welstandsnota geïntegreerd. De welstandscriteria zijn hierbij opgenomen in de regels, waardoor deze goed zijn afgestemd met de functieregelingen en geïntegreerde verordeningen. Voor een aantal gebieden gelden aparte beeldkwaliteitplannen. Of deze worden nog op een later moment vastgesteld.

7.3 Woningwet

7.3.1 Algemeen

Volgens de Woningwet is een toetsing van bouwwerken aan redelijke eisen van welstand nog slechts mogelijk indien die eisen nader zijn geconcretiseerd in een door de gemeenteraad vast te stellen welstandsnota. De criteria in de welstandsnota moeten zo concreet mogelijk zijn en zoveel mogelijk toegespitst op concrete gebieden.

7.3.2 De welstandscriteria

Vaststelling door de gemeenteraad

De gemeentelijke welstandsregels worden vastgesteld door de gemeenteraad. Vanaf het moment van vaststelling zal de welstandsbeoordeling van nieuwe bouwplannen gebaseerd zijn op de criteria zoals die in de welstandsnota zijn neergelegd. Na de vaststelling van de welstandsnota zal, na plusminus een jaar, de werking ervan door de gemeenteraad worden geëvalueerd. Naar aanleiding van de evaluatie kan de gemeenteraad besluiten dat aanpassing van de welstandsnota noodzakelijk is.

Uitvoering door burgemeester en wethouders

De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het afgeven van de omgevingsvergunning voor bouwen bij burgemeester en wethouders. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. In vele gevallen speelt het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie daarbij een belangrijke rol.

Bij elke bouwvergunningaanvraag dienen burgemeester en wethouders advies in te winnen bij de welstandscommissie. Als de bouwvergunningaanvraag op verzoek van de aanvrager wordt gefaseerd vindt de welstandsbeoordeling plaats in de eerste fase. Als het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand krijgt de indiener de gelegenheid om het plan verder uit te werken. Indien in de tweede fase een ingrijpende wijziging van het plan wordt doorgevoerd kan de planindiener door burgemeester en wethouders worden verzocht om de gewijzigde aanvraag (weer) voor de eerste fase in te dienen die opnieuw op welstand wordt getoetst.

Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. In een aantal uitzonderlijke gevallen kunnen zij afwijken van dit advies:

  • 1. op inhoudelijke gronden omdat zij van oordeel zijn dat de commissie de criteria niet juist heeft geïnterpreteerd of niet de juiste criteria heeft toegepast of omdat zij op inhoudelijke gronden tot een ander oordeel komen dan de commissie. In dit geval legt zij de bouwaanvraag voor een second opinion voor aan de speciale beroepscommissie van Libau of vraagt zij dit aan een andere welstandscommissie;
  • 2. er is voor burgemeester en wethouders de mogelijkheid een bouwvergunning te verlenen aan een bouwplan dat strijdig is met redelijke eisen van welstand op grond van andere zwaarwegende redenen van bijvoorbeeld economische of maatschappelijke aard;
  • 3. tot slot kan op advies van de welstandscommissie in de zogenaamde hardheidsclausule worden afgeweken van de welstandscriteria. Hiervan kan sprake zijn indien bouwplannen weliswaar niet voldoen aan de gebiedsgerichte criteria, maar wel aan de algemene criteria en indien de architectonische en ruimtelijke kwaliteiten niettemin in bijzondere mate bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving.

Afwijkingen van het welstandsadvies worden in de beslissing op de vergunningaanvraag gemotiveerd en ter kennis gebracht aan de welstandscommissie.

Bezwaren

Binnen zes weken na het besluit van burgemeester en wethouders omtrent de bouwvergunningaanvraag kunnen belanghebbenden bezwaar aantekenen tegen deze beslissing. In de bezwaarschriftenprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit na advies te hebben ingewonnen van de gemeentelijke Commissie Bezwaarschriften. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen tien weken nemen burgemeester en wethouders daarna een beslissing op het bezwaar. Belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep gaan.

Wanneer de initiatiefnemers of derde belanghebbenden bezwaren hebben tegen het welstandsoordeel dient men zich tot burgemeester en wethouders te richten. Zij moeten immers oordelen over de welstandsaspecten. Dat burgemeester en wethouders in het algemeen de adviezen van de welstandscommissie volgen, doet niet af aan zijn specifieke eigen verantwoordelijkheid in deze.

Uiteraard kunnen burgemeester en wethouders de eigen of een derde welstandscommissie om een second opinion vragen. Lopende de procedure kunnen de initiatiefnemers de welstandscommissie om een toelichting vragen of overleg voeren.

Welstandscommissie

De belangrijkste wettelijke taak van de welstandscommissie is het uitbrengen van advies aan burgemeester en wethouders ten aanzien van de vraag of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk - waarvoor een aan- vraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is ingediend - in strijd is met redelijke eisen van welstand. Als tweede wettelijke taak dient jaarlijks een verslag opgesteld te worden van de werkzaamheden van de commissie als bedoeld in de Woningwet. De commissie kan daarbij onder meer aanbevelingen doen ter bijstelling van de welstandsnota ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Naast de in de wet genoemde taken heeft de welstandscommissie in Appingedam de volgende taken:

  • het onder regie van de gemeente voeren van (voor)overleg met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;
  • stimuleren en bijdragen in de ontwikkeling en vormgeving van het welstandsbeleid;
  • het voeren van regelmatig overleg met het gemeentebestuur en betrokken ambtelijke afdelingen;
  • het bevorderen van de openbaarheid van de welstandszorg en het voorzien in voorlichting daarover ten behoeve van kennen en maatschappelijk draagvlak;
  • het gevraagd en ongevraagd signaleren van stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

Excessenregeling

Ook bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Dit geldt onder andere voor reclame-uitingen. Volgens de Woningwet kunnen burgemeester en wet- houders repressief optreden door de eigenaar van een bouwwerk dat “in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand” aan te schrijven om die strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van vergunningvrije bouwwerken tegen te gaan.

7.4 Welstandszorg in de gemeente Appingedam

In deze paragraaf wordt de organisatie en werkwijze van de welstandszorg uiteengezet.

7.4.1 De welstandscommissie

Taakomschrijving

Naast de in de wet genoemde taken heeft de welstandscommissie in Appingedam de volgende taken:

  • het onder regie van de gemeente voeren van (voor)overleg met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;
  • stimuleren en bijdragen in de ontwikkeling en vormgeving van het welstandsbeleid;
  • het voeren van regelmatig overleg met het gemeentebestuur en betrokken ambtelijke afdelingen;
  • het bevorderen van de openbaarheid van de welstandszorg en het voorzien in voorlichting daarover ten behoeve van kennen en maatschappelijk draagvlak;
  • het gevraagd en ongevraagd signaleren van stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

Samenstelling

De welstandscommissie is een onafhankelijke commissie conform de Woningwet. Op grond van het bestaande contract tussen de gemeente Appingedam en Libau draagt de gemeente Appingedam de activiteiten met betrekking tot de welstandsadvisering in het kader van de Woningwet op aan de stichting Libau.

De welstandscommissie voor de gemeente Appingedam bestaat uit minimaal vijf stemgerechtigde commissieleden, te weten o.m.:

  • een voorzitter;
  • twee architectleden;
  • een stedenbouwkundig lid;
  • secretaris, zijnde rayonarchitect van Libau voor de gemeente Appingedam.

De commissieleden worden benoemd voor een periode van drie jaar met een mogelijke verlenging van eenzelfde termijn. Zij maken deel uit van een grotere groep van commissieleden die op basis van een roulatieschema afwisselend in de commissie optreden. Een rooster van aftreden zorgt ervoor dat continuïteit is gewaarborgd.

Indien in een commissievergadering een plan aan de orde komt, dat door een van de leden is ontwikkeld, maakt dit lid voor dat plan geen deel uit van de commissie.

Van de leden van de welstandscommissie wordt verwacht dat zij geïnteresseerd zijn in ruimtelijke kwaliteit, communicatief zijn ingesteld en in staat zijn om hun welstandsoordeel adequaat te kunnen verwoorden. Zij moeten over bouwplannen kunnen communiceren en oordelen zonder te vervallen in architectuurkritiek of preoccupaties ten aanzien van stijlen en trends.

De architecten en stedenbouwkundigen in de commissie dienen kennis te hebben van de geschiedenis van de bouwkunst en de hedendaagse ontwikkelingen daarvan. Naast primaire eisen van verstandig vakmanschap is sprake van een inkleuring op diverse aspecten van het breder vakgebied, zoals stedenbouwkunde, architectuur, cultuurhistorie, landschapsarchitectuur en monumentenzorg. De voorzitter is in eerste instantie verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de algemene kwaliteit van de oordeelsvorming. Daarnaast is bestuurlijke ervaring, inzicht in lokale besluitvormingsprocessen alsmede kennis van de ontwikkelingen op het terrein van de welstandszorg in de provincie Groningen van belang.

Het secretariaat van de commissie wordt vervuld door de betreffende rayonarchitect van Libau. Deze zorgt ervoor dat de commissie openbaar kan vergaderen aan de hand van een agenda en op grond van voldoende planinformatie, kent de locaties waarin geadviseerd moet worden en zorgt voor voldoende beeldinformatie. Daarnaast onderhoudt de rayonarchitect een functioneel netwerk binnen de gemeente op grond waarvan adequate achtergrondinformatie kan worden verstrekt en draagt zorg voor de vertaling van de bevindingen van de commissie naar de betrokkenen in de vorm van een schriftelijk advies en eventuele mondelinge toelichting. Hij of zij is het eerste aanspreekpunt van de commissie en zorgt als geheugen van de commissie voor een consistente advisering en uitvoering van het welstandsbeleid. Tot slot bereidt de rayonarchitect de inhoud en de uitvoering van het jaarverslag voor.

Mandaat

De rayonarchitect is lid van de commissie en is gemandateerd om zelfstandig bepaalde categorieën van bouwaanvragen af te handelen. Het gaat hierbij om:

  • zaken waarvan de mening van de commissie bekend verondersteld mag worden op grond van advisering in eerdere vergelijkbare gevallen;
  • bouwaanvragen die door de commissie zijn behandeld en waar eventuele vervolgplannen vallen binnen de door de commissie aangegeven kaders.

Als gemandateerde commissieleden vormen de rayonarchitecten twee aan twee een zogenaamde kleine commissie. Deze kleine commissie behandelt alle advies- aanvragen die niet ter plaatse zijn afgehandeld door middel van een positief advies. Negatieve adviezen dienen door meer dan één persoon te worden gesteund.

De kleine commissie heeft als taak om:

  • adviesaanvragen te selecteren die aan de grote welstandscommissie van externe deskundigen worden voor- gelegd;
  • adviesaanvragen te beoordelen waarvan de mening van de commissie op grond van eerdere ervaringen bekend verondersteld kan worden;
  • adviesaanvragen te beoordelen die mede in het kader van de gebiedsgerichte welstandscriteria geen discussie oproepen;
  • vervolgplannen te beoordelen die eerder door de commissie zijn behandeld;
  • vooroverleg te voeren met de aanvrager (bij bijzondere plannen);
  • door behandeling van adviesaanvragen kennis te nemen van de welstandsadvisering in andere rayons, opdat voorzover er geen sprake is van specifiek uitgesproken ander beleid, de welstandsadvisering in de verschillende gemeenten niet nodeloos van elkaar zullen verschillen.
7.4.2 Het welstandsadvies

Inhoud en strekking

Conform artikel 12 van de Woningwet wordt in het welstandsadvies door de commissie uitgesproken of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk zowel op zichzelf als in relatie met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. De commissie baseert zich daarbij op de criteria zoals deze zijn opgenomen in deze welstandsnota.

Het welstandsadvies wordt altijd schriftelijk uitgebracht in begrijpelijke taal. Zowel een positief als negatief advies is voorzien van een leesbare en deugdelijke motivatie. Het advies vormt de basis van elk overleg met betrokkenen. Uit oogpunt van rechtszekerheid van de betrokkenen kunnen in een vervolgstadium geen nieuwe opmerkingen meer worden ingebracht, die in een eerder stadium al onderkend hadden kunnen worden, tenzij wijzigingen in het bouwplan daartoe aanleiding geven. Het advies spreekt zich uit over de welstandsaspecten van het ingediende bouwplan. Daarbij kunnen dus geen andere argumenten worden aangevoerd dan die welke de welstand raken. In een welstandsadvies moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen bezwaren die ondervangen dienen te worden of suggesties die de kwaliteit van het plan ten goede kunnen komen. Naar aanleiding van een bepaalde bouwaanvraag kunnen adviezen ook meer algemene beleidszaken betreffen. In adviezen zal echter steeds de bouwaanvraag uitgangspunt worden genomen. Persoonlijke voorkeuren van commissieleden alsook opmerkingen die de persoon van de aanvrager of de ontwerper raken, horen in een welstandsadvies niet thuis.

Het welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:

  • een bouwwerk is niet strijdig met redelijke eisen van welstand; er kunnen vrijblijvende suggesties gedaan worden die de ruimtelijke kwaliteit van het bouwwerk ten goede kunnen komen;
  • een bouwwerk is strijdig met redelijke eisen van welstand tenzij de expliciet aangegeven bezwaren worden ondervangen. In het advies wordt aangegeven of de commissie de gekozen aanpassing nog wil beoordelen of dat deze door de Werkorganisatie Deal kan worden afgehandeld;
  • een bouwwerk is strijdig met redelijke eisen van wel- stand en behoeft een ingrijpende wijziging in uitwerking of uitgangspunten om aan redelijke eisen van wel- stand te kunnen voldoen;
  • binnen de wettelijke beslistermijnen kan de welstandscommissie het welstandsadvies aanhouden indien meer informatie of een toelichting van de ontwerper wenselijk is of om de ontwerper de gelegenheid te geven zijn plan aan te passen.

Alle adviezen worden opgesteld door de rayonarchitecten. Hoewel er naar gestreefd wordt om de adviezen voor iedereen duidelijk en begrijpbaar te formuleren bestaat er altijd ruimte om een nadere toelichting over een advies te verkrijgen of om over het advies te overleggen. In principe vindt een dergelijk overleg plaats tijdens het bezoek van de rayonarchitect aan de gemeente Appingedam. Betrokkenen kunnen ook de openbare vergaderingen van de kleine en de grote welstandscommissie bezoeken.

Werkwijze

De rayonarchitect van Libau bezoekt de gemeente ten minste elke twee weken op een vaste dag en neemt met de afdeling Bouw- en Woningtoezicht binnengekomen bouwinitiatieven en aanvragen door. De betreffende locaties worden ter plaatse verkend en zo nodig gedocumenteerd in beelden. Er worden achtergronden met betrekking tot de adviesaanvragen ingewonnen, eventueel door middel van overleg met de initiatiefnemers. Het rayonbezoek fungeert tevens als spreekuur. De rayonarchitect is gemandateerd om een deel van de adviesaanvragen ter plaatse af te handelen (zie ook mandaat).

De adviesaanvragen die niet ter gemeente zijn afgehandeld worden meegenomen naar het bureau van Libau. Daar worden de plannen in de openbare kleine of grote commissie behandeld. De agenda's voor de grote commissievergaderingen worden naar de gemeente gemaild en op de website van Libau gezet. De gemeente maakt de agenda van het rayonbezoek bekend in het huis-aan-huis blad Stadsnieuws. De vergaderingen van de commissie voor de gemeente Appingedam vinden eens per 14 dagen plaats en worden gehouden in het Pakhuis Libau te Groningen.

Openbaarheid

De vergaderingen van de welstandscommissie zijn openbaar, tenzij er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen (artikel 10, Wet Openbaarheid Bestuur). Zowel de beraadslagingen als de besluitvorming en de schriftelijke adviezen zijn openbaar. Betrokkenen kunnen ter vergadering inspreken of een toelichting op hun plannen geven. Zij dienen daartoe een afspraak te maken met het secretariaat van de commissie. Belangstellenden hebben vrij toegang tot de publieke tribune.

Vooroverleg

De gemeente Appingedam biedt initiatiefnemers de mogelijkheid om in een vroeg stadium over hun plannen te overleggen, ook inzake de welstandsaspecten. De Welstandscommissie heeft in dit gesprek niet alleen een toetsende rol maar tevens een meedenkende en voorlichtende rol. Initiatiefnemers kunnen in het vooroverleg hun ideeën voorleggen. Het initiatief wordt niet alleen getoetst aan het bestaande welstandskader, in het gesprek worden mogelijke oplosrichtingen besproken zodat het initiatief binnen de kaders valt. Initiatiefnemers maken op deze wijze gebruik van de aanwezige kennis bij de welstandscommissie waardoor het planproces uiteindelijk versneld wordt. Dergelijk vooroverleg over voorlopige plannen is altijd mogelijk ken volgt voor de welstandsadvisering dezelfde route als de adviesaanvragen waarvoor formeel een bouwvergunning is aangevraagd. Dit overleg is niet openbaar. Elk vooroverleg wordt vastgelegd in een schriftelijk advies of schriftelijk verslag van het overleg.

7.4.3 Excessenregeling

Vanuit de welstand geeft dit Chw bestemmingsplan regels voor het welstandstoezicht in de gemeente Appingedam. De gemeente zal zich inspannen om deze regels ook daadwerkelijk na te leven. Bij de handhaving van het gemeentelijk beleid ligt de prioriteit bij het opsporen van illegale bouwactiviteiten en het bouwen in afwijking van de vergunning (inclusief welstandstoets).

Ook bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van het betreffende bouwwerken verzoeken om binnen door hen te bepalen termijn die strijdigheid op te heffen. Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand indien sprake is van excessen. Hiervan is sprake indien flagrante strijdigheid bestaat met de in deze welstandsnota opgenomen criteria. Van excessen kan bijvoorbeeld sprake zijn bij te opdringerige reclame-uitingen, toepassing van felle of contrasterende kleuren en /of armoedig materiaalgebruik. Bij het repressieve welstandstoezicht ligt conform het gemeentelijk handhavingsbeleid- een hoge prioriteit bij het voorkomen van excessen in de kwetsbare gebieden.

7.5 Welstandscriteria

In deze paragraaf worden de welstandscriteria genoemd die worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van de stad Appingedam. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen algemene en gebiedsgerichte criteria. De algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling omdat ze het uitgangspunt vormen voor de uitwerking van de gebiedsgerichte welstandscriteria.

Het Chw bestemmingsplan bevat geen welstandscriteria voor ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Dergelijke welstandscriteria kunnen immers niet worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt. Voor dit gebieden zijn of worden beeldkwaliteitsplannen opgesteld.

Bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding wordt bekeken of voor de ontwikkeling van bouwplannen en projecten nieuwe welstandscriteria moeten worden vastgesteld. Voor dergelijke aanvullingen geldt dat inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. Na realisatie van de bouw(plannen) worden voor de betreffende gebieden reguliere welstandscriteria opgesteld die gericht zijn op het beheer van het gebied.

7.5.1 Algemene criteria

Kwaliteitskader

In bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op meer algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft dat het zijn omgeving negatief zal beïnvloeden.

Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wèl een kwalitatieve toevoeging aan zijn omgeving vormt, kan worden teruggegrepen op algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouder in zo'n geval gemotiveerd adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af te wijken van de gebiedsgerichte welstandscriteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt.

Relatie tussen vorm, gebruik en constructie

Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en techniek bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. De verschijningsvorm is méér dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

Relatie tussen bouwwerk en omgeving

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Het bestaansrecht van een gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving.

Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.

Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context

Voor de vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald ver- band zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang.

In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt ver- wacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.

Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in een bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit

Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld.

Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig, in een evenwichtige en spanningsvolle relatie.

Schaal en maatverhoudingen

Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken.

De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar waarom de maat- verhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maat- verhoudingen een sterke samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben.

De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen samen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin het is geplaatst.

Materiaal, textuur, kleur en licht

Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.

7.5.2 Gebiedsgerichte criteria

Voor het maken van een gebiedsindeling die als ondergrond voor een doeltreffend welstandsbeleid kan fungeren is het van belang tot een typering te komen van de landschappelijke gegevenheden met de aanwezige structuurlijnen en de hiermee in verband staande concentraties van bebouwing. Immers de bebouwing vormt vaak een verband met voornoemde zaken. Een ander aspect is de leeftijd van de bebouwing omdat hieraan veel kenmerkende eigenschappen zijn te herkennen. Een derde aspect is het te verwachten aantal initiatieven en de impact ervan op de omgeving, waardoor een apart gebied kan worden benoemd.

Binnen de gehanteerde gebiedsindeling zijn enkele karakteristieke gebieden die van grote waarde zijn voor de identiteit. De gebouwen in deze gebieden hebben geen monumentale status, maar krijgen wel specifiekere welstandscriteria mee. Deze karakteristieke gebieden vallen binnen de aangehouden gebiedsindeling van de welstandsnota. De karakteristieke gebieden 1, 2, 3, 4, 6 en 9 vallen onder Gebied 6 Vooroorlogse Uitbreidingen. De karakteristieke gebieden 5 en 7 vallen onder Gebied 7 Wijken/buurten uit de 2e helft van de vorige eeuw tot heden. Tot slot valt het karakteristieke gebied 8 in Gebied 12 Agrarische gebieden. Hiervoor geldt een separaat bestemmingsplan, namelijk bestemmingsplan Stad Appingedam, deelplan Agrarische gebieden.

Buiten de aangegeven karakteristieke gebieden zijn er individuele panden die voor de identiteit van Appingedam van belang zijn. Aanpassingen aan deze panden dienen met grote zorgvuldigheid en respect voor de originele architectuurstijl plaats te vinden.

De stad Appingedam is gelegen in het zuidelijke deel van het eeuwenoude wierdenlandschap en is de enige grote kern in de gelijknamige gemeente. De ruimtelijke structuur van Appingedam wordt bepaald door het van west naar oost lopende Damsterdiep (met de aftakking van het Nieuwe Diep) en de daarop loodrecht lopende De Groeve/Nieuwe Heekt, waardoor de langgerekte middeleeuwse ruimtelijke structuur zich heeft gevormd. Door uitbreidingen (o.a. vestinggracht) is het patroon meer rechthoekig geworden. Aan de noordzijde vormen de spoorlijn en de N360 en aan de zuidzijde het Eemskanaal harde artificiële ruimtelijke afscheidingen. Oude wierden, ingebouwd in het stedelijk gebied, vormen hoogteverschillen en wijken door hun radiaire opbouw qua structuur af van het lineaire grid van het middeleeuwse centrum.

Over de bebouwing als geheel valt op te merken dat in grote lijnen de ontwikkelingen qua tijd duidelijk herkenbaar zijn. De kern van Appingedam is van oorsprong middeleeuws en is ontstaan als dijkstad. De oude wierden, wegen en trekpaden zijn in het algemeen door oudere bebouwing nog redelijk goed herkenbaar. Voor- en naoorlogse bebouwing vormen rondom de oude kern schillen van meer recente bebouwing. Over de naoorlogse bebouwing valt op te merken dat deze door de aan- tallen woningen en het seriematig karakter ervan afwijkt van de vooroorlogse en zich buurtgewijs heeft ontwikkeld met per decennium accentverschuivingen.

Over het grondgebied van de stad verspreid, maar vooral in het beschermd stadsgezicht, bevinden zich rijks en gemeentelijke monumenten. Daarnaast zijn de gronden van de oude wierden (De Wierde, Opwierde-Noord, Solwerd) beschermd. Deze belangrijke te beschermen objecten en gebieden zijn mede van invloed geweest bij de gebiedsindeling en de beleidskeuzes hierbinnen.

Voor het raadplegen van de welstandscriteria gelden de gebiedscriteria. Globaal zijn de volgende beleidsregimes te onderscheiden:

Handhaven - hierbij gaat het om de intentie om het bestaande ruimtelijk beeld als zodanig zoveel mogelijk te handhaven en als uitgangspunt te nemen voor verdere ontwikkelingen. dit beleid geldt voor de deelgebieden met de nummers 1 en 10.

Respecteren - bij dit beleid staat het zorgvuldig omgaan met bestaande waarden voorop. Deze hoeven niet altijd letterlijk in stand te blijven, maar dienen met respect te worden geïnterpreteerd bij nieuwe ontwikkelingen. Dit beleid geldt voor de deelgebieden met de nummers 2, 5, 6, 7, 8 en 9.

Incidenteel wijzigen - hier krijgt het continue transformatieproces de ruimte, waarbij de bestaande situatie weliswaar als leidraad wordt genomen, maar gaandeweg vervangen wordt door nieuwe oplossingen en nieuwe beelden. Dit beleid geldt voor de deelgebieden met de nummers 3, 4, 11, 12 en 13.

Planmatig wijzigen - dit beleid is gericht op verandering. Het gaat hier om een bewuste verandering van het ruimtelijk beeld en de ruimtelijke kwaliteit. In verband met het verdelen van de gebieden in grotere eenheden zin er geen gebieden die geheel in deze categorie vallen. Bij transformatie van een gebiedsonderdeel (bijvoorbeeld voor de aanleg van een nieuwe woonwijk) worden tegelijk met het maken van een stedenbouwkundig plan gebiedscriteria geformuleerd die voor de bouwkundige plannen van toepassing zijn. Dit geldt voor de deelgebieden met nummer 14.

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0021.jpg"

Verdeling van welstandsgebieden

7.5.3 Gebied 1 Oude kern van Appingedam (inclusief beschermd stadsgezicht)

Analyse

Algemeen

De oude stadskern van Appingedam is gelegen aan weerszijden van het Damsterdiep en heeft de voor een dijkstad kenmerkende structuur, die bestaat uit een langgerekt maaswerk van haaks op elkaar staande straten. De bochtige loop van het Damsterdiep met de twee flankerende bebouwde dijken (Solwerderstraat/Corn. Albertsstraat en Dijkstraat) zijn bepalend binnen het geheel. Deze historisch-ruimtelijke structuur, die van oorsprong middeleeuws is, heeft in de loop der eeuwen weinig ingrijpende veranderingen ondergaan en is in 1984 aangewezen als beschermd stadsgezicht (aangevuld in 1991). Het noordelijk deel van de Stationsstraat, het oostelijk deel van de Dijkstraat en Bolwerk 23 t/m 31 vallen buiten het beschermd gezicht.

Het centrum bestaat uit een mix van woonhuizen, winkels met bovenwoningen en bijzondere - openbare - gebouwen, die grotendeels afkomstig zijn uit de periode 1600-1900. Beeldbepalende oude panden zijn de Nicolaïkerk uit de 13e eeuw, de voormalige rechtbank, de toren, het raadhuis, een Gereformeerde kerk en de oude koopmanshuizen. De ruimte rondom de kerk (aan de voorzijde bestraat en groen aan de achterzijde) en het verscholen Damsterdiep (waaraan de beroemde 'hangende keukens') zijn bijzondere ruimtes in het centrumgebied.

Voor de oorlog werden her en der opvallende pandjes in Amsterdamse Schoolstijl opgetrokken (vooral oostzijde Stationsstraat). In de jaren 50-60 van de vorige eeuw werd de binnenstad gesaneerd door in smalle straten als de Kniestraat en de St. Annastraat gevelwanden terug te rooien en oude panden af te breken. In de plaats hiervan kwam nieuwbouw in de vorm van functioneel vormgegeven winkelwoonblokken, die door hun zakelijke karakter van invloed zijn op de beeldkwaliteit van de gevelwanden. In 1965 werd het aan de noordzijde gelegen Kattendiep gedempt, waarvan de loop nog aanwezig is in de vorm van een weg. Begin jaren '70 vond er een omslag plaats: bescherming in plaats van sanering. Veel monumenten en beeldbepalende panden werden gerestaureerd en storende bedrijven werden verplaatst.

Ruimte

Het centrum is gekenmerkt door gesloten straatwanden van overwegend 2 lagen met kap, die aan de randen overgaan in 1 bouwlaag met kap. Kenmerkend zijn de forse koopmanshuizen met lijstgevels. De hoofdstructuur is het gebogen beloop van het Damsterdiep en de daaraan evenwijdig lopende Solwerderstraat, Dijkstraat (belangrijkste winkelstraat) en Wijkstraat met de daaraan gelegen bijzondere plek van de kerk en de dwarsverbindingen Kniestraat/Gouden Pand/Broerstraat (deels) en Sint Annastraat/Stationsstraat.

Plaatsing

De bebouwing van de kern is in een gesloten verband, in de rooilijn, langs of dwars en direct op de straat gesitueerd.

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De bebouwing telt overwegend 1 of 2 lagen met kap die qua omvang onderling veel verschillen. Overheersend zijn de traditionele bouwstijlen en de sobere tot enigszins rijke detaillering. In principe gesloten, sterk verticaal opgebouwde gevelwanden, behalve bij vooral de winkelpanden aan de Dijkstraat. Door modernisering van winkelpuien en het samentrekking van panden zijn horizontale elementen ingebracht. Daarnaast is veel oorspronkelijke detaillering verloren gegaan, waardoor de winkeluitstraling met reclames overheerst, en is er toename in de plaatsing van kunststofkozijn.

Waardering

De waardering voor dit gebied is zeer hoog. Deze betreft in ruimtelijke zin de gave historisch gegroeide structuur van water, wegen, dijken, kerkplein in samenhang met de aanwezige oude bebouwing, die voor het grootste deel bewaard is gebleven. Voor de bebouwing wordt de kwaliteit voornamelijk bepaald door de schaal, de individualiteit en de traditionele sterke verticale geleding. In de winkelstraten vormen het verlies van oorspronkelijke detaillering, de toename van horizontale elementen en kunststofkozijnen een bedreiging voor de beeldkwaliteit.

Beleidsintenties

Hier geldt een beleid van handhaven van de ruimtelijke structuur. Ook de bebouwing blijft in principe zoveel mogelijk gehandhaafd: handhaven van de verschillende onderdelen als schaal, individualiteit en verticale geleding. Verder incidenteel wijzigen op onderdelen (horizontale elementen, kunststofkozijnen, verlies oorspronkelijke detaillering) om het totaalbeeld en detaillering op een meer genuanceerde en verfijnde schaal te brengen.

7.5.4 Gebied 2 Stedelijke gebieden aan de rand van de oude kern

Analyse

Algemeen

De stedelijke gebieden liggen aan de oost-, zuid- en westrand van het beschermd stadsgezicht, tussen het Damsterdiep en Nieuwe Diep. Hoewel deze gebieden deels van oorsprong behoren bij de oude middeleeuwse kern, zijn ze door grote structurele, ruimtelijke en architectonische wijzigingen niet opgenomen in het beschermd gezicht. De overige gebieden zijn door de aanleg van het Nieuwe Diep in 1819 aan het grondgebied van de oude kern toegevoegd. De gebieden van De Smederij/Paardewasch en Borglaan zijn voormalige borgterreinen (Oost- en West-Snelgersma). Het gebied Ossedrift/Damkade en Uiterdijk zijn onder andere in gebruik geweest als bedrijfsterrein van de N.V. DAM. In het gebied Cleveringaplein e.o. lag ooit de Molenhorn met kleinschalige woonbebouwing en bedrijven.

In de tweede helft van de vorige eeuw in het kader van sanering en stadsvernieuwing zijn de oude bedrijven geamoveerd en de leeggekomen terreinen geherstructureerd (1980-heden) tot stedelijk ingerichte gebieden met een eigen karakter.

Door de ligging hebben de gebieden een sterke relatie met de oude binnenstad, het Damsterdiep en Nieuwe Diep. De hoofdstructuur wordt bepaald door het tracé van bovengenoemde waterwegen en oude uitvalswegen, waarbinnen nieuwe straten evenwijdig of dwars erop zijn aangelegd. Opvallend zijn de twee relatief grote open ruimten met publieke functie: het Cleveringaplein en de Ossedrift, ontstaan door sanering in de jaren 70. Deze wijken af van de oude structuur en worden gevormd door zakelijk vormgegeven woon- en winkel- blokken. De stedelijke gebieden bestaan overwegend uit woonbebouwing (jaren 80 rijenbouw, jaren 90 woon- blokken), enkele winkelblokken en bedrijfspanden.

Ruimte

De stedelijk ingerichte woongebieden, elk met een eigen identiteit, worden voornamelijk gekenmerkt door gesloten straatwanden van 1 tot 4 bouwlagen met of zonder kap. Hierop vormen de woonblokken aan de Borglaan (5 bouwlagen) die vrij in de ruimte staan en de open ruimten van het Cleveringaplein en de Ossedrift een uitzondering. De Ossedrift wordt gevormd door achterkanten van de oude bebouwing aan de St. Annastraat en winkel- en woonblokken en heeft een parkeerfunctie. Het Cleveringaplein wordt gevormd door winkelblokken en woningbouw uit de jaren 80. De hoofdstructuur is het beloop van het Damsterdiep en Nieuwe Diep met straten evenwijdig of dwars erop.

Plaatsing

De bebouwing is overwegend in een gesloten verband, in de rooilijn, direct op de openbare ruimte gesitueerd.

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De bebouwing die qua omvang onderling verschilt, kenmerkt zich voor wisselende bouwlaaghoogten (1 - 4 bouwlagen met of zonder kap). De gevelplastiek wisselt per project en het materiaalgebruik is steenachtig.

Waardering

Veel waardering is er voor de relatie met het water, de onder architectuur gebouwde projecten en in structureel opzicht de relatie met de oude binnenstad. De open ruimte van de Ossedrift wordt negatief gewaardeerd omdat het grotendeels gevormd wordt door achterkanten van winkel- en woonbebouwing en slechts een parkeerfunctie heeft.

Beleidsintenties

In de meeste gebieden is de dynamiek laag. Hier geldt een beleid van respecteren van de bestaande architectonische kwaliteiten. Echter met uitzondering van de Ossedrift en het Cleveringaplein: planmatig wijzigen met als doel het verbeteren van de architectonische en ruimtelijke kwaliteit. Ook zijn er locaties waar de dynamiek hoog is (planmatige nieuwbouw). Gelet op het karakter van de gebieden nabij het oude centrum worden aan nieuwbouw hoge architectonische eisen gesteld. Deze ingrepen kunnen op eigentijdse wijze gebeuren.

7.5.5 Gebied 3 Farmsumerweg, Woldweg

Analyse

Algemeen

In dit gebied overheerst het doorgaande karakter van de brede weg met weinig groen. De doorstroom van het verkeer staat voorop waardoor het gebied een vrij harde uitstraling heeft. De Woldweg en Farmsumerweg zijn oude uitvalswegen die respectievelijk na 1850 en 1900 deels aan weerszijden werden bebouwd met voornamelijk vrijstaande woonhuizen. Deze lineaire uitbreiding werd tot omstreeks 1940 voortgezet. Door de geleidelijke invulling is er in de loop der tijd qua stijl en type woonhuis een gevarieerd bebouwingsbeeld ontstaan, van villa-achtige bebouwing (met name Farmsumerweg) tot kleine traditionele woningen. Door de variatie aan bebouwing uit diverse tijdsperiodes in combinatie met de groene voortuinen wordt het harde beeld enigszins verzacht.

De oude uitvalswegen bezaten vroeger een meer laanachtig karakter. Na de oorlog werden de bomen gekapt, de sloten gedempt en de weg verbreed. Het lommerrijke karakter ging verloren en de nadruk kwam op het ver- keer te liggen. Het zuidelijk deel van de Woldweg werd verlegd, waardoor de achterkanten van de bebouwing aan de voormalige Woldweg (nu Kanaalweg) aan de huidige Woldweg voorkanten zijn geworden. Ook werden de ruimtes tussen de woonbebouwing opgevuld met hoofd- zakelijk bedrijfsbebouwing, die qua schaal en rooilijn afwijken, waardoor het lint wordt doorbroken. Achter de uitvalswegen liggen de voormalige bedrijventerreinen van o.a. de strokartonfabriek 'De Eendracht' (1908) en Waukesha (Bronsmotorenfabriek, 1907). Aan de Woldweg is het beeld plaatselijk extra groen doordat de weg grenst aan het hoog opgaande groen van het Burgemeester Welleman park (1960) en van de entree van de begraafplaats en het crematorium.

Ruimte

De vrij rechte wegen met een ruim profiel hebben een geasfalteerd wegdek met aan weerszijden fietspaden en trottoirs. De wegen hebben een vrij besloten karakter met af en toe doorzichten naar de achtergelegen bedrijventerreinen. Aan de uitvalswegen is in clusters overwegend vrijstaande woonbebouwing gelegen.

Plaatsing

De bebouwing is in een tamelijk gesloten verband in de rooilijn geplaatst, op enige afstand tot de weg. Het hoofdgebouw is prominent geplaatst op het terrein. Aan het noordelijk deel van de Woldweg staan karakteristieke oude dwarshuizen verspringend in rooilijn (oudste bebouwing).

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De bebouwing is 1 laag met kap en per cluster onderling overeenkomstig in omvang. De verscheidenheid aan woningtype en bouwstijl (met geen tot enigszins rijke ornamentiek) is gezichtsbepalend. Dit geeft een afwisselend beeld van diverse kleurtonen met consequent toegepaste steenachtige materialen.

Waardering

De waardering in dit gebied is vooral voor de architectonische verscheidenheid van de woonbebouwing qua type en stijl. De ruimtelijke waardering is niet hoog. De opkomst van bedrijfsbebouwing vormt een bedreiging voor de beeldkwaliteit.

Beleidsintenties

Hier geldt een beleid van incidenteel wijzigen van de inrichting van de ruimte en de bebouwing, op voorwaarde van gevarieerdheid en ruimtelijke en architectonische kwaliteit. Bedrijfsbebouwing mag het beeld niet overheersen.

7.5.6 Gebied 4 Koningstraat/Noordersingel/Solwerderweg/Delfzijlsterweg, Westersingel / Alberdaweg, Snelgersmastraat/Dijkhuizenweg/Stadsweg, Jukwerderweg, Tjamsweersterweg

Analyse

Algemeen

In dit gebied overheerst het doorgaande karakter van de weg, maar door een minder breed wegdek en meer groen in het profiel heeft het gebied in tegenstelling tot gebied 3 een meer authentieke uitstraling. Hier en daar is zelfs het oude patroon van sloten met bruggetjes nog aanwezig. Het profiel wordt groener naarmate we de randen bereiken. Van de oude verbindingsrouten tussen de stad met Groningen en Delfzijl (Westersingel – Solwerderweg, Stadsweg - Farmsumerweg) is de doorgaande verkeersfunctie grotendeels overgenomen door de ten noorden gelegen provinciale weg N360, waardoor zowel de Jukwerderweg als Tjamsweersterweg worden doorsneden. Door de relatie met het Damsterdiep en het omringende landschap verkrijgen de Westersingel, Solwerderweg en Dijkhuizenweg een meer open karakter vergeleken met het vorige gebied.

De oude uitvalswegen vormen de ruggengraat voor de overwegend vrijstaande woonbebouwing die aan 1 of beide zijden is gelegen De bebouwing heeft zich gedurende de periode 1850 tot heden langzaam verdicht, waardoor zowel oude boerderijtjes als 30-jaren woningen en naoorlogse bebouwing (waaronder enkele scholen) elkaar afwisselen. Verschillen met gebied 3 worden gevormd door de aanwezigheid van meer boerderijen en meer eenvoudige bebouwing.

Een bijzonderheid vormt het monumentale Hilghestede (Solwerderweg), een villa in een parkachtige omgeving. In het kader van naoorlogse saneringsplannen werden op enkele plekken huizen afgebroken. Daarvoor in de plaats kwam nieuwbouw die iets planmatiger van karakter is, maar zich wel voegt in het oude patroon. Uitgezonderd het in de jaren 60 aan de Delfzijlsterweg gebouwde verpleeghuis 'Huize Solwerd' en zorgcentrum 'Damsterheerd', die door hun afwijkende schaal de oude structuur doorbreken. Aan de Koningstraat is de achtergevel van de Aldi op de weg gericht en hebben de winkel en het buurpand verharde voorterreinen.

Ruimte

De slingerende wegen met vrij ruim profiel hebben een geasfalteerd wegdek met aan 1 of 2 zijden groenstroken, waarin af en toe boombeplanting, en voetpaden. Het profiel is vrij open door deels eenzijdige bebouwing en door de relatie met het Damsterdiep en het omringende landschap. Aan de wegen is op enige afstand in het groen overwegend vrijstaande woonbebouwing gelegen (af en toe een dubbel woonhuis) onderbroken door forse elementen.

Plaatsing

De bebouwing is onderling en ten opzichte van de weg enigszins wisselend in positie in een tamelijk gesloten verband geplaatst. Het hoofdgebouw is prominent, de nokrichting overwegend langs of dwars.

Bijzonder zijn de boerderijen aan de Solwerderweg die niet op de weg zijn gericht.

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De bebouwing is overwegend 1 laag met kap; bij het centrum een meer verstedelijkt beeld (tot 3 bouwlagen). Qua bebouwing is er vanwege de grote tijdsperiode waarin gebouwd is veel variatie in type en omvang. In vergelijking tot gebied 3 staat hier minder villa-achtige bebouwing, de bouwmassa's zijn in het algemeen eenvoudiger. Het materiaalgebruik is steenachtig in overwegend middentonen.

Waardering

Het groene profiel, de relatie met het Damsterdiep en het landschap en de variatie in de bebouwingstypen worden positief gewaardeerd. Negatief worden het zicht vanaf de Delfzijlsterweg op de loodsen aan de Energieweg en de verharde voorterreinen en de achtergevel van de Aldi aan de Koningstraat gewaardeerd.

Beleidsintenties

Hier geldt een beleid van incidenteel wijzigen van zowel de ruimte als de bebouwing echter onder voorwaarde dat het groene profiel en de gevarieerdheid in de bebouwing gerespecteerd worden. Handhaven van de open ruimtes en doorzichten (relatie met landschap).

7.5.7 Gebied 5 Fivelkade, Trekpad

Analyse

Algemeen

In het verleden was het Damsterdiep een belangrijke scheepvaartroute. Zeilschepen, trekschuiten en later stoomboten en motorschepen zorgden voor het vervoer van goederen en personen. Omstreeks 1650 werd de trekweg langs het Damsterdiep verhard, waardoor Appingedam een betere verbinding kreeg met de stad Groningen (transport per trekschuit). Na het graven van het Eemskanaal in 1870-76 op hetzelfde traject verloor het Damsterdiep echter zijn betekenis voor de scheepvaart, terwijl het spoor (aangelegd in 1884) een deel van het personenvervoer overnam. Tegenwoordig is het Damsterdiep vooral van belang voor de afwatering en de recreatievaart.

Aan de noordzijde van het Damsterdiep langs de Fivelkade (ten westen van de oude kern) en Trekpad (ten oosten van de oude kern) zijn in de 19e eeuw voornamelijk dwarshuizen gebouwd. Daarnaast staat aan de Fivelkade enige villa-achtige bebouwing (o.a. het Blauwe Huis) en aan het Trekpad enkele traditionele boerderijen en arbeiderswoningen. De uitstraling van deze gebiedjes is traditioneel door de oude bebouwing, vrij open door het water en groen door de bermen, boombeplanting, water met bruggetjes en voortuinen. De paden hebben slechts nog een ontsluitingsfunctie voor de belendende panden en een recreatieve functie. Door de komst van woonschepen aan de Fivelkade (vanaf eind jaren 50) en plateaus, beplanting, parkeerplaatsen en bebouwing op de wal heeft dit deel een meer besloten karakter gekregen en is de relatie met het Damsterdiep sterk verminderd. De uit 1961 stammende MLK-school aan de Westersingel met vleugel gericht op de Fivelkade wijkt af van de bebouwingskarakteristieken. Aan het Trekpad, bij de kruising met de Jan Bronsweg, zijn in de jaren 70 vrijstaande woonhuizen gebouwd met een meer regelmatig verkavelingpatroon. Een recente ontwikkeling is dat het oude profiel van water met bruggetjes aan het verdwijnen is.

Ruimte

De ruimte wordt bepaald door het profiel van het Damsterdiep, waarnaast het smalle trekpad met groene bermen, waaraan woonbebouwing (overwegend dwarshuizen) uit voornamelijk de 19e eeuw. De Fivelkade heeft deels een meer besloten profiel door woonschepen. Het Trekpad heeft een relatie met het aan de andere zijde van het Damsterdiep gelegen in het industrieterrein.

Plaatsing

De positie van de bebouwing onderling en ten opzichte van de weg is gevarieerd (bij centrum direct aan de weg). In het algemeen staat de bebouwing langs op de weg en is de rooilijn verspringend.

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De bebouwing bestaat uit 1 bouwlaag met kap (bij Trekpad bij centrum hoger), met onderling enig verschil in omvang en bestaat overwegend uit enkelvoudige volumes met weinig tot geen plastiek. De stijl en kleurstelling zijn traditioneel.

Waardering

De historische relatie met het Damsterdiep, het profiel van de openbare ruimte, de traditionele bebouwing en kleurstelling worden positief gewaardeerd. Aan de Fivelkade vormen de bebouwing, de plateaus, de beplanting en de parkeerplaatsen op de wal een bedreiging voor de beeldkwaliteit (verstoorde relatie met Damsterdiep). Ook de school en het dempen van slootjes waarover bruggetjes worden negatief gewaardeerd. Aan het Trekpad wordt het zicht op het busstation negatief gewaardeerd.

Beleidsintenties

Voor de Fivelkade en het Trekpad geldt een beleid van respecteren van de ruimtelijke kenmerken en karakteristieken van de traditionele bebouwing. Verder incidenteel wijzigen op onderdelen (niet dichtzetten oevers) om het zicht op het Damsterdiep te herstellen.

7.5.8 Gebied 6 Vooroorlogse uitbreidingen

Analyse

Algemeen

De opkomst van industrie aan het einde van de 19e eeuw heeft in de periode rond 1900 (tot 1940) geleid tot een forse uitbreiding in het woningbestand. Door de vele bedrijvigheid in de stad was de vraag naar arbeiderswoningen groot. Tevens werden op kleinere schaal villa's en burgerwoningen opgetrokken. De uitbreidingen vonden plaats buiten de oude middeleeuwse structuur, aan de noordzijde (gebied tussen spoorlijn, de wierde Solwerd, oude kern en de Wierde) aansluitend op de oude kern en ten zuidoosten en -westen van het Nieuwe Diep. In deze gebieden wordt de hoofdstructuur bepaald door oude en nieuwe uitvalswegen, waarbinnen bestaande straten zijn doorgetrokken en nieuwe evenwijdig of dwars erop zijn aangelegd (orthogonale stratenpatronen). In deze uitbreidingen die langzaam zijn ingevuld, kunnen we verschillende buurten onderscheiden met villa-achtige bebouwing, arbeiderswoningen of burgerwoningen.

Rond en na 1900 worden door de toename van welstand aan de Stationsweg riante vrijstaande villa's op ruime percelen opgetrokken. Het uitgesproken groene en brede wegprofiel geeft aan de weg een laanachtig karakter.

Na 1900 worden in opdracht van industriëlen en woningbouwverenigingen bloks- of buurtgewijs arbeiderswoningen gebouwd (Harmoniestraat, Pelikaanstraat, Patrimoniumstraat e.o., Westerkade e.o.). Aan smalle straatjes (zonder groen) worden 2 en 3 onder-1-kap (diverse typen) arbeiderswoningen opgetrokken, waardoor strakke gesloten wanden worden gevormd. Deze buurtjes hebben hierdoor een vrij harde uitstraling.

In de periode 1910-1940 komt bij het voormalig station (afgebroken jaren 80), aansluitend op de luxe bebouwing aan de Stationsweg, de Oranjebuurt tot ontwikkeling. Deze buurt bestaat voor het merendeel uit vrijstaande dertigerjaren burgerwoningen en villa's. De straat- profielen van de Wilhelminaweg, Heiliggravenweg en Julianaweg sluiten aan op het laanachtige karakter van de Stationsweg (Julianaweg minder groen). Aan de Julianaweg en Wilhelminaweg staat villa-achtige bebouwing op ruimere percelen, terwijl aan de Oranjeweg en Heiliggravenweg de bebouwing verhoudingsgewijs kleiner en eenvoudiger is (burgerwoningen). Een opvallend element is de RHBS (nu stadskantoor) aan de Wilhelminaweg uit 1917. In de jaren 30 worden ook aan de zuidzijde van Appingedam in het gebied rond het Mr. Synco Reyndersplein vrijstaande en dubbele burgerwoningen gebouwd, die in vergelijking tot de burgerwoningen in de Oranjebuurt meer eenvoudig en sober van opzet zijn. Opvallend is het plein dat rechthoekig van vorm is met centraal twee in elkaars verlengde liggende groenstroken omzoomd door bomen. In de jaren 50 zijn de open plekken (o.a. Heiliggravenweg) en randen van de buurten (o.a. noordelijk deel Stationsweg) verder ingevuld en krijgen een aantal blokken arbeiderswoningen aan de Harmoniestraat een extra verdieping. In de jaren 60 zijn aan de Stationsweg een stationskoffiehuis en een villa afgebroken. Op de plek van de villa staat nu een wooncomplex. Ook zijn de meeste villa's verbouwd tot appartementen.

In de afgelopen jaren zijn op kleine schaal oude woningen (sociale woningbouw) vervangen door nieuwbouw, verkocht aan particulieren en panden samengetrokken (noordelijk deel Schoolstraat, Pelikaanstraat). Hierdoor is de uniformiteit van de straatwanden verdwenen.

De oude scholenlocatie Hilgheborg zal worden heringericht.

Ruimte/Plaatsing

In de vooroorlogse uitbreidingen bevinden zich diverse buurten met een eigen karakter die ruimtelijk gezien een eenheid vormen. De straten met een laanachtig karakter waaraan villa- achtige bebouwing kenmerken zich door een licht slingerend, groen wegprofiel met groenstroken waarin beplanting en bomen. De bebouwing is ruim in het groen geplaatst, in een vrij open verband ten opzichte van elkaar en staat op ruime tot enige afstand van de weg. De straten waaraan meer eenvoudige burgerwoningen hebben minder groen in het wegprofiel. De bebouwing staat op enige afstand van de weg in een tamelijk gesloten verband en heeft een kleine voor- en achtertuin.

De straten met arbeiderswoningen kenmerken zich door een smal, recht wegprofiel zonder groen (uitgezonderd Westerkade) met aan weerszijden strakke, vrij uniforme straatwanden. De 2 of 3 onder-1-kap woningen (diverse typen) liggen direct aan de weg (jaren 30/40 iets terugliggend) in een gesloten verband.

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De villa-achtige bebouwing is overwegend 2 laag met kap en verschilt onderling enigszins in omvang. De bouwvorm is meestal samengesteld met een gemiddelde tot rijke plastiek (erkers, overstekken, balkons, portieken). Qua stijl is de verscheidenheid groot, de detaillering vaak rijk en de kleurtonen divers.

De burgerwoningen zijn verhoudingsgewijs kleiner en eenvoudiger en bestaan uit 1 laag met hoge kap (af en toe gebroken), die onderling qua omvang enigszins verschillen. De plastiek varieert van sober tot vrij complex (erkers, dakkapellen, portieken) en de detaillering is gemiddeld (Mr. Synco Reyndersplein sober). De kleuren worden bepaald door donkere tonen.

De arbeiderswoningen (overwegend lage en eenvoudige volumes) zijn 1 bouwlaag met kap, die per straat of blok niet verschillen in omvang, een sobere plastiek hebben en uniforme aanzichten (traditionele bouwstijl). Overwegend rode baksteen en grijze pan. Aan de K. Doormanstraat staat een opvallend blokje arbeiderswoningen opgetrokken in Amsterdamse Schoolstijl.

Waardering

In het algemeen is er veel waardering voor het eigen karakter van de diverse buurtjes (kleine architectonische en stedenbouwkundige eenheden) en voor de diversiteit aan woonbebouwing qua type en stijl. Ten aanzien van de buurten met villa-achtige bebouwing is de waardering hoog voor de fraaie groene profielen en voortuinen, de ruime verkaveling en de hoge architectonische kwaliteit van de bebouwing. Ten aanzien van de buurten met burgerwoningen is er veel waardering voor de staalkaart aan dertiger jaren burgerwoningen. Ten aanzien van de buurten met arbeiderswoningen is er veel waardering voor de vrij uniforme straatwanden; het verlies aan uniformiteit vormt een bedreiging voor de beeldkwaliteit.

Beleidsintenties

Voor de vooroorlogse uitbreidingen geldt een beleid van respecteren van zowel de ruimtelijke als de architectonische kenmerken. De bebouwing blijft in principe zoveel mogelijk gehandhaafd. Uitgangspunt bij individuele vernieuwingsplannen is verbouw die zich voegt in de bestaande karakteristieken.

7.5.9 Gebied 7 Wijken/buurten uit de tweede helft van de vorige eeuw tot heden

Analyse

Algemeen

Na de oorlog kwam een gerationaliseerde stadsuitbreiding opgang: in plaats van het bouwen van huis voor huis werden nu afgeronde woonwijken gepland. Deze wijken/buurten, waarin grote aantallen huishoudens gehuisvest moesten worden, verschillen per decennia in opzet en vorm. Net na de oorlog zijn aan de D. Nanningstraat e.o. (noordzijde), de D. Boeremastraat e.o. (zuidwestzijde) en de H. Kuperstraat e.o. (noordwestzijde) de eerste buurtjes opgetrokken, die bestaan uit een paar straten waaraan dubbele of rijen woningen bedoeld voor sociale huisvesting. De uitbreiding in Opwierde is veel groter van opzet.

In de jaren 60 komt naast rijenbouw de productie van etagewoningen opgang en wordt aan de George van Saksenlaan e.o. (Opwierde) een buurt in een meer krappe verkaveling opgetrokken. Vrij in de ruimte geplaatste galerijflats en portiekflats markeren de hoofdwegen en randen van de wijk waarmee straatwanden worden los- gelaten.

In de jaren 70/80 vinden aan de Koninginnelaan e.o., Beatrixweg, Zwanebloem e.o., De Tinge e.o. en in Opwierde II (grootschalig) uitbreidingen plaats. Er is geen behoefte meer aan hoogbouw. Aan de hoofdweg, waarop veelal geknikte woonstraten hun ontsluiting vinden, die zich op hun beurt vertakken en uitlopen in paden en pleintjes bevinden zich voornamelijk rijwoningen (sociale bouw). Deels ook luxe woningen als dubbele en vrijstaande woningen in een ruime verkaveling. Veel openbaar groen verlenen de woonbuurten een zo intiem en besloten mogelijk karakter.

In de jaren 90 is het woonerfprincipe verlaten ten gunste van doorgaande straten. Met name aan de westzijde van Appingedam worden nu veel buurten gebouwd (Oling, Oude IJsbaan, De Hoflanden, Olingermeeden I, Parksingel, Opwierderweg, Tagalayahof, Hipposterrein). Het accent ligt nu meer dan voorgaande decennia op het bouwen van een eigen woning (luxe vrije-sector, vrijstaande en dubbele woningen). De buurten/wijken zijn gevarieerder qua bebouwing, ruimer van opzet, veelal aan het water gesitueerd en de relatie met het landschap speelt een belangrijke rol. Ook is er een toe- name van onder architectuur gebouwde projecten.

Naast woonbebouwing is in deze buurten/wijken ook enige bebouwing met een andere functie (scholen, winkels, kantoren, sportcentrum, kerk etc.) die qua hoogte en omvang afwijkt en meestal vrij in de ruimte (in het groen) is gesitueerd. Deze bebouwing bevindt zich overwegend aan hoofdwegen en aan de randen van de wijken (uitgezonderd bebouwing aan de P. Bieremastraat).

Ontwikkelgebieden

Voor de ontwikkelgebieden die opgenomen zijn in dit bestemmingsplan geldt dat te zijner tijd nieuwe beeldkwaliteitsplannen worden opgesteld, die zullen dienen als welstandskader voor de herontwikkeling van deze gebieden. De herontwikkelingsgebieden vallen dan ook buiten dit welstandsgebied en hebben een eigen welstandsgebied gekregen, die wordt toegelicht in subparagraaf 7.5.16.

Ruimte

De buurten uit de 2e helft van de 20e eeuw bevinden zich in principe los van de oude gegroeide doorgaande wegenstructuur. Meestal zijn ze onzichtbaar vanaf de doorgaande straten van de kom.

Ondanks het standaardmatige van de verkaveling en bouwwijze, zoals andere naoorlogse buurten/wijken in Nederland, zijn er wel duidelijk verschillen in straatverloop en planmatige opbouw per buurt. In het algemeen geldt dat er met name na 1990 relatief ruim verkaveld is, wat zich uit in veel openbaar en privé groen en waterelementen.

Plaatsing

De bebouwing is in de rooilijn geplaatst langs de straat of hof, waarbij per project een verschillende mate van openheid in het ruimtelijk beeld bestaat. De meeste openheid is er in de stroken aan de randen van de wijken en langs ontsluitingen (groenstroken, parken, land- schap).

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De bebouwing bestaat uit per project of bouwstroom overeenkomstig herhaalde typen in 1 of 2 lagen met of zonder kap. De gevels geven eveneens een beeld van herhaling en het materiaalgebruik is steenachtig. In de jongere buurten is er meer variatie in aanzichten en zijn er incidenteel ook woningen in hout uitgevoerd.

Waardering

De plaatselijk ruime verkaveling, de aanwezigheid van veel openbaar groen en waterelementen (deels oude waterlopen) en de relatie met het landschap worden hoog gewaardeerd. Voor de bebouwing is de waardering grotendeels neutraal; positief voor de onder architectuur gebouwde projecten. De woonerven waaraan rijenbouw uit de jaren 70 en de galerijflats uit de jaren 60 worden qua wooncomfort en de lage architectonische en ruimtelijke kwaliteiten negatief gewaardeerd.

Beleidsintenties

Er geldt een beleid van respecteren van het groene karakter en de vele waterelementen in de woonbuurten en de ruime opzet van de wijken. Voor de bebouwing geldt respecteren van de per project overeenkomstige karakteristieken (blokniveau handhaven). Bij verbouw van 'meer' individuele panden mag de architectonische kwaliteit niet achteruit gaan. In de meest recente gebieden zal de dynamiek laag zijn en beperkt blijven tot geringe gevelwijzigingen of uitbreidingen. Voor de oudere gebieden zal de dynamiek hoger zijn omdat de bebouwing veelal niet meer voldoet aan de wooneisen van deze tijd. De nadruk in deze gebieden ligt vooral op planmatige veranderbaarheid van delen van de bebouwing (programma ontwikkelen met eigen regels en dynamiek).

7.5.10 Gebied 8 De Wierde

Analyse

Algemeen

De Wierde is gelegen aan de noordwestzijde van de oude stadskern en is waarschijnlijk één van de oudst bewoonde gebieden van Appingedam. Van de oorspronkelijke bewoningsgeschiedenis is echter weinig bekend. In de 14e eeuw wordt hier een Augustijner mannenklooster gesticht, vandaar dat ook de naam Monnikenwierde wordt gebruikt. In de 16e eeuw wordt de Groote Heekt gegraven, die de westzijde van De Wierde afsluit. Kenmerkend voor een wierde is de radiale structuur en de ophoging, die nog waarneembaar is. Het gebied heeft een vrij besloten karakter. Een deel van het gebied (niet afgegraven deel) is aangewezen als archeologisch monument.

De bebouwing op De Wierde bestaat voornamelijk uit kleinschalige woonbebouwing uit eind 19e begin 20e eeuw, voornamelijk geconcentreerd langs De Wierde, het noordelijk deel van het Bolwerk, oostzijde Broerstraat en Nieuwstraat. Dicht bij het centrum vormt de bebouwing gesloten straatwanden, terwijl meer naar het noorden toe de bebouwing vrijstaand is. De open en gesloten groene ruimtes (o.a. 2 begraafplaatsen, plantsoen) drukken een specifieke stempel op dit gebied. Omstreeks de jaren 30 van de 20e eeuw werden aan de Netweg een opvallend rijtje eenvoudige vrijstaande en dubbele burgerwoningen gebouwd. Op het westelijk deel van de afgegraven wierde werd in de jaren 70 aan De Paasweide een aantal complexen bejaardenwoningen gebouwd, radiaal gesitueerd ten opzichte van het 5 verdiepingen tellende hoofdgebouw. In tegenstelling tot de kleinschalige situatie op De Wierde wordt het westelijk deel gedomineerd door de grote schaal van het woonzorgcomplex. In de jaren 80 zijn aan De Wierde twee-onder-1-kap woningen (houtskeletbouw) neergezet.

Ruimte/plaatsing

De ruimte op De Wierde is vrij besloten door smalle wegprofielen met of gesloten straatwanden (Nieuwstraat, Broerstraat) of hoog opgaand groen. De kleinschalige woonbebouwing is overwegend vrijstaand en is in de rooilijn, direct op de weg in een tamelijk gesloten verband geplaatst. De nokrichting is langs of dwars op de weg.

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De bebouwing bestaat uit één laag met kap. De traditionele bouwvormen zijn eenvoudig van opzet met een vrij sobere detaillering. De bebouwing is steenachtig van aard en qua toon in de middenkleuren gehouden. Burgerwoningen aan de Netweg: hoge kappen, donkere kleurtoon.

Waardering

De waardering voor dit gebied is hoog. Dit betreft in ruimtelijke zin de verhoogde ligging, de radiale structuur, het groen, water, stratenpatroon en profiel.

Daarnaast is er veel waardering voor het kleinschalige, gevarieerde en traditionele karakter van de bebouwing. Negatief worden de schaal en situering van de hoogbouw van de 'Paasweide' gewaardeerd.

Beleidsintenties

In dit gebied is het beleid gericht op handhaven van de ruimtelijke kwaliteiten. Voor de bebouwing geldt handhaven van de schaal en gevarieerdheid in de bebouwing. Verder respecteren van de overige karakteristieken.

7.5.11 Gebied 9 Opwierde

Het wierdendorpje Opwierde vormt aan de zuidoostzijde van Appingedam de overgang van het stedelijk gebied naar het open landschap. Opwierde heeft nog veel kenmerken van een wierdendorp. Het gebied kent een karakteristieke hoogteligging, een zekere radiale gerichtheid, een ringweg en een open bebouwingspatroon. Opwierde-Noord werd in 1988 in de zin van de Monumentenwet aangewezen als archeologisch monument en dateert in aanleg uit de voorromeinse ijzertijd. Van Opwierde-Zuid (zogenaamde dubbelwierde) zijn grote delen afgegraven, nog te herkennen aan verhogingen in het landschap.

De bebouwing van Opwierde, die grotendeels stamt uit de periode voor 1940, bestaat voor het merendeel uit kleinschalige vrijstaande woonhuizen. De verhoogd gelegen kerk uit de 13e eeuw in romano-gotische stijl, de naar binnen gerichte boerderijen en de open ruimtes zijn daarbij beeldbepalend.

De nederzetting bestond oorspronkelijk uit een kerk, enkele boerderijen en arbeiderswoningen. Na 1850 heeft de open structuur zich enigszins verdicht met kleine vrijstaande woonhuizen in de vorm van lichte lintbebouwing. Na de aanleg van het Eemskanaal (1870-76) met brug ten zuiden van Opwierde werd de dorpsbebouwing uitgebreid met woningen bij de brug. Tussen 1920-1940 werden in het noorden aan weerszijden van de ringweg (Opwierderweg) eenvoudige woningen neergezet. De woningen aan de buitenzijde van de ringweg zijn na 1940 gesloopt om plaats te maken voor de oprukkende nieuwbouw, waardoor Opwierde vastgroeide aan Appingedam.

Meer recente ontwikkelingen zijn het verlies van de agrarische functie van de boerderijen en nieuwbouw die onder andere qua schaal afwijkt van de oude bebouwingskarakteristieken.

Ruimte/plaatsing

Opwierde vormt de zuidoostelijke stadsrand en wordt gekenmerkt door gegroepeerde kleinschalige woonbebouwing in een open landelijk gebied. Karakteristiek zijn de verhoogd gelegen kerk en de solitair gelegen boerderijen. De vrijstaande bebouwing is in een open verband, langs of dwars op de weg en in wisselende positie ten opzichte van de weg geplaatst.

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De bebouwing telt één bouwlaag met kap, die qua omvang per cluster overeenkomstig is. De traditionele bouwvormen zijn eenvoudig van opzet en sober gedetailleerd.

Waardering

In ruimtelijke zin is de waardering voor dit gebied zeer hoog door de vrij gave historisch gegroeide structuur bestaande uit de verhoogde ligging, een radiale gerichtheid, een ringweg en een open bebouwingspatroon. Voor de bebouwing wordt de kwaliteit met name bepaald door de individualiteit en kleinschaligheid van de bebouwing (architectonische kwaliteit bebouwing niet hoog). Nieuwbouw die afwijkt van de bestaande bebouwingskarakteristieken vormt een bedreiging voor de beeldkwaliteit.

Beleidsintenties

Het algemene beleidskenmerk is hier respecteren. Behoud moet worden nagestreefd voor de specifieke ruimtelijke karakteristieken, landschappelijke waarden het individuele en kleinschalige karakter van de bebouwing. Bij vernieuwing dient het bestaande beeld gerespecteerd te worden.

7.5.12 Gebied 10 Solwerd

Analyse

Algemeen

In de noordoosthoek van Appingedam ligt de deels afgegraven wierde Solwerd, die geheel is opgenomen in het stedelijk weefsel. De ruimte is echter duidelijk afgebakend en bezit een vrij open landelijk karakter. Aan de westzijde wordt de wierde afgesneden door de Jan Bronsweg die na de oorlog is aangelegd. Door de hoogteligging en de radiale opzet bezit het voormalig kerk- dorpje qua structuur de kenmerken van een wierdendorp. Zowel de gronden van de wierde als de opstallen zijn aangewezen tot beschermd monument.

De bebouwing stamt uit de periode van voor 1900. Door de centrale en hoge ligging domineert de uit de 2e helft van de 18e eeuw stammende zaalkerk het beeld. In een krans om de kerk liggen enkele boerderijen, waaronder een zeldzame oude weem uit 1554 (met bedrijfsgedeelte naar de weg gekeerd).

De naoorlogse paardenschuur op het afgegraven deel van de wierde (zuidwesthoek) wijkt af van de ruimtelijke karakteristieken.

Ruimte/plaatsing

De wierde heeft een landelijk karakter en is grotendeels onbebouwd. De agrarische bebouwing staat op ruime kavels, die deels zijn omgracht en met oorspronkelijke erfbeplanting. Een fraai element is het groene laanachtige profiel van de Pastorielaan.

De solitair gelegen bebouwing is in wisselende positie en op ruime afstand van de weg geplaatst, met bijgebouwen in beeld.

Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De bebouwing bestaat overwegend uit oude boerderijen van een eenvoudige opzet, een traditionele typering en sobere uitstraling. De bebouwing is overwegend steenachtig van aard (gevels roodbruine baksteen) en qua toon in de middenkleuren gehouden.

Waardering

Solwerd is een gebied dat zeer hoog gewaardeerd wordt vanwege de combinatie van landschappelijke kwaliteiten, de gave historisch-ruimtelijke structuur en de monumentale bouwwerken in een prachtige groene omgeving (oude erfbeplanting). De paardenschuur wordt negatief gewaardeerd, omdat de schuur het uitzicht op de wierde met bebouwing verstoord.

Beleidsintenties

Er geldt een beleid van handhaven van de kenmerkende gave historisch-ruimtelijke structuur en voor het groen. Ook de bebouwing blijft in principe zoveel mogelijk gehandhaafd. Veranderingen zullen hoofdzakelijk bestaan uit kleine aanpassingen aan de bestaande bebouwing.

7.5.13 Gebied 11 Bedrijventerreinen

Analyse

Algemeen

In Appingedam ligt een aantal bedrijventerreinen. Van oudsher zijn deze gebieden verbonden met het water en hiervan afhankelijk. Aan het einde van de 19e eeuw vond er een opkomst van bedrijvigheid, vanuit de scheepvaart voortkomend, plaats. Deze industrialisatie zette door in het eerste kwart van de 20e eeuw en de stad groeide gaandeweg uit tot industrieel centrum van Fivelingo. In 1907 vestigde de motorenfabriek van Brons zich aan het Damsterdiep (in 1989 overgenomen door Waukesha Engine Division). Een jaar later werd de strokartonfabriek 'De Eendracht' langs de Groeve gebouwd. Alleen de oude schoorsteenpijp van 'De Eendracht' en de fabriekshal van Brons herinneren nog aan deze bloeiperiode van Appingedam. Beide bedrijvenlocaties zijn in de loop der tijd natuurlijk gegroeid. Inmiddels wordt het noordelijke deel van De Eendracht herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. De overige terreinen (naoorlogs) zijn planmatig opgezet. De terreinen zijn geconcentreerd tussen de Groeve en de Woldweg en het Damsterdiep en de Farmsumerweg, ten oosten van de oude kern. Het Woonplein (winkels) ligt aan de zuidzijde van de Farmsumerweg en het Stationsgebied met kantoren (in aanbouw) is gelegen aan de noordzijde van de stad langs het spoor en de N360.

Ruimte/Plaatsing/Hoofdvorm/Aanzichten/Opmaak

De oude bedrijventerreinen zijn grotendeels zichtbaar vanaf de doorgaande wegen en/of vanaf het water. De jongere terreinen liggen aan straten die loodrecht op de uitvalswegen staan, waardoor ze minder zichtbaar vanaf de openbare weg zijn. Waar dit wel aan de hand is, heeft de bebouwing over het algemeen een meer zorgvuldig vormgegeven uiterlijk. De planmatig aangelegde bedrijventerreinen zijn in tegenstelling tot de organisch gegroeide terreinen (geconcentreerd) ruimer van opzet. De bebouwing staat op enige afstand tot de weg en is tamelijk gesloten.

Waardering

De oude bedrijventerreinen worden negatief gewaardeerd, terwijl de jongere bedrijventerreinen in het alge- meen de omgeving niet verstoren. Bebouwing met een onacceptabele kwaliteit gericht naar het openbaar gebied heeft een storend effect op de omgeving. De oude bebouwingselementen van Waukesha (fabriekshal) en 'De Eendracht' (schoorsteenpijp) worden positief gewaardeerd als herinnering aan het rijke industriële verleden van Appingedam.

Beleidsintenties

Bij vernieuwing of uitbreiding van de bebouwing op de terreinen geldt een beleid van vrij veranderen. Voor de oude bebouwingselementen (fabriekshal, schoorsteen- pijp) geldt een beleid van respecteren. Voor zichtlocaties dient de vormgeving een acceptabele architectonische kwaliteit te hebben.

7.5.14 Gebied 12 Agrarische gebieden

De agrarische gebiedjes, gelegen aan de zuidzijde van de Kanaalweg en aan de noordzijde tussen het spoor en de N360, vallen onder het welstandsregime van gebied C3 Wierdenlandschap Appingedam-Delfzijl van de regionale welstandsnota.

7.5.15 Gebied 13 Bedrijventerrein Fivelpoort

Voor het Bedrijventerrein Fivelpoort, dat ten zuiden van de stadskern van Appingedam valt, maar wel onderdeel is van het stedelijk gebied, is een separaat beeldkwaliteitsplan ontwikkeld. Dit beeldkwaliteitsplan blijft ook in de toekomstige situatie gelden voor de gronden van het bedrijventerrein. Daarom zijn in dit plan geen regels opgenomen ten aanzien van dit gebied.

7.5.16 Gebied 14 Ruimte voor afwijkende bouw

Er zijn enkele gebieden die als herstructureringslocatie worden aangemerkt in het Chw bestemmingsplan. Voor deze gebieden worden specifieke beeldkwaliteitplannen opgesteld of gelden al beeldkwaliteitplannen.

Hiermee kan voor iedere ontwikkellocatie een afweging worden gemaakt tot hoe ver (open - gesloten) de eisen geformuleerd moeten worden en waar de accenten dienen te liggen. Tevens is de programmatische opgave voor deze gebieden nog onvoorzien. De invulling hiervan zal invloed hebben op welke criteria leidend zijn.

Hoofdstuk 8 Toelichting op de bestemmingen

8.1 Opzet van het bestemmingsplan

In dit hoofdstuk worden de bestemmingen en andere regels van het Chw bestemmingsplan toegelicht. De bestemmingen regelen de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan geeft aan voor welke doeleinden de gronden zijn bestemd.

8.2 Afstemming op de landelijke standaard

Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), zoals deze gelden per 1 juli 2008. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is de opvolger van de SVBP 2008 en is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt.

De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden Zo voorziet het SVBP in een standaardopbouw van een bestemmingsplan door onder meer:

  • 1. standaardbenamingen van een bestemming en de daarin voorkomende bepalingen;
  • 2. alfabetische volgorde van begrippen en bestemmingen en een vaste volgorde in de bestemmingen;
  • 3. een aantal standaard begripsbepalingen;
  • 4. een standaard wijze van meten;
  • 5. vaste kleuren en kleurcodes van een bestemming op de verbeelding;
  • 6. standaardbenamingen van aanduidingen in de regels en op de verbeelding.

8.3 Verbeelding ('geometrische bestanden')

Het bestemmingsplan is (in analoge vorm) op meerdere kaarten weergegeven. In digitale zin - en daar doelt de Wet ruimtelijke ordening ook op - is er overigens geen sprake van een papieren verbeelding (dat is immers een analoog bestand), maar van een 'geometrisch bestand'.

8.4 Bestemmingen

Agrarisch

De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch' hebben als hoofdfunctie het agrarisch gebruik van de gronden. In de gebieden worden mogelijkheden geboden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. De bescherming van het landschap is in beginsel ondergeschikt aan het agrarisch gebruik, met uitzondering van een aantal waardevolle landschapselementen. De gronden met deze bestemming waren in eerste instantie opgenomen in het deelplan Agrarische gebieden, maar vallen nu deels in dit bestemmingsplan vanwege de wijziging van de geluidzone rondom Industrieterrein Woldweg.

Agrarisch - Bedrijf

Binnen het plangebied komt zeer incidenteel de bestemming 'Agrarisch - Bedrijf' voor. Zo ligt er aan de zuidoostelijke rand, op de overgang van de stad naar het buitengebied, een agrarisch bedrijf. Dat is in dit plan met een beperkt bouwblok bestemd. Ook aan de Jan Bronsweg 4 komt de bestemming “Agrarisch - Bedrijf” voor. De bedrijfswoningen binnen deze bestemming zijn geregeld door middel van een aanduiding. Binnen de aangegeven bouwvlakken zijn ontwikkelingsmogelijkheden opgenomen voor de bedrijven. Gelet op de ligging op een wierdegebied en de relatief bescheiden bedrijfsvoering zijn deze overigens bescheiden gehouden. Als andere bouwwerken zijn uitsluitend erf- en terreinafscheidingen mogelijk.

Agrarisch - Cultuurgrond

Binnen het plangebied liggen op enkele plaatsen agrarische cultuurgronden. Deze cultuurgronden zijn overeenkomstig hun huidige gebruik bestemd. Binnen de bestemming wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt, met uitzondering van enkele bestaande schuren, die zijn specifiek aangeduid. Als andere bouwwerken zijn uitsluitend erf- en terreinafscheidingen mogelijk.

Bedrijf - 1 en - 2

Op enkele plaatsen binnen het plangebied komen de bestemmingen 'Bedrijf - 1' en 'Bedrijf 2' voor. Deze regelen over het algemeen kleinschalige (nijverheids- en verzorgende) bedrijven die zich binnen woongebieden hebben ontwikkeld. Binnen deze bestemmingen wordt de aard van de bedrijven vastgelegd. De meeste van de bedrijven zijn te midden van of nabij woningen gelegen en een negatieve beïnvloeding van de woonfunctie moet worden voorkomen. Daarom wordt uitgegaan van een basisregeling die bedrijven uit respectievelijk de milieucategorieën 1 (Bedrijf - 1) en 2 (Bedrijf - 2) toestaat. Dat zijn lichte vormen van bedrijvigheid die algemeen passend en aanvaardbaar worden geacht voor vestiging in het woongebied. In de bijlagen bij de regels is een bedrijvenlijst opgenomen, die gebaseerd is op de 'Basiszoneringslijst' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Bedrijven uit een hogere milieucategorie zijn specifiek aangeduid.

Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waardoor er ook bedrijven zijn toegestaan die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de in bijlage 3 Bedrijvenlijst genoemde bedrijven mits het niet gaat om geluidszoneringsplichtige bedrijven, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven. Dit kan gelden voor nieuwe bedrijvigheid, die niet als zodanig in de lijst is genoemd, of zwaardere bedrijvigheid, die qua omvang zodanig gering is, dat de milieubelasting vergelijkbaar is met de milieubelasting van een lichtere vorm van bedrijvigheid.

De zwaardere bedrijven die niet passen in de in bijlage genoemde bedrijvenlijst, worden met een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Wanneer er een (gedeeltelijke) bedrijfsverplaatsing of beëindiging van een dergelijk bedrijf aan de orde is, dan kan de bestemming zodanig worden veranderd dat zich op de betreffende locatie alleen nog eenzelfde soort bedrijf of een bedrijf uit categorie 1 en 2 kan vestigen, of worden gewijzigd naar een woonbestemming.

In principe wordt per bedrijf rekening gehouden met een bijbehorende bedrijfswoning. Deze zijn aangeduid op de verbeelding. Daar waar geen aanduiding is opgenomen is geen bedrijfswoning toegestaan.

Bedrijf - 3

De gronden van de laad- en losplaats aan het Eemskanaal, aan de noordzijde van Bedrijventerrein Fivelpoort hebben een specifieke bestemming gekregen, omdat dit de enige plaats is waar een dergelijke functie voor komt. Daarom is de bestemming Bedrijf - 3 hier van toepassing. Binnen de bestemming zijn laad-, los- en overslagbedrijven voor de binnenvaart van ten hoogste categorie 4.2 toegestaan.

Bedrijf - Gasdrukmeet- en regelstation

De gasontvanginstallatie van de Gasunie hebben een specifieke bestemming gekregen. Ook is binnen deze bestemming een omheining mogelijk van 3 meter. Rondom de installatie is de gebiedsaanduiding '' opgenomen ter bescherming van de veiligheid van personen. Het gasontvangstation op het terrein van De Eendracht is niet als zodanig bestemd. Er zijn concrete plannen dat dit station gesloopt wordt.

Bedrijf - Nutsvoorzieningen

Bestaande aanwezige nutsgebouwen zijn dienovereenkomstig bestemd. Dit geldt ook voor het nutsbedrijf aan de Energieweg. Desgewenst voorzien enkele wijzigingsbevoegdheden in de plaatsing van nieuwe nutsgebouwtjes.

Bedrijf - Verkooppunt van motorbrandstoffen

Deze bestemming komt twee keer in het plangebied voor en wel ter plaatse van Woldweg 13 en van Farmsumerweg 62. De bestemming is afgestemd op de bestaande situatie; verkoop van LPG is vanwege aspecten van externe veiligheid uitgesloten.

Bedrijventerrein - 1 tot en met - 4

Het merendeel van de gronden binnen de bedrijventerreinen Farmsumerweg, Woldweg en Fivelpoort is onder de bestemming 'Bedrijventerrein' gebracht. Om enerzijds de bedrijfseconomische belangen en vigerende rechten in acht te nemen en anderzijds de woonfunctie in de directe omgeving te beschermen tegen hinder van bedrijven, is de bestemming in drie categorieën onderverdeeld door middel van categorieaanduidingen. Deze categorieaanduidingen zijn gebaseerd op de milieucategorieën uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”.

  • bedrijven tot en met milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter tot aan woonomgeving;
  • bedrijven tot en met milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter tot aan woonomgeving;
  • bedrijven tot en met milieucategorie 3.2". Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter tot aan woonomgeving.

Binnen de bestemmingen 'Bedrijventerrein - 1' tot en met 'Bedrijventerrein - 3' is het onderscheid louter gebaseerd op de milieucategorisering. De bestemming 'Bedrijventerrein - 4' is gehanteerd voor het zuidwestelijk deel van Fivelpoort. Naast een maximum milieucategorie (3.1) zijn hier ook bedrijven uit de lichte industrie, handel en bouwnijverheid toegestaan. Binnen deze bestemming is beperkt volumineuze detailhandel toegestaan, namelijk detailhandel in auto's, boten, caravans en grove bouwmaterialen toegestaan.

In het gehele plangebied is de vestiging van risicovolle inrichtingen, vuurwerkbedrijven en geluidszoneringsplichtige inrichtingen uitgesloten. Voor de gezoneerde bedrijventerreinen is een gebiedsaanduiding 'gezoneerd terrein' opgenomen, waarbij bedrijven tot en met de in de bestemming genoemde categorieën zijn toegestaan, inclusief geluidgezoneerde bedrijven.

Binnen de bedrijventerreinbestemmingen komen bedrijven voor uit een hogere milieucategorie dan is toegestaan. Deze bedrijven zijn door middel van specifieke aanduidingen geregeld. Hiermee wordt voor deze bedrijven een regeling geboden waarmee ze in de toekomst op de huidige locatie kunnen blijven functioneren. Bij beëindiging of verplaatsing van het bedrijf mag op deze plek alleen een gelijk bedrijf of een ander bedrijf tot en met de toegestane milieucategorie zich vestigen. Ook voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Energieweg is gezien het karakter van dit bedrijf gekozen voor een specifieke aanduiding. Als het bedrijf met de hogere categorie dan algemeen in de betreffende bestemming toegestaan, weggaat, kan met een wijzigingsbevoegdheid de aanduiding worden verwijderd. Hiervoor wordt wel het criterium gehanteerd dat het bedrijf minimaal een jaar weg moet zijn. Is er inmiddels een soortgelijk bedrijf gevestigd, dan is dat geen reden om de wijzigingsbevoegdheid toe te passen.

De bebouwingsmogelijkheden op het bedrijventerrein zijn in het plan op een vrij globale manier vastgelegd. In verband met de landschappelijke inpassing is aan de west- en zuidrand van het bedrijvengebied Fivelpoort een lagere bouwhoogte toegestaan. Verder is de afstand van een gebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens afgestemd op de huidige situatie dan wel de vigerende regeling. In het plangebied komt een aantal bedrijfswoningen voor. Deze zijn allen aangeduid. Het is niet toegestaan nieuwe bedrijfswoningen (behalve ter vervanging van de huidige) in het plangebied te situeren.

Bos

Nabij de nieuwe woonuitbreiding Olingermeeden ligt een brede bosstrook die dienovereenkomstig is bestemd. Datzelfde geldt voor een bebost gebied nabij het crematorium en enkele bosgronden aan de zuidoostzijde van het woongebied. De bestemming 'Bos' regelt daarnaast enkele bestaande bospercelen in de randzones van de wijken.

Centrum

Het kernwinkelgebied van Appingedam is vanwege de grote functiemenging en de ambitie om de verzorgende (regio)functie van dit gebied te versterken, voorzien van de bestemming 'Centrum'. Detailhandel, dienstverlening en lichte horeca (categorie 1) zijn en worden de belangrijkste functies naast wonen. Op de plaatsen waar de aanduiding “specifieke vorm van horeca - logiesverstrekking” is opgenomen, is logiesverstrekking toegestaan. Ook op andere locaties binnen deze bestemming is logiesverstrekking (onder voorwaarden) mogelijk, nadat een wijzigingsprocedure succesvol doorlopen is. Ook een aan huis verbonden beroep is mogelijk tot 30% van het totale begane vloeroppervlak met een maximum van 75 m2. Op de meest oostelijke en westelijke percelen binnen deze bestemming is horeca niet toegestaan, omdat deze gebieden niet passen binnen het horecabeleid. Wonen op de begane grond aan de Dijkstraat is niet toegestaan (met uitzondering van een bestaande woning).

Door middel van aanduidingen zijn de verschillende (vaak kenmerkende en onderscheidende) goot- en bouwhoogtes vastgelegd. Ter bescherming van de waardevolle doorzichten en achterkantsituaties aan het Damsterdiep moeten alle gebouwen binnen het bouwvlak gebouwd worden.

Detailhandel - 1

Enkele op zichzelf gelegen winkels, zijn dienovereenkomstig bestemd. Dit betreffen de detailhandelsbedrijven in de uitlopers en polen van het kernwinkelgebied (onder andere Overdiepterrein, Cleveringaplein en Ossendrift) en aan de Farmsumerweg. De supermarkten in het plangebied zijn, vanwege de grootte van het vloeroppervlak, specifiek geregeld via de aanduiding “specifieke vorm van detailhandel - voedings- en genotmiddelen”. Eventueel aanwezige (bedrijfs)woningen en het wonen op het Overdiepterrein zijn mogelijk gemaakt middels de aanduiding “wonen”.

Detailhandel - 2

Het woonplein aan de Farmsumerweg heeft een bestemming die primair is afgestemd op volumineuze detailhandel. Op deze locatie wordt ruimte geboden aan detailhandel die qua soort artikel niet in een stadscentrum thuishoort, zoals meubelzaken en bouwmarkten. In het Tussengebied is binnen de bestemming 'Bedrijventerrein - 1'volumineuze detailhandel mogelijk (voorzien van specifieke aanduiding). Ook binnen de bestemming 'Bedrijventerrein - 4' is een mogelijkheid voor volumineuze detailhandel (in beperkte vorm) opgenomen voor het oostelijke deel van bedrijventerrein Fivelpoort.

Dienstverlening

Deze bestemming heeft betrekking op enkele kantoorlocaties in het plangebied, zoals die op de stationslocatie (westzijde station), aan de Farmsumerweg en aan de Burgemeester Klauckelaan. Ook heeft de bestemming 'Dienstverlening' betrekking op enkele kantoor- en dienstverlenende activiteiten voor zover zij niet binnen de bestemmingen 'Centrum' of 'Gemengd - 2' gesitueerd zijn. De bestemming is enerzijds in hoofdzaak afgestemd op de aanwezige situatie, terwijl anderzijds enige ontwikkelingsruimte is geboden nabij het station, conform het daarover ingezette beleid.

Gemengd - 1

De bestemming 'Gemengd - 1' heeft betrekking op het nieuwe wijkwinkelcentrum in de wijk Opwierde. Het betreft hier een bestemming waarin ruimte bestaat voor winkels, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen, al dan niet in combinatie met het wonen.

Gemengd - 2

De bestemming 'Gemengd - 2' is specifiek van toepassing op het gebied rondom de Solwerderstraat. Het beleid is hier gericht op profilering richting ambachtelijke bedrijvigheid, galeries en ateliers, lichte horeca (categorie 1), dienstverlening en sociaal-culturele functies (cultuurtoerisme). Dientengevolge is de detailhandel (winkels) binnen deze bestemming speciaal geregeld via aanduidingen ('detailhandel') die relatief eenvoudig kunnen worden verwijderd. Dit is om geleidelijke verschuiving van dergelijke activiteiten naar de Dijkstraat mogelijk te maken. Vanuit een heel ander perspectief is de aanduiding 'onderdoorgang' opgenomen, die de hangende keukens regelt. De voor Appingedam zo kenmerkende incidentele uitbouw boven het Damsterdiep wordt hiermee beschermd en vastgelegd.

Groen 

Waardevolle groengebieden zoals parken, groene zones langs het water en enkele markante groene plekken vallen onder de bestemming 'Groen'. Deze bestemming beoogt handhaving van de structurele en waardevolle groenfunctie die deze gebieden en terreinen hebben in het centrumgebied. De muziekkoepel past binnen de regeling van de bestemming. Plaatselijk komt binnen de bestemming 'Groen' ook water voor. Gelet ook op de waterhuishoudkundige betekenis, houdt de bestemmingsomschrijving daar rekening mee.

Horeca - 1, - 2 en - 3

Zoals eerder aangegeven komt in het centrumgebied een flink aantal horecabedrijven voor. Ook in de woongebieden is een aantal horecabedrijven. Overeenkomstig het gemeentelijk horecabeleid zijn de aanwezige horecabedrijven al naar gelang hun mogelijke invloed op de omgeving in drie categorieën onderverdeeld, ieder met een eigen bestemming.

In de begripsbepalingen zijn de drie categorieën nader gedefinieerd. Een 'Horeca - 1' bestemming is voornamelijk bedoeld voor bedrijven die dranken en eenvoudige etenswaren overdag bereiden en verstrekken zoals een croissanterie, koffiebar, lunchroom, ijssalon of petit-restaurant.

De 'Horeca - 2' bestemming is van toepassing op zowel de eerder aangehaalde lichte als de iets zwaardere horecabedrijven die over het algemeen hoge bezoekersfrequenties kennen gedurende de avond, zoals het McDonalds restaurant op het Woonplein langs de Farmsumerweg/N33. Zij zijn voornamelijk gericht op het bereiden en verstrekken van maaltijden en/of (alcoholische) dranken, zoals een bar, (grand)café, eetcafé of (café-)restaurant, al dan niet in combinatie met logiesverstrekking of een zalencentrum.

Een horecabedrijf dat voornamelijk gericht is op het 's avonds en/of 's nachts verstrekken van (alcoholische) dranken en waar tevens gelegenheid wordt geboden tot dansen of vergelijkbaar vermaak, zoals een bar-dancing, discotheek of nachtclub valt onder de 'Horeca - 3' bestemming. Overigens zijn ook lichtere horecabedrijven binnen deze bestemming mogelijk.

Middels een gebiedsgebonden (langs de Wijkstraat) wijzigingsbevoegdheid is de voorgestane concentratie van vooral de iets zwaardere (avond- en nacht)horeca langs deze straat mogelijk. De huidige bestemmingen binnen het betreffende gebied kunnen worden omgezet naar één van de eerder genoemde (lichtere) horecabestemmingen.

De woningen zijn binnen de horecabestemmingen specifiek aangeduid.

Kantoor

Het zuidelijke en zuidwestelijke deel van bedrijvengebied Fivelpoort is specifiek inbestemd voor kantoren. Het betreft kantoren zonder baliefunctie. De regeling is afgestemd op het vigerende bestemmingsplan. In verband met de landschappelijke inpassing en de hoogwaardige uitstraling van Fivelpoort is binnen de kantoorbestemming een lagere bouwhoogte toegestaan dan op andere delen van Fivelpoort. Binnen de bouwvlakken mag maximaal 600 m2 worden bebouwd.

Op het westelijke bestemmingsvlak zijn ruimere mogelijkheden. Hier mag maximaal 1.000 m2 meter worden gebouwd en is de aanduiding “specifieke vorm van bedrijventerrein - service- en centrumcomplex” van toepassing. Op deze plaats is een multifunctioneel complex mogelijk, al dan niet met administratie-, beheers-, beveiligings-, vergader-, presentatie- en promotieruimten, horecagelegenheid, verkooppunt motorbrandstoffen (zonder LPG), autowasstraat en vergelijkbare facilitaire voorzieningen, een en ander in samenhang met ondergeschikte detailhandel.

Maatschappelijk - 1 en - 2

De maatschappelijke functies in het plangebied zijn ondergebracht in twee verschillende bestemmingen. Gebouwen met een lichtere maatschappelijke functie, zoals de kerken, sociaal-culturele voorzieningen, sociaal-medische voorzieningen en scholen zijn onder de bestemming 'Maatschappelijk - 1' gebracht. De bestemming 'Maatschappelijk - 2' is specifiek toegekend voor het hospice aan de Wieger van den Bosstraat. Hoewel de regeling primair is afgestemd op de aanwezige bebouwing, kan een zekere ontwikkeling mogelijk worden gemaakt. Het bouwvlak op de verbeelding geeft daarvoor de reservering aan. Bij gewenste grotere ontwikkelingen vindt een op maat gerichte beoordeling plaats (door middel van toepassing van een afwijking van de bouwregels).

Maatschappelijk - 3

Nieuw ten opzichte van het voorgaande plan is de bestemming Maatschappelijk - 3. Deze bestemming is van toepassing op gronden die in de huidige situatie al zijn bestemd als maatschappelijke voorziening, maar waar toekomstige ontwikkelingen zijn gepland. Daarom is het noodzakelijk mee flexibiliteit in de regeling op te nemen. Deze maatschappelijke bestemming verschild van de andere twee maatschappelijke bestemmingen in die zin dat er geen bouwvlakken zijn opgenomen, maar een maximaal bebouwingspercentage per bestemmingsvlak. Daarnaast is de aanduiding 'sport' opgenomen waar het voornemen is om mogelijk sport- en maatschappelijke voorzieningen in de toekomst te gaan combineren. Voor het overige is aangesloten op de overige maatschappelijke bestemmingen.

Maatschappelijk - Begraafplaats

De aanwezige begraafplaatsen zijn dienovereenkomstig bestemd. Ook het crematorium aan de zuidzijde van de stad valt binnen deze bestemming en is daarbinnen dienovereenkomstig aangeduid.

Sport

Aan de westzijde van Appingedam ligt een uitgestrekt sportcomplex. Dit sportcomplex is met bijbehorende voorzieningen onder de bestemming 'Sport' gebracht. De aanwezige bebouwing is door middel van bouwvlakken op de plankaart aangegeven. Ook het ijsbaanterrein bij Opwierde en het complex tennisbanen benoorden de Farmsumerweg zijn onder de bestemming 'Sport' gebracht.

Sport - Manege

Aan de zuidzijde van het plangebied ligt het paardensportcentrum “De Veenhoeve”. Dit centrum is overeenkomstig bestemd, inclusief de bijbehorende open terreinen aan de noordzijde. Binnen de bestemming is rekening gehouden met een bijbehorende bedrijfswoning.

Tuin

Om het onbebouwde karakter van voor- en bepalende zijtuinen te beschermen, is daarvoor de afzonderlijke bestemming 'Tuin' opgenomen. Dit dient zowel het ruimtelijk beeld als het belang van omwonenden. Bebouwing is binnen deze bestemming niet toegestaan. Dit sluit trouwens aan op de gegroeide praktijk. Omwille van een zekere flexibiliteit mag een woonhuis binnen de bestemming (evenwel alleen buiten het Beschermd Stadsgezicht) overigens wel met een erker uitgebouwd worden.

Ook de erf- en terreinafscheidingen zijn hier lager: maximaal 1 meter voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van een hoofdgebouw. Op de gronden achter het museum is een prieel aanwezig, voor dit bouwwerk is een specifieke aanduiding opgenomen in de planregeling.

Verkeer

Binnen de bestemming 'Verkeer' staat de verkeersfunctie voorop. Bruggen, dammen of duikers, sloten, bermen en beplanting, parkeervoorzieningen en parkeerterreinen vallen ook onder deze bestemming. Het betreft doorgaande wegen in het plangebied zoals de Woldweg/N989 en de Farmsumerweg, alsmede de wijkontsluitingswegen die in de verkeersstructuur een functie hebben voor het verkeer vanuit de wijken naar de overige doorgaande wegen.

De geluidszoneringsplichtige wegen zijn voorzien van een dwarsprofiel. Dit profiel legt de bestaande inrichting van de weg vast, zodat er niet zonder bestemmingswijzigingen een verandering in het profiel kan worden aangebracht. Dit is noodzakelijk om te voorkomen dat door een verandering aan de weg de geluidsbelasting op gevels van geluidsgevoelige functies kan veranderen. Bij wijziging zal daarom eerst geluidsonderzoek moeten worden gedaan om aan te tonen dat de geluidssituatie niet verslechterd.

Voor bebouwing in de vorm van wachthuisjes (abri's) en dergelijke is geen specifieke regeling getroffen. Deze kunnen in het algemeen op grond van het Besluit omgevingsrecht zonder omgevingsvergunning worden gerealiseerd.

Verkeer - Parkeren

De grotere, voor het centrumgebied belangrijke, parkeerterreinen, alsmede het parkeerterrein bij het woonplein in het bedrijvengebied Farmsumerweg zijn vastgelegd met de bestemming 'Verkeer - Parkeren'. De binnen deze bestemmingen gelegen garageboxen zijn geregeld middels een aanduiding. Binnen de bestemming 'Verkeer - Parkeren' zijn ook die gebieden aangeduid ('evenemententerrein') die periodiek worden gebruikt voor evenementen zoals een markt of festiviteit.

Verkeer - Railverkeer

De bestemming 'Verkeer - Railverkeer' heeft betrekking op het stationsgebied van Appingedam. De bijbehorende bebouwing is aangeduid.

Verkeer - Verblijf

De voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden betreffen met name de openbare straten in het plangebied, met in hoofdzaak een functie voor bestemmingsverkeer. Ook klein buurtgroen (bermen) en parkeervoorzieningen vallen onder deze bestemming, evenals de bijbehorende bouwwerken. De binnen deze bestemmingen gelegen garageboxen zijn geregeld middels een aanduiding. Binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijf' zijn ook die gebieden aangeduid (“evenemententerrein”) die periodiek worden gebruikt voor evenementen zoals een markt of festiviteit. Openbare paden die deel uitmaken van de woonomgeving en in feite alleen bedoeld zijn voor het gebruik van direct aanwonenden, zijn binnen de woonbestemming opgenomen. Het spreekt voor zich dat deze paden niet bebouwd mogen worden en toegankelijk moeten blijven.

Water - 1 en - 2

Deze bestemming is gelegd op de bestaande hoofdwatergangen. De bijbehorende kaden, dijken en oeverstroken zijn ook als zodanig bestemd. Op deze gronden mogen geen bouwwerken en overkappingen worden gebouwd. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de realisatie van steigers ten behoeve van de recreatievaart met uitzondering van het Eemskanaal.

Er is onderscheid gemaakt in het Eemskanaal, het Damsterdiep, Nieuwediep, De Groeve en een aantal grotere waterpartijen die een verkeersfunctie hebben ('Water - 1') en kleinschaligere wateren die een landschappelijke functie hebben, zoals waterpartijen in de woonwijken ('Water - 2'). De waterpartijen op de bedrijvengebieden zijn ook onder de bestemming 'Water - 2' geregeld.

Binnen de bestemming 'Water - 1' zijn de wandelsteigers c.q. wandelpromenade specifiek geregeld door middel van een aanduiding. Aan het Damsterdiep, ter hoogte van de Fivelkade, komt een aantal ligplaatsen voor woonschepen voor. Overeenkomstig het huidige beleid zijn deze door middel van een zone op de verbeelding aangegeven.

In relatie tot de waterstructuur, die een belangrijke plaats in delen van het plan inneemt, is verder het bestaand beleid aangaande de toelaatbaarheid van steigers van belang. Steigers die vanuit een privé-tuin het water insteken, betekenen een uitbreiding van de privésfeer en zijn ruimtelijk beeldbepalend. Daarom is het van belang te bepalen in welke vormgeving steigers toelaatbaar zijn. Anderzijds worden de recreatieve vaarmogelijkheden ermee gediend. Het bestemmingsplan voorziet binnen de bestemming 'Water - 1' in een aantal gevallen voor de aanleg van steigers. Uitgangspunt hierbij is:

  • het dient te gaan om woonpercelen die direct aan de betreffende waterbestemming (veelal doorgaande waterlopen) liggen. In dat geval wordt één steiger toegestaan;
  • er wordt uitgegaan van een steigerdiepte van 1,5 m bij een lengte van maximaal 6,00 m. De planregels bevatten nadere bepalingen over de hoogtes van steigers, palen en kunstwerken;
  • het gaat hierbij om een zelfstandige constructie, niet zijnde een kade.

Water - Haven

De haven aan het Nieuwe Diep heeft een specifieke bestemming 'Water - Haven' gekregen teneinde het gebruik (zoals het maximaal aantal ligplaatsen) zoveel mogelijk af te stemmen op de ambities.

Water - Waterkering

De waterkering langs het Eemskanaal en De Groeve zijn onder een aparte bestemming gebracht. De bestemming is vanuit veiligheidsmotief opgenomen en verbiedt iedere activiteit die aan de waterkerende functie afbreuk kan doen.

Wonen

In het Chw bestemmingsplan Stad Appingedam is een bestemmingsregeling gekozen die afgestemd is op het aanwezige onderscheid in hoofdvorm. Onderstaand is de bestemmingsregeling voor de grondgebonden woningen schematisch weergegeven. Het betreft in hoofdzaak bestaande woningen.

Woningtypen
(grondgebonden  
 
Vrijstaande
woningen  
Twee-
onder-
één-kap  
Rijtjes/meer
dan 2 aaneen-
gebouwd  
Rijtjes/max. 15
aaneen-
gebouwd  
Maximale
goothoogte
(m)  
Dakhelling
(°)  
Wonen A1   Wonen B1   Wonen C1     4,00   30-60  
Wonen A2   Wonen B2   Wonen C2   Wonen D2   8,00   30-60  
Wonen A3   Wonen B3   Wonen C3     4,00   plat  
Wonen A4   Wonen B4   Wonen C4     12,00   plat  
Wonen E1   Wonen E2       4,00   30-60  

De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een beroeps- en bedrijfsactiviteit aan huis; een beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend en dat is gericht op het verlenen van diensten.

Binnen de woonbestemmingen is de gebruikelijke gemeentelijke regeling voor bijgebouwen opgenomen, hetgeen betekent dat er maximaal 60 m² aan aan-, uit- en bijgebouwen gerealiseerd mag worden (inclusief overkappingen).

Bouwstroken met de bestemming 'Wonen - D2' zijn gebruikt voor nader in te vullen situaties, met name in de vervolgfase herstructurering Opwierde (fase 2). De bouwstroken geven de stedenbouwkundige hoofdstructuur aan; daarbinnen mag binnen de bestemming “Wonen - D2” tot maximaal vijf aaneen worden gebouwd in woningtypen van één tot twee bouwlagen.

Woningbouw in het buitengebied is opgenomen in een bestemming 'Wonen - E1'. In het buitengebied zijn bouwvlakken op de kaart aangegeven waarbinnen het hoofdgebouw moet vallen. Over het algemeen zijn de bouwvlakken 10 meter breed en 15 meter diep. Bij de bestemming 'Wonen - E1' mag maximaal 75 m² aan aan-, uit- en bijgebouwen gerealiseerd worden (inclusief overkappingen).

Woningsplitsing is in alle woonbestemmingen niet mogelijk. Daarom is in de specifieke gebruiksregels opgenomen dat het strijdig is dat een woonhuis gebruikt wordt voor meer dan één woning.

Wonen - Wooncentrum

De bestemming 'Wonen - Wooncentrum' heeft betrekking op woonvoorzieningen waar tevens een sprake is van gemeenschappelijke voorzieningen, zoals bij het verpleeghuis Solwerd en De Schakel en de zorgcentra Damsterheerd en Paasweide. De bestemming is in beginsel afgestemd op de aanwezige situatie. Voor eventueel gewenste uitbreidingen buiten de bouwvlakken bevat het bestemmingsplan een afwijkingsmogelijkheid.

Woongebied - 1

Voor een aantal locaties in Appingedam is duidelijk dat deze worden ontwikkeld tot nieuwe woonlocaties. De invulling en inrichting van deze gebieden is echter nog onduidelijk. Daarom is voor deze locaties (o.a. De Citer, een deel van Opwierde Noord en de Focco Ukenalaan) de bestemming 'Woongebied - 1'. Binnen de bestemming zijn grondgebonden woningen in alle vormen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' is ook gestapelde bouw toegestaan. Om de invulling van de locaties zoveel mogelijk vrij te houden, wordt gewerkt met één groot bouwvlak. Wegen, straten en paden en groenvoorzieningen en water zijn eveneens toegestaan. Voor alle locaties die binnen de bestemming Woongebied - 1 is een gezamenlijk maximaal aantal woningen van 695 opgenomen. Dit aantal kan vrij verdeeld worden over de verschillende bestemmingsvlakken die deze bestemming kennen. Zo is uitwisseling van woningaantallen tussen de verschillende gebieden mogelijk. Een uitzondering hierop is het gebied Oling V. Ter plaatse zijn 35 woningen toegestaan.

Woongebied - 2 (Eendracht)

De bestemming Woongebied - 2 heeft betrekking op de locatie De Eendracht. Deze locatie wordt herontwikkeld als woongebied, waarbij een mix van functies mogelijk moet worden gemaakt. Omdat er nog geen concrete invulling voor het gebied bestaat, is gekozen voor een ruime bestemming. Binnen de bestemming zijn de functies toegestaan die ter invulling van het plangebied worden beoogd. Omdat de Eendracht een parkachtige omgeving moet worden, zijn ook groenvoorzieningen en water toegestaan. Omdat een verscheidenheid aan woningtypes wordt gerealiseerd, zijn op de verbeelding middels aanduidingen de maximale bouwhoogten weergegeven.

Voor de andere functies dan wonen is eerst een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit nodig. Dit houdt in dat de functie is beginsel is toegestaan, maar dat als de ontwikkeling concreet wordt eerst een vergunning nodig is waarbij nog wordt getoetst aan een aantal criteria.

Woongebied - 3

De bestemming Woongebied - 3 heeft betrekking op de particuliere woningen in Opwierde 1 en de locatie van de voormalige school Pinkeltje. Deze locatie wordt herontwikkeld. Dat wil zeggen dat de huidige woningen worden gesloopt en dat er aardbevingsbestendige woningen voor terug worden gebouwd. Ook het terrein van Pinkeltje wordt ingevuld met woningen. Binnen het hele gebied is ruimte voor de ontwikkeling van 160 woningen. Door dit gebied een separate bestemming te geven is uitwisseling met ander woongebieden niet mogelijk. Op die manier is verzekerd dat de particuliere woningen één op één kunnen worden terug gebouwd. Voor het overige is aangesloten bij de opzet van de regels uit Woongebied 1.

Wonen - Woongebouw

De bestemming 'Woongebied - 1' heeft betrekking op flats en appartementen (ook wel niet-grondgebonden woningen). De bestemming komt op meerdere locaties voor en dan met name langs de Groote Heekt, Damsterdiep en Nieuwe Diep. De regeling is afgestemd op het complexmatige karakter van de gebouwen. Er wordt in bescheiden mate ruimte gereserveerd voor bergingen en dergelijke (maximaal 20 m² per woning). De verschillende hoogtes van de appartementengebouwen zijn in de respectievelijke bouwvlakken aangegeven. Ook is het aantal wooneenheden c.q. woningen per relevant bouwvlak aangegeven.

In een woongebouw op het Overdiepterrein is een supermarkt geregeld. Deze is vanwege het vloeroppervlak specifiek geregeld via de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - voedings- en genotmiddelen'.

8.5 Dubbelbestemmingen

Leiding - Gas

Deze dubbelbestemming heeft betrekking op hoofdgastransportleidingen. De regeling voorziet in de aanwezigheid van deze functie en in de bescherming ervan door middel van een belemmeringenstrook op de verbeelding.

Binnen de aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een omgevingsvergunning verplicht.

Leiding - Riool

De rioolpersleiding is overeenkomstig bestemd. Ook hier mogen binnen de bestemming geen gebouwen gerealiseerd worden, anders dan voor deze bestemming is bedoeld.

Binnen de aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een omgevingsvergunning verplicht.

Leiding - Water

De hoofdwaterleiding is overeenkomstig bestemd. Ook hier mogen binnen de bestemming geen gebouwen gerealiseerd worden, anders dan voor deze bestemming is bedoeld.

Binnen de aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een omgevingsvergunning verplicht.

Waarde - Archeologie 1, 2, 3 en 4

Onder meer in de paragraaf 6.2 Archeologie en cultuurhistorie is het belang van de archeologie aangegeven, waarbij er sprake is van enkele terreinen van monumentale of hoge archeologische waarde, respectievelijk bestemd tot 'Waarde - Archeologie 1, 2, 3 en 4'. Daarbij is afstemming gezocht met de Archeologische Advieskaart voor Noord-Groningen (2008).

De bestemming 'Waarde - Archeologie 1' is gelegd op de archeologische monumenten. De bescherming vindt plaats op grond van de monumentenwet. Het bestemmingsplan bevat hiervoor slechts een beperkte (afstemmings)regeling, waarbij verwezen wordt naar een noodzakelijke vergunning van de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed.

Binnen de overige bestemmingen (dus 'Waarde - Archeologie 2, 3 en 4') is aansluitend op wat in de basisbestemmingen is geregeld, rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van de betreffende gebieden. Plaatselijk, zoals bijvoorbeeld bij het gebied Opwierde, is tevens sprake van zichtbare landschappelijke kenmerken, zoals die bijvoorbeeld tot uiting komen in de wierdestructuur. De bescherming van de cultuurhistorische/archeologische waarden is geregeld door middel van bouwregels en een omgevingsvergunning. De bouwregels lopen op naar mate de waarden hoger zijn. Voor gebieden die alleen een verwachtingswaarde kennen, wordt door het opnemen van een omgevingsvergunning geregeld, dat er activiteiten in het gebied plaatsvinden die onevenredige afbreuk (kunnen) doen aan de archeologische waarden die zich (mogelijk) in de bodem bevinden. In de omgevingsvergunning is de bodemingreep gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m bij een oppervlakte respectievelijk 15 m2, 100 m2 tot 200 m² in de bestemmingen 'Waarde - Archeologie 2, 3 en 4'. Indien archeologische waarden worden aangetroffen, zal een erkend archeoloog worden geraadpleegd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek kunnen leiden tot aanvullende bepalingen in de omgevingsvergunning.

Waarde - Beschermd stadsgezicht

De gebieden die vallen binnen het beschermd stadsgezicht, zijn eveneens van een dubbelbestemming voorzien. Deze gronden zijn, naast de andere daar voorkomende bestemming, tevens bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de in paragraaf 6.2.2 Cultuurhistorie aangegeven cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.

In dit Chw bestemmingsplan is de bescherming vormgegeven door het toevoegen van een dubbelbestemming met extra bouwregels; één en ander in aansluiting op de eerder aangehaalde drie beschermingsniveaus. Overigens gelden deze extra bouwregels naast de regels van de andere bestemmingen.

Bij de wijze van bestemmen is, afhankelijk van het te hanteren beschermingsniveau (klasse), op de volgende wijze met de te beschermen waarden rekening gehouden:

Bouwvlakken

Binnen de verschillende bestemmingen wordt onderscheid gemaakt tussen het bouwen binnen en buiten het bouwvlak. Speciaal punt van aandacht hierbij vormt de mogelijkheid voor het uitbouwen van (monumentale) panden in het kernwinkelgebied aan de achterzijde en de relatie die daarbij met name qua bouwhoogte en dakvorm wordt gelegd met aangrenzende panden die hun oriëntatie op een achtergelegen weg of straat hebben.

De bouwvlakken zijn zo strak mogelijk om de bestaande bebouwing neergelegd. Waar mogelijk is gewerkt met bouwstroken van een bepaalde diepte (per bestemming nader bepaald op basis van de bestaande bouwdiepte). Binnen het Beschermd Stadsgezicht zijn erkers niet toegestaan.

Voorbouwgrenzen

Indien er gebouwd dient te worden in de voorbouwgrens, is een gevellijn aangegeven. Hierbij is de driedeling aangehouden die op de Historisch-ruimtelijke waarderingskaart, behorende bij het aanwijzingsbesluit dat is opgenomen in deze toelichting.

Onderlinge samenhang

De bedoeling van de regeling ten aanzien van de vorm, massa en individualiteit van de panden is in het plan verduidelijkt door middel van het opnemen van een zogenaamde gevelwandaanduiding (gebaseerd op de eerder aangehaalde beschermingsniveaus.

Met een voorbeeld is de eis uit de regels verduidelijkt hoe de individualiteit van panden herkenbaar kan blijven binnen het ritme van de bebouwingswand (zie onderstaand figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0022.png"

Bij een overeenkomst van twee bouwlagen en kapvorm is juist het maatverschil in goot- en nokhoogte en een wisselende gevelbreedte bepalend. Naast een regeling voor de marges binnen de goot- en nokhoogte en voor de kap zijn deze bepalende aspecten in de regels vastgelegd.

Goot- en bouwhoogtes

Goot- en bouwhoogtes van de enkelbestemmingen buiten het Beschermd Stadsgezicht zijn per bestemming op plankaart aangegeven. Voor de enkelbestemmingen binnen het Beschermd Stadsgezicht wordt het volgende bouwschema gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0003.OMGEVINGSPLAN-VG01_0023.png"

Gevelbreedtes en nokrichtingen

De bestaande bebouwing wordt in het algemeen gedomineerd door betrekkelijk kleinschalige gebouwen met een beperkte gevelbreedte en een dwarskap (nok haaks op de lengteas van de weg). Dit uitgangspunt is in de regels vastgelegd.

Afwijkende bebouwing kenmerkt zich in het algemeen door een grotere gevelbreedte en een langskap (nok evenwijdig aan de lengteas van de weg). Om de bestaande variatie in het bebouwingsbeeld te behouden, is deze afwijkende bebouwing voorzien van aanduidingen die de (afwijkende) nokrichting en gevelbreedte vastleggen.

Kapvormen

In het plangebied komen overwegend de volgende kapvormen voor: zadeldak, schilddak, mansardedak en afgeknot schilddak, dan wel samengestelde delen van deze kapvormen. Behoud van deze kapvormen is als uitgangspunt in de regels vastgelegd. Om het bestaande bebouwingsbeeld zoveel mogelijk te kunnen behouden, is vastgelegd dat de gebouwen over een diepte van minimaal 6,00 m vanaf de voorbouwgrens dienen te worden voorzien van één van deze kapvormen. Dit biedt eventueel de mogelijkheid voor uitbouw aan de achterzijde van de panden (bijvoorbeeld voor centrumfuncties) zonder aantasting van de beeldkwaliteit. Gebouwen met afwijkende kapvormen, zoals platte daken of boogkappen, zijn voorzien van een aanduiding om de bestaande beeldvariatie te kunnen waarborgen.

Gevelindelingen

De gevelindeling van de gebouwen kenmerkt zich doordat de hoogte van de openingen van de in de voorbouwgrens gebouwde gevels in het algemeen groter is dan de breedte van de openingen. Dit principe is ook vastgelegd. Panden met een afwijkende gevelindeling zijn voorzien van een aanduiding. Bovendien geldt dit principe niet voor de eerste bouwlaag van de gronden die de bestemming 'Centrum' hebben (dit is bijvoorbeeld het geval bij winkels met een grote etalageruimte).

Omgevingsvergunning voor het aspect sloop

De bescherming van gebouwen met cultuurhistorische/ruimtelijke waarden heeft onder meer geresulteerd in de eis van een omgevingsvergunning voor het aspect sloop, voor zover niet reeds een vergunning vereist is in het kader van de Monumentenwet.

Omgevingsvergunning voor de uitvoering van werken

In de openbare ruimte komen elementen voor die mede de ruimtelijke kwaliteit van het Beschermd Stadsgezicht bepalen. De bijzondere waarden van deze markante elementen als kades, bruggen, profiel en materiaalgebruik in openbare ruimtes, enzovoort zijn extra beschermd door middel van een omgevingsvergunning voor de uitvoering van werken.

Waarde - Karakteristiek gebied

Onder meer in paragraaf 3.3 is uiteengezet dat de provincie Groningen heeft bepaald dat karakteristieke panden en gebieden van een beschermde regeling voorzien dienen te worden. De gemeente Appingedam heeft ervoor gekozen om deze regeling in dit Chw bestemmingsplan te laten landen. In de dubbelbestemming 'Waarde - Karakteristiek gebied' is een beschermende regeling opgenomen ten aanzien van deze panden en gebied. Hier geldt voor het bouwen dat de bestaande goot- en bouwhoogten, de kapvorm en oppervlakte van het gebouw of ander bouwwerk, alsmede de bestaande gevelindeling en de bestaande ligging dienen te worden gehandhaafd, tenzij het gebouwen of andere bouwwerken betreft waarvoor reeds een sloopvergunning voor het slopen van het gehele gebouw is verleend en de sloop is uitgevoerd.

Waarde - Wierde invloedszone

Om de cultuurhistorische waarde van de wierde in het plangebied (bij Solwerd) te beschermen is van belang dat het aanzicht van de wierde behouden blijft. Het planten van houtwallen en het realiseren van bebouwing rondom de wierde kan dit aanzicht flink beperken. Daarom is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Wierde invloedszone' opgenomen. Deze dubbelbestemming biedt een beschermende regeling voor het behoud van aanzicht op de wierde. In de dubbelbestemming is geregeld dat in ieder geval houtteelt en de aanplant van bos en bebossing niet is toegestaan op deze gronden.

8.6 Gebiedsaanduidingen

Geluidzone - industrie

De geluidszone voor het industrielawaai is van toepassing op de gebieden rond de bedrijventerreinen Woldweg en Farmsumerweg en de NAM-locatie. De zone geeft de 50 dB-contour aan. Mochten er ontwikkelingen zijn binnen de contour, dan mag de belasting op het gebouw niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde.

Veiligheidszone - gasdrukmeet- en regelstation

Rondom de beide gasdrukmeet- en regelstations in het plangebied is een veiligheidszone opgenomen ter bescherming van (beperkt) kwetsbare objecten in de directe omgeving.

Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen

Rondom wegen waar vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, is deze gebiedsaanduiding opgenomen.

Vrijwaringszone - vaarweg

Deze gebiedsaanduiding heeft betrekking op de beheerszone langs het Eemskanaal. De zone is op de plankaart en in de regels geregeld. De zone heeft een breedte van 30 meter vanuit de waterlijn op zomerpeil. De gronden binnen de zone zijn mede bestemd voor de bescherming van en het veilig en doelmatig functioneren van de vaarweg. In beginsel mag binnen deze aandachtszones niet gebouwd worden, tenzij een ontheffing van de beheerder is gekregen.

Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1

Langs de Wijkstraat in het centrumgebied is binnen het aangeduide gebied 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' de mogelijkheid opgenomen onder voorwaarden de bestemmingen te wijzigen ten behoeve van bepaalde horecaontwikkelingen.

Wetgevingzone - wijzigingsgebied 2

Ten noorden van het bedrijventerrein Fivelpoort is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze bevoegdheid maakt het mogelijk het bestemmingsplan te wijzigen indien sprake is van verbreding van de Woldwegbrug. De huidige aanlegkade voor binnenvaartschepen is dan niet meer bereikbaar, waardoor er in het verlengde daarvan een nieuwe kade moet worden aangelegd. Om in te kunnen spelen op toekomstige economische ontwikkelingen en mogelijke uitbreidingsmogelijkheden is een zone van 130 meter aangehouden. Uiteraard kan de wijzigingsbevoegdheid ook eerst alleen voor de helft worden toegepast.

Wetgevingzone - wijzigingsgebied 3

Op industrieterrein Woldweg (Bedrijventerrein - 3) is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de uitbreiding van het bedrijf Bollegraaf. Als hiervan gebruik wordt gemaakt moet worden voldaan aan enkele criteria. Hierbij geldt in ieder geval dat voor wat betreft het aspect geluid voldaan moet worden aan de hogere grenswaarden zoals die voor de naastgelegen woningen zijn vastgesteld.

Hoofdstuk 9 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het Chw bestemmingsplan aangetoond. Een Chw bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.

9.1 Financieel

9.1.1 Economische uitvoerbaarheid

De kosten die met voorliggend bestemmingsplan gemoeid zijn, zijn volledig voor rekening van de gemeente. In haar begroting is met deze kosten rekening gehouden.

9.1.2 Kostenverhaal

Wettelijke verplichting voor het opstellen van een exploitatieplan

Artikel 6.12 lid 2 Wet ruimtelijke ordening (hierna: 'Wro') bepaalt dat de gemeenteraad, als er sprake is van één of meerdere aangewezen bouwplannen, verplicht is een exploitatieplan vast te stellen indien:

  • a. het verhaal van kosten van grondexploitatie niet anderszins is verzekerd;
  • b. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c 4°, respectievelijk 5° Wro noodzakelijk is;
  • c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, respectievelijk b, c of d Wro noodzakelijk is.

Binnen het plangebied zijn percelen in eigendom bij verschillende particuliere eigenaren waarmee de gemeente geen anterieure overeenkomst van grondexploitatie heeft gesloten. In het Chw bestemmingsplan worden voor die gronden bouwplannen mogelijk gemaakt die in het geldende bestemmingsplan niet mogelijk zijn en op dat moment dient kostenverhaal plaats te vinden bij de afgifte van een omgevingsvergunning. In feite ontstaat daardoor de plicht voor de gemeente om gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan tevens een exploitatieplan vast te stellen. Om het Chw bestemmingsplan direct na vaststelling rechtskracht te kunnen geven dient de procedure voor de vaststelling van het exploitatieplan gelijk op te lopen met de vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vanaf het moment dat het ontwerpbestemmingsplan ter visie wordt gelegd.

Doorschuiven van de wettelijke verplichting voor het opstellen van een exploitatieplan

Om te kunnen anticiperen (en te experimenteren) met de mogelijkheden van de Omgevingswet is op basis van artikel 7c, lid 10, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet de mogelijkheid voor de gemeente gecreëerd om het opstellen van een exploitatieplan uit te stellen tot het moment van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor het kostenverhaal niet anderszins verzekerd is. Dit betekent dat er bij de vaststelling van het Chw bestemmingsplan geen exploitatieplan behoeft te zijn. Dat moment mag worden uitgesteld/doorgeschoven naar het moment van de afgifte van de eerste omgevingsvergunning, indien er op het moment van aanvraag omgevingsvergunning geen anterieure overeenkomst is gesloten met de betreffende grondeigenaar. Voor dit Chw bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van deze 'doorschuif-faciliteit'.

9.2 Maatschappelijk

Het Chw bestemmingsplan doorloopt een uitgebreide bestemmingsplanprocedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop inwoners en belanghebbenden hun mening op het plan kenbaar kunnen maken.

9.2.1 Voorbereiding

Vooruitlopend op de planvorming is een Nota van Uitgangspunten opgesteld. Deze nota is opgenomen als Bijlage 2. De nota is door de gemeenteraad vastgesteld op 13 december 2018. Hierin zijn de uitgangspunten voor het Chw bestemmingsplan opgenomen, zoals nader uitgelegd in Hoofdstuk 2. Vooruitlopend op de procedure zijn diverse gesprekken gevoerd met instanties, zoals provincie Groningen, waterschap Noorderzijlvest, Veiligheidsregio Groningen, GGD en Groningen Seaports. Over de integratie en wijziging van de welstandsregels is overleg gevoerd met de werkorganisatie DEAL en Libau. In goed overleg is een aangepaste regeling opgenomen die aansluit bij de versterkingsopgave en met een bijzondere regeling voor de karakteristieke gebouwen en gebieden.

9.2.2 Overleg en Inspraak

Het Chw bestemmingsplan is als voorontwerp aan overlegpartners gestuurd en voor een ieder ter inzage gelegd. Vanwege de zomervakantie heeft het plan gedurende ruim twee maanden ter inzage gelegen in plaats van de gebruikelijke zes weken. Het plan heeft vanaf 11 juli tot en met 20 september 2019 ter inzage gelegen.

De direct omwonenden zijn nauw betrokken in de totstandkoming van de planvorming. In dat kader is op 3 juli 2019 (voor de terinzagelegging van het voorontwerp) een inloopbijeenkomst georganiseerd. De direct omwonenden van ontwikkellocaties en de eigenaren van met dit plan aangewezen karakteristieke panden hebben hiervoor persoonlijk een uitnodiging ontvangen. Verder was een ieder uitgenodigd via een algemene kennisgeving. Een ieder kon het Chw bestemmingsplan inzien, vragen stellen over ontwikkelingen, de aanwijzing van de karakteristieke panden en de andere wijzigingen in het plan. De bijeenkomst is goed bezocht door diverse inwoners.

Overleg

Het voorontwerp Chw bestemmingsplan Stad Appingedam is conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de provincie Groningen, de Gasunie, de Nationaal Coördinator Groningen, de Veiligheidsregio Groningen, het Waterschap Noorderzijlvest, het Waterschap Hunze en Aa's en de gemeenten Delfzijl, Loppersum en Midden Groningen.

Van de volgende vijf instanties is een overlegreactie ontvangen.

  • 1. Veiligheidsregio Groningen.
  • 2. Waterschap Noorderzijlvest.
  • 3. Provincie Groningen.
  • 4. Waterschap Hunze en Aa's.
  • 5. Gasunie Transport Services BV.

Deze overlegreacties zijn hieronder samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. De volledige reacties zijn gebundeld en opgenomen als bijlage 20.

9.2.2.1 Veiligheidsregio Groningen

Ambitie gezondheid en veiligheid

In het plan wordt de ambitie uitgesproken om extra aandacht te besteden aan gezondheid en veiligheid en om hierbij de Veiligheidsregio Groningen (VRG) en de GGD te betrekken. De VRG wil de gemeente graag ondersteunen bij de ambitie. De VRG adviseert om dit voornemen goed (procedureel) te borgen in de gemeentelijke organisatie. Bijvoorbeeld door het regelmatig betrekken van adviseurs van de VRG bij RO-overleggen en overleggen over de (her)ontwikkellocaties. De VRG wisselt graag met de gemeente van gedachten over de mogelijkheden om de VRG zo vroeg mogelijk te betrekken bij de ontwikkelingen.

Reactie gemeente

De gemeente dankt de VRG voor deze reactie en zal de VRG en de GGD zo vroeg mogelijk bij ontwikkelingen betrekken.

Ontsluiting ontwikkellocatie De Eendracht

Vanwege de specifieke ligging van de vorm van de locatie De Eendracht vraagt de VRG bijzondere aandacht voor een goede ontsluiting. Dit is zowel van belang voor de bereikbaarheid voor hulpdiensten als voor de ontvluchting. De gemeente is voornemens om de benodigde ontsluiting per bouwveld nader uit te werken. De VRG adviseert de gemeente om bij deze uitwerkingen de VRG te betrekken.

Reactie gemeente

De gemeente zal hier te zijner tijd rekening mee houden en de VRG betrekken bij de planvorming. Uitgangspunt is dat er altijd sprake is van een goede ontsluiting en bereikbaarheid voor hulpdiensten.

Provincie weg N360

De toelichting op het bestemmingsplan bevat een hoofdstuk Externe veiligheid. Hierin staat een overzicht van de relevante risicobronnen. In het overzicht ontbreekt nog de provinciale weg N360. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Volgens de informatie van de VRG is de N360 door de provincie Groningen opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. Als gevolg hiervan valt de N360 onder het provinciaal basisnet Groningen en gelden veiligheidszones 2 en 3. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij toekomstige ontwikkelingen nabij deze risicobron. De VRG vraagt de gemeenten de provinciale weg als risicobron te benoemen in het plan.

Reactie gemeente

De N360 wordt opgenomen in het plan. Tevens is een veiligheidszone van 30 meter rondom de weg opgenomen in het plan.

Duurzame energie

Een van de ambities is het bieden van ruimte voor duurzaamheidsmaatregelen en duurzame energie. De gemeente wil op termijn afscheid nemen van fossiele brandstoffen. Daarom is de energietransitie een belangrijk speerpunt in het beleid van de gemeente Appingedam. De keuze voor nieuwe energiebronnen en -toepassingen brengt ook nieuwe veiligheidsrisico's met zich mee. De snelle ontwikkeling van duurzame energievormen en de veelvuldige toepassing hiervan, zorgt ervoor dat er nog weinig informatie beschikbaar is over de risico's en effecten die hiermee gepaard gaan. Het is daarom volgens de VRG van belang om concrete plannen over projecten met duurzame energie zo vroeg mogelijk met ketenpartners van de gemeente (waaronder de hulpdiensten) te bespreken. Op deze manier kunnen de risico's en effecten van deze ontwikkeling worden onderzocht en bijgehouden. Dit om eventuele nieuwe risico's op de juiste manier te kunnen beheersen.

Reactie gemeente

Wanneer er concrete plannen spelen voor de ontwikkeling van duurzame energieprojecten worden de ketenpartners hier in een vroeg stadium bij betrokken.

Groepsrisico

Voor het Chw bestemmingsplan dient het groepsrisico te worden verantwoord. Dit staat ook in hoofdstuk 6.6 van de toelichting. De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid maken deel uit van de verantwoording. Om de gemeente hierbij te ondersteunen heeft de VRG deze aspecten voor het plangebied beoordeeld. De rest van de reactie gaat hierover. De gemeente kan deze gebruiken voor de verantwoording.

Reactie gemeente

De gemeente stelt het op prijs dat de VRG de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid alvast voor het plan heeft beoordeeld. De gemeente zal de inhoud van de reactie van de VRG gebruiken voor de verantwoording van het groepsrisico.

9.2.2.2 Waterschap Noorderzijlvest

De reactie van het waterschap bestaat uit twee delen: een algemene reactie op het Chw bestemmingsplan en een inhoudelijke op de reactie, waaronder opmerkingen op de toelichting en de verbeelding.

Algemene reactie

Het waterschap wijst op de voorbespreking over het voorontwerp op 18 maart 2019 waarbij de gemeente en het waterschap aanwezig waren. Tijdens dit overleg is de pilot besproken. Hierover was het waterschap erg enthousiast. Op deze manier kunnen we samen ontdekken hoe omgevingsplannen onder de Omgevingswet gevormd kunnen worden. Bij deze bijeenkomst was afgesproken om gezamenlijk een waterparagraaf op te stellen. Een voorstel hiervoor werd op 26 juni naar het waterschap gestuurd. Op dit concept heeft het waterschap gereageerd. De reactie was dat de waterparagraaf klassiek van aard was, geen sprake was van nauwe samenwerking, te veel op details ingaand en er sprak weinig ambitie uit. Ook beschrijft de waterparagraaf niet de opgaven voor het watersysteem binnen het plangebied. Het met het waterschap gedeelde concept is overgenomen in het voorontwerp. Dat vindt het waterschap teleurstellend en een gemiste kans. Het waterschap is nog steeds bereid om met de gemeente te komen tot een waterparagraaf nieuwe stijl. Graag gaat het waterschap samen met de gemeente in gesprek over het plan. Daarbij kan worden besproken hoe instrumenten uit het huidige GRP in het Chw bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. Hemelwaterberging en lozingsregels wil het waterschap dan ook graag met de gemeente doornemen.

Reactie gemeente

Na het indienen van de overlegreactie heeft er een overleg met het waterschap plaatsgevonden waarin deze opmerkingen zijn besproken. In dit geval gaat het om een Chw bestemmingsplan, ofwel een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte. Het is nog niet mogelijk om een volledig nieuw omgevingsplan op te stellen. Ook de waterparagraaf is daarom nog in 'oude' stijl opgesteld. Als de gemeente in de toekomst een echt omgevingsplan gaat opstellen wordt ook het waterschap daarbij in een vroeg stadium betrokken om samen te werken aan een waterparagraaf nieuwe stijl.

Reactie op de toelichting

Het waterschap wijst er op dat in paragraaf 3.4.13 'Waterplan Appingedam' een verkeerde verwijzing staat naar het Waterbeheerplan van Noorderzijlvest. Dit moet zijn Waterbeheerprogramma waterschap Noorderzijlvest 2016-2021.

Verder heeft het waterschap enkele opmerkingen over paragraaf 6.4 Water. Het betreft een aantal teksten die niet helemaal juist zijn geformuleerd.

Daarnaast vraagt het waterschap onder het kopje De Eendracht de relatie te leggen tussen toename verhard oppervlak en versnelde afvoer.

Reactie gemeente

De door het waterschap voorgestelde wijzigingen worden in de waterparagraaf verwerkt.

Reactie op de verbeelding

De regionale waterkering ligt in de huidige situatie op de openbare weg de Olingermeeden. In de verbeelding loopt de kering nog op de oude locatie langs De Groeve. Dit heeft een relatie met het plangebied van het bestemmingsplan dat voor de Schoollocatie Olingermeeden is vastgesteld. In dit plan is de ligging van de kering op de verbeelding hersteld. Het waterschap verzoekt de gemeente om de ligging van de kering juist op de verbeelding op te nemen en het keringtracé op de openbare weg de Olingermeeden te leggen.

Reactie gemeente

De verbeelding wordt op dit punt aangepast in die zin dat het keringtracé op de openbare weg de Olingermeeden wordt gelegd.

9.2.2.3 Provincie Groningen

Op een aantal onderdelen is het bestemmingsplan niet in overeenstemming met het provincie ruimtelijke beleid.

Duurzame energiewinning en -opslag

In het bestemmingsplan is binnen de agrarische en bedrijventerreinbestemmingen ondergeschikt aan de andere functies duurzame energiewinning en -opslag toegestaan. Wat hieronder wordt verstaan, is niet gedefinieerd. De bouwhoogte is maximaal 2 meter, de bouwhoogte van kleine windturbines is maximaal 10 meter. De andere bouwwerken voor duurzame energiewinning en -opslag kunnen binnen de gehele bestemming worden gebouwd en zijn qua locatie niet beperkt tot op de verbeelding aangewezen bouwpercelen. Het merendeel van de gronden met de bestemmingen Agrarisch en Agrarisch - Cultuurgrond is gelegen in het buitengebied zoals aangewezen in de verordening. De gronden met de bestemmingen Bedrijventerrein 1, 2, 3 en 4 maken deel uit van het bestaand stedelijk gebied.

Op grond van het provinciale ruimtelijke beleid is het toegestaan om kleine windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter te plaatsen in het buitengebied voor zover het betreft een op de verbeelding aangewezen agrarische bouwperceel of een niet-agrarisch bouwperceel. Buiten een bouwperceel is de oprichting van dergelijke windturbines uitgesloten. Hierover zijn regels gesteld in artikel 2.4.1.1 van de verordening.

Op basis van het provinciale ruimtelijke beleid is onder voorwaarden de aanleg van zonneparken (oppervlakte groter dan 200 m2) toegestaan voor een periode van 30 jaar binnen het stedelijke gebied, aansluitend aan stedelijk gebied, binnen of aansluitend op een bouwvlak in het buitengebied, op een voormalig slibdepot of een gesloten stortplaats en op door GS aangewezen locaties. Hiervoor zijn regels opgenomen in artikel 2.42.1 van de verordening. De in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheid voor de bouw van andere bouwwerken voor duurzame energiewinning en -opslag sluit de aanleg van zonneparken voor onbepaalde duur en de plaatsing van kleine windturbines in het buitengebied buiten de aangewezen bouwpercelen niet uit. Dit is in strijd met het provinciale beleid omdat de voorwaarden die daaraan in de verordening worden gesteld niet in acht zijn genomen. De provincie verzoekt de gemeente het bestemmingsplan hierop aan te passen.

Reactie gemeente

De regels van het Chw bestemmingsplan worden conform de Provinciale omgevingsverordening aangepast.

Woningen in het buitengebied

Binnen het plangebied bevinden zich woningen die zijn gelegen in het buitengebied zoals dat is aangewezen in de verordening. Deze woningen hebben de bestemmingen Wonen - A1, A2 en B1. Op grond van het provinciale ruimtelijke beleid mag de gezamenlijke oppervlakte van de woning met bijbehorende bouwwerken die in het buitengebied zijn gelegen maximaal 300 m2 bedragen, of de bestaande oppervlakte voor zover deze groter is dan 300 m2. In tegenstelling tot bij de bestemming Wonen - A1 ontbreekt in de planregels bij de bestemmingen Wonen - A2 en B1 een bepaling die zorgt dat de maximale oppervlakte van 300 m2 of de bestaande oppervlakte niet wordt overschreden. De provincie verzoekt de gemeente het bestemmingsplan hierop aan te passen.

Reactie gemeente

De bestemmingen Wonen - A2 en Wonen - B1 worden hierop aangepast, zodat het Chw bestemmingsplan voldoet aan de Provinciale omgevingsverordening.

9.2.2.4 Waterschap Hunze en Aa's

De reactie van het Waterschap Hunze en Aa's bestaat uit twee delen. Het eerste deel heeft betrekking op twee verschillende paragrafen van de toelichting. De laatste heeft betrekking op de regels die zijn opgenomen omtrent water.

Reactie op toelichting

Het Waterschap Hunze en Aa's geeft aan dat in paragraaf 5.4 wordt ingegaan op het belang van de groenstructuur, maar dat daarbij het waterbelang onderbelicht is gebleven. Zo geeft het waterschap aan dat de watergordel langs de zuidzijde van Fivelpoort een belangrijke functie heeft voor het waterbeheer van het terrein.

Daarnaast geeft het Waterschap Hunze en Aa's aan dat voor de waterkering langs het Eemskanaal een beschermingszone van 4 meter van toepassing is. Het Waterschap Hunze en Aa's geeft echter aan dat het naast de kernzone een beschermingszone van 5 meter aan weerszijde van de kernzone van de kering kent. Het Waterschap geeft aan graag de juiste begrenzing van de bestemming Water en Waterkering terug op de verbeelding van het bestemmingsplan te zien.

Reactie gemeente

Paragraaf 5.4 geeft een beschrijving van de ontwikkeling van het Eendrachtterrein. Het aspect water wordt nader toegelicht in paragraaf 6.4. Daarom acht de gemeente het niet noodzakelijk om in paragraaf 5.4 nader in te gaan op het waterbelang in dit gebied.

In het ontwerp-bestemmingsplan zijn de kernzone en beschermingszone opgenomen op de verbeelding, zoals deze zijn weergegeven in de open data van het waterschap.

Reactie op de regels

Waterschap Hunze en Aa's geeft aan dat in aanvulling op artikel 41 'Water' zij graag zouden zien dat waterstaatswerken worden toegestaan in aanvulling op wat nu is opgenomen. Daarnaast ziet het waterschap graag dat in de bouwregels wordt opgenomen dat vooraf aan werken en dergelijke advies en toestemming van de waterbeheerder noodzakelijk is.

Reactie gemeente

In de bestemming Water worden ook waterstaatswerken opgenomen. De gemeente vindt het niet nodig om in de bouwregels op te nemen dat advies en toestemming van de waterbeheerder nodig is. Dat zijn aspecten die met de Keur van het waterschap worden geregeld. Als dat ook nog in het Chw bestemmingsplan wordt opgenomen is dat dubbele regelgeving en dat is niet wenselijk. Overigens wordt een omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen getoetst aan het Chw bestemmingsplan. Als voor een project ook een watervergunning nodig is, is de Keur van het waterschap het toetsingskader.

9.2.2.5 Gasunie Transport Services Bv

Gasunie Transport Services Bv heeft een overlegreactie ingediend die bestaat uit drie delen. Het eerste deel gaat in op de regels voor het artikel 'Leiding - Gas'. Het tweede deel gaat in op de regels voor het artikel 'Bedrijf - Gasontvangststation' en tot slot gaat het derde deel in op de mogelijkheid tot het oprichten van windturbines tot 10 meter hoog.

Reactie op artikel 'Leiding - Gas'

Gasunie Transport Services verzoekt om enkele wijzigingen op het artikel 'Leiding - Gas' op te nemen in het plan. Het gaat daarbij om de volgende voorgestelde wijzigingen:

Met betrekking tot de voorrangsregel wordt verzocht om deze op te nemen als apart artikel na de bestemmingsomschrijving, in plaats van deze op te nemen in de bouwregels. Daarnaast wordt verzocht om in de voorrangsregel te spreken over bestemmingen in plaats van dubbelbestemmingen.

Reactie gemeente

Normaal gesproken is het toevoegen van leden niet toegestaan, omdat dit niet past binnen de SVBP 2012. Met een Chw bestemmingsplan mag van de standaarden worden afgeweken. Daarom zal in de dubbelbestemming Leiding - Gas de voorrangsregel in een apart lid worden opgenomen. Het karakter van een dubbelbestemming is dat deze voorrang heeft boven een bestemming, daarom is het noemen van bestemmingen in de voorrangsregel overbodig.

Daarnaast verzoekt de Gasunie om een in dit artikel specifieke gebruiksregels op te nemen, met daarin regels ten aanzien van de opslag van goederen en het veranderen van het gebruik van bestaande gebouwen. Deze mogen niet als kwetsbaar object worden gebruikt. Er wordt een voorstel gedaan voor een regeling die in het plan kan worden opgenomen.

De Gasunie stelt voor om een aantal aanpassingen te doen aan lid 60.4 'Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' met als doel de leiding zo goed mogelijk te beschermen.

Tot slot merkt de Gasunie op dat de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' op diverse locaties samen valt met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Omdat bij de aanleg van de leiding de grond reeds geroerd is, verzoekt de Gasunie om artikel 66.4.2 zodanig aan te passen dat het verbod niet van toepassing is indien het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte.

Reactie gemeente

De regels worden op deze punten aangepast.

Reactie op artikel 'Bedrijf - Gasontvangststation'

De Gasunie verzoekt om de naam van het artikel te wijzigen in 'Bedrijf - Gasdrukmeet- en regelstation'. Daarnaast verzoekt de Gasunie om de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen aan te passen naar 3,5 meter in verband met de veiligheid voor het station.

Reactie gemeente

De inhoud van de regels wordt aangepast en de naamgeving van de bestemming ook.

Reactie op aanduiding veiligheidszone - externe veiligheid

De Gasunie verzoekt om de naam van de aanduiding te wijzigen in 'veiligheidszone - gasdrukmeet- en regelstation'. En daarnaast wordt verzocht om de afwijkingsmogelijkheid in artikel 91.2.2 Afwijken van de bouwregels te schrappen omdat dit in strijd is met wettelijke regels.

Reactie gemeente

De naam van de aanduiding wordt aangepast. De afwijkingsmogelijkheid in artikel 91.2.2 wordt verwijderd.

Mogelijkheid tot het oprichten van windturbines

De Gasunie geeft aan dat de aanwezigheid van een windturbine invloed kan uitoefenen op haar assets. Daarom wordt verzocht om in de regels van het plan rekening te houden met de gasleidingen van de Gasunie.

De Gasunie stelt voor om een passage op te nemen binnen de algemene bouwregels. Binnen dit artikel wordt voorgesteld een bepaling op te nemen waarin wordt geregeld dat een windturbine enkel op gepaste afstand (buiten de high impact zone) mag worden gerealiseerd. De high impact zone met bijbehorende berekening kan in de begrippenlijst worden opgenomen.

Reactie gemeente

Dit is verwerkt in de regels conform de reactie van de Gasunie.

Inspraak

Naast de vijf overlegreacties is één inspraakreacties binnen gekomen. Hieronder is de inspraakreactie samengevat.

1. Inspraakreactie

Aanduiden bestaande bedrijfswoning

Reclamanten stellen met betrekking tot het perceel Julianaweg 8-10 dat de bestemming Dienstverlening op beide percelen is gelegd, met in het bouwvlak deels de aanduiding 'karakteristiek'. Julianaweg 10 wordt in de huidige situatie als bedrijfswoning gebruikt, echter ontbreekt een aanduiding 'bedrijfswoning' dan wel 'wonen'. Reclamanten zouden ten minste het huidige gebruik van Julianaweg 10 als bedrijfswoning in het plan aangeduid en toegestaan willen hebben.

Reactie gemeente:

De woning aan Julianaweg 10 heeft in het Chw bestemmingsplan ten onrechte niet de aanduiding 'wonen'. Dit wordt alsnog in het plan aangepast.

Realiseren mogelijkheid tot reguliere woonfunctie op het perceel

Daarnaast stellen reclamanten dat de wijk waarin zij wonen steeds meer het karakter van een woonwijk heeft gekregen. Zij stellen dat de aanstaande gemeentelijke herindeling gevolgen kan hebben voor het gebruik van het stadskantoor en achten het een reële mogelijkheid dat het gebouw, wanneer niet meer in gebruik als stadskantoor, ten behoeve van wonen wordt gebruikt. In dat geval achten de reclamanten het reëel dat het gebruik van hun perceel als kantoor of andere vorm van dienstverlenend bedrijf ook niet meer aantrekkelijk is. Daarop verzoeken de reclamanten om de gebruiksmogelijkheden van het perceel worden uitgebreid tot zowel gebruik voor dienstverlening als voor een reguliere woonfunctie. Hierbij willen zij het gebruik van maximaal twee woningen toestaan, waarbij het huidige kantoor en de huidige bedrijfswoning beide als zelfstandige reguliere woningen in gebruik moeten kunnen worden genomen.

Reactie gemeente:

Op dit moment is nog niet bekend wat er na de herindeling met het stadskantoor gaat gebeuren. Daarom is er geen aanleiding om de functie van het perceel van inspreker aan te passen voor een eventuele toekomstige situatie. Als inspreker een concreet initiatief heeft dan kan hiervoor uiteraard een verzoek worden ingediend bij de gemeente.

9.2.3 Ontwerpfase

Vervolgens is het ontwerpplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode zijn meerdere zienswijzen ingediend. In bijlage 21 is de reactienota zienswijzen opgenomen. Hierin zijn de zienswijzen samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. Tevens is opgenomen of en op welke wijze het bestemmingsplan is aangepast naar aanleiding van zienswijzen. Ook zijn hierin de ambtshalve wijzigingen uiteengezet.

9.2.4 Vaststellingsfase

Het plan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.