Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018    

Borsele

bestemmingsplan met verbrede reikwijdte

identificatie planstatus
identificatiecode: datum: status:
NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0002 Borsele 29-10-2016 voorontwerp
05-10-2017 ontwerp
projectnummer:
projectleider:
ir C.A. Louws

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Een omgevingsplan voor het Borselse buitengebied     

Het bestemmingsplan Buitengebied (Borsels Buiten) van de gemeente Borsele is aan herziening toe. De gemeente wil (in plaats van een bestemmingsplan) een pilot-omgevingsplan opstellen. Een nieuw instrument, vooruitlopend op de Omgevingswet.

1.2 Plangebied     

Het plangebied van het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 beslaat het hele buitengebied van de gemeente Borsele: het agrarische gebied, met alle daarbinnen gelegen natuurgebieden en infrastructuur (inclusief de Westerscheldetunnelweg, de verbreding Sloeweg en groenproject 't Sloe) en de Westerschelde. Alle kernen, bedrijventerreinen en twee verblijfsrecreatiegebieden, waarvoor afzonderlijke bestemmingsplannen gelden, maken geen deel uit van het plangebied van het pilot-omgevingsplan voor het buitengebied. In figuur 1.1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.

verplicht

Figuur 1.1 Plangebied

1.3 Pilot-omgevingsplan     

Het bestemmingsplan Borsels Buiten dateert uit 2007 en is op 5 februari 2015 partieel herzien (met betrekking tot de regeling voor Nieuwe Economische Dragers). Dat betekent dat de wettelijke plantermijn van het bestemmingsplan (van 10 jaar) in 2017 afloopt. Om tijdig een actueel planologisch kader te hebben, is de gemeente gestart met de herziening van het bestemmingsplan.

In 2019 treedt de Omgevingswet (naar verwachting) in werking. De gemeente heeft er voor gekozen om, op basis van mogelijkheden die de Crisis- en herstelwet (Chw) biedt, daarop vooruitlopend een pilot- omgevingsplan op te stellen en zo voor te sorteren op het nieuwe wettelijke kader.

Door het opstellen van een pilot-omgevingsplan investeert de gemeente in het instrumentarium van de toekomst en de daarbij behorende filosofie, in plaats van het opstellen van een bestemmingsplan dat vlak na de vaststelling (door de inwerkingtreding van de Omgevingswet) als instrument vervalt.

Artikel 2.4 van de Chw biedt de mogelijkheid om bij wijze van experiment af te wijken van bestaande wet- en regelgeving, indien het experiment bijdraagt aan innovatieve ontwikkelingen en voldoende aannemelijk is dat uitvoering ervan bijdraagt aan het bestrijden van de economische crisis en aan de duurzaamheid. De gemeente heeft deze pilotstatus aangevraagd. De innovatie zit in dit project met name in een andere wijze van beleidsontwikkeling (meer gericht op integraliteit) en in het opstellen en gebruiken van een ander instrumentarium, afgestemd op de uitgangspunten van de Omgevingswet. De innovatie werkt ook door in werkwijze en organisatie. Het omgevingsplan vraagt om een andere wijze van toetsing van initiatieven en heeft daarmee ook gevolgen voor de werkwijzen en organisatie bij toetsing en handhaving. De Provincie Zeeland heeft (in de antwoordnota op de Bevelandse reactie ingediend op de Kadernota herziening Omgevingsplan Zeeland 2012-2018, d.d. 20 okt. 2015) uitgesproken mee te werken aan pilotprojecten in het kader van de Omgevingswet zoals een pilot voor het buitengebied van Borsele.

Het Buitengebied Borsele is bij besluit van 8 juli 2016 tot wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet en van bijlage II bij de Crisis- en herstelwet toegevoegd aan artikel 7c, lid 15, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet toegevoegd. De pilotstatus voor het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 (officieel een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) is daarmee op 15 juli 2016 (datum inwerkingtreding besluit) verleend.

In de Nota van Toelichting staat het volgende vermeld:

Het bestemmingsplangebied 'Borsels Buiten' omvat het gehele buitengebied van de gemeente Borsele en is, exclusief het buitendijkse water van de Westerschelde, ongeveer 12.000 ha groot. Het buitengebied beslaat het agrarische gebied met alle daarbinnen gelegen infrastructuur.

Het buitengebied levert een belangrijke bijdrage aan de inkomsten voor de gemeente in de vorm van agrarische bedrijvigheid en toerisme. De ontwikkelings- en gebruiksmogelijkheden van vrijkomende (agrarische) gebouwen hebben een belangrijke economische betekenis. Het tegengaan van onnodige belemmeringen in de economische ontwikkeling hiervan, met behoud van de kwaliteit van de leefomgeving, de ruimte en de recreatiefunctie, kan beter bereikt worden met een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte.

De gemeente heeft op het onderwerp geluidhinder en landschappelijke beeldkwaliteit een uitgewerkt en gebiedsgericht beleid dat effectiever kan worden toegepast indien het wordt geïntegreerd in het bestemmingsplan. Nu is dit beleid nog teveel versnipperd, waardoor plan- en besluitvorming niet aan elkaar worden gekoppeld en kansen worden gemist. De gemeente zal in ieder geval haar geluidverordening buitengebied en haar beleid ten aanzien van cultuurhistorie, welstand en landschappelijke kwaliteit opnemen in het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan kan vanwege de verbrede reikwijdte aspecten als duurzame energiewinning, landschappelijke inpassing en natuurcompensatie beter ondersteunen.

Strikt genomen is het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 een 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte', waarvoor artikel 2.4 Crisis- en herstelwet jo. artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet de grondslag biedt. In deze toelichting en in het plan wordt echter gesproken over 'Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018' of 'pilot-omgevingsplan'.

1.4 Planfilosofie     

De Omgevingswet gaat uit van een andere filosofie dan de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro):

  • minder regels, deregulering;
  • meer loslaten: vertrouwen als uitgangspunt;
  • integratie van aspecten rondom de fysieke leefomgeving in één ruimtelijk plan (verbrede reikwijdte);
  • meer ruimte voor afwegingen op gemeentelijk niveau;
  • meer ruimte en flexibiliteit voor wenselijke ontwikkelingen;
  • waarborgen van de gewenste omgevingskwaliteit.

Doel Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018

De gemeente Borsele wil de nieuwe planfilosofie graag toepassen in het nieuwe plan voor het buitengebied. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol:

  • voorbereiden op de Omgevingswet, in instrumentarium, werkwijze en organisatie;
  • gebruikmaken van de mogelijkheden die het instrumentarium van de Omgevingswet biedt om ontwikkelingen eenvoudiger mogelijk te maken;
  • integreren van beleidsvelden met betrekking tot de fysieke leefomgeving in één integraal instrument.

De Omgevingswet biedt in de ogen van het gemeentebestuur in dat licht een aantal kansen:

  • maken van (meer) integrale afwegingen, waarbij verschillende afwegingskaders worden afgestemd en geïntegreerd;
  • beleid en regelgeving meer richten op beleidsdoelen dan op een normatieve vertaling daarvan;
  • het meer faciliteren van ontwikkelingen, zonder onnodige procedures.

Door gebruik te maken van de pilot-status onder de Crisis- en herstelwet wordt een plan in de geest van de Omgevingswet opgesteld, binnen de grenzen van artikel 7c Besluit uitvoering Chw. Op deze wijze kan worden geëxperimenteerd/ervaring worden opgedaan met de toekomstige planfilosofie en -methodiek.

Het huidige planningsstelsel, zoals vertaald in het huidige provinciale en gemeentelijke ruimtelijke ordeningsbeleid heeft, naast bescherming van de ruimtelijke kwaliteit, weliswaar als insteek om ruimte te bieden aan ontwikkelingen, maar beide werken in de praktijk vaak belemmerend. De betrokken beleidsdoelen zijn in het algemeen uitgewerkt in concrete (kwantitatieve en normatieve) regels en kaders. In plaats van faciliterend te zijn voor gewenste ontwikkelingen onder de goede voorwaarden, zijn de huidige regels te zeer gericht op het voorkomen van ongewenste ontwikkelingen. De ruimte ontbreekt vaak om op een andere dan de voorgeschreven manier de doelen te bereiken.

Het is de ambitie van de gemeente om nieuwe – passende – ontwikkelingen zo veel mogelijk rechtstreeks of met zo beperkt mogelijke procedures mogelijk te maken. De gemeente zoekt voor haar buitengebied naar instrumenten om te kunnen komen tot een integratie van haar eigen beleid en regelgeving, waarbij flexibiliteit wordt bereikt door het behalen van de achterliggende beleidsdoelen te borgen in plaats van die uit te werken in concrete normen en maatregelen. Een instrument waarmee effectiever en efficiënter ingespeeld kan worden op gewenste ontwikkelingen, waarbij meer maatwerk kan worden geleverd met een gelijkwaardig en mogelijk zelfs beter resultaat.

Doel voor het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 is vierledig:

  • de bijzondere kwaliteit van het buitengebied van Borsele behouden en versterken;
  • passende economische ontwikkelingen mogelijk maken;
  • nieuwe ontwikkelingen zo eenvoudig mogelijk faciliteren, onder de goede voorwaarden;
  • integreren van regelgeving rondom de fysieke leefomgeving in het pilot-omgevingsplan.

Deze doelen vragen om een ander instrumentarium dan het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten.

Het gemeentebestuur wil een meer integrale en meer flexibele regeling waarbij met behoud van de omgevingskwaliteit beter kan worden ingespeeld op ontwikkelingen in het buitengebied; een juridisch kader dat meer ruimte biedt voor maatwerk in de belangenafweging (op basis van kwalitatieve criteria en gelijkwaardige oplossingen).

Het pilot-omgevingsplan vraagt om een goede mix van loslaten en sturen/vinger aan de pols houden. Daarbij zal een verschuiving optreden van kwantitatief en normatief naar een meer kwalitatieve en faciliterende regeling. De kunst is om gewenste ontwikkelingen direct mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Een spannend en uitdagend traject, waarbij de gebaande paden worden verlaten en nieuwe wegen worden ingeslagen. Een traject met een meerwaarde op meerdere vlakken:

  • toekomstgericht instrumentarium;
  • integratie en afstemming van beleidsvelden;
  • nieuwe verhoudingen en werkwijzen, afgestemd op de huidige ontwikkelingen in de samenleving.

Verbreding

De gemeente wil in ieder geval (een deel van) haar geluidsverordening buitengebied en haar beleid ten aanzien van cultuurhistorie, welstand en landschappelijke kwaliteit opnemen in het op te stellen plan. Ook andere voor het buitengebied relevante regels in de gemeentelijke verordeningen zullen in dit plan worden betrokken.

Mogelijkheden

Bij het benutten van de kansen en mogelijkheden die de Omgevingswet biedt (concreet: de mogelijkheden die de pilot-status van de Chw biedt) zijn de volgende aspecten van belang.

Goede fysieke leefomgeving

De Omgevingswet richt zich op het in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. De term 'goede ruimtelijke ordening' verdwijnt. Hiermee heeft het pilot-omgevingsplan een verbrede reikwijdte ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. Milieu, ruimtelijke ordening en andere aspecten van de fysieke leefomgeving kunnen worden geïntegreerd in het pilot-omgevingsplan.

Daardoor ontstaat ook een veel meer integrale beleidsvorming en toetsing. De regelgeving kan zo worden vereenvoudigd. De regels worden inzichtelijker en strijdige en dubbele regelingen worden voorkomen. Ze worden immers op één plek samengebracht.

Artikel 7c, lid 1 van het Besluit uitvoering Chw biedt de mogelijkheid om in dit pilot-omgevingsplan te experimenteren met het invulling geven aan 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving'.

Afwijken van wettelijke kaders

De pilotstatus op basis van de Chw biedt kansen om op onderdelen af te wijken van het huidige wettelijk kader. Voorbeelden daarvan zijn de mogelijkheid om regels op te nemen die verder gaan dan een goede ruimtelijke ordening (toepassen verbrede reikwijdte) en de mogelijkheid om gebruiks- en bouwmogelijkheden anders dan door bestemmingen aan te geven. Daarnaast heeft dit plan een plantermijn van 20 jaar in plaats van de gebruikelijke 10 jaar.

Kwalitatieve én kwantitatieve toetsingsregels

Het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 biedt ruimte om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken met kwalitatieve regels. Het kan een flexibeler kader bieden dan een bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kan en mag, voor directe gebruiksrechten, alleen concreet toetsbare kwantitatieve regels bevatten.

Overzicht

Voor een overzicht van de wijze waarop in dit plan invulling is gegeven aan de mogelijkheden die artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw biedt, wordt verwezen naar bijlage 1.

1.5 Leeswijzer     

De toelichting op het pilot-omgevingsplan is relatief kort. In Hoofdstuk 2 Gemeentelijk beleid wordt een toelichting gegeven op het gemeentelijke beleid voor het buitengebied. Dit gemeentelijke beleid is een verdere uitwerking van de Nota van Uitgangspunten van september 2015 die door de gemeenteraad is besproken en geldt als leidraad voor de opstelling van het pilot-omgevingsplan. Aan het gemeentelijke beleid liggen diverse bouwstenen ten grondslag die zijn opgenomen in de bijlagen (Provinciaal beleid, Rijksbeleid, Sectorale aspecten en Beleidsregels en verordeningen). Een belangrijke bouwsteen is het planMER waarvan in Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten een korte samenvatting is opgenomen (voor het uitgebreide planMER zie bijlage 5 PlanMER). Een verdere uitwerking van het gemeentelijke beleid is opgenomen in bijlage 3: Uitwerking gemeentelijk beleid.

In Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving is opgenomen op welke wijze het gemeentelijke beleid is vertaald in de juridische regeling.

Hoofdstuk 2 Gemeentelijk beleid     

2.1 Algemeen     

Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het gemeentelijke beleid voor het pilot-omgevingsplan. Het gaat daarbij om het beleid voor de fysieke leefomgeving, voor zover de beleidsonderwerpen relevant zijn voor en zich laten vertalen in het pilot- omgevingsplan.

Het nieuwe pilot-omgevingsplan ('bestemmingsplan met verbrede reikwijdte') vervangt het vigerende bestemmingsplan Borsels Buiten. In de paragrafen 2.2 en 2.3 worden de in hoofdstuk 1 beschreven doelen voor het pilot-omgevings plan uitgewerkt, als basis voor de verdere uitwerking van het gemeentelijk beleid. Daarbij zijn twee aspecten van belang:

  • de inhoudelijke uitwerking van het gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving van het buitengebied;
  • de vertaling van de nieuwe planfilosofie op basis van de Omgevingswet in het pilotomgevingsplan.

Uitgangspunten planfilosofie

Een omgevingsplan gaat op basis van de Omgevingswet uit van een andere filosofie dan een bestemmingsplan. Daarbij spelen de volgende uitgangspunten een rol.

  • selectiviteit: alleen vastleggen wat nuttig en noodzakelijk is, loslaten wat niet geregeld hoeft te worden;
  • terugtreden: niet meer alles vastleggen en als gemeente bepalen;
  • kwalitatief: met name kwalitatief richting aangeven; een ruime bandbreedte van ontwikkelingen opnemen die niet uitgesloten hoeven worden maar onder de goede voorwaarden toegelaten kunnen worden;
  • duidelijkheid: aangeven wat echt niet kan/mag; dit wordt uitgesloten.

Deze uitgangspunten vragen om een fundamentele heroverweging van beleid en regelgeving. Daarbij spelen de volgende vragen een rol:

  • is het nodig voor een bepaald aspect beleid te formuleren of regels op te nemen?
  • als beleid en regelgeving nodig zijn, hoe kunnen beleid en regelgeving dan faciliterend worden vorm gegeven, zodanig dat ongewenste ontwikkelingen tegen gehouden kunnen worden en gewenste en toelaatbare ontwikkelingen onder de goede voorwaarden mogelijk gemaakt worden?

Bij de eerste vraag zijn beleid en regeling meer gewenst en nodig naarmate:

  • ontwikkelingen ingrijpender (ruimtelijk, milieuhygiënisch, hinder) zijn;
  • sprake is van kwetsbaarder waarden of belangen.

Wat betreft de invulling van beleid en regeling is een goed evenwicht tussen flexibiliteit, duidelijkheid en rechtszekerheid van belang (zie figuur 2.1). Het gemeentebestuur wil meer flexibiliteit bieden, zonder dat daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid onevenredig worden geschaad. Zoals aangegeven zal de regeling meer kwalitatief worden ingestoken dan nu het geval is; meer gericht op de te realiseren beleidsdoelen. Dat betekent dat een verschuiving plaatsvindt van normatieve regels naar een vorm van 'onderhandelingsplanologie', waarbij aan de voorkant van het proces overeenstemming wordt bereikt over de vraag of medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling en onder welke voorwaarden. Dat vraagt om een goede onderbouwing door initiatiefnemers.

Daarom moet het pilot-omgevingsplan voorzien in:

  • voorwaarden en criteria die uitnodigen om in gesprek te gaan met initiatiefnemers;
  • de voorwaarde dat initiatiefnemers een goede motivering van hun project geven;
  • de voorwaarde dat een initiatiefnemer zijn of haar omgeving bij bepaalde initiatieven moet betrekken; de gemeente neemt de resultaten hiervan mee in de afweging.

De inhoud van beleid en regeling moet een goed evenwicht waarborgen tussen de aspecten flexibiliteit, rechtszekerheid en duidelijkheid. De (digitale) raadpleegbaarheid van het pilot-omgevingsplan speelt daarbij een belangrijke ondersteunende rol.

verplicht

Figuur 2.1. Spanningsveld duidelijkheid-flexibiliteit-rechtszekerheid

2.2 Doelstellingen voor het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018     

In de inleiding is aangegeven dat het doel voor het pilot-omgevingsplan vierledig is:

  • de bijzondere kwaliteit van het buitengebied van Borsele behouden en versterken;
  • passende economische ontwikkelingen mogelijk maken;
  • nieuwe ontwikkelingen zo eenvoudig mogelijk faciliteren, onder de goede voorwaarden;
  • integreren van regelgeving rondom de fysieke leefomgeving in het pilot-omgevingsplan.

In de paragrafen 2.2.1 tot en met 2.2.4 worden de doelstellingen voor Borsele verder uitgewerkt.

2.2.1 Behoud en versterking van de kenmerkende kwaliteit van het Borselse buitengebied     

Uitgangspunt van beleid blijft het behoud en de ontwikkeling van de bijzondere kwaliteit van het buitengebied van Borsele. Het gaat daarbij in het pilot-omgevingsplan om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De kwaliteit van de leefomgeving staat hoog in het gemeentelijk vaandel en dat blijft zo. De ruimtelijke kwaliteit staat daarin centraal; versterkt en ondersteund door andere omgevingskwaliteiten, zoals de rust en de ruimte en de milieukwaliteit.

Ontstaansgeschiedenis

De ruimtelijke kwaliteit hangt nauw samen met de ontstaansgeschiedenis en de wijze waarop dit nog zichtbaar is in de landschapsstructuur en de beeldkwaliteit.

Het karakter van het buitengebied van Borsele is in belangrijke mate bepaald door de bedijkingsgeschiedenis van het gebied. Het Borsels buitengebied is een aaneenschakeling van poldergebieden die in de loop van de eeuwen op de zee zijn veroverd. Daarmee is de landschapsopbouw bepaald door het krachtenspel van mens en zee; de wisselwerking van het winnen van land op de zee en periodieke dijkdoorbraken.

De polderstructuur is in schillen opgebouwd rond de zogenaamde oudlandkernen. Tussen Goes en Nisse ligt het oudste gebied namelijk het kerngebied de Poel.

Verder is sprake van oudland rond Hoedekenskerke, Baarland, Oudelande en Ellewoutsdijk. In het begin van de 12e eeuw werden de oudlandkernen bedijkt. In eerste instantie om het doordringen van kreken in het achterland tegen te gaan. In het hedendaagse landschap zijn daarvan nog relicten te vinden, zoals de dijken bij Baarland, Hoedekenskerke en Oudelande en de later aangelegde ringdijken. De oudlandkernen werden van elkaar gescheiden door een stelsel van getijdegeulen (kreken). De belangrijkste geul was het Zwake die overging in het Sloe en de Schenge. In het geulenstelsel lagen zandplaten, de zogenaamde opwassen. Deze droogvallende delen werden na de periode van defensieve bedijking in het kader van landaanwinning bedijkt (offensieve bedijking). Het gaat om Heinkenszand, Ovezande en de polder daar direct omheen. Tegelijkertijd met de opwassen werden de toen nog buitendijks gelegen schorren bedijkt. Deze bedijkte gebieden worden aanwassen genoemd. Tot omstreeks 1500 werd op kleine schaal ingepolderd, hetgeen nu nog te zien is aan de kleine polders en het intensieve dijkenpatroon. Daarna maakte de technologische vooruitgang het mogelijk om grotere stukken in één keer in te polderen. Maar ook de langzame zeespiegelstijging in die tijd bevorderde de grootschalige inpoldering. De inpolderingsgeschiedenis van de grote polders loopt vanaf 1561, toen de Oude Kraaijertpolder werd bedijkt, tot aan de inpoldering van de Sloepolders in de 19e en 20e eeuw. Deze polders worden gekenmerkt door de grotere schaal en de langere, rechte wegen. Bijzonder is de renaissancepolder Borssele die gekenmerkt wordt door een open karakter en de rationele, rechthoekige verkaveling met het daarbij horende patroon van dijken en polderwegen (zie figuur 2.2.). Ook de kern Borssele is volgens dat rechthoekig verkavelingspatroon ingericht, waarbij de gedraaide oriëntatie ten opzichte van de omliggende polder opvallend is.

verplicht

Figuur 2.2 Renaissancepolder Borssele

De bedijkingsgeschiedenis is daarmee sterk bepalend voor het huidige landschap. De kenmerkende structuur van dijken en wegen is met een aantal oude kreeklopen en de welen de belangrijkste structuurdrager van het landschap. Figuur 2.4. geeft de belangrijkste structuurdragers weer.

De bedijking was gericht op het uitbreiden van het agrarische areaal. De landbouw is nog steeds verreweg de belangrijkste gebruiksfunctie van het polderlandschap. De natuur- en landschapswaarden zijn in belangrijke mate verbonden met het agrarische gebruik. Denk daarbij aan het oude heggenlandschap bij Nisse of de weidereservaten in De Poel. Ook het huidige agrarische gebruik draagt bij aan de landschapswaarden van het buitengebied, bijvoorbeeld in de openheid en de fruitteelt. Natuurgebieden zijn op verschillende plaatsen ontstaan door dijkdoorbraken (welen), langs kreekrestanten en achter de Westerscheldedijk (inlaagpolders).

Ruimtelijke kwaliteiten - gebiedsbeschrijving

Het buitengebied van Borsele wordt gekenmerkt door een open polderlandschap. Een deel van de polders heeft een grootschalig, rationeel blokverkavelingspatroon. In de oudere polders is dat het gevolg van herverkavelingen, terwijl de nieuwere polders reeds bij het ontstaan op deze economische wijze zijn verkaveld. Nabij de kernen en in de landschappelijk beschermde gebieden zijn daarnaast polders met een meer kleinschalig verkavelingspatroon te vinden. In het landschap komen overigens veel dijken voor, van waarop vergezichten mogelijk zijn. Het landschap kan op basis van de ligging en de schaal van de polders onderverdeeld worden in een aantal deelgebieden: De Poel (oudland), de kleinschalige nieuwlandpolders van de Zak, de herverkavelde oudlandpolders (Baarland, Hoedekenskerke en Ellewoutsdijk), de grootschalige polders zoals de Kraaijertpolders en de Borsselepolder. De drie eerstgenoemde deelgebieden behelzen de (meer) kleinschalige en/of landschappelijk waardevolle polders.

De Poel

  • Dit is een kleinschalig en open gebied. De erfbeplantingen, waaronder de 'Zeeuwse heggen', op de perceelsgrenzen en langs de sloten bepalen hier vrij sterk het beeld.

Kleinschalige polders

  • Kleinschalige nieuwlandpolders van de Zak: deze polders zijn eerder kleinschalig. Boerderijen komen voor onderaan de dijk en bij grotere polders ook middenin langs de polderweg. In dit gebied komen ruimere erven voor, vaak met omzoomde boomgaarden.
  • Herverkavelde oudlandpolders (Baarland, Hoedekenskerke en Ellewoutsdijk): dit gebied heeft een gemengd karakter; rondom Ellewoutsdijk komen grootschalige open polders voor, op andere plaatsen zijn eerder kleinschalige besloten polders. In dit gebied zijn vooral de wegbeplantingen beeldbepalend.

Grootschalige polders

  • De grootschalige Kraaijertpolder: dit gebied heeft een vrij open karakter. De gronden werden er economisch efficiënt ingedeeld waarbij eerder grootschalige percelen zijn ontstaan. Dijken en polderwegen zijn hier veelal niet beplant. De nabijheid van het Sloegebied is hier vrij beeldbepalend. Erven komen voor onderaan de dijk of middenin langs de polderweg. Door de openheid van de polder zijn erfbeplantingen van belang voor de ruimtelijke kwaliteit.
  • De grootschalige Borsselepolder: ook deze polder heeft een open grootschalig karakter, gekenmerkt door de vierkante wegenstructuur. De hoge Westerscheldedijk en de nabijheid van het Sloegebied zijn hier de belangrijkste beeldbepalende elementen. Erven komen voor langs de wegen; als solitaire objecten in de open ruimte of in de vorm van lintbebouwing.

In het buitengebied komen veel boerderijen voor. De traditionele agrarische bebouwingsvormen zoals Zeeuwse schuurboerderijen en boerenhofsteden hebben in Borsele een belangrijke cultuurhistorische waarde, maar zijn door hun verspreide aanwezigheid in het buitengebied ook voor de landschapsbeleving waardevol. Dergelijke bebouwing is in het open landschap makkelijk herkenbaar door de hoge bomen rondom het erf. Deze bomenrijen behoren tot de traditionele erfbeplanting. De bebouwing zelf is pas zichtbaar van dichtbij. Oorspronkelijk is de bebouwing gesitueerd langs de dijken, aan de rand van de polder. Bebouwing langs de wegen komt minder voor.

Erfbeplantingen in de Zak van Zuid-Beveland waren in vroegere tijden net zo vanzelfsprekend als de karakteristieke Zuid-Bevelandse boerderijen en spulletjes. In de beplanting en inrichting zat een logica die door het gebruik van het erf als het ware vanzelf ontstond en hierdoor in harmonie was met de bebouwing en hier nauwe samenhang mee vertoonde. De beplanting was een onderdeel van de bedrijfsvoering, waardoor men op een boerderij veelal zelfvoorzienend was. Vanwege de schaalvergroting en efficiëntie in de landbouw is het gebruik van de beplanting grotendeels verdwenen. De beplanting van een erf wordt nog steeds gezien als een kwaliteit, die kenmerkend is voor de Zak van Zuid-Beveland, omdat deze mede de Borselse identiteit bepaalt. Erfbeplantingen leveren hierdoor een belangrijke bijdrage aan het aanzien van het landschap. Deze kwaliteit van het landschap is van onschatbare waarde voor mensen die in het gebied wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat (bouw)ontwikkelingen landschappelijk goed worden ingepast, zodat de landschappelijke kwaliteit van erven behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Juist hierdoor kunnen de maat en schaal van de nieuwe bedrijfsbebouwing goed worden ingepast in het landschap en de veelal aanwezige bestaande karakteristieke bebouwing. Per landschapstype vertonen de erfbeplantingen verschillen. Het is van belang dat bij (bouw)ontwikkelingen de te ontwikkelen beplantingsplannen aansluiten op de kenmerken per deelgebied.

Naast de traditionele boerderijen komen ook nieuwe agrarische bedrijven voor. De moderne agrarische sector wordt gekenmerkt door een ontwikkeling van schaalvergroting en industrialisering. Waar de landbouw van oorsprong een activiteit was die gericht was op zelfvoorziening van de directe omgeving, is het geëvolueerd naar een rationele economische activiteit, die voor de (wereld)markt produceert. In het bewerken van het land (van handmatig naar machinaal), in de inrichting van het erf en in de vormgeving van de bebouwing is deze evolutie waarneembaar. Vanaf het prille begin van deze ontwikkeling is er sprake van functiescheiding op het erf, te beginnen met een scheiding tussen wonen en werken, doorgezet in afzonderlijke varkenskotten en wagenschuren. Naast de boerenwoningen komen veelvuldig, al dan niet samengevoegde, Zeeuwse arbeiderswoningen voor. Daarnaast zijn woningen ontstaan als resultaat van boerderijen die hun functie hebben verloren. De voormalige boerderijen zijn verbouwd tot woningen of gesloopt en vervangen door woningbouw.

In het buitengebied komt een aantal bebouwingsclusters voor die historisch gegroeid zijn zoals bijvoorbeeld Langeweegje, Graszoden, Sinoutskerke, Bakendorp en Baarsdorp. Ze worden vooral gekenmerkt door hun beperkt omvang. Deze landelijke bebouwingsconcentraties zijn veelal ontstaan langs historische verbindingswegen, maar toch zijn ze nooit uitgegroeid tot volwaardige kernen. Kenmerkend is de sterke relatie (verwevenheid) met de omliggende open ruimte. Het zijn veelal clusters van (arbeiders)woningen, al dan niet bij een boerderijencomplex. Overige functies komen in deze gebieden zelden voor. Meestal betreft het vrijstaande gebouwen.

De aanwezige natuur- en landschappelijke waarde vormen de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Bovendien wordt ook de recreatieve waarde van het buitengebied, gekenmerkt door rust, stilte en natuur, steeds meer gewaardeerd.

Behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit en vertaling naar deelgebieden

Het uitgangspunt van het veiligstellen en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt langs verschillende sporen in het pilot-omgevingsplan vertaald.

Zoals hiervoor beschreven is sprake van verschillende deelgebieden:

  • De Poel;
  • Kleinschalige polders:
    1. Kleinschalige nieuwlandpolders;
    2. Herverkavelde oudlandpolders;
  • Grootschalige polders:
    1. Kraaijertpolder;
    2. Borsselepolder.

Wat betreft de ontstaansgeschiedenis en de karakteristieke kenmerken zijn deze vijf deelgebieden in het algemeen duidelijk herkenbaar.

Voor het vastleggen van de bestaande kwaliteiten van het Borsels buitengebied in het pilot-omgevingsplan is het onderscheid in de aangegeven deelgebieden echter te grofmazig. De kwaliteiten van het landschap hangen samen met de dijkenstructuur, de aanwezige kreeklopen en welen, specifieke landschapselementen en perceelsgebonden landschaps- en natuurwaarden op specifieke locaties. Deze waarden zullen op perceelsniveau van een beschermende regeling worden voorzien. Het niveau van de deelgebieden is daarvoor te grootschalig. Met name de oudlandkern bij Sinoutskerke en het heggengebied bij Nisse zijn gebieden waar in het agrarisch gebied te beschermen landschaps- en natuurwaarden voorkomen. Deze gebieden zullen dan ook van een beschermende regeling worden voorzien.

Het pilot-omgevingsplan zal zonder meer - zonder nadere procedures - ruimte bieden aan het versterken en vergroten van de bestaande natuur- en landschapswaarden in het buitengebied.

verplicht

Figuur 2.3 Omgeving Nisse

De ruimtelijke kwaliteit van het Borsels buitengebied wordt naast de natuurlijke en landschappelijke waarden, bepaald door de beeldkwaliteit van (voormalige) boerderijen en burgerwoningen. Behoud van omgevingskwaliteit wordt mede bereikt door het behoud van deze beeldkwaliteit bij toekomstige bouwinitiatieven. Daartoe worden de vigerende Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting vertaald in het pilot-omgevingsplan in voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen.

verplicht

Figuur 2.4 Structuurdragers

Door voorwaarden te stellen aan toekomstige ontwikkelingen zal worden geborgd dat deze ontwikkelingen bijdragen aan de versterking en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarbij zijn de deelgebieden zoals onderscheiden in het bestemmingsplan Borsels Buiten en bij de Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting in eerste instantie als uitgangspunt genomen, met dien verstande dat:

  • er geen noodzaak is om een onderscheid te maken tussen de Herverkavelde oudlandpolders en de Kleinschalige nieuwlandpolders;
  • het kerngebied De Poel en Heggengebied Nisse onderscheiden kan worden van de omliggende gronden die samengevoegd kunnen worden met de Herverkavelde oudlandpolders en kleinschalige nieuwlandpolders.

De relevante indeling van het plangebied in deelgebieden voor toelaatbare toekomstige ontwikkelingen is weergegeven in figuur 2.4. Voor de onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 4; uit de tabel die is opgenomen in deze bijlage blijkt dat er, voor toelaatbare ontwikkelingsmogelijkheden, aanleiding is om een andere indeling van deelgebieden te hanteren.

Het versterken van de landschappelijke waarden (dijken, wegbeplantingen, schaal van het landschap) en de vergroting van de diversiteit aan natuurwaarden is niet alleen van belang voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, het draagt ook bij aan de aantrekkelijkheid van het gebied voor recreanten en toeristen en is daarmee van economische betekenis voor de ontwikkeling van aan het buitengebied verbonden recreatie (kleinschalig kamperen, aantrekkelijke dagrecreatieve functies, routes). De recreatieve gebruiksmogelijkheden van het buitengebied hebben ook een (potentieel) gezondheidsbevorderende functie.

2.2.2 Passende (economische) ontwikkelingsmogelijkheden     

Het gemeentebestuur wil in het buitengebied passende economische ontwikkelingsmogelijkheden, die de kwaliteit van het buitengebied niet aantasten, maar versterken. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën ontwikkelingen. Voor de ontwikkeling van functies in het buitengebied wordt ruim baan geboden aan functies die aan het buitengebied zijn gebonden. Daarnaast wordt passende ontwikkelruimte geboden voor andere functies. Daarbij wordt gekozen voor een grote mate van flexibiliteit. Dat betekent dat zo veel mogelijk wordt gewerkt met algemene regels, zowel voor wat betreft de uitbreidings- en vestigingsmogelijkheden voor functies als voor wat betreft de koppeling aan de locatie. Functies en ontwikkelingen die op voorhand niet gewenst zijn in het buitengebied worden niet mogelijk gemaakt. Functies en ontwikkelingen die niet in het algemeen hoeven te worden uitgesloten, worden voorzien van randvoorwaarden, die in een specifieke situatie, voor een specifieke locatie getoetst worden. In dat kader wordt ook getoetst aan de specifieke locatiekenmerken. De vraag of uitbreiding of vestiging toelaatbaar is, wordt dus in het specifieke geval beantwoord.

Categorieën functies

Primair aan het buitengebied gebonden functies

Grondgebonden landbouw, natuur- en landschapsontwikkeling en recreatief medegebruik zijn functies die onlosmakelijk verbonden zijn aan het buitengebied en mede bepalend zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Deze functies krijgen in beginsel (binnen een aantal algemene randvoorwaarden) ruime ontwikkelingsmogelijkheden.

Landbouw

Vanuit een oogpunt van ruimtelijke kwaliteit is het agrarische grondgebruik onmisbaar. De landbouw is een bedrijfstak die – vanuit de bedrijfseconomische noodzaak – continu in ontwikkeling is. Daarbij kunnen verschillende ontwikkelingsrichtingen/strategieën worden onderscheiden:

  • Schaalvergroting

Dit is een belangrijke tendens in de landbouw in het algemeen, zowel in de akkerbouw als in de veehouderij. In combinatie met het beëindigen van bedrijven breiden andere bedrijven uit. De bedrijfscentra krijgen in de regel een andere functie, veelal wonen met een nieuwe gebruiksfunctie voor de agrarische schuren (nieuwe economische dragers). Soms blijven loodsen in agrarisch gebruik door andere bedrijven. De agrarische gronden worden door de overblijvende bedrijven gebruikt om hun bedrijfsoppervlakte te vergroten. De schaalvergroting uit zich derhalve in bedrijven die qua oppervlakte groter zijn, maar ook in meer en grotere gebouwen en groter materieel.

Door de ingezette schaalvergroting zal ook vrijkomende agrarische bebouwing in het algemeen omvangrijker zijn, waardoor ze niet meer zo eenvoudig in te vullen zijn met nieuwe (niet-agrarische) functies.

  • Specialisatie

Een aantal bedrijven richt zich op specialisatie als strategie. Een belangrijk voorbeeld in Borsele is de fruitteelt, Voor de fruitteelt in Nederland is de teelt van hoogwaardige kwaliteitsproducten een logische strategie. De Nederlandse fruitteelt kan niet concurreren met de bulkproductie elders. Met het oog op het leveren van een hoogwaardig kwaliteitsproduct zijn vanuit de sector de nodige beschermende voorzieningen gewenst, zoals regenkappen, hagelnetten en antihagelgeneratoren. Andere voorbeelden van specialisatie zijn de teelt van zwarte bessen, druiventeelt in combinatie met het maken van wijn, de teelt van eetbare bloemen, et cetera.

  • Verbreding

Diverse bedrijven proberen een sterkere economische basis te creëren door koppeling van passende niet-agrarische activiteiten aan het agrarisch bedrijf. Voorbeelden daarvan zijn de verkoop van eigen producten, kleinschalige verblijfsrecreatie en een theetuin.

In beginsel moeten agrarische ondernemers de ruimte hebben om vanuit hun visie op hun bedrijf eigen accenten te leggen en keuzes te maken in deze ontwikkelingsstrategieën. Dat betekent dat het gemeentebestuur deze ontwikkelingsrichtingen met het pilot-omgevingsplan in beginsel wil faciliteren, binnen kaders. Die kaders worden ingegeven door de ruimtelijke karakteristiek van het buitengebied en cultuurhistorische en natuur- en landschapswaarden. In de teksten hierna wordt daar verder op ingegaan.

Akkerbouw en fruitteelt zijn van oudsher beeldbepalend voor het Borselse buitengebied en dat moet ook zo blijven. De grondgebonden landbouw krijgt dan ook ruime ontwikkelingsmogelijkheden. De omvang van de bouwmogelijkheden wordt begrensd. Aan het grondgebonden agrarische grondgebruik worden nauwelijks randvoorwaarden opgelegd, met uitzondering van de kwetsbare gebieden, zoals het heggengebied bij Nisse en het weidereservaat bij Sinoutskerke. Wel worden voorwaarden gesteld aan teeltondersteunende voorzieningen, voor zover het gaat om bouwwerken, die een duidelijke ruimtelijke invloed op de omgeving hebben. Het bieden van ontwikkelingsruimte voor de agrarische (grondgebonden) sector is noodzakelijk voor het behoud van de bedrijven en de kwaliteiten van het gebied. Intensievere vormen van agrarisch grondgebruik zoals intensieve veehouderij, glastuinbouw en aquacultuur (in gebouwen en in vijvers) zijn minder passend in het Borsels buitengebied. Aan deze categorieën zullen de nodige randvoorwaarden worden opgelegd. In het algemeen zullen verder randvoorwaarden aan de verschijningsvorm van gebouwen en kwalitatieve regels voor landschappelijke inpassing worden opgenomen, overeenkomstig de Beeldkwaliteitsnota en de Richtlijnen erfbeplanting.

verplicht

Figuur 2.5 Fruitteelt

Natuur en landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en archeologie 

Bij het karakter en de kwaliteiten van het Borselse buitengebied passende landschaps- en natuurontwikkeling is rechtstreeks mogelijk, ook al is de ecologische hoofdstructuur in beginsel gereed. Bestaande cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische waarden en archeologische verwachtingswaarden worden, voor zover dat nodig is, veiliggesteld.

Recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden

Context

Op basis van het provinciaal beleid zoals vastgelegd in het Omgevingsplan 2012-2018 is uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen in de provincie niet gewenst. Om minimaal het huidige kwaliteitsniveau te kunnen blijven bieden tegen de hiervoor noodzakelijke tarieven is het niet wenselijk dat het aanbod aan kampeerplaatsen in Zeeland verder toeneemt. Bij kwaliteitsverbetering en revitalisering van kampeerbedrijven neemt het aantal kampeerplaatsen geleidelijk af, omdat hoogwaardiger vormen van verblijfsrecreatie worden aangeboden. Kampeerplaatsen die als gevolg hiervan vrijkomen, kunnen opnieuw in de markt worden gezet.

Gemeentelijk beleid

Het gemeentebestuur wil - vanwege de gewenste ruimte voor verbreding binnen de landbouw en de differentiatie van het toeristisch-recreatieve product - ruimte bieden voor de ontwikkeling van kleinschalig kamperen. Daarnaast biedt het gemeentebestuur ruimte aan innovatieve vormen van verblijfsrecreatie in de vorm van bijzondere overnachtingsplaatsen. Het gaat daarbij om kleinschalige (qua aantal en omvang) ontwikkelingen, op bijzondere locaties, die duidelijk onderscheidend zijn in vormgeving en uitstraling en waarbij een inventieve en originele relatie wordt gelegd tussen vormgeving en de locatie. Een bijzondere overnachtingsplaats kan volledig opgaan in het landschap, de karakteristiek van het landschap versterken, of daar juist een spraakmakende toevoeging aan doen. Gedacht kan worden aan een koppeling aan thema's, zoals:

  • industrieel toerisme in de randzone van het Sloegebied;
  • liberation route en militaire historie in de omgeving van Fort Ellewoutsdijk en de kuststrook van de Westerschelde;
  • de kunst van het slapen in het overige buitengebied: met het landschap verbonden kunstzinnige overnachtingsplekken.

Verwacht wordt dat onder deze noemers (kleinschalig kamperen en bijzondere overnachtingsplaatsen) slechts een beperkt aantal kampeerplaatsen zal worden gerealiseerd. Aangenomen wordt dat door de herstructurering van grootschalige kampeerterreinen elders in de provincie ruimte is of zal ontstaan voor de beperkt te verwachten uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen in Borsele.

De realisatie van kleinschalige kampeerterreinen wordt gekoppeld aan een melding: met dit instrument kan goed worden gemonitord of het aantal standplaatsen binnen de gemeentegrenzen niet onevenredig en ongewenst oploopt tot onaanvaardbare aantallen.

Aan het buitengebied gebonden recreatiemogelijkheden, zoals routegebonden recreatief medegebruik, van bestaande wegen, dijken en paden, maar ook door middel van nieuwe paden, wordt eenvoudig mogelijk gemaakt. Als grondeigenaren daarmee instemmen, voegt een procedure niet zo veel toe. Overigens wordt daarbij wel rekening gehouden met de belangen van aangrenzende grondeigenaren. Ook kleinschalige, ondersteunende voorzieningen zoals picknickbanken en informatieborden, gekoppeld aan de routes worden eenvoudig mogelijk gemaakt. Voor nieuwe verblijfsrecreatieve voorzieningen worden mogelijkheden geboden voor kleinschalige kampeerterreinen en bijzondere overnachtingsplaatsen. Voor het overige wordt het spoor van de nieuwe economische dragers (ned-regeling) gevolgd.

verplicht

Figuur 2.6 Boerenlandroute Borsele Zuid

Faciliterende functies

Naast de primair aan het buitengebied gebonden functies is het buitengebied van belang voor een aantal 'faciliterende' functies. Het gaat daarbij om utilitaire functies, zoals waterhuishouding, waterkeringen, leidingen, die belangrijke betekenis hebben voor het functioneren van zowel het buitengebied als de kernen. Voor zover deze voorzieningen planologisch relevant zijn en dat vanuit het oogpunt van veiligheid nodig is, worden deze functies specifiek vastgelegd in het pilot-omgevingsplan. Als dat niet nodig is, wordt – met name vanuit het oogpunt van flexibiliteit – de bestaande situatie niet specifiek vastgelegd. Dat speelt bijvoorbeeld voor de waterlopen met een waterhuishoudkundige functie in het plangebied. Mede gelet op de veiligstelling van deze waterlopen in de Keur van het waterschap en de wens om eventuele nieuwe waterlopen eenvoudig te kunnen realiseren, worden deze waterlopen niet vastgelegd op de verbeelding van het pilot-omgevingsplan.

Ontwikkelruimte voor bestaande functies

Naast de primair aan het buitengebied gebonden functies, zoals hiervoor omschreven, komen in het buitengebied diverse functies voor die daaraan niet primair zijn gekoppeld, maar daar wel legaal zijn gevestigd. Het buitengebied is naast een agrarisch gebied bijvoorbeeld ook de locatie waarin veel burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven zijn gevestigd.

Burgers zoeken het buitengebied onder meer op voor de rust en de ruimte en hebben specifieke gebruikswensen. Aan deze wensen (ruimte voor het houden van hobbydieren, erfbebouwing, kleinschalige beroep- of bedrijfsmatige activiteiten) kan in beginsel – binnen randvoorwaarden – tegemoet worden gekomen. Een strikte scheiding tussen agrarische percelen en gronden met een woonfunctie betekent dat procedures nodig zijn om bijvoorbeeld agrarische grond als schapenweitje bij een woning te gebruiken of een tuin bij een woning uit te breiden, als grond gekocht kan worden van het aangrenzende landbouwbedrijf. Bij dergelijke gebruiksveranderingen is het maken van een afweging in het algemeen niet nodig, tenzij sprake is van gronden met bijzondere natuur- of landschapswaarden. Wel zijn bepaalde voorwaarden gewenst, bijvoorbeeld met betrekking tot het uitbreiden van tuinen bij een woonfunctie in het buitengebied. In het algemeen hoeft dat geen bezwaar te zijn, waarbij wel moet worden voorkomen dat hinder ontstaat voor aangrenzende percelen.

Ook bestaande niet-agrarische bedrijven wordt – onder voorwaarden – ontwikkelingsruimte geboden. Het gaat daarbij om uitbreiding van het bedrijfsperceel en om uitbreiding van bebouwing. Overigens moet daarbij worden afgewogen of verplaatsing naar een bedrijventerrein niet beter is.

Bij de ontwikkeling van functies in het buitengebied ligt het accent, zoals hier voor beschreven, bij de functies die onlosmakelijk met het buitengebied zijn verbonden (grondgebonden landbouw, landschap, natuur en cultuurhistorie, recreatief medegebruik). Deze functies bepalen de kernwaarden van het buitengebied en die mogen niet onevenredig onder druk komen te staan.

2.2.3 Eenvoudig faciliteren, onder goede voorwaarden     

Het gemeentebestuur kiest voor een zo faciliterend mogelijke regeling, waarmee passende ontwikkelingen eenvoudiger mogelijk worden gemaakt. Het pilot-omgevingsplan biedt de mogelijkheid om ontwikkelingen rechtstreeks toe te staan mits voldaan wordt aan kwalitatieve voorwaarden.

Het rechtstreeks toestaan van ontwikkelingen kan eventueel gekoppeld worden aan een melding zodat is vastgelegd tussen gemeente en initiatiefnemer op welke wijze aan de kwalitatieve voorwaarden wordt voldaan. Daarnaast kan in het pilot-omgevingsplan gewerkt worden met 'afwijkingen' en 'delegatie'. Met de afwijkingen van het pilot-omgevingsplan kunnen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt waarvoor in het huidige bestemmingsplan afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen. Ten opzichte van de wijzigingsprocedure van het bestemmingsplan ontstaat hier tijdswinst. De gemeenteraad kan verder aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid delegeren om het pilot-omgevingsplan op afgesproken onderdelen te wijzigen. Ook hier ontstaat tijdwinst ten opzichte van een traditionele partiële bestemmingsplanherziening.

De Omgevingswet biedt voorts mogelijkheden om noodzakelijke afwegingen en onderzoeken voor initiatieven vooruit te schuiven naar het moment van aanvraag. In het pilot-omgevingsplan wordt opgenomen aan welke (kwalitatieve) voorwaarden moet worden voldaan, de toetsing vindt in een later stadium plaats.

In het pilot-omgevingsplan voor het buitengebied van Borsele wordt de vereenvoudiging van regelgeving onder andere gezocht in:

  • het eenvoudig uitwisselbaar maken van functies als agrarisch grondgebruik, waterlopen, nieuwe natuur, tuinen bij burgerwoningen: daardoor ontstaat er meer ruimte om functiewijzigingen die als algemeen aanvaardbaar worden beschouwd eenvoudig door te voeren; overigens zullen daarbij voor specifieke gronden met bijzondere landschaps- of natuurwaarden of met het oog op het voorkomen van overlast wel voorwaarden worden gesteld;
  • het op een eenvoudige wijze vastleggen van de vorm van agrarische bouwvlakken en de locatie van nieuwe gebouwen: in de bestemmingsplanpraktijk is gebleken dat de harde grenzen van agrarische bouwvlakken bij initiatieven onnodig belemmerend werken; vaak is er overeenstemming over de aanvaardbaarheid van de vormverandering en wordt er medewerking verleend aan een vormverandering; de huidige bestemmingsplanherziening voor vormverandering wordt als onnodig zwaar en tijdrovend ervaren;
  • het eenvoudig mogelijk maken van uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • het eenvoudig mogelijk maken van zorginitiatieven (zoals zorgboerderijen, kinderopvang en andere mogelijkheden om thuis zorg te verlenen) omdat in de huidige participatiemaatschappij deze ruimte nodig is;
  • het vereenvoudigen van het stelsel van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden: het uitvoeren van werken en werkzaamheden kan ook in een pilot-omgevingsplan aan regels worden gebonden (met een afwijking van het plan); eventuele regels voor werken en werkzaamheden worden beperkt tot regels die een directe relatie hebben met de bijzondere kwaliteit van het buitengebied (kwaliteiten van de dijken, heggenlandschap, oude graslandgebieden);
  • het opnemen van de mogelijkheid om gelijkwaardige oplossingen toe te passen: hierdoor ontstaat ruimte om in plaats van een standaardnorm voor bijvoorbeeld landschappelijke inpassing ook andere opties mogelijk te maken, waardoor kwalitatief een gelijkwaardige of betere situatie ontstaat; zo'n gelijkwaardige oplossing vraagt om goed overleg en afstemming;
  • onderzoeken worden zo veel mogelijk vooruit geschoven naar het moment van een aanvraag: bijvoorbeeld geluidsonderzoek en onderzoek naar persoonsgebonden risicocontouren van leidingen en inrichtingen kunnen vooruit geschoven worden naar het moment dat een aanvraag voor een woning of een ander kwetsbaar object wordt ingediend; onderzoek naar de gevolgen van een maximale invulling van agrarische bouwvlakken (planMER) kan niet vooruitgeschoven worden; hier moeten de totale gevolgen van het plan in beeld worden gebracht.

Nieuwe functies

Wat betreft het toelaten van nieuwe functies (op erven bij aanwezige functies) gaat het gemeentebestuur bij de toetsing nadrukkelijk uit van de kwaliteiten van de betreffende locatie en de invloed daarop van de nieuwe functie. Functies die in het buitengebied in het algemeen niet passend zijn worden algemeen uitgesloten. Het gaat daarbij om functies die ruimtelijk en/of milieuhygiënisch een te grote belasting betekenen, of om functies die naar de aard aan dorpen en kernen zijn gebonden en bijdragen aan het voorzieningenniveau. Anderzijds kunnen kleinschalige, ondergeschikte functies met weinig effecten op de omgeving algemeen worden toegestaan. Voor het overige is het afhankelijk van de specifieke omstandigheden of medewerking kan worden verleend aan een nieuwe ontwikkeling en onder welke voorwaarden.

Voor de toetsing van dergelijke ontwikkelingen wordt een procesbenadering gehanteerd. Afhankelijk van de aard en de omvang van de ontwikkeling worden de daarbij behorende stappen doorlopen. Voor een in schaal en omvang relatief beperkte ontwikkeling kan volstaan worden met een eenvoudige afweging en is landschappelijke inpassing (stap 4 ) en een ruimtelijke meerwaarde (stap 5) niet altijd noodzakelijk. Naarmate een ontwikkeling ingrijpender en grootschaliger is zijn alle stappen aan de orde en is landschappelijke inpassing en/of ruimtelijke kwaliteitswinst noodzakelijk.

Stap 1: Past initiatief in het pilot-omgevingsplan?

Initiatieven die op voorhand als passend in het buitengebied (naar aard en omvang van de functie en de daar aan te stellen voorwaarden) gezien worden, worden rechtstreeks of met een melding mogelijk gemaakt in het pilot-omgevingsplan.

Als een initiatief niet rechtstreeks in het pilot-omgevingsplan past, dan zullen hiervoor mogelijkheden worden geboden (afwijking, delegatie) waarbij dan wordt getoetst volgens de volgende stappen.

Stap 2: Past de functie op de locatie?

Bij de vraag of het initiatief past op de locatie spelen de volgende aspecten een rol:

  • de aard en de omvang van de ontwikkeling;
  • het gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt.

Bij de beoordeling of een initiatief naar aard en omvang van de functie in het gebied past kan een onderscheid gemaakt worden naar functies die in meer of mindere mate een binding hebben met het buitengebied. Functies die bij uitstek een bijdrage leveren aan het voorzieningenniveau in de kernen (detailhandel, kantoren met een baliefunctie, zorgfuncties) of grootschalige bedrijven met een verkeer aantrekkende werking passen naar aard minder goed in het buitengebied. Alleen als daarbij sprake is van een meerwaarde van de vestiging in het buitengebied, kan daaraan medewerking worden verleend.

Functies die een duidelijke relatie hebben met het buitengebied (zoals aan de landbouw gekoppelde of daarmee verbonden bedrijven, aan het buitengebied gebonden dag- en verblijfsrecreatieve functies, aan de landbouw en/of het buitengebied gerelateerde dienstverlening, maatschappelijke en zorgfuncties en landbouwproduct verwerkende bedrijven) worden eerder als passend beoordeeld. Ook de omvang van een initiatief en de mate waarin uitbreiding van bebouwing aan de orde is, zijn van belang voor de beoordeling.

Bij de beoordeling van een initiatief worden de specifieke kwaliteiten van het betreffende deelgebied (bijvoorbeeld kerngebied de Poel of de grootschalige polders) in ogenschouw genomen.

Stap 3: Past de functie bij de omgevingsaspecten van de locatie?

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt beoordeeld of de kwaliteiten van de locatie actief worden benut en er zowel economisch als ruimtelijk ook kwaliteit wordt toegevoegd.

Daarbij moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling voor aspecten als ecologische en landschappelijke waarden, bodemkwaliteit, waterhuishouding, in de grond aanwezige of te verwachten monumenten en cultuurhistorische waarden. Tevens moet worden aangegeven of voldaan wordt aan sectorale wet- en regelgeving en mogen het woon- en leefklimaat van omwonenden en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet (onevenredig) worden aangetast.

Stap 4: Is sprake van een goede landschappelijke inpassing?

Wat de landschappelijke inpassing betreft wordt uitgegaan van een hoogwaardige en gevarieerde inpassing, passend bij de indeling in deelgebieden.

Stap 5: Is sprake van een meerwaarde voor het gebied?

Om medewerking te verlenen aan een initiatief kan, anders dan met landschappelijke inpassing, ook een meerwaarde worden gecreëerd door een aantoonbare fysieke verbetering van de kwaliteit van het buitengebied. Als uitgangspunt voor het bepalen en invullen van de meerwaarde is een handreiking die door de geraadpleegde klankbordgroep is gedaan gebruikt (economische meerwaarde, maatschappelijke meerwaarde, natuurlijke meerwaarde). Hieronder kan onder andere worden verstaan het versterken van de recreatieve potenties van het buitengebied van Borsele, het versterken van natuur- of landschapswaarden en de versterking van cultuurhistorische waarden.

verplicht

Figuur 2.7 Zwaakse weel

Het gemeentebestuur vindt het draagvlak van omwonenden en eventuele andere belanghebbenden een belangrijk aspect bij het beoordelen van initiatieven. Initiatiefnemers zijn daarvoor verantwoordelijk, waarbij uit de aanvraag (of eventueel melding) moet blijken hoe de initiatiefnemer het draagvlak heeft getoetst en of er in de omgeving draagvlak is voor de beoogde ontwikkeling. Overigens betekent het aanwezig zijn van draagvlak niet automatisch dat meegewerkt wordt aan een ontwikkeling. Omgekeerd betekent ook het ontbreken van draagvlak niet op voorhand dat geen medewerking wordt verleend. Primair blijft sprake van een toets aan de effecten op de omgevingskwaliteit. Het aanwezige draagvlak speelt daarbij echter wel een aanvullende rol.

2.2.4 Verbrede reikwijdte: integraal beleid voor de fysieke leefomgeving     

De Omgevingswet (en daarmee een omgevingsplan) heeft betrekking op de fysieke leefomgeving. Dat begrip is breder dan de goede ruimtelijke ordening uit de Wro. Op basis van artikel 1.2 van de Omgevingswet omvat de fysieke leefomgeving in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden onder meer aangemerkt activiteiten waardoor emissies, hinder of risico's worden veroorzaakt. Gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed via de onderdelen van de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt als gevolgen voor de fysieke leefomgeving.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden door het rijk normen en instructieregels opgenomen voor de verschillende aspecten van de leefomgeving. Daarmee wordt de kwaliteit van de fysieke leefomgeving vertaald in concrete normen. Naar aanleiding van een door de Tweede Kamer aangenomen amendement is het mogelijk dat gemeenten aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Dat kan bijvoorbeeld als sprake is van onvoorziene gezondheidsrisico's, die nog niet door de wet worden beschermd. Zo kan een gemeente een omgevingsvergunning weigeren als sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot nadelige gevolgen voor de gezondheid.

De ruimte die de Omgevingswet biedt, kan met het pilot-omgevingsplan in beginsel worden benut. Daarbij spelen twee aspecten een rol:

  • het opnemen van het vigerende gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving, dat nu nog via andere sporen is geregeld, in het pilot-omgevingsplan;
  • formuleren van integraal beleid en regels voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Vigerend gemeentelijk beleid fysieke leefomgeving

Wat betreft het integreren van de gemeentelijke verordeningen en beleidsregels voor de fysieke leefomgeving in het pilot-omgevingsplan kiest het gemeentebestuur voor een selectieve aanpak. Daarbij spelen drie aspecten een rol. In de eerste plaats zijn de verordeningen en beleidsregels niet opgesteld met het oogmerk ze ooit mee te nemen in een pilot-omgevingsplan, waardoor er verschillen zijn in plangebieden en definities. De verordeningen en beleidsregels zouden moeten worden aangepast, ingetrokken en/of gedeeltelijk van kracht moeten blijven voor het gebied wat niet in het pilot-omgevingsplan wordt opgenomen. In de tweede plaats is de duidelijkheid en toegankelijkheid van het pilot-omgevingsplan een belangrijk aandachtspunt. Naarmate meer verordeningen en beleidsregels – die qua opzet niet zijn afgestemd op het pilot-omgevingsplan – worden opgenomen, kan de duidelijkheid van het pilot-omgevingsplan afnemen. Tot slot is van belang dat er nog geen wettelijke standaarden zijn en het integreren van verordeningen en beleidsregels daardoor relatief veel pionierswerk kost.

Om die reden is besloten om een selectie te maken van de verordeningen en beleidsregels die meegenomen worden in het pilot-omgevingsplan. De verordeningen en beleidsregels die aansluiten bij en van belang zijn voor de doelstelling om het bijzondere karakter van het buitengebied te behouden worden in ieder geval meegenomen en zo nodig aangepast (bijvoorbeeld door aanpassing van het gebied waarop de verordening van toepassing is, het op een andere manier raadpleegbaar maken of door een beleidsregel te actualiseren). Het betreft de verordeningen en beleidsregels die van belang zijn voor de landschapsstructuur (erfbeplantingsregels, waardevolle bomen en dergelijke) en voor de beeldkwaliteit (Beeldkwaliteitsnota). Voorts zijn de beleidsregels en verordeningen meegenomen waarvan opname noodzakelijk is (de erfgoednota is opgesteld in afwachting van de vertaling van het archeologiebeleid in een bestemmingsplan en hoeft dus niet te worden opgenomen) of relatief eenvoudig (zoals het stookbeleid). Het pilot-omgevingsplan moet zodanig van opzet zijn dat in de toekomst beleidsregels of verordeningen relatief eenvoudig aan het plan kunnen worden toegevoegd. In Bijlage 7 is een overzicht opgenomen van de beleidsregels en -nota's en de afweging of deze wordt vertaald in het pilot-omgevingsplan.

Naast het opnemen van de vigerende verordeningen en beleidsregels in het pilot-omgevingsplan is het mogelijk om - voor zover de wetgeving zich daar niet tegen verzet - eigen beleid en regels te formuleren voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dat zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat niet-agrarische bewoners van het buitengebied wat meer hinder van de agrarische bedrijfsvoering moeten accepteren. Omgekeerd zou beleid opgesteld kunnen worden, waarmee bepaalde agrarische ontwikkelingen beperkt worden, met als doel gezondheidsrisico's te beperken. Op een aantal terreinen geldt al specifiek gemeentelijk beleid: geluid en hagelkanonnen. Dit beleid is geëvalueerd en wordt vertaald in het pilot-omgevingsplan. Vooralsnog lijkt er geen aanleiding te zijn om specifiek aanvullend beleid te formuleren. In bijlage 6 is een overzicht gegeven van mogelijke aspecten die daarbij een rol kunnen spelen.

2.3 Uitwerking: overzicht gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving     

De vierledige doelstelling zoals hiervoor beschreven in paragraaf 2.2 vormt de algemene basis voor het gemeentelijke beleid voor de fysieke leefomgeving. Dit algemene beleid is meer in detail uitgewerkt.

Deze uitwerking is opgenomen in bijlage 4 Uitwerking gemeentelijk beleid. In deze paragraaf wordt ingegaan op een aantal specifieke beleidsonderwerpen.

Uitgangspunt voor de uitwerking

Het gemeentelijk overzicht van het beleid voor de fysieke leefomgeving wordt in eerste instantie beschreven aan de hand van de karakteristiek van de verschillende deelgebieden. Hierbij is uitgegaan van de gebiedsindeling zoals deze in het bestemmingsplan Borsels Buiten en verschillende andere gemeentelijke beleidsdocumenten - zoals met name de Structuurvisie 2015-2020 - is gehanteerd. Het betreft de indeling: de Poel, Kleinschalige nieuwlandpolders, Herverkavelde oudlandpolders, Grootschalig polders en Westerschelde.

Gekoppeld aan de kernkwaliteiten van de deelgebieden worden ook de doelen per deelgebied geformuleerd. Kernkwaliteiten en doelen vormen de basis voor de toelaatbaarheid van functies en de toelaatbare ontwikkelingen. Voor zover aspecten van de fysieke leefomgeving niet aan bepaalde deelgebieden kunnen worden gekoppeld, worden deze in algemene zin, voor alle deelgebieden, weergegeven. Uit de uitwerking blijkt dat voor het toelaten van ontwikkelingen de indeling in deelgebieden kan worden aangepast.

Het ruimtelijke beleid is aangevuld met de elementen, relevant voor de fysieke leefomgeving die in diverse andere gemeentelijke nota's, verordeningen en beleidsregels zijn opgenomen (zie hiervoor bijlage 7 Beleidsregels en verordeningen). Daarnaast is het huidige provinciale beleid (zie bijlage 3 Provinciaal beleid) meegewogen.

Het beleid is meer dan een opsomming van alle vigerende beleidsstukken: nadrukkelijk is gekeken naar mogelijkheden om het aantal regels te verminderen en afwegingen meer integraal en kwalitatief te maken.

Vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen

Context

Net als de afgelopen jaren zal het aantal agrarische bedrijven in de planperiode van het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 afnemen. In het rapport Vrijkomende Agrarische Bebouwing, opgesteld in opdracht van de Rekenkamer Zeeland door Alterra en het Kadaster (2016), is onderzocht wat de te verwachten oppervlakte is van vrijkomende agrarische bebouwing in Zeeland in de periode 2012 tot 2030. Voor de gemeente Borsele is de verwachting dat de volgende oppervlakten gebouwen worden onttrokken aan de agrarische bedrijfsvoering:

Tabel 2.1: vrijkomende gebouwen

verplicht

 

In de periode 2000-2012 bedroeg de oppervlakte agrarische bedrijfsgebouwen op beëindigde bedrijven Zeelandbreed op basis van het onderzoek 150 ha (12,5 ha/jr). Voor de periode 2012-2030 wordt Zeelandbreed een afname met 125,5 ha verwacht (6,9 ha/jr). Dat betekent een halvering van de jaarlijks vrijkomende oppervlakte agrarische gebouwen. Qua oppervlakte neemt de jaarlijkse bedrijfsbeëindiging derhalve flink af. De oppervlakte per agrarisch bedrijf dat wordt beëindigd neemt echter toe; 95% van de vrijkomende bedrijven had in de periode 2000-2012 een oppervlakte gebouwen van minder dan 2.000 m2. Voor de periode 2012-2030 is dat 86%. Ervan uitgaande dat het percentage van de totale agrarische bebouwing recht evenredig is met het aantal agrarische bedrijven, zullen in Borsele in de periode tot 2030 ongeveer 85 bedrijven worden beëindigd (uitgaande van de 340 adressen met een agrarische hoofdfunctie in het voorontwerpomgevingsplan). Over een periode van 14 jaar zou het om ongeveer 6 bedrijven per jaar gaan.

Door de verschuiving naar een grotere oppervlakte vrijkomende gebouwen per bedrijf en een verschuiving naar meer recente bebouwing (met in het algemeen een lagere cultuurhistorische waarde en beeldkwaliteit) ligt een verschuiving van hergebruik uitsluitend voor de woonfunctie of voor kleinschalige ondergeschikte functies naar - afhankelijk van de vraag - grootschaliger vervolgfuncties voor de hand.

In het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 (herziening 11 maart 2016) is bepaald dat alle bedrijfslocaties van 1 ha of groter worden aangemerkt als bedrijventerrein. Deze locaties worden - voorzover uitbreiding voorzien of gewenst is - opgenomen in het regionaal bedrijventerreinprogramma. Voormalige agrarische bedrijfslocaties (percelen) met een omvang van 1 ha of meer, waar niet-agrarische bedrijfsactiviteiten worden gevestigd, tellen mee in de regionale bedrijventerreinprogrammering.

Gemeentelijk beleid

De Rekenkamer Zeeland pleit voor integrale beleidsvorming onder provinciale regie voor de problematiek van de vrijkomende agrarische bedrijven en gebouwen. Aanbeveling is om gemeenten te vragen onderzoek te doen naar de diverse herbestemmingen van reeds vrijgekomen agrarisch vastgoed en een visie te ontwikkelen op de herbestemming voor de toekomst. Bepleit wordt om de beleidsvorming te baseren op de ligging ten opzichte van:

  • (te ontwikkelen) natuurgebieden;
  • woonkernen;
  • het verkeers- en landbouwnetwerk.

Daarnaast stelt de Rekenkamer voor de bredere vastgoedsituatie in de wijdere omgeving te betrekken bij het beleid. Verder wordt voorgesteld om het beleid voor vrijkomende agrarische bedrijven te koppelen aan beleid en regelgeving voor het saneren van asbestdaken in de landbouw.

Om gericht beleid te kunnen ontwikkelen is een goede inventarisatie van de huidige situatie en de ontwikkelingen in de afgelopen jaren gewenst. Op dit moment is geen gedetailleerde informatie beschikbaar over het aantal bedrijven dat de afgelopen jaren is beëindigd en de oppervlakte bedrijfsgebouwen die daarmee is gemoeid. Wel heeft de gemeente in het kader van de inventarisatie ten behoeve van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte de huidige gebruiksfuncties van voormalige agrarische bedrijfslocaties geïnventariseerd. De opgenomen inventarisatielijst van vergunde nevenfuncties in het plangebied geeft een goed beeld van de gerealiseerde nevenactiviteiten en vervolgfuncties in het plangebied (waarbij gedeeltelijk hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties heeft plaatsgevonden). Van de 45 bekende locaties is er op 15 locaties sprake van lichte bedrijvigheid. Op 14 locaties is een vorm van verblijfsrecreatief verblijf gerealiseerd. Daarnaast is opvallen en opvallend is het aantal van 9 locaties die voor zorginitiatieven zijn ingericht.

Tabel 2.2: nevenactiviteiten

verplicht

Van de 45 bekende locaties is er bij 33 locaties sprake van een nevenfunctie bij een burgerwoning (9 van deze 33 locaties zijn voormalige agrarische bedrijfslocaties die in Borsels Buiten nog een agrarisch bouwblok hadden). Bij de overige 12 locaties is spake van een combinatie van een nevenactiviteit met een agrarisch bedrijf.

Op grond van deze beschikbare informatie kan worden geconcludeerd dat er sprake is van hergebruik van agrarische bedrijfsgebouwen. Het gaat daarbij in het algemeen om kleinschalige en in het buitengebied passende activiteiten. Er is geen sprake van de vestiging van grootschalige bedrijfsfuncties op voormalige agrarische bedrijven in het buitengebied van de gemeente Borsele.

Op grond van het rapport van de Rekenkamer Zeeland is te verwachten dat de jaarlijkse afname van de oppervlakte bedrijfsgebouwen op agrarische bedrijven die de komende tijd vrijkomt substantieel lager zal zijn dan de afgelopen periode. De omvang van de vrijkomende bebouwing per agrarisch bedrijf zal wel toenemen. Verder zal ook in Borsele sprake zijn van recentere bebouwing die vrijkomt, met een lagere cultuurhistorische waarde en beeldkwaliteit. De gebruiksmogelijkheden verschuiven daarmee naar verwachting ook. Het is dan ook gewenst om door middel van de regels van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte nieuwe initiatieven zorgvuldig te kunnen toetsen.

In het kader van het pilot-omgevingsplan voor het buitengebied acht het gemeentebestuur het gewenst om nieuwe ontwikkelingen op een flexibele manier mogelijk te maken. Wat betreft het hergebruik van vrijkomende agrarische bedrijven worden daarbij de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • wonen is in het algemeen toelaatbaar als vervolgfunctie (met uitzondering van specifieke situaties vanuit het oogpunt van hinder of gezondheid);
  • hergebruik voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering is in beginsel mogelijk, ook ten behoeve van andere agrarische bedrijven;
  • behoud van karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen is gewenst;
  • voor niet-karakteristieke of cultuurhistorisch waardevolle gebouwen kan sloop een oplossing zijn;
  • uitgangspunt is dat alleen kleinschalige (naar aard en omvang) vervolgfuncties worden gevestigd;
  • hergebruiksfuncties zijn in beginsel alleen toelaatbaar binnen bestaande gebouwen;
  • een functie moet naar de aard van de functie passen op de locatie en in de omgeving; daarbij spelen de volgende aspecten een rol:
    1. ontsluiting;
    2. relatie met kernen, natuurgebieden en recreatieterreinen (voorkomen van knelpunten, stimuleren van synergie);
  • een nieuwe functie moet qua omgevingsaspecten passen op de betreffende locatie.

Het gemeentebestuur kiest daarbij voor een kwalitatieve insteek, waarbij per locatie een afweging wordt gemaakt op basis van de kenmerken van de functie en van de omgeving. Het hanteren van een strikte zonering in relatie tot de ontsluitingsstructuur, afstanden tot wegen, kernen, recreatiegebieden en natuurgebieden en het hanteren van afstanden doet geen recht aan het gewenste maatwerk. Dat laat onverlet dat deze aspecten in de afweging van de toelaatbaarheid van nieuwe functies in de specifieke situatie worden meegewogen.

Wat betreft de ontsluiting is van belang dat voor agrarische transporten en verkeersbewegingen in het buitengebied steeds zwaardere voertuigen worden gebruikt. Dat legt een druk op de ontsluiting en de breedte en fundering van de wegen. In het algemeen is bij vervolgfuncties op agrarische bedrijven sprake van minder en van veel lichter verkeer dan het agrarische verkeer. Vervolgfuncties met een grote verkeersaantrekkende werking (veel verkeersbewegingen of veel zwaar verkeer) zijn in het algemeen niet gewenst in het buitengebied. Alleen in bijzondere situaties zijn dergelijke vervolgfuncties mogelijk in de nabijheid van de doorgaande ontsluitingsroutes.

Wat betreft de sloop van niet karakteristieke en waardevolle gebouwen is een kostendrager nodig. Daarbij kan worden gedacht aan de ruimte-voor-ruimteregeling of een sloopfonds. Een sloopfonds zal Zeelandbreed vorm moeten krijgen. Een interessante optie is om de beschikbare middelen voor asbestsanering te combineren met een dergelijk sloopfonds. Ook is het gewenst om de fiscale aspecten van de functieverandering van agrarisch naar een andere functie in de afweging te betrekken. Het gemeentebestuur werkt graag mee aan een provinciale pilot om deze aspecten nader te verkennen en uit te werken.

Ontsluiting

Context

Wat betreft de ontsluiting van het buitengebied van Borsele kan onderscheid worden gemaakt in diverse categorieën wegen:

  • stroomwegen: A58, Tunnelweg, Sloeweg en Bernhardweg-West (N62/N254); zie figuur 2.8;
  • gebiedsontsluitingswegen (N665 ('s-Gravenpolder-Heinkenszand-Lewedorp), N666 Oost + Kruiningenpolderweg (Kapelle-afslag Stelsedijk/Dierikweg), N667 (Heinkenszand-'s-Heerenhoek), N669 ('s-Gravenpolder-Goes), Baarlandsezandweg (tussen N666 en afslag Langeweegje), Monsterweg/Kaaiweg (tussen Borsele en Europaweg), Europaweg Oost en Zuid; zie figuur 2.8.; aanduiding GOW);
  • erftoegangswegen: alle overige wegen.

verplicht

Figuur 2.8. Wegencategorisering gemeente Borsele (bron: gemeente Borsele)

De komende 30 jaar zal de inrichting van de erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen in het buitengebied verder worden afgestemd op het snelheidsregime van de weg: 60 of 80 km/uur.

De erftoegangswegen zijn in beheer bij het Waterschap Scheldestromen. Het waterschap maakt onderscheid in doorgaande plattelandswegen, wegen voor doorgaand verkeer en wegen voor bestemmingsverkeer.

Naast de wegencategorisering is door de gezamenlijke wegbeheerders in Zeeland een Kwaliteitsnet Landbouwverkeer Zeeland vastgesteld (zie figuur 2.9.). Doel van dit netwerk is dat het landbouwverkeer zich over grotere afstanden vlot en veilig kan verplaatsen zonder dat dit ten koste gaat van de verkeersveiligheid en doorstroming van het overige verkeer. Voor het buitengebied van de gemeente Borsele zijn twee prioritaire knelpunten met betrekking tot het netwerk landbouwverkeer vastgesteld:

  • ontbrekend fietspad op de route Nisse – 's-Heer Abtskerke – Goes: hier is inmiddels een vrijliggend fietspad aangelegd;
  • ontbrekend fietspad op de route 's-Heerenhoek-Borssele ('s-Heerenhoeksedijk); gepland voor 2018.

verplicht

Figuur 2.9. Routes landbouwverkeer (bron Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan gemeente Borsele, 2014)

Borsele is verder populair bij fietsers en wandelaars. In Borsele is sprake van verschillende fiets- en wandelknooppuntroutes en ook het grenswandelpad loopt door Borsele.

De routestructuur voor wandelen en fietsen is van belang voor zowel de gezondheid (bewegen) als voor de mobiliteit en toegankelijkheid van het gebied voor bewoners en recreanten.

verplicht

Figuur 2.10. Grenswandelpad

verplicht

Figuur 2.11. Knooppuntroutes voor wandelen en fietsen

Gemeentelijk beleid

De afgelopen decennia is sprake van een verandering van de functie en het karakter van het buitengebied. Van een primair agrarisch gebied is het buitengebied nadrukkelijk een multifunctioneel gebied geworden. Zo is het aantal niet-agrarische woningen inmiddels veel groter dan het aantal agrarische bedrijven. Bovendien is het recreatief medegebruik van het buitengebied sterk toegenomen: fietsen, wandelen, skeeleren, paardrijden. Tegelijkertijd is de aard van het landbouwverkeer sterk veranderd: tractoren en werktuigen zijn veel groter geworden. De verkeersdruk op de plattelandswegen is daardoor toegenomen. Ook de risico's op onveilige situaties nemen toe, door de grotere voertuigen en het toegenomen toeristische gebruik van het buitengebied. De toegenomen verkeersdruk heeft ook invloed op de recreatieve belevingswaarde. Tot slot kan door verbreding van wegen het karakter van het landschap worden aangetast.

Het beleid in relatie tot de ontsluiting heeft in het licht van het voorgaande twee aspecten:

  • inrichtings- en verkeersmaatregelen;
  • ontwikkelingsmogelijkheden nieuwe functies.

Voorbeelden van inrichtings- en verkeersmaatregelen zijn de aanleg van fietspaden, verbreding van wegen (met doorgroeistenen of verbreding van het wegdek) en het sluiten van wegen voor doorgaand verkeer.

Daarbij verliest de gemeente Borsele het karakter van het buitengebied niet uit het oog. In het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan is het volgende aangegeven:

De Zak van Zuid-Beveland is een deelgebied van het Nationaal Landschap Zuidwest Zeeland. In het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan Zeeland is de mobiliteit in het gebied hoofdzakelijk gekenmerkt door het gebiedsprofiel “cultuurlandschap”. De plattelandswegen in het gebied worden beheerd door het Waterschap Scheldestromen. Vanuit de verschillende invalshoeken leeft bij het waterschap, de provincie en de gemeente Borsele de wens om binnen het raamwerk van stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen de plattelandswegen zoveel mogelijk verkeersluw te maken: bestemd voor wandelaars, fietsers en bestemmingsverkeer, ontmoedigen van sluipverkeer. Gekoppeld aan deze wens is het streven om bij de (her)inrichting van deze plattelandswegen, landschapsvriendelijke inrichtingsmaatregelen te treffen ter afremming van de snelheid van het autoverkeer. De gemeente Borsele ondersteunt deze visie met kracht en blijft bij waterschap en provincie aandringen op de realisatie daarvan.

Met betrekking tot het fietsverkeer is het beleid van de gemeente gericht op het bevorderen van het fietsen, door te zorgen voor een veilige en fietsvriendelijke infrastructuur. De gemeente maakt zich sterk voor veilige fietsroutes voor scholieren naar middelbare scholen in Goes en Krabbendijke. De gemeente maakt zich eveneens sterk voor een fietsvriendelijke inrichting van de recreatieve fietsroutes die onderdeel uitmaken van het provinciale fietsknooppuntennetwerk.

Het landbouwverkeer is deels lokaal van aard: tussen agrarische bedrijfscentra en de landbouwpercelen. Deels gaat het (steeds meer) om meer interlokaal verkeer, vooral door loonwerkers en ten behoeve van de aan- en afvoer van landbouwproducten. Gelet op het economisch belang van deze activiteiten dienen deze uiteraard mogelijk gemaakt te worden. Tegelijkertijd is het ook wenselijk eventuele negatieve effecten van het doorgaand landbouwverkeer zo veel mogelijk te minimaliseren. Het gaat daarbij om verkeersveiligheid en overlast.

Het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 kan een bijdrage leveren aan het voorkómen van nieuwe verkeersonveilige situaties in de toekomst door middel van het toelatingsbeleid voor nieuwe functies. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in nieuwe functies op locaties waar nog geen bebouwing aanwezig is en hergebruik van bestaande gebouwen, bijvoorbeeld voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Grootschalige nieuwe functies zoals nieuwe bedrijven voor verwerking, opslag en/of distributie van landbouwproducten, loon- en mechanisatiebedrijven, locaties voor (regionale) mestopslag worden alleen in de directe nabijheid van het landbouwroutenetwerk/ gebiedsontsluitingswegen toegelaten. Voor het hergebruik van agrarische bedrijfslocaties wordt als uitgangspunt gehanteerd dat nieuwe functies op de goede plek worden gesitueerd, aansluitend op de wegenstructuur, uitgaande van de bestaande breedte en zwaarte van de wegen. Nieuwe functies ter plaatse van een voormalig agrarische bedrijf mogen niet meer en zwaarder verkeer genereren dan het voorheen ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf. Daarnaast worden de volgende randvoorwaarden gehanteerd:

  • de bestaande verhardingsbreedte en de fundering van de weg moet het verkeer naar de nieuwe functie aankunnen;
  • de verkeersveiligheid moet zijn gewaarborgd.

Daarnaast is het van groot belang dat het verkeer in het buitengebied op een verkeersveilige manier wordt afgewikkeld. Het pilot-omgevingsplan is daarvoor echter niet het juiste instrument. De breedte van wegen zou in beginsel in het pilot-omgevingsplan geregeld kunnen worden. In het verleden werd de breedte van de belangrijkste wegen in bestemmingsplannen verankerd via dwarsprofielen. Dat gebeurt echter al jaren niet meer, omdat voor aanpassingen van wegprofielen altijd een planologische procedure doorlopen moest worden. Gelet op het belang van de verkeersveiligheid vond in het planologische spoor niet een fundamentele afweging plaats. Om onnodige procedures te voorkomen is het niet gewenst verhardingsbreedten opnieuw in het pilot-omgevingsplan op te nemen.

Gezondheid

Context

Met het oog op de verbreding van de reikwijdte van het pilot-omgevingsplan is gezondheid een belangrijk aandachtsveld. In het kader van een goede fysieke leefomgeving kan een gezonde leefomgeving worden gedefinieerd als een leefomgeving die als prettig wordt ervaren (welbevinden/kwaliteit), uitnodigt tot gezond gedrag (gezondheidsbevordering) en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is (gezondheidsbescherming). Een gezonde fysieke leefomgeving heeft verschillende maatschappelijke voordelen, waaronder vermindering van de ziektelast, positieve effecten op productiviteit en creativiteit, verminderen van stressproblemen, gezonde ontwikkeling van kinderen, verminderen van psychische problemen. Bovendien biedt een gezonde leefomgeving een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bewoners en bedrijven. Gezondheidsbevordering: prettige en veilige omgeving om te recreëren en te sporten.

Gemeentelijk beleid

Het is belangrijk dat op basis van het pilot-omgevingsplan gezondheidsbevorderende voorzieningen en activiteiten zo eenvoudig mogelijk kunnen worden gerealiseerd en dat voorzieningen en activiteiten die een negatieve invloed hebben op de gezondheid zo veel mogelijk worden beperkt.

Wat betreft de inrichting is behoud en versterking van de kwaliteiten van het Borselse landschap een belangrijke voorwaarde voor een gezonde fysieke leefomgeving. Verder is het vanuit het oogpunt van gezondheid wenselijk om voorzieningen zoals nieuwe fiets-, wandel- en ruiterpaden en nieuwe natuurgebieden of ondersteunende recreatieve voorzieningen eenvoudig te kunnen realiseren, zodat het buitengebied nog meer uitnodigt om daar al recreërend gebruik van te maken.

Met betrekking tot activiteiten zijn het gemeentelijk geluidbeleid, de anti-hagelgeneratoren, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en veehouderij-activiteiten belangrijke aandachtspunten voor het pilot-omgevingsplan. Het gemeentelijk geluidbeleid zoals dat is vastgelegd in de geluidverordening is in het pilot-omgevingsplan vertaald. Daarbij gelden voor zone 4 (het groen/grijs/bruine gebied, zie figuur 2.10) van het wettelijk kader afwijkende normen, gericht op het handhaven van de bestaande geluidskwaliteit. Het gaat daarbij om een relatief stil gebied, waarbij lagere richt- en grenswaarden worden gehanteerd dan wettelijk toegestaan. Antihagelgeneratoren zijn hiervan overigens uitgezonderd. Het beleid voor de overige zones uit de gemeentelijke geluidverordening (zone 1 t/m 3) komt te vervallen, waarbij dus ook de mogelijkheid om meer geluid toe te staan dan wettelijk geregeld, vervalt.

verplicht

Figuur 2.10. Geluidverordening gemeente Borsele

Gelet op het belang van anti-hagelgeneratoren voor de fruitteelt, in verband met het beperken van de schade aan het fruit door hagelbuien, en het incidentele gebruik ervan, acht het gemeentebestuur het van belang om ruimte te bieden voor dergelijke voorzieningen. Het pilot-omgevingsplan maakt het oprichten van anti-hagelgeneratoren mogelijk. Bij de vergunningverlening wordt vervolgens getoetst aan het wettelijk kader, waarbij aandacht wordt besteed aan gezondheidsaspecten.

Gewasbeschermingsmiddelen kunnen effecten hebben op de gezondheid. In dat licht is voor boomgaarden en fruitteelt een afstandsmaat van 50 meter aangehouden tot tuinen en woningen, tenzij voldoende afschermende maatregelen zijn genomen. Voor overige agrarische teelten voorzien de wettelijke regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in voldoende bescherming voor kwetsbare functies.

Wat betreft veehouderij-activiteiten biedt het pilot-omgevingsplan primair beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. Daarbij is met het oog op het voorkomen van mogelijke significant negatieve effecten op Natura2000 op basis van de planMER een emissie-standstil voor ammoniak opgenomen in de regels. Alleen als wordt aangetoond dat er geen negatieve effecten zijn op Natura2000 en de emissie niet toeneemt, kan worden meegewerkt aan uitbreiding.

In het kader van het pilot-omgevingsplan is vooralsnog geen specifiek nieuw beleid ontwikkeld voor het aspect gezondheid. Wel is gezondheid vertaald in voorwaarden die worden gesteld aan nieuwe ontwikkelingen. In het licht van het voorgaande is wel een aantal voorwaarden opgenomen in het pilot-omgevingsplan met betrekking tot het aspect gezondheid, gericht op de aspecten overlast in verband met geur, stof, geluid, verkeer, gevaar en magnetische velden.

Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten     

3.1 Algemeen     

Het buitengebied van de gemeente Borsele is opgenomen in de 11e tranche van de Chw. De Chw biedt

mogelijkheden om in het omgevingsplan op een andere wijze om te gaan met de toetsing van de

milieugevolgen dan gebruikelijk bij een 'regulier' bestemmingsplan. De meest relevante wijzigingen

voor de beoordeling van omgevingsaspecten zijn de volgende:

  • De Chw biedt mogelijkheden om in het omgevingsplan (feitelijk een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte) voorwaarden te stellen ten behoeve van het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (dit biedt ruimere mogelijkheden dan het begrip 'goede ruimtelijke ordening' uit de Wro).
  • In de toelichting van een omgevingsplan onder de Chw hoeft de uitvoerbaarheid van het plan op voorhand niet te zijn aangetoond. Toetsing aan de van toepassing zijnde sectorale wet- en regelgeving kan plaatsvinden op het moment dat sprake is van een concreet initiatief. De Omgevingswet introduceert het begrip 'evidente onuitvoerbaarheid'. Dit betekent dat moet worden aangetoond dat er binnen de kaders die het omgevingsplan biedt, mogelijkheden zijn om te komen tot uitvoerbare initiatieven.
  • De Chw bevat mogelijkheden om af te wijken van wettelijke normen en grenswaarden uit onder andere de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), de Wet geluidhinder (Wgh) en de Wet milieubeheer (Wm).

Dit hoofdstuk bevat een toelichting op de wijze waarop in het omgevingsplan de relevante

omgevingsaspecten zijn meegewogen.

3.2 PlanMER en passende beoordeling     

Waarom een planMER?

Evenals voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied is voor een pilot-omgevingsplan een milieueffectrapportage noodzakelijk. Enerzijds omdat het pilot-omgevingsplan mogelijkheden biedt voor (veehouderij)-initiatieven waarbij sprake kan zijn van een overschrijding van de drempelwaarden uit de C- en D-lijst bij het Besluit milieueffectrapportage. Het pilot-omgevingsplan is daarmee kaderstellend voor mer-(beoordelings)plichtige vervolgbesluiten. Anderzijds omdat een passende beoordeling noodzakelijk is, aangezien significant negatieve effecten binnen Natura 2000 (als gevolg van een toename van stikstofdepositie) niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. PlanMER en passende beoordeling zijn opgenomen in bijlage 5 PlanMER.

Reikwijdte en detailniveau

Het planMER en de passende beoordeling geven inzicht in de bandbreedte aan mogelijke milieugevolgen die kunnen optreden. Daarbij is zowel gekeken naar de gevolgen van agrarische bedrijfsactiviteiten als naar de gevolgen van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, bedrijven en burgerwoningen.

Eerst is in het planMER per milieuthema de referentiesituatie in beeld gebracht. Bij de beschrijving van de gevolgen van het pilot-omgevingsplan is vervolgens onderscheid gemaakt tussen een maximaal en een realistisch ontwikkelingsscenario. In eerste instantie zijn de effecten van het pilot-omgevingsplan beoordeeld zonder rekening te houden met maatregelen of randvoorwaarden. Vervolgens wordt bekeken welke uitgangspunten, randvoorwaarden of maatregelen in het pilot-omgevingsplan dienen te worden opgenomen om ongewenste situaties te voorkomen en te zorgen dat nieuwe initiatieven een bijdrage leveren aan de beoogde kwaliteit.

verplicht

Figuur 3.1 Schematisch weergave verhouding planMER en omgevingsplan

Agrarische bedrijven

Voor de agrarische bedrijfsactiviteit leidt de keuze voor een pilot-omgevingsplan in vergelijking met een 'regulier' bestemmingsplan, in algemene zin niet tot meer ontwikkelingsruimte of flexibiliteit. De toetsing van de effecten is daarom in principe conform de toetsing in een planMER voor een 'regulier' bestemmingsplan buitengebied. Dit betekent dat uitgebreid onderzoek is uitgevoerd om de gevolgen van ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven (in het bijzonder de veehouderijen) in beeld te brengen. Het planMER is mede bepalend voor de voorwaarden waaronder veehouderij-initiatieven kunnen worden toegestaan.Om een beeld te krijgen van de bandbreedte aan mogelijke milieugevolgen wordt in het planMER een tweetal ontwikkelingsscenario's onderzocht: een maximaal en een realistisch ontwikkelingsscenario.

Neven- en vervolgfuncties

Het pilot-omgevingsplan biedt onder voorwaarden ruime mogelijkheden voor nevenfuncties en vervolgfuncties. Deze mogelijkheden kunnen per deelgebied verschillen. Het betreft onder andere mogelijkheden voor kleinschalige recreatieve functies, horeca en niet-agrarische bedrijvigheid. Door de ruime mogelijkheden die het pilot-omgevingsplan biedt, is het onmogelijk om in het planMER een gedetailleerde kwantitatieve toetsing van de (maximale) gevolgen op te nemen. Een dergelijk toetsing past ook niet binnen de algemene visie achter het instrument omgevingsplan. In het planMER is aan de hand van ontwikkelingsscenario's op hoofdlijnen ingegaan op de mogelijke milieugevolgen.

Resultaten en conclusies

Op basis van de sectorale beoordelingen van de (potentiële) effecten zoals opgenomen in het planMER en de passende beoordeling kunnen op hoofdlijnen de volgende conclusies worden getrokken.

Effecten maximaal ontwikkelingsscenario

Uit de resultaten van de effectbeoordeling voor het maximale ontwikkelingsscenario blijkt dat uitbreidingsmogelijkheden en omschakelingsmogelijkheden voor veehouderijen kunnen leiden tot significant negatieve effecten binnen Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van het plangebied. Cumulatief kan bij maximale groei van de veestapel een grote toename van stikstofdepositie optreden in situaties binnen Natura 2000 waar reeds sprake is van een overbelasting. Daarnaast zijn de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen mede bepalend voor het woon- en leefklimaat binnen de gemeente. In het maximale ontwikkelingsscenario is als gevolg van de mogelijkheden voor veehouderijen sprake van beperkte negatieve gevolgen voor de geurbelasting, de concentraties fijn stof en de daarmee samenhangende gezondheidssituatie.

Ook bouw- en gebruiksmogelijkheden die samenhangen met neven- en vervolgfuncties kunnen (zonder aanvullende randvoorwaarden en/of maatregelen) ongewenste effecten met zich meebrengen. Zo kan in het maximale ontwikkelingsscenario sprake zijn van negatieve effecten op beschermde soorten (flora en fauna), water en de verkeerssituatie (en de daarmee samenhangende effecten). Tevens kunnen in bepaalde landschappelijke deelgebieden ongewenste landschappelijke gevolgen optreden.

Effecten realistisch ontwikkelingsscenario

Zoals uit het voorgaande blijkt kunnen in het maximale ontwikkelingsscenario negatieve effecten optreden. Het is echter de vraag of deze (vaak theoretische) maximale situatie in alle gevallen leidend moet zijn voor de wijze waarop de uitkomsten uit het planMER worden doorvertaald in het pilot-omgevingsplan. Om een meer genuanceerd beeld te geven van de mogelijke milieugevolgen is ook een meer realistisch ontwikkelingsscenario onderzocht. Daarbij is rekening gehouden met trends in de agrarische sector en specifieke gebiedskenmerken. Uit de beoordeling van de effecten voor dit realistische ontwikkelingsscenario blijkt dat dat de milieugevolgen over het algemeen minder negatief worden beoordeeld dan de effecten van het maximale ontwikkelingsscenario.

Sturingsmogelijkheden

Op basis van de beschrijving beoordeling van de milieugevolgen van de beide ontwikkelingsscenario's is in het planMER bekeken op welke wijze en onder welke voorwaarden kunnen worden mogelijk gemaakt in het omgevingsplan. De beschikbare milieugebruiksruimte (zoals die volgt uit de beschrijving van de referentiesituatie) is hier mede bepalend voor. In de sectorale hoofdstukken is per milieuthema ingegaan op de mogelijkheden om ongewenste effecten te voorkomen en binnen het omgevingsplan te sturen op de beoogde omgevingskwaliteit.

3.3 Omgevingsaspecten in het pilot-omgevingsplan     

Het pilot-omgevingsplan maakt relevante ontwikkelingen (functieveranderingen) met een melding, via afwijking en via delegatie mogelijk. Om ongewenste effecten te voorkomen en te borgen dat ontwikkelingen een bijdrage leveren aan de gewenste omgevingskwaliteit worden voorwaarden verbonden aan nieuwe initiatieven. In bijlage 6 Sectorale aspecten is een overzicht opgenomen van de geldende sectorale toetsingskaders en de wijze waarop daarmee in het pilot-omgevingsplan is omgegaan. Uitgangspunt voor het pilot-omgevingsplan is het vastleggen van de kaders waarbinnen toekomstige ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De verschillende omgevingsaspecten spelen een belangrijke rol bij de uitwerking van de voorwaarden, regels en onderzoeksverplichtingen. Een ndere, meer gedetailleerde toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief en gebruik wordt gemaakt van de flexibiliteitsbepalingen.

Algemene voorwaarden

In de regels is een set van 'standaard' voorwaarden opgenomen die (voor zover relevant/van toepassing) gekoppeld zijn aan de verschillende mogelijkheden voor functieveranderingen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om voorwaarden als:

  • de activiteiten mogen geen onevenredige overlast op het gebied van geur, stof, geluid, gevaar, verkeer of vergelijkbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken; bij het indienen worden de benodigde inhoudelijke gegevens en bescheiden aangeleverd om dit te beoordelen;
  • de verkeersveiligheid is in voldoende mate gewaarborgd;
  • er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuur- en/of landschapswaarden;
  • de kwaliteit van de ondergrond is voldoende voor de voorgenomen activiteit;
  • er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling;
  • er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de waterkwaliteit
  • er is geen sprak van kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen of leidingen gerealiseerd en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan;
  • er vindt indien nodig een verantwoording plaats van het groepsrisico
  • er is sprake van een goede landschappelijke inpassing.

Meerwaarde

Voldoen aan de voorwaarden alleen is niet voldoende: om medewerking te verkrijgen is het ook noodzakelijk dat er sprake is van een meerwaarde voor het buitengebied. Het staat de initiatiefnemer vrij om te kiezen voor een (combinatie van) financieel-economische, maatschappelijke of ruimtelijke meerwaarde. Van een ruimtelijke meerwaarde is bijvoorbeeld sprake indien natuurwaarden of cultuurhistorische waarden worden versterkt.

Aanvullende maatregel planMER en passende beoordeling

Stikstofdepositie Natura 2000

Uit de passende beoordeling blijkt dat de veehouderijsector een belangrijke bijdrage levert aan de stikstofdepositie binnen Natura 2000. Mede naar aanleiding van de resultaten van de passende beoordeling is besloten in het pilot-omgevingsplan geen mogelijkheden te bieden voor omschakeling naar of nieuwvestiging van intensieve veehouderij. Daarnaast dienen voorwaarden te worden verbonden aan de uitbreiding van bestaande veehouderijen. De gemeente kiest er voor om in de regels vast te leggen dat de emissies op bedrijfsniveau niet mogen toenemen. Dit betekent niet dat alle veehouderijen 'op slot' worden gezet. Uitbreiding is mogelijk door het treffen van voldoende stikstofreducerende maatregelen (toepassen van emissiearme stalsystemen). Daarnaast biedt het omgevingsplan mogelijkheden voor een toename van emissie wanneer de daarmee samenhangende gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 uitvoerbaar zijn binnen de kaders van het programma aanpak stikstof (PAS). Op deze wijze is in het pilot-omgevingsplan geborgd dat geen achteruitgang zal optreden en op termijn de depositie zal afnemen.

Monitoring en evaluatie

Het omgevingsplan biedt op onderdelen meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden dan een 'regulier' bestemmingsplan. Daarnaast is de looptijd van een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte onder de crisis- en herstelwet 20 jaar (voor een 'regulier' bestemmingsplan 10 jaar). Voor verschillende milieuthema's en criteria is er sprake van een relatief grote onzekerheidsmarge als het gaat om de optredende effecten. Deze worden ook beïnvloed door allerlei ontwikkelingen buiten de scope van het omgevingsplan, zoals ontwikkelingen in wet- en regelgeving, economische ontwikkelingen en technologische ontwikkelingen. Het is daarom noodzakelijk om tijdens de looptijd van het omgevingsplan vinger aan de pols te houden en te monitoren hoe de milieusituatie binnen het studiegebied zich ontwikkelt en of de optredende milieugevolgen vragen om een bijsturing door aanpassing van de kaders in het omgevingsplan.

Voor de monitoring en evaluatie zijn zowel de gevolgen van agrarische initiatieven als de gevolgen van de niet agrarische functies van belang. In het planMER wordt voorgesteld om iedere 5 jaar een integrale monitoring uit te voeren, waarbij voor de maatgevende thema's eventuele wijzigingen in de milieusituatie in beeld worden gebracht. Mochten actuele ontwikkelingen daar aanleiding toe geven dan kan vanzelfsprekend voor specifieke thema's tussentijdse monitoring plaatsvinden. In het planMER is uitgewerkt op welke wijze de monitoring en evaluatie kan worden ingevuld.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving     

4.1 Algemeen     

In paragraaf 4.2 wordt in hoofdlijnen de gekozen juridische opzet voor het pilot- omgevingsplan toegelicht. Paragraaf 4.3 bevat een toelichting op verschillende onderdelen van het plan zoals de opgenomen functies en regels. in bijlage 8 is een inventarisatie opgenomen van diverse functies in het buitengebied.

4.2 Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018     

Bij de vertaling van het gemeentelijke beleid naar een pilot-omgevingsplan zijn op hoofdlijnen vier aspecten van belang:

  • het model of de opzet voor het pilot-omgevingsplan;
  • de instrumenten die de Omgevingswet gaat bieden en waar in het kader van de pilot-status gebruik van kan worden gemaakt;
  • de objectgerichte benadering van het plan;
  • de verbrede reikwijdte.

De vier aspecten resulteren in een opzet zoals opgenomen in paragraaf 4.2.5.

4.2.1 Opzet van een omgevingsplan     

Een omgevingsplan verschilt op een aantal onderdelen van het bestemmingsplan. Zo bevat het pilot-omgevingsplan regels voor activiteiten die gericht zijn op het bereiken en in stand houden van 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. Het vertrouwde referentiekader 'goede ruimtelijke ordening' uit de Wro verdwijnt met de Omgevingswet en het nieuwe referentiekader kan nu met de pilot-status voor dit plan al worden toegepast. Een gezonde fysieke leefomgeving is een veel breder kader dan de goede ruimtelijke ordening. Ook bijvoorbeeld milieuaspecten, beeldkwaliteit en welstand zijn onderdeel van de gezonde fysieke leefomgeving en kunnen daarmee onderdeel zijn van een pilot-omgevingsplan. Volgens de Omgevingswet gaat het in een omgevingsplan om 'het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu, het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het behoud van cultureel erfgoed, de natuurbescherming, het tegengaan van klimaatverandering, de kwaliteit van bouwwerken, de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten, het beheer van infrastructuur, het beheer van watersystemen, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen, het beheer van natuurlijke hulpbronnen, het beheer van natuurgebieden en het gebruik van bouwwerken' (artikel 1.2 Omgevingswet).

Een gemeente mag zelf bepalen of alle regels en bepalingen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving uiteindelijk in een omgevingsplan terecht komen. Er kan ook voor worden gekozen om bepaalde onderdelen separaat te blijven regelen in beleidsregels of verordeningen. Het omgevingsplan heeft dan echter niet het beoogde integrale karakter.

Het omgevingsplan onder de Omgevingswet kent geen geldigheidstermijn (uiterste houdbaarheidsdatum): een eenmaal vastgesteld omgevingsplan blijft gelden en kan op onderdelen steeds worden herzien. Alleen het onderdeel dat wordt herzien is daarbij onderdeel van de vaststellingsprocedure en staat open voor beroep.

Bij de inrichting van de set van regels voor het pilot-omgevingsplan en de opzet van de verbeelding wordt rekening gehouden met deze mogelijkheid om onderdelen (modules) eenvoudig te kunnen herzien. Er hoeft daarmee ook geen uitgebreid feitelijk onderzoek gedaan te worden naar uiteenlopende uitvoeringsvarianten van het plan: dit kan worden doorgeschoven naar het moment waarop er daadwerkelijk sprake is van een ontwikkeling. Het pilot-omgevingsplan voor Borsele heeft als 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte' een plantermijn van 20 jaar.

Schematisch zou de opzet van een omgevingsplan er dan als volgt uit kunnen zien.

verplicht verplicht verplicht

Figuur 4.1 Lagen in de verbeelding (plat vlak en in digitale laagopbouw) met een voorbeeldmodule van de regels

De raadpleger 'prikt' door op de verbeelding op een bepaalde locatie te klikken als het ware door alle lagen/modules in een omgevingsplan en ziet alle relevante onderdelen van het omgevingsplan, met uitsluitend de onderdelen van de regels die voor de betreffende locatie van belang zijn.

Naar een opzet voor het pilot-omgevingsplan voor Borsele  

In het pilot-omgevingsplan voor Borsele:

  • worden waar mogelijk algemene regels gehanteerd;
  • wordt voor zover noodzakelijk en wenselijk een onderscheid in deelgebieden gemaakt;
  • zal sprake zijn van een module 'Functies: waarvoor mag ik deze locatie gebruiken' en een module 'Bouwen: wat mag ik op deze locatie bouwen': de reden hiervoor is tweeledig:
    1. de Omgevingswet spreekt van een omgevingsvergunningplicht voor verschillende activiteiten zoals een bouwactiviteit of een afwijkactiviteit en de aanvrager kan kiezen om aanvragen los van elkaar of gelijktijdig in te dienen; deze activiteiten hebben een eigen plek in het pilot-omgevingsplan gekregen;
    2. ten behoeve van de vraaggestuurde raadpleegbaarheid via een vraaggestuurd menu (zie hierna onder raadpleegbaarheid: 'waar kan ik mijn perceel voor gebruiken', 'hoe hoog mag ik bouwen') is het onderscheid wenselijk;
  • blijft natuurlijk uitgangspunt dat er uitsluitend voor het toegelaten gebruik mag worden gebouwd;
  • zullen concrete, feitelijk aanwezige, te verwachten of te realiseren waarden op perceelsniveau worden geborgd.

4.2.2 Instrumentarium van de Omgevingswet en mogelijkheden pilot-status     

Bij de nieuwe doelen en uitgangspunten hoort ook een vernieuwd instrumentarium dat aansluit bij de beoogde doelen (integraal, globaal, doelgericht denken, afwegingsruimte, kwalitatief in plaats van kwantitatief, vertrouwen). Dit instrumentarium bestaat uit verschillende soorten van regels: bouw- en gebruiksregels en beoordelingsregels, omgevingsvergunning voor afwijken, meldingsregels, maatwerkvoorschriften en -regels en regels voor gelijkwaardigheid.

Met het instrument 'melding' kan door de pilot-status worden geëxperimenteerd evenals met de delegatiebevoegdheid. Voor een overzicht van de wijze waarop van de verschillende mogelijkheden van de pilot-status gebruik is gemaakt wordt verwezen naar bijlage 1.

Naar een opzet voor het pilot-omgevingsplan voor Borsele

Bij de keuze voor instrumentarium wordt gestreefd naar minder regels en naar ontwikkelingen met minder of kortere procedures mogelijk maken. De voorkeur wordt gegeven aan het rechtstreeks toestaan van initiatieven en ontwikkelingen mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden. Het is vervolgens de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om aan deze voorwaarden te (blijven) voldoen. Dit vraagt extra aandacht en alertheid van de ambtelijke medewerkers die belast zijn met handhaving.

Waar nodig worden de regels aangevuld met de bepaling dat een melding van een ontwikkeling moet worden gedaan bij het college van burgemeester en wethouders. Hierdoor ontstaat een duidelijk signaleringsmoment.

Ontwikkelingen of activiteiten die niet rechtstreeks of met melding worden toegestaan kunnen met een afwijking of delegatie worden toegestaan: het pilot-omgevingsplan bevat de voorwaarden waaronder deze instrumenten kunnen worden toegepast.

4.2.3 Objectgerichtheid omgevingsplan     

Uitgangspunt voor omgevingsplannen is het objectgericht benaderen van de informatie en de regels die in een omgevingsplan staan. Gronden en panden zijn objectgericht te benaderen indien de gronden gekoppeld worden aan een getekend vlak waaraan de betreffende regels voor de gronden en panden zijn gekoppeld. Bij het pilot-omgevingsplan voor Borsele leidt een dergelijke systematiek er toe dat een van de doelstellingen (flexibiliteit om de begrenzing van bestemmingsvlakken en bouwblokken aan te passen) niet wordt bereikt. Daarnaast is de huidige landelijke raadpleegomgeving voor bestemmingsplannen (www.ruimtelijkeplannen.nl) nog niet geschikt om daadwerkelijk objectgericht te raadplegen.

Naar een opzet voor het pilot-omgevingsplan voor Borsele

Voor het pilot-omgevingsplan voor Borsele is daarom gekozen voor:

  • het opnemen van symbolen voor bestaande functies waarvan de locatie en begrenzing niet strikt behoeft te worden vastgelegd;
  • het raadplegen via een eigen aanvullende raadpleegomgeving.

4.2.4 Verbrede reikwijdte     

In het pilot-omgevingsplan kunnen gemeentelijke beleidsregels en verordeningen worden geïntegreerd of er kan naar worden verwezen. Voordeel van het werken met een verwijzing naar beleidsregels of verordeningen is dat het pilot-omgevingsplan niet behoeft te worden gewijzigd bij veranderende inzichten: het wijzigen van de materiële beleidsregel of de verordening is dan voldoende. Nadeel is dat het bedoelde integrale karakter minder goed uit de verf komt. Het uitgangspunt voor het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 is dan ook dat beleidsregels en verordeningen waar mogelijk in het pilot-omgevingsplan worden verwerkt.

De verbrede reikwijdte heeft niet alleen betrekking op de verwerking van beleidsregels en verordeningen die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving. Verbrede reikwijdte heeft ook betrekking op het bieden van een handvat om de verschillende aspecten die spelen in de fysieke leefomgeving met elkaar in verbinding te brengen en in onderlinge samenhang af te wegen (integraliteit). In het pilot-omgevingsplan wordt de integraliteit bij nieuwe ontwikkelingen in deelgebieden als volgt ingevuld:

  • algemene beoordeling of een functieverandering of bouwwerk naar aard en omvang past in het betreffende deelgebied, gelet op de kenmerken van het gebied;
  • beoordeling of aan de basis voorwaarden, voor zover relevant, wordt voldaan;
  • beoordeling of aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit wordt voldaan; er zijn verschillende mogelijkheden om tot versterking te komen en afhankelijk van de ontwikkeling is bepaald op hoeveel punten er een meerwaarde moet worden geleverd; het is aan de initiatiefnemer om hier keuzes in te maken;
  • indien niet aan de hiervoor genoemde beoordelingscriteria wordt voldaan kan, na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, een initiatief alsnog als aanvaardbaar en passend binnen een deelgebied worden aangemerkt, waarbij dan tevens sprake moet zijn van een voldoende mate van compensatie van de beoordelingsregels waaraan niet in voldoende mate wordt voldaan.

4.2.5 Opzet pilot-omgevingsplan voor Borsele     

Samenvattend leiden de aspecten in de hiervoor beschreven paragrafen tot de volgende opzet van het pilot-omgevingsplan voor Borsele.

Algemene regels

Waar mogelijk zijn in het plan algemene regels gehanteerd.

Eenvoudige procedure

Ontwikkelingen worden zoveel mogelijk rechtstreeks of met een melding toegestaan; hieraan zijn kwantitatieve en/of kwalitatieve voorwaarden verbonden.

Ontwikkelingen die met een afwijking of delegatie zijn toegestaan worden getoetst op voorwaarden (kwalitatief en/of kwantitatief) en geboden meerwaarde.

Deelgebieden

Er is een onderscheid in deelgebieden gemaakt; deze deelgebieden zijn op verschillende niveaus van elkaar te onderscheiden:

  • doel/koers op hoofdlijnen:
    1. zoals blijkt uit hoofdstuk 2 is op hoofdlijnen het onderscheid tussen de deelgebieden (de Poel, Kleinschalige nieuwlandpolders, Herverkavelde oudlandpolders, Grootschalig polders en Westerschelde) voor het huidige gebruik maar beperkt nuttig en nodig;
    2. ook voor de geboden ontwikkelmogelijkheden zijn de 5 deelgebieden niet onderscheidend genoeg en daardoor niet geschikt als afwegingskader;
    3. de indeling in deelgebieden uit het bestemmingsplan Borsels Buiten wordt zoals in hoofdstuk 2 beschreven voor het binnendijkse gebied vertaald in 3 deelgebieden te weten: kerngebied de Poel met omliggende schil en het heggengebied rond Nisse, kleinschalige polders (restgebied de Poel, Kleinschalige nieuwlandpolders en Herverkavelde oudlandpolders) en de grootschalige polders;
    4. de toelaatbaarheid van ontwikkelingen wordt voorts gekoppeld aan een locatietoets waarbij niet alleen voldaan moet worden aan algemene voorwaarden maar ook - in een aantal gevallen - een meerwaarde voor het buitengebied van Borsele moet worden gecreëerd;
  • gebruik:
    1. de vigerende systematiek van bestemmingen in bestemmingsplannen impliceert een gebiedsindeling op basis van feitelijk gebruik; in het pilot-omgevingsplan wordt hier terughoudend mee omgegaan; waar dat niet nodig is worden functies niet van elkaar onderscheiden maar worden meerdere vormen van gebruik rechtstreeks toegestaan; ten opzichte van het traditionele bestemmingsplan is sprake van een globalisering van bestemmingen en een vergroting van de flexibiliteit;
    2. dit betekent concreet dat in het plan onderscheid is gemaakt in:
      1. functies waarvan locatie en begrenzing worden vastgelegd (Natuur, Water, Waterkering en Groen);
      2. het 'overige' gebied waarbinnen relevante bestaande functies met een symbool (in SVBP2012 een functieaanduiding) indicatief zijn vastgelegd;
      3. het gebruik van indicatieve symbolen betekent dat de locatie en begrenzing niet dwingend op de verbeelding zijn vastgelegd maar dat in de regels is aangegeven welke gronden ten behoeve van de functies mogen worden gebruikt (en daarmee mogen worden bebouwd);
      4. voor de gebieden waarbinnen functies met symbolen zijn weergegeven gelden algemene regels voor bouwen en gebruik (algemeen toelaatbaar gebruik, algemene bouwregels); de combinatie van regels (regels voor de indicatief aangeduide functieaanduidingen en regels voor algemene toelaatbaarheid) moet er voor zorgen dat het bestaande toelaatbare gebruik en de daarmee verband houdende bebouwing niet alleen ter plaatse van het symbool zijn toegestaan maar ook in een gebied daaromheen; deze systematiek maakt veranderingen en verplaatsingen/verschuivingen van gebruik en bebouwing mogelijk; deze flexibiliteit wordt onderkend en nagestreefd; de verwachting – in combinatie met de regels in het plan – is dat deze verschuivingen beperkt zullen blijven en om die reden met de geboden flexibiliteit gefaciliteerd kunnen worden;
  • bouwen:
    1. voor de rechtstreekse bouwmogelijkheden zijn de deelgebieden minder relevant: voor bestaande functies zijn de bouwmogelijkheden met indicatieve symbolen, eventueel in combinatie met een suggestievlak, weergegeven; het indicatieve symbool geeft aan dat bebouwing is toegestaan tot een bepaalde omvang of in een bepaald, niet exact begrensd gebied; een suggestievlak geeft aan dat binnen dit vlak bebouwing in ieder geval is toegestaan;
  • concrete, feitelijk aanwezige, te verwachten of te realiseren waarden:
    1. op perceelsniveau wordt de bescherming van deze waarden geborgd;
  • ontwerpend aspect:
    1. de indeling in deelgebieden speelt met name een rol in de versterking van de verschillen tussen deelgebieden en versterking van de onderscheidende kenmerken van een deelgebied, door het stellen van gebiedsgerichte voorwaarden aan nieuwe ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld de voorwaarden voor landschappelijke inpassing per deelgebied.

Objectgerichte raadpleging

De opzet van de regels maakt, samen met de verbeelding, een objectgerichte raadpleging mogelijk; de opzet van de regels en de verbeelding kunnen daarmee niet precies volgens de standaarden van SVBP2012 worden opgesteld; de standaarden zijn gemanipuleerd om de gewenste raadpleegbaarheid mogelijk te maken.

Raadpleegomgeving

Het plan is geschikt voor publicatie op www.ruimtelijkeplannen.nl. De leesbaarheid van het plan komt op de aanvullende raadpleegomgeving beter tot zijn recht. De raadpleging van het plan geschiedt via een vragenstructuur. De toegankelijkheid van de vragen ( 'waarvoor mag ik deze locatie gebruiken', 'wat mag ik op deze locatie bouwen') heeft tot doel de leesbaarheid voor de gebruikers te vergroten.

Verbreding

Verordeningen en beleidsnota's zijn indien mogelijk in het pilot-omgevingsplan opgenomen; indien dit niet haalbaar is, wordt verwezen naar de betreffende nota of verordening.

Kwaliteitsverbetering

Het plan is opgezet vanuit de ambitie om bij te dragen aan de verdere verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, ten aanzien van:

  • omgevingskwaliteit, onder andere door:
    1. het opnemen van de regels voor een goede beeldkwaliteit in het plan;
    2. het opnemen van de voorwaarde bij bepaalde ontwikkelingen dat sprake moet zijn van een meerwaarde (financieel-economisch, maatschappelijk of ruimtelijke meerwaarde);
    3. het opnemen van kwalitatieve voorwaarden bij bepaalde ontwikkelingen zoals voorwaarden met betrekking tot milieuaspecten, duurzaamheid en gezondheid;
  • ondernemersklimaat:
    1. bieden van ruimte voor de hoofdfuncties van het gebied (agrarische en toeristische ontwikkelingen); ruimte voor bijzondere overnachtingsplaatsen;
    2. bieden van mogelijkheden voor nevenfuncties (bedrijfsmatig, dagrecreatief, horeca of agrarisch aanverwant).

4.3 Toelichting op onderdelen     

4.3.1 Opbouw van de regels en de verbeelding     

Het pilot-omgevingsplan heeft de volgende opbouw van de regels en verbeelding.

Tabel 4.1: overzicht opbouw regeling

verplicht

verplicht

verplicht

Bij het gebruik van de aanvullende raadpleegomgeving zijn door het aanklikken van een locatie alleen de modules zichtbaar die op de betreffende locatie van toepassing zijn.

4.3.2 Algemeen toelaatbare functies en bestaande functies     

In grote delen van het plangebied zijn de functies agrarisch grondgebruik, wegen en waterlopen, extensief dagrecreatief medegebruik, tuinen, nieuwe natuur en nieuwe landschapselementen rechtstreeks toegestaan. Bestaande functies, zoals agrarische bedrijven, burgerwoningen en niet agrarische bedrijven, zijn op de verbeelding aangeduid met een symbool (een aanduiding). In de regels van artikel 40 Algemeen toelaatbare functies, is opgenomen dat het algemeen toelaatbare gebruik is toegestaan én de bestaande functies zoals aangegeven met een indicatieve aanduiding. De indicatieve aanduiding heeft niet tot doel om de locatie en de begrenzing van het bestaande gebruik exact vast te leggen. Het symbool geeft aan waar de functie zich bevindt: indien nodig wordt de omvang van het gebruik en de mate van concentratie van bebouwing in de regels vastgelegd.

Voor gebieden waar sprake is van kwetsbaarheden (agrarische gebieden met natuur- of landschapswaarden, gebieden bestemd voor nieuwe natuur, dijken met natuur- of landschapswaarden, vliedbergen) is het rechtstreeks toelaatbare gebruik beperkt en gelden de regels van artikel 41 Algemeen toelaatbare functies in kwetsbare gebieden.

Bestaande functies zoals natuurgebieden, de Westerschelde, Sloegroen en de primaire waterkering hebben een functievlak gekregen.

4.3.3 Verandering van functies, belang van deelgebieden     

Bij de hiervoor genoemde algemeen toelaatbare functies en bestaande functies is aangegeven wat rechtstreeks toelaatbaar is aan functieveranderingen en bouwmogelijkheden. Voor veranderingen die niet rechtstreeks zijn toegestaan, zijn de deelgebieden van belang. In het pilot-omgevingsplan worden 3 deelgebieden onderscheiden, te weten:

Veranderingen van functies en (bouw)ontwikkelingen zijn in principe toegestaan indien ze naar aard en omvang passend zijn in het betreffende deelgebied en voldoen aan algemene voorwaarden, zoals geluid, milieuhygiënische inpasbaarheid en verkeer. De regels bevatten een gebiedsbeschrijving waarin de specifieke en onderscheidende kenmerken van een deelgebied zijn beschreven. Deze gebiedsbeschrijving én het beleidsuitgangspunt dat gestreefd wordt naar versterking van de ruimtelijke kwaliteit zijn bepalend voor het toestaan van nieuwe ontwikkelingen. Behalve dat aan de voorwaarden moet worden voldaan, moet een initiatief ook een meerwaarde hebben voor het buitengebied en een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Deze meerwaarde kan onder andere bestaan uit het versterken van natuurwaarden, het slopen van detonerende bebouwing of het versterken van een cultuurhistorisch element. De mate waarin sprake moet zijn van een meerwaarde is afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief en het is aan de initiatiefnemer om een keuze te maken in de wijze waarop de meerwaarde wordt gerealiseerd.

De toelaatbaarheid van veranderingen is mede afhankelijk van de mate waarin met de ontwikkeling 'de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven worden aangetast'. Hieronder wordt onder andere verstaan de gebruiksmogelijkheden van zowel aangrenzende als in de nabijheid gelegen woningen en verblijfsrecreatieve terreinen en de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van aangrenzende of nabijgelegen natuurgebieden.

Veranderingen met melding

Bij een beperkt aantal veranderingen kan met een melding van de initiatiefnemer aan het college worden volstaan. Om gebruik te kunnen maken van het instrument melding moet voldaan worden aan de voorwaarden die aan de verandering worden gesteld. De gemeente kan achteraf controleren of er daadwerkelijk aan de voorwaarden wordt voldaan. Onder andere de vestiging van een kleinschalig kampeerterrein tot 15 standplaatsen kan met een melding worden gedaan mits voldaan wordt aan de voorwaarden.

Verandering met afwijking

De mogelijkheid om van het plan af te wijken is opgenomen voor onder andere nevenactiviteiten die naar aard en omvang de beperkte rechtstreekse mogelijkheden voor nevenfuncties overstijgen, bouwen vóór de voorgevelrooilijn, plattelandswoningen en nieuwbouw ten behoeve van nevenfuncties.

Verandering met delegatie

Met toepassing van de delegatiebevoegdheid wordt een deel van het pilot-omgevingsplan herzien waarbij het college van burgemeester en wethouders het besluit tot vaststelling van de herziening neemt. In het plan is een delegatiebevoegdheid opgenomen voor onder andere het omzetten van een agrarisch functie naar wonen bij bedrijfsbeëindiging, de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf en het realiseren van duurzame initiatieven voor zonne-energie.

Deze zonneweides kunnen passend zijn in het grootschalige polderlandschap; om te beoordelen of een locatie geschikt is voor een dergelijk initiatief zijn de volgende (aanvullende) voorwaarden opgenomen in de regels:

  1. met een locatiestudie zijn verschillende locaties onderzocht en de meest geschikte locaties uit ruimtelijk oogpunt, gesteldheid van de ondergrond en/of energieopbrengst in beeld gebracht;
  2. realisering vindt plaats op een van de aantoonbaar geschikte locaties;
  3. het ontwerp en de wijze van plaatsing van zonnepanelen sluit aan bij het landschap ter plaatse;
  4. indien mogelijk wordt er gebruikgemaakt van functiecombinaties en meervoudig ruimtegebruik;
  5. er is sprake van een goede landschappelijke inpassing.

In principe is gekozen voor algemeen geldende criteria die in een specifieke situatie in combinatie met het uitgangspunt dat een functie passend moet zijn in een deelgebied, nader wordt ingevuld. Bijvoorbeeld de beoordelingsregels voor verkeer: indien sprake is van een grootschalige nieuwe functie zoals een nieuw bedrijven voor verwerking, opslag en/of distributie van landbouwproducten of een loon- en mechanisatiebedrijf dan betekent de voorwaarden voor verkeer in combinatie met de gebiedsbeschrijving van het gebied dat meegewogen kan worden:

  • of een locatie in de directe nabijheid van het landbouwroutenetwerk/ gebiedsontsluitingswegen is gelegen;
  • of het bedrijf op de goede plek wordt gesitueerd, aansluitend op de wegenstructuur, uitgaande van de bestaande breedte en zwaarte van de wegen;
  • of de funcite niet meer en zwaarder verkeer zal genereren dan het voorheen ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf;
  • of de bestaande verhardingsbreedte en de fundering van de weg het verkeer naar de nieuwe functie aan kan;
  • de verkeersveiligheid is gewaarborgd.

4.3.4 Agrarische bedrijven     

Indeling in bedrijven

In het pilot-omgevingsplan is een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten van agrarische bedrijven. De noodzaak om een onderscheid te maken wordt enerzijds ingegeven door het provinciale beleid dat specifieke regels kent voor intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. Anderzijds vormen ook het gemeentelijke beleid en de resultaten van het planMER aanleiding voor de volgende indeling van agrarische bedrijven:

  • grondgebonden agrarische bedrijven, nader te onderscheiden in:
    1. grondgebonden teeltbedrijven (zoals akker- en tuinbouw, fruitteelt, boomkwekerij en grondgebonden aquacultuur);
    2. grondgebonden veehouderijbedrijven;
  • niet-grondgebonden agrarische bedrijven, nader te onderscheiden in:
    1. glastuinbouwbedrijf;
    2. intensieve veehouderij;
    3. intensieve kwekerijen in gebouwen;
    4. niet-grondgebonden aquacultuur.

De in het plangebied aanwezige bedrijven zijn geïnventariseerd en hebben een aanduiding gekregen overeenkomstig de aanwezige bedrijfsvoering. Daarbij kan sprake zijn van hoofd- en neventakken of gemengde bedrijven. Neventakken intensieve veehouderij bij grondgebonden agrarische bedrijven zijn niet algemeen toelaatbaar en worden om die reden aangeduid. Een neventak grondgebonden teeltbedrijf is bij alle agrarische bedrijven toegestaan en wordt om die reden niet apart aangeduid maar als algemeen toelaatbaar opgenomen bij het toelaatbare gebruik.

Bouwblok

Ten behoeve van een agrarisch bedrijf mag worden gebouwd:

  • binnen een suggestievlak voor bebouwing (gebaseerd op het bouwblok uit het (voorheen) geldende bestemmingsplan Borsele Buiten) dan wel;
  • binnen een denkbeeldig vlak met zijden van maximaal 175 m en een oppervlakte van 1 ha (bouwblok).

Het suggestievlak voor bebouwing vormt in de basis het gebied waarbinnen bebouwing voor het agrarische bedrijf altijd is toegestaan. Aangezien de vorm en omvang van een suggestievlak in de loop der tijd aan verandering onderhevig kan zijn - omdat de bedrijfsvoering wijzigt of bij gewijzigde inzichten van de ondernemer - is tevens bebouwing in een denkbeeldig en veranderlijk bouwblok toegestaan. Uitgangspunt is dat, indien eenmaal is gekozen voor het oprichten van bebouwing buiten het suggestievlak maar binnen het bouwblok, de gerealiseerde bebouwing te allen tijde binnen het bouwblok gelegen blijft.

Het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn. Verder gelden voor de bebouwing binnen deze bouwblokken nog aanvullende voorwaarden zoals afstanden tot wegen en perceelsgrenzen, aansluiten bij de situering en lengterichting van bestaande bebouwing, geen onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen en handhaven van de voorgevelrooilijn. Bouwen binnen een bouwblok met een oppervlakte van 1,5 ha is ook mogelijk maar hiervoor gelden aanvullende voorwaarden. Voor glastuinbouwbedrijven zijn denkbeeldige bouwblokken van 2 ha mogelijk gemaakt, met uitzondering van het glastuinbouwbedrijf Hellenburgstraat 32. Deze locatie is in de structuurvisie aangewezen als herstructurering- transformatielocatie voor woningbouw. Voor deze locatie zijn specifieke (bouw)aanduidingen opgenomen om de bouw van een bedrijfswoning en de uitbreiding van bedrijfsgebouwen en kassen te voorkomen.

Ammoniakemissiestandstill

Voor functievlakken waar het houden van dieren is toegestaan is een ammoniakemissiestandstill opgenomen. Dit betekent dat het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen op het moment van vaststelling van het pilot-omgevingsplan, het stalsysteem dat hiervoor op dat moment was vergund en de diersoort waarvoor de dierplaatsen zijn gerealiseerd, slechts mogen worden gewijzigd indien dit niet gepaard gaat met een toename van ammoniakemissie. In voorkomende situaties waarbij een toename van emissie niet leidt tot een aantasting van Natura 2000-gebieden, kan met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid medewerking worden verleend aan een wijziging van de aantallen dierplaatsen, de diersoort of het stalsysteem.

Uitbreiding intensieve veehouderij

Voor intensieve veehouderijen gelden de regels uit de Verordening ruimte provincie Zeeland waarbij er een grens is gesteld aan de maximale omvang van hoofd- en neventakken intensieve veehouderij. Bouwen ten behoeve van een uitbreiding van de bedrijfsvloeroppervlakte is mogelijk met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid indien onder andere aan eisen van verduurzaming wordt voldaan.

Teeltondersteunende voorzieningen

Bij grondgebonden teeltbedrijven komt het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen voor. Het pilot-omgevingsplan maakt een onderscheid tussen lage teeltondersteunende voorzieningen die worden aangelegd (zoals gebruik van folies (tijdelijke voorzieningen) en containervelden (permanente voorzieningen)) en hoge voorzieningen waarvoor wordt gebouwd (zoals kassen, boog- en gaaskassen en hagelnetten, voornamelijk permanente voorzieningen). Het gebruik van de gronden voor lage, tijdelijke voorzieningen is zonder meer toegestaan. Het gebruik van lage, permanente voorzieningen is toegestaan met uitzondering van het gebruik in deelgebied Kerngebied de Poel en heggengebied Nisse.

Voor de bouw van teeltondersteunende kassen is een regel opgenomen bij de suggestievlakken/bouwblokken (de kassen moeten binnen het suggestievlak/bouwblok worden gerealiseerd). Overige teeltondersteunende voorzieningen zoals hagelnetten mogen buiten suggestievlakken/bouwblokken worden gebouwd, overeenkomstig de regels die in de algemene bouwregels zijn opgenomen.

Niet-agrarische nevenactiviteiten

Bij de beschrijving van de specifieke regels voor gebruik is per functie ook aangegeven dat een aantal niet-agrarische nevenactiviteiten is toegestaan. Rechtstreeks toelaatbaar, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, is de verkoop van (regionale) agrarische producten, kleinschalige plattelandshoreca en kleinschalige zorginitiatieven.

Huisvesting van arbeidsmigranten

Overeenkomstig de Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten worden in het plan mogelijkheden geboden om arbeidsmigranten te huisvesten op zogenoemde agrarische campings (met melding toegestaan overeenkomstig de mogelijkheden voor kleinschalig kamperen), in agrarische bedrijfsgebouwen en in leegstaande gebouwen (met toepassing van de delegatiebevoegdheid).

4.3.5 Burgerwoningen     

De bestaande burgerwoningen zijn met een aanduiding Wonen opgenomen op de verbeelding. Het symbool geeft weer dat ter plaatse één woning met erf en tuin is toegestaan. De omvang van dit gebruik is niet begrensd, het gebied waarbinnen mag worden gebouwd voor deze functie is evenmin op de verbeelding met een vlak vastgelegd. Uitgangspunt van de formuleringen in de regels is dat er wel sprake moet zijn van een concentratie van bebouwing (beperking van het erf en een maximale onderlinge afstand van woningen tot vrijstaande bijbehorende bouwwerken).

De gronden mogen gebruikt worden voor de huisvesting van personen: behalve de bewoning door huishoudens en gezinnen is daarmee ook de huisvesting van bijvoorbeeld arbeidsmigranten mogelijk.

De maximale inhoud, goot- of bouwhoogte van woningen is niet in het plan vastgelegd. Bij bouw, uitbreiding of verbouw is het uitgangspunt dat:

  • het uitwendige karakter niet ingrijpend wordt gewijzigd waaronder in ieder geval wordt verstaan dat de goot- en bouwhoogte ten opzichte van de bestaande goot- en bouwhoogte met niet meer dan 10% mag worden verhoogd;
  • voldaan moet worden aan de eisen van een goede beeldkwaliteit, overeenkomstig de typologie die aan het betreffende object is toegekend en waarvoor de betreffende regels in hoofdstuk 6 van de regels zijn opgenomen.

Ook bij burgerwoningen zijn nevenactiviteiten toegestaan zoals aan-huis-gebonden beroepen. Met melding is ook de realisering van een kleinschalig terrein voor kamperen mogelijk. Voor de realisering van een kleinschalig kampeerterrein gelden onder andere voorwaarden voor landschappelijke inpassing, situering van de standplaatsen, veiligheid en een gezonde leefomgeving.

4.3.6 Niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten     

In het plangebied komen verschillende niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten voor die zijn voorzien van de volgende aanduidingen:

In bijlage 8 Inventarisatie functies is een overzicht opgenomen van de betreffende functies.

Agrarisch aanverwante bedrijven en maneges

Zowel de agrarisch aanverwante bedrijven (al dan niet met een agrarische bedrijfstak) als de maneges zijn functioneel aan het buitengebied verbonden; het buitengebied is voor deze bedrijven de meest voor de hand liggende vestigingslocatie. De bestaande agrarisch aanverwante bedrijven en maneges zijn met een aanduiding op de verbeelding opgenomen. In de regels voor bouwen is opgenomen dat bebouwing is toegestaan:

  • binnen een suggestievlak voor bebouwing (gebaseerd op het vigerende bouwvlak) dan wel;
  • binnen een denkbeeldig vlak met zijden van maximaal 175 m en een oppervlakte van 1 ha (bouwblok).

Het suggestievlak voor bebouwing vormt in de basis het gebied waarbinnen bebouwing voor het agrarisch aanverwante bedrijf of de manege altijd is toegestaan. Aangezien de vorm en omvang van een suggestievlak in de loop der tijd aan verandering onderhevig kan zijn - omdat de bedrijfsvoering wijzigt of bij gewijzigde inzichten van de ondernemer - is tevens bebouwing in een denkbeeldig en veranderlijk bouwblok toegestaan. Uitgangspunt is dat de gerealiseerde bebouwing te allen tijde binnen het bouwblok gelegen blijft.

Aan de Gerbernesseweg 21a is een paardenhouderij gevestigd die zich gaat richten om manege-activiteiten. Het opnemen van een aanduiding voor een manege is gemotiveerd op basis van de ruimtelijke onderbouwing met landschappelijke inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 10 Ruimtelijke onderbouwing en landschappelijke inpassing Gerbernesseweg 21a

Overige bedrijvigheid

Voor de overige genoemde bedrijvigheid is in mindere mate sprake van een functionele relatie met het buitengebied. Ook voor deze bedrijven zijn symbolen opgenomen waarbij in het plan (op de verbeelding en zichtbaar in de regels) tevens de maximale oppervlakte in gebruik en de maximaal toelaatbare oppervlakte aan bebouwing is vastgelegd. De maximaal toelaatbare oppervlakte in gebruik en voor bebouwing is, overeenkomstig het bestemmingsplan Borsels Buiten, inclusief de uitbreidingsruimte van 20 % ten opzichte van de bestaande oppervlakten op moment van ter inzage legging van het ontwerp-pilot-omgevingsplan. Bijlage 8 geeft inzicht in de huidige en maximaal toelaatbare oppervlakten bij deze functies.

Met behulp van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en Staat van Horeca-activiteiten zijn de bedrijven ingedeeld naar de mate van milieubelasting en invloed op de omgeving. Voor een toelichting op de werking en wijze van toepassen van de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt verwezen naar bijlage 9 Toelichting Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Nevenactiviteiten

Bij de beschrijving van de specifieke regels voor gebruik is per functie ook aangegeven dat een beperkt aantal nevenactiviteiten is toegestaan. Rechtstreeks toelaatbaar, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, zijn het bieden van recreatief nachtverblijf tot een vloeroppervlakte van niet meer dan 40 m² en beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten in een woning en/of bijbehorende bouwwerken.

Horeca op de waterkering

Aan de Zeedijk bij Baarland is een restaurant gevestigd waarvoor tot nu toe een tijdelijke vergunning is verleend. Het 'Hoogwaterbeschermingsprogramma Westerschelde' verzet zich niet tegen de vestiging van een permanente voorziening op deze locatie. Het opnemen van een positieve bestemming voor het betreffende restaurant is gemotiveerd en akkoord bevonden op basis van de ruimtelijke onderbouwing die is opgenomen in bijlage 11 Ruimtelijke onderbouwing en natuurtoets restaurant Zeedijk-Baarland.

4.3.7 Hoofd- en nevenfuncties     

In het bestemmingsplan Borsels Buiten is voor de percelen met een hoofdfunctie horeca, detailhandel of bedrijf de uitbreidings- en ontwikkelingsruimte bepaald op 20 % en al vastgelegd in de voorschriften en bijlagen van het plan. Deze regeling wordt overgenomen in het pilot-omgevingsplan (op de verbeelding en vertaald in de regels; voor een overzicht wordt verwezen naar bijlage 8).

Voor de nevenfuncties die met melding of afwijking zijn of kunnen ontstaan geldt in principe dat de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor de nevenfunctie en dat deze oppervlakte met 20% mag worden uitgebreid tot een maximum van 250 m2 (regels voor functieveranderingen met toepassing van de afwijkingsbevoegdheden zoals opgenomen in de verschillende deelgebieden) .

In het huidige Borsels Buiten is een quotum geïntroduceerd voor kleinschalig kamperen: er zijn in totaal 14 kleinschalige kampeerterreinen toegestaan (op het moment van vaststelling Borsels Buiten waren er al 7 aanwezig, momenteel in de fase van voorontwerp zijn er 12 kleinschalige kampeerterreinen). Het quotum wordt losgelaten: nieuwe kleinschalige kampeerterreinen zijn rechtstreeks toegestaan mits voldaan wordt aan kwalitatieve randvoorwaarden. In kerngebied de Poel en het heggengebied Nisse zijn geen kleinschalige kampeerterreinen toegestaan.

4.3.8 Landschappelijke inpassing     

Bij diverse ontwikkelingen die met het plan mogelijk zijn en worden gemaakt is het vereiste van een landschappelijke inpassing opgenomen. De Richtlijn voor erfbeplanting die hiervoor binnen de gemeente wordt gehanteerd is opgenomen in het pilot-omgevingsplan. Daarbij is de richtlijn 'opgeknipt' naar deelgebieden. De raadpleger van het plan wordt via de verbeelding en het deelgebied direct naar de relevante onderdelen van de richtlijn geleid.

4.3.9 Rijksinpassingsplannen     

In het plangebied wordt de aanleg verwacht van:

  • nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbindingen, in combinatie met het verwijderen van een bestaande 380 kV-hoogspanningsverbinding; het rijksinpassingsplan 'Zuid-West 380kV west' is hiervoor op 4 november 2016 vastgesteld (nog in procedure);
  • een ondergrondse hoogspanningsleiding die toekomstige windturbines op zee moet verbinden met het landelijke hoogspanningsnet; het hiervoor opgestelde inpassingsplan 'net op zee, Borssele' is op 27 juni 2016 vastgesteld, en inmiddels onherroepelijk.

In artikel 3.28 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad na terinzagelegging van een ontwerp-inpassingsplan gedurende 10 jaar niet langer bevoegd is tot vaststelling van een bestemmingsplan, tenzij in het inpassingsplan anders is bepaald. In beide inpassingsplannen zijn hiervoor regels opgenomen die luiden dat de gemeenteraad een bestemmingsplan mag vaststellen 'indien daarbij wordt voorzien in de bestemmingen en in de planregels zoals neergelegd in het inpassingsplan' (artikel 13.2.b 'Zuid-West 380 kV west') of 'dat voorziet in de bestemmingen zoals neergelegd in dit inpassingsplan op dezelfde wijze als is voorzien in dit inpassingsplan' (artikel 9.2.b 'net op zee Borssele').

Met het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 wordt een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte vastgesteld met een looptijd van 20 jaar. De keuze om dit plan niet vast te stellen voor de gronden waar de rijksinpassingsplannen zijn vastgesteld is niet aan de orde: de gemeente wil het buitengebied van een integrale, zo veel mogelijk gebiedsdekkende regeling voorzien.

Er is dus gekozen voor een regeling in het plan die voldoet aan de voorwaarde dat hiermee voorzien wordt in een regeling die overeenkomt met een regeling zoals voorzien in de inpassingsplannen.

Deze voorwaarde hoeft naar onze mening en na bestudering van de formulering van de regels in de inpassingsplannen, niet te betekenen dat de inpassingsplannen letterlijk één op één, regel voor regel, exact worden overgenomen. Het gaat erom dat de werking en de inhoud van de regels in de inpassingsplannen in tact blijven.

Er zijn nog andere redenen om niet te kiezen voor het letterlijk, één op één overnemen maar voor het opnemen van de regeling die 'voorziet in een regeling zoals in de inpassingsplannen:

  • in een enkel geval is het letterlijk één op één overnemen niet mogelijk (bijvoorbeeld de wijzigingsbevoegdheid voor archeologische waarden in het plan 'net op zee Borssele' waarbij het ministerie bevoegd gezag is voor vaststelling van het wijzigingsplan);
  • het is niet gewenst om de discussie over de beide inpassingsplannen nogmaals in het kader van dit pilot-omgevingsplan te voeren of opnieuw de wenselijkheid van de betreffende leidingen ter discussie te stellen;
  • mochten onderdelen van de inpassingsplannen alsnog vernietigd worden dan heeft dit ook ongewenste consequenties voor dit plan.

De regeling die in dit plan wordt opgenomen is als volgt:

  • aan het plan worden twee gebiedsaanduidingen toegevoegd die overeenkomen met de plangrenzen van de beide inpassingsplannen (voor zover gelegen binnen de plangrenzen van het pilot-omgevingsplan);
  • aan deze gebiedsaanduiding worden twee artikelen gekoppeld die ondergebracht worden in een apart hoofdstuk die, indien binnen de plangrenzen van de inpassingsplannen wordt geklikt, meteen zichtbaar worden;
  • in deze artikelen is bepaald dat:
    1. de beide inpassingsplannen van toepassing zijn;
    2. dit gevolgen heeft voor het toelaatbare gebruik, bouwen en veranderingen van functies en bouwen zoals opgenomen in het pilot-omgevingsplan;
    3. met de 'onderliggende bestemmingen' zoals in de inpassingplannen genoemd, de functies uit dit pilot-omgevingsplan worden bedoeld;
    4. en, indien sprake is van een tegenstijdigheid met het pilot-omgevingsplan, het inpassingsplan prevaleert.

Op deze wijze wordt in dit plan een regeling opgenomen die erin voorziet dat het doel en de regels van de inpassingsplannen van toepassing blijven.

4.3.10 Bouw- en gebruiksbeperkingen     

In het plangebied is daarnaast nog een aantal bouw- en gebruiksbeperkingen opgenomen of zijn voorwaarden gesteld aan het bouwen. Het betreft het bouwen binnen belemmeringenzones van leidingen, het bouwen binnen geluidszones industrielawaai, het bouwen binnen de walradarketen en straalpaden en het bouwen op de waterkering of binnen de beschermingszones van de waterkering. Voor deze bouwbeperkingen zijn vlakken opgenomen op de verbeelding zodat de raadpleger direct op de bouwbeperking wordt gewezen.

4.3.11 Beeldkwaliteit     

De beeldkwaliteitsregels die in het plan zijn opgenomen zijn opgesteld vanuit de overtuiging dat de gemeente het belang van een aantrekkelijke (gebouwde) omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen, tezamen met de inrichting van de tuinen, erven en de open(bare) ruimte, de dagelijkse leefomgeving van iedereen die in Borsele woont en/of werkt. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van het bouwwerk alleen, elke voorbijganger en nog sterker de buren (!) worden ermee geconfronteerd, of zij nu willen of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van een onroerende zaak en versterkt het vestigingsklimaat. Uit onderzoek en de rapportages van professor Thissen blijkt dat de beeldkwaliteit van de openbare ruimten en de bebouwing in sterke mate bijdraagt aan de keuze waar mensen willen wonen en werken. Dit geldt zeker bij teruglopende voorzieningen zoals scholen, winkels enzovoort en een ruime keuze aan waar men kan wonen. Het doel van het beeldkwaliteitsbeleid is, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de dagelijkse leefomgeving, de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de gemeente Borsele.

Voor een uitgebreide toelichting op het beleid voor beeldkwaliteit wordt verwezen naar bijlage 12 Beeldkwaliteitsbeleid Buitengebied Borsele.

Alle panden in het plangebied zijn geïnventariseerd en voor zover relevant van een typlogie voorzien. In de regels is opgenomen welke eisen voor een goede beeldkwaliteit aan de verschillende typologieën worden gesteld. Door het objectgerichte karakter van het plan krijgt de raadpleger uitsluitend de regels te zien die gelden voor de typologie die aan het geraadpleegde perceel zijn toegekend.

Behalve regels voor de onderscheiden typologieën zijn er ook meer algemene regels opgenomen zoals onder andere voor agrarische bedrijfsgebouwen en dakkapellen.

De regels voor beeldkwaliteit worden aangemerkt als een verbijzondering van de opgenomen bouw- en gebruiksregels. Zo zijn in de bouwregels voor de agrarische suggestievlakken geen regels opgenomen voor de plaatsing van gebouwen. Bij het verbale agrarische bouwblok is bepaald dat gebouwen achter de voorgevelrooilijn geplaatst moeten worden. In de regels voor beeldkwaliteit zijn vervolgens specifieke regels opgenomen voor de plaatsing van bedrijfsgebouwen en silo's. Deze regels worden niet gezien als strijdig met de bouwregels maar als een verbijzondering daarvan.

4.3.12 Houtopstanden     

De regels met betrekking tot het kappen, vellen en rooien van houtopstanden zijn opgenomen in de APV en in het huidige bestemmingsplan Borsels Buiten. In het pilot-omgevingsplan worden deze regelingen samengebracht.

In de APV is in zijn algemeenheid het kappen of vellen van bomen niet toegestaan, waarbij de APV tevens voorziet in een uitzondering indien een lijst van waardevolle bomen is vastgesteld. Het algemene verbod geldt dan niet voor bomen die niet op de lijst staan. Deze regeling is omslachtig en bovendien heeft Borsele een dergelijke lijst van waardevolle bomen vastgesteld.

In het pilot-omgevingsplan wordt volstaan met een verbod om deze waardevolle bomen te kappen en de bevoegdheid om de lijst met waardevolle bomen te wijzigen. De lijst met waardevolle bomen is ook digitaal te raadplegen en het plan bevat een link naar deze digitale raadpleegomgeving.

De lijst met waardevolle bomen biedt onvoldoende bescherming voor de kenmerkende dijkbeplantingen. De dijken met kenmerkende beplantingen zijn onder andere om deze reden aangeduid in het plan: zie de toelichting onder 4.3.13.

4.3.13 Natuur- en landschapswaarden op agrarische gronden en dijken     

Agrarische gebieden en dijken met natuur- en/of landschapswaarden zijn specifiek aangeduid op de verbeelding. Het uitvoeren van verschillende werken en werkzaamheden is op deze gronden niet zonder omgevingsvergunning toegestaan. De kenmerkende dijkbeplanting – voor zover deze niet onder de Boswet valt of, indien ze daar wel onder valt, de herplantplicht niet op hetzelfde dijkvlak is gelegen – wordt met deze regeling beschermd.

Dijken met natuur- of landschapswaarden zijn overgenomen van de provinciale verordening.

De agrarische gebieden met landschaps- of natuurwaarden zijn aangemerkt op basis van:

  • de agrarische gebieden met geomorfologische waarden (waardevol reliëf) zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan Borsele Buiten; deze gebieden zijn nog actueel, zijn tot nu toe voorzien van een beschermende regeling en deze regels en het beschermingsniveau worden gehandhaafd;
  • agrarische gebieden van ecologische betekenis zoals weergegeven op de provinciale verordening en op basis van informatie van de provincie geactualiseerd;
  • het open poelgebied zoals weergegeven in de provinciale verordening (deze gronden zijn aangeduid met 'landschappelijke openhied'.

4.3.14 Geluidsverordening     

De huidige geluidsverordening biedt in delen van het buitengebied van Borsele meer en in andere delen minder geluidsruimte voor inrichtingen om geluid te produceren. Een van de belangrijke doelstellingen van het pilot-omgevingsplan is om de geluidsverordening te integreren in het pilot-omgevingsplan. Een andere doelstelling van het pilot-omgevingsplan is om regelgeving op elkaar af te stemmen en dubbele regelgeving te voorkomen. De geluidsverordening is dan ook geëvalueerd. In de zones 1 en 2 waar meer ruimte werd geboden om geluid te produceren, blijkt van deze mogelijkheid niet of nauwelijks gebruik te zijn gemaakt. Zone 3 heeft weinig betekenis omdat hier de wettelijke normen gelden en er geen sprake was van een verruiming of vermindering van de mogelijkheid om geluid te produceren. Zone 4 heeft tot doel de stilte te behouden en biedt minder ruimte dan wettelijk toegestaan om geluid te produceren. Samenvattend is het behoud van de geluidsverordening voor zone 4 zinvol en wenselijk; voor de overige gebieden kan de verordening komen te vervallen.

Ook de beleidsregel voor het toepassen van antihagelgeneratoren is in het plan verwerkt. In de regels is voor het gebied waar strengere normen gelden dan wettelijk is vastgelegd, opgenomen dat de strengere normen voor geluid niet van toepassing zijn op antihagelgeneratoren. In het gehele plangebied is bij fruitgaarden de plaatsing of het bouwen van antihagelgeneratoren toegestaan: de beleidsregels met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen milieu zorgen voor maatwerk met betrekking tot de situering en het te plaatsen type antihagelgenerator.

4.3.15 Archeologie     

In het archeologiebeleid zijn 8 categorieën van archeologische verwachtingswaarden onderscheiden die als volgt zijn vertaald.

Tabel 4.2: vertaling archeologiebeleid

verplicht

4.3.16 Cultuurhistorie     

Molenbiotopen

De molenbiotopen zijn in het plan opgenomen waarbij een onderscheid is gemaakt tussen de biotoop van de stellingmolen in Heinkenszand en de overige molens.

Vliedbergen

De vliedbergen aan de Trenteweg, Goesestraatweg en Iseweg zijn aangeduid en worden beschermd met een verbod op het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Van dit verbod kan worden afgeweken mits de cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. De vliedberg aan de Bergweg en de twee vliedbergen in Baarsdorp hebben al de functie Natuur en behoeven geen verdere bescherming.

Waardevolle panden

De bescherming van de gemeentelijke monumenten en de (wijziging van de) aanwijzing van gemeentelijke monumenten wordt opgenomen in het pilot-omgevingsplan. Bij raadpleging is dan direct zichtbaar welke regels er gelden ter bescherming van de gemeentelijke monumenten.

In het buitengebied zijn ook vele panden gelegen die als karakteristiek en cultuurhistorisch waardevol zijn aangemerkt. Voor deze panden wordt een bescherming tegen sloop opgenomen. Een omgevingsvergunning om van het verbod tot slopen af te wijken kan worden verleend indien de karakteristiek van de gronden/omgeving niet onevenredig wordt aangetast of, gelet op de staat van het bouwwerk, handhaving niet in redelijkheid kan worden verlangd.

Rijksmonumenten

De aanwijzing en bescherming van rijksmonumenten hoeft niet in het pilot-omgevingsplan te worden geregeld (de gemeente heeft en krijgt hierin geen leidende rol). Bij de beoordeling van vergunningaanvragen heeft de gemeente wel een taak en toetst zij overeenkomstig hetgeen in artikel 124 en bijlage 6 van de regels is verwoord. Door de rijksmonumenten in de verbeelding op te nemen worden de regels die de gemeente hierbij hanteert zichtbaar.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid     

5.1 Financiële uitvoerbaarheid     

In het kader van de Grondexploitatiewet is de gemeente verplicht kosten die ten behoeve van het pilot-omgevingsplan worden gemaakt, te verhalen (het huidige regime van Wro en Grondexploitatiewet is nog aan de orde).

De gemeente maakt geen kosten voor plannen die op grond van dit pilot-omgevingsplan worden uitgevoerd. Dat betreft in alle gevallen particulier initiatief, waaraan in beginsel geen kosten voor de gemeente zijn verbonden, afgezien van kosten van het ambtelijk apparaat voor de begeleiding en toetsing van aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt. Mochten er andere kosten zijn, die op grond van artikel 6.13 Wet ruimtelijke ordening dienen te worden verhaald, dan zal uitsluitend worden meegewerkt aan de omgevingsvergunning voor afwijken of herziening van het plan, nadat een exploitatieovereenkomst is gesloten. De initiatiefnemers zijn hiervoor verantwoordelijk.

Wel maakt de gemeente plankosten, dit zijn de kosten die zijn gemoeid bij het opstellen van het pilot-omgevingsplan. Deze kosten zijn niet toe te schrijven aan een specifieke groep gebruikers. De gemeente neemt deze plankosten daarom voor haar rekening. Indien er aanvullende plankosten gemaakt worden voor het uitvoeren van het pilot-omgevingsplan, bijvoorbeeld in de vorm van kosten voor het toepassen van een delegatie- of afwijkingsbevoegdheid, worden dergelijke plankosten verhaald op de initiatiefnemer.

In lijn met deze redenering is er geen sprake van verhaalbare kosten en is voor het pilot-omgevingsplan geen exploitatieplan opgesteld.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid     

De gemeente hecht veel waarde aan de grote betrokkenheid van haar inwoners bij het buitengebied en heeft het voorontwerp opgesteld met behulp van een klankbordgroep. In deze klankbordgroep zijn verschillende partijen vertegenwoordigd zoals de dorpsraden, stichting Behoud Zak van Zuid-Beveland, ZLTO-afdeling Borsele, waterschap Scheldestromen, provincie Zeeland, Recron, veiligheidsregio en GGD. Deze klankbordgroep is in de fase van opstelling van de Nota van Uitgangspunten en het voorontwerp veelvuldig geconsulteerd en bijgepraat.

Vooroverleg en inspraak

Het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening aan diverse instanties toegezonden. Tevens heeft het voorontwerp gedurende 6 weken ter inzage gelegen en is een inspraakavond georganiseerd voor bewoners en gebruikers van het buitengebied en hun adviseurs.

In totaal zijn 6 vooroverlegreacties en 24 inspraakreacties ingediend. Voor een samenvatting van de inhoud van de reacties en de beantwoording hiervan wordt verwezen naar de bijlagen 13 en 14.

Aanpassingen naar aanleiding van inspraak en overleg

Naar aanleiding van de inspraak- en overlegreacties zijn de volgende aanpassingen verwerkt in de toelichting, regels en verbeelding van het plan.

  • In de regels voor een emissiestandstill werd een uitzondering gemaakt voor vergunde, nog niet gerealiseerde stallen met een hogere emissie dan momenteel aanwezig. Na inventarisatie en in reactie op een van de insprekers is gebleken dat er in het plangebied geen sprake is van dergelijke stallen. De bijlage met vergunde niet gerealiseerde stallen met hogere emissie dan momenteel aanwezig komt te vervallen. Voorts is de redactie van de afwijking van het ammoniakemissiestandstill aangepast.
  • Naar aanleiding van informatie van leidingbeheerders zijn verbeteringen aangebracht in de verbeelding (naamgeving, ligging en breedte van de functie Leiding) en zijn de regels aangepast. Door de leidingen onder te brengen in een apart hoofdstuk, regels op te nemen voor de conversie van beperkt kwetsbaar naar kwetsbaar object en door regels op te nemen over de onderlinge verhouding tussen dubbel- en enkelfuncties, is het belang van de leidingen beter geborgd.
  • De toelichting is aangevuld met onder andere het radarverstoringsgebied van vliegveld Woensdrecht, het wandelnetwerk en de watertoetstabel. Ook is de toelichting en de planMER aangevuld met de beschrijving van een aantal milieuaspecten.
  • Er is een nieuwe functie toegevoegd, speciaal voor agrarisch aanverwante bedrijven met een agrarische bedrijfstak. Deze agrarische functie was niet positief bestemd in het voorontwerpplan.
  • De regeling voor het algemeen toelaatbare gebruik zoals opgenomen in het voorontwerp bood te veel mogelijkheden en te weinig bescherming voor agrarische gebieden en dijken met landschappelijke en natuurlijke waarden en voor gebieden die door de provincie zijn aangewezen als 'nieuwe natuur'. Voor deze gebieden is een regeling voor 'algemeen toelaatbaar gebruik in kwetsbare gebieden' opgenomen met beperktere gebruiksmogelijkheden. Voorts was er aanleiding om de begrenzing van het Kerngebied de Poel met het heggengebied van Nisse te verruimen overeenkomstig de provinciaal aangewezen open gebieden. De gebieden die door de provincie zijn aangewezen als 'agrarisch van ecologische betekenis' hebben de functie 'Waarde – Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied' toegekend gekregen. het open gebied van de Poel is aangemerkt als 'Waarde - Landschappelijke openheid in agrarisch gebied'.
  • In het plangebied zijn twee rijksinpassingsplannen gelegen (net op zee Borsele en Zuid-west 380 kV). De plannen zijn vastgesteld maar het plan voor een 380 kV hoogspanningsleiding is nog niet onherroepelijk. Beide inpassingsplannen blijven in tact, alleen aan de onderliggende gronden worden functies toegekend conform de systematiek van het omgevingsplan. Verder wordt een regeling opgenomen die de raadpleger er op wijst dat er een rijksinpassingsplan van toepassing is.
  • De regels voor bouwen in het gebied van de walradarketen zijn versoepeld.
  • Het plan is aangevuld met regels ter bescherming van de primaire en regionale waterkeringen. In het voorontwerpplan was de zogenoemde 'beschermingszone A' van de waterkeringen nog niet volledig vertaald in het plan.
  • In de raadpleegomgeving die speciaal voor dit plan is ontwikkeld zijn verbeteringen aangebracht in de leesbaarheid en raadpleegbaarheid.
  • Tot slot hebben individuele aanpassingen op perceelsniveau plaatsgevonden naar aanleiding van de ingebrachte inspraakreacties.

Ambtshalve aanpassingen

Het pilot-omgevingsplan is ook ambtshalve nog aangepast. Het gaat daarbij in hoofdlijnen om de volgende aanpassingen.

  • In Borsele wordt actief beleid gevoerd voor behoud en verbetering van de beeldkwaliteit. De objectgerichte benadering van het pilot-omgevingsplan bood de mogelijkheid om ook deze eisen voor beeldkwaliteit rechtstreeks aan de objecten te koppelen. Daarvoor heeft een inventarisatie plaatsgevonden van alle objecten in het buitengebied en heeft een actualisatie plaatsgevonden van de regels die voor deze objecten moeten gaan gelden. De objecten zijn ingedeeld in verschillende typologieën. Naast de regels voor de verschillende typologieën zijn er ook algemene regels voor een goede beeldkwaliteit, regels voor specifieke bouwwerken (zoals agrarische bedrijfsloodsen) en regels voor bijvoorbeeld dakkapellen en erfafscheidingen opgenomen. Zowel de toelichting, bijlagen bij de toelichting, regels, bijlagen bij de regels als de verbeelding zijn hierop aangepast.
  • De inventarisatie die gedaan is voor beeldkwaliteit heeft ook andere waardevolle informatie opgeleverd met betrekking tot het gebruik en de aanwezige bouwwerken op perceelsniveau. Deze inventarisatiegegevens hebben geleid tot aanpassingen van toegekende functies, bouwaanduidingen en overige aanduidingen.
  • Voor agrarisch bedrijven, agrarisch aanverwante bedrijven en maneges zijn in het voorontwerp verbale bouwblokken opgenomen. Om meer sturing te geven en de huidige bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan Borsels Buiten te respecteren, zijn voor deze functies tevens suggestievlakken voor bebouwing opgenomen. Gebouwen zijn toegestaan binnen de suggestievlakken maar kunnen ook in het verbale bouwblok worden gerealiseerd. De bebouwing zoals aangegeven in de regels moet wel te allen tijde in het suggestievlak dan wel het verbale bouwblok zijn gelegen.
  • De uitbreidingsmogelijkheden voor hoofd- en neventakken intensieve veehouderij zijn niet langer met een rechtstreekse regeling maar met een afwijkingsbevoegdheid geregeld.
  • Ambtshalve was er aanleiding om een aantal waardevolle agrarische gebieden die in het bestemmingsplan Borsels Buiten zijn aangemerkt als geomorfologisch, landschappelijk of natuurwetenschappelijk waardevol (voor zover niet door de provincie aangewezen) te voorzien van de functie 'Waarden – Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied'. Ook de vliedbergen zijn - voor zover niet binnen Natuur gelegen - van een functieaanduiding en regeling voorzien die de huidige waarden beschermd.
  • De vergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden in gebieden die zijn aangemerkt met landschappelijke of natuurwaarden is niet van toepassing op suggestievlakken, bouwblokken of gronden in gebruik voor bedrijven of wonen.
  • Bij nader inzien wordt ook de noodzaak ingezien om een beperkt aantal werken en werkzaamheden in bestaande en als zodanig aangeduide Natuur aan een vergunningplicht te koppelen.
  • In het voorontwerpplan waren bedrijfspercelen met meer dan één bedrijfswoning of bedrijfspercelen zonder een bedrijfswoning nog niet aangeduid. Dit is in het ontwerpplan toegevoegd. Met de opgenomen delegatiebevoegdheid kan bij een aantal functies nog een bedrijfswoning worden toegevoegd.
  • Onvolkomenheden in de verbeelding (zoals koppelingen tussen verbeelding en regels) zijn hersteld. Ook de regels zijn aangevuld, aangescherpt en verbeterd waar wenselijk. Voor zover aanpassingen betrekking hadden op functies genoemd in de bijlage 'Inventarisatie functies' is deze bijlage aangepast.
  • In het voorontwerp is sprake van rechtstreeks toelaatbaar gebruik van vergunde nevenfuncties. Aan de regels is nu een bijlage toegevoegd waarin de nevenfuncties die positief zijn bestemd, zijn opgenomen.
  • De regeling voor kleinschalig kamperen is aangepast: het starten van een kleinschalig kampeerterrein tot 15 eenheden is niet langer rechtstreeks toegestaan maar moet worden gemeld. Op deze wijze kan gemonitord worden of het aantal kleinschalige kampeerterreinen niet onevenredig wordt uitgebreid. De uitbreiding van een kleinschalig kampeerterrein tot 25 eenheden is gekoppeld aan een afwijking. Op kleinschalige kampeerterreinen kunnen ook een beperkt aantal permanente standplaatsen worden ingericht. Voor de plaatsing van stacaravans op deze standplaatsen zijn maximale maten opgenomen.
  • Aan de regels zijn bepalingen toegevoegd voor evenementen (bij cultuurhistorische objecten en voor Jumpin'de Weel).

Vaststellingsfase

De resultaten van de zienswijzefase worden te zijner tijd verwerkt.

5.3 Handhaving     

Met dit pilot-omgevingsplan wordt beoogd een voor de burgers duidelijk en herkenbaar beleid voor de fysieke leefomgeving te formuleren. Het pilot-omgevingsplan is zodanig opgezet dat het ruimte biedt voor ontwikkelingen binnen de randvoorwaarden die volgen uit 'een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'.  Het pilot-omgevingsplan biedt daarmee meer flexibiliteit en ruimte dan het traditionele bestemmingsplan.

Het pilot-omgevingsplan bevat ook meer rechtstreekse bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden waaraan voorwaarden zijn verbonden.

De ontwikkelingen die mogelijk zijn na het doen van een melding zijn aan voorwaarden gebonden die niet vooraf door het ambtelijk apparaat worden getoetst (het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om te blijven voldoen).

Daarnaast is er sprake van kwalitatieve voorwaarden.

Het uitgangspunt is dat er handhavend wordt opgetreden wanneer de regels van het pilot-omgevingsplan niet worden nageleefd. Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen, die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Het pilot-omgevingsplan in combinatie met een goede handhaving van de vastgestelde regels beschermen de kwaliteiten van het buitengebied en geven ook veel beter sturing aan ontwikkelingen.

Aangezien het pilot-omgevingsplan meer kwalitatieve regels bevat en een aantal ontwikkelingen rechtstreeks of met melding mogelijk worden gemaakt, zal het accent bij veranderen van 'toetsing vooraf' naar 'handhaving achteraf' en naar handhaving van kwantitatieve en kwalitatieve normen verschuiven.

Bijlagen bij toelichting     

Bijlage 2 Rijksbeleid     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

Vanuit diverse overheidsinstanties is beleid voor het buitengebied geformuleerd. Deze beleidskaders en de daarin opgenomen randvoorwaarden bepalen mede de beleidsvrijheid die de gemeente heeft bij het opstellen van het Omgevingsplan Borsele Buitengebied 2018. De gemeente kan, als daar goede redenen voor zijn, er voor kiezen buiten de door de overheid aangegeven kaders beleid te formuleren. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van het landelijke beleid dat relevant is voor het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018.

Hoofdstuk 2 Rijksbeleid     

2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)     

De 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte' (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld. De SVIR vervangt de 'Nota Ruimte', de 'Structuurvisie Randstad 2040', de ' Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak' en de 'Structuurvisie voor de Snelwegomgeving'. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: 'PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen', de 'Agenda Landschap', de 'Agenda Vitaal Platteland' en 'Pieken in de Delta'. De SVIR geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Van rijksdoelen naar nationaal belang

In de structuurvisie formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

verplicht

Figuur B2.2.1 Uitsnede Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Voor de drie rijksdoelen worden de volgende onderwerpen van nationaal belang benoemd:

  • een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; voor Borsele relevant: Sloegebied is van nationaal belang;
  • ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; voor Borsele relevant: aangewezen als 'vestigingsplaats energieproductie vanaf 500 MW', '(mogelijke) vestigingsplaats kerncentrale', met ruimte voor 'nieuwe hoogspanningsverbinding' en 'kansrijk gebied windenergie';
  • ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; voor Borsele relevant: aanwijzing 'buisleidingstrook';
  • efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor- en vaarwegen;
  • het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor- en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen; voor Borsele relevant: Westerschelde hoort tot de hoofdtransportassen met een zeetoegangsgeul;
  • verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; voor Borsele relevant: primaire waterkering langs de Westerschelde, verziltingsgevoelig gebied;
  • ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; voor Borsele relevant: de Ecologische Hoofdstructuur, thans Natuurnetwerk Zeeland;
  • ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; voor Borsele relevant: radarverstoringsgebied behorend bij het vliegveld Woensdrecht;
  • zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.

Gebiedsgerichte nationale belangen

In de Structuurvisie worden verschillende deelgebieden onderscheiden. De Zuidwestelijke Delta beslaat de gehele provincie Zeeland.

Voor Borsele zijn de volgende relevante gebiedsgerichte nationale belangen en opgaven van belang:

  • het borgen van de waterveiligheid (versterken van de primaire waterkeringen) en -kwaliteit , van voldoende zoetwater (aandachtsgebied zoetwatervoorziening) en het herstel van de estuariene dynamiek als drager voor een duurzaam water- en ecosysteem;
  • het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS (thans Natuurnetwerk Nederland; NNN), inclusief de Natura 2000-gebieden die een groot deel van de Zuidwestelijke Delta beslaan;
  • uitvoeren van de afspraken voor het faciliteren van de ontwikkeling van 'de logistieke Delta' (Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium i.s.m. Vlaamse Gewest);
  • bereikbaarheid voor de binnenvaart en aansluiting op het Trans-Europese transportnetwerk;
  • het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk tussen Borssele en Midden-Brabant (Zuidwest 380 kV-verbinding en buisleidingennetwerk);
  • het aanwijzen van voorkeursgebieden voor grootschalige windenergie in Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden.

Waterveiligheid en zoetwatervoorziening in relatie tot klimaatveranderingen is een van de opgaven voor de Zuidwestelijke Delta. De Deltawateren vormen een kans voor economische sectoren zoals visserij en aquacultuur, recreatie en toerisme.

Door de Zuidwestelijke Delta loopt de belangrijke internationale achterlandverbinding van de haven van Rotterdam met Antwerpen/Parijs, die met de geplande uitbreiding van de Seine-Scheldeverbinding nog in betekenis zal toenemen. De delta is ook belangrijk voor verdere havensamenwerking. Samen met het Vlaams Gewest werkt het Rijk aan de uitvoering van de Scheldeverdragen voor een veilig, toegankelijk en natuurlijk Schelde-estuarium.

2.2 Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035     

Doel van deze Structuurvisie is om ruimte beschikbaar te houden in Nederland voor de aanleg van toekomstige buisleidingen van nationaal en internationaal belang voor de transport van gevaarlijke stoffen. Met de Structuurvisie Buisleidingen wil het Rijk verdere duidelijkheid verschaffen aan zowel het bedrijfsleven dat daarmee kan rekenen op goede verbindingen voor buisleidingtransport, als aan provincies en gemeenten die hierop hun ruimtelijke plannen kunnen afstemmen.

De hoofdverbinding buisleidingen van Rijnmond naar Zeeland/België loopt door Zuid-Beveland naar het Sloegebied en via de Westerschelde bij Ellewoutsdijk naar het industriegebied bij Terneuzen en verder door naar België. Hiermee worden de haven- en industriegebieden in Zeeland en België bereikt en onderling verbonden. Er is gekozen voor een tracé door Zuid-Beveland omdat een alternatief tracé door Zeeuws Vlaanderen het Natura 2000 gebied 'Verdronken land van Saeftinge' de natuurontwikkeling in de Hertogin Hedwigepolder zou verstoren.

Het voorgestelde tracé voor de buisleidingenstrook is gedeeltelijk indicatief (ten zuiden van Ellewoutsdijk). Afgesproken is dat een definitief tracé uitgewerkt zal worden door de gemeente via een eigen gemeentelijke structuurvisie. Voorwaarde is dat de tracé keuze van de gemeente voorziet in een doorgaande verbinding door Zeeland naar België voor leidingen van nationaal belang. Op de Westerschelde is hiervoor een zoekgebied met een breedte van 2 km opgenomen.

 

2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)     

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de EHS, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

Voor dit plangebied zijn de volgende doelstellingen vanuit het Barro van belang:

  • elektriciteitsvoorziening: transport van in het Sloegebied en op zee opgewekte elektriciteit naar het landelijke netwerk; hoogspanningsverbinding Borssele-Kreekrak-Geertruidenberg;
  • rijksvaarwegen: rijkswater Westerschelde met vrijwaringszone van 25 m;
  • defensie: radarverstoring vliegveld Woensdrecht;
  • buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • EHS, zoals aangewezen in de provinciale verordening (Natuurnetwerk Zeeland);
  • primaire waterkeringen buiten het kustfundament.

2.4 Nationaal Waterplan 2016-2021     

Het Nationaal Waterplan beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het Nationaal Waterplan bestaat uit een thematische uitwerking en een gebiedsuitwerking. Thema's die behandeld worden zijn: waterveiligheid, watertekort en zoetwatervoorziening, wateroverlast, waterkwaliteit en gebruik van water. Gebiedsuitwerkingen zijn er voor de Kust, Rivieren, IJsselmeergebied, Zuidwestelijke Delta, Randstad, Noordzee, Noord-Nederland en de Waddenzee, Hoog Nederland en het stedelijk gebied. Op basis van de Waterwet en de Wro heeft het Nationaal Waterplan de status van structuurvisie.

De centrale opgave voor de Zuidwestelijke Delta is duurzaam herstel van het evenwicht tussen veiligheid, economie en ecologie. Het perspectief van integrale gebiedsontwikkeling staat voorop, waarbij een betere verbinding wordt gelegd tussen water en ruimtelijke ordening. Het huidige stelsel van dijken en waterkeringen blijft ook in de toekomst de basis voor waterveiligheid in de Zuidwestelijke Delta. Voor de Oosterschelde en de Westerschelde kiest het kabinet voor het optimaliseren van de huidige veiligheidsstrategie.

verplicht

Figuur B2.2.2 Agenda voor de toekomst

In de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) zetten Vlaanderen en Nederland samen hun schouders onder het beheer van het Schelde-estuarium. De VNSC werkt vanuit een integrale aanpak, die tegelijk de veerkracht van de natuur versterkt, ons beschermt tegen overstromingen en de havens toegankelijk houdt. De Agenda voor de Toekomst duidt de noodzakelijke stappen aan om die duurzame balans op lange termijn te garanderen.

2.5 Omgevingswet (nog niet in werking)     

Door de Omgevingswet wordt het wettelijke kader voor burgers, ondernemers en overheden inzichtelijker en ontwikkeling en beheer van de leefomgeving beter beheersbaar. Onderwerpen die in de nieuwe wet worden geregeld verdwijnen uit de bestaande wetgeving, daartoe worden (delen van) bestaande wetten ingetrokken. De nieuwe wet zal daarmee een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels, wetten en regelingen op het terrein van de fysieke leefomgeving betekenen. De nieuwe wet regelt:

  • het versnellen en verbeteren van besluitvorming in het brede fysieke domein;
  • de integratie van plannen en toetsingskaders;
  • het vergroten van bestuurlijke afwegingsruimte;
  • het doelmatig uitvoeren van onderzoek.

De Omgevingswet omvat een aantal integrale instrumenten als de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de omgevingsvergunning. Hierin worden soortgelijke sectorale instrumenten geïntegreerd in één instrument. De omgevingsvisie vervangt de (gebiedsdekkende) structuurvisie voor ruimtelijke ordening, het waterplan, het milieubeleidsplan, het verkeers- en vervoerplan en de ruimtelijke aspecten van de natuurvisie uit de voorziene Wet natuurbescherming. Procedures worden al in de eerste fase geüniformeerd. Het omgevingsplan is een gebiedsdekkend plan voor de leefomgeving. Het vervangt onder meer:

  • bestemmingsplan(nen);
  • algemene plaatselijke verordening(en);
  • bomenverordening;
  • monumentenverordening;
  • reclameverordening.

Het verschil met het bestemmingsplan is dat in het omgevingsplan meer regels kunnen worden opgenomen dan enkel over de bestemming van grond; ook afspraken over natuur en milieu en bijvoorbeeld erfgoed kunnen er in. Gemeenten kunnen het plan zo 'breed' maken, als zij willen: van 'een goede ruimtelijke ordening' tot 'een goede fysieke leefomgeving'.

Op 1 juli 2015 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de Omgevingswet De Eerste Kamer heeft vervolgens op 22 maart 2016 ook met een ruime meerderheid ingestemd met de wet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet met de bijbehorende AmvB's was voorzien in 2019 maar is uitgesteld.

Bijlage 6 Sectorale aspecten     

Hoofdstuk 1 Geurhinder agrarische bedrijven     

Toetsingskader

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel (de gemeente Borsele is niet binnen een concentratiegebied gelegen).

Tabel B6.1.1: overzicht geurnormen Wgv

verplicht

Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van 100 m binnen de bebouwde kom en 50 m buiten de bebouwde kom.

Voor pelsdieren gelden afstandseisen, waarbij de minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom afhankelijk is van het aantal fokteven. De minimaal aan te houden afstand tot objecten binnen de bebouwde kom loopt op van 175 m tot 275 m. De minimaal aan te houden afstand tot objecten buiten de bebouwde kom loopt op van 100 m tot 200 m.

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

De Wgv en het Activiteitenbesluit stellen eisen aan de maximaal optredende voorgrondbelasting (als gevolg van een individuele veehouderij). Voor de achtergrondbelasting (de cumulatieve geurbelasting door de bedrijven in een bepaald gebied) gelden op grond van de Wgv geen wettelijke normen.

Het pilot-omgevingsplan

Het pilot-omgevingsplan kan gevolgen hebben voor de geurbelasting. In het planMER is ingegaan op de optredende achtergrondconcentraties, de daarmee samenhangende gezondheidseffecten en de wijze waarop hiermee kan worden omgegaan in het pilot-omgevingsplan. Uit de resultaten blijkt dat de maximale gevolgen van het pilot-omgevingsplan voor de optredende geurbelastingen beperkt blijven. De resultaten geven geen aanleiding om in het bestemmingsplan specifieke geurhindergerelateerde maatregelen vast te leggen.

Conclusie

Het pilot-omgevingsplan voldoet aan de geldende toetsingskaders.

Hoofdstuk 2 Luchtkwaliteit     

Toetsingskader

Wet milieubeheer

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer (Wm) luchtkwaliteitseisen 2007 (ook wel Wet luchtkwaliteit, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang en rond veehouderijen uitsluitend de grenswaarden voor fijn stof. De grenswaarden zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Tabel B6.2.1: grenswaarden maatgevende stoffen Wlk

verplicht

1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).

Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

Het pilot-omgevingsplan

In het planMER is ingegaan op de mogelijke gevolgen van het pilot-omgevingsplan voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarbij gaat het enerzijds om een toename van emissies als gevolg van de uitbreiding van bedrijfsactiviteiten. Anderzijds kunnen ook ontwikkelingen die leiden tot extra verkeer leiden tot een toename van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Uit het planMER blijkt dat de effecten relatief beperkt zijn en het pilot-omgevingsplan in geen geval leidt tot een overschrijding van de wettelijke grenswaarden.

Conclusie

Het pilot-omgevingsplan voldoet aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 3 Externe veiligheid     

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) bevat de wet- en regelgeving voor het transport van gevaarlijke stoffen. De concrete uitwerking is vastgelegd in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. 

Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maken bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden (het gebied waarin bij het realiseren van kwetsbare objecten rekening gehouden dient te worden met de effecten van een plasbrand) benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Buisleidingenstraat

verplicht

Figuur B6.3.1 Buisleidingenstrook uit Structuurvisie Buisleidingen

In de Structuurvisie Buisleidingen is voor de gemeente Borsele een buisleidingenstrook opgenomen waarvoor een breedte wordt gehanteerd van 50 m.

Het pilot-omgevingsplan

Binnen het plangebied en in de omgeving daarvan zijn verschillende risicobronnen aanwezig (inrichtingen, wegen, spoorwegen, buisleidingen en vervoer over water). Voor een overzicht wordt verwezen naar de paragraaf externe veiligheid in het planMER. Nieuwe Bevi-inrichtingen worden niet toegestaan.

In het pilot-omgevingsplan is vastgelegd dat geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen een PR 10-6-contour. Daarnaast dient bij ontwikkelingen binnen het invloedsgebied voor het GR een verantwoording van het GR plaats te vinden.

Conclusie

Met de voorwaarden zoals vastgelegd in het pilot-omgevingsplan is geborgd dat nieuwe ontwikkelingen passen binnen de geldende toetsingskaders voor externe veiligheid. Verdere toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.

Hoofdstuk 4 Hoogspanningsverbinding     

Toetsingskader

Rond hoogspanningsverbindingen ontstaan magnetische velden. Er is uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar wel sprake van Europees en nationaal beleid.

Voor nieuwe situaties, waaronder begrepen nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen, hanteert het Rijk het beleidsadvies op basis van het voorzorgbeginsel, zoals opgenomen in het 'Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen' (2005) en de 'Verduidelijking' van dit beleidsadvies (2008). Het beleidsadvies inzake magneetvelden is om zoveel als redelijkerwijs mogelijk te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (0-15 jaar) langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Dit beleidsadvies is van toepassing op nieuwe bovengrondse verbindingen. Op ondergrondse verbindingen, hoogspanningsstations en opstijgpunten is het beleidsadvies niet van toepassing. Het Ministerie van VROM (inmiddels Ministerie van Infrastructuur en Milieu geheten) heeft in 2005 advies uitgebracht aan gemeenten en provincies over het omgaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van bovengrondse hoogspanningsleidingen. Zij adviseert om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de 0,4 microtesla zone rond een hoogspanningslijn. Aanleiding voor dit rijksbeleid voor hoogspanningsleidingen vormen mogelijke gezondheidsrisico's bij langdurige blootstelling van kinderen aan elektromagnetische velden.

Het pilot-omgevingsplan

In het plangebied zijn bestaande boven- en ondergrondse 150 kV- en 380 kV-hoogspanningsverbindingen gelegen. Deze verbindingen hebben een (indicatieve) magneetveldzone van 80 tot 100 m aan weerszijden. De belemmeringenzones van de bovengondse hoogspanningsverbindingen bedraagt 25 tot 35 m aan weerszijden, van de ondergrondse hoogspanningsleiding bedraagt de belemmeringszone 5 m aan weerszijde van de leiding. Het pilot-omgevingsplan biedt ontwikkelingsmogelijkheden voor diverse functies binnen de indicatieve magneetveldzone van de hoogspanningsverbindingen.

In het plangebied wordt ook de aanleg verwacht van:

  • nieuwe 150 kV- en 380 kV-hoogspanningsverbindingen, in combinatie met het buiten bedrijf stellen van bestaande hoogspanningsverbindingen; het rijksinpassingsplan 'Zuid-West 380kV west' is op 4 november 2016 vastgesteld;
  • een ondergrondse hoogspanningsleiding die toekomstige windturbines op zee moet verbinden met het landelijke hoogspanningsnet; het hiervoor opgestelde inpassingsplan 'net op zee, Borssele' is op 27 juni 2016 vastgesteld.

Beide inpassingsplannen zijn in het ontwerpplan verwerkt door het opnemen van een verwijzing naar het van toepassing zijnde rijksinpassingsplan.

Conclusie

De verschillende ontwikkelingsmogelijkheden die in het pilot-omgevingsplan worden geboden zijn gekoppeld aan voorwaarden waaronder gezondheid. In de regels wordt bepaald dat ontwikkelingen waarbij kinderen langdurig worden blootgesteld aan de magneetvelden, niet voldoen aan de voorwaarden voor gezondheid.

Hoofdstuk 5 Rioolwater- en waterleidingen     

In het plangebied zijn waterleidingen en rioolwaterleidingen gelegen met een doorsnede van meer dan 400 mm.

Hoofdstuk 6 Radarverstoring en hoogtebeperkingen     

Toetsingskader

Het vliegveld Midden Zeeland is gelegen aan de Calandweg in Arnemuiden. Sinds 15 mei 2014 is voor het vliegveld de Verordening Luchthavenbesluit Midden Zeeland van toepassing. In deze verordening worden gebieden in en rond het vliegveld aangewezen als 'Luchthavengebied', 'Beperkingengebieden' en 'Aanvullend beperkingengebied'. Voor het plangebied is het deelgebied met hoogtebeperkingen (onderdeel van het Beperkingengebied) van belang. Binnen dit gebied geldt een hoogtebeperking van 45 m rondom Lewedorp, oplopend tot 100 m ten zuiden van Nieuwdorp.

verplicht

Figuur B6.6.1. Vliegveld Midden Zeeland

Het plangebied is in het radarverstoringsgebied van vliegveld Woensdrecht gelegen. Het radarverstoringsgebied legt beperkingen op aan de bouw van hoge bouwwerken zoals hoogspanningsmasten. Daarbij gaat het om bouwwerken met een hoogte van meer dan 113 m ten opzichte van NAP.

verplicht

Figuur B6.6.2 Radarverstoringsgebied vliegveld Woensdrecht

In het plangebied bevindt zich een optisch vrij veld ten behoeve van de walradarketen langs de Westerschelde. Dit optisch vrije veld begint bij de radartoren bij Baarland, en bestaat uit 2 deelgebieden: een klein gebied rond Baarland (gebied van de walradarketen) en een zone van 2 km gemeten vanaf de watergrens.

Voor het realiseren van gebouwen binnen het gebied van de walradarketen, waarbij de bebouwing boven de kruin van de dijk uitsteekt, is overleg met de beheerder van de walradarketen (Gemeenschappelijk Nautisch Beheer Scheldegebied (GNB)) verplicht. Reikt de bebouwing niet boven de dijk uit, is dit overleg niet nodig.

Daarnaast worden in een zone van 2 km breed, gemeten vanaf de watergrens, bouwplannen hoger dan de hoogte van de dijk én met een oppervlak van meer dan 500 m2 voor overleg toegezonden aan de beheerder van de walradarketen.

verplicht

Figuur B6.6.3 Walradarketen

In het plangebied bevinden zich vier optisch vrije paden ten behoeve van straalverbindingen. Deze optisch vrije paden hebben allen een breedte van 200 m. De eerste straalverbinding bevindt zich tussen Goes (Tv-toren) en Terneuzen. De overige optisch vrije paden zijn ten behoeve van de kerncentrale bij Borssele. De hoogtebeperkingen die hiermee samenhangen lopen op van 36 tot 93 m ten opzichte van NAP.

verplicht

Figuur B6.6.4 Straalverbindingen

Het pilot-omgevingsplan

De huidige in het plan aanwezige windturbines en hoogspanningsmasten zijn gedeeltelijk in gebieden gelegen waar sprake is van hoogtebeperkingen door vliegveld Midden Zeeland of de optisch vrije paden. Andere hoge bouwwerken die verstoring kunnen veroorzaken worden in het plan niet voorzien.

In het optisch vrije veld van de walradarketen kan bij bouwwerken hoger dan de dijk langs de Westerschelde sprake zijn van verstoring.

Conclusie

Het plan biedt geen mogelijkheden voor nieuwe of hogere windturbines. Voor wat betreft de hoogspanningsverbindingen zal bij de bouwbepalingen worden verwezen naar de verschillende hoogtebeperkingen waarmee rekening moet worden gehouden.

In het gebied van de walradarketen zal een hoogtebeperking worden opgenomen.

Hoofdstuk 7 Geluidshinder     

Toetsingskader

Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging.

Ook langs spoorwegen en rond/op industrie- en bedrijventerreinen waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken zijn geluidszones gelegen.

Het pilot-omgevingsplan

Binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn verschillende geluidbronnen gelegen, waaronder gezoneerde wegen en het gezoneerde industrieterreinen Sloegebied en het aangrenzende terrein van DOW/MPV in Terneuzen. In de toekomst worden mogelijk nieuwe geluidsgevoelige functies gerealiseerd, zoals bedrijfswoningen. Het pilot-omgevingsplan zal geen rechtstreekse bouwmogelijkheden voor de nieuwbouw van woningen bieden waardoor een akoestisch onderzoek achterwege kan blijven. Ten behoeve van de ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuw- en/of herbouw van woningen wordt, omdat de plaats en de situering niet bekend is en omdat de geluidsbelasting in de loop der jaren kan wijzigen, een oplossing gezocht in een bepaling die een koppeling legt tussen het pilot-omgevingsplan en de wettelijk toelaatbare geluidsbelasting.

Conclusie

In het pilot-omgevingsplan is vastgelegd dat voor nieuwe geluidsgevoelige objecten of de wijziging/uitbreiding van bestaande geluidsgevoelige objecten dient te worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of de vast te stellen hogere waarde. Toetsing (en vaststelling van eventuele hogere waarden) vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief.

Hoofdstuk 8 Ecologie     

Toetsingskader

Wet natuurbescherming (Wnb)

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zeeland

In de provincie Zeeland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en het voor op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Het pilot-omgevingsplan

Natura 2000

Binnen en in de (wijde) omgeving van het plangebied is een aantal Natura 2000-gebieden gelegen. Het betreft binnen het plangebied het gebied Westerschelde & Saeftinghe en daarbuiten de gebieden Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde, Veerse Meer en Manteling van Walcheren. Er bevinden zich buiten de Natura 2000-gebieden geen beschermde natuurmonumenten. De gebieden Westerschelde & Saeftinghe, Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde en Manteling van Walcheren zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De Westerschelde & Saeftinghe, Yerseke & Kapelse Moer, Oosterschelde en Veerse Meer zijn ook gevoelig voor verstoring.

In het planMER is een passende beoordeling opgenomen vanwege de mogelijke effecten op Natura 2000 door de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen (stikstofdepositie). In Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten is uitgewerkt op welke wijze in het pilot-omgevingsplan wordt omgegaan met de resultaten van de passende beoordeling.

Nationaal Natuurnetwerk

Verspreid door het buitengebied van Borsele liggen gebieden die deel uitmaken van het NNN. In het plangebied komen vooral veel dijkbeplantingen voor die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Ook de delen van het plangebied die deel uitmaken van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe zijn onderdeel van het NNZ. Daarnaast maken enkele verspreid liggende gebieden ook deel uit van het NNZ, zoals het Ganzenreservaat Sinoutskerke, de Zwaakse weel, Heggengebied Nisse en het Poelbos. De Kaloot is ook aangewezen als WAV-gebied (Wet Ammoniak en Veehouderij). In het plangebied zijn in de VrpZ ook enkele gebieden aangewezen als agrarisch gebied van ecologische betekenis (zie figuur 4.4), deze gebieden maken deel uit van het NNZ.

Een deel van de natuurgebieden is gevoelig voor veranderingen in het grondwater. In het Omgevingsplan Zeeland is aangegeven dat ten opzichte van natuurgebieden rekening moet worden gehouden met een afwegings(buffer)zone van 100 m. Als aangetoond wordt dat geen schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid of de natuur zullen optreden, kan een kleinere afstand toelaatbaar zijn. Evenals binnen Natura 2000 kan ook binnen het NNN een toename van stikstofdepositie leiden tot negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. De maatregelen die worden getroffen om significante negatieve effecten binnen Natura 2000 uit te sluiten (zie hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten) hebben tot gevolg dat ook binnen het NNN geen grote toename van depositie zal optreden.

Flora en fauna

In het planMER is (op basis van een bureaustudie) inzicht gegeven in de beschermde soorten binnen het plangebied. Uit de effectbeschrijving blijkt dat het pilot-omgevingsplan zonder het treffen van maatregelen gevolgen kan hebben voor beschermde soorten. De aantasting van individuen is niet uit te sluiten, maar effecten op populatieniveau kunnen echter wel worden uitgesloten. Over het algemeen zijn goede mitigerende maatregelen te treffen. De kans dat de Wnb een belemmering zal vormen voor de uitvoering van het pilot-omgevingsplan is daardoor zeer gering. In het pilot-omgevingsplan is in de verschillende flexibiliteitsbepalingen een toets van de effecten op natuurwaarden opgenomen.

Conclusie

In het pilot-omgevingsplan is geborgd dat geen sprake zal zijn van negatieve effecten op natuurwaarden.

Hoofdstuk 9 Bodem     

Toetsingskader

Bij functieveranderingen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bestaande bodemkwaliteit niet verslechtert. Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, dient deze direct te worden opgeruimd. Bij bestaande mobiele verontreinigingen die voor 1987 ontstaan zijn (zogenaamde erfenisgevallen), zal bij de sanering ook naar de kosteneffectiviteit worden gekeken. Uitgangspunt voor verontreinigingen die zich in het grondwater manifesteren is dat deze beheersbaar zijn en blijven.

Het pilot-omgevingsplan

In de regels voor functieveranderingen is waar relevant als voorwaarde opgenomen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Toetsing vindt plaats op het moment dat sprake is van een concreet initiatief. Als de onderzoeksresultaten daar aanleiding toe geven, zullen eventueel aanwezige verontreinigingen moeten worden gesaneerd.

Conclusie

In de regels van het pilot-omgevingsplan is geborgd dat bij functieveranderingen de kwaliteit van de bodem voldoende is voor het beoogde gebruik.

Hoofdstuk 10 Water     

Toetsingskader

Diverse beleidsdocumenten op verschillende bestuursniveaus liggen ten grondslag aan de uitgangspunten op het gebied van duurzaam waterbeheer:

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW);
  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet;
  • Deltaprogramma.

De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en uitvoeringsplannen. Wettelijke verankering van het waterbeleid vindt plaats in de Waterwet en onderliggende uitvoeringsregels. De regels die zijn vastgelegd in een verordening van de waterschappen, worden 'de Keur' genoemd. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben. De Waterwet kent één watervergunning, de voormalige Keurvergunning is hierin opgenomen.

De watertoets is een proces waarmee in ruimtelijke plannen de mogelijke risico's (zoals waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verdroging en verzilting van grond- en oppervlaktewater) en kansen van water vroegtijdig in beeld worden gebracht in overleg met de waterbeheerders. In het kader van het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 vindt afstemming plaats met de waterbeheerders, in dit geval het Waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer van regionale wateren.

In het Deltaprogramma heeft het rijk aangegeven dat de leefomgeving adaptief dient te worden gemaakt voor klimaatverandering. Klimaatadaptatie zal daartoe vanzelfsprekend als aandachtspunt moeten worden mee genomen bij nieuwe ontwikkelingen en herstructurering in het buitengebied. Uitgangspunt is dat de leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht.

Het pilot-omgevingsplan

Watersysteem

Binnen het plangebied komen meerdere grondwatertrappen voor. De grondwatertrap VI komt in het grootste deel van het plangebied voor. Dit houdt in dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,4 en 0,8 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand op meer dan 1,2 m beneden het maaiveld is gelegen. Verder komen ook de grondwatertrappen II, III, IIIb, VI, VIb en VII voor.

In het plangebied is over het algemeen geen sprake van zoute kwel. Bij de inlagen in het zuidwestelijk gedeelte van het plangebied is lokaal wel sterke, veelal matige tot afnemend geringe kwel aanwezig tot circa 1000 m landinwaarts. Aan de zuidoostkust zijn bandstroken zoute kwel aanwezig, met name in de zware schorgronden en de oude kreekbeddingen. De zoute kwel is hier tot circa 2.200 m landinwaarts aanwezig.

In het kreekruggen- en kreekopvullingensysteem rondom de Poel komt een zoetwaterbel voor. Overmatige grondwateronttrekking in dit gebied heeft een sterke stijging van het zich onder de zoetwaterbel bevindende zoute grondwater tot gevolg. In dit gebied is het beleid er dan ook op gericht om een gelijkblijvende omvang van de zoetwaterbel te behouden en het beperken van de vermenging van zoet water met zout water.

Waterlopen

Binnen het plangebied komen verschillende waterafvoergebieden voor, te weten de Poel, Maelstede, Van Borsele, Groenewege, Hellewoud, Baarland en Coudorpe. Deze gebieden wateren bijna allemaal af op de Westerschelde. Het afvoergebied Baarland watert af op het gebied Hellewoud en Maelstede ontvangt het water van de Poel.

Het plangebied wordt doorkruist door meerder primaire watergangen. Daarnaast komen ook talrijke andere oppervlaktewateren voor. Tevens komen op diverse plaatsen welen voor, zoals de welen aan de Brilletjesdijk, de polder 't Vlaandertje en de Westeindse weel. Een weel is een voormalig kolkgat, dat is ontstaan bij een dijkdoorbraak of een dijkval. Naast deze welen komen er in het plangebied ook voormalige kreken en kreekrestanten voor. Dit zijn langgerekte wateren, omzoomd door rietkragen en/of drassige oeverlanden en laaggelegen graslanden.

Waterveiligheid

De kust langs de Westerschelde wordt volledig begrensd door een primaire waterkering. Binnen het plangebied zijn verder nog verschillende regionale keringen gelegen. Rondom deze keringen is sprake van een beschermingszone waarbinnen beperkingen gelden voor bouwen. Delen van het plangebied zijn binnen deze zones gelegen.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is grotendeels aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel.

In het gemeentelijk waterplan is aangegeven dat 878 panden zijn aangesloten op drukriolering en 679 panden niet zijn aangesloten op de riolering.

Watertoetstabel zoals door het waterschap aangereikt

In het pilot-omgevingsplan zijn bepaalde voorwaarden opgenomen met betrekking tot het aspect water, waaronder 'de ontwikkeling vindt hydrologisch neutraal plaats' en 'de waterkwaliteit wordt niet nadelig beïnvloed'. In het kader van het pilot-omgevingsplan is de Watertoetstabel doorlopen zoals deze gehanteerd wordt door het Waterschap Scheldestromen. Deze Watertoetstabel is hieronder weergegeven:

Tabel B6.10.1: watertoets

verplicht

verplicht

Conclusie

In de regels van het pilot-omgevingsplan is geborgd dat bij functieveranderingen getoetst wordt op wateraspecten. Ook de bescherming tegen het water is in het pilot-omgevingsplan verwerkt.

Hoofdstuk 11 Archeologie     

Toetsingskader

De gemeente Borsele heeft eigen archeologiebeleid geformuleerd en op 11 oktober 2011 vastgesteld in de Beleidskaart en Beleidsnota Borsele.

In het archeologiebeleid zijn verwachtingskaarten gemaakt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Hierin worden 4 verschillende archeologische niveaus onderscheiden:

  • laag 1: Walcheren;
  • laag 2: Hollandveen;
  • laag 3: Wormer;
  • laag 4: Pleistoceen.

Uit de onderzoeken is gebleken dat de verwachtingskaart laag 1 Walcheren voor Borsele het meest relevant is. De verwachtingen uit de lagen 2, 3 en 4 komen ook weer terug in laag 1.

verplicht

verplicht

Figuur B6.10.1 Huidig archeologiebeleid

De archeologische verwachtingen zijn onderverdeeld in de volgende beleidscategorieën:

  • categorie 1: archeologische rijksmonumenten met een wettelijk beschermde status; in de gemeente Borsele is sprake van 7 archeologische rijksmonumenten;
  • categorie 2: terrein van archeologische verwachtingswaarde = AMK-terreinen;
  • categorie 3: stads- en dorpskernen met een archeologische verwachtingswaarde en nieuwe vindplaatsen;
  • categorie 4: hoge archeologische verwachtingswaarde;
  • categorie 5: gematigde archeologische verwachtingswaarde;
  • categorie 6: lage archeologische verwachtingswaarde;
  • categorie 7: waterbodem met verwachte maritiem archeologische verwachtingswaarde;
  • categorie 8: geen archeologische verwachtingswaarde; geen verder onderzoek nodig.

Het pilot-omgevingsplan

In het plangebied van dit pilot-omgevingsplan komen alle categorieën voor, inclusief buitendijks gelegen gebieden uit de categorie 7 en gebieden zonder een archeologische verwachtingswaarde (categorie 8).

Voor de archeologische rijksmonumenten is geen gemeentelijk beleid geformuleerd (rijksoverheid is immers bevoegd gezag).

Als uitgangspunt voor beleid voor de categorieën 2 tot en met 6 geldt dat, ongeacht het te verstoren oppervlak, geen vooronderzoek hoeft plaats te vinden als de dieptemaat van 40 cm bij bodemverstorende activiteiten niet wordt overschreden. Het verbod geldt evenmin indien een rapport is overgelegd waaruit blijkt dat aanwezige archeologische waarden in voldoende mate kunnen worden veiliggesteld of dat deze niet onevenredig worden geschaad dan wel dat in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Voor de gronden gelegen in categorie 7, waterbodems, geldt specifiek beleid. Het aantreffen van archeologische waarden in deze zone dient gemeld te worden waarna in overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, een vervolgtraject zal worden bepaald.

De gronden in categorie 8 behoeven geen archeologische bescherming.

Sinds de vaststelling van het archeologiebeleid zijn al diverse archeologisch onderzoeken gedaan en in een aantal gevallen heeft dit geleid tot de conclusie dat er geen sprake is van archeologische verwachtingswaarden.

Conclusie

De gemeentelijke Archeologische waardenkaart is vertaald in het pilot-omgevingsplan. Daarmee is geborgd dat geen aantasting van archeologische waarden plaatsvindt.

Bijlage 12 Beeldkwaliteitsbeleid Buitengebied Borsele     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Inzicht in het toetsingskader beeldkwaliteit     

In de Woningwet (Ww) is vastgelegd dat een bestaand of nieuw te bouwen bouwwerk moet voldoen aan redelijke eisen van welstand, tenzij anders door de gemeenteraad is bepaald. Gemeenten die beeldkwaliteitstoezicht (welstandstoezicht) willen voeren, dienen te zorgen dat de wijze waarop dit toezicht plaatsvindt helder en transparant is. Zij dienen aan de aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een zo concreet en objectief mogelijk toetsingskader aan te bieden. Hierdoor krijgt de aanvrager reeds vooraf inzicht in de beeldkwaliteitsregels waaraan zijn/haar bouwplan wordt getoetst. Daarnaast kan op grond van het toetsingskader worden bepaald of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand en een handhavingstraject worden ingezet.

Vanaf 2006 heeft de gemeente Borsele haar toetsingskader voor beeldkwaliteit vastgelegd in een zogenaamde welstands-/beeldkwaliteitsnota. In het kader van het pilot-omgevingsplan voor het buitengebied is besloten het toetsingskader, voor zover deze betrekking heeft op (nieuw te bouwen) bouwwerken in het buitengebied, te actualiseren en op te nemen in dit voorliggende plan. De 'regels voor een goede beeldkwaliteit' die zijn opgenomen in hoofdstuk 6 van het pilot-omgevingsplan dienen te worden beschouwd als criteria zoals genoemd in artikel 12a van de Woningwet. Hierbij wordt opgemerkt dat de wijze van beeldkwaliteitstoetsing hetzelfde blijft als voorheen. Daarnaast blijft de Beeldkwaliteitsnota Borsele (inwerkingtredingsdatum: 21 februari 2013) wat betreft het toetsingskader voor de kernen en het algemene beleid in stand.

1.2 Belang van beeldkwaliteitsbeleid     

De beeldkwaliteitsregels zijn opgesteld vanuit de overtuiging dat de gemeente het belang van een aantrekkelijke (gebouwde) omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen, tezamen met de inrichting van de tuinen, erven en de open(bare) ruimte, de dagelijkse leefomgeving van iedereen die in Borsele woont en/of werkt. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van het bouwwerk alleen, elke voorbijganger en nog sterker de buren (!) worden ermee geconfronteerd, of zij nu willen of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van een onroerende zaak en versterkt het vestigingsklimaat. Uit onderzoek en de rapportages van professor Thissen blijkt dat de beeldkwaliteit van de openbare ruimten en de bebouwing in sterke mate bijdraagt aan de keuze waar mensen willen wonen en werken. Dit geldt zeker bij teruglopende voorzieningen zoals scholen, winkels enzovoort en een ruime keuze aan waar men kan wonen. Het doel van het beeldkwaliteitsbeleid is, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de dagelijkse leefomgeving, de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de gemeente Borsele.

1.3 Opbouw bijlage beeldkwaliteitsbeleid     

In deze bijlage bij de toelichting van het pilot-omgevingsplan wordt achtergrondinformatie gegeven met betrekking tot het beeldkwaliteitsbeleid. In hoofdstuk 3 worden de kenmerken van de verschillende typen bebouwing, die aanwezig/toelaatbaar zijn in het buitengebied, nader beschreven. De beeldkwaliteitsregels, die in het pilot-omgevingsplan zijn opgenomen, zijn afgestemd op de aard en architectonische kenmerken van deze verschillende typen bebouwing. Daarnaast zijn er in het pilot-omgevingsplan nog 'overige regels' met betrekking tot beeldkwaliteit opgenomen. Deze regels omvatten een zogenaamde hardheidsclausule (algemene regels waar in bijzondere situaties op terug kan worden gegrepen), de verplichting voor burgemeester en wethouders om advies in te winnen bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit/monumentencommissie en een excessenregeling (die het mogelijk maakt om op te treden tegen welstandsexcessen). In hoofdstuk 4 worden deze 'overige regels' toegelicht. Eerst wordt in hoofdstuk 2 echter ingegaan op de procedure van beeldkwaliteitstoetsing.

Hoofdstuk 2 Procedure beeldkwaliteitstoetsing     

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de procedure van beeldkwaliteitstoetsing. Onder meer wordt ingegaan op vragen als “Hoe wordt een bouwplan getoetst?”, “Welke informatie moet voor de beeldkwaliteitstoetsing worden aangeleverd?”, “Welk soort adviezen worden uitgebracht door de dorpsbouwmeester/monumentencommissie?”, “Is het indienen van bezwaar tegen een advies mogelijk?”, etc.

2.1 Wijze van beeldkwaliteitstoetsing     

Inleiding

Of en op welke wijze de beeldkwaliteitstoetsing plaatsvindt is afhankelijk van:

  • het type bouwwerk, zoals benoemd in het bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gestelde;
  • het feit of het een monument of een beschermd dorpsgezicht betreft;
  • het feit of het een recreatiewoning of tijdelijk bouwwerk betreft;
  • het feit of het een woning/woongebouw of een overig bouwwerk betreft;
  • de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in dit omgevingsplan.

Type bouwwerk

Artikel 2.10 van de Wabo omvat de toetsingsgronden (imperatieve weigeringsgronden) voor een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen. Uitgangspunt van de Wabo is dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen. Echter, met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht (Bor) worden tegelijkertijd vele soorten vergunningvrije bouwwerken mogelijk gemaakt. In de Wabo is namelijk geregeld dat bij Algemene maatregel van bestuur (Amvb) kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen (bouw)activiteiten in daarbij aangegeven categorieën van gevallen, geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist. Deze Amvb is het Bor. In artikel 2.3 Bor, gelezen in samenhang met artikel 2 en 3 bijlage II Bor, is bepaald voor welke bouwwerken geen omgevingsvergunningplicht geldt. Deze bouwwerken worden niet getoetst aan de geldende beeldkwaliteitsregels. Alle overige bouwwerken zijn omgevingsvergunningpichtig en worden wel vooraf getoetst aan de beeldkwaliteitsregels.

Voor de vergunningsvrije bouwwerken geldt wel dat deze niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met de beeldkwaliteitsregels. In dat geval kan sprake zijn van een exces. Tegen excessen kan handhavend worden opgetreden.

Gedetailleerdheid beeldkwaliteitsregels

Voor elk adres binnen het buitengebied zijn, op basis van de bestaande ruimtelijke en architectonische kwaliteit, de regels voor een goede beeldkwaliteit vastgelegd. Hoe waardevoller het bebouwingsbeeld is, hoe gedetailleerder de regels zijn.

2.2 Indienen van het plan     

Informatie aan de aanvrager en ontwerper

Bij de indiening van een plan zal informatie verschaft worden over de tijd en plaats waarop het plan, indien dit voldoet aan de indieningsvereisten en het omgevingsplan, voorgelegd zal worden aan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie. Als de aanvrager niet bekend is met de regels en het beoordelingskader voor zijn bouwplan dan zal hij daarvan in kennis worden gesteld.

Vooroverleg

Voordat een officiële omgevingsaanvraag wordt ingediend is het raadzaam om eerst het zogenaamde vooroverleg op te starten. In dit overleg wordt het bouwplan getoetst aan het omgevingsplan. Voldoet het bouwplan hieraan dan wordt het plan voorgelegd aan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie. De praktijk wijst uit dat de wettelijke termijnen om te komen tot vergunningverlening na het indienen van een officiële aanvraag vaak onvoldoende lang zijn om bouwplannen aan te passen indien zij bijvoorbeeld niet voldoen aan de regels voor een goede beeldkwaliteit. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan door burgers langs elektronische weg (digitaal) worden ingediend, voor bedrijven is dit vanaf oktober 2012 verplicht. Het bevoegd gezag is verplicht de digitale aanvraag in ontvangst te nemen. Bij digitale aanvragen moeten alle gegevens langs elektronische weg worden ingediend. Het bevoegd gezag en de aanvrager kunnen hierover andere afspraken maken, bijvoorbeeld vanwege de indiening van een omvangrijk pakket (aanvullende) gegevens.

Indieningsvereisten

Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gelden landelijke, uniforme indieningsvereisten voor gegevens en bescheiden die het bevoegd gezag denkt nodig te hebben. Deze vereisten zijn neergelegd in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Bij het indienen van een bouwplan (al dan niet) in het kader van het vooroverleg dient de aanvrager de volgende zaken aan te leveren:

  • situatietekening inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000);
  • plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100) van de nieuwe situatie en, in geval van een verbouwingsplan, de bestaande situatie;
  • foto's van de bestaande situatie en de omgeving;
  • tekeningen van principedetails (1:10) die verband houden met het uiterlijk van het bouwwerk;
  • een kleurenschema;
  • een materiaallijst.

Mede aan de hand van bovengenoemde indieningsvereisten toetst de dorpsbouwmeester/monumentencommissie aan de regels voor een goede beeldkwaliteit in dit omgevingsplan of wordt voldaan aan redelijke eisen van beeldkwaliteit. Op basis hiervan kan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie tot een afgewogen beeldkwaliteitsadvies komen.

Aanvraag omgevingsvergunning

Wanneer het plan een monument betreft zijn zwaardere indieningsvereisten van toepassing. Voor de beoordeling dient in dat geval ook de redengevende beschrijving van het monument, een bestek/werkomschrijving, fotomateriaal en een bouwkundig onderzoek, een bouwhistorisch onderzoek en een aanvraag omgevingsvergunning monument bij de behandeling van het plan beschikbaar te zijn. Activiteiten met betrekking tot monumenten kunnen in dit verband zijn: slopen, verstoren, verplaatsen, wijzigen door bouwactiviteit of aanlegactiviteit. Voor deze en andere activiteiten met betrekking tot monumenten gelden (aanvullende) indieningsvereisten, zoals aangegeven bij die activiteiten in de Mor.

Bij grote projecten kan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie vragen een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving aan te leveren, om zo de schaal en massa te beoordelen.

Indien een bouwplan voldoet aan het omgevingsplan, waaronder de regels voor een goede beeldkwaliteit, dan kan het bouwplan gecompleteerd worden met de technische indieningsvereisten en kan de officiële aanvraag omgevingsvergunning worden ingediend. Hiermee wordt voorkomen dat technische berekeningen en tekeningen als gevolg van aanpassingen van het bouwplan door omgevingsplanbepalingen, waaronder de beeldkwaliteitsregels, moet worden aangepast.

Architectenspreekuur

Bouwplannen die uit oogpunt van beeldkwaliteit (in beperkte mate) aanpassing behoeven, kunnen door de dorpsbouwmeester/monumentencommissie worden doorverwezen naar het architectenspreekuur. Op dit 'spreekuur' wordt door een architect en een ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling advies en informatie over een mogelijke aanpassing van het bouwplan verstrekt.

2.3 Procedure     

Beoordeling op volledigheid

Wanneer de aanvraag voor een vergunning door burgemeester en wethouders is ontvangen zal eerst worden beoordeeld of deze volledig is. Als niet alle vereiste tekeningen en gegevens aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid stellen om alsnog de ontbrekende gegevens te overleggen. Dit binnen de hiervoor gestelde termijn. Indien geen gehoor wordt gegeven aan het verzoek tot aanvulling van de gegevens kunnen burgemeester en wethouders beslissen om de aanvraag niet in behandeling te nemen.

Procedure met betrekking tot vergunningvrije bouwwerken

Een vergunningvrij bouwwerk wordt vooraf niet aan beeldkwaliteitseisen getoetst. In strikte zin is er dus geen sprake van een te volgen procedure. Het kan echter raadzaam zijn toch, door middel van een bezoek aan de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling van de gemeente, overleg te voeren om misverstanden vroegtijdig uit de weg te ruimen.

Procedure met betrekking tot een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk (regulier)

De beeldkwaliteitstoetsing voor omgevingsvergunningsplichtige bouwwerken geschiedt op basis van de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in dit omgevingsplan. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan eenmaal met maximaal 6 weken worden verlengd. Dit dient tijdig aan aanvrager te worden gemeld. Overschrijding van de beslistermijn is fataal, de omgevingsvergunning wordt dan geacht van rechtswege te zijn verleend.

2.4 Openbaarheid     

Belangstellenden kunnen de vergadering van de dorpsbouwmeester/monumentencommissie bijwonen. Zij hoeven daarvoor geen afspraak te maken. Belangstellenden hebben geen spreekrecht. De dorpsbouwmeester/monumentencommissie wordt immers gevraagd om een onafhankelijk en deskundig advies aan burgemeester en wethouders, binnen het democratisch vastgestelde kader van de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in dit omgevingsplan. In zeer bijzondere situaties kunnen burgemeester en wethouders de dorpsbouwmeester/monumentencommissie vragen om belangstellenden te horen, voorafgaand aan de planbeoordeling.

De vergaderingen van de dorpsbouwmeester/monumentencommissie (beraadslagingen en beoordelingen) zijn openbaar, tenzij op verzoek van de aanvrager en de gemeente hiervan om een of meer redenen die in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) staan vermeld, moet worden afgeweken.

Belanghebbenden (aanvrager en ontwerper) kunnen op verzoek in de gelegenheid worden gesteld zowel bij de gemandateerd ambtenaar als bij de dorpsbouwmeester/monumentencommissie een toelichting te geven op hun plan of een toelichting te verkrijgen op het advies. Zij kunnen hiertoe een afspraak maken via de ambtelijk secretaris.

Indien sprake is van vooroverleg/preadvies wordt door middel van een zogenoemd formulier beeldkwaliteitsadvies verslag gemaakt. Het preadvies wordt via het formulier beeldkwaliteitsadvies aan het college ter kennisname gebracht. In het kader van de openbaarheid kunnen burgemeester en wethouders dit verslag voor betrokkenen beschikbaar stellen.

2.5 Advies     

Het advies van de dorpsbouwmeester/monumentencommissie aan het college van burgemeester en wethouders wordt altijd schriftelijk uitgebracht. Het geeft aan of (a) "het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van beeldkwaliteit” of (b) “het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van beeldkwaliteit” (zie Ww artikel 12a lid 1). Een en ander wordt beoordeeld aan de hand van de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in dit omgevingsplan. Alle adviezen, behoudens het positieve advies, worden schriftelijk gemotiveerd. De positieve adviezen worden op verzoek van het college gemotiveerd of indien daar vanuit andere overwegingen aanleiding toe is. Een behandeling van een plan bij de dorpsbouwmeester of de commissie kan de volgende uitkomsten hebben.

Gunstig (Niet strijdig)

De dorpsbouwmeester/monumentencommissie adviseert positief aan burgemeester en wethouders omdat het plan volgens de van toepassing zijnde beeldkwaliteitsregels voldoen aan (niet strijdig is met) redelijke eisen van beeldkwaliteit. Desgewenst motiveert de dorpsbouwmeester/monumentencommissie haar advies schriftelijk. Eventueel geeft de dorpsbouwmeester/monumentencommissie nog suggesties om het plan te verbeteren. Formeel gezien is het bouwplan dan echter akkoord.

Gunstig onder voorwaarden (Niet strijdig, mits)

De dorpsbouwmeester/monumentencommissie adviseert gunstig onder voorwaarden (niet strijdig met een mits) aan burgemeester en wethouders, omdat het plan volgens de van kracht zijnde beeldkwaliteitsregels niet strijdig is met redelijke eisen van beeldkwaliteit, maar uit oogpunt van beeldkwaliteit ontbreekt nog een bepaald onderdeel. Formeel gezien is het bouwplan daarmee niet strijdig, met andere woorden het voldoet. Het gebruik van onder voorwaarden (mits) wordt in de praktijk in enkele gevallen gehanteerd om aanvullende bemonstering in een later stadium af te spreken of een nadere detailtekening aan te leveren. Onder voorwaarden (mits) is bedoeld om de planprocedures niet onnodig op te houden en kan niet worden opgenomen als voorwaarde in de omgevingsvergunning. Het advies gunstig onder voorwaarden (Niet strijdig, mits) wordt slechts toegepast als de aanwijzingen ook later in een handhavingssituatie (als de aanwijzingen niet zijn opgevolgd) kunnen worden aangebracht (bijvoorbeeld de kleur; de grootte van een dakkapel zijn in een handhavingssituatie niet eenvoudig te wijzigen).

Ongunstig (Strijdig)

De dorpsbouwmeester/monumentencommissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van beeldkwaliteit. Een negatief beeldkwaliteitsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de dorpsbouwmeester/commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde beeldkwaliteitscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.

Ongunstig, tenzij (Strijdig, tenzij)

De dorpsbouwmeester/monumentencommissie is van oordeel dat het bouwplan op hoofdlijnen in principe voldoet, maar dat het op onderdelen deels moet worden herzien dan wel bijgesteld, waardoor het strijdig is met redelijke eisen van beeldkwaliteit. De strijdigheid is beperkt en is in goed overleg met de aanvrager vastgesteld. De strijdigheid wordt nauwkeurig geformuleerd.

Aanhouden

Binnen de wettelijke beslistermijnen kan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie het beeldkwaliteitsadvies aanhouden, indien meer informatie of een toelichting van de ontwerper wenselijk is. De aangestelde ambtenaar is verantwoordelijk voor het aanleveren van de gevraagde gegevens of het maken van afspraken.

Niet te beoordelen

Als een bouwplan aan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie wordt voorgelegd, waarvan het tekenwerk onvoldoende bouwkundig is uitgewerkt en/of niet op schaal is getekend en/of het tekenwerk niet overeenkomt met de daadwerkelijke toestand en/of niet of onvoldoende inzicht wordt gegeven in de toe te passen kleuren, materialen en detailleringen, kan als advies worden uitgebracht dat het plan niet te beoordelen is.

Aanvullend advies

Als er na advisering een gesprek met de dorpsbouwmeester/monumentencommissie volgt dan wordt het verslag van dit gesprek als aanvulling op het eerdere advies gegeven. Een aanvullend advies zal ook gegeven worden als het college om een nadere motivering of schriftelijke toelichting op het eerdere advies verzoekt.

2.6 Indienen van bezwaar     

Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit, na advies van de Commissie Bezwaarschriften. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen twaalf weken na het aflopen van de bezwarentermijn, nemen burgemeester en wethouders daarna een beslissing op het bezwaar. De belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep gaan. De afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling kan informatie over de procedure geven.

Als een bezwaar te maken heeft met het beeldkwaliteitsoordeel richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de dorpsbouwmeester/monumentencommissie. Dat is immers een advies aan en ten behoeve van burgemeester en wethouders. De dorpsbouwmeester/monumentencommissie kent geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Uiteraard kunnen de ontwerper en eventueel de planindiener de dorpsbouwmeester/monumentencommissie een toelichting op een uitgebracht advies vragen. Na hoor en wederhoor kan de dorpsbouwmeester/monumentencommissie als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. De Federatie Beeldkwaliteit beschikt over een beroepscommissie voor procedurele en juridische zaken.

2.7 Handhaving     

De gemeente geeft met de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in dit omgevingsplan, impliciet regels voor het beeldkwaliteitstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. In de Beleidsnota toezicht en handhaving ruimtelijke regelgeving is het gemeentelijk beleid, waaronder een prioriteitstelling voor handhaving neergelegd.

Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen omgevingsvergunning voor bouwen is aangevraagd, dan wel het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop die vergunning is afgegeven, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze vergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld wegens een negatief beeldkwaliteitsadvies, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen. Burgemeester en wethouders kunnen dan degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is, aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen.

Ook voor bouwwerken waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd kan, indien sprake is van ernstige mate van strijdigheid met redelijke eisen van welstand, tot aanschrijving worden besloten. In dit verband wordt verwezen naar de excessenregeling in paragraaf 4.3.

Hoofdstuk 3 Beschrijving beeldkwaliteit bebouwing     

De beeldkwaliteitsregels die in dit omgevingsplan zijn opgenomen, zijn afgestemd op de aard en architectonische kenmerken (typologie) van de bebouwing. In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de verschillende typen bebouwing als achtergrondinformatie nader beschreven.

3.1 Kenmerken van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder, een kleinschalige polder of de Poel     

De kenmerken van deze bebouwing zijn veelal bepaald door de bouwperiode waarin deze zijn gerealiseerd. Voor de woningen en schuren die tot deze bedrijfsbebouwing behoren kunnen specifieke kenmerken benoemd zijn in de typologie-beschrijving.

Het woongedeelte (woning) en het bedrijfsgedeelte (hoofdschuur) zijn in elkaars directe omgeving op het perceel gebouwd. Qua positie staan de woning en de hoofdschuur meestal verschillend ten opzichte van elkaar maar zijn de nokrichtingen evenwijdig. En derhalve zijn ook de dakvoet- en gootrichtingen gelijk. Over het algemeen zijn de daken uitgevoerd als zadeldaken waarbij de nokhoogte van de hoofdschuur hoger is dan de nokhoogte van de woning. De dakbedekking van de hoofdschuur kan verschillend zijn uitgevoerd. Dit kan zijn in een rietbedekking, keramische dakpannen of golfplaten (staal- of cementgebonden). In de laatstgenoemde afwerking zijn vaak lichtstraten toegepast. De dakhellingen zijn verschillend en zijn afhankelijk van de beukbreedte van de schuur.

In de grootschalige polders zijn de schuren vaak groter qua lengte en qua overspanningsmaat dan die in de kleinschalige polders en de Poel. De woningen zijn meestal afgedekt met keramische dakpannen. De woningen zijn uitgevoerd in baksteen.

De schuren kennen meerdere afwerkingen zoals potdekselwerk, metselwerk of staalplaatprofiel platen (horizontaal of verticaal verwerkt).

De wijze van rand- en erfbeplanting levert een sterke bijdrage aan de uitstraling van deze complexen.

3.2 Kenmerken van (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder, een kleinschalige polder of de Poel     

De kenmerken van deze bebouwing zijn veelal bepaald door de bouwperiode waarin deze zijn gerealiseerd.

Qua locatie op het erf is er meestal een relatie tot de openbare weg en de erfindeling. De plattegrond is meestal rechthoekig. Over het algemeen worden de daken uitgevoerd als zadeldak. De dakbedekking kan per bedrijfsloods verschillend zijn uitgevoerd. Toegepast worden keramische dakpannen, golfplaten (staal- of cementgebonden) of dakpanprofielplaten. In de twee laatstgenoemde afwerkingen zijn vaak lichtstraten toegepast. De dakhellingen zijn verschillend en zijn afhankelijk van de beukbreedte van de loods.

In de grootschalige polders zijn de bedrijfsloodsen vaak groter dan die in de kleinschalige polders en de Poel. De wanden kennen meerdere afwerkingen zoals potdekselwerk, metselwerk of staalplaatprofiel platen (horizontaal of verticaal verwerkt).

De rand- en erfbeplanting is minimaal en beperkt tot enkele solitaire bomen of struiken.

3.3 Kenmerken voor de nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing     

Het omgevingsplan staat, onder voorwaarden, nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf toe. Voor de nieuwvestiging gelden regels voor een goede beeldkwaliteit. Het gaat daarbij zowel om regels voor de bedrijfsbebouwing als voor de woning. De te realiseren bouwwerken dienen, zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik, een samenhangend geheel te vormen. De nieuw op te richten bedrijfswoning dient óf de kenmerken van een boerenhofstedewoning te krijgen óf van een woning in een hedendaagse architectuurstijl.

3.4 Kenmerken van een woning (geen uitgesproken typologie)     

Sommige woningen zijn dusdanig verbouwd dat zij niet meer getypeerd kunnen worden als een woning met een uitgesproken typologie, zoals bijvoorbeeld een boerenbedoeninkje of Zeeuwse arbeiderswoning. Vaak is de oorspronkelijke bouwvorm overigens nog wel te herleiden. Mocht er vervangende nieuwbouw plaatsvinden dan dient een woning in een uitgesproken typologie, gelijk aan die van de oorspronkelijke bouwvorm, te worden teruggebouwd. Ook is mogelijk om, in plaats van de oorspronkelijke typologie, een woning in een hedendaagse architectuurstijl te bouwen.

Voor de verbouw van woningen, die geen uitgesproken typologie meer kennen, zijn wel een aantal regels voor een goede beeldkwaliteit opgenomen. Zo is bijvoorbeeld de opbouw van de woning gebaseerd op een rechthoekige plattegrond of een samenspel daarvan. Verder is er sprake van een eenduidige hoofdvorm afgedekt met een kapconstructie. De kapconstructies zijn afgewerkt met keramische dakpannen.

 

3.5 Kenmerken van de typologie Zeeuwse schuurboerderij of boerenbedoeninkje     

verplicht

In Borsele komen meerdere boerderijtypen voor, maar bijna allemaal zijn ze ontstaan uit het oude Hallehuistype en een variant daarvan: het Langhuistype. Ze worden, omwille van de streek waar ze voorkomen, ook wel Zeeuwse schuurboerderijen genoemd. Afhankelijk van de schaal van de boerderij worden ze schuurboerderijen of boerenbedoeninkjes genoemd.

Het type heeft een eenvoudige rechthoekige of een uit rechthoeken samengestelde plattegrond waarbij het woonhuis direct tegen en in het verlengde van de schuur is gebouwd. Vaak bevinden woning en schuur zich onder hetzelfde dak. Kenmerkend voor de schuur is de interne verdeling waarbij de delen dwars op de lengterichting staan, het zogenaamde dwarsdeel. Hoewel aan elkaar gebouwd, vormen het huis en de schuur veelal geheel zelfstandige constructies.

Soms is de woning of de schuur vervangen door een moderner type.

Woongedeelte

Het woongedeelte is over het algemeen laag: één bouwlaag, eventueel met borstwering, en een steile kap. De gevels van het woongedeelte zijn uitgevoerd in metselwerk. Het woongedeelte is uitgevoerd in IJsselsteen of rode baksteen met een dak van rode gebakken pannen of blauwe gesmoorde pannen.

De detaillering is veelal beperkt tot een plint, rollagen, gootklossen, eenvoudig geprofileerde boeiboorden en overstekken. Een horizontale geleding in het metselwerk komt voor in de vorm van anders gekleurde lagen ter hoogte van de onder- en bovendorpel van raamkozijnen.

Schoorstenen

Aan het uiteinde van de nok van het woonhuis is een gemetselde schoorsteen geplaatst. Een extra schoorsteen is soms op de scheiding van woonhuis- en schuurdeel aanwezig.

Gevelopeningen

Er komen, afhankelijk van de ontstaansperiode, verschillende raamtypen voor zoals schuiframen (onder- en/of bovenschuivend) met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en roedeverdelingen. Toegepaste roedeverdelingen zijn vooral 6-ruits of T-ramen. De entree van de woning ligt veelal in de langsgevel.

 

Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout, de kozijnen zijn geschilderd in wit, de draaiende en schuivende delen in donkergroen, donkerblauw of sporadisch in 'meekraprood'. De ramen zijn soms voorzien van opgeklampte luiken met terugliggende spiegels. De klampen zijn vaak groen terwijl de spiegels wit zijn. Deze kleuren komen overeen met de kleuren van de kozijnen, ramen en deuren.

Dakkapellen

in het woongedeelte worden nauwelijks dakkapellen gemaakt. Bij uitzondering wordt een dakkapel in hout centraal boven de voordeur in het dakvlak aangebracht. De dakkapel wordt eenvoudig (zonder versieringen) en met een plat dak uitgevoerd. De wanden worden uitgevoerd als houten wanden bekleed met zink.

Schuurgedeelte

In beginsel worden de schuren vaak in hout opgetrokken en bekleed met houten delen (potdekselwerk vanaf een voetingmuur) en een rieten dak maar na verloop van tijd werden gevels op getrokken in baksteen en worden de daken belegd met keramische dakpannen (rood gebakken of blauw gesmoord). Het optillen van de dakrand ter plaatse van de mendeuren komt bij dit type boerderijen alleen voor bij rieten daken.

Qua hoofdvorm van de schuren is er een duidelijk verschil ten aanzien van de functie akkerbouw, veeteelt of gemengd bedrijf. Schuren in de akkerbouw hebben meestal een symmetrische dwarsdoorsnede terwijl schuren in de veeteelt asymmetrisch zijn. De dakvoet bij veeteeltschuren is aan de mestvaaltzijde veel lager dan de gevels aan de voorzijde. Aan de voorzijde werd onder andere hooi en stro aangevoerd dus waren hier hoge deuren nodig.

In de langsgevel van de schuur, meestal in de voorgevel, zijn vaak mendeuren geplaatst vallend in een spantvak. Vaak is ter plaatse van die hoge deuren de dakrand opgetild.

De indeling van de langsgevels met de toepassing van meerdere deuren (mendeuren, loopdeuren en koetsdeuren) wordt mede bepaald door de plaatsing van de spanten die tussenvloeren en het dak dragen.

De nokrichting loopt meestal evenwijdig met de weg of dijk. De dakvoet van schuur en woning ligt ter plaatse van de voorgevel op één hoogte en de dakhelling van schuur en woning is gelijk (ca. 45 graden). De nok van de schuur ligt mede door de grotere dieptemaat hoger dan de nok van de woning.

Bijzondere kenmerken bij houten, zwart geschilderde schuren zijn de witte biezen rondom de mendeuren, het klinket, de uitwendige hoeken van de schuur, de vensters en de zogenaamde muizenoortjes. Deze kleine daglichtopeningen zijn uitgezaagd en vallen in één potdekseldeel. Andere vensters zijn ter hoogte van één of twee potdekseldelen en vallen nagenoeg gelijk met de buitenkant van het potdekselwerk. Opvallend zijn ook de vaak toegepaste wit geschilderde goten met klossen, waterborden en makelaars.

De toegang tot het erf bestaat (bij schuurboerderijen) veelal uit een rijk gedecoreerd hek in hout of ijzer. Het erf is met bomen of hagen, de zogenaamde Zeeuwse heggen, omrand. Vaak is er op het erf nog een aantal gebouwtjes te vinden, zoals een varkenshok, wagenschuur of een bakkeet, waarin de houtoven werd gebouwd. Het vrijstaande woonhuis, de schuur en de erfindeling met beplanting vormen een ensemble. Boerenbedoeninkjes hebben meestal een kleiner erf.

3.6 Kenmerken van de typologie boerenhofstede     

verplicht

Vanaf het einde van de 17e eeuw zien we in Borsele een verandering in het voorkomende boerderijtype. Kenmerkend is de scheiding tussen het woonhuis en de bedrijfsruimten. Dit gebeurde omwille van de steeds groter wordende schuren, het brandgevaar en de overlast van ongedierte. Deze ontwikkeling werd geleidelijk aan overgenomen vanuit Noord-Beveland. Aanvankelijk werd die tendens vooral gevolgd door welgestelde, vooruitstrevende boeren wat ook de grootte van veel van deze boerderijen verklaart. Zo ontstonden de zogenaamde boerenhofsteden, met een vrijstaand woonhuis en vaak forse bedrijfsgebouwen. Pas vanaf 1850 worden ook kleinere boerderijen van dit type gebouwd.

Bij de woonhuizen bij de hofstedes die gebouwd zijn na 1650 zien we een tendens tot vergroting en verfraaiing. Onder invloed van een toegenomen bedrijfsgrootte en het ter beschikking komen van een groter formaat bouwhout worden ook de schuren steeds groter.

In relatie tot die symmetrische gevelindeling heeft het voorterrein vaak ook een formele indeling en is er sprake van een vrij grote afstand tot de weg/dijk.

Het vrijstaande woonhuis, de schuur en de erfindeling met beplanting vormen een ensemble.

Woonhuis

Bij de boerenhofstede is het woonhuis opgetrokken uit IJsselsteen of rode baksteen. De woning heeft veelal een symmetrische gevelindeling met de entree in het midden van de langsgevel, veelal geflankeerd door twee maal twee ramen. Het dakvlak, een zadeldak met steile hellingshoek, is met rode gebakken of blauwe gesmoorde pannen afgedekt.

Specifieke detailleringen zijn (gepleisterde) plinten, rollagen, hanenkammen, geprofileerde gootklossen, boeiboorden en overstekken. Een horizontale geleding in het metselwerk komt voor in de vorm van anders gekleurde lagen ter hoogte van de onder- en bovendorpel van raamkozijnen. De topgevels zijn soms doorgemetseld tot boven de daklijn. In dat geval zijn vaak boerenvlechtingen in die gevel verwerkt en zijn schouderstukken en een tuit afgedekt met een natuurstenen dekstuk. Een tuitbeëindiging wordt alleen gemaakt als er geen sprake is van een schoorsteen in die gevel.

Schoorstenen

Schoorstenen van het woonhuis monden meestal uit in de nok en vrijwel altijd ter plaatse van de topgevel. Een logische plaats want de haarden zijn meestal tegen de topgevel gebouwd. Soms zijn de rookkanalen deels uitgebouwd. In dat geval er sprake is van één schoorsteen.

Gevelopeningen van het woonhuis

De gevelopeningen zijn verticaal (smalle, hoge ramen). Er komen, afhankelijk van de ontstaansperiode, verschillende raamtypen voor zoals schuiframen (onder- en/of bovenschuivend) met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en roedeverdelingen. Toegepaste roedeverdelingen zijn vooral 6-ruits of T-ramen.

Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout, de kozijnen zijn geschilderd in wit, de draaiende en schuivende delen in donkergroen, donkerblauw of sporadisch in 'meekraprood'. De ramen zijn soms voorzien van opgeklampte luiken met terugliggende spiegels. De klampen zijn vaak groen terwijl de spiegels wit zijn. Deze kleuren komen overeen met de kleuren van de kozijnen, ramen en deuren.

Dakkapellen

In het woongedeelte worden nauwelijks dakkapellen gemaakt. Bij uitzondering wordt een dakkapel in hout centraal boven de voordeur in het dakvlak aangebracht. De dakkapel wordt eenvoudig (zonder versieringen) en met een plat dak uitgevoerd. De wanden worden uitgevoerd als houten wanden bekleed met zink.

Deze dakkapellen zijn vaak alleen een uiting van status en benadrukken de verticale geleding en symmetrie.

Schuur

In beginsel worden de schuren vaak in hout opgetrokken en bekleed met houten delen (potdekselwerk vanaf een voetingmuur) en een rieten dak, maar na verloop van tijd werden gevels op getrokken in baksteen en worden de daken belegd met keramische dakpannen (rood gebakken of blauw gesmoord). De grote schuren worden gebouwd met een zadeldak, soms met een wolfseinde. De langsgevels zijn vaak hoger opgetrokken dan bij de schuurboerderijen. Het optillen van de dakrand ter plaatse van de mendeuren komt bij dit type boerderijen alleen voor bij rieten daken.

Qua hoofdvorm van de schuren is er een duidelijk verschil ten aanzien van de functie akkerbouw, veeteelt of gemengd bedrijf. Schuren in de akkerbouw hebben meestal een symmetrische dwarsdoorsnede terwijl schuren in de veeteelt asymmetrisch zijn. De dakvoet bij veeteeltschuren is aan de mestvaaltzijde veel lager dan de gevels aan de voorzijde. Aan de voorzijde werd onder andere hooi en stro aangevoerd dus waren hier hoge deuren nodig.

In de langsgevel van de schuur, meestal in de voorgevel, zijn vaak mendeuren geplaatst vallend in een spantvak.

De indeling van de langsgevels met de toepassing van meerdere deuren (mendeuren, loopdeuren en koetsdeuren) wordt mede bepaald door de plaatsing van de spanten die tussenvloeren en het dak dragen.

Bijzondere kenmerken bij houten, zwart geschilderde schuren zijn de witte biezen rondom de mendeuren, het klinket, de uitwendige hoeken van de schuur, de vensters en de zogenaamde muizenoortjes. Deze kleine daglichtopeningen zijn uitgezaagd en vallen in één potdekseldeel. Andere vensters zijn ter hoogte van één of twee potdekseldelen en vallen nagenoeg gelijk met de buitenkant van het potdekselwerk. Opvallend zijn ook de vaak toegepaste wit geschilderde goten met klossen, waterborden en makelaars.

3.7 Kenmerken van de typologie Zeeuwse arbeiderswoning     

verplicht

In het buitengebied van Borsele, maar ook in de historische kernen van de dorpen en aan de historische uitlopers (linten), komen veel woningen van het type Zeeuwse arbeiderswoning voor. In de historische kernen zijn de woningen overwegend aaneengesloten, langs de linten zijn ze meestal vrijstaand. De woningen in het buitengebied zijn vaak in de buurt van boerderijen en hofstedes gebouwd. In aaneengesloten vorm staan de woningen vaak direct aan de openbare ruimte, soms is een wel eigen stoep of klein plantenperkje aanwezig. Vaak zijn deze woningen gebouwd aan een dijk waarbij ze dan naar achter zijn uitgebouwd tot aan de dijkvoet. De vrijstaande arbeiderswoningen kennen (vrijwel) altijd een voortuin. In het buitengebied is er soms geen formele voordeur aanwezig, maar bevindt de toegang zich achterom via de oorspronkelijke keuken. In het buurtschap Graszode (Lewedorp) zijn meerdere arbeiderswoningen in een groep, al dan niet aaneengesloten, gebouwd.

De Zeeuwse arbeiderswoning heeft een eenvoudige rechthoekige woningplattegrond en bestaat uit één bouwlaag, al dan niet met borstwering, en een steil zadeldak. De dakhelling is ca. 40 tot 50 graden. De nokrichting van de woningen loopt doorgaans evenwijdig aan de weg. De meerderheid van de Zeeuwse arbeiderswoningen kent een asymmetrische gevelopbouw, maar ook woningen met een symmetrische gevelopbouw komen voor.

De gevelopeningen zijn verticaal (smalle, hoge ramen). Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en veelal geschilderd in de traditionele kleuren wit, groen of 'meekraprood'. Er komen, afhankelijk van de ontstaansperiode, verschillende raamtypen voor zoals schuiframen (onder- en/of bovenschuivend) met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en klepramen of roedeverdelingen. Toegepaste roedeverdelingen zijn vooral 6-ruits of T-ramen. Sporadisch komen houten luiken voor. Qua materiaalgebruik worden rode baksteen en matte rode gebakken pannen of (in mindere mate) blauwe gesmoorde pannen toegepast. Enkele panden zijn versierd met anders gekleurde (vorm) baksteen (speklagen, hanenkammen en rollagen). Indien er dergelijke versieringen zijn toegepast, dan zijn deze gelijk van vorm en aanwezig boven alle ramen en de deur. De toegepaste ornamenten zoals gootklossen en muurankers hebben een ritmerend karakter.

Opmerkelijk zijn de schoorstenen die meestal ter plaatse van de topgevels zijn opgetrokken. Daarnaast komt het vaak voor dat er in geval van twee aaneengesloten arbeiderswoningen een extra schoorsteen op de scheidingsmuur is gemaakt. Dit markeert de pandscheiding.

In de loop der tijd hebben enkele Zeeuwse arbeiderswoningen wijzigingen ondergaan, waarbij bijvoorbeeld de dakvoet is opgetrokken, dakkapellen zijn toegevoegd, verticale ramen zijn vervangen door één groot, horizontaal raam en/of nieuwe (voorzet)gevels in anders gekleurde (gele) gevelsteen zijn aangebracht.

3.8 Kenmerken van de typologie jaren '15-/'25-woning met een zadeldak     

verplicht

In het buitengebied komen woningen voor met specifieke kenmerken uit de bouwperiode 1915-1925. Wat vaak voorkomt is het zadeldaktype met één of twee wolfseinden. Deze woningen worden gekenmerkt door een eenvoudige baksteenstructuur. De uitvoering van de voorgevel is soms wat afwijkend van de overige gevels. In dat geval is meer aandacht besteed aan detaillering en/of is het gebruikte materiaal licht afwijkend. Verder is er sprake van een gevelindeling waarbij er een onderlinge relatie is tussen de posities van gevelopeningen op de begane grond ten opzichte van de verdieping. Uitbouwen als erkers komen bij deze woningen regelmatig voor. Deze gebouwonderdelen zijn vooral gemaakt om ruim zicht op de veelal grote erfoppervlakken en de omgeving te bieden. In mindere mate zijn, in een overeenkomende architectuur, serres aangebouwd. De serres zijn afgedekt met een plat dak.

Dit woningtype heeft een eenvoudige rechthoekige woningplattegrond en bestaat uit één bouwlaag veelal met een borstwering en een steil zadeldak. De dakhelling is ca. 40 tot 50 graden. De nokrichting van de woningen is doorgaans haaks op de weg. De topgevels met wolfseinden zijn begrensd door een horizontale goot die aan weerseinden uitloopt in een windveerconstructie die de dakhelling volgt. De meerderheid kent een gevelopbouw waarin de gevelopeningen symmetrisch zijn verdeeld. De gevelopeningen zijn verticaal (smalle, hoge ramen). Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en veelal geschilderd in de traditionele kleuren wit en groen maar ook witte ramen in witte kozijnen komen voor.

Toegepaste raamtypes in de kozijnen zijn veelal schuiframen zonder een roedeverdeling. Sporadisch komen houten luiken voor. Qua materiaalgebruik worden rode baksteen en rode gebakken pannen of (in mindere mate) blauwe pannen toegepast. Enkele panden zijn voorzien van geglazuurde dakpannen, nokvorsten en hoekkepervorsten. Ten tijde van deze bouwperiode werden verglaasde elementen toegepast als raamdorpelstenen en pironnen. Enkele panden zijn versierd met anders gekleurde (vorm) baksteen (speklagen, hanenkammen en rollagen). De toegepaste ornamenten zoals gootklossen en muurankers hebben een ritmerend karakter.

3.9 Kenmerken van de typologie jaren '20-/'30-woning met een mansardekap     

verplicht

Een vaak voorkomend woningtype in de historische linten is dat van de woning met een mansardekap (jaren '20/'30). In de lijn van de Traditionele architectuur, de stijl die in Nederland werd gebouwd in de periode van 1920 tot 1940, wordt dit type woningen gekenmerkt door de romantische, landschappelijke baksteenarchitectuur. Deze woningen komen meestal voor als halfopen of vrijstaande bebouwing, waarbij de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens vaak zeer beperkt is. Toch heeft de woning met een mansardekap steeds de allure van een vrijstaand gebouw. In de linten zijn deze woningen vaak voorzien van een voortuin.

Dit type woning heeft meestal een eenvoudige rechthoekige woningplattegrond en bestaat uit één bouwlaag, eventueel met borstwering, en een mansardekap. Deze kapvorm, ook vaak een “gebroken kap” genoemd, heeft per dakschild twee dakvlakken waarbij het onderste deel steiler is dan het bovenste deel. De nokrichting van de woningen staat vaak haaks op de weg. De schoorsteen is meestal in de langsgevel geplaatst. De gevelopbouw op de begane grond is asymmetrisch, op de eerste verdieping komt een symmetrisch opbouw voor. Bij de vrijstaande woningen zijn soms ook ramen in de langsgevel geplaatst.

De gevelopeningen zijn verticaal (smalle, hoge ramen). Deuren, ramen en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en veelal geschilderd in de traditionele kleuren wit en groen.

Er komen, afhankelijk van de ontstaansperiode verschillende raamtypen voor zoals schuiframen met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en klepramen of roedeverdelingen. In de toegepaste raamtypes komen géén roedeverdelingen meer voor. Bij dit type woningen worden de bovenramen vaak voorzien van glas-in-lood panelen met gekleurd glas.

Bij enkele panden komen houten luiken of erkers voor en zijn de voordeuren teruggelegd in de gevel waardoor een overdekt portaal ontstaat. Qua materiaalgebruik worden vooral rode baksteen en matte rode gebakken pannen of blauwe gesmoorde pannen toegepast. Een vaak toegepast type dakpan is Tuile du Nord of Kruispan. Een bijzondere dakpan is hier de geknikte dakpan op de overgang van de twee dakhellingen. Enkele panden zijn versierd met anders gekleurde (vorm)baksteen (speklagen, hanenkammen en rollagen). Indien er dergelijke versieringen zijn toegepast, dan zijn deze gelijk en aanwezig boven alle ramen en de deur.

In de loop der tijd hebben enkele jaren '20/'30 woningen wijzigingen ondergaan, waarbij bijvoorbeeld aanbouwen, dakkapellen of dakramen zijn toegevoegd, verticale ramen zijn vervangen door één groot, horizontaal raam, rolluiken zijn aangebracht en/of gevels geschilderd zijn.

3.10 Kenmerken van de typologie jaren '30-woning met een zadeldak     

verplicht

In de historische linten komen regelmatig jaren '30-woningen voor met een zadeldak. Vaak betreft het vrijstaande bebouwing. Bijna altijd zijn de woningen voorzien van een voortuin.

Kenmerken van een jaren '30-woning en dus typerend voor deze bouwstijl zijn onder meer de royale dakoverstekken, entreepartijen en bijzondere vormgevingen van kozijnen en erkers. Verder is er sprake van forse houtafmetingen voor kozijnen en ramen, fraaie metselwerkdetailleringen, paneeldeuren, glas-in-lood, “omlopende” dakgootconstructies, geveloverstekken en rijke detailleringen en fraaie luifelconstructies bij de voordeur.

Bijzonder kenmerk is de combinatie van een dakvoet die fors buiten de langsgevel ligt met de brede in de voorgevel omgezette bakgoten. Mede hierdoor ontstaan brede gootplafonds, vaak afgewerkt met sponningdelen.

Bij deze woningen wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de verwerking van baksteen in éénzelfde formaat kleur en structuur. Door het toepassen van plaatselijk andere metselverbanden, metselwerken in verticale uitvoering of onder een helling, uitspringende strekkenlagen, rollagen en kleine ornamenten krijgen deze gevels een bijzonder karakter en wordt de architectuur versterkt. De kozijnen zijn over het algemeen sterk horizontaal geleed wat vaak nog versterkt wordt door uitkragende lateiconstructies.

Dit type woning heeft een eenvoudige rechthoekige plattegrond en bestaat uit één bouwlaag, eventueel met borstwering, en een steil zadeldak waarbij de hellingshoek vaak groter is dan 45 graden. De nokrichting van de woningen staat haaks op de weg. De gevelopbouw op de begane grond is asymmetrisch, op de eerste verdieping komt een symmetrisch opbouw voor. Bij de vrijstaande woningen zijn meestal ook ramen in de langsgevel geplaatst. Sporadisch komen dakopbouwen voor.

Deuren en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en veelal geschilderd in de traditionele kleuren wit of groen. Er komen verschillende kozijntypen voor zoals schuiframen met wisseldorpels, kozijnen met bovenlichten en klepramen of strookvormige kozijnen met draaiende delen. Een vaak voorkomend kenmerk is een erker aan de voorgevel. Qua materiaalgebruik worden vooral rode baksteen en matte rode gebakken pannen of blauwe gesmoorde pannen toegepast.

In de loop der tijd hebben enkele jaren '30-woningen wijzigingen ondergaan, waarbij bijvoorbeeld aanbouwen of dakramen zijn toegevoegd of rolluiken zijn aangebracht.

3.11 Kenmerken van de typologie jaren '30-woning met een paraboolkap     

verplicht

In het historische lint van Oudelande (Kruipuitsedijk 2) is een woning gebouwd van het type jaren '30-woning met een paraboolkap.

Net als de woningen met mansardekap (jaren '20/'30) wordt ook dit type woning gekenmerkt door een baksteenarchitectuur. Dit betekent een veelzijdig gebruik van baksteen, waarbij niet alleen constructieve elementen als lateien, dorpels en muurafdekkingen, maar ook de decoratieve accenten in baksteen zijn uitgevoerd.

Dit type woning heeft een eenvoudige rechthoekige plattegrond en bestaat uit één bouwlaag, een borstwering en een dak in de vorm van twee elkaar snijdende bogen met een gelijke straal. De nokrichting van de woningen staat haaks op de weg. De gevelopbouw op de begane grond is asymmetrisch, op de eerste verdieping komt een symmetrisch opbouw voor. In de vrijstaande langsgevel zijn ook kozijnen geplaatst. Een dakopbouw is niet gemaakt.

Kenmerken van deze jaren '30-woning met paraboolkap (en dus typerend voor deze bouwstijl) zijn onder meer de royale dakgootconstructies, de licht decoratieve entreepartij, de bijzondere vormgeving van de kozijnen en de erker. Een overstek is niet gemaakt, kantpannen sluiten de topgevels aan de bovenzijde af. Verder is er sprake van slanke houtafmetingen voor kozijnen en ramen, fraaie metselwerkdetailleringen (waaronder de bloembakjes naast de voordeur), de glas-in-lood-panelen in de entreepartij en de erker en de luifelconstructie bij de voordeur.

Deuren en kozijnen zijn uitgevoerd in hout en geschilderd in de traditionele kleuren wit en groen. Er komen verschillende kozijntypen voor zoals kozijnen met bovenlichten en klepramen of strookvormige horizontaal gelede kozijnen met draaiende delen.

De gevels zijn opgemetseld in rode baksteen. Onder de kozijnen zijn zwarte raamdorpelstenen verwerkt. Het dak is belegd met matte rode gebakken dakpannen.

Het typische karakter van dit bouwwerk wordt vooral bepaald door de vormgeving en details, zoals bijvoorbeeld de decoratieve metselwerkversiering en de vorm van ramen en deuren, gootlijsten én het model en de locatie van de schoorsteen in de nok.

Bij dit woningtype wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de verwerking van baksteen in éénzelfde formaat kleur en structuur. Door het toepassen van plaatselijk andere metselverbanden, metselwerken in verticale uitvoering of onder een helling, uitspringende strekkenlagen, rollagen en kleine ornamenten krijgen deze gevels een bijzonder karakter en wordt de architectuur versterkt. De kozijnen zijn over het algemeen sterk horizontaal geleed wat vaak nog versterkt wordt door uitkragende lateiconstructies. Als basis is het metselwerk hier uitgevoerd als halfsteens verband met een lichtgrijze, iets terugliggende voeg.

In een later stadium zijn opbouw rolluiken en voorzetbeglazingen (in de erker) toegevoegd.

Aan één langsgevel is een garage/bergruimte met een plat dak aangebouwd, waarbij gebruik gemaakt is van baksteen die gelijk is aan de baksteen die is toegepast voor de woning. Ook het metselverband met versieringen is bijpassend.

Noot: De benaming “paraboolkap” is eigenlijk foutief ten aanzien van de aangetroffen kapvorm in de gemeente Borsele. Feitelijk is de vorm een spitsboog of lancetboog.

3.12 Kenmerken van de typologie Amsterdamse Schoolbebouwing     

verplicht

verplicht

De boerderij 't Hof de Dierik (Dierikweg 1-3), gelegen in het buitengebied ten noorden van Oudelande, kwam in 1921 tot stand in opdracht van A. Tak van Poortvliet naar een ontwerp in traditionalistische vormen van de gebroeders H. en J. Baanders. De dubbele woning bestaat uit een woongedeelte voor de eigenaar en een aangebouwde dienstwoning, die inpandig met elkaar in verbinding staan. Op het erf staan verder een L-vormige schuur, een varkensstal, een dubbele garage, een kippenren en een in 1928 toegevoegde langwerpige schuur. De objecten zijn gebouwd in een traditionele sobere bouwstijl in het architectuurtype Amsterdamse School met kenmerken uit de eerste periode van de Delftse School. Ook de oorspronkelijke erfinrichting en tuinaanleg in Architectonische Stijl naar ontwerp van D.F. Tersteeg is nog grotendeels aanwezig.

Kenmerken casco

Kenmerkend voor de stijlperiode zijn het prominent gebruik van baksteen in de gevels, hoge dakvoeten, hoge met pannen belegde daken zonder overstekken en forse, gedetailleerde schoorstenen. Daarnaast is er sprake van baksteenarchitectuur, zoals versieringen in metselwerk, vlechtingen, uitmetselingen en steunberen.

Muurwerk algemeen

Het muurwerk is in kettingverband gemetseld met een iets terugliggende voeg. Het muurwerk is voorzien van diverse sierpatronen in de vorm van vlechtwerken langs de topgevels, rollagen onder schouderstukken en dakranden, schoorsteendetaillering in combinatie met een dakpanafdekking. Op een hoogte van ca. 500 mm boven het maaiveld is het trasraam beëindigd met een rollaag. Onder de kozijnen van de woningen zijn uitgemetselde vensterbanken gemaakt, onder de daglichtkozijnen van de schuurdelen is langs de onderdorpels een waterlaag met rollaag aangebracht. Boven de kozijnen zijn of getoogde of rechte rollagen gemetseld.

Meer bijzondere geveldetails

De entrees, voordeuren en overige deuren, zijn geaccentueerd door muurwerken als schermmuurtjes die buiten de gevels gemetseld zijn en door siermuurwerk in de vorm van rollagen die verticaal langs de kozijnen zijn gemetseld. De entree van het hoofdhuis is overdekt en geopend door twee open boogvormen. De hemelwaterafvoeren eindigen op maaiveldniveau in een soort sokkel van metselwerk.

Op de uitwendige hoek uitgemetselde zijgevels van het hoofdhuis is een opengewerkt houten trapeziumvormig ornament (klokkenstoel) op een dito voetplaat gemaakt.

Daken

De daken zijn belegd met geglazuurde blauwe dakpannen (Verbeterde Holle pan) met dito nokvorsten en kantpannen.

Schuurdaken zijn voorzien van ventilatiekappen in de vorm van een getimmerde schoorsteen met een spitsdakje en afgewerkt met een bolvormig ornamentje.

Goten en hemelwaterafvoeren

De getimmerde goten zijn bakgoten op geprofileerde frieslijsten (excentrisch golfprofiel) en gootklossen. De goten zijn aangesloten op rechthoekige afgetimmerde hemelwaterafvoeren.

Kozijnen

De raamkozijnen zijn divers van vorm maar overwegend horizontaal qua omtrek en verticaal geleed door toepassing van tussenstijlen. Kenmerkend is bovendien de roedeverdeling die zowel rechthoekig als ruitvormig is.

Bij meerdere kozijnen zijn buitenluiken toegepast die in luiksponningen vallen.

Een aantal gevelopeningen van de schuren zijn of uitgevoerd als half cirkelvormig of als korfboog.

Algemeen

De vorm van de verschillende objecten is bepaald door de functie en rang (woonhuis eigenaar en dienstwoning, schuren en bijgebouwen).

Bijzonder zijn onder andere de buitenluiken in de kleurstelling groen (klampen en spiegelklampen) en rood (binnenvlakken), geschulpte frieslijsten, deurkozijnen met halfronde boogvormen, 6- en 9-ruits roedeverdeling in de vensters, dakkapellen en topgevelkozijntjes en omtimmerde hemelwaterafvoeren.

De kozijnen zijn over het overgrote deel geschilderd in een witte kleur. Een aantal kozijnen is in een lichtgele (oker) kleur geschilderd maar vermoedelijk is dit niet de oorspronkelijke kleur. Gehengen, gevelankers en luifeldetails zijn ook in een rode kleur geschilderd.

Ensemble

Alle bouwwerken van de boerderij 't Hof de Dierik zijn qua architectuur tot in het kleinste detail volledig op elkaar afgestemd. Daaronder vallen ook de terrasindelingen, de hekpijlers, bloembakken en de tuinmuren met gedetailleerde draaipoorten. Het geheel resulteert in een zeer waardevol ensemble.

3.13 Kenmerken van de typologie bebouwing uit de wederopbouwperiode     

verplicht

In de navolgende beschrijving wordt specifiek ingegaan op:

  • de wederopbouwbebouwing in de Quarlespolder, Lewedorp;
  • overige bebouwing uit de wederopbouwperiode.

Wederopbouwbebouwing Quarlespolder, Lewedorp

In de Quarlespolder, die in 1949 ontstond na de inpoldering van het Sloe, zijn in de wederopbouwperiode een 14-tal boerderijen (eigenlijk boerenhofsteden) en een 2-tal woningcomplexen (2-onder-één-kap) gebouwd. De architectuur voor deze objecten is volledig identiek. Qua oriëntatie ten opzichte van het erf en openbare weg zijn er voor wat betreft de boerderijen verschillen, maar de gelijktijdige bouw laat er geen twijfel over bestaan dat alle boerderijen en 2-onder-één-kapwoningen in dezelfde periode zijn gebouwd. De woningen zijn vrijwel alle met de voordeur naar de openbare weg gericht. Alhoewel met name de schuren afwijkend zijn qua dakvormen, dakvoet en nokhoogte is er sprake van een duidelijke gelijkheid in architectuur. Bijzonder is dat enkele complexen gespiegeld om de wegas, exact tegenover elkaar staan.

De woning bij het boerderijcomplex

De woningen, opgetrokken uit een licht rode baksteen in een strak metselverband, hebben ruim bemeten gevelvlakken, borstweringen in de langsgevels en schoorstenen. De daken hebben een steile helling, groter dan 45 graden, en zijn belegd met rode, meer oranjekleurige of blauwe gesmoorde dakpannen. Op de aansluiting van het gevelvlak en het dakvlak zijn speciezomen gemaakt.

Zeer prominent zijn de schoorstenen op beide topgevels. Naast een forse horizontale doorsnede zijn de schoorstenen bijzonder hoog en lijken ze bijna uit verhouding. Deze uitvoering maken deze schoorstenen tot bijzonder in het oogspringende kenmerken van deze bouwstijl.

De goten zijn uitgevoerd in licht geprofileerd hout en op klossen gemonteerd. In de dakvlakken zijn dakkapellen gemaakt. Bij enkele woningen zijn deze dakkapellen net boven de goot gemaakt. Bij andere wordt de goot onderbroken en kennen de dakkapellen een andere breedte/hoogteverhouding.

De houten kozijnen zijn divers van maat, maar qua posities sterk aan elkaar gerelateerd. Kozijnen en ramen zijn veelal onderverdeeld door respectievelijk stijlen en raamroedes.

Een bijzonder kenmerk is de lichtkleurige voordeuromlijsting die waarschijnlijk prefab werd geleverd. Binnen die omlijsting is een deurkozijn gemonteerd met daarin, afwijkend van andere draaiende geveldelen, een groene voordeur. Verder zijn de kleuren van kozijnen en ramen wit.

Meerdere woningen hebben een aanbouw in exact bijpassende stijl, soms met een forse schoorsteen. In deze aanbouwen zijn veelal getoogde kozijnen toegepast. Dit is een bijzondere afwijking van de overigens rechthoekige kozijnen in de woning.

De schuur bij het boerderijcomplex

De schuren zijn, net als de woningen, opgetrokken uit een licht rode baksteen in een strak metselverband en hebben ruim bemeten gevelvlakken. De schuren hebben ofwel een zadeldak, een zadeldak met wolfseinden of een zadeldak met aangekapping. Soms zijn er open aankappingen gemaakt. De witte daglichtkozijnen zijn sterk repeterend in de gevels gesitueerd. Deze kozijntjes zijn, al dan niet getoogd, vaak in prefab beton met een ventilatieopening aan de onderzijde. Grote donkerkleurige toegangsdeuren zijn in de topgevels opgenomen en zijn vaak omkaderd door een witte lijst. In de langsgevels, als er sprake was van veeteelt, zijn donkerkleurige loopdeuren met daarboven een bovenlicht gemaakt.

De woningcomplexen

Op een tweetal locaties zijn 2 woningen met elkaar geschakeld. Deze woningen hebben qua vormgeving en materiaalgebruik dezelfde architectuur als de boerderijcomplexen. Het gaat slecht over kleine detailverschillen zoals kleine zinken bakgoten in plaats van geprofileerde goten en kleinere schoorstenen. De woningen zijn hoogstwaarschijnlijk ontworpen voor arbeiders werkzaam op de boerderijen.

Noot: De definitie “wederopbouw” is minder van toepassing op de als zodanig gekwalificeerde objecten in de gemeente Borsele. Wederopbouw is feitelijk een architectuurstijl waarin gebouwen werden opgetrokken bij de herbouw van een gebied na bijvoorbeeld oorlogsvernielingen. Nadien werd de architectuurstijl overgenomen in regio's waar hiervan geen sprake was, maar omdat de stijl werd gewaardeerd, werd deze gekopieerd. In de Quarlespolder is de stijl toegepast in het kader van nieuwbouw na inpoldering.

Overige bebouwing uit de wederopbouwperiode

Elders, verspreid over de gemeente Borsele, komt ook bebouwing uit de wederopbouwperiode voor. Het betreft dan woningen met of zonder een schuur.

Deze gebouwen zijn opgetrokken uit een licht rode baksteen in een strak metselverband, hebben ruim bemeten gevelvlakken, borstweringen in de langsgevels en schoorstenen. De daken hebben een steile helling, groter dan 45 graden, en zijn belegd met rode, meer oranjekleurige of blauwe gesmoorde dakpannen. Op de aansluiting van het gevelvlak en het dakvlak zijn speciezomen maar ook overstekken met kantpannen komen voor. De goten zijn uitgevoerd in licht geprofileerd hout en op klossen gemonteerd. In de dakvlakken zijn dakkapellen gemaakt, waarvan sommige uitgevoerd zijn met dubbele deuren. Deze deuren geven dan toegang tot een balkon boven een erker. Dakkapellen zijn soms uitgevoerd met een tympaan aan de bovendorpel.

Kozijnen en ramen zijn veelal onderverdeeld door verticale stijlen respectievelijk raamroedes. In een enkel woonhuis is een voordeurkozijn met een getoogde bovendorpel gemaakt. Deze gebogen vorm is kenmerkend voor deze stijl.

Verder zijn de kleuren van kozijnen en ramen wit, terwijl de deuren vaak een afwijkende donkere kleur hebben. Opgeklampte raamluiken met een groen kader en een wit middelvlak komen soms voor.

Meerdere woningen hebben een aanbouw in dezelfde bouwstijl.

De schuren hebben veel overeenkomsten met de schuren uit de Quarlespolder.

3.14 Kenmerken van de typologie herverkavelingsboerderij     

verplicht

Herverkavelingsboerderijen werden in de gemeente Borsele opgebouwd in de polders die getroffen waren door de watersnoodramp van 1953. De bestaande polders werden door her- of ruilverkaveling opnieuw ingedeeld en er was behoefte aan nieuwe boerderijcomplexen. Later is deze architectuurvorm ook naar andere gebieden in Zeeland uitgewaaierd.

De boerderijcomplexen bestaan uit ruime woningen die eenvoud qua architectuur en materiaalgebruik uitstralen. De woningen hebben strakke rechthoekige, bijna vierkante plattegronden waarbij het binnenoppervlak van de verdieping gelijk is aan de begane grond. Er is geen zolderverdieping. In de gevels zijn grote rechthoekige raamopeningen gemaakt met één enkele stijl waarnaast een smal, te openen venster is gemaakt. Het dak is zeer flauw hellend en oorspronkelijk afgedekt met een bitumineuze dakbedekking. Op de twee topgevels zijn vrij forse en daardoor dominerende schoorstenen gemetseld.

De schuren of loodsen zijn deels opgetrokken uit baksteen en deels uit hout en afgedekt met een flauw hellend dak. Er is er sprake van een lagere aangezette aankapping met dezelfde flauwe dakhelling en één van de dakvlakken van het hoofdgebouw loopt langer door. Aan de dakvoet van dit grotere dakvlak is een horizontale lichtstrook gemaakt direct boven de aankapping en als zogenaamd “bandraam” omgezet in de topgevel.

Er is een onderscheid gemaakt in materiaalgebruik. Het hoofdgedeelte, met een symmetrische doorsnede, is gemetseld en tekent zich duidelijk af. De aankapping heeft getimmerde buitenwanden (verticale delen) en is opvallend door het wit-blauwe kleurgebruik. Hoofdgedeelte en aankapping hebben dezelfde lengtemaat. De herverkavelingsboerderijen zijn als een ensemble ontworpen door architect A.J. Rothuizen. Woning en schuur zijn gelijktijdig gebouwd.

3.15 Kenmerken van de typologie jaren '60/'70-woning     

verplicht

De woningen uit de periode '60 /'70 hebben een zeer eigen architectuur, waarbij vooral eenvoudige detailleringen voorkomen. De plattegronden zijn veelal rechthoekig of er zijn meerdere rechthoeken in of tegen elkaar geschoven. Alle functies van deze woningen zijn onder één dak ondergebracht. Daarbij valt te denken aan de berging en de garage die aansluiten op de andere woonvertrekken.

In deze bouwvormen komen eigenlijk uitsluitend symmetrische zadeldaken voor. De dakhellingen kunnen variëren tussen 15 en 45 graden. Bij daken met een flauwe dakhelling is er nauwelijks nog sprake van een woonverdieping. Deze verdiepingen worden uitsluitend als zolder gebruikt. De slaapvertrekken zijn hier op de begane grond.

Deze woningen zijn veelal opgetrokken in een lichte, vaak gele strengperssteen al dan niet met een boomschorsstructuur en in een eenvoudig metselverband. In deze bouwperiode zijn de buitenmuren als spouwmuur uitgevoerd. Vaak is er sprake van tweekleurig metselwerk. Het trasraam is in dat geval uitgevoerd in een donkere klinkerbaksteen.

De daken zijn meestal belegd met grijze gebakken dakpannen waarbij ook gebruik gemaakt wordt van kantpannen.

De dakhellingen lopen ruim door over de bouwmuren en vormen zo overstekken die soms aan de onderzijde zijn voorzien van houten plafonds in mes- en groefdelen. Het komt echter ook voor dat in de overstekken en dakvoeten respectievelijk de gordingen en sporen in het zicht blijven.

De houten overstekken worden vaak gecombineerd met een overkapping of een luifel boven de hoofdentree.

Schoorstenen hebben in deze bouwperiode vaak een wat prominente uitstraling en positie, ofwel uitgebouwd tegen een gevel ofwel gecentreerd op het dak. Daarbij zijn ze vaak voorzien van metalen schoorsteenkappen.

De kozijnen zijn heel divers van vorm waarbij de nadruk ligt op ruime daglichttoetreding. De kozijnen zijn nauwelijks onderverdeeld, maar smalle verticale draairamen en klepraampjes komen veelvuldig voor. De toegepaste kleuren zijn hoofdzakelijk licht. Wit met een enkele accentkleur voor bijvoorbeeld draaiende delen, gevelbekledingen en deuren komt veel voor.

In het buitengebied van Borsele staan deze woningen vaak op grote percelen met eenvoudige tuinen en grote vlakken erfverharding.

3.16 Kenmerken van de typologie woning in een hedendaagse architectuurstijl     

verplicht

In deze bouwstijl zijn vele ontwerpmodellen en details denkbaar. Vanaf de periode 1970 tot heden heeft de architectuur een grote ontwikkeling doorgemaakt. Onder andere door innovatieve bouwmaterialen, producten en afwerkingen kunnen bijzondere constructies worden gerealiseerd. Daarbij valt te denken aan dakvormen en gevelopeningen. Een belangrijk facet in het ontwerp kan de directe omgeving zijn. Naastliggende objecten, gebouwen en het landschap kunnen het ontwerp mede bepalen en zo mogelijk versterken.

Daarbij kan ook de perceelsgrootte en de bereikbaarheid een rol spelen. De materiaalkeuze voor de woning kan zelfs worden beïnvloed door de omgeving.

Een aantal specifieke kenmerken zijn:

  • éénduidige bouwvormen en aansluitende bouwmassa's;
  • minimale, strakke detaillering, constructies zijn geheel weggewerkt;
  • gebruik van eigentijdse materialen, waarbij bijvoorbeeld de afwerking van langsgevels en daken totaal of deels is doorgezet in topgevels; de topgevels kunnen sterk terug liggen waardoor de contouren van de doorsnede domineren;
  • de combinatie van de erfinrichting met de woning versterkt het ensemble; de terughoudendheid van het tuinontwerp kan het ontwerp van de woning accentueren.

3.17 Kenmerken van een veldschuur     

verplicht

De veldschuur is een bijzonder object binnen de gemeente Borsele. Deze schuur, in eerste instantie vermoedelijk uitsluitend gebouwd voor opslag van akkerbouwproducten of veeteelt, heeft de oorspronkelijke functie inmiddels verloren. De plattegrond is rechthoekig zonder aangebouwde bouwwerken. Het zadeldak is symmetrisch met een hellinghoek van ca. 45 graden.

Op dit moment heeft het gebouw een combinatiefunctie te weten een recreatieaccommodatie en opslagruimte. Het pand heeft nog de authentieke uitstraling van een met zwart potdekselwerk beklede schuur. Eén van de kopgevels heeft een materiaalwijziging ondergaan. Hier is het potdekselwerk vervangen door een gemetselde wand. Het muurwerk is uitgevoerd in gele IJsselsteen met een lichte voeg. In deze gevel zijn meerdere kozijnen aangebracht die het daglicht verzorgen voor de achterliggende vertrekken. Deze gemetselde gevel is aan de bovenzijde afgedekt met een overstek, samengesteld uit windveren en waterborden. Ter plaatse van de nok is hier een licht gefigureerde houten makelaar aangebracht. Het dak is belegd met rode Oud Hollandse dakpannen.

Het object bevindt zich op een ruime kavel met een eenvoudige erfbeplanting, bomen en een beperkte erfverharding.

3.18 Kenmerken van bebouwing op een sportpark     

verplicht

Voor deze bebouwingssoort zijn vele varianten aanwezig c.q. denkbaar. De vormgeving, maatvoering en materialisatie wordt veelal bepaald door de specifieke functie van het gebouw. Het gaat daarbij om functies zoals materiaalberging, sanitaire voorzieningen, kleedlokalen, kantine, vergaderruimte en om kleinere objecten als dug-outs, entreegebouwtjes met of zonder kassafunctie en dergelijke.

De vormgeving is meestal sober. De eenvoudige plattegronden passen bij de functie en zijn rechthoekig of hebben een eenvoudige combinatie van rechthoekige oppervlakken. De gevelindelingen zijn ook gerelateerd aan de functie. Kantines hebben grote gevelkozijnen met grote glasoppervlakken en deuropeningen, terwijl de kleed- en sanitaire ruimtes kleine gevelopeningen hebben. De daken zijn vaak licht hellend, soms met overstekken als verlengstuk van terrasvoorzieningen. De hellende daken zijn vaak voorzien van een eenvoudige dakbedekking in de vorm van golfplaten gecombineerd met licht doorlatende elementen. Een enkel gebouw is belegd met dakpannen. De gevels kunnen opgetrokken zijn in houtskeletbouw met een bekleding van kunstharsplaten en/of houten gevelbetimmeringen, prefab betonelementen of in metselwerk. Het metselwerk kan daarbij uitgevoerd zijn als schoonmetselwerk of als gepleisterd werk. Sommige gebouwen zijn opgetrokken in gasbetonblokken met of zonder een kleur- of pleisterwerkafwerking.

Op kleinere sportparken (als tennisbanen) zijn (tijdelijke) containerunits, al dan niet geschakeld, geplaatst. In de rechthoekige plattegronden worden voorzieningen met beperkte afmetingen ondergebracht. Deze units kunnen in houtskelet uitvoering zijn gemaakt en bekleed met kunstharsbeplating en zijn voorzien van een bitumineuze of een kunststof dakbedekking.

Als er sprake is van een combinatie van een clubgebouw met een gymzaal voor een meer openbaar gebruik hebben deze complexen meestal een meer duurzaam karakter. Deze gebouwen zijn uitgevoerd in schoonmetselwerk in combinatie met gevelelementen en -bekledingen. De daken zijn veelal met platte daken uitgevoerd met een bitumineuze dakbedekking.

De sportparken hebben doorgaans, door hun ligging en de aanwezige randbeplanting, een groene uitstraling. Vaak zijn hekwerken geplaatst die het park afschermen.

3.19 Kenmerken van bebouwing op een begraafplaats     

verplicht

De bebouwing op begraafplaatsen beperkt zich tot gebouwtjes die gebruikt worden voor opslag van materiaal of beschutting bieden. De gebouwtjes zijn divers van maat en ontwerp, maar alle traditioneel vormgegeven. Er is gebruik gemaakt van materialen en afwerkingen die horen bij de eenvoudige architectuur.

De gebouwtjes kennen een rechthoekige plattegrond en zijn opgetrokken in metselwerk in een rode of gele kleur en veelal afgedekt met een zadeldak. Dit zadeldak is afgedekt met rode of blauwe dakpannen van een klassiek model. De daken hebben vaak een overstek met windveren en waterborden, maar ook komen gebouwtjes zonder overstek voor. In het laatste geval wordt de dakvlakbedekking beëindigd met een cementzoom. De kozijnen, deuren en ramen zijn uitgevoerd in hout, waarbij de kozijnen in een witte kleur zijn geschilderd. De draaiende delen zijn in een donkergroene kleur geschilderd.

3.20 Kenmerken van bebouwing op een spoorwegemplacement     

De bebouwing op de spooremplacementen is divers. De volgende onderverdeling kan van de verschillende objecten rondom spooremplacementen worden gemaakt:

  • stations – woonhuizen;
  • goederenloodsen;
  • weeghuisje/-brug;
  • overige gebouwen/loodsen.

Stations – woonhuizen

verplicht

De (voormalige) stations, die thans in gebruik zijn als woonhuis, kenmerken zich door een robuuste uitstraling. De plattegronden zijn rechthoekig van vorm en de gebouwstructuur kan worden samengevat als een pand met symmetrische gevels onder een zadeldak met gelijke dakschilden. Kleine gemetselde aanbouwen komen als latere toevoeging (onder andere onder een lessenaarsdak) soms voor.

Deze gebouwen zijn opgetrokken in een rode baksteen. Een bijzonder kenmerk is de toepassing van donker geschilderde houten geveldelen in de topgevels. Direct onder deze bekleding zijn gevelkozijnen aangebracht. De vorm van deze kozijnen is per station verschillend en varieert tussen horizontaal geleed en verticaal geleed.

De kozijnen in de bouwlaag begane grond zijn per station verschillend, maar vertonen wel gelijkenis. Per station zijn er in deze bouwlaag veel verschillende kozijnen aangebracht.

De kleuren van de kozijnen zijn door de jaren heen per station veranderd. Oorspronkelijk waren de kozijnen én ramen vermoedelijk in een lichte (witte) kleur geschilderd.

Opmerkelijk zijn de grote overstekende goten waardoor een gootplafond (wit geschilderd) ontstaat. Daarentegen zijn de dakoverstekken, met windveren en waterborden, beperkt van maat. De goten en overstekken zijn ofwel in een groene of in een witte kleur geschilderd.

De dakbedekking is uitgevoerd in rode Verbeterde Hollandse pannen met bijpassende nokvorsten. Gemetselde schoorstenen monden uit in de nok en staan op ca. 1/3 – 2/3 uit de kopgevels.

Goederenloodsen

verplicht

In de directe omgeving van de stations zijn goederenloodsen gebouwd die qua vorm, materialisatie en afwerking nagenoeg identiek zijn. De goederenloodsen zijn thans voornamelijk in gebruik als berging/stallingsruimte.

Deze gebouwen hebben een rechthoekige plattegrond en hebben net als de stations een typische “spoorwegarchitectuur”. De daken zijn vrijwel alle uitgevoerd als een flauw hellend schilddak met vier hoekkepers en bedekt met rode Verbeterde Hollandse dakpannen. Op de kruising van hoekkepers en nok staat een piron. Langs de dakvoet zijn veelal zinken mastgoten gemonteerd. Er is sprake van een combinatie van metselwerk en houten gevelbekledingen in potdekselwerk. Ook kozijnen, ramen en (schuif-)deuren zijn uitgevoerd in hout. De kleurstellingen hiervan zijn wit en groen, terwijl het potdekselwerk in zwart is uitgevoerd. Kenmerkend is bovendien dat de uitwendige hoeken van het potdekselwerk en de aansluitingen op het muurwerk voorzien zijn van een opgeschilderde witte band.

Weeghuisjes /-brug

verplicht

Een belangrijk object bij spoorwegemplacementen is vaak een weegbrug met weeghuisje. De weegbruggen zijn ingelaten in het wegdek en zijn gemaakt van stalen omrandingen met houten vloeren waaraan de basculeconstructie is verbonden. De bijhorende apparatuur is deels onder de weegbrug en deels in een weeghuisje (of elders) gemonteerd. Het weeghuisje is opgetrokken in baksteen en kenmerkt zich, naast hun beperkte omvang, door een gevel waarin veel glasoppervlakken zijn gemaakt ten behoeve van het zicht op de weegbrug.

Het weeghuisje is belegd met rode Verbeterde Hollandse dakpannen. Langs de dakvoeten zijn zinken mastgoten toegepast. Het metselwerk is in gevoegd schoonmetselwerk. De kozijnen zijn wit geschilderd terwijl de deuren groen zijn afgewerkt.

Overige gebouwen/loodsen

verplicht

Bij veel stations zijn gebouwen en loodsen gebouwd die een directe relatie hebben tot het stationsemplacement. De omvang en uitvoering van deze loodsen is zeer divers en beslaan een bouwperiode vanaf ca. 1925 tot ca. 1970. Daardoor zijn in ontwerpen en materiaalgebruik de geschiedslagen vindbaar en hierop zijn de ontwikkelingen in het spoorgebruik van invloed.

De loodsen worden alle gekenmerkt door een groot oppervlak en ruime ingangspartijen als schuifdeuren en grote draaiende deuren aan de spoorzijde. Deze deuren zijn meestal in hout uitgevoerd. Daarnaast is het materiaalgebruik voor gevels en daken erg verschillend. Loodsen worden opgetrokken in prefabbeton, baksteen en kalkzandsteen terwijl een golfplaatbekleding ook voorkomt. Ook de dakvormen zijn verschillend en variëren tussen (flauw) hellende daken en lessenaarsdaken die veelal met golfplaten zijn gedekt. Bij enkele loodsen zijn ruime overstekken gemaakt met als doel een luifel te creëren waaronder materialen min of meer droog kunnen staan. Deze luifels zijn uitgevoerd met uitkragende liggers en de dakconstructies in beton. Veel gebruikte materialen zijn onafgewerkt. Ramen en deuren zijn vaak groen geschilderd.

3.21 Kenmerken van het fort     

verplicht

Fort Ellewoutsdijk is een verdedigingswerk en stamt uit de periode 1835-1839. Het fort is gebouwd in de vorm van een zeshoek en is aan de zeezijde begrensd door een smalle gracht. Door verbeteringen en uitbreiding van de zeedijken is de directe omgeving van het fort in de loop der tijd sterk gewijzigd, waarbij de omgrachting rondom het fort grotendeels is verdwenen.

De zichtbare muren (facen) zijn opgebouwd in gevoegd baksteenmetselwerk. Aan de noordzijde is binnencourt gemaakt. De wanden van dit binnencourt zijn ná 1945 voorzien van een halfsteens voorzetwand die aan de bovenzijde afgedekt is met betonnen deksloven. Bovenop het fort zijn kanonopstellingen en geschutsputjes zichtbaar. Dit zijn Duitse restanten uit de Tweede Wereldoorlog.

In het muurwerk aan de zeezijde bevinden zich 18 met tongewelf overkluisde kazematten in zwaar metselwerk met schietgaten aan de grachtzijde. Deze bomvrije kazematten zijn verzonken in de vestingwal. Hier waren de slaapzalen van de soldaten, het wachtlokaal, de keuken, kruitmagazijnen en drinkwaterkelder. Bovenop de kazematten is twee meter grondbedekking aangebracht met een ingegraven drinkwatervoorziening. In de gevels bevinden zich (dubbele) deuren met halfronde bovenlichten voorzien van roedeverdeling en diefijzers en halfronde vensters, eveneens met roedeverdeling en diefijzers. Aan de uiteinden van de kazematten bevinden zich gemetselde trappen.

Het metselwerk is uitgevoerd in een rode baksteen met lichte voegen. In het muurwerk zijn hardstenen onderdelen aangebracht zoals bijvoorbeeld sluitstenen en aanzetstenen (in boogvormen) en betonnen onderdelen verwerkt zoals raamdorpelsteen en deksloven (afdekking van het muurwerk op aansluiting van de aardebedekking). Verder zijn in het metselwerk, onder andere boven muuropeningen en verdiepte velden, rollagen van verschillende hoogte aangebracht. Bijzonder en waardevol zijn de in het muurwerk nog aanwezige schadevlakken ten gevolge van kogel- en granaatinslagen. Houtwerk als raam-, roede- en deurhout is geschilderd in een rode kleur. Metaalwerken zijn geschilderd in een zwarte kleur.

Geschiedenis fort:

verplicht

3.22 Kenmerken van een molen of molenromp     

verplicht

Ovezande Ellewoutsdijk Borssele Nisse 's-Gravenpolder

In het buitengebied van Borsele staan vier molens en één molenromp. Al deze molens zijn gebouwd als korenmolens voor het malen van graan. Het betreft molen De Hoop en Verwachting in Borssele, molen De Poel in Nisse, molen De Korenhalm in 's-Gravenpolder, molen De Blazekop in Ovezande en molenromp De Phoenix in Ellewoutsdijk. Al deze molens zijn aangewezen als rijksmonument, met uitzondering van de molenromp in Ellewoutsdijk. Deze is aangewezen als gemeentelijk monument. De molens zijn in uitvoering divers, maar alle van het type bovenkruier.

De molens in Borssele, Nisse en Ovezande zijn grondzeilers en gesitueerd op een molenbelt. De molens in Borssele en Nisse zijn opgebouwd als achtkant met houten onderbouw en een romp afgedekt met bitumen. De molen in Ovezande is eveneens opgebouwd als achtkant, maar kent een gemetselde onderbouw en een romp bekleed met bedekking van riet.

De molen in 's-Gravenpolder is een hoge ronde stenen molen met stelling. De molenromp in Ellewoutsdijk kent een vierkante onderbouw in metselwerk tot (voormalige) stellinghoogte en gaat middels een betonconstructie over in een ronde bovenbouw, welke ook uitgevoerd is in metselwerk. De molens en molenromp met de directe omgeving zijn van cultuurhistorische en landschappelijke betekenis.

3.23 Kenmerken van de schaapskooi     

De bebouwing op het schaapskooicomplex is divers. De volgende onderverdeling is gemaakt van de verschillende objecten:

  • entreegebouw;
  • schaapskooi;
  • wagenschuur.

Entreegebouw

verplicht

De vormgeving van het entreegebouw is gebaseerd op een hooiberg. De vier roeden zijn in het ontwerp verwerkt en het dak lijkt een verstelbaar dak. Aan het hoofdgebouw is een grote aanbouw met plat dak gebouwd. Onder het piramidedak van het hoofdgebouw zijn de buitenwanden gemaakt in een combinatie van verticale houten delen en houten kozijnen. Daglichtkozijnen zijn hier 4-zijdig gemaakt en sluiten aan op het overstek ter plaatse van de dakvoet. Het dak is afgewerkt met grijze golfplaatelementen.

De aanbouw is gebouwd met een plat vegetatiedak met een smalle metalen dakrand met een forse oeversteek. Daaronder nagenoeg rondom volledig beglaasde oppervlakken die gevat zijn in een metalen frame. In deze gevels verschillende schuifpuien.

Schaapskooi

verplicht

De schaapskooi is qua uitstraling gebaseerd is op een traditionele Zeeuwse schaapskooi. De plattegrond is rechthoekig, de dakvorm symmetrisch. De gevels zijn gemaakt in een houtskeletbouw die bekleed is met zwarte potdekseldelen. Kenmerken zijn verder de grote wit omrande mendeuren met klinket en de vrijwel gesloten gevels. De loopdeuren zijn zwart, terwijl de kozijnen en de ramen wit zijn. De windveren en waterborden zijn uitgevoerd in witgeschilderd hout. Ook de boeiboorden van de goten zijn wit. De boeiboorden zijn feitelijk de randafwerking van de zinken gootbekleding. De daken zijn belegd met Oud Hollandse dakpannen en vorstpannen. Op de ontmoeting van de windveren in de nok is een wit geschilderde makelaar aangebracht.

Wagenschuur

verplicht

Voor de opslag van hooi en als overige bergings-/stallingsruimte is een gebouw in de vorm van een wagenschuur neergezet. De materialisatie van dit gebouw is gelijk aan die van de schaapskooi, met dien verstande dat de dakhellingen en de dakvlakbreedtes ongelijk zijn. Aan de hoge langszijde is geen gevel aanwezig. Rondom de deuropeningen zijn geen witte omrandingen gemaakt. Op de ontmoeting van de windveren in de nok is een wit geschilderde makelaar aangebracht.

3.24 Kenmerken van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel     

verplicht

verplicht

De basis van de beeldkwaliteit van de Westerscheldetunnel met toeleidende wegen en kunstwerken is vastgelegd in een beeldkwaliteitsplan van architect J. Jobse. Het tolplein (overkapping, tolinning en kantoor) is ontworpen door architect B.G. Westenburger.

Het tolplein is een groene kamer in het Zuid-Bevelandse polderlandschap: een carré die aan de buitenzijde is omzoomd door Italiaanse populieren. De verhoudingen van dit, in een renaissancepolder gelegen, plein is mede afgeleid van de maatgevende verhouding van het dorpje Borssele (gulden snede). De groene kamer wordt afgebakend en vormgegeven door geluidschermen van 4 meter hoog, welke zijn begroeid met Hedera.

 

Binnen in de kamer wordt voor beide rijrichtingen van de Westerscheldetunnel tol geïnd, worden tunnel en tolinning bediend en liggen carpoolplaatsen, bushaltes en fietsenstallingen. Een loopbrug, die bestaat uit een in staal vormgegeven vakwerkconstructie, verbindt functies aan weerszijden van de weg en vormt onderdeel van de luifel boven de tolinning. Deze staalconstructie hangt als het ware, aan weerszijden van het wegtracé, tussen schijven van beton. Tussen deze betonschijven zijn de trappen gesitueerd om de loopbrug te bereiken. De luifel is als golvend dak uitgevoerd; het dak plooit omhoog boven de opstelplaatsen: een uitnodigend gebaar naar de naderende weggebruiker.

Aan de oostzijde van de weg staat in de groene kamer een kantoor. Het kantoor is grotendeels opgetrokken uit zwartkleurige Chinese basalt. Aan de zijde van de rijbanen (westkant) heeft het kantoor een glazen bovenbouw met ruimten voor tol- en tunnelbediening. De basalten onderbouw van dit kantoorgedeelte bevat ondersteunende functies en een buswachtruimte. De overige bebouwing, zoals de tolhuisjes onder de luifel en het vrijstaande energiegebouwtje zijn in vormgeving en materialisering (tegels) verwant met het kantoor. De fietsenstalling is meer vrij vormgegeven.

Ter plaatse van de in- en uitrit (tunnelbak) van de Westerscheldetunnel zijn de keerwanden voorzien van gekleurde bakjes. Deze variëren in afmetingen en in kleur van turquoisegroen tot donkerblauw. Deze bakjes zijn in strooimodel aangebracht. Bij de overgang van de tunnelbak naar de tunnel zijn gedeelten van wanden betegeld. Ook dit in voornoemde kleuropzet. Bovenop de tunnelbak ter plaatse van de tunnel staat een gebouw met technische ruimten. Dit gebouw is bekleed met koper (kleur groen) in horizontale gelede lamellenvorm. Ten behoeve van de ventilatie zijn er vakken waarbij deze lamellenbekleding openstaat. Bovenop dit gebouw staat een uitbouw in een donkerblauwe kleur.

 

3.25 Kenmerken van het voormalige wachtlokaal     

verplicht

Het wachtlokaal op het voormalige veerplein in Hoedekenskerke is enkele jaren geleden, vanwege de dijkverzwaring, tientallen meters verplaatst in noordelijke richting. Het gebouw heeft kenmerken van de Amsterdamse schoolarchitectuur. Het gebouwtje, met een bijna vierkante plattegrond, is uitgevoerd met een betonnen fundering die als plint in uitgewassen schoonwerkbeton doorloopt tot circa 1 meter boven het maaiveld. Ook de buitentrap is in beton uitgevoerd. Aan weerszijden van de trap staat een eenvoudige stalen leuning in een blauwe kleur. Het gebouwtje staat op een verhoging die afgewerkt is met basaltblokken. De oorspronkelijke trap naar de entreepui is langs het talud doorgezet in een nieuwe betonnen trap. Een dito betontrap is ook aan de linkerzijde van de verhoging aangebracht.

Ter hoogte van de luifel is rondom een tweetal lagen uitgemetseld in combinatie met een rondgaande rollaag. Het entreekozijn met luifel en de twee daglichtkozijnen in de voorgevel zijn gemaakt in hout en hebben een bijzondere detaillering. Bijzonder is dat de breedte/hoogteverhouding van de ruitjes in de entreedeuren en die van de hoekkozijnen verschillen van elkaar.

In de rechterzijgevel is één kozijn aangebracht, dat passend is bij de hoekkozijnen, en twee verticale kozijntjes met ver terugliggende ramen. Onder de raamkozijnen bevinden zich zwart verglaasde raamdorpelstenen. In de achtergevel is een afwijkend kozijn met twee tussenstijlen gemaakt. Dit kozijn is niet oorspronkelijk en vervangt mogelijk een houten luik. In de linkerzijgevel is onder een smalle luifel van uitgewassen grindbeton een houten schuifdeur aanwezig die toegang geeft tot een werkplaats. Deze deur is groen geschilderd.

Het gebouw is voorzien van een plat dak waarop drie pvc-vergaarbakken met hemelwaterafvoeren zijn aangesloten die uitmonden op het straatwerk. De dakrand is uitgevoerd in blauw gesmoorde muurafdektegels.

3.26 Kenmerken van de voormalige meestoof     

verplicht

verplicht

De meestoof Nederland in Nieuwdorp springt in eerste instantie in het oog door de grote omvang van het complex op een verder vrijwel leeg perceel. De grote stenen schuur heeft een symmetrische opbouw met een zadeldak. Het woongedeelte aansluitend op de oostelijke kopgevel heeft een verhoogde nok en is in zuidelijke richting uitgebouwd. Het woongedeelte heeft ook een zadeldak.

De plattegrond is oorspronkelijk onderverdeeld voor 3 functies:

  • opslag voor de aangevoerde meekrap met op de zolder een bergplaats voor het bewerkte product;
  • een dorsvloer met droogtoren;
  • woongedeelte.

Langsgevel zuidzijde

In de meestoof zijn aan de zuidgevel in verdiepte nissen rechthoekige daglichtkozijnen ingemetseld. In deze gevel zijn een stel dubbele deuren en een enkele loopdeur voorzien. De daglichtkozijnen en deuren zijn in een donkere kleur (veelal zwart) geschilderd. De nissen of spaarvelden zijn gemaakt tussen smalle penanten die vanaf een doorlopend basement of plint zijn opgetrokken en doorgezet zijn tot onder de dakgoot. De goot is uitgevoerd als mastgoot. Een enkele hemelwaterafvoer is aangesloten op een regenbak. In het vlak van de nissen zijn op regelmatige afstanden gevelankers zichtbaar die de achterliggende houtconstructies verankeren. De schuur is gedekt met blauwe Oud Hollandse dakpannen.

In de gemetselde gevel van het woongedeelte zijn kozijnen met schuiframen ingemetseld. Er is hier sprake van diepe neggen. De kozijnen zijn voorzien van enkelbladige opgeklampte (groene) luiken met verticale sponningdelen. De kozijnen en ramen zijn in een lichte kleur geschilderd. Onder deze kozijnen zijn gepleisterde raamdorpels gemaakt. In deze gevel is een gedenksteen van de eerste steenlegging (1826) verwerkt. Aan de dakvoet is een mastgoot gemaakt tegen een frieslijst. Oorspronkelijk is er (zie oude foto's) een houten bakgoot op klossen gemaakt.

In het verlengde van de zuidgevel van het woonhuis is een deel van de oorspronkelijke gevel van de “ast” blijven staan en vormt een afscheiding van het terras. In deze gevel is een oude deuropening nog zichtbaar. Op de oostelijk hoek wordt dit gevelrestant beëindigd met en forse steunbeer.

Links van de zuidgevel is om de hoek (buitengevel tussen het hogere en lagere bouwdeel) een gevel met pleisterwerk. Deze pleisterlaag bedekt de gehele gevel tot aan de nok. In dit gevelvlak is een eenvoudig kozijn aanwezig met een raam en roedeverdeling.

Topgevel westzijde

Deze gemetselde gevel met in rode letters de naam van de meestoof is voorzien van vijf daglichtvensters met een halfronde bovendorpel, een enkele loopdeur met een dito bovendorpel en een rechthoekig luik op de verdieping. De halfcirkelvormige vlakken van de kozijnen zijn vlak dichtgezet. Mogelijk zijn de ramen met roedeverdelingen (spaakvormig) nog aanwezig. In de gevel zijn tussen de kozijnen penanten gemetseld tot een hoogte van ca. 2,5 m alwaar ze afgedekt zijn met gepleisterde dekplaten. Ook de topgevel is afgewerkt met een gepleisterde muurafdekking die aan weerseinden eindigt in een licht geprofileerd, gepleisterd ornament. Verder zijn in de gevel diverse gevelankers aanwezig die onder andere de gordingen en balklagen verankeren.

Langsgevel noordzijde

Deze gevel met twee verhoogde deurpartijen met moderne overheaddeuren is voorzien van een aantal daglichtkozijnen die qua vorm en afmetingen identiek zijn aan de kozijnen in de zuidgevel. Verder is er nog een enkele loopdeur aanwezig. De penanten zijn hier uitgebouwd tot steunberen. Langs de dakvoet van de schuur is geen goot meer aanwezig.

De noordgevel van het woongedeelte is opgemetseld uit dezelfde rode baksteen als gebruikt in de zuidgevel. In de gevel is een loopdeurkozijn en een schuifraamkozijn aanwezig.

Topgevel oostzijde

De topgevel van de woning is deels uitgevoerd in schoonmetselwerk en deels in een metselwerk wat de bouwsporen van voormalige bouwmassa's laat zien. Het symmetrische middendeel steekt ca. 250 mm naar buiten.

In deze topgevel bevinden zich, op dezelfde hoogte, vier lichtkleurig geschilderde kozijnen met één verticale roede in het raam. Daarnaast zijn er, verspringend over de gevel, vier, recent aangebrachte donker gekleurde verticale daglichtkozijnen. Elk met een donker opgeklampt luik met een schoor. Bijzonder zijn de gepleisterde vlakken op de gevel, restanten van de oorspronkelijke “ast” of droogoven.

Algemeen

In alle gevels zijn veel bouwsporen te zien die zijn ontstaan door wijzigingen in het proces en techniek van de verwerking van meekrap, alsmede schade ontstaan door brand.

3.27 Kenmerken van de Tropical Zoo     

verplicht

Het complex Tropical Zoo in Kwadendamme is gelegen aan de zuidwestkant van het spoorwegenemplacement Langeweegje. Het complex bestaat uit meerdere gebouwen die qua ontwerp zeer divers zijn. Aan de straatzijde (Langeweegje) staat van links naar rechts aan elkaar gebouwd het restaurant, de vlinderkas en de bedrijfswoning. Achter de vlinderkas is de speelhal opgetrokken die aan de achterzijde bijna de gehele breedte van het perceel beslaat.

Vlinderkas

Dit hoofdgebouw van de Tropical Zoo, waarin onder meer de entree is gemaakt, is een strak vormgegeven gebouw, symmetrisch onder een zadeldak. In principe betreft het een grote kas met aan de voorzijde een schijngevel met entree. De nokrichting staat haaks op het Langeweegje.

Speelhal

Op het achterterrein is een hal gebouwd die aansluit aan de vlinderkas. Het dak van deze hal is uitgevoerd met ritmerende zadeldaken met glazen elementen en ventilatievoorzieningen. Het daklandschap volgt het principe van een kassencomplex. De gevels zijn uitgevoerd in vrijwel vlakke metalen (geïsoleerde) gevelbeplating. Nokrichtingen zijn uitgevoerd in het verlengde van nokrichting van de vlinderkas.

Bedrijfswoning

De woning heeft geen uitgesproken typologie. De nokrichting loopt evenwijdig aan het Langeweegje. Het pand is grotendeels opgetrokken uit baksteen en heeft ook geveldelen met een houten betimmering. De daglichtkozijnen hebben een roedeverdeling. Het dak heeft een zadeldakvorm waarop een enkele dakkapel is aangebracht.

Restaurant

Het restaurant heeft geen uitgesproken typologie. Het gebouw heeft sfeerinvloeden van een boerenschuur. Dit door de rechthoekige plattegrond, gemetselde borstwering en gevels uitgevoerd met houten gepotdekselde delen in een zwarte kleur. Het zadeldak, wat aan de achterzijde in het hoofdprofiel is aangekapt, is gedekt met gebakken dakpannen in een oranje kleur. De aankapping is ter plaatse van de linkerzijkant doorgezet, waardoor ten opzichte van de voorgevel een terugliggend aangebouwd bijgebouw is ontstaan. De nokrichtingen lopen evenwijdig aan het Langeweegje.

Verder staan op het terrein allerlei kleinere bouwwerken als afscheidingen, bergingen en tuinmuren.

3.28 Kenmerken van het trekkermuseum     

verplicht

Het trekkermuseum gelegen aan de zuidkant van het spoorwegemplacement Nisse, is gehuisvest in een tweetal vrijstaande plaatstalen loodsen, zijnde een hoofdgebouw (waarin het museum is gevestigd) en een werkplaats. Beide gebouwen hebben een rechthoekige plattegrond. Kleinere aanbouwen met lessenaarsdaken zijn aangebouwd aan het hoofdgebouw. In het hoofdgebouw is aan de westzijde een verdiepingsvloer gemaakt. Dit gebouw is hoger dan de werkplaats.

Beide gebouwen met aanbouwen zijn opgebouwd met identieke materialen en hebben symmetrische zadeldaken en een flauwe dakhelling. Langs de dakvoeten zijn eenvoudig geprofileerde goten aangebracht (kroonlijstprofiel). In het dak van de werkplaats bevinden zich enkele lichtdoorlatende dakplaten. De plaatstalen wanden zijn geconstrueerd op betonnen plinten. De wanden zijn groen terwijl de plinten in schoonwerkbeton zijn uitgevoerd.

In de gevels zijn horizontaal gelede daglichtkozijnen gemaakt met een onderverdeling van verticale stijlen. Verder zijn er diverse loopdeuren, schuifdeuren, overheaddeuren en dubbele deuren toegepast. Deze elementen hebben alle een witte of grijze kleur. Dakranden, goten en hemelwaterafvoeren hebben een witte kleur.

De betrating rondom de gebouwen is hoofdzakelijk uitgevoerd in betontegels en basaltkeien (kinderkoppen).

3.29 Kenmerken van een trafohuisje     

verplicht

De trafohuisjes zijn bijzondere objecten in het landschap en kenmerken zich door de eenvoudige vorm en metselwerkarchitectuur. De gebouwen dateren veelal van vóór de Tweede Wereldoorlog en zijn destijds gebouwd door de Provinciale Zeeuwse Energie Maatschappij (PZEM). De gebouwen zijn compact van omvang en zijn uitsluitend bedoeld om installaties van nutsbedrijven onder te brengen. Daglicht- en ventilatieopeningen zijn zeer terughoudend toegepast en passen naadloos in het muurwerk.

 

In de ontwerpen is veel aandacht besteed aan de detaillering. Met name de detaillering van het metselwerk met sfeerinvloeden van de Amsterdamse Schoolarchitectuur is bijzonder. Vaak zijn spaarvelden of blindnissen, rollagen en uitgemetselde lagen verwerkt. Soms is er sprake van een anderskleurig plint, die iets terugliggend gemetseld is ten opzichte van het hoger opgaande metselwerk. In een enkel geval is een bijzondere lateiconstructie van beton gemaakt boven het deurkozijn. In de genoemde constructie is dan een lichte profilering en het logo van het betreffende nutsbedrijf (PZEM) gemaakt. Ook stalen schilden op de gevels met teksten als “Levensgevaar – Hoogspanning – Bij brand niet spuiten” zijn kenmerkend.

De entreedeur en het kozijn zijn uitgevoerd in staal. Kozijn en deur zijn groen geschilderd.

De daken zijn uitgevoerd als tent- of schilddaken en zijn uitgevoerd als betondak of afgewerkt met een bitumineuze dakbedekking in banen of als singles. Kenmerkend zijn de ruime overstekken van de dakrand. Hemelwaterafvoeren zijn niet gemaakt. Een enkel trafohuis is geschilderd (wit).

3.30 Kenmerken van een communicatieobject     

verplicht

Driewegen Nieuwdorp 's-Heerenhoek Nieuwdorp

De communicatieobjecten, in de vorm van zendmasten, wijken door hun grote hoogte ten opzichte van het maaiveld en verschijningsvorm sterk af van andere bouwwerken in het buitengebied. De zendmasten zijn erg rank en transparant door de toepassing van een frame van vakwerken, waarin schuine schoren en horizontale liggers domineren. Met name aan de top, maar ook halverwege, is de zendapparatuur bevestigd. Er wordt een grote diversiteit aan apparatuur toegepast. De masten zijn veelal in een gegalvaniseerde uitvoering en/of lichtgrijs geschilderd.

Aan de voet van deze masten zijn vaak trafoachtige gebouwtjes of kasten opgericht waarin bijhorende apparatuur is ondergebracht. In het geval van gemetselde gebouwtjes zijn deze opgetrokken in eenvoudig metselwerk in een halfsteensverband. De dakrand van het platte dak is uitgevoerd met een beplating met een uitstraling van uitgewassen grind. Kleinere vrijstaande objecten bij de trafoachtige gebouwtjes zijn in staal uitgevoerd en groen geschilderd.

In het geval van betonnen gebouwtjes zijn de wanden uitgevoerd in uitgewassen beton en wordt het gebouwtje afgedekt met een schoonwerk-betonnen dak. Deurkozijnen en deuren zijn in staal en grijs geschilderd.

Rondom de communicatieobjecten en de trafoachtige gebouwtjes zijn soms hekwerken geplaatst ter beveiliging.

3.31 Kenmerken van een gemaal     

verplicht

Gemaal Hoedekenskerke Gemaal Ellewoutsdijk Gemaal Ellewoutsdijk

Gemaal Hoedekenskerke

Het gemaal “Groenewege” in Hoedekenskerke is gelegen in een groene omgeving en kenmerkt zich door de eenvoudige vorm en de lange, smalle verticale kozijnen aan de waterzijde (westgevel). Het gebouw heeft een rechthoekige plattegrond met een klein uitbouw aan de oostzijde. Het aanwezige zadeldak is deels asymmetrisch en is gedekt met rode keramische dakpannen met bijpassende nokvorsten en kantpannen. Het dak heeft aan de topgevels een kleine overstek met een vlak plafond.

Naast de verticale kozijnen aan de waterzijde zijn dezelfde kozijnen toegepast in de zuidelijke topgevel. In de noordelijke topgevel is een kozijn met twee tussenstijlen (ogend als een kozijn met drie loopdeuren) en een rond gevelrooster gemonteerd. In de oostelijke gevel is een enkele loopdeurkozijn geplaatst, waarin een deur met glasopening aanwezig is.

De buitenmuren zijn wit geschilderd en de plint onderlangs de kozijnen grijs. Houten kozijnen zijn lichtkleurig geschilderd en de deuren blauw (waterschapblauw), met uitzondering van de loopdeur in de oostgevel, deze is grijs. De verticale metalen kozijnen in de zuidgevel en in de westgevel zijn geheel in de waterschapblauwe kleur geschilderd. Gootconstructies zijn uitgevoerd als houten bakgoten en zijn geheel grijs geschilderd. Ook de overstekken zijn grijs.

In metalen letters is op de westgevel de tekst “Gemaal Groenewege” bevestigd. Op de zuidelijke gevel in dito letters de tekst “Anno 1952”.

Het gebouw is bereikbaar via een betonnen trap met leuning vanaf de dijk. Aan de waterzijde (westzijde) zijn de gemaalinstallaties zichtbaar die eveneens bereikbaar zijn via trappen met leuningen. Op het erf, deels belegd met stelconplaten, is verder nog een nieuwe vrijstaande unit geplaatst op een prefab betonnen sokkel. Deze unit is groen geschilderd. Het complex is afgezet met een groen stalen hekwerk.

Gemaal Ellewoutsdijk

Het gemaal “Hellewoud” in Ellewoutsdijk is met de voorgevel gericht naar de Westerschelde. Het gebouw bestaat uit een rechthoekige hoofdmassa met aan weerszijden een iets terugliggende, qua oppervlak bijna vierkante, zijvleugel. Het gebouw is deels gebouwd op het dijklichaam. De hoofdmassa en de zijvleugels zijn voorzien van een symmetrisch zadeldak wat gedekt is met oranjerode keramische dakpannen. De nokken van de gebouwdelen liggen in één lijn. De nokken van de zijvleugels liggen ca. 1 m lager dan die van de hoofdmassa.

In de voorgevel van de hoofdmassa zijn smalle, verticale daglichtkozijnen gemaakt. Centraal in deze gevel bevindt zich een entreepartij met twee blauw geschilderde deuren. In de linkerzijvleugel is een rechthoekig daglichtkozijn gemaakt, in de rechterzijvleugel een stalen deurkozijn met deur. Kozijn en deur zijn blauw geschilderd. Het bovenliggende metalen ventilatierooster is grijs geschilderd. Links en rechts is een betonnen trap met leuning gemaakt die leiden naar de lager gelegen gemaal-installatie.

De achtergevel aan de zijde van de gemaalinrichting is veel hoger, maar heeft dezelfde materialisatie als de voor- en zijgevels. Ook hier zijn er verticale vensters in de hoofdmassa aanwezig met in het midden een enkele loopdeur die toegang geeft tot het uitkragende betonnen balkon. Vanaf de vloer ofwel onderdorpel deurkozijn verzwaart het muurwerk zich tot aan de fundering (onderbouw).

Gootconstructies zijn uitgevoerd als houten bakgoten en zijn geheel wit geschilderd. Ook het overstek is geheel wit geschilderd.

In metalen letters is op de westgevel de tekst “Gemaal Hellewoud” bevestigd.

Het terrein is vanaf de draaipoorten aan de voet van de betontrappen afgezet met gegalvaniseerde hekwerken (niet in kleur).

3.32 Kenmerken van de radarpost     

verplicht

De radarpost, gelegen nabij de Westerschelde ter hoogte van Baarland, is een opvallende verschijning in het landschap. Het hoge, smalle bouwwerk kenmerkt zich door de betonnen uitvoering van de schacht, het bordes en de radarinstallatie aan de top van het object.

Door de horizontale voegen op gelijke afstand lijkt het gebouw uit ringvormige segmenten te zijn opgebouwd. Het geheel is gefundeerd op een achthoekige sokkel die als voet boven het maaiveld uit komt. Langs deze sokkel is een betonnen trap met twee stalen leuningen gemaakt. De entreedeur is in staal uitgevoerd. Het hoge bordes maakt onderdeel uit van de betonnen schacht. Het bordes kan bereikt worden vanuit de schacht via een stalen loopdeur en is voorzien van een eenvoudige leuning. Vanaf het bordes kan de radarinstallatie bereikt worden met zogenaamde klimijzers.

Kleurstelling

Schacht in schoonwerkbeton, leuningen van de ondertrap zijn rood, de leuningen van het bordes zijn blauw, de klimijzers rood en de radarunit is wit.

3.33 Kenmerken van het sectorlicht     

verplicht

Het sectorlicht of ook wel oeverlicht genoemd, bevindt zich op de strekdam bij de jachthaven van Hoedekenskerke. Het sectorlicht dateert uit 1914 en is opgericht in opdracht van de Belgische permanente Commissarissen van Toezicht op de Scheldevaart (BPCTS). Later is deze door de BPCTS afgestoten, omdat deze voor de rijkswaterstaat geen nautisch nut meer had. Het object is nu in eigendom van de gemeente Borsele en is een gemeentelijk monument. Inmiddels heeft het sectorlicht zijn nautische functie weer teruggekregen.

Het gebouw is in de basis een vierkant gemetseld object dat bijzonder fraai gedetailleerd is.

Op alle hoeken is een penant geformeerd, waardoor per gevel een spaarveld ontstaat. Op een hoogte van ca. 2,5 m boven het maaiveld zijn in elk spaarveld drie segmentvormige lagen uitgemetseld waarboven het metselwerk gebogen voortgezet wordt. De hoekpenanten en het gebogen metselwerk zijn vervolgens doorgemetseld over een hoogte van 0,9 m en worden beëindigd met een halfsteens rollaag. Aan de bovenzijde is het metselwerk afgedekt met een gewapend betonnen rand die de contouren van onderbouw volgt. Op deze betonnen rand is een cirkelvormig metalen hekwerk gemonteerd. Vermoedelijk is een beloopbaar vlak met een lage gemetselde borstwering gecreëerd, die bereikbaar is via een klimijzers of een ladder en een dakluik.

De entree is met de uitvoering van het metselwerk fraai gedetailleerd. Rondom het stalen deurkozijn, waarin een houten deur is afgehangen, volgt een halfsteens rollaag de contouren van het kozijn. De deur is opgebouwd als deur met een bossingpaneel met in het centrum een klein driehoekig venstertje dat de afschuining van het kozijn en de rollaag volgt.

Boven elk spaarveld is een spuwertje aangebracht wat het water van het beloopbare plat afvoert.

Het metselwerk is wit geschilderd, evenals het kozijn met de deur en het hekwerk op de betonnen rand. Hoogstwaarschijnlijk is het metselwerk als schoonwerk opgemetseld, maar snel daarna van opgeschilderde rode en witte banden voorzien in verband met de nautische functie. Het is gewenst dat deze kleurstelling wordt teruggebracht.

3.34 Kenmerken van rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden     

In Borsele is een aantal panden aangemerkt als rijks- of gemeentelijk monument, omdat ze van algemeen belang zijn wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Naast rijks- en gemeentelijke monumenten komt ook een aantal beeldbepalende gebouwen voor die (nog) niet als monument zijn aangewezen, maar vanwege hun karakteristieke verschijningsvorm, al dan niet in combinatie met de locatie, extra bescherming verdienen. Deze monumenten en beeldbepalende gebouwen zijn divers van karakter. Het gaat bijvoorbeeld om gebouwen zoals historische boerderijen, molens, sectorlicht, etc.

3.35 Kenmerken van een dakkapel     

Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en de vrije hoogte en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Dakkapellen zijn een ondergeschikte toevoeging aan een dakvlak en deze toevoeging mag niet ten koste gaan van de karakteristiek van de kapvorm. De ruimte tussen dakkapel en goot in het dakvlak bestaat vaak uit een aantal pannenrijen. Soms onderbreken dakkapellen de gootlijn en zijn dan deels verwerkt in verticaal metselwerk van de onderliggende muur of wand en deels in het dakvlak.

3.36 Kenmerken van een schutting     

Een schutting is een bouwwerk met als doel het erf af te bakenen van een buurerf of van de openbare weg. Een schutting aan de openbare weg is van grote invloed op de ruimtelijke kwaliteit en dient te passen bij het karakter van de omgeving. Schuttingen dienen op een zorgvuldige en professionele manier geplaatst te worden en te worden gemaakt van duurzame materialen. Een lange, gesloten, slecht onderhouden schutting wekt bij velen het gevoel op van verloedering en sociale onveiligheid. Begroeide schuttingen hebben veelal een vriendelijke uitstraling.

3.37 Kenmerken van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing     

Door bedrijfsbeëindiging kan het voorkomen dat een agrarisch bedrijf wordt omgezet naar een burgerwoning. Op diverse plaatsen heeft dat reeds plaatsgevonden. De vraag rijst dan hoe om te gaan met de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, bestaande uit schuren, loodsen en andere gebouwen. De voormalige agrarische bedrijfsbebouwing past qua schaal en maat vaak niet meer bij de woning. In gevolge van het omgevingsplan kan de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing worden gehandhaafd en worden aangewend voor de woonfunctie. Het beleid is er echter op gericht in dergelijke gevallen te komen tot een betere situatie wat betreft beeldkwaliteit en bij voorkeur ook tot een afname van de oppervlakte aan bebouwing.

Hoofdstuk 4 Overige regels voor beeldkwaliteit     

Naast regels die geënt zijn op de aard/typologie van de bebouwing zijn in het omgevingsplan algemene regels met betrekking tot beeldkwaliteit opgenomen. Deze regels omvatten een zogenaamde hardheidsclausule (algemene criteria waar in bijzondere situaties op terug kan worden gegrepen), de verplichting voor burgemeester en wethouders om advies in te winnen bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit/monumentencommissie en een excessenregeling (die het mogelijk maakt om op te treden tegen welstandsexcessen).

4.1 Algemene regels voor een goede beeldkwaliteit     

De algemene beeldkwaliteitsregels liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling. Bij het opstellen van de overige regels die betrekking hebben op beeldkwaliteit zijn deze algemene regels in acht genomen. In de praktijk zullen de overige regels voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties kan het echter nodig zijn dat wordt teruggegrepen op de algemene beeldkwaliteitsregels. Dit kan bijvoorbeeld als een bouwplan past binnen de overige regels, maar desondanks zo onder de maat is dat deze de omgeving negatief zal gaan beïnvloeden. Maar ook andersom: als een bouwplan afwijkt van de overige regels, maar zo'n bijzondere schoonheid kent dat ruimschoots wordt voldaan aan 'redelijke eisen van welstand'. Het spreekt voor zich dat het hier om uitzonderingssituaties gaat en dat niet bij het minste of geringste op de algemene beeldkwaliteitsregels wordt teruggegrepen. Mocht er sprake zijn van een dusdanig bijzondere situatie dan zal in het beeldkwaliteitsadvies zorgvuldig worden aangegeven waarom van de overige regels wordt afgeweken en het bouwplan enkel op basis van algemene beeldkwaliteitsregels wordt getoetst.

De verschijningsvorm van een gebouw of bouwwerk heeft een relatie met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is. De vormgeving van een gebouw of bouwwerk is samenhangend en logisch (relatie tussen vorm, gebruik en constructie)

Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het beeldkwaliteitstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

Een gebouw of bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het gebouw of van de omgeving groter is (relatie tussen bouwwerk en omgeving)

Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedgerichte beeldkwaliteitscriteria duidelijkheid verschaffen. Daarbij wordt opgemerkt dat 'eigenzinnige' vormgeving doorgaans eerder acceptabel is voor een gebouw dat qua plaatsing (rooilijn), stedenbouwkundige korrel en ritme géén onderdeel uitmaakt van een ensemble dan voor een gebouw dat dat wel doet.

Verwijzingen naar en associaties met een bouwstijl worden zorgvuldig gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar en leesbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit (betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context)

Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.

Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Mocht het toch gewenst zijn terug te grijpen op stijlkenmerken uit het verleden dan is het zaak dat deze evenwichtig, consequent en met respect voor de oorsprong worden gehanteerd. Het toepassen van verschillende stijlen in één gebouw geeft een vervreemdend beeld doordat dit sociaal-cultureel niet is te plaatsen.

In een gebouw of bouwwerk is structuur aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat (evenwicht tussen helderheid en complexiteit)

Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken.

Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.

Een gebouw of bouwwerk heeft een samenhangend stelsel van maatverhoudingen, dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen (schaal en maatverhoudingen)

leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken.

De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen.

Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben.

De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel of een aanbouw) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.

Materiaal, textuur, kleur en licht ondersteunen het karakter van het gebouw of bouwwerk en maken de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk (materiaal, textuur, kleur en licht)

Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.

4.2 Verplicht advies     

Burgemeester en wethouders zijn verplicht om over een bouwplan advies in te winnen bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit. In de praktijk betreft dit veelal de dorpsbouwmeester. De dorpsbouwmeester neemt bij de beoordeling van een bouwplan de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in het omgevingsplan, in acht. Voor dakkapellen en erfafscheidingen kan worden afgeweken van de adviesplicht.

Indien het bouwplan betrekking heeft op een rijks- of gemeentelijk monument dan wordt door het college van burgemeester en wethouders tevens advies aangevraagd bij de gemeentelijke monumentencommissie.

4.3 Excessenregeling     

In de Wabo/Bor is bepaald dat voor bouwen van bepaalde typen bouwwerken geen vergunning meer nodig is. Vergunningvrij bouwen is echter iets heel anders dan regelvrij bouwen. Zo heeft de wetgever uitdrukkelijk aangegeven dat de overige regels gewoon blijven bestaan. Dat betekent dat een vergunningvrij bouwwerk onder meer moet voldoen aan het Bouwbesluit, de Bouwverordening, aan de regels over burenrecht uit het Burgerlijk Wetboek, aan de beeldkwaliteitsregels zoals opgenomen in dit omgevingsplan en in veel gevallen ook aan de andere eisen die zijn vastgelegd in het omgevingsplan. Het belangrijkste verschil is dat al deze regels niet meer vooraf worden getoetst door een ambtenaar of de dorpsbouwmeester. De burger of ondernemer die een vergunningvrij bouwwerk wil bouwen moet er voortaan zelf voor zorgen dat dit bouwwerk aan alle eisen voldoet. Indien achteraf blijkt dat de regels niet zijn nageleefd, kan aanpassing of in het uiterste geval sloop van het bouwwerk worden geëist.

De Woningwet biedt het bevoegd gezag, dat is het college van burgemeester en wethouders, de mogelijkheid om repressief tegen excessen op te treden. Een exces is een buitensporigheid. Dit geldt niet alleen voor bestaande gebouwen en bouwwerken waarvoor een vergunning is verleend, maar ook voor alle gebouwen en bouwwerken waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het gaat in gevallen van een exces altijd om ernstige ontsiering van een bouwwerk of een gedeelte daarvan in relatie tot de omgeving.

De gemeente hanteert bij het toepassen van de excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de uiterlijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft die buitensporigheid betrekking op:

  • het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk van zijn omgeving;
  • het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk;
  • armoedig/uit de toon vallend materiaalgebruik;
  • toepassing van felle en (sterk) contrasterende kleuren;
  • te opdringerige reclames;
  • een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte beeldkwaliteitscriteria).

Indien is vastgesteld dat zich ergens een mogelijk buitensporige/excessieve situatie voordoet, kan het college van burgemeester en wethouders aan de dorpsbouwmeester vragen of er, gelet op bovenstaande criteria, inderdaad sprake is van een exces. Wanneer dat het geval is, kan het college van burgemeester en wethouders via een aanschrijving en de eventueel daarop volgende bestuursdwang eisen dat aan de buitensporigheid een eind wordt gemaakt. Overigens is in deze een advies van de dorpsbouwmeester niet verplicht, burgemeester en wethouders kunnen ook op eigen gezag vaststellen dat een bepaalde situatie 'in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand (beeldkwaliteit)'.

Regels     

Hoofdstuk 1 Waarvoor mag ik deze locatie gebruiken     

Artikel 1 Agrarisch - aquacultuurbedrijf     

1.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'aquacultuur' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een niet grondgebonden aquacultuurbedrijf;
  2. alsmede een grondgebonden teelt bedrijf;
  3. nevenfuncties zoals aangegeven in 1.2;
  4. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 5 Vergunde nevenactiviteiten;
  5. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
  6. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

1.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 1.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het is niet toegestaan meer dan 3 ha te gebruiken voor de aanleg van vijvers en bassins voor aquacultuur waarbij voor bassins en vijvers tot een gezamenlijke oppervlakte van 3 ha geldt dat:
    1. de bassins en vijvers aansluitend aan de bebouwing en het erf moeten worden gerealiseerd;
    2. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels' die duurzaam in stand wordt gehouden;
  2. het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, in bedrijfsgebouwen is toegestaan, waarbij geldt:
    1. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    2. parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    3. er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan;
    4. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    5. op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  3. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het suggestievlak dan wel bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 2 Agrarisch - glastuinbouw     

2.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'glastuinbouw' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een glastuinbouwbedrijf;
  2. alsmede een grondgebonden teelt bedrijf;
  3. nevenfuncties zoals aangegeven in 2.2;
  4. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 5 Vergunde nevenactiviteiten;
  5. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  6. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

2.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 2.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het is niet toegestaan om waterbassins en vergelijkbare voorzieningen aan te leggen buiten de suggestievlakken dan wel bouwblokken;
  2. het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, in bedrijfsgebouwen is toegestaan, waarbij geldt:
    1. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    2. parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    3. er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan;
    4. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    5. op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  3. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het suggestievlak dan wel bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 3 Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf     

3.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'grondgebonden' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  2. niet grondgebonden aquacultuur bij wijze van nevenactiviteit;
  3. paardenpension bij wijze van nevenactiviteit;
  4. nevenfuncties zoals aangegeven in 3.2;
  5. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 5 Vergunde nevenactiviteiten;
  6. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  7. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

3.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 3.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het is niet toegestaan om mestbassins, mestzakken en vergelijkbare voorzieningen voor mest aan te leggen buiten het suggestievlak dan wel bouwblok;
  2. het is niet toegestaan meer dan 1 ha, op en aansluitend aan het suggestievlak dan wel bouwblok bij een grondgebonden agrarisch bedrijf te gebruiken voor de aanleg van teeltondersteunende vijvers en bassins voor niet grondgebonden aquacultuur, waarbij geldt dat:
    1. de bassins en vijvers aansluitend aan het suggestievlak dan wel bouwblok moeten worden gerealiseerd;
    2. er sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels'; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
  3. het is niet toegestaan het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen te wijzigen, met dien verstande dat dit wel is toegestaan:
    1. indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok;
  4. het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, in bedrijfsgebouwen is toegestaan, waarbij geldt:
    1. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    2. parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    3. er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan;
    4. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    5. op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  5. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het suggestievlak dan wel bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

3.3 Toelaatbare verandering     

Het is verboden voor grondgebonden agrarische bedrijven om zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders, weidegang te beëindigen.

3.4 Beoordelingsregels melding     

Grondgebonden agrarische bedrijven die in plaats van weidegang voldoende ruwvoer telen, worden aangemerkt als grondgebonden agrarische bedrijven indien voldaan wordt aan het volgende:

  1. de gronden in gebruik voor ruwvoerteelt zijn in overwegende mate in de directe omgeving van het bedrijf gelegen;
  2. de gronden in gebruik voor ruwvoerteelt behoren feitelijk tot het bedrijf;
  3. de gronden worden feitelijk voor ruwvoerteelt voor het bedrijf gebruikt;
  4. de oppervlakte gronden in gebruik is toereikend voor voerteelt in relatie tot de omvang van de veestapel;
  5. er wordt voldoende voer geteeld voor de voerbehoefte van het eigen bedrijf, zodanig dat het niet gaat om bijvoedering maar om een hoofdbestanddeel in de voervoorziening;
  6. gewassen worden integraal voor voedering van vee gebruikt;
  7. bewerking van de gewassen vindt slechts in ondergeschikte mate plaats en in ieder geval op het bedrijf;
  8. toepassen van weidegang is vanuit de bedrijfssituatie niet mogelijk of niet gewenst;
  9. de continuïteit van voerteelt is ook op langere termijn verzekerd.

3.5 Procedureregels melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met een onderbouwing dat aan de beoordelingsregels wordt voldaan wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.

3.6 Afwijking ammoniakemissiestandstill en bijbehorende beoordelingsregel     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 onder c en een toename van ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:

  1. aangetoond is dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden, dan wel;
  2. de toename van stikstofdepositie niet leidt tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden, dan wel;
  3. nog ontwikkelingsruimte binnen het segment 'onder grenswaarde' binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is, dan wel;
  4. nog ontwikkelingsruimte binnen het segment 'vrije ontwikkelingsruimte' binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is.

Artikel 4 Agrarisch - intensieve kwekerij     

4.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'intensieve kwekerij' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een bedrijf met intensieve tuinbouw in gebouwen;
  2. alsmede een grondgebonden teelt bedrijf;
  3. nevenfuncties zoals aangegeven in 4.2;
  4. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 5 Vergunde nevenactiviteiten;
  5. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
  6. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

4.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 4.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, in bedrijfsgebouwen is toegestaan, waarbij geldt:
    1. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    2. parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    3. er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan;
    4. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    5. op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  2. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het suggestievlak dan wel bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 5 Agrarisch - intensieve veehouderij     

5.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'intensieve veehouderij' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een intensief veehouderijbedrijf;
  2. alsmede een bedrijfsvoering gericht op grondgebonden teelten en/of grondgebonden dierhouderij;
  3. paardenpension bij wijze van nevenactiviteit;
  4. nevenfuncties zoals aangegeven in 5.2;
  5. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 5 Vergunde nevenactiviteiten;
  6. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  7. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

5.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 5.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het is niet toegestaan het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen te wijzigen, met dien verstande dat dit wel is toegestaan:
    1. indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok;
  2. het is niet toegestaan om mestbassins, mestzakken en vergelijkbare voorzieningen voor mest aan te leggen buiten het suggestievlak dan wel bouwblok;
  3. het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, in bedrijfsgebouwen is toegestaan, waarbij geldt:
    1. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    2. parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    3. er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan;
    4. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    5. op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  4. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het suggestievlak dan wel bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

5.3 Afwijking ammoniakemissiestandstill en bijbehorende beoordelingsregel     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 onder a en een toename van ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:

  1. aangetoond is dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden, dan wel;
  2. de toename van stikstofdepositie niet leidt tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden, dan wel;
  3. nog ontwikkelingsruimte binnen het segment 'onder grenswaarde' binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is, dan wel;
  4. nog ontwikkelingsruimte binnen het segment 'vrije ontwikkelingsruimte' binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is.

Artikel 6 Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf     

6.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch en agrarisch aanverwant' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  2. een agrarisch hulp- en nevenbedrijf of agrarisch loonbedrijf;
  3. paardenpension bij wijze van nevenactiviteit;
  4. nevenfuncties zoals aangegeven in 6.2;
  5. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 5 Vergunde nevenactiviteiten;
  6. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  7. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

6.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 6.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. toegestaan is het uitvoeren van werkzaamheden voor niet agrarische bedrijven en uitgevoerd met de bedrijfsmiddelen die ook voor het agrarisch hulp- en nevenbedrijf of het agrarisch loonbedrijf worden gebruikt;
  2. Bevi-inrichtingen en Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  3. opslag van professioneel of consumenten vuurwerk is niet toegestaan;
  4. het is niet toegestaan om mestbassins, mestzakken en vergelijkbare voorzieningen voor mest aan te leggen buiten het suggestievlak dan wel bouwblok;
  5. buitenopslag is niet toegestaan met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden;
  6. het is niet toegestaan het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen te wijzigen, met dien verstande dat dit wel is toegestaan:
    1. indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok;
  7. het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, al dan niet met een binding met het betreffende agrarische bedrijf, in bedrijfsgebouwen is toegestaan, waarbij geldt:
    1. er is geen sprake van een onevenredige aantasting van gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
    2. parkeren vindt plaats op het eigen erf;
    3. er worden geen kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan;
    4. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    5. op het moment van in gebruik name van de voorziening en gedurende het gebruik beschikt de voorziening over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
  8. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden binnen het suggestievlak dan wel bouwblok ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarische hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij een agrarisch bedrijf, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

6.3 Afwijking ammoniakemissiestandstill en bijbehorende beoordelingsregel     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 onder f en een toename van ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:

  1. aangetoond is dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden, dan wel;
  2. de toename van stikstofdepositie niet leidt tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden, dan wel;
  3. nog ontwikkelingsruimte binnen het segment 'onder grenswaarde' binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is, dan wel;
  4. nog ontwikkelingsruimte binnen het segment 'vrije ontwikkelingsruimte' binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is.

Artikel 7 Neventak intensieve veehouderij     

7.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' mogen tevens worden gebruikt voor intensieve veehouderij bij wijze van neventak.

7.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 7.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het is niet toegestaan om mestbassins, mestzakken en vergelijkbare voorzieningen voor mest aan te leggen buiten het suggestievlak dan wel bouwblok;
  2. het is niet toegestaan het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen te wijzigen, met dien verstande dat dit wel is toegestaan:
    1. indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok.

7.3 Afwijking ammoniak emissiestandstill en bijbehorende beoordelingsregels     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2 onder b en een toename van ammoniakemissie per suggestievlak dan wel bouwblok als gevolg van wijziging van aanwezige dierplaatsen, diersoorten en/of stalsystemen toestaan indien:

  1. aangetoond is dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden, dan wel;
  2. de toename van stikstofdepositie niet leidt tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden, dan wel;
  3. nog ontwikkelingsruimte binnen het segment 'onder grenswaarde' binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is, dan wel;
  4. nog ontwikkelingsruimte binnen het segment 'vrije ontwikkelingsruimte' binnen het PAS (Programmatische Aanpak Stikstof) aanwezig is.

Artikel 8 Bedrijf - agrarisch aanverwant     

8.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch aanverwant' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een agrarisch hulp- en nevenbedrijf of agrarisch loonbedrijf;
  2. nevenfuncties zoals aangegeven in 8.2;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  4. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

8.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 8.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. toegestaan is het uitvoeren van werkzaamheden voor niet agrarische bedrijven en uitgevoerd met de bedrijfsmiddelen die ook voor het agrarisch hulp- en nevenbedrijf of het agrarisch loonbedrijf worden gebruikt;
  2. Bevi-inrichtingen en Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  3. opslag van professioneel of consumenten vuurwerk is niet toegestaan;
  4. het is niet toegestaan om mestbassins, mestzakken en vergelijkbare voorzieningen voor mest aan te leggen buiten het suggestievlak dan wel bouwblok;
  5. buitenopslag is niet toegestaan met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden;
  6. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande bedrijfsbebouwing voor de verkoop van producten geproduceerd en/of gerelateerd aan de feitelijke bedrijfsvoering, mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdfunctie, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 9 Bedrijf tot en met categorie 2     

9.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een bedrijf uit maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan;
  2. nevenfuncties zoals aangegeven in 9.2;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  4. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

9.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 9.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. Bevi-inrichtingen en Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  2. opslag van professioneel of consumenten vuurwerk is niet toegestaan;
  3. buitenopslag is niet toegestaan met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden;
  4. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande bedrijfsbebouwing voor de verkoop van producten geproduceerd en/of gerelateerd aan de feitelijke bedrijfsvoering, mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdfunctie, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 10 Bedrijven uit categorie 3.1     

10.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een bedrijf uit maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan;
  2. een handels- en constructiebedrijf uit maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan op de locatie Ruilverkavelingsweg 3, 's -Gravenpolder;
  3. een loon- en landbouwmechanisatiebedrijf uit maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan op de locatie Barbesteinweg 17, Heinkenszand;
  4. een kraanverhuurbedrijf uit maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan op de locatie 's - Gravenpoldersestraat 36, 's -Gravenpolder;
  5. een bovengrondse opslag, K3-klasse uit maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan op de locatie Lange Zuidweg, Borssele;
  6. een hondenfokkerij uit maximaal categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan op de locaties Stooflaan 15, 's - Heerenhoek en Zaaidijk 1, 's -Gravenpolder;
  7. nevenfuncties zoals aangegeven in 10.2;
  8. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  9. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

10.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 10.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. Bevi-inrichtingen en Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  2. opslag van professioneel of consumenten vuurwerk is niet toegestaan;
  3. buitenopslag is niet toegestaan met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden;
  4. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande bedrijfsbebouwing voor de verkoop van producten geproduceerd en/of gerelateerd aan de feitelijke bedrijfsvoering, mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdfunctie, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 11 Bedrijven uit categorie 3.2     

11.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een bedrijf uit maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan;
  2. een dierenpension/dierenbegraafplaats/- mortuarium uit maximaal categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan op de locaties Boerendijk 4, Borssele en Kruipuitsedijk 8, Oudelande;
  3. een opslag van diverse materialen voor onderhoud water en wegen uit maximaal categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan op de locatie Wolfhoekseweg 5, Driewegen;
  4. een autodemontagebedrijf uit maximaal 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan op de locatie Vrielingsweg 1, Hoedekenskerke;
  5. nevenfuncties zoals aangegeven in 11.2;
  6. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  7. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

11.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 11.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. Bevi-inrichtingen en Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  2. opslag van professioneel of consumenten vuurwerk is niet toegestaan;
  3. buitenopslag is niet toegestaan met uitzondering van opslag die naar de aard van het product buiten opgeslagen moet worden en/of de opslag van producten waarvan uit oogpunt van redelijkheid geen binnenopslag verlangd kan worden;
  4. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande bedrijfsbebouwing voor de verkoop van producten geproduceerd en/of gerelateerd aan de feitelijke bedrijfsvoering, mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdfunctie, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 12 Begraafplaats     

Toelaatbaar gebruik

De gronden met de indicatieve aanduiding 'begraafplaats' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor een begraafplaats met bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Artikel 13 Cultuurhistorie     

13.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'cultuurhistorie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. het in werking hebben, behoud en herstel van de molens De Hoop en Verwachting, De Blazekop, De Poel en De Korenhalm;
  2. het behoud en herstel van Fort Ellewoutsdijk;
  3. het behoud en herstel van Kasteel de Hellenburg;
  4. het behoud en herstel van Kasteel Baarsdorp;
  5. extensief dagrecreatief gebruik;
  6. kleinschalige evenementen passend bij de cultuurhistorische waarden van de objecten;
  7. ondergeschikte horeca-activiteiten;
  8. bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

13.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 13.1 onder f toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het gebruik bij Fort Ellewoutsdijk en Kasteel de Hellenburg is uitsluitend toegestaan indien voldoende parkeerruimte op eigen of omliggende gronden in afdoende mate is verzekerd;
  2. dagelijkse bezichtigingen en rondleidingen zijn toegestaan;
  3. jaarlijks zijn maximaal 12 evenementen per locatie toegestaan met een duur van maximaal 3 dagen (zonder opbouwen en afbreken) per evenement;
  4. bij Kasteel Baarsdorp zijn geen evenementen toegestaan.

Artikel 14 Dagrecreatie     

14.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'dagrecreatie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een (vlinder)tuin, tropische tuin, museum, binnenspeeltuin;
  2. horeca-activiteiten:
    1. uitsluitend in de vorm van een restaurant en/of feestzaal;
    2. niet uitsluitend ten dienste van het bepaalde onder a;
    3. uitsluitend als nevenactiviteit;
  3. ondergeschikte detailhandels- en/of horeca activiteiten uitsluitend ten dienste van het bepaalde onder a;
  4. nevenfuncties zoals aangegeven in 14.2;
  5. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
  6. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

14.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 14.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte van detailhandel bedraagt niet meer dan 75 m²;
  2. de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte van horeca bedraagt niet meer dan 320 m², met dien verstande dat de keuken, opslagruimten en buitenterrassen daarbij niet worden meegerekend;
  3. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 15 Dagrecreatie 1     

15.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'dagrecreatie 1' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een trekkermuseum;
  2. ondergeschikte horeca-activiteiten;
  3. bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Artikel 16 Detailhandel     

16.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'detailhandel' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. grootschalige detailhandelsbedrijven met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan;
  2. nevenfuncties zoals aangegeven in 16.2;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  4. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

16.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 16.1 toelaatbare gebruik geldt het volgende:

  1. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdfunctie, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 17 Groen     

17.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. groenvoorzieningen en beplanting, waterpartijen en sloten;
  2. extensief dagrecreatief medegebruik.
  3. toegangspaden;
  4. bij deze functie behorende voorzieningen zoals waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen.

17.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 17.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. extensief dagrecreatief medegebruik waardoor de afschermende functie van het groen onevenredig afneemt of de natuurlijke kwaliteiten van het groen onevenredig worden aangetast, is niet toegestaan.

Artikel 18 Horeca     

18.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'horeca' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. horecabedrijf uit maximaal categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten met een maximale oppervlakte in gebruik zoals aangegeven in het plan;
  2. nevenfuncties zoals aangegeven in 18.2;
  3. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  4. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

18.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 18.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande bedrijfsbebouwing voor de verkoop van producten geproduceerd en/of gerelateerd aan de feitelijke bedrijfsvoering, mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdfunctie, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 19 Jachthaven     

19.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. havens en aanlegplaatsen;
  2. water;
  3. bedrijfsmatige, recreatieve en horecamatige activiteiten die functioneel verbonden zijn met de haven;
  4. bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Artikel 20 Manege     

20.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'manege' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een manege;
  2. een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  3. nevenfuncties zoals aangegeven in 20.2;
  4. het wonen voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, tenzij in het plan de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is opgenomen;
  5. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

20.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 20.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van bestaande bedrijfsbebouwing voor de verkoop van agrarische producten of producten geproduceerd en/of gerelateerd aan de feitelijke bedrijfsvoering, mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum verkoopvloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. het gebruik van de bedrijfswoning en/of bestaande bedrijfsbebouwing en onbebouwde gronden ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de bedrijfswoning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdfunctie, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    5. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit mag in de woning en/of het bijbehorende vrijstaande bouwwerk worden uitgeoefend;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 21 Natuur     

21.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. behoud, herstel en versterking van natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van zowel beboste als niet beboste gronden zoals poelen, waterpartijen, waterlopen en graslanden;
  2. vliedbergen;
  3. extensief dagrecreatief medegebruik;
  4. bij deze functie behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, toegangswegen en paden.

21.2 Werken en werkzaamheden     

21.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het aanleggen, verleggen of verwijderen van boven- en ondergrondse kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  3. het graven of dempen van sloten, watergangen, waterpartijen of vaarten;
  4. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen;
  5. het verwijderen van oevervegetatie;
  6. het kappen of vellen van houtopstanden, met dien verstande dat hiervan zijn uitgezonderd beschermwaardige bomen: hiervoor geldt het bepaalde in artikel 144.

21.2.2 Uitzondering van het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

21.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden en/of de landschappelijke waarden.

21.4 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteiten.

Artikel 22 Nutsvoorziening     

22.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'nutsvoorziening' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. een radartoren;
  2. gemalen;
  3. gsm-masten en antennes;
  4. overige nutsvoorzieningen;
  5. bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen.

Artikel 23 Sport     

23.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'sport' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. veldsporten;
  2. andersoortige sportieve activiteiten in verenigingsverband zoals tennis, hondensport en (kruis)boogschieten;
  3. bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Artikel 24 Verblijfsrecreatie     

24.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'verblijfsrecreatie' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. de plaatsing van ten hoogste 32 kampeermiddelen;
  2. bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

24.2 Specifieke regels voor het gebruik     

Voor het in 24.1 toelaatbare gebruik geldt dat de plaatsing van kampeermiddelen is toegestaan mits:

  1. per kampeermiddel ten minste 20 m² onbebouwde en onoverdekte ruimte aanwezig is;
  2. per kampeermiddel ten minste 1,1 parkeerplaats aanwezig is;
  3. het afvalwater op een zorgvuldige wijze wordt afgevoerd;
  4. het terrein voldoende veilig is waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal kampeermiddelen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
  5. er geen sprake is van kwetsbare objecten binnen 10-6-risicocontouren van leidingen en/of inrichtingen en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan;
  6. rond het terrein voor de plaatsing van kampeermiddelen een goede landschappelijke inpassing is gerealiseerd met een breedte van ten minste 5 m zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels'; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing is gericht op de instandhouding ervan.

Artikel 25 Verblijfsrecreatie 1     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'verblijfsrecreatie 1' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. recreatievoorzieningen;
  2. opslag;
  3. een recreatieappartement met een bewoonbaar vloeroppervlak van ten hoogste 185 m2;
  4. educatieve doeleinden;
  5. bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Artikel 26 Verkeer     

26.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van gronden voor:

  1. wegen met ten hoogste 2 x 2 doorgaande rijstroken, alsmede invoegstroken, opstelstroken, busstroken, parkeerstroken, voet- en fietspaden;
  2. een goederenspoorlijn;
  3. een cultuurhistorische recreatieve spoorlijn met de daarbij behorende:
    1. additionele voorzieningen;
    2. ondergeschikte detailhandels- en/of horeca activiteiten uitsluitend ten dienste van de cultuurhistorische recreatieve spoorlijn;
    3. verkeers- en verblijfsdoeleinden;
    4. de bescherming van de cultuurhistorische, landschapswaarden en/of natuurwaarden;
  4. bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Artikel 27 Verzorgingsplaats     

27.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'verzorgingsplaats' en de daarbij aansluitende gronden mogen tevens worden gebruikt voor:

  1. ter plaatse van Westerscheldetunnelweg 1:
    1. maximaal twee verkooppunten motorbrandstoffen, één aan iedere zijde van de weg;
    2. maximaal twee horecagelegenheden, één aan iedere zijde van de weg;
    3. op- en overstapruimten, wachtruimten, fietsenstallingen, tolloketten;
  2. beheer en onderhoud van de Westerscheldetunnel;
  3. bij deze functie behorende voorzieningen zoals waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

27.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 27.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. detailhandel is uitsluitend toegestaan als nevenactiviteit bij een verkooppunt motorbrandstoffen en tot een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 125 m2;
  2. horecagelegenheden, op- en overstapruimten en wachtruimten mogen niet worden opgericht binnen een veiligheidszone van 80 m van een LPG-vulpunt.

Artikel 28 Volkstuin     

28.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'volkstuin' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. volkstuinen;
  2. bij deze functie behorende voorzieningen zoals verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Artikel 29 Water - Deltawater     

29.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van gronden voor:

  1. behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden samenhangend met deltawater;
  2. aan- en afvoer van water;
  3. vaar- en waterwegen voor beroeps- en recreatievaart;
  4. havens en aanlegplaatsen voor zover aangeduid in het plan;
  5. visserij;
  6. extensief dagrecreatief medegebruik;
  7. bij deze functie behorende voorzieningen zoals voorzieningen voor de geleiding van de scheepvaart.

29.2 Werken en werkzaamheden     

29.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het aanleggen, verleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  2. het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds;
  3. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, egaliseren en ophogen van bij eb droogvallende gronden;
  4. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen;
  5. het verwijderen van oevervegetaties.

29.2.2 Uitzonderingen op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

29.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden en/of de landschappelijke waarden.

29.4 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteiten.  

Artikel 30 Waterkering     

30.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. waterstaatkundige voorzieningen, dijken, sluizen, bruggen en duikers daaronder begrepen;
  2. wegen met doorgaande rijstroken (opstelstroken daaronder begrepen), voet- en fietspaden;
  3. havens en aanlegplaatsen voor zover aangeduid in het plan;
  4. water en bijbehorende voorzieningen voor de waterhuishouding;
  5. agrarisch grondgebruik zoals het (hobbymatig) weiden van dieren;
  6. extensief dagrecreatief medegebruik;
  7. bij deze functie behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen, toegangswegen en paden.

30.2 Werken en werkzaamheden     

30.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, of egaliseren van gronden;
  2. het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  3. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het wijzigen dan wel verwijderen (vellen, rooien) van houtwalprofielen en houtgewassen;
  5. het beplanten van gronden met houtgewassen.

30.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

30.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  1. de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de waterkerende functie van de waterkering;
  2. vooraf de beheerder van de waterkering gedurende drie weken in de gelegenheid is gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van het belang van de waterkering.

Artikel 31 Windturbine     

31.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

  1. één windturbine;
  2. bij deze functie behorende voorzieningen zoals kabel-, meet- en regelstations.

Artikel 32 Wonen     

32.1 Toelaatbaar gebruik     

De gronden met de indicatieve aanduiding 'wonen' en de daarbij aansluitende gronden mogen worden gebruikt voor:

  1. het huisvesten van personen in een woning met bijbehorende erven en tuinen;
  2. nevenfuncties zoals aangegeven in 32.2;
  3. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 5 Vergunde nevenactiviteiten;
  4. bij deze functie behorende voorzieningen zoals tuinen, erven, verhardingen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenelementen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

32.2 Specifieke regels voor gebruik     

Voor het in 32.1 toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het gebruik ten behoeve van een erf is beperkt tot de gronden die direct grenzen aan de woning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en zijn gelegen achter de voorgevelrooilijn van de woning en waarbij voorts geldt dat:
    1. tot het erf worden gerekend de gronden die in gebruik zijn voor onder andere verhardingen, terrassen, in- en uitritten, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het wonen;
    2. de omvang van het erf staat in verhouding tot de aanwezige woning en de locatie van de aanwezige woning, hetgeen in ieder geval betekent dat gronden die op een afstand van meer dan 35 m van de woning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn gelegen niet als erf worden aangemerkt;
    3. tuinen onderscheiden zich van het erf doordat er overwegend sprake is van beplantingen en er geen gebouwen mogen worden gebouwd;
  2. de volgende nevenfuncties zijn toegestaan:
    1. het gebruik van de woning en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken en onbebouwde gronden ten behoeve van kleinschalige plattelandshoreca mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdactiviteit, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte van bebouwing in gebruik voor de kleinschalige plattelandshoreca, niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    2. kleinschalige zorginitiatieven (zorgboerderij) waarbij een beperkte logiesfunctie in de woning is toegestaan mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij de hoofdfunctie, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum oppervlakte van bebouwing in gebruik voor het zorginitiatief, inclusief de logiesfunctie, niet meer dan 40 m2 mag bedragen;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    3. het bieden van recreatief nachtverblijf waarbij de maximum vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40 m² en parkeren op het eigen erf plaatsvindt;
    4. bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning mits:
      • er gelet op de aard en omvang van de activiteiten sprake is en blijft van een ondergeschikte nevenfunctie bij het wonen, hetgeen in ieder geval betekent dat de maximum vloeroppervlakte niet meer dan 40 m² mag bedragen;
      • de activiteit niet vergunnings- of meldingsplichtig is op grond van de Wet milieubeheer of andere milieuwetgeving, tenzij het gebruik de woonfunctie op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving niet zal aantasten;
      • de activiteit de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteit in de woning en/of het vrijstaand bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens gebruiker van de woning is;
      • het niet betreft zodanige verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer;
      • parkeren op het eigen erf plaatsvindt.

Artikel 33 Bedrijfswoning uitgesloten     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' opgenomen.

Artikel 34 Surfschool     

Toegestaan is tevens het gebruik voor een surfschool.

Artikel 35 Evenemententerrein Jumpin' de Weel     

Toegestaan is tevens het gebruik ten behoeve van een groot en meerdaags paardensport evenement.
Voor het toegelaten gebruik geldt het volgende:

  1. het evenement is éénmaal per jaar toegestaan;
  2. het evenement mag gedurende twee weken worden gehouden, opbouw en afbreken niet meegerekend.

Artikel 36 Bezoekerscentrum     

Toegestaan is tevens het gebruik ten behoeve van:

  1. een milieu-educatief bezoekerscentrum;
  2. werkplaats voor natuuronderhoud;
  3. ondergeschikte horeca- en dagrecreatieve activiteiten.

Artikel 37 Educatie     

Toegestaan is tevens het gebruik ten behoeve van educatie.

Artikel 38 Tunnel     

Toegestaan is tevens het gebruik ten behoeve van een tunnelverbinding onder de Westerschelde.

Artikel 39 Maximale oppervlakte in gebruik     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt de maximale oppervlakte in gebruik zoals bedoeld in de regels: <strong data-attribute=”waarde1”>x</strong>m², zijnde de maximale oppervlakte in gebruik zoals vermeld in het plan.

Artikel 40 Algemeen toelaatbare functies     

40.1 Huidig en rechtstreeks toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

algemeen:

  1. ter plaatse van en in de directe omgeving van de indicatieve aanduiding: de aangegeven hoofdfunctie zoals aangeduid in dit plan;
  2. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 5 Vergunde nevenactiviteiten;
  3. niet-bedrijfsmatig particulier, hobbymatig gebruik van vergunde, solitaire gebouwen zoals voormalige fruitschuren, veldschuren of spooremplacementen;
  4. agrarisch grondgebruik met dien verstande dat:
    1. bij de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden een uit oogpunt van volksgezondheid minimale afstand van 50 m tot woningen en daarbij behorende erven en tuinen in acht moet worden genomen;
    2. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan;
    3. lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in de Kleinschalige polders en de Grootschalige polders zoals bedoeld in '7 Mag het toelaatbare gebruik en het bouwen op deze locatie ook veranderen';
    4. tot agrarisch grondgebruik ook wordt gerekend de aanleg van waterbassins, geen bouwwerken zijnde, in fruitgaarden;
    5. het aanleggen van voorzieningen voor paarden (paardenbak) uitsluitend is toegestaan:
      • in aansluiting op de bebouwing die aanwezig is op het bouwperceel waartoe ook de voorzieningen voor paarden behoren;
      • maar niet vóór de voorgevelrooilijn;

verkeer:

  1. op het moment van vaststelling van het plan bestaande wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstroken, alsmede bijbehorende opstelstroken en busstroken, met dien verstande dat:
    1. bij aanpassing van het profiel of geringe aanpassingen van het tracé van deze bestaande wegen:
      • de aanpassing uit oogpunt van verkeersintensiteiten en verkeersveiligheid noodzakelijk is;
      • er geen onevenredige geluidsoverlast zal optreden;
      • - indien sprake is van kenmerkende wegbeplanting - de kenmerkende wegbeplanting in stand wordt gehouden of met de herplant van wegbeplanting op peil blijft;
    2. de aanleg van geheel nieuwe wegen niet is toegestaan;
  2. op het moment van vaststelling van het plan bestaande voet- en fietspaden met dien verstande dat:
    1. bij aanpassing van het profiel of geringe aanpassingen van het tracé van bestaande voet- en fietspaden:
      • de aanpassing uit oogpunt van verkeersintensiteiten en verkeersveiligheid noodzakelijk is;
      • – indien sprake is van kenmerkende wegbeplanting – de kenmerkende wegbeplanting in stand wordt gehouden of met de herplant van wegbeplanting op peil blijft;
    2. bij de aanleg van geheel nieuwe voet- en fietspaden:
      • het tracé vormt een belangrijke schakel in het toeristisch netwerk voor fietsers en voetgangers;
      • of heeft een lokale functie ('ommetje');
      • of vormt de oplossing van een verkeersonveilige bestaande situatie;
      • er is sprake van een verkeersveilige nieuwe situatie;
      • er zal geen onevenredige overlast in de vorm van geluid of andersoortige hinder optreden;

natuur en landschap:

  1. lijnvormige en/of kleinschalige solitaire natuur- en landschapselementen met dien verstande dat de aanleg van nieuwe natuurelementen en nieuwe landschapselementen niet leidt tot onevenredige beperkingen van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de functies in de directe omgeving;
  2. waterlopen, waterpartijen en bluswatervoorzieningen;
  3. tuinen aansluitend bij woongebruik (burgerwoningen of bedrijfs- en dienstwoningen) met dien verstande dat het gebruik ten behoeve van tuinen niet is toegestaan aansluitend aan fruitboomgaarden indien er geen afschermende maatregelen zijn genomen;
  4. groengebied, met dien verstande dat:
    1. aanleg en gebruik is toegestaan op de gronden met de aanduiding 'groenvoorziening';
    2. de aanleg niet leidt tot onevenredige beperkingen van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de functies in de directe omgeving;

overig:

  1. extensief dagrecreatief medegebruik;
  2. overdraaiende wieken van in het plan toegestane windturbines;
  3. gsm-masten;
  4. voorzieningen die horen bij de toegelaten functies zoals groen, water, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidswerende voorzieningen en voorzieningen voor de verkeersgeleiding bij wegen, uitingen van kunstzinnigheid en reclame-uitingen;
  5. voor deze reclame-uitingen geldt dat:
    1. deze beperkt van afmetingen moeten zijn;
    2. niet ontsierend zijn in het landschap en bij het perceel;
    3. geen afbreuk mogen doen aan de verkeersveiligheid.

40.2 Verboden gebruik     

Het is verboden:

  1. gronden op een andere wijze te gebruiken dan toegestaan;
  2. bij een paardenbak en vergelijkbare voorzieningen een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten die niet zijn voorzien van bovenafdekking, te gebruiken;
  3. het storten en lozen van bagger en grondspecie; het gebruik van gronden als tijdelijk of permanent gronddepot;
  4. hoogopgaande beplantingen aan te brengen op de gronden die zijn aangeduid met 'walradarketen 1' of 'walradarketen 2'.

40.3 Afwijken voor tijdelijk baggerdepot     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 40.2 onder c en een tijdelijke baggerdepot toestaan indien:

  1. sprake is van een tijdelijke voorziening, die verband houdt met een uit te voeren werk of werkzaamheden;
  2. na afloop van het tijdelijke gebruk de oorspronkelijke situatie wordt hersteld;
  3. het tijdelijke baggerdepot niet wordt aangelegd op gronden met de functie Natuur of Waterkering.

40.4 Afwijken voor fruitboomgaarden     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 40.1 onder c.1 en een fruitboomgaard op minder dan 50 m tot woningen en daarbij behorende erven en tuinen toestaan indien:

  1. er uit oogpunt van volksgezondheid afdoende afschermende maatregelen zijn genomen.

Artikel 41 Algemeen toelaatbare functies in kwetsbare gebieden     

41.1 Huidig en rechtstreeks toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het gebruik van de gronden voor:

algemeen:

  1. ter plaatse van en in de directe omgeving van de indicatieve aanduiding: de aangegeven hoofdfunctie zoals aangeduid in dit plan;
  2. de op het moment van inwerkingtreding van dit plan vergunde kleinschalige horecamatige, (verblijfs)recreatieve, maatschappelijke en bedrijfsmatige nevenactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 5 Vergunde nevenactiviteiten;
  3. niet-bedrijfsmatig particulier, hobbymatig gebruik van vergunde, solitaire gebouwen zoals voormalige fruitschuren, veldschuren of spooremplacementen;
  4. agrarisch grondgebruik met dien verstande dat:
    1. bij de aanleg van nieuwe fruitboomgaarden een uit oogpunt van volksgezondheid minimale afstand van 50 m tot woningen en daarbij behorende erven en tuinen in acht moet worden genomen;
    2. lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan;
    3. lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in de Kleinschalige polders en de Grootschalige polders zoals bedoeld in '7 Mag het toelaatbare gebruik en het bouwen op deze locatie ook veranderen';
    4. tot agrarisch grondgebruik ook wordt gerekend de aanleg van waterbassins, geen bouwwerken zijnde, in fruitgaarden;
    5. het aanleggen van voorzieningen voor paarden (paardenbak) uitsluitend is toegestaan:
      • in aansluiting op de bebouwing die aanwezig is op het bouwperceel waartoe ook de voorzieningen voor paarden behoren;
      • maar niet vóór de voorgevelrooilijn;

verkeer:

  1. op het moment van vaststelling van het plan bestaande wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstroken, alsmede opstelstroken en busstroken, met dien verstande dat:
    1. bij aanpassing van het profiel of geringe aanpassingen van het tracé van deze bestaande wegen:
      • de aanpassing uit oogpunt van verkeersintensiteiten en verkeersveiligheid noodzakelijk is;
      • er geen onevenredige geluidsoverlast zal optreden;
      • - indien sprake is van kenmerkende wegbeplanting - de kenmerkende wegbeplanting in stand wordt gehouden of met de herplant van wegbeplanting op peil blijft;
    2. de aanleg van geheel nieuwe wegen niet is toegestaan;
  2. op het moment van vaststelling van het plan bestaande voet- en fietspaden met dien verstande dat:
    1. bij aanpassing van het profiel of geringe aanpassingen van het tracé van bestaande voet- en fietspaden:
      • de aanpassing uit oogpunt van verkeersintensiteiten en verkeersveiligheid noodzakelijk is;
      • – indien sprake is van kenmerkende wegbeplanting – de kenmerkende wegbeplanting in stand wordt gehouden of met de herplant van wegbeplanting op peil blijft;
    2. de aanleg van geheel nieuwe voet- en fietspaden niet is toegestaan;

natuur en landschap:

  1. lijnvormige en/of kleinschalige solitaire natuur- en landschapselementen met dien verstande dat de aanleg van nieuwe natuurelementen en nieuwe landschapselementen niet leidt tot onevenredige beperkingen van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de functies in de directe omgeving;
  2. bestaande tuinen;
  3. waterlopen, waterpartijen en bluswatervoorzieningen;

overig:

  1. extensief dagrecreatief medegebruik;
  2. voorzieningen die horen bij de toegelaten functies zoals groen, water, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, geluidswerende voorzieningen en voorzieningen voor de verkeersgeleiding bij wegen, uitingen van kunstzinnigheid en reclame-uitingen;
  3. voor deze reclame-uitingen geldt dat:
    1. deze beperkt van afmetingen moeten zijn;
    2. niet ontsierend zijn in het landschap en bij het perceel;
    3. geen afbreuk mogen doen aan de verkeersveiligheid.

41.2 Verboden gebruik     

Het is verboden:

  1. gronden op een andere wijze te gebruiken dan toegestaan;
  2. bij een paardenbak en vergelijkbare voorzieningen een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten die niet zijn voorzien van bovenafdekking, te gebruiken;
  3. het storten en lozen van bagger en grondspecie; het gebruik van gronden als tijdelijk of permanent gronddepot;
  4. hoogopgaande beplantingen aan te brengen op de gronden die zijn aangeduid met 'walradarketen 1' of 'walradarketen 2'.

Artikel 42 Groenvoorziening     

Deze gronden zijn tevens aangewezen als 'groenvoorziening'.

Artikel 43 Walradarketen 1     

Deze gronden zijn tevens aangewezen als 'walradarketen 1'.  

Artikel 44 Walradarketen 2     

Deze gronden zijn tevens aangewezen als 'walradarketen 2'.

Hoofdstuk 2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels)     

Artikel 45 Specifieke bouwaanduiding windturbine     

Toegestaan zijn:

  1. windturbines tot de aangegeven ashoogte van <strong data-attribute=”waarde1”>x</strong> m, zijnde de ashoogte zoals vermeld in het plan;
  2. daarbij noodzakelijke bebouwing voor de exploitatie van de windturbine;
  3. waarbij voldaan wordt aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 46 Bebouwing ten behoeve van een indicatief begrensde functie     

Ter plaatse van en in de directe omgeving van de met een indicatieve aanduiding aangegeven functie mag worden gebouwd ten behoeve van deze functie en in overeenstemming met de regels die voor de bebouwing ten behoeve van deze functie gelden.

Artikel 47 Specifieke bouwaanduiding agrarisch bedrijf     

47.1 Bouwregels     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functies Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve kwekerij geldt het volgende:

  1. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
  2. de hierna onder c tot en met j genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan:
    1. binnen het opgenomen suggestievlak voor bebouwing - waarbij suggestievlakken die zijn verbonden met een relatieteken geacht worden samen één suggestievlak te vormen -, dan wel;
    2. ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
      • ten hoogste 1 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 175 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
      • het bouwblok mag een openbare weg niet overschrijden; indien al sprake is van een overschrijding is een relatieteken opgenomen;
      • bouwblokken die zijn verbonden met een relatieteken worden geacht samen één bouwblok te vormen;
      • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven; indien eenmaal gekozen voor realisering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, buiten het suggestievlak, dan gelden de regels van het bouwblok;
      • waarbij de situering van nieuwe gebouwen afgestemd moet worden op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
      • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok vanaf de openbare weg is gewaarborgd;
      • waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de voorgevelrooilijn;
      • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
      • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
    3. met dien verstande dat bebouwing ook kan worden toegestaan ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van ten hoogste 1,5 ha met zijden met een maximale lengte van 175 m indien:
      • het bouwblok van 1 ha is benut en redelijkerwijs geen ruimte meer biedt voor verdere bedrijfsontwikkeling;
      • het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
      • het bouwblok mag een openbare weg niet overschrijden; indien al sprake is van een overschrijding is een relatieteken opgenomen;
      • bouwblokken die zijn verbonden met een relatieteken worden geacht samen één bouwblok te vormen;
      • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven; indien eenmaal gekozen voor realisering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, buiten het suggestievlak, dan gelden de regels van het bouwblok;
      • de situering van nieuwe gebouwen afgestemd moet worden op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
      • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok vanaf de openbare weg is gewaarborgd;
      • geen bebouwing is toegestaan voor de voorgevelrooilijn;
      • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
      • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
  3. per suggestievlak dan wel bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven in het plan;
  4. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. er worden geen nieuwe bedrijfswoningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd;
    2. uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' niet ingrijpend mag worden gewijzigd;
    3. bij herbouw van de bedrijfswoning binnen het suggestievlak dan wel bouwblok:
      • mag niet vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe bedrijfswoning overeen met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
    4. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van de bedrijfswoning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning;
    2. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    3. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
    4. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    5. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    6. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  6. per suggestievlak dan wel bouwblok zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    1. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het suggestievlak dan wel bouwblok gewaarborgd;
    2. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels'; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  7. voor teeltondersteunende kassen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan:
    1. als ondersteuning van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
    2. tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m²;
  8. voor gebouwen ten behoeve van een neventak aquacultuur geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m2;
  9. voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  10. voor silo's geldt het volgende:
    1. sleufsilo's zijn uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte van 3,5 m;
    2. overige silo's en melktanks zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 10 m;
  11. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m;
  12. binnen het suggestievlak dan wel bouwblok zijn overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 5 m tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 72.4.

47.2 Indieningsvereisten     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

Artikel 48 Specifieke bouwaanduiding neventak intensieve veehouderij     

48.1 Bouwregel     

De bestaande bedrijfsvloeroppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van een intensieve veehouderij mag niet worden vergroot.

48.2 Afwijking bouwen voor neventak intensieve veehouderij     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 48.1 bepaalde voor vergroting van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van een neventak intensieve veehouderij tot ten hoogste 2.100 m² waarbij geldt:

  1. na uitbreiding is nog steeds sprake van een nevenactiviteit; de agrarisch deskundige wordt hierover schriftelijk advies gevraagd;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen;
  4. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 49 Specifieke bouwaanduiding glastuinbouwbedrijf     

49.1 Bouwregels     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Agrarisch - glastuinbouw geldt het volgende:

  1. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
  2. de hierna onder c tot en met h genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan:
    1. binnen het opgenomen suggestievlak voor bebouwing, dan wel;
    2. ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
      • ten hoogste 2 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 250 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
      • het bouwblok mag een openbare weg niet overschrijden;
      • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven; indien eenmaal gekozen voor realisering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, buiten het suggestievlak, dan gelden de regels van het bouwblok;
      • waarbij de situering van nieuwe gebouwen afgestemd wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
      • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok vanaf de openbare weg is gewaarborgd;
      • waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de voorgevelrooilijn;
      • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
      • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
      • met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitbreiding uitgesloten', in afwijking van het in dit artikel bepaalde, geen uitbreiding plaats mag vinden van de bestaande bedrijfsgebouwen en bestaande kassen;
  3. per suggestievlak dan wel bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven in het plan;
  4. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. er worden geen nieuwe bedrijfswoningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd;
    2. uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' niet ingrijpend mag worden gewijzigd;
    3. bij herbouw van de bedrijfswoning binnen het suggestievlak dan wel bouwblok:
      • mag niet vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe bedrijfswoning overeen met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
    4. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van de bedrijfswoning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning;
    2. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    3. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
    4. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    5. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    6. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  6. per suggestievlak dan wel bouwblok zijn bedrijfsgebouwen, kassen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen, kassen en overkappingen geldt:
    1. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het suggestievlak dan wel bouwblok gewaarborgd;
    2. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels'; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  7. voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  8. voor silo's geldt dat de bouwhoogte ten hoogste 10 m mag bedragen;
  9. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m;
  10. binnen het suggestievlak dan wel bouwblok zijn overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 5 m tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 72.4.

49.2 Indieningsvereisten     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

Artikel 50 Uitbreiding niet toegestaan     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitbreiding uitgesloten' opgenomen.

Artikel 51 Specifieke bouwaanduiding intensieve veehouderij     

51.1 Bouwregels     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Agrarisch - intensieve veehouderij geldt het volgende:

  1. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
  2. de hierna onder c tot en met j genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan:
    1. binnen het opgenomen suggestievlak voor bebouwing, dan wel;
    2. ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
      • ten hoogste 1 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 175 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
      • het bouwblok mag een openbare weg niet overschrijden;
      • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven; indien eenmaal gekozen voor realisering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, buiten het suggestievlak, dan gelden de regels van het bouwblok;
      • waarbij de situering van nieuwe gebouwen afgestemd wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
      • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok vanaf de openbare weg is gewaarborgd;
      • waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de voorgevelrooilijn;
      • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
      • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
    3. met dien verstande dat bebouwing ook kan worden toegestaan ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van ten hoogste 1,5 ha met zijden met een maximale lengte van 175 m indien:
      • het bouwblok van 1 ha is benut en redelijkerwijs geen ruimte meer biedt voor verdere bedrijfsontwikkeling;
      • het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
      • het bouwblok mag een openbare weg niet overschrijden;
      • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven; indien eenmaal gekozen voor realisering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, buiten het suggestievlak, dan gelden de regels van het bouwblok;
      • de situering van nieuwe gebouwen afgestemd wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
      • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok vanaf de openbare weg is gewaarborgd;
      • geen bebouwing is toegestaan voor de voorgevelrooilijn;
      • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
      • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
    4. buiten een suggestievlak dan wel bouwblok in gebruik voor de pelsdierenhouderij uitsluitend voor zover het bestaande, op het moment van inwerkingtreding van het plan aanwezige sheds betreft;
  3. per suggestievlak dan wel bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven in het plan;
  4. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. er worden geen nieuwe bedrijfswoningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd;
    2. uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' niet ingrijpend mag worden gewijzigd;
    3. bij herbouw van de bedrijfswoning binnen het suggestievlak dan wel bouwblok:
      • mag niet vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe bedrijfswoning overeen met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
    4. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van de bedrijfswoning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning;
    2. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    3. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorend bouwwerk;
    4. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    5. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    6. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  6. per suggestievlak dan wel bouwblok zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    1. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het suggestievlak dan wel bouwblok gewaarborgd;
    2. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels'; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  7. voor teeltondersteunende kassen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan:
    1. als ondersteuning van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
    2. tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m²;
  8. de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van een intensieve veehouderij mag niet worden vergroot;
  9. voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  10. voor silo's geldt het volgende:
    1. sleufsilo's zijn uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte van 3,5 m;
    2. overige silo's zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 10 m;
  11. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m;
  12. binnen het suggestievlak dan wel bouwblok zijn overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 5 m tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 72.4.

51.2 Indieningsvereisten     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

51.3 Afwijking voor vergroting bedrijfsvloeroppervlakte     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 51 onder i voor vergroting van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de intensieve veehouderij waarbij geldt:

  1. er wordt een significante bijdrage geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf waarbij de omvang van de uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de mate waarin sprake is van verduurzaming;
  2. de uitbreiding is noodzakelijk voor de continuïteit van het bedrijf en een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; de agrarisch deskundige wordt hierover schriftelijk advies gevraagd;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
  4. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van naastgelegen percelen en bedrijven;
  5. uitbreiding is mogelijk tot ten hoogste 5.000 m² of, indien de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte groter is dan 5.000 m², eenmalig met ten hoogste 10% van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte;
  6. bij de vergroting van de bestaande bedrijfsvloeroppervlakte met meer dan 20 % moet tevens sprake zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, waarbij de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd;
  7. indien het toepassen van het Beter Leven Keurmerk (1 ster) ten aanzien van dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak voor de pluimveehouderij vergt, is het bepaalde omtrent bedrijfsvloeroppervlak onder e, niet van toepassing; deze uitzondering is uitsluitend van toepassing indien en voor zover een bedrijf bij toepassing van genoemd keurmerk minder dieren zou mogen houden dan in de huidige planologisch vergunde situatie;
  8. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 52 Specifieke bouwaanduiding agrarisch en/of agrarisch aanverwant bedrijf     

52.1 Bouwregels     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Bedrijf - agrarisch aanverwant of Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf geldt het volgende:

  1. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
  2. de hierna onder c tot en met j genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan:
    1. binnen het opgenomen suggestievlak voor bebouwing, dan wel;
    2. ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
      • ten hoogste 1 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 175 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
      • het bouwblok mag een openbare weg niet overschrijden;
      • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven; indien eenmaal gekozen voor realisering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, buiten het suggestievlak, dan gelden de regels van het bouwblok;
      • waarbij de situering van nieuwe gebouwen afgestemd wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
      • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok vanaf de openbare weg is gewaarborgd;
      • waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de voorgevelrooilijn;
      • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
      • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
    3. met dien verstande dat bebouwing ten behoeve van agrarisch gebruik ook kan worden toegestaan ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van ten hoogste 1,5 ha met zijden met een maximale lengte van 175 m indien:
      • sprake is van een indicatief begrensde functie Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf;
      • het bouwblok van 1 ha is benut en redelijkerwijs geen ruimte meer biedt voor verdere agrarische bedrijfsontwikkeling;
      • het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
      • het bouwblok mag een openbare weg niet overschrijden;
      • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven; indien eenmaal gekozen voor realisering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, buiten het suggestievlak, dan gelden de regels van het bouwblok;
      • de situering van nieuwe gebouwen afgestemd moet worden op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
      • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok vanaf de openbare weg is gewaarborgd;
      • geen bebouwing is toegestaan voor de voorgevelrooilijn;
      • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
      • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
  3. per suggestievlak dan wel bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven in het plan;
  4. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. er worden geen nieuwe bedrijfswoningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd;
    2. uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' niet ingrijpend mag worden gewijzigd;
    3. bij herbouw van de bedrijfswoning binnen het suggestievlak dan wel bouwblok:
      • mag niet vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe bedrijfswoning overeen met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
    4. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van de bedrijfswoning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning;
    2. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    3. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
    4. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    5. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    6. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  6. per suggestievlak dan wel bouwblok zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    1. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het suggestievlak dan wel bouwblok gewaarborgd;
    2. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    3. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels'; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  7. voor teeltondersteunende kassen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan:
    1. als ondersteuning van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
    2. tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m²;
  8. voor gebouwen ten behoeve van een neventak aquacultuur geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 2.000 m2;
  9. voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  10. voor silo's geldt het volgende:
    1. sleufsilo's zijn uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte van 3,5 m;
    2. overige silo's zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 10 m;
  11. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m;
  12. binnen het suggestievlak dan wel bouwblok zijn overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 5 m tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 72.4.

52.2 Indieningsvereisten     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

Artikel 53 Specifieke bouwaanduiding manege     

53.1 Bouwregels     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Manege geldt het volgende:

  1. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
  2. de hierna onder c tot en met h genoemde bebouwing is uitsluitend toegestaan:
    1. binnen het opgenomen suggestievlak voor bebouwing, dan wel;
    2. ter plaatse van de indicatieve aanduiding en binnen het daarbij aansluitende oppervlak (bouwblok) van:
      • ten hoogste 1 ha met zijden die gelet op de lengte-breedte verhouding passend zijn in de omgeving met dien verstande dat geen van de zijden langer is dan 175 m; het bouwblok kan vierkant, rechthoekig, een combinatie daarvan of meerhoekig zijn;
      • het bouwblok mag een openbare weg niet overschrijden;
      • waarbij gerealiseerde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, te allen tijde binnen het bouwblok gesitueerd moeten blijven; indien eenmaal gekozen voor realisering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 71 en/of 72, buiten het suggestievlak, dan gelden de regels van het bouwblok;
      • waarbij de situering van nieuwe gebouwen afgestemd wordt op de situering en lengterichting van de aanwezige bebouwing;
      • waarbij, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het bouwblok vanaf de openbare weg is gewaarborgd;
      • waarbij geen bebouwing is toegestaan voor de voorgevelrooilijn;
      • er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van aanwezige natuur, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden;
      • waarbij niet gebouwd mag worden binnen een afstand van 5 m tot een bouwperceelsgrens;
  3. per suggestievlak dan wel bouwblok is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven in het plan;
  4. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. er worden geen nieuwe bedrijfswoningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd;
    2. uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' niet ingrijpend mag worden gewijzigd;
    3. bij herbouw van de bedrijfswoning binnen het suggestievlak dan wel bouwblok:
      • mag niet vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe bedrijfswoning overeen met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
    4. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van de bedrijfswoning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning;
    2. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    3. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
    4. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    5. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    6. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  6. per suggestievlak dan wel bouwblok zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    1. de bebouwing is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;
    2. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen en daarbij blijft, voor zover mogelijk, de zichtbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en elementen op het suggestievlak dan wel bouwblok gewaarborgd;
    3. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
    4. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels'; de aanleg en duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen vastgelegd;
  7. voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  8. voor silo's geldt het volgende:
    1. sleufsilo's zijn uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte van 3,5 m;
    2. overige silo's zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 10 m;
  9. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m;
  10. binnen het suggestievlak dan wel bouwblok zijn overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 5 m tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 72.4.

53.2 Indieningsvereiste     

Bij aanvragen voor omgevingsvergunning voor bouwen wordt door initiatiefnemers in ieder geval ook een tekening overlegd van het – eventueel gewijzigde – bouwblok met alle aanwezige bebouwing zodat eenvoudig bepaald kan worden of de aangevraagde bebouwing binnen het bouwblok is gesitueerd.

Artikel 54 Specifieke bouwaanduiding niet agrarisch bedrijf     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functies Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel, Horeca, Dagrecreatie, Dagrecreatie 1 of Verblijfsrecreatie 1, inclusief de medegebruiksfuncties, geldt het volgende:

  1. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
  2. bedrijfsbebouwing (uitgezonderd de bedrijfswoning met vrijstaande bijbehorende bouwwerken) is toegestaan tot de maximale bebouwingsoppervlakte zoals aangegeven in het plan:
    1. waarbij de afstand tot de bouwperceelsgrens ten minste 5 m bedraagt;
    2. waarbij geen bebouwing is toegestaan vóór de voorgevelrooilijn;
  3. per indicatief begrensde functie is ten hoogste één bedrijfswoning met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken toegestaan, tenzij anders aangegeven in het plan;
  4. voor de bedrijfswoning geldt:
    1. er worden geen nieuwe bedrijfswoningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd;
    2. uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' niet ingrijpend mag worden gewijzigd;
    3. bij herbouw van de bedrijfswoning binnen het bouwblok:
      • mag niet vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning worden gebouwd tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • komt het uitwendige karakter van de nieuwe bedrijfswoning overeen met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
    4. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van de bedrijfswoning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  5. per bedrijfswoning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning;
    2. de onderlinge afstand tussen de bedrijfswoning en de op hetzelfde bouwperceel te realiseren vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 25 m mag bedragen;
    3. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 150 m² bedragen;
    4. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
    5. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    6. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30o en maximaal 45o;
    7. in afwijking van het bepaalde onder b bedraagt de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m;
  6. per indicatief begrensde functie zijn bedrijfsgebouwen en overkappingen toegestaan; voor nieuwe bedrijfsgebouwen en overkappingen geldt:
    1. de situering is passend gelet op de situering van bestaande bedrijfsgebouwen;
    2. de goothoogte mag niet meer dan 7 m bedragen;
  7. voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  8. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m;
  9. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten dienste van het gebruik zijn toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 5 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 72.4.

Artikel 55 Specifieke bouwaanduiding begraafplaats     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Begraafplaats geldt het volgende:

  1. bebouwing is toegestaan:
    1. naar de aard en tot de omvang die noodzakelijk is voor het gebruik als begraafplaats;
    2. waarbij voldaan wordt aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
    3. waarbij er geen sprake is van een onevenredige beperking van het gebruik van de aangrenzende percelen en bedrijven.

Artikel 56 Specifieke bouwaanduiding cultuurhistorie     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Cultuurhistorie geldt het volgende:

  1. toegestaan is de bestaande bebouwing;
  2. bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden herbouwd op dezelfde locatie en in dezelfde omvang en met dezelfde verschijningsvorm waarbij voldaan wordt aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 57 Specifieke bouwaanduiding jachthaven     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de functie Jachthaven geldt het volgende:

  1. toegestaan zijn de bestaande gebouwen;
  2. toegestaan zijn de bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de aanleg van schepen en boten;
  3. bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden herbouwd op dezelfde locatie en in dezelfde omvang waarbij voldaan wordt aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 58 Specifieke bouwaanduiding nutsvoorziening     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Nutsvoorziening geldt het volgende:

  1. bebouwing is toegestaan:
    1. naar de aard en tot de omvang die noodzakelijk is voor het gebruik ten behoeve van het algemeen nut;
    2. waarbij er geen sprake is van een onevenredige beperking van het gebruik van de aangrenzende percelen en bedrijven;
    3. waarbij rekening wordt gehouden met minimaal aan te houden afstanden tot wegen uit oogpunt van verkeersveiligheid;
    4. waarbij voldaan wordt aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
    5. hoge bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk zijn voor het algemene nut zoals de radartoren en gsm-masten, zijn toegelaten tot een bouwhoogte waarbij geen ontoelaatbare verstoring plaatsvindt van de radar van vliegveld Woensdrecht, de veiligheid van het vliegverkeer Midden Zeeland is gewaarborgd en de optische vrije paden niet worden verstoord.

Artikel 59 Specifieke bouwaanduiding sportvoorzieningen     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Sport geldt het volgende:

  1. bebouwing is toegestaan:
    1. naar de aard en tot de omvang die noodzakelijk is voor het gebruik als sportterrein;
    2. waarbij er geen sprake is van een onevenredige beperking van het gebruik van de aangrenzende percelen en bedrijven;
    3. waarbij rekening wordt gehouden met minimaal aan te houden afstanden tot wegen uit oogpunt van verkeersveiligheid;
    4. waarbij voldaan wordt aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 60 Specifieke bouwaanduiding verblijfsrecreatie     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Verblijfsrecreatie geldt het volgende:

  1. gebouwen en overkappingen zijn toegestaan:
    1. tot een gezamenlijke omvang van maximaal 200 m² en een bouwhoogte van 4 m;
    2. waarbij er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de bestaande landschappelijke inpassing;
    3. waarbij rekening wordt gehouden met minimaal aan te houden afstanden tot wegen uit oogpunt van verkeersveiligheid;
  2. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 72.4;
  3. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 61 Specifieke bouwaanduiding volkstuin     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Volkstuin geldt het volgende:

  1. gebouwen en overkappingen zijn toegestaan:
    1. per volkstuintje tot een omvang van maximaal 10% van het volkstuintje en met een bouwhoogte van 4 m;
    2. waarbij er geen sprake is van een onevenredige beperking van het gebruik van de aangrenzende volkstuinen en percelen;
  2. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 3 m, tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 72.4;
  3. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 62 Specifieke bouwaanduiding wonen     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Wonen inclusief de medegebruiksfuncties, geldt het volgende:

  1. toegestaan zijn:
    1. één hoofdgebouw met aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen ten behoeve van één woning;
    2. vrijstaande bijbehorende bouwwerken met aangebouwde overkappingen;
    3. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde;
  2. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
  3. voor de woning geldt:
    1. vernieuwen en veranderen van de woning binnen het bestaande bouwvolume van de woning met de daarmee een geheel vormende ruimten (voormalige schuren en stallen en dergelijke) is toegestaan waarbij geldt dat:
    2. uitbreiden van de woning, inclusief de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken en aangebouwde overkappingen, is toegestaan waarbij geldt dat:
      • niet gebouwd mag worden vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande woning;
      • het uitwendige karakter overeenkomstig de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' niet ingrijpend mag worden gewijzigd, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat de goot- en bouwhoogte ten opzichte van de bestaande goot- en bouwhoogte met niet meer dan 10% mag worden vergroot;
      • de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m bedraagt;
    3. nieuwbouw van een woning in combinatie met sloop van de bestaande woning is toegestaan waarbij geldt dat:
      • niet gebouwd mag worden vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande woning tenzij een locatie vóór deze voorgevelrooilijn uit stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieuoogpunt – waaronder geluid – aanvaardbaar is;
      • de afstand van de woning met aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken tot de bouwperceelsgrens ten minste 2 m bedraagt;
      • de afstand van de nieuwe woning tot de bestaande te slopen woning niet meer dan 10 m mag bedragen met dien verstande dat een grotere afstand mogelijk is indien er sprake blijft van een mate van concentratie van bebouwing, gelet op de situering van de overige aanwezige gebouwen;
      • het uitwendige karakter van de nieuwe woning overeen komt met de opgenomen typologie voor de woning zoals beschreven in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit';
      • er worden geen nieuwe woningen binnen 10-6-contouren van inrichtingen en/of leidingen gerealiseerd;
  4. per woning zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan waarbij geldt:
    1. vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan op de gronden die als erf bij de woning mogen worden gebruikt;
    2. er is sprake van een bepaalde mate van concentratie van gebouwen waarbij de onderlinge afstand tussen het hoofdgebouw en de op hetzelfde bouwperceel te realiseren vrijstaande bijbehorende bouwwerken in ieder geval niet meer dan 25 m mag bedragen;
    3. de gezamenlijke bebouwde oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken met aangebouwde overkappingen mag maximaal bedragen:
      • in geval het erf kleiner dan of gelijk is aan 100 m2: 50% van het erf;
      • in geval het erf groter is dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk is aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het erf dat groter is dan 100 m2;
      • in geval het erf groter is dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het erf dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m²;
    4. er zijn geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan voor de voorgevelrooilijn van de woning;
    5. bij uitbreiding van een bestaand vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag de goothoogte en de dakhelling niet meer bedragen dan die van het bestaande vrijstaande bijbehorende bouwwerk;
    6. in het geval dat een geheel nieuw vrijstaand bijbehorend bouwwerk wordt gebouwd, mag de goothoogte niet meer dan 3,25 m bedragen;
    7. indien een dakhelling wordt toegepast bedraagt de helling minimaal 30 o en maximaal 45 o;
    8. de afstand van ieder vrijstaand bijbehorend bouwwerk tot de bouwperceelsgrens bedraagt ten minste 2 m;
  5. voor gebouwen ten behoeve van sanitaire- en slechtweervoorzieningen bij kleinschalige kampeerterreinen geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m2;
  6. van permanent aanwezige kampeermiddelen mag de oppervlakte ten hoogste 40 m2 bedragen en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 m;
  7. bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 3 m tenzij het bouwwerken betreft zoals genoemd in artikel 72.4.

Artikel 63 Specifieke bouwaanduiding verzorgingsplaats     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie Verzorgingsplaats geldt het volgende:

  1. gebouwen zijn toegestaan tot een bouwhoogte van ten hoogste 12 m;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 20 m;
  3. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 64 Specifieke bouwaanduiding - verzorgingsplaats 1     

Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de exploitatie, het beheer en onderhoud van de Westerscheldetunnel geldt het volgende:

  1. gebouwen zijn toegestaan:
    1. tot een bouwhoogte van ten hoogste 6 m;
    2. tot een oppervlakte van ten hoogste 250 m2;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 12 m;
  3. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Artikel 65 Suggestievlak voor bebouwing     

Voor de functie op deze locatie geldt het aangeduide suggestievlak voor bebouwing zoals opgenomen in artikel 47 Specifieke bouwaanduiding agrarisch bedrijf, artikel 49 Specifieke bouwaanduiding glastuinbouwbedrijf, artikel 51 Specifieke bouwaanduiding intensieve veehouderij, artikel 52 Specifieke bouwaanduiding agrarisch en/of agrarisch aanverwant bedrijf of artikel 53 Specifieke bouwaanduiding manege.

Artikel 66 Maximale oppervlakte bebouwd     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt de maximale bebouwingsoppervlakte zoals bedoeld in de regels: <strong data-attribute=”waarde1”>x</strong>m², zijnde de maximale bebouwingsoppervlakte zoals vermeld in het plan.

Artikel 67 Maximum aantal bedrijfswoningen     

Voor de functie op deze indicatief aangeduide locatie bedraagt het aantal bedrijfswoningen: <strong data-attribute=”waarde1”>x</strong>, zijnde het aantal bedrijfswoningen zoals vermeld in het plan.

Artikel 68 Bouwen binnen een geluidszone industrielawaai     

Indien en voorzover hier op grond van dit plan bebouwing is toegestaan geldt het volgende:

  1. bouwen van nieuwe gebouwen met een geluidsgevoelige bestemming is uitsluitend toegestaan, indien is gebleken dat de geluidsbelasting vanwege het industrielawaai op de gevels van de gebouwen met deze geluidsgevoelige bestemming niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

Artikel 69 Bouwen binnen het gebied van de walradarketen 1     

Bouwen binnen het gebied van 'walradarketen 1' is uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte die de hoogte van de aangrenzende dijk langs de Westerschelde niet overschrijdt.

Voor bebouwing hoger dan de dijk geldt dat bebouwing uitsluitend is toegestaan indien het belang van de walradarketen niet onevenredig wordt geschaad; hierover wordt de beheerder van de walradarketen advies gevraagd.

Artikel 70 Bouwen binnen het gebied van de walradarketen 2     

Bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 500 m2 binnen het gebied van 'walradarketen 2' zijn uitsluitend toegestaan tot een bouwhoogte die de hoogte van de aangrenzende dijk langs de Westerschelde niet overschrijdt. Voor bebouwing groter dan 500 m2 alsmede hoger dan de dijk geldt dat bebouwing uitsluitend is toegestaan indien het belang van de walradarketen niet onevenredig wordt geschaad; hierover wordt de beheerder van de walradarketen advies gevraagd.

Artikel 71 Bouwen anti-hagelgeneratoren en teeltondersteunende voorzieningen     

Toegestaan zijn:

  1. anti-hagelgeneratoren;
  2. teeltondersteunende voorzieningen.

71.1 Anti-hagelgeneratoren     

Voor anti-hagelgeneratoren geldt:

  1. anti-hagelgeneratoren zijn uitsluitend toegestaan op gronden in gebruik voor fruitgaarden.

71.2 Teeltondersteunende voorzieningen     

Voorzover voor teeltondersteunende voorzieningen op gronden in agrarisch gebruik sprake is van bouwen geldt:

  1. voor lage tijdelijke permanente teeltondersteunende voorzieningen gelden geen specifieke voorwaarden;
  2. lage permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan in Kerngebied de Poel en heggengebied Nisse;
  3. met uitzondering van Kerngebied de Poel en heggengebied Nisse zijn hoge tijdelijke en hoge permanente teeltondersteunende voorzieningen toegestaan waarbij geldt:
    1. boog- en gaas kassen zijn toegestaan in aansluiting op een agrarische suggestievlak dan wel bouwblok waarbij geldt:
    2. regenkappen zijn toegestaan waarbij geldt:
    3. stellingen en hagelnetten zijn toegestaan waarbij geldt:
    4. voor de toelaatbaarheid van teeltondersteunende kassen wordt verwezen naar artikel 47 , 51 en 52.

Artikel 72 Algemeen toelaatbare gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voorts zijn nog toegestaan:

72.1 Bestaande maten, afstanden en hoeveelheden     

Met betrekking tot bestaande maten en afstanden gelden de volgende regels:

  1. indien afstanden op de datum van de inwerkingtreding van dit plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge het plan is toegestaan, mogen de bestaande afstanden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden;
  2. in die gevallen dat hoogten, inhoud, aantal en/of (bebouwings)oppervlakten van bestaande bouwwerken op de dag van de inwerkingtreding van dit plan meer of minder bedragen dan ingevolge het plan is toegestaan, mogen de bestaande maten en hoeveelheden als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden;
  3. ingeval van herbouw is het bepaalde onder a en b slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;
  4. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken zoals opgenomen in lid 165.1 niet van toepassing.

72.2 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregels     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 72.1 onder c voor:

  1. het toestaan van herbouw van een gebouw met een 20 % kleinere inhoud dan wel een 20 % kleinere oppervlakte, op een andere locatie;

Hierbij geldt dat afwijking is toegestaan voor zover een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van:

  1. de woonsituatie;
  2. het straat- en bebouwingsbeeld;
  3. de beeldkwaliteit van de panden op het perceel en van het erf;

en geen sprake is van een onevenredige aantasting van:

  1. de verkeersveiligheid;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

72.3 Gebouwen en overkappingen     

De volgende gebouwen en overkappingen, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:

  1. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van schuilgelegenheden of stallen voor het hobbymatig houden van vee/paarden tot een maximale oppervlakte van 25 m² (inclusief overkappingen) per schuilgelegenheid waarbij geldt:
    1. deze bouwwerken zijn niet toegestaan op de gronden aangeduid als Waarde - Landschappelijke openheid in agrarisch gebied, Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied, Waarde - Natuur en landschapswaarden op dijken, Groen, Natuur of Waterkering;
    2. de locatie van de bouwwerken zijn in landschappelijk en stedenbouwkundig opzicht passend in de omgeving;
    3. de locatie van de bouwwerken zorgt niet voor overlast en hinder voor omwonenden;
    4. bij de toepassing van een zadeldak bedraagt de goothoogte maximaal 2,5 m en de dakhelling maximaal 45o met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 4,5 m mag bedragen;
    5. bij de toepassing van een lessenaarsdak bedraagt de goothoogte aan de lage zijde maximaal 2 m en de dakhelling maximaal 20o met dien verstande dat de goothoogte aan de hoge zijde niet meer dan 3,5 m mag bedragen;
    6. op vergunde solitaire schuilgelegenheden met een oppervlakte van meer dan 25 m2 is het bepaalde in 72.1 van toepassing;
  2. toelaatbaar zijn gebouwen en overkappingen van geringe omvang voor natuuronderhoud, -beheer, natuurrecreatie of -educatie;
  3. toelaatbaar zijn gebouwen en overkappingen van geringe omvang ten behoeve van het verkeer zoals gebouwen voor verkeersgeleiding, verkeersveiligheid en abri's;
  4. toelaatbaar zijn gebouwen en overkappingen ten behoeve van de waterkering, het beheer en onderhoud ervan, de scheepvaart en de waterbeheersing;
  5. toelaatbaar zijn fruitschuren, veldschuren en schuilgelegenheden of stallen voor vee voor een grondgebonden veehouderij met weidegang met een oppervlakte van ten hoogste 50 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 6 m ten behoeve van agrarisch bedrijven waarbij:
    1. de opstallen noodzakelijk zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering;
    2. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing zoals aangegeven in '8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels'; het beheer en onderhoud van deze landschappelijke inpassing dient gericht te zijn op de in stand houding ervan;
    3. op vergunde solitaire fruitschuren, veldschuren en schuilgelegenheden of stallen met een oppervlakte van meer dan 50 m2 is het bepaalde in 72.1 van toepassing;
  6. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

72.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

De volgende bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, uitsluitend ten behoeve van de toegelaten functie, waarbij het volgende geldt:

  1. perceels- en terreinafscheidingen zijn toegestaan:
    1. tot een bouwhoogte van 1 m voor de voorgevelrooilijn van (bedrijfs)woningen;
    2. tot een bouwhoogte van 2 m in overige situaties;
    3. tot een bouwhoogte van 2,5 m indien deze hoogte uit oogpunt van veiligheid en beveiliging noodzakelijk is;
  2. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, voor verkeersgeleiding, verlichting, bewegwijzering, kunstwerken en vergelijkbare noodzakelijke voorzieningen van algemeen nut, zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 8 m;
  3. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, noodzakelijk voor de waterkering, het beheer en onderhoud ervan en de waterbeheersing zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 6 m;
  4. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten behoeve van paardenbakken, stapmolens en vergelijkbare voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan:
    1. in aansluiting op suggestievlakken dan wel bouwblokken of in aansluiting op bestaande bebouwing;
    2. tot een bouwhoogte van 1,5 m;
  5. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten behoeve van extensief recreatief gebruik zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 5 m;
  6. waterbassins voor de fruitteelt zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 m;
  7. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

 

Hoofdstuk 3 Op deze locatie is een rijksinpassingsplan van toepassing     

Artikel 73 Rijksinpassingsplan net op zee Borssele     

Op deze gronden is tevens het vastgestelde inpassingsplan 'net op zee Borssele' van toepassing, waarbij geldt:

  1. onder 'de andere voor deze gronden geldende bestemming(en)' en 'de andere daar voorkomende bestemming(en)' zoals opgenomen in het inpassingsplan 'net op zee Borssele' worden de functies in dit plan verstaan en begrepen;
  2. indien er strijdigheid ontstaat tussen de rechtstreeks toegelaten of met melding, afwijking of delegatie toegelaten functies, de specifieke gebruiksregels, de regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden en de bouwregels van dit plan enerzijds en het plan 'net op zee Borssele' anderzijds prevaleert het plan 'net op zee Borssele'.

Artikel 74 Rijksinpassingsplan Zuid-West 380 kV west     

Op deze gronden is tevens het vastgestelde inpassingsplan 'Zuid-West 380 kV west' van toepassing waarbij geldt:

  1. onder 'de andere aan deze gronden toegekende bestemming(en)', 'de andere daar voorkomende bestemming(en)' en 'de andere daar voorkomende (dubbel)bestemming(en) en/of aanduiding(en)' zoals opgenomen in het inpassingsplan 'Zuid-West 380 kV west' worden de functies in dit plan verstaan en begrepen;
  2. indien er strijdigheid ontstaat tussen de rechtstreeks toegelaten of met melding, afwijking of delegatie toegelaten functies, de specifieke gebruiksregels, de regels voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden en de bouwregels van dit plan enerzijds en het plan 'Zuid-West 380 kV west' anderzijds prevaleert het plan 'Zuid-West 380 kV west'.

Hoofdstuk 4 Op deze locatie gelden aanvullende gebruiks- en bouwregels voor (de bescherming van) leidingen     

Artikel 75 Leiding - Gas     

75.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor:

  1. bestaande aardgasleidingen alsmede aardgasleidingen met een zodanige druk en diameter dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en de 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Gas zijn gelegen.

75.2 Strijdig gebruik     

Tot strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  1. het opslaan van goederen, met uitzondering van het opslaan van goederen ten behoeve van de inspectie en het onderhoud van de leiding.

75.3 Werken en werkzaamheden     

75.3.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  5. het aanleggen, verleggen of verwijderen van andere ondergrondse kabels en leidingen dan bij het toelaatbare gebruik is aangegeven en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

75.3.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

75.4 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 76 Leiding - Hoogspanning     

76.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor een ondergrondse hoogspanningsverbinding van 150 kV.

76.2 Werken en werkzaamheden     

76.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen en vergraven van gronden;
  2. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  3. het aanleggen, verleggen of verwijderen van andere ondergrondse kabels en leidingen dan bij het toelaatbare gebruik is aangegeven en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

76.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

76.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 77 Leiding - Hoogspanningsverbinding     

77.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor bovengrondse hoogspanningsverbindingen van 150 of 380 kV.

77.2 Werken en werkzaamheden     

77.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen.

77.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

77.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 78 Leiding - Leidingstrook     

78.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor leidingen met een zodanige druk en diameter dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en de 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Leidingstrook zijn gelegen.

78.2 Werken en werkzaamheden     

78.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  5. het aanleggen, verleggen of verwijderen van andere ondergrondse kabels en leidingen dan bij het toelaatbare gebruik is aangegeven en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

78.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

78.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 79 Leiding - Olie     

79.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor:

  1. bestaande olieleidingen (crude oil, nafta, gasolie, petroleum) alsmede olieleidingen met een zodanige druk en diameter dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en de 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Olie zijn gelegen.

79.2 Werken en werkzaamheden     

79.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  5. het aanleggen, verleggen of verwijderen van andere ondergrondse kabels en leidingen dan bij het toelaatbare gebruik is aangegeven en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

79.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

79.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 80 Leiding - Propyleen     

80.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor:

  1. bestaande propyleenleidingen alsmede propyleenleidingen met een zodanige druk en diameter dat de daarbij behorende belemmeringenstrook en de 10-6-risicocontour binnen het geometrisch bepaald vlak met de functie Leiding - Propyleen zijn gelegen.

80.2 Werken en werkzaamheden     

80.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  5. het aanleggen, verleggen of verwijderen van andere ondergrondse kabels en leidingen dan bij het toelaatbare gebruik is aangegeven en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

80.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

80.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 81 Leiding - Riool     

81.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor rioolleidingen.

81.2 Werken en werkzaamheden     

81.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  5. het aanleggen, verleggen of verwijderen van andere ondergrondse kabels en leidingen dan bij het toelaatbare gebruik is aangegeven en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

81.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

81.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 82 Leiding - Water     

82.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor waterleidingen.

82.2 Werken en werkzaamheden     

82.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen zoals afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen en egaliseren van gronden;
  2. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  4. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  5. het aanleggen, verleggen of verwijderen van andere ondergrondse kabels en leidingen dan bij het toelaatbare gebruik is aangegeven en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  6. het aanleggen, vergraven of dempen van sloten, greppels of wateren.

82.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  2. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

82.3 Afwijking en bijbehorende beoordelingsregels     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan pas worden verleend, indien:

  1. hierdoor, dan wel door de te verwachten gevolgen, het leidingbelang geen schade wordt toegebracht.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 83 Bouwen in de nabijheid van leidingen     

83.1 Bouwen ten behoeve van de leiding     

83.1.1 Hoogspanningsverbinding     

Bouwen ten behoeve van de hoogspanningsverbinding en vervanging van de bestaande hoogspanningsmasten is toegestaan:

  1. tot een bouwhoogte waarbij geen ontoelaatbare verstoring plaatsvindt van de radar van vliegveld Woensdrecht;
  2. tot een bouwhoogte waarbij de veiligheid van het vliegverkeer Midden Zeeland is gewaarborgd;
  3. tot een bouwhoogte waarbij de optische vrije paden niet worden verstoord;

met dien verstande dat, indien sprake is van een samenvallende functie Waterkering, er geen sprake is van een onevenredige nadelige invloed op de waterkerende functie van de Waterkering.

83.1.2 Gasleiding Lange Zuidweg 2     

Bouwen ten behoeve van het bovengrondse gastransport is toegestaan met dien verstande dat, indien sprake is van een samenvallende functie Waterkering, er geen sprake is van een onevenredige nadelige invloed op de waterkerende functie van de Waterkering.

83.1.3 Overige leidingen en bouwwerken     

Bouwen ten behoeve van de leidingen is toegestaan met dien verstande dat, indien sprake is van een samenvallende functie Waterkering, er geen sprake is van een onevenredige nadelige invloed op de waterkerende functie van de Waterkering.

83.2 Bouwen ten behoeve van samenvallende functies     

Ten behoeve van de andere, voor deze gronden toegestane functies mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

83.3 Afwijken van de bouwregels     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 83.2:

  1. indien de bij de betrokken functie behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet wordt geschaad;
  2. geen kwetsbare objecten worden toegestaan op de gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanning, Leiding - Hoogspanningsverbinding, Leiding - Leidingstrook, Leiding - Olie en/of Leiding - Propyleen en voorkomen wordt dat door conversie van beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten binnen 10-6-contouren ontstaan.

De leidingbeheerder van de desbetreffende leiding wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, en b alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Hoofdstuk 5 Op deze locatie gelden aanvullende gebruiks- en bouwregels voor de (bescherming van de) waterkeringen     

Artikel 84 Waterstaat - Waterkering     

84.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor de regionale waterkering en de waterbeheersing.

84.2 Bouwen ten behoeve van de waterkering     

Het bepaalde in Artikel 72 Algemeen toelaatbare gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is van toepassing.

84.3 Bouwen ten behoeve van de samenvallende functies     

Bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden toegestane functies zijn niet toegestaan, met uitzondering van reeds bestaande bouwwerken.

84.4 Afwijken van de bouwregels     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 84.3:

  1. voor het bouwen of uitbreiden van bouwwerken voor de andere aldaar geldende functies en met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels, mits het belang van de regionale waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad.

De beheerder van de waterkering wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Artikel 85 Beschermingszone waterkeringen     

85.1 Toelaatbaar gebruik     

Toegestaan is het medegebruik van de gronden voor de bescherming van de primaire en regionale waterkering.

85.2 Bouwen ten behoeve van de waterkering     

Het bepaalde in Artikel 72 Algemeen toelaatbare gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde is van toepassing.

85.3 Bouwen ten behoeve van de samenvallende functies     

Ten behoeve van de andere, voor deze gronden toegestane functies mag - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

85.4 Afwijken van de bouwregels     

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 84.3:

  1. voor het bouwen of uitbreiden van bouwwerken voor de andere aldaar geldende functies en met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels, mits het belang van de primaire en/of regionale waterkering hierdoor niet onevenredig wordt geschaad.

De beheerder van de waterkering wordt vooraf gedurende drie weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk advies uit te brengen omtrent de beoordeling bedoeld onder a, alsmede over de beperkingen en voorschriften die gesteld dienen te worden ter bescherming van de daar genoemde belangen.

Hoofdstuk 6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit     

Artikel 86 Agrarische en niet-agrarische bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende regels:

86.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende algemene regels:

  1. Het woongedeelte en bedrijfsgedeelte moeten als zelfstandige functies herkenbaar zijn.
  2. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  3. De bestaande positionering van woonhuis en bedrijfsbebouwing is maatgevend.
  4. Uitbreiding en toevoeging van bedrijfsbebouwing dient plaats te vinden achter (het verlengde van) de achtergevel van de voorste bedrijfsbebouwing, tenzij dit gelet op de feitelijke situering van bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting niet passend is. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  5. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  6. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg/dijk) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de bestaande bebouwing of landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  7. Indien er sprake is van bestaande, detonerende bedrijfsbebouwing dient bij verdere bedrijfsuitbreiding gezocht te worden naar een kwaliteitsverbetering voor de detonerende bebouwing.
  8. Bij het toevoegen van bedrijfsbebouwing dient rekening gehouden te worden met mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf.
  9. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  10. Voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing gelden de regels als verwoord in lid 86.2.
  11. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 86.3.
  12. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 86.4.
  13. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing bij een complex zonder historische kenmerken gelden de regels als verwoord in lid 86.4.

86.2 Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:

  1. Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik nagenoeg identiek aan de oorspronkelijke bebouwing.
  2. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk
    2. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels.
  3. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
    2. Wanneer de oorspronkelijke bebouwing reeds voorzien was van golfplaten, is het toepassen van golfplaten (staal of cementgebonden) of dakpanprofielplaten toegestaan.
    3. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    4. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    5. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  4. Beeldbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen, makelaars en daklijsten dienen te worden teruggebracht.
  5. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen te worden teruggebracht.

86.3 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:

  1. De nieuwe bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik afgestemd op de reeds aanwezige bedrijfsbebouwing.
  2. Het hellingspercentage van hellende dakvlakken mag maximaal 10 graden flauwer zijn dan van de historische bedrijfsbebouwing.
  3. De overspanningsmaat van de bedrijfsbebouwing bedraagt maximaal 1,5 maal de overspanningsmaat van de bestaande, historische bedrijfsbebouwing.
  4. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  5. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  6. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  7. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  9. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.
  10. Stijl- en beeldkenmerken van de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld witte belijningen rond de kap, deur- en raampartijen, dienen ook in de (vervangende) nieuwbouw te worden toegepast.

86.4 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:

  1. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing parallel aan de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 20 meter. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing haaks op de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 15 meter.
  2. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn. Overstekken maken onderdeel uit van de hoofdvorm.
  3. De bedrijfsgebouwen dienen voorzien te zijn van een zadeldak met een hellingshoek van minimaal 20 graden, tenzij de dakhelling van bestaande bedrijfsbebouwing er aanleiding toe geeft een andere dakhelling te hanteren ten einde te komen tot een evenwichtig bebouwingsbeeld.
  4. De overspanningsmaat van een bedrijfsgebouw gelegen in een grootschalige polder bedraagt maximaal 30 meter. Indien een bedrijfsgebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  5. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  6. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  7. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, omgekeerde damwandprofielplaten of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  8. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  10. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.

Artikel 87 Agrarische en niet-agrarische bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels:

87.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende algemene regels:

  1. Het woongedeelte en bedrijfsgedeelte moeten als zelfstandige functies herkenbaar zijn.
  2. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  3. De bestaande positionering van woonhuis en bedrijfsbebouwing is maatgevend.
  4. Uitbreiding en toevoeging van bedrijfsbebouwing dient plaats te vinden achter (het verlengde van) de achtergevel van de voorste bedrijfsbebouwing, tenzij dit gelet op de feitelijke situering van bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting niet passend is. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  5. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  6. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg/dijk) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de bestaande bebouwing of landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  7. Indien er sprake is van bestaande, detonerende bedrijfsbebouwing dient bij verdere bedrijfsuitbreiding gezocht te worden naar een kwaliteitsverbetering voor de detonerende bebouwing.
  8. Bij het toevoegen van bedrijfsbebouwing dient rekening gehouden te worden met mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf.
  9. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  10. Voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing gelden de regels als verwoord in lid 87.2.
  11. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 87.3.
  12. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 87.4.
  13. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing bij een complex zonder historische kenmerken gelden de regels als verwoord in lid 87.4.

87.2 Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:

  1. Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik nagenoeg identiek aan de oorspronkelijke bebouwing.
  2. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk.
    2. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels.
  3. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
    2. Wanneer de oorspronkelijke bebouwing reeds voorzien was van golfplaten, is het toepassen van golfplaten (staal of cementgebonden) of dakpanprofielplaten toegestaan.
    3. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    4. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    5. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  4. Beeldbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen, makelaars en daklijsten dienen te worden teruggebracht.
  5. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen te worden teruggebracht.

87.3 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:

  1. De nieuwe bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik afgestemd op de reeds aanwezige bedrijfsbebouwing.
  2. Het hellingspercentage van hellende dakvlakken mag maximaal 10 graden flauwer zijn dan van de historische bedrijfsbebouwing.
  3. De overspanningsmaat van de bedrijfsbebouwing bedraagt maximaal 1,5 maal de overspanningsmaat van de bestaande, historische bedrijfsbebouwing
  4. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  5. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  6. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  7. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  9. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.
  10. Stijl- en beeldkenmerken van de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld witte belijningen rond de kap, deur- en raampartijen, dienen ook in de (vervangende) nieuwbouw te worden toegepast.

87.4 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:

  1. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing parallel aan de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 20 meter. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing haaks op de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 15 meter.
  2. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn. Overstekken maken onderdeel uit van de hoofdvorm.
  3. De bedrijfsgebouwen dienen voorzien te zijn van een zadeldak met een hellingshoek van minimaal 20 graden, tenzij de dakhelling van bestaande bedrijfsbebouwing er aanleiding toe geeft een andere dakhelling te hanteren ten einde te komen tot een evenwichtig bebouwingsbeeld.
  4. De overspanningsmaat van een bedrijfsgebouw gelegen in een kleinschalige polder bedraagt maximaal 25 meter. Indien een bedrijfsgebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  5. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  6. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  7. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, omgekeerde damwandprofielplaten of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  8. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  10. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.

Artikel 88 Agrarische en niet-agrarische bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels:

88.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende algemene regels:

  1. Het woongedeelte en bedrijfsgedeelte moeten als zelfstandige functies herkenbaar zijn.
  2. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  3. De bestaande positionering van woonhuis en bedrijfsbebouwing is maatgevend.
  4. Uitbreiding en toevoeging van bedrijfsbebouwing dient plaats te vinden achter (het verlengde van) de achtergevel van de voorste bedrijfsbebouwing, tenzij dit gelet op de feitelijke situering van bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting niet passend is. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  5. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  6. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg/dijk) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de bestaande bebouwing of landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  7. Indien er sprake is van bestaande, detonerende bedrijfsbebouwing dient bij verdere bedrijfsuitbreiding gezocht te worden naar een kwaliteitsverbetering voor de detonerende bebouwing.
  8. Bij het toevoegen van bedrijfsbebouwing dient rekening gehouden te worden met mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf.
  9. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  10. Voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing gelden de regels als verwoord in lid 88.2.
  11. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 88.3.
  12. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 88.4.
  13. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing bij een complex zonder historische kenmerken gelden de regels als verwoord in lid 88.4.

88.2 Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:

  1. Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik nagenoeg identiek aan de oorspronkelijke bebouwing.
  2. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk.
    2. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels.
  3. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
    2. Wanneer de oorspronkelijke bebouwing reeds voorzien was van golfplaten, is het toepassen van golfplaten (staal of cementgebonden) of dakpanprofielplaten toegestaan.
    3. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    4. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    5. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  4. Beeldbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen, makelaars en daklijsten dienen te worden teruggebracht.
  5. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen te worden teruggebracht.

88.3 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:

  1. De nieuwe bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik afgestemd op de reeds aanwezige bedrijfsbebouwing.
  2. Het hellingspercentage van hellende dakvlakken mag maximaal 10 graden flauwer zijn dan van de historische bedrijfsbebouwing.
  3. De overspanningsmaat van de bedrijfsbebouwing bedraagt maximaal 1,5 maal de overspanningsmaat van de bestaande, historische bedrijfsbebouwing.
  4. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  5. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  6. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  7. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  9. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.
  10. Stijl- en beeldkenmerken van de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld witte belijningen rond de kap, deur- en raampartijen, dienen ook in de (vervangende) nieuwbouw te worden toegepast.

88.4 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van (agrarische) bedrijfsbebouwing in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:

  1. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing parallel aan de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 20 meter. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing haaks op de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 15 meter.
  2. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn. Overstekken maken onderdeel uit van de hoofdvorm.
  3. De bedrijfsgebouwen dienen voorzien te zijn van een zadeldak met een hellingshoek van minimaal 20 graden, tenzij de dakhelling van bestaande bedrijfsbebouwing er aanleiding toe geeft een andere dakhelling te hanteren ten einde te komen tot een evenwichtig bebouwingsbeeld.
  4. De overspanningsmaat van een bedrijfsgebouw gelegen in De Poel bedraagt maximaal 25 meter. Indien een bedrijfsgebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  5. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  6. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  7. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, omgekeerde damwandprofielplaten of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  8. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  10. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.

Artikel 89 Agrarische en niet-agrarische bedrijfsloods in een grootschalige polder     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende regels:

89.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende algemene regels:

  1. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  2. De bestaande positionering van bedrijfsbebouwing is maatgevend.
  3. Uitbreiding en toevoeging van bedrijfsbebouwing dient plaats te vinden achter (het verlengde van) de achtergevel van de voorste bedrijfsbebouwing, tenzij dit gelet op de feitelijke situering van bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting niet passend is. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  4. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  5. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg/dijk) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de bestaande bebouwing of landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  6. Indien er sprake is van bestaande, detonerende bedrijfsbebouwing dient bij verdere bedrijfsuitbreiding gezocht te worden naar een kwaliteitsverbetering voor de detonerende bebouwing.
  7. Bij het toevoegen van bedrijfsbebouwing dient rekening gehouden te worden met mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf.
  8. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  9. Voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing gelden de regels als verwoord in lid 89.2.
  10. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 89.3.
  11. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 89.4.
  12. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing bij een complex zonder historische kenmerken gelden de regels als verwoord in lid 89.4.

89.2 Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:

  1. Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik nagenoeg identiek aan de oorspronkelijke bebouwing.
  2. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk.
    2. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels.
  3. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
    2. Wanneer de oorspronkelijke bebouwing reeds voorzien was van golfplaten, is het toepassen van golfplaten (staal of cementgebonden) of dakpanprofielplaten toegestaan.
    3. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    4. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    5. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  4. Beeldbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen, makelaars en daklijsten dienen te worden teruggebracht.
  5. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen te worden teruggebracht.

89.3 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:

  1. De nieuwe bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik afgestemd op de reeds aanwezige bedrijfsbebouwing.
  2. Het hellingspercentage van hellende dakvlakken mag maximaal 10 graden flauwer zijn dan van de historische bedrijfsbebouwing.
  3. De overspanningsmaat van de bedrijfsbebouwing bedraagt maximaal 1,5 maal de overspanningsmaat van de bestaande, historische bedrijfsbebouwing.
  4. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  5. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  6. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  7. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  9. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.
  10. Stijl- en beeldkenmerken van de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld witte belijningen rond de kap, deur- en raampartijen, dienen ook in de (vervangende) nieuwbouw te worden toegepast.

89.4 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een grootschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:

  1. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing parallel aan de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 20 meter. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing haaks op de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 15 meter.
  2. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn. Overstekken maken onderdeel uit van de hoofdvorm.
  3. De bedrijfsgebouwen dienen voorzien te zijn van een zadeldak met een hellingshoek van minimaal 20 graden, tenzij de dakhelling van bestaande bedrijfsbebouwing er aanleiding toe geeft een andere dakhelling te hanteren ten einde te komen tot een evenwichtig bebouwingsbeeld.
  4. De overspanningsmaat van een bedrijfsgebouw gelegen in een grootschalige polder bedraagt maximaal 30 meter. Indien een bedrijfsgebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  5. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  6. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  7. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, omgekeerde damwandprofielplaten of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  8. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  10. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.

Artikel 90 Agrarische en niet-agrarische bedrijfsloods in een kleinschalige polder     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels:

90.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende algemene regels:

  1. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  2. De bestaande positionering van bedrijfsbebouwing is maatgevend.
  3. Uitbreiding en toevoeging van bedrijfsbebouwing dient plaats te vinden achter (het verlengde van) de achtergevel van de voorste bedrijfsbebouwing, tenzij dit gelet op de feitelijke situering van bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting niet passend is. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  4. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  5. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg/dijk) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de bestaande bebouwing of landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  6. Indien er sprake is van bestaande, detonerende bedrijfsbebouwing dient bij verdere bedrijfsuitbreiding gezocht te worden naar een kwaliteitsverbetering voor de detonerende bebouwing.
  7. Bij het toevoegen van bedrijfsbebouwing dient rekening gehouden te worden met mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf.
  8. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  9. Voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing gelden de regels als verwoord in lid 90.2.
  10. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 90.3.
  11. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 90.4.
  12. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing bij een complex zonder historische kenmerken gelden de regels als verwoord in lid 90.4.

90.2 Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:

  1. Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik nagenoeg identiek aan de oorspronkelijke bebouwing.
  2. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk.
    2. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels.
  3. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
    2. Wanneer de oorspronkelijke bebouwing reeds voorzien was van golfplaten, is het toepassen van golfplaten (staal of cementgebonden) of dakpanprofielplaten toegestaan.
    3. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    4. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    5. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  4. Beeldbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen, makelaars en daklijsten dienen te worden teruggebracht.
  5. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen te worden teruggebracht.

90.3 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:

  1. De nieuwe bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik afgestemd op de reeds aanwezige bedrijfsbebouwing.
  2. Het hellingspercentage van hellende dakvlakken mag maximaal 10 graden flauwer zijn dan van de historische bedrijfsbebouwing.
  3. De overspanningsmaat van de bedrijfsbebouwing bedraagt maximaal 1,5 maal de overspanningsmaat van de bestaande, historische bedrijfsbebouwing.
  4. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  5. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  6. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  7. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  9. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.
  10. Stijl- en beeldkenmerken van de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld witte belijningen rond de kap, deur- en raampartijen, dienen ook in de (vervangende) nieuwbouw te worden toegepast.

90.4 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in een kleinschalige polder gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:

  1. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing parallel aan de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 20 meter. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing haaks op de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 15 meter.
  2. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn. Overstekken maken onderdeel uit van de hoofdvorm.
  3. De bedrijfsgebouwen dienen voorzien te zijn van een zadeldak met een hellingshoek van minimaal 20 graden, tenzij de dakhelling van bestaande bedrijfsbebouwing er aanleiding toe geeft een andere dakhelling te hanteren ten einde te komen tot een evenwichtig bebouwingsbeeld.
  4. De overspanningsmaat van een bedrijfsgebouw gelegen in een kleinschalige polder bedraagt maximaal 25 meter. Indien een bedrijfsgebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  5. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  6. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn de uitsluitend RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  7. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, omgekeerde damwandprofielplaten of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvakken.
  8. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  10. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.

Artikel 91 Agrarische en niet-agrarische bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels:

91.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende algemene regels:

  1. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  2. De bestaande positionering van bedrijfsbebouwing is maatgevend.
  3. Uitbreiding en toevoeging van bedrijfsbebouwing dient plaats te vinden achter (het verlengde van) de achtergevel van de voorste bedrijfsbebouwing, tenzij dit gelet op de feitelijke situering van bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting niet passend is. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  4. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  5. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg/dijk) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de bestaande bebouwing of landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  6. Indien er sprake is van bestaande, detonerende bedrijfsbebouwing dient bij verdere bedrijfsuitbreiding gezocht te worden naar een kwaliteitsverbetering voor de detonerende bebouwing.
  7. Bij het toevoegen van bedrijfsbebouwing dient rekening gehouden te worden met mogelijke toekomstige uitbreiding van het bedrijf.
  8. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  9. Voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing gelden de regels als verwoord in lid 91.2.
  10. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 91.3.
  11. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bedrijfsbebouwing gelden regels als verwoord in lid 91.4.
  12. Voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing bij een complex zonder historische kenmerken gelden de regels als verwoord in lid 91.4.

91.2 Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing:

  1. Nieuwbouw ter vervanging van historische bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik nagenoeg identiek aan de oorspronkelijke bebouwing.
  2. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk.
    2. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels.
  3. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
    2. Wanneer de oorspronkelijke bebouwing reeds voorzien was van golfplaten, is het toepassen van golfplaten (staal of cementgebonden) of dakpanprofielplaten toegestaan.
    3. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    4. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    5. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  4. Beeldbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen, makelaars en daklijsten dienen te worden teruggebracht.
  5. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen te worden teruggebracht.

91.3 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische bebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op korte afstand van historische (bedrijfs)bebouwing:

  1. De nieuwe bedrijfsbebouwing is qua schaal en maat en kleur- en materiaalgebruik afgestemd op de reeds aanwezige bedrijfsbebouwing.
  2. Het hellingspercentage van hellende dakvlakken mag maximaal 10 graden flauwer zijn dan van de historische bedrijfsbebouwing.
  3. De overspanningsmaat van de bedrijfsbebouwing bedraagt maximaal 1,5 maal de overspanningsmaat van de bestaande, historische bedrijfsbebouwing.
  4. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  5. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  6. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  7. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  9. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.
  10. Stijl- en beeldkenmerken van de bestaande bebouwing, bijvoorbeeld witte belijningen rond de kap, deur- en raampartijen, dienen ook in de (vervangende) nieuwbouw te worden toegepast.

91.4 Nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een (agrarische) bedrijfsloods in de Poel en heggengebied Nisse gelden de volgende regels voor (vervangende) nieuwbouw van bedrijfsbebouwing op grote afstand van historische (bedrijfs)bebouwing of bij een complex zonder historische kenmerken:

  1. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing parallel aan de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 20 meter. Wanneer de nieuwe bedrijfsbebouwing haaks op de bestaande historische bebouwing wordt geplaatst, is de afstand hiertussen minimaal 15 meter.
  2. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn. Overstekken maken onderdeel uit van de hoofdvorm.
  3. De bedrijfsgebouwen dienen voorzien te zijn van een zadeldak met een hellingshoek van minimaal 20 graden, tenzij de dakhelling van bestaande bedrijfsbebouwing er aanleiding toe geeft een andere dakhelling te hanteren ten einde te komen tot een evenwichtig bebouwingsbeeld.
  4. De overspanningsmaat van een bedrijfsgebouw gelegen in De Poel bedraagt maximaal 25 meter. Indien een bedrijfsgebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  5. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  6. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  7. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, omgekeerde damwandprofielplaten of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  8. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  10. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.

Artikel 92 Nieuwvestiging agrarische bedrijfsbebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels:

92.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende algemene regels:

  1. Het woongedeelte en bedrijfsgedeelte moeten als zelfstandige functies herkenbaar zijn.
  2. De compositie van de bebouwing op het (agrarisch) bedrijfsperceel dient compact te blijven.
  3. De bedrijfswoning dient aan de wegzijde te worden gesitueerd, bijgebouwen en bedrijfsgebouwen moeten daarachter worden gepositioneerd. Silo's mogen niet aan de wegzijde worden geplaatst.
  4. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  5. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar en de openbare ruimte (weg) te worden geplaatst. Hiervan kan worden afgeweken indien de landschapsstructuur daartoe aanleiding geeft.
  6. Voor de vormgeving van de bedrijfswoning kan gekozen worden uit het type boerenhofstedewoning of woning in een hedendaagse architectuurstijl.
  7. Wanneer gekozen wordt voor een boerenhofstedewoning, gelden de regels zoals verwoord in lid 92.3.
  8. Wanneer gekozen wordt voor een woning in een hedendaagse architectuurstijl, gelden de regels zoals verwoord in lid 92.4.

92.2 Bedrijfsbebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor de bedrijfsbebouwing:

  1. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  2. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn. Overstekken maken onderdeel uit van de hoofdvorm.
  3. De bedrijfsgebouwen dienen voorzien te zijn van een zadel- of lessenaarsdak met een hellingshoek van minimaal 20 graden.
  4. De overspanningsmaat van een bedrijfsgebouw gelegen in een grootschalige polder bedraagt maximaal 30 meter. In een kleinschalige polder en in de Poel en heggengebied Nisse bedraagt de maximale overspanningsmaat 25 meter. Indien een bedrijfsgebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  5. De lengte van een bedrijfsgebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning. Uitgangspunt is dat bedrijfsgebouwen niet in elkaars verlengde worden geplaatst.
  6. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit roodbruin metselwerk, gepotdekseld hout in een zwarte kleur met een plint van roodbruin metselwerk of damwandprofielplaten met een plint van roodbruin metselwerk of beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. In traditioneel uitgevoerde bedrijfsbebouwing zijn witte accenten als kozijnen, details en ornamenten toegestaan. In modern uitgevoerde bedrijfsbebouwing is dit enkel toegestaan wanneer dit passend is in het architectonische beeld.
  7. Voor de dakvlakken van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in matte rode of blauwe keramische dakpannen, omgekeerde damwandprofielplaten of golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uitsluitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. De beplating van daken dient een voldoende diepe profilering te hebben.
    4. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  8. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter en maximaal 2 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Wit – anders dan als accentkleur in traditionele bebouwing – wordt beschouwd als een contrasterende kleur. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan, evenmin als de toepassing van weerspiegelende materialen.
  10. Indien extra daglichttoetreding nodig is voor een kantoor of huisvesting van arbeidsmigranten, kunnen horizontale raamstroken worden toegevoegd in een onregelmatig patroon maar met behoud van het evenwichtige beeld.

92.3 Bedrijfswoning in de vorm van een boerenhofstedewoning     

Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor de bedrijfswoning in de vorm van een boerenhofstedewoning:

  1. Voor de situering, massa en vorm van de boerenhofstedewoning gelden de volgende regels:
    1. Gebouwen dienen gepositioneerd te worden in lijn met een traditionele erfopzet.
    2. De positionering van bijgebouwen dient ondergeschikt te zijn en zich te voegen naar de erfopzet.
    3. De woning bestaat uit maximaal één bouwlaag met een zadeldak, eventueel met borstwering.
    4. De woning is voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek van minimaal 45 graden. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
    5. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
    6. De lengte van de woning is minimaal 1/3 deel langer dan de diepte van de woning.
    7. Dakkapellen worden bij voorkeur aan de achterzijde van woning gesitueerd.
    8. Loggia's zijn niet toegestaan.
  2. Voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de boerenhofstedewoning gelden de volgende regels:
    1. De woningen kennen een verticale, symmetrische gevelindeling.
    2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in rood metselwerk.
    3. Het schilderen of pleisteren van gevels is niet toegestaan.
    4. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
    5. Kozijnen, deuren en ramen worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan, mits met een gelijkwaardige profilering.
    6. Luiken worden uitgevoerd in hout en dienen werkend te zijn.
    7. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen, donkerblauw en meekraprood voor de ramen en deuren. Voor luiken wordt wit gecombineerd met één van de andere kleuren.
    8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.
  3. Voor de detaillering van de boerenhofstedewoning gelden de volgende regels:
    1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw.
    2. Gevelbepalende ornamenten, zoals hanenkammen, rollagen (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), makelaars, waterborden/windveren en goten dienen te worden aangebracht op historisch juiste wijze.
    3. Raamdorpels uitvoeren in metselwerk of blauw hardsteen.
    4. Neggen dienen voldoende diep te zijn, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
    5. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.
  4. Voor een aan- of uitgebouwd en vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de boerenhofstedewoning gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn en in samenhang met de woning ontworpen te worden.
    2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achterzijde te worden gesitueerd.
    3. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning.
    4. Wat betreft maatvoering, architectuur en detaillering moeten aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de woning.
    5. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of lessenaarsdak of plat dak.

92.4 Bedrijfswoning in een hedendaagse architectuurstijl     

Voor een goede beeldkwaliteit van nieuwvestiging van (agrarische) bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor de bedrijfswoning in een hedendaagse architectuurstijl:

  1. Voor de situering, massa en vorm van de bedrijfswoning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels:
    1. Het erf / de tuin, de beplanting en de omgeving van de woning worden in samenhang vormgegeven.
    2. De woning heeft een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
    3. Maximaal twee bouwlagen met een zadeldak. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
    4. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
    5. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en dakkapellen zijn in architectonische zin familie van de woning.
    6. Loggia's zijn niet toegestaan.
  2. Voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de bedrijfswoning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels:
    1. De gevelopbouw dient de gekozen architectuur te ondersteunen.
    2. Gevelbekleding of -afwerking dient de gekozen architectuur te ondersteunen.
    3. De bekleding van het dakvlak dient de gekozen architectuur te ondersteunen.
    4. Kozijnen, deuren en ramen dienen de gekozen architectuur te ondersteunen.
    5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.
  3. Voor de detaillering van de bedrijfswoning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels:
    1. De detaillering dient de gekozen architectuur te ondersteunen.
  4. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn in architectonische zin familie van de woning.

Artikel 93 Locaties met meerdere typologieën     

Op de locaties met meerdere van onderstaande typologieën is de toekenning van de typologie als volgt waarbij tevens geldt van voor de locaties zoals genoemd geen dakkapellen zijn toegestaan:

verplicht

Artikel 94 Woning     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels:

94.1 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. De compositie van de bebouwing op het perceel dient compact te zijn. Alle gebouwen op het perceel vormen in ruimtelijke zin een ensemble met elkaar.
  3. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden bij voorkeur achter de hoofdbebouwing geplaatst.
  4. De hoofdvorm van de woning dient enkelvoudig en eenduidig te zijn.
  5. De bebouwing bestaat bij voorkeur uit één bouwlaag, eventueel met borstwering.
  6. De woning is voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek tussen de 40 en 50 graden. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  7. Indien schoorstenen worden aangebracht, worden deze in de nok en op de zijgevel geplaatst.
  8. Loggia's zijn niet toegestaan.

94.2 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De gevelindeling en vorm van de gevelopeningen van de bestaande woning is maatgevend.
  2. De vorm en detaillering van gevelopeningen in houten gevels dient op de houten gevel te worden afgestemd.
  3. Het kleur- en materiaalgebruik wordt afgestemd op de bestaande woning.
  4. Gevels dienen te worden uitgevoerd in traditionele materialen, zoals baksteen en hout.
  5. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramenin blokprofiel is toegestaan.
  4. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

94.3 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. Gevelbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen, makelaars, waterborden/windveren en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  2. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals gootklossen en muurankers dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Luiken zijn enkel toegestaan indien ze passend bij de karakteristiek van de woning en functioneel zijn en een sobere uitvoering kennen.
  4. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
  5. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

94.4 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn en in samenhang met de woning ontworpen te worden.
  2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel-, schild-, lessenaars- of plat dak.
  3. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning.
  4. Gevels van vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout.

94.5 Vervangende nieuwbouw     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende algemene regels:

  1. Bij vervangende nieuwbouw dient te worden gekozen voor de typologie van de oorspronkelijke architectuurstijl van de woning of voor een hedendaagse architectuurstijl. De regels van de desbetreffende typologie (één van de navolgende artikelen) worden in dat kader van toepassing verklaard:
    1. Artikel 95 Typologie Schuurboerderij of boerenbedoeninkje.
    2. Artikel 96 Typologie Boerenhofstede.
    3. Artikel 97 Typologie Zeeuwse arbeiderswoning.
    4. Artikel 98 Typologie Jaren '15-/'25-woning met zadeldak.
    5. Artikel 99 Typologie Jaren '20-/'30-woning met mansardekap.
    6. Artikel 100 Typologie Jaren '30-woning met zadeldak.
    7. Artikel 103 Typologie Bebouwing uit de wederopbouwperiode.
    8. Artikel 105 Typologie Jaren '60-/'70-woning.
    9. Artikel 106 Typologie Woning in een hedendaagse architectuurstijl.
  2. Bij vervangende nieuwbouw van een woning dient de inrichting van het voorerf afgestemd te worden op de typologie van de nieuwbouw en dient de beplanting streekeigen te zijn.
  3. Bij vervangende nieuwbouw dient sprake te zijn van een levensloopbestendige woning.

Artikel 95 Typologie Schuurboerderij of boerenbedoeninkje     

Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels:

95.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende algemene regels:

  1. Behoud van het ensemble is het uitgangspunt. Niet alleen het langgerekte ensemble van woonhuis met aangebouwde schuur, maar ook de overige oorspronkelijke bouwwerken (varkenshok, wagenschuur, bakkeet, etc.), het erf, de beplanting en de omgeving van de boerderij moeten in samenhang worden vormgegeven.

95.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke woning met schuur is maatgevend.
  2. De compositie van de bebouwing op het perceel dient compact te zijn. Alle gebouwen op het perceel vormen in ruimtelijke zin een ensemble met elkaar.
  3. De oorspronkelijke eenvoudige rechthoekige hoofdvorm van de boerderij dient als beeldbepalend element in het landschap bewaard te blijven. Ook bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw dient dit steeds het uitgangspunt te zijn.
  4. Het woonhuis en de schuur zijn met elkaar verbonden. Het woonhuis is altijd in het verlengde van de schuur gesitueerd.
  5. De positionering van vrijstaande bijbehorende bouwwerken dient ondergeschikt te zijn en zich te voegen naar de traditionele erfopzet.
  6. De woning bestaat uit maximaal één bouwlaag met een zadeldak. De nokhoogte van de woning is nooit hoger dan de nokhoogte van de schuur.
  7. Woning en schuur zijn voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek van minimaal 45 graden. Wolfseinden zijn bij de woning niet toegestaan.
  8. De nokrichting volgt de lengterichting van de plattegrond.
  9. De lengte van de woning is minimaal 1/3 deel langer dan de diepte van de woning.
  10. Toevoegingen aan het dakvlak van de schuur, zoals dakkapellen en schoorstenen, zijn niet toegestaan. Bij functiewijziging kunnen, om extra daglicht te verkrijgen, smalle, verticale dakramen worden toegepast.
  11. Dakkapellen worden bij voorkeur aan de achterzijde van woning gesitueerd.
  12. Oorspronkelijke schoorstenen in de noklijn en beëindigingen van topgevels (tuit) dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  13. Loggia's zijn niet toegestaan.

95.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de woning     

Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de woning:

  1. De woningen kennen een eenvoudige, verticale gevelindeling.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in rood of geel metselwerk (IJsselsteen), eventueel met een gepleisterde plint.
  3. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen voor de ramen en deuren. Voor luiken worden beide kleuren gecombineerd.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

95.4 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur     

Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de schuur:

  1. De oorspronkelijke gevelopeningen, zoals stal- en mendeuren, dienen gehandhaafd te blijven.
  2. De gevels van de schuren bestaan uit roodbruin metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur, eventueel met een plint van roodbruin metselwerk. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm. Damwandprofielplaten zijn niet toegestaan.
  3. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of in riet.
  4. Gevelopeningen in de gemetselde delen van de schuur zijn kleinschalig en veelal vierkant, eventueel met een getoogde bovenkant.
  5. Kozijnen, deuren en ramen in gemetselde delen van de schuur worden uitgevoerd in hout, gietijzer of beton of een goed gelijkend ander materiaal met hetzelfde profiel.
  6. Kozijnen, deuren en ramen in houten delen van de schuur worden uitgevoerd in hout.
  7. Luiken worden uitgevoerd in hout en dienen werkend te zijn.
  8. Gevelopeningen in de houten delen van de schuur en de schuurdeuren (uitgezonderd die in de mendeuren) zijn kleinschalig en veelal horizontaal, zodat ze passend zijn in de horizontale indeling van het potdekselwerk. Gevelopeningen in houten schuurdelen worden met een witte rand afgebiesd, conform de bestaande toestand.
  9. Voor kozijnen en ramen zijn zwart en wit toegestaan, zwart voor de deuren en luiken.
  10. Bij functieverandering van de schuur kunnen stal- en mendeuren als gevelopening gebruikt worden, met dien verstande dat:
    1. Een kozijn met een sobere indeling en kleurstelling achter in de negge wordt geplaatst.
    2. De deuren behouden worden.
    3. Achter de gevelopening visueel één ruimte zichtbaar dient te zijn.
  11. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

95.5 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  2. Gevelbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), makelaars, waterborden/windveren en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  4. Raamdorpels onder de vensters uit te voeren in een combinatie van waterlagen en rollagen (maximaal een drieklezoor hoog) dan wel gemetselde bakstenen raamdorpels onder een hellingshoek.
  5. In gemetselde gevels of geveldelen dienen neggen voldoende diep te zijn, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
  6. In houten gevels of geveldelen wordt het kozijn gelijk met de (buitenkant van de) plank geplaatst.
  7. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

95.6 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een schuurboerderij of boerenbedoeninkje gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn en in samenhang met de woning en de schuur ontworpen te worden.
  2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning en/of schuur.
  3. De gevels van de aangebouwde, uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.

Artikel 96 Typologie Boerenhofstede     

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels:

96.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende algemene regels:

  1. Behoud van het ensemble is het uitgangspunt. Niet alleen het woonhuis en de schuur, maar ook de overige oorspronkelijke bouwwerken (varkenshok, wagenschuur, bakkeet, etc.), het erf, de beplanting en de omgeving van de boerderij moeten in samenhang worden vormgegeven.

96.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke woning en schuur is maatgevend.
  2. De compositie van de bebouwing op het perceel dient compact te zijn. Alle gebouwen op het perceel vormen in ruimtelijke zin een ensemble met elkaar.
  3. De oorspronkelijke eenvoudige, markante hoofdvorm van de schuur dient als beeldbepalend element in het landschap bewaard te blijven. Ook bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw dient dit steeds het uitgangspunt te zijn.
  4. Het woonhuis en de schuur zijn vrijstaand. De gebouwen zijn orthogonaal ten opzichte van elkaar geplaatst en ten opzichte van de openbare ruimte (weg/dijk) of de kavelrichting.
  5. De positionering van vrijstaande bijbehorende bouwwerken dient ondergeschikt te zijn en zich te voegen naar de traditionele erfopzet.
  6. De woning bestaat uit maximaal één bouwlaag met een zadeldak, eventueel met borstwering.
  7. Woning en schuur zijn voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek van minimaal 45 graden. Wolfseinden zijn bij de woning niet toegestaan.
  8. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
  9. De lengte van de woning is minimaal 1/3 deel langer dan de diepte van de woning.
  10. Toevoegingen aan het dakvlak van de schuur, zoals dakkapellen en schoorstenen, zijn niet toegestaan. Bij functiewijziging kunnen, om extra daglicht te verkrijgen, smalle, verticale dakramen worden toegepast.
  11. Dakkapellen worden bij voorkeur aan de achterzijde van woning gesitueerd.
  12. Loggia's zijn niet toegestaan.

96.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de woning     

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de woning:

  1. De woningen kennen een verticale, veelal symmetrische gevelindeling.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in rood of geel metselwerk (IJsselsteen).
  3. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen voor de ramen en deuren. Voor luiken worden beide kleuren gecombineerd.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

96.4 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur     

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur:

  1. De oorspronkelijke gevelopeningen, zoals stal- en mendeuren, dienen gehandhaafd te blijven.
  2. De gevels van de schuren bestaan uit roodbruin metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur, eventueel met een plint van roodbruin metselwerk. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm. Damwandprofielplaten zijn niet toegestaan.
  3. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat of in riet.
  4. Gevelopeningen in de gemetselde delen van de schuur zijn kleinschalig en veelal vierkant, eventueel met een getoogde bovenkant.
  5. Kozijnen, deuren en ramen in gemetselde delen van de schuur worden uitgevoerd in hout, gietijzer of beton of een goed gelijkend ander materiaal met hetzelfde profiel.
  6. Kozijnen, deuren en ramen in houten delen van de schuur worden uitgevoerd in hout.
  7. Luiken worden uitgevoerd in hout en dienen werkend te zijn.
  8. Gevelopeningen in de houten delen van de schuur en de schuurdeuren (uitgezonderd de mendeuren) zijn kleinschalig en veelal horizontaal, zodat ze passend zijn in de horizontale indeling van het potdekselwerk. Gevelopeningen in houten schuurdelen worden met een witte rand afgebiesd, conform de bestaande toestand.
  9. Voor kozijnen en ramen zijn zwart en wit toegestaan, zwart voor de deuren en luiken.
  10. Bij functieverandering van de schuur kunnen stal- en mendeuren als gevelopening gebruikt worden, met dien verstande dat:
    1. Een kozijn met een sobere indeling en kleurstelling achter in de negge wordt geplaatst.
    2. De deuren behouden worden.
    3. Achter de gevelopening visueel één ruimte zichtbaar dient te zijn.
  11. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

96.5 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  2. Gevelbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), makelaars, waterborden/windveren en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Raamdorpels onder de vensters uit te voeren in een combinatie van waterlagen en rollagen (maximaal een drieklezoor hoog) dan wel gemetselde bakstenen raamdorpels onder een hellingshoek.
  4. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen behouden te blijven.
  5. In gemetselde gevels of geveldelen dienen neggen voldoende diep te zijn, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
  6. In houten gevels of geveldelen wordt het kozijn gelijk met de (buitenkant van de) plank geplaatst.
  7. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

96.6 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een boerenhofstede gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    2. Aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen in samenhang met de woning en de schuur ontworpen te worden, dan wel vormen hiermee en contrast.
    3. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen in samenhang met de woning en de schuur ontworpen te worden
  2. Voor aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken aan de woning gelden de volgende regels:
    1. Aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de achterzijde te worden gesitueerd.
    2. Wat betreft architectuur, kleur- en materiaalgebruik en detaillering moeten deze aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de woning, dan wel hiermee een contrast vormen.
    3. De gevels van de aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.
    4. Het hiervoor onder3 bepaalde is niet van toepassing indien het aangebouwde of uitgebouwde bijbehorend bouwwerk eigentijds is vormgegeven. Het kleur- en materiaalgebruik vormt in dat geval een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    5. Aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of lessenaarsdak.
    6. Een aangebouwd of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk kan in afwijking van het hiervoor onder 5 bepaalde voorzien worden van een plat dak, mits het aangebouwde of uitgebouwde bijbehorend bouwwerk eigentijds is vormgegeven.
  3. Voor aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken aan de schuur gelden de volgende regels:
    1. Aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de achterzijde te worden gesitueerd.
    2. Wat betreft architectuur, kleur- en materiaalgebruik en detaillering moeten deze aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de schuur, dan wel hiermee een contrast vormen.
    3. De gevels van de aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.
    4. Het hiervoor onder 3 bepaalde is niet van toepassing indien het aangebouwde of uitgebouwde bijbehorend bouwwerk eigentijds is vormgegeven. Het kleur- en materiaalgebruik vormt in dat geval een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    5. Een aangebouwd of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk aan een schuur wordt vormgegeven als aankapping met een lessenaarsdak.
    6. De diepte van een aangebouwd of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk bedraagt 1/3 tot 1/2 deel van de overspanning van de schuur.
    7. Het dak wordt aangekapt ter plaatse van of onder de goot van de schuur.
  4. Voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
    1. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadeldak, qua dakhelling gelijk aan het dak van de woning.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning en/of schuur.
    3. De gevels van vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.

Artikel 97 Typologie Zeeuwse arbeiderswoning     

Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels:

97.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden of als cluster herkenbaar. Bij aaneengesloten arbeiderswoningen is het behoud van het ensemble gewenst.

97.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. De woning bestaat uit maximaal één bouwlaag met een zadeldak, eventueel met borstwering.
  5. De woning is voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek van 40 tot 50 graden. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  6. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond en is veelal evenwijdig aan de straat.
  7. Dakkapellen worden bij voorkeur aan de achterzijde van het hoofdgebouw gesitueerd.
  8. Oorspronkelijke schoorstenen in de noklijn en beëindigingen van topgevels (tuit) dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  9. Loggia's zijn niet toegestaan.

97.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De woningen kennen een verticale, symmetrische of asymmetrische gevelindeling.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in rood of geel metselwerk (IJsselsteen). Gevelversieringen kennen eventueel een afwijkende kleur (vorm)baksteen.
  3. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat. Blauw gesmoorde dakpannen zijn enkel daar toegestaan waar de oorspronkelijke bebouwing deze kent.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen, donkerblauw en meekraprood voor de ramen en deuren. Voor luiken wordt wit gecombineerd met één van de andere kleuren.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

97.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek. Een hedendaagse interpretatie van de historische kenmerken is mogelijk.
  2. Gevelbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), makelaars, waterborden/windveren, dakpannen met cementzoom en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals gootklossen en muurankers dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  4. Raamdorpels onder de vensters uit te voeren in een combinatie van waterlagen en rollagen (maximaal een drieklezoor hoog) dan wel gemetselde bakstenen raamdorpels onder een hellingshoek.
  5. Houten luiken moeten behouden blijven, voor zover ze oorspronkelijk en werkend zijn.
  6. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
  7. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

97.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een Zeeuwse arbeiderswoning gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd.
    3. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen, dan wel vormen hiermee een contrast.
  2. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken in samenhang met het hoofdgebouw worden ontworpen, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of lessenaarsdak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    3. De gevels van de aangebouwde, uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.
  3. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken een contrast vormen met het hoofdgebouw, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen voorzien worden van een plat dak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken vormt een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.

Artikel 98 Typologie Jaren '15-/'25-woning met zadeldak     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels:

98.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.

98.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. De woning is voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek van 40 tot 50 graden. De gebouwen hebben veelal een wolfseind aan één of twee zijden van de kap.
  5. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond en is veelal haaks op de weg.
  6. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd, met uitzondering van erkers, en dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  7. Schoorstenen bevinden zich meestal niet in de noklijn, maar worden opgetrokken vanaf de zijgevel, op voldoende afstand van de topgevel.
  8. Loggia's zijn niet toegestaan.

98.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De gevelopbouw is asymmetrisch op de begane grond en symmetrisch op de eerste verdieping. De bestaande verhoudingen behouden en waar mogelijk versterken.
  2. De invulling van gevelopeningen is veelal verticaal geleed.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten. Gevelversieringen kennen eventueel een afwijkende kleur (vorm)baksteen.
  4. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat. Blauw gesmoorde dakpannen zijn enkel daar toegestaan waar de oorspronkelijke bebouwing deze kent.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen, donkerblauw en meekraprood voor de ramen en deuren. Voor luiken wordt wit gecombineerd met één van de andere kleuren.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

98.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek. Een hedendaagse interpretatie van de historische kenmerken is mogelijk.
  2. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zoals speklagen, rollagen dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
    Makelaars, waterborden/windveren (overstekken), pirons en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Kantpannen mogen alleen worden toegepast als er géén sprake is van een overstek. Overstekken uit te voeren met windveren en waterborden.
  4. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals gootklossen en muurankers dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht. Blindankers mogen niet vervangen worden door muurankers.
  5. Raamdorpels moeten worden uitgevoerd in al dan niet geglazuurde raamdorpelsteen of al dan niet geglazuurde gemetselde bakstenen raamdorpels onder een hellingshoek.
  6. Houten luiken moeten behouden blijven, voor zover ze oorspronkelijk en werkend zijn.
  7. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
  8. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

98.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '15/'25-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd.
    3. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen, dan wel vormen hiermee een contrast.
    4. In afwijking van het hiervoor bepaalde in 2 is aan de voorzijde een erker mogelijk, mits dit passend is in de oorspronkelijke architectuur.
  2. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken in samenhang met het hoofdgebouw worden ontworpen, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of lessenaarsdak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    3. De gevels van de aangebouwde, uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk of gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.
  3. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken een contrast vormen met het hoofdgebouw, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen voorzien worden van een plat dak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken vormt een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.

Artikel 99 Typologie Jaren '20-/'30-woning met mansardekap     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels:

99.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.

99.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. Maximaal één bouwlaag met mansardekap, eventueel met borstwering.
  5. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  6. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond en is veelal haaks op de weg.
  7. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd en dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  8. Schoorstenen bevinden zich meestal niet in de noklijn, maar worden opgetrokken vanaf de zijgevel, op voldoende afstand van de topgevel.
  9. De voordeurpartij wordt ten opzichte van de buitengevel verdiept aangebracht, zodat een overdekt entreeportaal met stoep ontstaat.
  10. Loggia's zijn niet toegestaan.

99.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De gevelopbouw is asymmetrisch op de begane grond en symmetrisch op de eerste verdieping. De bestaande verhoudingen behouden en waar mogelijk versterken.
  2. De gevels zijn voorzien van verticale gevelopeningen.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten. Gevelversieringen kennen eventueel een afwijkende kleur metselwerk.
  4. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, bij voorkeur van het type Tuile du Nord. Blauw gesmoorde dakpannen zijn enkel daar toegestaan waar de oorspronkelijke bebouwing deze kent.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen, donkerblauw en meekraprood voor de ramen en deuren. Voor luiken wordt wit gecombineerd met één van de andere kleuren.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

99.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek. Een hedendaagse interpretatie van de historische kenmerken is mogelijk.
  2. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zoals speklagen, hanenkammen, rollagen dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Makelaars, waterborden/windveren (overstekken) en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  4. Kantpannen mogen alleen worden toegepast als er géén sprake is van overstekken.
  5. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals gootklossen en muurankers dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht. Blindankers mogen niet vervangen worden door muurankers.
  6. Raamdorpels worden uitgevoerd in geglazuurde raamdorpelsteen.
  7. Houten luiken moeten behouden blijven, voor zover ze oorspronkelijk en werkend zijn.
  8. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
  9. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

99.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '20-/'30-woning met een mansardekap gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd.
    3. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen, dan wel vormen hiermee een contrast.
  2. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken in samenhang met het hoofdgebouw worden ontworpen, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of lessenaarsdak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    3. De gevels van de aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk, of rabatdelen met een werkende hoogte van minimaal 15 cm.
    4. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk, potdekselwerk of rabatdelen. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm, rabatdelen hebben een werkende hoogte van minimaal 15 cm.
  3. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken een contrast vormen met het hoofdgebouw, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen voorzien worden van een plat dak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken vormt een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.

Artikel 100 Typologie Jaren '30-woning met zadeldak     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels:

100.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.

100.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. Maximaal één bouwlaag met een steil zadeldak van minimaal 45 graden, eventueel met borstwering.
  5. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  6. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond en is veelal haaks op de weg.
  7. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd, met uitzondering van erkers, en dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  8. Slanke schoorstenen bevinden zich meestal in de noklijn. Schoorstenen van een meer fors formaat kunnen ook in de achtergevel of laag in de dakvoet worden gesitueerd en monden uit boven de nok.
  9. De voordeur- /entreepartij ten opzichte van de buitengevel is verdiept waardoor een overdekt entreeportaal met stoep ontstaat.
  10. Loggia's zijn niet toegestaan.

100.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De gevelopbouw is asymmetrisch op de begane grond en symmetrisch op de eerste verdieping. De bestaande verhoudingen behouden en waar mogelijk versterken.
  2. Het model van de gevelopeningen is horizontaal waarin verticaal gelede kozijnen. De ramen daarin zijn veelal horizontaal geleed.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten. Gevelversieringen kennen eventueel een afwijkende kleur (vorm)baksteen.
  4. Metselwerken uitvoeren in kettingverbanden als Noors of Engels verband.
  5. De aanzet van het hellende dak ter plaatse van de dakvoet ligt buiten de lijn van de zijgevel. Hierdoor ontstaan brede gootplafonds.
  6. De voordeur-/entreepartij kan worden uitgevoerd met gemetselde bloembakken, luifels en glas-in-loodvensters.
  7. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat. Blauw gesmoorde dakpannen zijn enkel daar toegestaan waar de oorspronkelijke bebouwing deze kent.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen of donkerblauw voor de ramen en deuren. Voor luiken wordt wit gecombineerd met één van de andere kleuren.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

100.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek. Een hedendaagse interpretatie van de historische kenmerken is mogelijk.
  2. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), ornamenten in de topgevel ter plaatse van de nok al dan niet gecombineerd met kleinere of in het ornament geïntegreerde vensters, bloembakken, erkers en rollagen dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Ter plaatste van topgevels wordt de dakbedekking veelal beëindigd met kantpannen vallend over één of meer uitgemetselde lagen metselwerk meelopend met de dakhelling.
  4. Makelaars, waterborden/windveren en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht. Met name de goten moeten qua detaillering, maat en overhang bijpassend zijn bij oorspronkelijke goten. Gootplafonds uitvoeren in houten mes- en groefdelen.
  5. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals gootklossen en muurankers dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  6. Raamdorpels, stoepen en onderdorpels van buitendeurkozijnen uitvoeren in blauwe hardsteen, bijvoorbeeld Arduin.
  7. Zichtbare lateiconstructies in buitengevels uitvoeren in schoonwerkbeton.
  8. Houten luiken moeten behouden blijven, voor zover ze oorspronkelijk en werkend zijn.
  9. In alle kozijnopeningen dient raamhout, al dan niet draaibaar, te worden toegepast.
  10. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn.
  11. Indien een roedeverdeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

100.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een zadeldak gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd.
    3. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen, dan wel vormen hiermee een contrast.
    4. In afwijking van het hiervoor bepaalde in 2 is aan de voorzijde een erker mogelijk, mits dit passend is in de oorspronkelijke architectuur.
  2. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken in samenhang met het hoofdgebouw worden ontworpen, gelden de volgende regels:
    1. Aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of lessenaarsdak, waarbij de dakhelling van het zadeldak gelijk is aan die van de woning.
    2. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadeldak, waarbij de dakhelling gelijk is aan die van de woning.
    3. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    4. De gevels van de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk.
  3. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken een contrast vormen met het hoofdgebouw, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen voorzien worden van een plat dak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken vormt een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.

Artikel 101 Typologie Jaren '30-woning met paraboolkap     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels:

101.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.

101.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren en het silhouet van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. Maximaal één bouwlaag met een paraboolkap, eventueel met borstwering.
  5. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond en is veelal haaks op de weg.
  6. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd, met uitzondering van erkers, en dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  7. Schoorstenen bevinden zich meestal in de noklijn. Schoorstenen van een meer fors formaat kunnen ook in de achtergevel of laag in het dakvlak worden gesitueerd. De schoorstenen monden uit boven de nok.
  8. Dakkapellen zijn niet toegestaan.
  9. De voordeur- /entreepartij ten opzichte van de buitengevel is verdiept, waardoor een overdekt entreeportaal met stoep ontstaat.
  10. Loggia's zijn niet toegestaan.

101.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De gevelopbouw is asymmetrisch op de begane grond en symmetrisch op de eerste verdieping. De bestaande verhoudingen behouden en waar mogelijk versterken.
  2. Het model van de gevelopeningen (inclusief de erker) is horizontaal waarin verticaal gelede kozijnen. De ramen daarin zijn veelal horizontaal geleed.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten. Gevelversieringen kennen eventueel een afwijkende kleur (vorm)baksteen.
  4. Metselwerken uitvoeren in kettingverbanden als Noors of Engels verband.
  5. De aanzet van het parabooldak ter plaatse van de dakvoet ligt buiten de lijn van de zijgevel. Hierdoor ontstaan brede gootplafonds. De goot wordt omgezet in de voorgevel.
  6. In het vlak van de voorgevel worden op de hoeken penanten uitgemetseld die aansluiten op de paraboolvorm van het dak.
  7. De voordeur-/entreepartij kan worden uitgevoerd met gemetselde bloembakken, luifels en glas-in-loodvensters.
  8. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat. Blauw gesmoorde dakpannen zijn enkel daar toegestaan waar de oorspronkelijke bebouwing deze kent.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen, donkerblauw voor de ramen en deuren. Voor luiken wordt wit gecombineerd met één van de andere kleuren.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

101.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek. Een hedendaagse interpretatie van de historische kenmerken is mogelijk.
  2. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zoals rollagen en uitgemetselde lagen.
  3. Ter plaatste van topgevels wordt de dakbedekking beëindigd met kantpannen vallend over één of meer uitgemetselde lagen metselwerk in de dakhelling.
  4. Kenmerkende steunbeerconstructies als onderdeel van de topgevel behouden en mogelijk terugbrengen.
  5. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals gootklossen en muurankers dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  6. Raamdorpels, stoepen en onderdorpels van buitendeurkozijnen uitvoeren in blauwe hardsteen, bijvoorbeeld Arduin.
  7. Zichtbare lateiconstructies in buitengevels uitvoeren in schoonwerkbeton of metselwerk.
  8. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn.
  9. Indien een roedeverdeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

101.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '30-woning met een paraboolkap gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd.
    3. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen, dan wel vormen hiermee een contrast.
    4. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadeldak.
    5. In afwijking van het hiervoor bepaalde in 2 is aan de voorzijde een erker mogelijk, mits dit passend is in de oorspronkelijke architectuur.
  2. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken in samenhang met het hoofdgebouw worden ontworpen, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of plat dak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    3. De gevels van de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk.
  3. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken een contrast vormen met het hoofdgebouw, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen voorzien worden van een plat dak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken vormt een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.

Artikel 102 Typologie Amsterdamse schoolbebouwing     

Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels:

102.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende algemene regels:

  1. Behoud van het ensemble is het uitgangspunt. Niet alleen het woongedeelte en de schuur, maar ook de overige oorspronkelijke bouwwerken, het erf, de erfafscheiding, de tuininrichting en de omgeving moeten in samenhang worden vormgegeven.

102.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van de oorspronkelijke bebouwing zichtbaar blijven.
  3. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige of samengestelde plattegrond.
  4. Maximaal één bouwlaag met een steil zadeldak van minimaal 45 graden, eventueel met borstwering.
  5. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
  6. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken passen qua situering bij de traditionele erfopzet en dienen ondergeschikt te zijn aan de hoofdbebouwing.
  7. Nieuwe dakdoorvoeren dienen gecombineerd te worden met bestaande schoorstenen en/of ventilatiekappen.
  8. Voor het plaatsen van dakkapellen wordt qua vormgeving, situering en kleur- en materiaalgebruik aansluiting gezocht bij oorspronkelijke dakkapellen op het desbetreffende pand en is overleg met het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium gewenst. In het overleg kan besproken worden wat voor de betreffende specifieke situatie acceptabel is.
  9. Loggia's zijn niet toegestaan.

102.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De bestaande gevelopbouw dient te worden behouden.
  2. Het model van de gevelopeningen is veelal horizontaal, waarin verticaal gelede kozijnen zijn opgenomen.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten.
  4. Metselwerken uitvoeren in kettingverbanden (Noors of Engels verband).
  5. In het vlak van de kopgevel zijn penanten uitgemetseld passend in de gevelopbouw.
  6. Het schilderen of pleisteren van gevels is niet toegestaan.
  7. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in blauwe geglazuurde dakpannen van het type verbeterde Hollandse pan, met bijbehorende kantpannen en nokvorsten.
  8. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden uitgevoerd in hout.
  9. Het kleurgebruik van het houtwerk is gebaseerd op de oorspronkelijke kleurstelling, indien nodig ondersteund door historisch kleuronderzoek.

102.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  2. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zoals rollagen, vlechtingen en uitgemetselde lagen dienen behouden te blijven.
  3. Ter plaatste van topgevels wordt de dakbedekking beëindigd met kantpannen.
  4. Kenmerkende penanten als onderdeel van de gevel dienen worden te behouden.
  5. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals gootklossen en muurankers dienen behouden te blijven.
  6. Raamdorpels, stoepen en onderdorpels van buitendeurkozijnen uitvoeren in metselwerk.
  7. Zichtbare lateiconstructies in buitengevels uitvoeren in metselwerk.
  8. Indien een roedeverdeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd.

102.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van Amsterdamse Schoolbebouwing gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw, waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.

Artikel 103 Typologie Bebouwing uit de wederopbouwperiode     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels:

103.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  2. In geval van een (voormalige) boerderij uit de wederopbouwperiode, is behoud van het ensemble het uitgangspunt. Niet alleen het woonhuis en de schuur, maar ook de overige oorspronkelijke bouwwerken, het erf, de beplanting en de omgeving van de boerderij moeten in samenhang worden vormgegeven.

103.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De woningen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige of samengestelde plattegrond.
  4. De schuren hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige tot vierkante plattegrond.
  5. De woningen bestaan uit maximaal twee bouwlagen met een steil zadeldak van circa 40 graden of een flauw zadeldak van circa 15-25 graden. Schuren hebben een steil zadeldak.
  6. Wolfseinden zijn enkel toegestaan voor schuren.
  7. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
  8. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden bij voorkeur aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw gesitueerd en dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  9. Schoorstenen bevinden zich meestal in de noklijn.
  10. Loggia's zijn niet toegestaan.
  11. Aanbouwen en toevoegingen aan het dakvlak van de schuur zijn niet toegestaan. Bij functiewijziging kunnen, om extra daglicht te verkrijgen, smalle, verticale dakramen worden toegepast.

103.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de woning     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de woning:

  1. De bestaande gevelopbouw behouden en waar mogelijk versterken.
  2. De woningen kennen een verticale tot vierkante gevelindeling.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten of bronskleurig.
  4. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    2. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, voor de ramen donkergroen, donkerblauw en wit en voor deuren donkergroen en donkerblauw. Voor luiken wordt wit gecombineerd met één van de andere kleuren.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

103.4 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden – indien de schuur eveneens dateert uit de wederopbouwperiode – de volgende regels voor de gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur:

  1. De oorspronkelijke gevelopeningen, zoals stal- en mendeuren, dienen gehandhaafd te blijven.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten of bronskleurig.
  3. Damwandprofielplaten zijn niet toegestaan.
  4. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  5. Gevelopeningen in de schuur zijn kleinschalig en veelal vierkant, eventueel met een getoogde bovenkant.
  6. Kozijnen, deuren en ramen in gemetselde delen van de schuur worden uitgevoerd in hout of beton of een goed gelijkend ander materiaal met hetzelfde profiel.
  7. Voor kozijnen en ramen is wit toegestaan, donkergroen en zwart voor de deuren.
  8. Bij functieverandering van de schuur kunnen stal- en mendeuren als gevelopening gebruikt worden, met dien verstande dat:
    1. Een kozijn met een sobere indeling en kleurstelling achter in de negge wordt geplaatst.
    2. De deuren behouden worden.
    3. Achter de gevelopening visueel één ruimte zichtbaar dient te zijn.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

103.5 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek zijn sober en dient te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek. Een hedendaagse interpretatie van de historische kenmerken is mogelijk.
  2. De karakteristieke vormgeving van de topgevels met oortjes in de aanzet en schijven metselwerk ter beëindiging, dient behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zoals rollagen en uitgemetselde lagen dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  4. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals gootbeugels en (zinken) mastgoten dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  5. Kozijnen zijn veelal voorzien van geglazuurde lekdorpels of metselwerk raamdorpels.
  6. Zichtbare lateiconstructies in buitengevels uitvoeren in schoonwerkbeton of metselwerk.
  7. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn.
  8. Indien een roedeverdeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

103.6 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    2. Aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerk dienen in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen te worden, dan wel vormen hiermee een contrast.
    3. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen in samenhang met de woning ontworpen te worden.
  2. Voor aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken aan de woning gelden de volgende regels:
    1. Aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant te worden gesitueerd.
    2. Wat betreft architectuur en detaillering moeten deze aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de woning, dan wel hiermee een contrast vormen.
    3. Aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadeldak, lessenaarsdak of plat dak. De kapvorm is een afgeleide van de kapvorm van de woning.
    4. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning, tenzij er sprake is van een eigentijdse vormgeving van het bijbehorend bouwwerk.
    5. De gevels van de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk, tenzij er sprake is van een eigentijdse vormgeving van het bijbehorend bouwwerk.
    6. In afwijking van het eerder bepaalde onder 1 is aan de voorzijde is een erker mogelijk, mits dit passend is in de oorspronkelijke architectuur.
  3. Voor aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken aan de schuur gelden de volgende regels:
    1. Aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant te worden gesitueerd.
    2. Wat betreft architectuur en detaillering moeten deze aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de schuur, dan wel hiermee een contrast vormen.
    3. Een aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk aan een schuur wordt vormgegeven als aankapping met een lessenaarsdak van minimaal 20 graden.
    4. Het dak wordt aangekapt ter plaatse van of onder de goot van de schuur.
    5. De diepte van een aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk bedraagt 1/3 tot 1/2 deel van de overspanning van de schuur.
    6. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de schuur, tenzij er sprake is van een eigentijdse vormgeving van het bijbehorend bouwwerk.
    7. De gevels van de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk, tenzij er sprake is van een eigentijdse vormgeving van het bijbehorend bouwwerk.
  4. Voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
    1. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadeldak, lessenaarsdak of plat dak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    3. De gevels van vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk.

103.7 Dakkapellen     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing uit de wederopbouwperiode gelden de volgende regels voor de dakkapellen:

  1. Voor dakkapellen gelden de volgende algemene regels:
    1. De dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het gebouw.
    2. De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.
    3. Dakkapellen zijn niet toegestaan op schuren, aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Voor dakkapellen gelden de volgende regels voor de plaatsing en het aantal:
    1. Dakkapellen komen in 3 varianten voor: 1) staand in de goot, 2) door de goot heen en 3) los van de goot.
    2. Wanneer er sprake is van een asymmetrisch dak, worden in het kleinste dakvlak dakkapellen geplaatst staand in de goot of door de goot heen. Op het grootste dakvlak worden dakkapellen geplaatst los van de goot.
    3. Er is minimaal 1,00 meter dakvlak aanwezig boven en aan weerszijden van de dakkapel. De afstand tot de zijkant wordt gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel, bij kilkepers wordt gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel. De afstand boven wordt gemeten langs het dakvlak.
    4. Bij dakkapellen los van de goot is tevens 1,00 meter dakvlak aanwezig onder de dakkapel. De afstand onder wordt gemeten langs het dakvlak.
    5. Bij meerdere dakkapellen in dezelfde bouwmassa is sprake van een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt.
    6. Per dakvlak zijn maximaal 2 dakkapellen toegestaan, gelijkmatig verdeeld over het dakvlak.
  3. Voor dakkapellen gelden de volgende regels voor de maatvoering:
    1. De hoogte van de dakkapel bedraagt maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak, met een maximum van 1,30 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot aan de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim.
    2. Voor dakkapellen geplaatst los van de goot, geldt dat de breedte in totaal maximaal 40% van de breedte van het dakvlak bedraagt, met een maximum van 2,00 meter per dakkapel gemeten langs de goot van het desbetreffend dakvlak.
    3. Voor dakkapellen staand in de goot of door de goot heen geldt dat deze verticaal geleed zijn, dus hoger zijn dan breed.
  4. Voor dakkapellen gelden de volgende regels voor de vormgeving:
    1. De dakkapel is plat afgedekt, tenzij de reeds bestaande, oorspronkelijke dakkapel voorzien is van een flauw zadeldak.
    2. De indeling en profielen van kozijnen zijn verwant aan die van de ramen en kozijnen van de woning.
    3. Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden boeiboord, geen overstek en ornamenten.
  5. Voor dakkapellen gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:
    1. Het kleur- en materiaalgebruik van kozijnen en profielen is gelijk aan dat van de kozijnen en profielen van de woning.
    2. De zijwanden van de dakkapel worden bij voorkeur uitgevoerd in zink. Uitvoering in hout of plaatwerk in een donkere kleur is eveneens toegestaan.

Artikel 104 Typologie Herverkavelingsboerderij     

Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels:

104.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  2. Behoud van het ensemble. Niet alleen het ensemble van het woonhuis en de schuur, maar ook de overige oorspronkelijke bouwwerken, het erf, de beplanting en de omgeving van de boerderij moeten de nodige aandacht krijgen.

104.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke bebouwing zichtbaar blijven.
  3. De oorspronkelijke markante hoofdvorm van de schuur dient als beeldbepalend element in het landschap bewaard te blijven. Ook bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw dient dit steeds het uitgangspunt te zijn.
  4. Het woonhuis is middels een laag aangebouwd bijbehorend bouwwerk verbonden met de schuur en staat vrijwel altijd evenwijdig aan de weg.
  5. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen bij voorkeur achter de hoofdbebouwing geplaatst te zijn.
  6. De woningen bestaan uit maximaal twee bouwlagen met een flauw zadeldak. Schuren hebben een flauw zadeldak. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  7. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  8. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden bij voorkeur aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw gesitueerd en dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  9. Schoorstenen bevinden zich in de noklijn.
  10. Loggia's zijn niet toegestaan.
  11. Aanbouwen en toevoegingen aan het dakvlak van de schuur zijn niet toegestaan.

104.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de woning     

Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de woning:

  1. Behouden van de horizontale, asymmetrische gevelindeling van de woningen.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in geel metselwerk, gecombineerd met een plint in rood metselwerk.
  3. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    2. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. De woning kent een vlakke dakbedekking, bijvoorbeeld bestaande uit bitumen of shingles, uitgevoerd in antraciet of donkere aardetinten.
  3. Kozijnen, deuren en ramen worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, voor de ramen donkergroen, donkerblauw en wit en voor deuren donkergroen en donkerblauw.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

104.4 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur     

Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de schuur:

  1. Behouden van de asymmetrische gevelindeling met in hoogte verspringende dakvlakken van de schuurdelen.
  2. De oorspronkelijke gevelopeningen, zoals schuurdeuren en lichtstroken, dienen gehandhaafd te blijven.
  3. De schuren bestaan uit rood metselwerk, aangevuld met verticale rabatdelen, afwisselend blauw en licht grijsblauw geschilderd. Damwandprofielplaten zijn niet toegestaan.
  4. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in golfplaten, uitgevoerd in RAL 7016 of donkerder grijs.
  5. Gevelopeningen in de schuur – anders dan de deuren – beperken zich tot een horizontale lichtstrook net onder de goot en een ronde ventilatieopening in de topgevel.
  6. Kozijnen, deuren en ramen in gemetselde delen van de schuur worden uitgevoerd in hout of een goed gelijkend ander materiaal met hetzelfde profiel.
  7. Voor kozijnen en ramen is wit toegestaan, voor deuren licht grijsblauw en blauw in afwisselende verticale stroken.
  8. Bij functieverandering van de schuur kunnen schuurdeuren als gevelopening gebruikt worden, met dien verstande dat:
    1. Een kozijn met een sobere indeling en kleurstelling achter in de negge wordt geplaatst.
    2. De deuren behouden worden.
    3. Achter de gevelopening visueel één ruimte zichtbaar dient te zijn.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

104.5 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek zijn sober en dient te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek. Een hedendaagse interpretatie van de historische kenmerken is mogelijk.
  2. De karakteristieke vormgeving met overstekken rondom en schijven metselwerk (schoorstenen), dient behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zoals rollagen en uitgemetselde lagen dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  4. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals doorlopende (verjongde) gordingen, gootbeugels en (zinken) mastgoten dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  5. Kozijnen zijn veelal voorzien van geglazuurde lekdorpels.
  6. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn.
  7. Een roedeverdeling is niet toegestaan.

104.6 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een herverkavelingsboerderij gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    2. Aan- of bijbehorende bouwwerken aan de woning dienen in samenhang met de woning ontwerpen te worden, dan wel vormen hiermee een contrast.
    3. Aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken aan de schuur dienenin samenhang met de schuur ontworpen te worden.
    4. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen in samenhang met de woning en/of schuur ontworpen te worden.
  2. Voor aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken aan de woning gelden de volgende regels:
    1. Aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant te worden gesitueerd.
    2. Wat betreft architectuur en detaillering moeten deze aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de woning, dan wel hiermee een contrast vormen.
    3. Aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een plat dak.
    4. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning, tenzij er sprake is van een eigentijdse vormgeving van het bijbehorend bouwwerk.
    5. De gevels van de aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk, tenzij er sprake is van een eigentijdse vormgeving van het bijbehorend bouwwerk.
  3. Voor aangebouwde en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken aan de schuur gelden de volgende regels:
    1. Aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken dienen aan de achterkant te worden gesitueerd.
    2. Wat betreft architectuur en detaillering moeten deze aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken afgestemd zijn op de schuur.
    3. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de schuur.
    4. De gevels van de aan- of uitgebouwde bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk.
  4. Voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
    1. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadeldak, lessenaarsdak of plat dak. De kapvorm is een afgeleide van de kapvorm van de woning en/of schuur.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning en/of schuur.
    3. De gevels van de vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk.

Artikel 105 Typologie Jaren '60-/'70-woning     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels:

105.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende algemene regels:

  1. De woning is als zelfstandige eenheid herkenbaar.

105.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De gebouwen hebben veelal een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. Eén of twee bouwlagen met een zadeldak. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  5. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond. Het toepassen van twee nokrichtingen (een samengestelde kap) is alleen toegestaan wanneer de oorspronkelijke bebouwing dat kent.
  6. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden bij voorkeur aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw gesitueerd en dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  7. Schoorstenen bevinden zich meestal in of net onder de noklijn.
  8. Loggia's zijn niet toegestaan.

105.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De bestaande gevelopbouw behouden en waar mogelijk versterken.
  2. Terugliggende gevelvlakken dienen te worden behouden.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in rood of geel metselwerk. Gevelversieringen kennen eventueel een afwijkende kleur (vorm)baksteen. Als onderdeel van de architectuur of als accent kunnen topgevels of muurvlakken worden uitgevoerd in houten delen of een goed gelijkend ander materiaal met hetzelfde profiel.
  4. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    2. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat. Betonnen dakpannen of een vlakke dakbedekking, bijvoorbeeld bestaande uit bitumen of shingles, uitgevoerd in antraciet of donkere aardetinten, is alleen toegestaan wanneer de oorspronkelijke bebouwing dat kent.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  4. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

105.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw.
  2. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals gootklossen, overstekken met (verjongde) gordingen en daksporen dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn. Bloemkozijnen zijn toegestaan wanneer de oorspronkelijke bebouwing dat kent.
  4. Een roedeverdeling is niet toegestaan.

105.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren '60-/'70-woning gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Voor aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken gelden de volgende algemene regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
    2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd.
    3. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen, dan wel vormen hiermee een contrast.
  2. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken in samenhang met het hoofdgebouw worden ontworpen, gelden de volgende regels:
    1. De kapvorm van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken is een afgeleide van de kapvorm van het hoofdgebouw.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    3. De gevels van de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk.
  3. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken een contrast vormen met het hoofdgebouw, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen voorzien worden van een plat dak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken vormt een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.

Artikel 106 Typologie Woning in een hedendaagse architectuurstijl     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels:

106.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  2. Het erf / de tuin, de beplanting en de omgeving van de woning worden in samenhang vormgegeven.

106.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. Maximaal twee bouwlagen met een zadeldak. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  5. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
  6. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een bestaande woning worden bij voorkeur aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw gesitueerd en dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  7. In geval van volledige nieuwbouw, worden aan-, uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken en dakkapellen in één architectonisch ontwerp opgenomen.
  8. Loggia's zijn niet toegestaan.

106.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De bestaande gevelopbouw behouden en waar mogelijk versterken.
  2. Gevelbekleding of -afwerking dient de gekozen architectuur te ondersteunen.
  3. De bekleding van het dakvlak dient de gekozen architectuur te ondersteunen.
  4. Kozijnen, deuren en ramen dienen de gekozen architectuur te ondersteunen.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

106.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering dient de gekozen architectuur te ondersteunen.

106.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een woning in een hedendaagse architectuurstijl gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een bestaande woning worden bij voorkeur aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw gesitueerd en dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  2. In geval van volledige nieuwbouw, worden aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken in één architectonisch ontwerp opgenomen.
  3. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning.

Artikel 107 Veldschuur     

Voor een goede beeldkwaliteit van een veldschuur gelden de volgende regels:

107.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een veldschuur gelden de volgende algemene regels:

  1. Het gebouw is als zelfstandige eenheid herkenbaar.

107.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een veldschuur gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. De oorspronkelijke eenvoudige rechthoekige hoofdvorm van de veldschuur dient als beeldbepalend element in het landschap bewaard te blijven. Ook bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw dient dit steeds het uitgangspunt te zijn.
  3. De bebouwing heeft een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. De bebouwing bestaat uit maximaal één bouwlaag met een zadeldak, eventueel met borstwering.
  5. De bebouwing is voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek van minimaal 45 graden. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  6. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
  7. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken en dakkapellen zijn niet toegestaan.
  8. Loggia's zijn niet toegestaan.

107.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een jaren veldschuur gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De bebouwing kent een eenvoudige, verticale gevelindeling van de gemetselde gevels. De gevelindeling van de houten delen is horizontaal, passend in de horizontale indeling van het potdekselwerk.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in geel metselwerk (IJsselsteen), of gepotdekseld hout in een zwarte kleur, eventueel met een plint van geel metselwerk. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm.
  3. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  4. Kozijnen, deuren en ramen worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  5. Voor kozijnen in gemetselde geveldelen is wit toegestaan, donkergroen voor de ramen en deuren.
  6. Voor kozijnen en ramen in houten geveldelen zijn zwart en wit toegestaan, zwart voor de deuren.
  7. Bij functieverandering van de schuur kunnen stal- en mendeuren als gevelopening gebruikt worden, met dien verstande dat:
    1. Een kozijn met een sobere indeling en kleurstelling achter in de negge wordt geplaatst.
    2. De deuren behouden worden.
    3. Achter de gevelopening visueel één ruimte zichtbaar dient te zijn.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

107.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een veldschuur gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  2. Gevelbepalende ornamenten, zoals hanenkammen, rollagen (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), makelaars, waterborden/windveren en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Functionele elementen, zoals hooideuren, draagbalken en luiken dienen behouden te blijven.
  4. Raamdorpels onder de vensters uit te voeren in gemetselde bakstenen raamdorpels onder een hellingshoek.
  5. In gemetselde gevels of geveldelen dienen neggen voldoende diep te zijn, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn.
  6. In houten gevels of geveldelen wordt het kozijn gelijk met de (buitenkant van de) plank geplaatst.
  7. Indien een roedeverdeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

Artikel 108 Bebouwing op een sportpark     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende regels:

108.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende algemene regels:

  1. Het gewenste karakter en totaalbeeld van het sportpark dient steeds het uitgangspunt te zijn.
  2. Er dient te worden gestreefd naar een eenduidig architectonisch totaalbeeld.
  3. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  4. De bebouwing heeft een kwalitatief hoogwaardige uitstraling.

108.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende regels voor situering, massa en vorm:

  1. De bebouwing op het sportterrein dient compact te blijven, een grote uitwaaiering over het terrein dient te worden voorkomen.
  2. Bij voorkeur één bebouwingsrichting en dakvorm aanhouden.
  3. De gebouwen hebben een enkelvoudige en eenvoudige hoofdvorm.
  4. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  5. De bebouwing dient qua positionering en vorm een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.

108.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende regels voor gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De bebouwing dient qua gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen.
  2. Voor de gevels heeft het gebruik van metselwerk de voorkeur. Donkere aardetinten als rood, zwart en donkergroen zijn goed passende kleuren.
  3. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, golfplaten in de kleur RAL 7016 of donkerder grijs of als vegetatiedak. Dakpanprofielplaten zijn niet toegestaan.
  4. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

108.4 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een sportpark gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn.
  2. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen aan de achter- of zijkant van het hoofdgebouw te worden gesitueerd.
  3. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen.
  4. De kapvorm van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken is een afgeleide van de kapvorm van het hoofdgebouw.
  5. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.

Artikel 109 Bebouwing op een begraafplaats     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels:

109.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende algemene regels:

  1. Het gewenste karakter en totaalbeeld van de begraafplaats dient steeds het uitgangspunt te zijn.
  2. Er dient te worden gestreefd naar een eenduidig architectonisch totaalbeeld.
  3. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  4. De bebouwing heeft een kwalitatief hoogwaardige uitstraling.
  5. Erfafscheidingen worden bij voorkeur opgenomen in het architectonisch beeld.

109.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De bebouwing op de begraafplaats dient compact te blijven, een grote uitwaaiering over het terrein dient te worden voorkomen.
  2. Bij voorkeur één bebouwingsrichting en dakvorm aanhouden.
  3. De gebouwen hebben een enkelvoudige en eenvoudige hoofdvorm.
  4. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw.
  5. De bebouwing dient qua positionering en vorm een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd.
  6. De bebouwing dient qua positionering, massa en vorm aan te sluiten op de omgeving en heeft bij voorkeur een ingetogen karakter.

109.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De bebouwing dient qua gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen.
  2. Voor de gevels heeft het gebruik van metselwerk de voorkeur. Donkere aardetinten als rood, zwart en donkergroen zijn goed passende kleuren.
  3. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  4. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  5. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen, donkerblauw en meekraprood voor de ramen en deuren. Voor luiken wordt wit gecombineerd met één van de andere kleuren.
  6. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

109.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. Gevelbepalende ornamenten, zoals rollagen, overstekken, gevelstenen, goten en gootklossen dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.

109.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een begraafplaats gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw met respect voor het bestaande complex.

Artikel 110 Bebouwing op een spoorwegemplacement     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels:

110.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  2. Behoud van het ensemble. Niet alleen het ensemble van het station (woning) en de goederenloods, maar ook de overige bouwwerken maken hiervan onderdeel uit.
  3. De bebouwing op een spoorwegemplacement stamt uit diverse tijdsperioden. Bij aanpassing dient het tijdsbeeld en de oorspronkelijke functie van het desbetreffende pand zichtbaar te blijven.

110.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De bebouwing volgt veelal de lengterichting van het spoor.
  4. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  5. Het station (woning) bestaat uit maximaal één bouwlaag met een steil zadeldak van minimaal 45 graden. De goederenloods (bijgebouw bij de woning) bestaat uit maximaal één bouwlaag met een flauw schilddak. De bedrijfsgebouwen zijn voorzien van een zadeldak of lessenaarsdak. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  6. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
  7. Het station (woning) heeft veelal twee representatieve gevels in verband met de ligging aan het spoor en de openbare ruimte (weg).
  8. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn alleen toegestaan bij het station (woning). Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken passen qua situering bij de opzet van het spooremplacement en dienen ondergeschikt te zijn aan de hoofdbebouwing.
  9. Schoorstenen bevinden zich meestal in de noklijn van het station (woning). Schoorstenen kunnen ook lager in het dakvlak worden gesitueerd en monden uit boven de nok.
  10. Dakkapellen zijn uitsluitend toegestaan op het station (woning).
  11. Loggia's zijn niet toegestaan.

110.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van het station (woning)     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik het station (woning):

  1. De oorspronkelijke gevelopbouw behouden en waar mogelijk terugbrengen.
  2. Het model van de gevelopeningen is of oogt horizontaal waarin verticaal gelede kozijnen zijn opgenomen.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten, met houten beschot in de top van de topgevels in een donkere kleur. Gevelversieringen kennen eventueel een afwijkende kleur (vorm)baksteen.
  4. Het schilderen of pleisteren van gevels is niet toegestaan.
  5. De aanzet van het hellende dak ter plaatse van de dakvoet ligt buiten de lijn van de zijgevel. Hierdoor ontstaan brede gootplafonds.
  6. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  7. Kozijnen, deuren en ramen worden uitgevoerd in hout.
  8. Voor kozijnen is wit toegestaan, voor de ramen en deuren heeft donkergroen de voorkeur, donkerblauw, donkerrood en zwart zijn toegestaan.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

110.4 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de goederenloods (vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de woning)     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de goederenloods (bijgebouw bij de woning):

  1. De oorspronkelijke gevelopbouw behouden en waar mogelijk terugbrengen.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in gepotdekselde houten geveldelen in een zwarte kleur met een hoge plint en penanten van metselwerk. Het metselwerk wordt uitgevoerd in rode aardetinten.
  3. In de houten geveldelen zijn horizontale ramen opgenomen.
  4. Het schilderen of pleisteren van gemetselde geveldelen is niet toegestaan.
  5. De aanzet van het hellende dak ter plaatse van de dakvoet ligt buiten de lijn van de gevels. Hierdoor ontstaan brede gootplafonds.
  6. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  7. Kozijnen, deuren en ramen worden uitgevoerd in hout.
  8. Voor kozijnen en ramen is wit toegestaan, voor de deuren heeft zwart de voorkeur, donkergroen, donkerblauw en donkerrood zijn toegestaan.
  9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

110.5 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de bedrijfsgebouwen     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de bedrijfsgebouwen:

  1. Voor de gevels van bedrijfsgebouwen is het uitgangspunt dat bestaande materialen, zoals roodbruin metselwerk, beton en gepotdekseld hout, zoveel mogelijk worden behouden.
  2. Asbesthoudende gevelbeplating kan vervangen worden door een goedgelijkend materiaal of een ander materiaal passend bij het karakter en tijdsbeeld van het desbetreffende pand.
  3. Voor de daken van bedrijfsgebouwen is het uitgangspunt dat bestaande materialen, zoals gebakken dakpannen en golfplaten, zoveel mogelijk worden behouden.
  4. Asbesthoudende dakbedekking kan vervangen worden door een goedgelijkend materiaal of een ander materiaal passend bij het karakter en tijdsbeeld van het desbetreffende pand.
  5. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter en maximaal 2 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  6. Kozijnen, deuren en ramen worden uitgevoerd conform de bestaande situatie of een goed gelijkend ander materiaal passend bij het tijdsbeeld en karakter van het gebouw.
  7. Voor kozijnen en ramen is wit toegestaan, voor de deuren heeft zwart de voorkeur, donkergroen, donkerblauw, donkerbruin en donkerrood zijn toegestaan.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

110.6 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van het weeghuisje     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van het weeghuisje:

  1. De oorspronkelijke gevelopbouw behouden en waar mogelijk terugbrengen.
  2. Het model van de gevelopeningen is of oogt horizontaal waarin verticaal gelede kozijnen zijn opgenomen.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten.
  4. Het schilderen of pleisteren van gevels is niet toegestaan.
  5. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  6. Kozijnen, deuren en ramen worden uitgevoerd in hout.
  7. Voor kozijnen is wit toegestaan, voor de ramen en deuren heeft donkergroen de voorkeur, donkerblauw, donkerrood en zwart zijn toegestaan.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

110.7 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek. Een hedendaagse interpretatie van de historische kenmerken is mogelijk.
  2. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur) zoals bloembakken en rollagen dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Pirons, waterborden/windveren en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht. Met name de goten moeten qua detaillering, maat en overhang bijpassend zijn bij oorspronkelijke goten. Gootplafonds uitvoeren in houten mes- en groefdelen.
  4. Ritmerende gevelbepalende ornamenten zoals muurankers dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  5. Raamdorpels, stoepen en onderdorpels van buitendeurkozijnen van een station (woning) uitvoeren in metselwerk.
  6. Zichtbare lateiconstructies, draagconstructies en luifels in buitengevels van bedrijfsgebouwen uitvoeren in schoonwerkbeton.
  7. Schuifdeuren moeten behouden blijven, voor zover ze oorspronkelijk en werkend zijn.
  8. In alle kozijnopeningen van het station (woning) dient raamhout te worden toegepast, al dan niet draaibaar.
  9. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn.
  10. Het toepassen van een roedeverdeling is niet toegestaan.

110.8 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij het station (woning)     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing op een spoorwegemplacement gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij het station (woning):

  1. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw, waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.
  3. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn alleen toegestaan bij het station (woonhuis).
  4. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken passen qua situering bij de opzet en dubbele oriëntatie van het spooremplacement en dienen ondergeschikt te zijn aan het station.
  5. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden in samenhang met het hoofdgebouw ontworpen, dan wel vormen hiermee een contrast.
  6. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken in samenhang met het hoofdgebouw worden ontworpen, gelden de volgende regels:
    1. Aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn voorzien van een zadel- of lessenaarsdak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.
    3. De gevels van de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden uitgevoerd in metselwerk.
  7. Indien aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken een contrast vormen met het hoofdgebouw, gelden de volgende regels:
    1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken mogen voorzien worden van een plat dak.
    2. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken vormt een contrast met het kleur- en materiaalgebruik van het hoofdgebouw.

Artikel 111 Het fort     

Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende regels:

111.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende algemene regels:

  1. Behoud van het ensemble bestaande uit gemetselde facen (waaronder kazematten), aarden wallen, binnenplaats, gracht en relicten uit de Tweede Wereldoorlog is het uitgangspunt.

111.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De oorspronkelijke markante, zeszijdige hoofdvorm van het fort met omgrachting dient als beeldbepalend element in het landschap bewaard te blijven.
  2. Het fort bestaat uit faces, waarbij de kazematten (inclusief drinkwatervoorziening) met aarde zijn afgedekt.

111.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur en materiaalgebruik:

  1. De oorspronkelijke gevelopeningen dienen gehandhaafd te blijven.
  2. De gemetselde delen bestaan uit roodbruin metselwerk.
  3. De gemetselde facen aan de grachtzijde zijn nagenoeg gesloten, met uitzondering van enkele schietgaten en de halfrondgesloten toegangspoort in het midden van de zuidelijke lange face.
  4. In de gemetselde facen aan de zijde van de binnenplaats bevinden zich (dubbele) deuren met halfronde bovenlichten, halfrondgesloten vensters, en naar de beide uiteinden een gemetselde trap.
  5. Deuren, ramen en luiken worden uitgevoerd in hout.
  6. Voor deuren, ramen en luiken is donkerrood toegestaan, tenzij kleuronderzoek een andere oorspronkelijke kleurstelling uitwijst.
  7. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

111.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van het fort gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  2. Gevelbepalende ornamenten, zoals verdiepte velden metselwerk, natuursteen aanzet- en sluitstenen en rollagen dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Raamindeling met roedenverdeling en diefijzers dient te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  4. Oorlogsschade dient te worden behouden.
  5. Oorspronkelijke schoorstenen en ventilatiekanalen dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht .

Artikel 112 Een molen of molenromp     

Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende regels:

112.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende algemene regels:

  1. Behoud van het ensemble is het uitgangspunt. Niet alleen molen, maar ook de overige oorspronkelijke bouwwerken, het erf, de beplanting en de omgeving moeten in samenhang worden vormgegeven.
  2. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.

112.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp en de overige gebouwen gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. De compositie van de bebouwing op het perceel dient compact te zijn. Alle gebouwen op het perceel vormen in ruimtelijke zin een ensemble met elkaar.
  3. De oorspronkelijke eenvoudige, markante hoofdvorm van de molen dient als beeldbepalend element in het landschap bewaard te blijven. Ook bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw dient dit steeds het uitgangspunt te zijn.
  4. De positionering van vrijstaande bijbehorende bouwwerken dient ondergeschikt te zijn en zich te voegen naar de erfopzet.
  5. De molens hebben een eenvoudige hoofdvorm met een ronde of achthoekige plattegrond. De overige gebouwen hebben een eenvoudige, rechthoekige of samengestelde plattegrond.
  6. Toevoegingen aan het dakvlak, zoals dakkapellen en schoorstenen, zijn niet toegestaan.
  7. Loggia's zijn niet toegestaan.

112.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van een molen of molenromp     

Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de molen of molenromp:

  1. De bestaande aanzichten en verhoudingen dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden.
  2. De gevels zijn voorzien van kleine, verticale tot vierkante gevelopeningen. Gevelopeningen in metselwerk zijn veelal getoogd.
  3. Het materiaalgebruik is gelijk aan of vergelijkbaar met het oorspronkelijke materiaalgebruik. Kunststoftoepassingen bij molens en molenrompen zijn niet toegestaan.
  4. Het schilderen of pleisteren van gemetselde gevels is niet toegestaan.
  5. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden uitgevoerd in hout.
  6. Het kleurgebruik sluit aan bij de aard en het (historisch) karakter van het gebouw.
  7. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan.

112.4 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de overige gebouwen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de overige gebouwen:

  1. De bestaande aanzichten en verhoudingen dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden.
  2. Het materiaalgebruik is gelijk aan of vergelijkbaar met het oorspronkelijke materiaalgebruik.
  3. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  3. Het kleurgebruik sluit aan bij de aard en het (historisch) karakter van het gebouw.
  4. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan.

112.5 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp en de overige gebouwen gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering is in harmonie met het bestaande gebouw en de omgeving, gevarieerd en zorgvuldig. Een hedendaagse interpretatie van de historische kenmerken is mogelijk.
  2. Gevelbepalende ornamenten, zoals speklagen, hanenkammen, rollagen (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), makelaars, waterborden/windveren en goten dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Functionele elementen, zoals draagbalken, stelling, staart, wieken en luiken dienen behouden te blijven en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  4. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn.
  5. Indien T- of H-(schuif)vensters worden toegepast of een afgeleide hiervan, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
  6. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

112.6 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een molen of molenromp gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan indien de molenbiotoop dit toelaat.
  2. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  3. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.

Artikel 113 De schaapskooi     

Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels:

113.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende algemene regels:

  1. Behoud van het ensemble is het uitgangspunt. Niet alleen de hooimijt (bezoekerscentrum) en de stal, maar ook het erf, de beplanting en de omgeving van de schaapskooi moeten in samenhang worden vormgegeven.

113.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de bestaande bebouwing is maatgevend.
  2. De compositie van de bebouwing op het perceel dient compact te zijn.
  3. De eenvoudige, markante hoofdvorm van de stal dient als beeldbepalend element in het landschap bewaard te blijven. Ook bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw dient dit steeds het uitgangspunt te zijn.
  4. De gebouwen zijn vrijstaand. De gebouwen zijn orthogonaal ten opzichte van elkaar geplaatst.
  5. De positionering van vrijstaande bijbehorende bouwwerken dient ondergeschikt te zijn en zich te voegen naar de specifieke erfopzet.
  6. De hooimijt (bezoekerscentrum) bestaat uit maximaal twee bouwlagen met een tentdak, de aanbouw uit één bouwlaag met een plat dak. De overige bebouwing bestaat uit maximaal één bouwlaag met een zadeldak.
  7. De nokrichting van de bebouwing volgt de lengterichting van de plattegrond.
  8. Toevoegingen aan het dakvlak, zoals dakkapellen en schoorstenen, zijn niet toegestaan.

113.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de hooimijt (bezoekerscentrum)     

Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de hooimijt (bezoekerscentrum):

  1. Gevels van de hooimijt dienen te worden uitgevoerd in verticale planken in zwart of houtkleur, gecombineerd met een doorlopend bandraam onder de kap. Gevels van de aanbouw worden uitgevoerd in glas gecombineerd met metselwerk.
  2. Het dakvlak van de hooimijt dient uitgevoerd te worden in golfplaten in de kleur RAL 7016 of donkerder grijs. De aanbouw is plat afgedekt (vegetatiedak).
  3. Kozijnen, deuren en ramen worden bij voorkeur uitgevoerd in hout, staal of aluminium.
  4. Voor kozijnen, ramen en deuren zijn zwart, antraciet en houtkleur toegestaan.
  5. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

113.4 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de stal en de wagenschuur     

Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van de stal en de wagenschuur:

  1. De oorspronkelijke gevelopeningen, zoals stal- en mendeuren, dienen gehandhaafd te blijven.
  2. De gevels bestaan uit gepotdekseld hout in een zwarte kleur. Potdekselplanken hebben een werkende hoogte van minimaal 25 cm. Damwandprofielplaten zijn niet toegestaan.
  3. Het dakvlak van de stal dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat, van het type Oud-Hollandse pan. Het dakvlak van de wagenschuur dient uitgevoerd te worden in golfplaten in de kleur RAL 7016 of donkerder grijs.
  4. Kozijnen, ramen en deuren worden uitgevoerd in hout.
  5. Gevelopeningen zijn kleinschalig en veelal horizontaal, zodat ze passend zijn in de horizontale indeling van het potdekselwerk. Gevelopeningen worden met een witte rand afgebiesd, conform de bestaande toestand.
  6. Voor kozijnen en ramen zijn zwart en wit toegestaan, zwart voor de deuren.
  7. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

113.5 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw.
  2. Gevelbepalende ornamenten, zoals makelaars, waterborden/windveren en deuren met klinket dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Overstekken van de hooimijt en de aanbouw dienen te worden behouden.
  4. Goten dienen bij vervanging vormgegeven te worden als zinken mastgoot.
  5. In houten gevels of geveldelen wordt het kozijn gelijk met de (buitenkant van de) plank geplaatst.

113.6 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van de schaapskooi gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.

Artikel 114 Bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel gelden de volgende regels:

114.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel gelden de volgende algemene regels:

  1. De gebouwen zijn als zelfstandige eenheden herkenbaar.
  2. Er dient te worden gestreefd naar een eenduidig architectonisch totaalbeeld op het tolplein, waar de groene omkadering onderdeel van uitmaakt.
  3. Nieuwbouw en toevoegingen aan een bestaand gebouw dienen te worden afgestemd op het architectonisch totaalbeeld en in overleg met het bevoegd gezag te worden vormgegeven.

114.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. Het bedieningsgebouw bij de entree van de tunnel heeft een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. De bebouwing op het tolplein dient qua positionering en vorm een samenhangend geheel te vormen.

114.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De bestaande gevelopbouw behouden.
  2. Behoud van de bestaande gevelbekleding of -afwerking is het uitgangspunt.
  3. Behoud van de bestaande bekleding van het dakvlak is het uitgangspunt.
  4. Behoud van de bestaande kozijnen, deuren en ramen is het uitgangspunt.
  5. Behoud van het bestaande kleurgebruik is het uitgangspunt.
  6. In geval van nieuwbouw en toevoegingen aan een bestaand gebouw dienen het kleur- en materiaalgebruik te worden afgestemd op het bestaande kleur- en materiaalgebruik en in overleg met het bevoegd gezag tot stand te komen.

114.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van bebouwing gerelateerd aan de Westerscheldetunnel gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. Behoud van de bestaande detaillering is het uitgangspunt.
  2. De detaillering dient de architectuur te ondersteunen.

Artikel 115 Het voormalige wachtlokaal     

Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende regels:

115.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende algemene regels:

  1. Het gebouw is als zelfstandige eenheid herkenbaar.
  2. Ook de omgeving van het voormalige wachtlokaal, waaronder de hoogwater verhoging, moet in samenhang worden vormgegeven.

115.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. Het gebouw heeft een eenvoudige hoofdvorm met een vierkante plattegrond.
  4. Maximaal één bouwlaag met een plat dak.
  5. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan.

115.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De gevelopbouw is asymmetrisch, met uitzondering van de achtergevel. De bestaande verhoudingen behouden en waar mogelijk versterken.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in roodbruin metselwerk op een uitgewassen betonnen plint.
  3. De voordeur-/entreepartij uitvoeren met gemetselde muurtjes en houten luifel. De entree van de werkplaats uitvoeren met uitgewassen betonnen luifel en latei.
  4. Het schilderen of pleisteren van gevels is niet toegestaan.
  5. Kozijnen, deuren en ramen worden uitgevoerd in hout.
  6. Voor kozijnen, ramen en deuren is wit toegestaan, donkerblauw voor de (schuif)deuren en ramen.
  7. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

115.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van het voormalige wachtlokaal gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  2. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zoals rollagen en uitgemetselde lagen, dienen te worden behouden.
  3. De gevelrand is afgedekt met dunne, keramische, antracietkleurige elementen.
  4. In alle kozijnopeningen dient raamhout, al dan niet draaibaar, te worden toegepast.
  5. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn.
  6. Indien een roedeverdeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

Artikel 116 De voormalige meestoof     

Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende regels:

116.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende algemene regels:

  1. De meestoof, bestaande uit een schuurgedeelte en stoof met ingebouwde woning, dient als solitair, beeldbepalend element in het landschap bewaard te blijven.

116.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van het oorspronkelijke schuurgedeelte met stoof en ingebouwde woning is maatgevend.
  2. De huidige of oorspronkelijke hoofdvorm van de meestoof dient bewaard te blijven, dan wel te worden teruggebracht.
  3. Het schuurgedeelte en het huidige woongedeelte vormen één geheel.
  4. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan.
  5. De meestoof bestaat uit één bouwlaag met een zadeldak. De nokhoogte van de stoof is hoger dan de nokhoogte van het schuurgedeelte.
  6. De meestoof is voorzien van een steil zadeldak met een hellingshoek van minimaal 45 graden. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  7. De nokrichting volgt de lengterichting van de meestoof.
  8. Muurrestanten van de oorspronkelijke bebouwing dienen te worden behouden.
  9. Toevoegingen aan het dakvlak van de meestoof, anders dan de bestaande ventilatiekoker en schoorstenen, zijn niet toegestaan. Bij functiewijziging kunnen, om extra daglicht te verkrijgen, smalle, verticale dakramen worden toegepast.
  10. Loggia's zijn niet toegestaan.

116.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik van het woongedeelte     

Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van het woongedeelte:

  1. De meestoof kent een eenvoudige, verticale gevelindeling.
  2. De oorspronkelijke vlakverdeling van de gevel van het schuurgedeelte, gevormd door penanten en steunberen, dient gehandhaafd te blijven.
  3. De oorspronkelijke gevelopeningen dienen gehandhaafd te blijven.
  4. Gevelopeningen in de voorgevel hebben een getoogde bovenkant.
  5. Gevels dienen te worden uitgevoerd in rood metselwerk.
  6. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    2. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
  2. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  3. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden uitgevoerd in hout.
  4. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen en zwart voor de ramen en deuren. Voor luiken wordt wit bij voorkeur gecombineerd met één van de andere kleuren.
  5. Bij functieverandering kunnen deuren als gevelopening gebruikt worden, met dien verstande dat:
    1. Een kozijn met een sobere indeling en kleurstelling achter in de negge wordt geplaatst.
    2. De deuren behouden worden.
    3. Achter de gevelopening visueel één ruimte zichtbaar dient te zijn.
  6. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars en dergelijke is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

116.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van de voormalige meestoof gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  2. Gevelbepalende ornamenten, zoals spaarvelden, hanenkammen, rollagen (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zinken mastgoten, muurafdekkingen, cementzomen, gevelstenen en naamgeving dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Ritmerende elementen, zoals muurankers en steunberen dienen behouden te blijven.
  4. Houten luiken moeten behouden blijven, voor zover ze oorspronkelijk en werkend zijn.
  5. Raamdorpels onder de vensters uit te voeren in gestuct metselwerk.
  6. Spaakvensters in de voorgevel dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  7. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn. Indien schuifvensters worden toegepast, dienen deze uitgevoerd te worden met een zogenaamde wisseldorpel.
  8. Indien een roedeverdeling of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

Artikel 117 De Tropical Zoo     

Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels:

117.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende algemene regels:

  1. Het complex bestaat uit diverse onderdelen, namelijk de vlinderkas, de speelhal, de bedrijfswoning en het restaurant.
  2. De compositie van de bebouwing op het perceel dient compact te blijven.
  3. De bestaande positionering van de bebouwing is maatgevend.
  4. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar te worden geplaatst.
  5. Bij uitbreiding of (vervangende) nieuwbouw is overleg met het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium gewenst. In het overleg kan besproken worden wat voor de betreffende specifieke situatie acceptabel is.
  6. Dakkapellen zijn uitsluitend toegestaan op de bedrijfswoning.
  7. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.

117.2 Vlinderkas     

Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor de vlinderkas:

  1. Voor de situering, massa en vorm van de vlinderkas gelden de volgende regels:
    1. De hoofdvorm van de vlinderkas dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn.
    2. De bebouwing bestaat uit één bouwlaag met een steil zadeldak. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  2. Voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de vlinderkas gelden de volgende regels:
    1. Het verticale grid van de bestaande vlinderkas is maatgevend.
    2. De entreepartij wordt gekenmerkt door een grote raampartij in een driehoekig kader.
    3. De gevels worden uitgevoerd in glas, met een verbijzondering in de vorm van zwarte, horizontale planken, als verwijzing naar potdekselwerk.
    4. Het dakvlak wordt uitgevoerd in een matte, lichtdoorlatende, vlakke dakbedekking.
    5. Voor kozijnen en stijl- en regelwerk is wit toegestaan, donkergroen, zwart en wit voor deuren.
  3. Voor de detaillering van de vlinderkas gelden de volgende regels:
    1. De detaillering dient de architectuur te ondersteunen.

117.3 Speelhal     

Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor de speelhal:

  1. Voor de situering, massa en vorm van de speelhal gelden de volgende regels:
    1. De bebouwing bestaat uit één hoge bouwlaag met een serie flauwe zadeldaken in een gelijkmatig patroon. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
  2. Voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de speelhal gelden de volgende regels:
    1. De bebouwing kent een verticale gevelindeling.
    2. De gevels worden uitgevoerd in verticaal geplaatst, zwart plaatmateriaal met een verticale profilering.
    3. Het dakvlak wordt uitgevoerd in een matte, lichtdoorlatende, vlakke dakbedekking.
    4. Kozijnen, ramen en deuren worden uitgevoerd in de kleur van de gevel.
  3. Voor de detaillering van de speelhal gelden de volgende regels:
    1. De detaillering dient de architectuur te ondersteunen.
    2. De lichtgekleurde regenwaterafvoeren dienen te worden behouden.

117.4 Bedrijfswoning     

Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor de bedrijfswoning:

  1. Voor de situering, massa en vorm van de bedrijfswoning gelden de volgende regels:
    1. De hoofdvorm van de bedrijfswoning dient enkelvoudig en eenduidig te zijn.
    2. De bebouwing bestaat uit één bouwlaag met een steil zadeldak. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
    3. Schoorstenen worden in de nok en op de zijgevel geplaatst.
    4. Loggia's zijn niet toegestaan.
  2. Voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van de bedrijfswoning gelden de volgende regels:
    1. De gevelindeling en vorm van de gevelopeningen van de bestaande woning zijn maatgevend.
    2. De vorm en detaillering van gevelopeningen in houten gevels dienen op de houten gevel te worden afgestemd.
    3. Gevels dienen te worden uitgevoerd in traditionele materialen, zoals baksteen en zwart gepotdekseld hout.
    4. Beleid is om uiterst terughoudend mee om te gaan met het schilderen en pleisteren van gevels en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
      • Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
      • Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).
    5. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.
    6. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat. Betonnen dakpannen zijn alleen toegestaan omdat de oorspronkelijke bebouwing dat kent.
    7. Kozijnen, deuren, ramen en luiken worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
    8. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen voor deuren en ramen.
    9. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving
  3. Voor de detaillering van de bedrijfswoning gelden de volgende regels:
    1. Gevelbepalende ornamenten, zoals rollagen, goten en gootklossen dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
    2. Luiken zijn enkel toegestaan indien ze functioneel zijn en een sobere uitvoering kennen.
    3. Mendeuren kunnen als gevelopening gebruikt worden, met dien verstande dat een kozijn met een sobere indeling en kleurstelling achter in de negge wordt geplaatst, de deuren behouden worden en achter de gevelopening visueel één ruimte zichtbaar is.
    4. In gemetselde gevels dienen neggen voldoende diep te zijn, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn.
    5. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

117.5 Restaurant     

Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor het restaurant:

  1. Voor de situering, massa en vorm van het restaurant gelden de volgende regels:
    1. De hoofdvorm van het restaurant dient enkelvoudig en eenduidig te zijn.
    2. De bebouwing bestaat uit één bouwlaag met een steil zadeldak. Wolfseinden zijn niet toegestaan.
    3. Dakdoorvoerende elementen worden op het achterdakvlak geplaatst.
    4. Loggia's zijn niet toegestaan.
  2. Voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik van het restaurant gelden de volgende regels:
    1. De gevelindeling en vorm van de gevelopeningen van het bestaande restaurant is maatgevend.
    2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in traditionele materialen, zoals baksteen en zwart gepotdekseld hout.
    3. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen of blauw gesmoorde dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
    4. Kozijnen, deuren en ramen worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
    5. Voor kozijnen is wit toegestaan, donkergroen voor deuren en ramen.
    6. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.
  3. Voor de detaillering van het restaurant gelden de volgende regels:
    1. Gevelbepalende ornamenten, zoals goten en gootklossen dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
    2. In gemetselde gevels dienen neggen voldoende diep te zijn, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn. In houten gevels of geveldelen wordt het kozijn gelijk met de (buitenkant van de) plank geplaatst.
    3. Indien een roedeverdeling, T-vensters of een andere historische raamindeling wordt toegepast, dient deze historisch juist te worden uitgevoerd. Bij dubbelglas zorgen voor voldoende slanke profielen, niet aangebracht tussen het glas. Bij het aanbrengen van roeden op het glas, wordt het glas voorzien van zogenaamde sprossen.

117.6 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van de Tropical Zoo gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw, waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.

Artikel 118 Het trekkermuseum     

Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels:

118.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende algemene regels:

  1. De compositie van de bebouwing op het perceel dient compact te blijven.
  2. De bestaande positionering van de bebouwing is maatgevend.
  3. De bebouwing dient zowel qua positionering, vorm-, kleur- als materiaalgebruik een samenhangend geheel te vormen. De dakhelling, nokhoogte en -richting moeten op elkaar worden afgestemd. De gebouwen dienen orthogonaal ten opzichte van elkaar te worden geplaatst.
  4. Nissenhutten en romneyloodsen zijn niet toegestaan.
  5. Nieuwbouw en toevoegingen aan een bestaand gebouw dienen in overleg met het bevoegd gezag te worden vormgegeven.

118.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De hoofdvorm van het gebouw dient enkelvoudig, eenduidig en symmetrisch te zijn.
  2. De gebouwen dienen voorzien te zijn van een zadeldak met een hellingshoek van minimaal 20 graden, tenzij de dakhelling van bestaande bebouwing er aanleiding toe geeft een andere dakhelling te hanteren ten einde te komen tot een evenwichtig bebouwingsbeeld.
  3. De overspanningsmaat van een gebouw bedraagt maximaal 15 meter. Indien een gebouw breder wordt dan de van toepassing zijnde overspanningsmaat, dienen er 2 kappen te worden gerealiseerd.
  4. De lengte van een gebouw bedraagt niet meer dan 3 maal de breedte van de overspanning.

118.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. Voor de gevels van gebouwen gelden de volgende regels:
    1. Gevels worden opgetrokken uit damwandprofielplaten met een plint van beton met een kleurtoeslag (donkergrijs of antraciet).
    2. Voor de beplating van gevels zijn uitsluitend de RAL-kleuren 6012 of donkerder groen en 9005 (zwart) toegestaan.
    3. Deuren en roosters dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de gevels. Witte accenten als kozijnen, details en ornamenten zijn toegestaan.
  2. Voor de dakvlakken van gebouwen gelden de volgende regels:
    1. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in golfplaten (staal of cementgebonden).
    2. Voor de beplating van daken is uits;luitend RAL 7016 of donkerder grijs toegestaan.
    3. Dakdoorvoerende elementen dienen dezelfde kleurstelling te kennen als de dakvlakken.
  3. Het is toegestaan lichtplaten in het dakvlak toe te passen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. Lichtplaten beslaan in verticale zin maximaal tweederde deel van het dakvlak, gerekend van de goot tot de nok. De lichtplaten dienen zich in het midden tussen de goot en de nok te bevinden.
    2. Lichtplaten hebben een breedte van 1 meter.
    3. De afstand van de lichtplaten tot de dakrand aan de kopgevel bedraagt minimaal 2 meter.
    4. De onderlinge afstand tussen lichtplaten in horizontale zin bedraagt minimaal 1 meter.
    5. De lichtplaten dienen in horizontale zin regelmatig over het dakvlak te worden verdeeld.
  4. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, felpaars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

118.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering dient de gekozen architectuur te ondersteunen.
  2. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn.

118.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van het trekkermuseum gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw, waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.

Artikel 119 Een trafohuisje     

Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende regels:

119.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende algemene regels:

  1. Het gebouw is als zelfstandige eenheid herkenbaar.

119.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. Het gebouw heeft een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige of vierkante plattegrond.
  4. Maximaal één bouwlaag met een flauw zadel-, tent- of schilddak.

119.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De gevelopbouw is veelal symmetrisch. De bestaande verhoudingen behouden en waar mogelijk versterken.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in metselwerk in rode aardetinten of bronskleurig. Gevelversieringen kennen eventueel een afwijkende kleur (vorm)baksteen.
  3. Het pleisteren van gevels is niet toegestaan. Het schilderen van gevels is alleen toegestaan indien de bestaande bebouwing reeds geschilderd is. Er dient te worden gekozen voor een minerale verf in een kleur vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels of in een lichte grijstint.
  4. Het gebouw kent een vlakke dakbedekking, bijvoorbeeld bestaande uit beton, bitumen of shingles, uitgevoerd in donkerrood, antraciet of donkere aardetinten.
  5. Kozijnen en deuren worden bij voorkeur uitgevoerd in hout of staal.
  6. Voor kozijnen en deuren is donkergroen toegestaan.
  7. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

119.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een trafohuisje gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  2. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zoals gevelstenen, rollagen, spaarvelden en uitgemetselde lagen, dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Neggen dienen wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel voldoende diep te zijn.

Artikel 120 Een communicatieobject     

Voor een goede beeldkwaliteit van een communicatieobject gelden de volgende regels:

120.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een communicatieobject gelden de volgende algemene regels:

  1. Om een wildgroei aan zendmasten te vermijden is het zeer aan te raden in situaties waar (naar verwachting) meerdere aanbieders een antenne-installatie zullen plaatsen aan te sturen op bundeling van de verschillende antennes (sitesharing).
  2. De plaatsing van antennemasten op of aan bestaande hoge bouwwerken heeft vanuit visueel-ruimtelijk oogpunt de voorkeur. Vrijstaande antennemasten worden bij voorkeur geplaatst in een naar aard/functie vergelijkbare omgeving. Wanneer een dergelijke locatie niet beschikbaar is, dient de antenne-installatie zo geplaatst te worden dat de dominante verticale verschijningsvorm gecompenseerd wordt door een horizontale contravorm of deels uit het oog onttrokken wordt door opgaand groen.
  3. De compositie van de bebouwing behorende bij de antennemast dient compact te zijn en binnen het hekwerk, indien deze aanwezig is, geplaatst te worden.

120.2 Kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een communicatieobject gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:

  1. Antennemasten worden uitgevoerd als opengewerkte vakwerkmast.
  2. De masten worden bij voorkeur uitgevoerd in RAL 9006 (blank aluminium) of RAL 7031 (blauwgrijs).
  3. Bouwwerken bij een antennemast worden bij voorkeur uitgevoerd in RAL 7016 (antracietgrijs) of vergelijkbaar.
  4. Hekwerken worden bij voorkeur uitgevoerd in RAL 7016 (antracietgrijs) of donkerder.

Artikel 121 Een gemaal     

Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels:

121.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende algemene regels:

  1. Het gebouw is als zelfstandige eenheid herkenbaar.
  2. Door de relatie met het water is de (voormalige) functie afleesbaar.

121.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. De gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm met een rechthoekige plattegrond.
  4. Het gemaal is gebouwd in de dijk. Hierdoor bestaat het aan de zijde van de Westerschelde uit één bouwlaag, aan de polderzijde maximaal twee bouwlagen met een zadeldak. Wolfseinden zijn niet toegestaan.

121.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De gevelopbouw is veelal symmetrisch. De bestaande verhoudingen behouden en waar mogelijk versterken.
  2. Het gemaal heeft smalle, verticale raamopeningen.
  3. Gevels dienen te worden uitgevoerd metselwerk in rode aardetinten.
  4. Het pleisteren van gevels is niet toegestaan. Het schilderen van gevels is alleen toegestaan indien de bestaande bebouwing reeds geschilderd is. Er dient te worden gekozen voor een minerale verf in een kleur vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels of in een lichte grijstint.
  5. Het dakvlak dient uitgevoerd te worden in mat rode gebakken dakpannen zonder afwerking in een klassiek formaat.
  6. Kozijnen, deuren en ramen worden bij voorkeur uitgevoerd in hout of staal. Het gebruik van kunststof kozijnen en ramen in blokprofiel is toegestaan.
  7. Voor kozijnen en dakranden is wit toegestaan, donkergroen en -blauw voor deuren en ramen.
  8. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

121.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering dient te harmoniëren met het gebouw.
  2. Gevelbepalende ornamenten, zoals rollagen, overstekken en bakgoten, dienen te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  3. Neggen dienen, zowel wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel als het glas in het kozijn, voldoende diep te zijn.
  4. Bij vervanging van kozijnen, ramen en deuren is het wenselijk terug te grijpen op de oorspronkelijke detaillering.

121.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede beeldkwaliteit van een gemaal gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Aan- en uitgebouwde bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan.
  2. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  3. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw, waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.

Artikel 122 De radarpost     

Voor een goede beeldkwaliteit van de radarpost gelden de volgende regels:

122.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van de radarpost gelden de volgende algemene regels:

  1. Het gebouw is als zelfstandige eenheid herkenbaar.

122.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van de radarpost gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van het oorspronkelijke gebouw is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. Het gebouw heeft een eenvoudige hoofdvorm met een achthoekige plattegrond.

122.3 Kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van de radarpost gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:

  1. Gevels dienen te worden uitgevoerd in beton.
  2. Het schilderen en pleisteren van gevels is niet toegestaan.
  3. Balustrades, trappen en dergelijke dienen op transparante wijze te worden vormgegeven.

122.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van de radarpost gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De hoogte van de radarpost wordt visueel doorbroken door de verticale geleding.

Artikel 123 Het sectorlicht     

Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende regels:

123.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende algemene regels:

  1. Het gebouw is als zelfstandige eenheid herkenbaar.

123.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. De positie en oriëntatie van het oorspronkelijke gebouw is maatgevend.
  2. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  3. Het gebouw heeft een eenvoudige hoofdvorm met een vierkante plattegrond.

123.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. De bestaande verhoudingen behouden en waar mogelijk versterken.
  2. Gevels dienen te worden uitgevoerd in rood geschilderd metselwerk, met een witte geschilderde band.
  3. Het pleisteren van gevels is niet toegestaan.
  4. Het dak / de afwerkrand bestaat uit grijs beton. Hierop zijn diverse functionele objecten geplaatst.
  5. Het kozijn wordt uitgevoerd in staal, de deur in hout.
  6. Het kozijn en de deur worden in dezelfde kleuren uitgevoerd als de gevel, rood met een witte band.

123.4 Detaillering     

Voor een goede beeldkwaliteit van het sectorlicht gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering en ornamentiek dienen te harmoniëren met het gebouw en/of gebaseerd te zijn op een bouwhistorisch onderzoek.
  2. Gevelbepalende ornamenten (de zogenaamde metselwerkarchitectuur), zoals rollagen, spaarvelden en uitgemetselde lagen, dienen te worden behouden.
  3. Neggen dienen wat betreft de plaatsing van het kozijn in de gevel voldoende diep te zijn.

Artikel 124 Een rijksmonument     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende regels:

124.1 Algemeen     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende algemene regels:

  1. De regels voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument zijn aanvullend op en prevaleren boven de regels voor een goede beeldkwaliteit van de desbetreffende typologie.
  2. In het kader van de omgevingsvergunningprocedure is te allen tijde vooroverleg met een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit gewenst. In het vooroverleg kan besproken worden wat voor de betreffende specifieke situatie acceptabel is.
  3. Indien een monument door calamiteit of sloop verloren gaat, dient de vervangende nieuwbouw gelijk te zijn aan het oorspronkelijke gebouw.
  4. Een monument dient gevrijwaard te blijven van antenne-installaties.
  5. Voor de technische criteria wordt verwezen naar Bijlage 6 Technische criteria planbeoordeling monumenten.

124.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  2. Aangebouwde, uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken en dakkapellen dienen bij voorkeur aan de achterzijde van het gebouw te worden gesitueerd. Ze dienen te worden vormgegeven als zelfstandige elementen. Wat betreft maatvoering, architectuur en detaillering moeten deze afgestemd zijn op de stijl van het bestaande gebouw. Eventueel is ook een benadering mogelijk waarbij de aanbouw/toevoeging zich qua vorm, detaillering en kleur- en materiaalgebruik neutraal of ondergeschikt opstelt ten opzichte van het oorspronkelijke gebouw (als het ware wegvalt) of er juist de confrontatie mee aangaat.

124.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. Bij restauratie, renovatie of verbouw dient de stijl zich aan te passen aan het bestaande gebouw, een hedendaagse vertaling is mogelijk wanneer dit bouwtechnisch vereist en/of bouwhistorisch verantwoord is.
  2. De bestaande aanzichten en verhoudingen dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden.
  3. Het materiaalgebruik is gelijk aan of vergelijkbaar met het bestaande materiaalgebruik, rekening houdend met de principes van een goede monumentenzorg.
  4. Het kleurgebruik sluit aan bij de aard en het (historisch) karakter van het gebouw.
  5. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien de oorspronkelijke bebouwing dit kent.

124.4 Detaillering     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een rijksmonument gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering van het oorspronkelijke gebouw dient te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  2. De detaillering is in harmonie met het gebouw en de omgeving, gevarieerd en zorgvuldig.

124.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van rijksmonument gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw, waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.

Artikel 125 Een gemeentelijk monument     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende regels:

125.1 Algemeen     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende algemene regels:

  1. De regels voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument zijn aanvullend op en prevaleren boven de regels voor een goede beeldkwaliteit van de desbetreffende typologie.
  2. In het kader van de omgevingsvergunningprocedure is te allen tijde vooroverleg met een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit gewenst. In het vooroverleg kan besproken worden wat voor de betreffende specifieke situatie acceptabel is.
  3. Indien een monument door calamiteit of sloop verloren gaat, dient de vervangende nieuwbouw gelijk te zijn aan het oorspronkelijke gebouw.
  4. Een monument dient gevrijwaard te blijven van antenne-installaties.
  5. Voor de technische criteria wordt verwezen naar Bijlage 6 Technische criteria planbeoordeling monumenten.

125.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  2. Aangebouwde, uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken en dakkapellen dienen bij voorkeur aan de achterzijde van het gebouw te worden gesitueerd. Ze dienen te worden vormgegeven als zelfstandige elementen. Wat betreft maatvoering, architectuur en detaillering moeten deze afgestemd zijn op de stijl van het bestaande gebouw. Eventueel is ook een benadering mogelijk waarbij de aanbouw/toevoeging zich qua vorm, detaillering en kleur- en materiaalgebruik neutraal of ondergeschikt opstelt ten opzichte van het oorspronkelijke gebouw (als het ware wegvalt) of er juist de confrontatie mee aangaat.

125.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. Bij restauratie, renovatie of verbouw dient de stijl zich aan te passen aan het bestaande gebouw, een hedendaagse vertaling is mogelijk wanneer dit bouwtechnisch vereist en/of bouwhistorisch verantwoord is.
  2. De bestaande aanzichten en verhoudingen dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden.
  3. Het materiaalgebruik is gelijk aan of vergelijkbaar met het bestaande materiaalgebruik, rekening houdend met de principes van een goede monumentenzorg.
  4. Het kleurgebruik sluit aan bij de aard en het (historisch) karakter van het gebouw.
  5. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien de oorspronkelijke bebouwing dit kent.

125.4 Detaillering     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een gemeentelijk monument gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering van het oorspronkelijke gebouw dient te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht.
  2. De detaillering is in harmonie met het gebouw en de omgeving, gevarieerd en zorgvuldig.

125.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van gemeentelijk monument gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw, waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.

Artikel 126 Een beeldbepalend pand     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende regels:

126.1 Algemeen     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende algemene regels:

  1. De regels voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand zijn aanvullend op en prevaleren boven de regels voor een goede beeldkwaliteit van de desbetreffende typologie.
  2. In het kader van de omgevingsvergunningprocedure is te allen tijde vooroverleg met een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit gewenst. In het vooroverleg kan besproken worden wat voor de betreffende specifieke situatie acceptabel is.
  3. Indien een beeldbepalend pand door calamiteit of sloop verloren gaat, dient de vervangende nieuwbouw een reconstructie te zijn, gelijkend op het oorspronkelijke gebouw.
  4. Een beeldbepalend pand dient gevrijwaard te blijven van antenne-installaties.

126.2 Situering, massa en vorm     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende regels voor de situering, massa en vorm:

  1. Bij verbouwingen moeten de contouren van het oorspronkelijke gebouw zichtbaar blijven.
  2. Aangebouwde, uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken en dakkapellen dienen bij voorkeur aan de achterzijde van het gebouw te worden gesitueerd. Ze dienen te worden vormgegeven als zelfstandige elementen. Wat betreft maatvoering, architectuur en detaillering moeten deze afgestemd zijn op de stijl van het bestaande gebouw. Eventueel is ook een benadering mogelijk waarbij de aanbouw/toevoeging zich qua vorm, detaillering en kleur- en materiaalgebruik neutraal of ondergeschikt opstelt ten opzichte van het oorspronkelijke gebouw (als het ware wegvalt) of er juist de confrontatie mee aangaat.

126.3 Gevelindeling, kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende regels voor de gevelindeling en het kleur- en materiaalgebruik:

  1. Bij restauratie, renovatie of verbouw dient de stijl zich aan te passen aan het bestaande gebouw, een hedendaagse vertaling is mogelijk wanneer dit bouwtechnisch vereist en/of bouwhistorisch verantwoord is.
  2. De bestaande aanzichten en verhoudingen dienen behouden en waar mogelijk versterkt te worden.
  3. Het materiaalgebruik is gelijk aan of vergelijkbaar met het bestaande of oorspronkelijke materiaalgebruik.
  4. Het kleurgebruik sluit aan bij de aard en het (historisch) karakter van het gebouw.
  5. Het schilderen of pleisteren van gevels is enkel toegestaan indien:
    1. De oorspronkelijke bebouwing dit kent.
    2. Er sprake is van (ernstige) bouwkundige gebreken (zoals scheurvorming of vochtdoorslag).
    3. Er sprake is van (ernstige) verstoring van beeldkwaliteit (zoals reparatiewerkzaamheden, sterk wisselende verkleuring/vervuiling enzovoort).

Beleid is om hier uiterst terughoudend mee om te gaan en waar mogelijk te kiezen voor het renoveren/restaureren van de bestaande gemetselde gevels.

  1. Indien gekozen wordt voor het schilderen van gevels – wat prevaleert boven het pleisteren van gevels – wordt gekozen voor een minerale verf in aardetinten, vergelijkbaar met de kleur van de bestaande gevels. Gepleisterde gevels worden voorzien van een traditionele textuur, zoals grof geschuurd, schijnvoegen of rotsen.

126.4 Detaillering     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van een beeldbepalend pand gelden de volgende regels voor de detaillering:

  1. De detaillering van het oorspronkelijke gebouw dient te worden behouden en waar mogelijk te worden teruggebracht
  2. De detaillering is in harmonie met het gebouw en de omgeving, gevarieerd en zorgvuldig.

126.5 Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken     

Voor een goede (beeld)kwaliteit van beeldbepalend pand gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:

  1. Uitgangspunt is dat er terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
  2. Indien er een functionele noodzaak bestaat tot het toevoegen van aan- of uitgebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken, wordt in overleg met het bevoegd gezag afstemming gezocht over de nieuwbouw, waarbij het bestaande gebouw en/of complex wordt gerespecteerd.

Artikel 127 Dakkapellen     

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels:

127.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende algemene regels:

  1. De dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het gebouw.
  2. De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.
  3. Dakkapellen zijn niet toegestaan op schuren, aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken.

127.2 Plaatsing en aantal     

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor de plaatsing en het aantal:

  1. Bij meerdere dakkapellen in dezelfde bouwmassa is sprake van een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt.
  2. Bij een individueel hoofdgebouw is de dakkapel gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan de geleding van de (voor)gevel.
  3. Er is minimaal 1,00 meter dakvlak aanwezig boven, onder en aan weerszijden van de dakkapel. De afstand tot de zijkant wordt gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel, bij kilkepers wordt gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel. De afstand boven en onder wordt gemeten langs het dakvlak.

127.3 Maatvoering     

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor de maatvoering:

  1. De hoogte van de dakkapel bedraagt maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak, met een maximum van 1,30 meter gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot aan de bovenzijde van het boeiboord of de daktrim.
  2. De breedte van de dakkapel(len) bedraagt in totaal maximaal 40% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 2,00 meter per dakkapel gemeten langs de goot van het desbetreffend dakvlak.

127.4 Vormgeving     

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor de vormgeving:

  1. De dakkapel is plat afgedekt.
  2. De indeling en profielen van kozijnen zijn verwant aan die van de ramen en kozijnen van de woning.
  3. Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.

127.5 Kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:

  1. Het kleur- en materiaalgebruik van kozijnen en profielen is gelijk aan dat van de kozijnen en profielen van de woning.
  2. De zijwanden van de dakkapel worden bij voorkeur uitgevoerd in zink. Uitvoering in hout of plaatwerk in een donkere kleur is eveneens toegestaan.

127.6 Aanvullende criteria voor dakkapellen per kapvorm     

Voor een goede beeldkwaliteit van dakkapellen gelden bij een aantal afwijkende kapvormen en bebouwingstypologieën de volgende aanvullende regels:

  1. Zadeldak met hellingshoek <30°: Een dakkapel op een zadeldak met een helling kleiner dan 30° is ongewenst. Een bouwplan voor een dakkapel op een zadeldak met een flauwe helling zal altijd ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden voorgelegd.
  2. Zadeldak met wolfseind: Een dakkapel op een wolfseind is niet toegestaan.
  3. Mansardekap: Een dakkapel is toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. De bovenaansluiting met het dakvlak dient op de knik van het dakvlak plaats te vinden.
  4. In geval van combinaties van verschillende dakvormen is overleg met het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium gewenst. In het overleg kan besproken worden wat voor de betreffende specifieke situatie acceptabel is.

Artikel 128 Erfafscheidingen     

Voor een goede beeldkwaliteit van erfafscheidingen gelden de volgende regels:

128.1 Algemeen     

Voor een goede beeldkwaliteit van erfafscheidingen gelden de volgende algemene regels:

  1. Er wordt bij voorkeur gewerkt met groene erfafscheidingen, bestaande uit haagplanten zoals beuk, haagbeuk, veldesdoorn, liguster, taxus of hulst, of een volledig te begroeien hekwerk.
  2. Gebouwde erfafscheidingen zijn eveneens toegestaan.

128.2 Maatvoering en vormgeving     

Voor een goede beeldkwaliteit van gebouwde erfafscheidingen gelden de volgende regels voor de maatvoering en vormgeving:

  1. Een gebouwde erfafscheiding wordt qua vormgeving afgestemd op de bebouwing waar deze bij hoort.
  2. De hoogte van een erfafscheiding bedraagt maximaal 2,00 meter, mits de erfafscheiding minimaal 1,00 meter achter (het verlengde van) de voorgevellijn wordt geplaatst.
  3. Toogvormen zijn niet toegestaan.

128.3 Kleur- en materiaalgebruik     

Voor een goede beeldkwaliteit van gebouwde erfafscheidingen gelden de volgende regels voor het kleur- en materiaalgebruik:

  1. Een gebouwde erfafscheiding bestaat uit metselwerk of hout. Een goed op hout gelijkend composietmateriaal is eveneens toegestaan.
  2. Voor erfafscheidingen in metselwerk gelden de volgende regels:
    1. Het kleur- en materiaalgebruik wordt uitgevoerd conform het metselwerk van het hoofdgebouw.
    2. Een gemetselde erfafscheiding bestaat uit een regelmatige afwisseling van vlakken en penanten.
    3. Een gemetselde erfafscheiding kan worden gecombineerd met metalen stijlen in een donkere kleur, houten schuttingdelen of te begroeien hekwerken.
  3. Voor erfafscheidingen in hout of een goed gelijkend composietmateriaal gelden de volgende regels:
    1. Een houten erfafscheiding, hoger dan 1,00 meter, wordt bij voorkeur gecombineerd met groene delen.
    2. Voor hout zijn de kleuren naturel vergrijsd, donkergroen en zwart toegestaan. Voor composiet zijn donkergroen en zwart toegestaan.
  4. Het toepassen van golfplaat, damwandprofielen, rietmatten, vlechtschermen, kokosschermen of schanskorven is niet toegestaan.
  5. Het gebruik van beton of metaal is alleen toegestaan in de vorm van palen tussen schuttingdelen en te begroeien hekwerken.
  6. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren zoals oranje, gifgroen, fel paars e.d. is niet toegestaan. Het is van belang het kleurgebruik af te stemmen op de omgeving.

Artikel 129 Voormalige agrarische bedrijfsbebouwing     

Indien er sprake is van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gelden de volgende regels voor een goede beeldkwaliteit:

  1. Bij aanpassing of vervangende nieuwbouw van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is overleg met het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium gewenst. In het overleg kan besproken worden wat voor de betreffende specifieke situatie acceptabel is.
  2. In geval van aanpassing of vervangende nieuwbouw van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is verbetering van de beeldkwaliteit het uitgangspunt, waarbij het bestaande complex wordt gerespecteerd en waar nodig versterkt.

Artikel 130 Algemene regels     


De algemene regels voor een goede beeldkwaliteit liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling en zijn bij het opstellen van de regels per typologie in acht genomen. In de praktijk zullen de regels per typologie voldoende houvast bieden voor de planbeoordeling. In bijzondere situaties kan het echter nodig zijn dat wordt teruggegrepen op de algemene regels voor een goede beeldkwaliteit.

In dat geval gelden de volgende algemene regels voor een goede beeldkwaliteit:

  1. De verschijningsvorm van een gebouw of bouwwerk heeft een relatie met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is. De vormgeving van een gebouw of bouwwerk is samenhangend en logisch.
  2. Een gebouw of bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het gebouw of van de omgeving groter is.
  3. Verwijzingen naar en associaties met een bouwstijl worden zorgvuldig gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar en leesbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.
  4. In een gebouw of bouwwerk is structuur aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.
  5. Een gebouw of bouwwerk heeft een samenhangend stelsel van maatverhoudingen, dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.
  6. Materiaal, textuur, kleur en licht ondersteunen het karakter van het gebouw of bouwwerk en maken de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk.

Artikel 131 Verplicht advies     

Voor de beoordeling van een bouwplan aan de in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' opgenomen regels voor een goede beeldkwaliteit gelden de volgende regels:

131.1 Verplicht advies     

  1. Burgemeester en wethouders winnen advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit met betrekking tot de vraag of het bouwplan in voldoende mate voldoet aan de in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' opgenomen regels voor een goede beeldkwaliteit.
  2. De deskundige baseert zijn advies slechts op de regels zoals deze zijn opgenomen in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'. De adviezen van de deskundige zijn openbaar.
  3. Een advies van de deskundige inhoudende dat een bouwplan in strijd is met de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals bedoeld in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' wordt schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd.

131.2 Advies in geval van monument     

Indien het bouwplan betrekking heeft op het bouwen en/of verbouwen van een bouwwerk dat valt onder de werking van artikel 124 of artikel 125 winnen burgemeester en wethouders tevens advies in bij de gemeentelijke monumentencommissie met betrekking tot de vraag of:

  1. het belang van de monumentenzorg zich niet verzet tegen het uitvoeren van het bouwplan, of;
  2. de cultuurhistorische waarden voldoende worden ontzien, en;
  3. welke voorwaarden eventueel aan het bouwplan gesteld moeten worden.

131.3 Uitzondering adviesplicht     

  1. Indien het bouwplan betrekking heeft op het bouwen en/of verbouwen van een bouwwerk dat valt onder de werking van artikel 127 en/of artikel 128 kunnen burgemeester en wethouders afzien van het inwinnen advies.
  2. Deze uitzondering geldt niet indien op het bouwperceel tevens een bouwwerk staat dat valt onder de werking van artikel 124 of artikel 125.

Artikel 132 Excessenregeling     

Het is verboden om het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in een toestand te brengen en/of te houden die in ernstige mate in strijd is met de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals opgenomen in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Om te bepalen of sprake is van een toestand die in ernstige mate in strijd is met de regels voor een goede beeldkwaliteit moet sprake zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk van het bouwwerk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de uiterlijke kwaliteit van een gebied. Vaak heeft die buitensporigheid betrekking op:

  1. het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk van zijn omgeving;
  2. het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk;
  3. armoedig/uit de toon vallend materiaalgebruik;
  4. toepassing van felle en (sterk) contrasterende kleuren;
  5. te opdringerige reclames;
  6. een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is.

Artikel 133 Aanpassing van de regels voor beeldkwaliteit     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor zover dit betreft de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals opgenomen in de artikelen 86 tot en met 132. Deze bevoegdheid beperkt zich tot het op ondergeschikte onderdelen aanpassen van regels voor een goede beeldkwaliteit, binnen de door de raad gestelde kaders. Deze kaders bestaan uit de typologieën en stedenbouwkundige en cultuurhistorische kenmerken van het buitengebied.

Hoofdstuk 7 Mag het toelaatbare gebruik en het bouwen op deze locatie ook veranderen     

Artikel 134 Bijzondere overnachtingsplaatsen     

134.1 Toelaatbare verandering     

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor bijzondere overnachtingsplaatsen ten behoeve van verblijfsrecreatief gebruik op bijzondere locaties.

134.2 Beoordelingsregels afwijken     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat:

  1. de bijzondere overnachtingsplaatsen dienen onderscheidend te zijn gelet op de architectuur dan wel de verschijningsvorm en gelet op de locatie;
  2. er dient een inventieve en originele relatie te zijn tussen de architectuur dan wel de verschijningsvorm van de overnachtingsplaats en de locatie waar de overnachtingsplaats zich bevindt; verwezen wordt naar referentiebeelden in lid 134.3;
  3. de bijzondere overnachtingsplaatsen op een locatie zijn kleinschalig in omvang en aantal;
  4. een bijzondere overnachtingsplaats is toegestaan in een (verbouwd) bestaand gebouw of wordt gerealiseerd als nieuw object.

134.3 Referentiebeelden     

Voor de toepassing van de beoordelingsregel zoals genoemd in lid 134.2 onder b gelden de volgende, niet limitatieve, referentiebeelden ter ondersteuning van de creatieve invulling van bijzondere overnachtingsplaatsen.

  1. architectuur die wegvalt in het landschap of juist de karakteristiek van het landschap versterkt;
  2. architectuur die aansluit bij een thema;
  3. kracht van de omgeving vertaald in het ontwerp van de bijzondere overnachtingsplaats;
  4. uitnodigend tot beleving van de bijzondere locatie;
  5. kunstzinnig;
  6. spraakmakend element in het landschap;
  7. exclusiviteit in relatie tot beleving;
  8. verbinding van de locatie met de overnachtingsplaats rond een thema zoals:
    1. omgeving Sloegebied/Borssele < > Industrieel Toerisme;
    2. omgeving Fort Ellewoutsdijk/kuststrook Westerschelde < > Liberation Route en Dark Tourism;
    3. omgeving De Zak van Zuid-Beveland < > platteland, 'slapen in kunst'.

Artikel 135 Kerngebied de Poel en heggengebied Nisse     

135.1 Toelaatbare veranderingen van gebruik en bouwen     

In het kerngebied de Poel en heggengebied Nisse zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:

  1. voor de relatief eenvoudige veranderingen die zijn opgenomen in lid 135.3 een melding nodig is;
  2. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 135.4 een afwijkingsprocedure nodig is;
  3. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 135.5 dit omgevingsplan dient te worden herzien; de gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen indien voldaan wordt aan de voorwaarden die in lid 135.5 zijn opgenomen;

waarbij:

  1. de veranderingen in ieder geval aan de in lid 135.2 opgenomen Gebiedsbeschrijving worden getoetst;
  2. indien van toepassing de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd.

135.2 Gebiedsbeschrijving     

De ruimtelijke kwaliteit van het kerngebied de Poel en het heggenlandschap rond Nisse wordt bepaald door:

  1. het heggenlandschap rond Nisse, bestaande uit meidoornhagen, welen, drinkputten/poelen en ruige graslanden waardoor er sprake is van een kleinschalig en afwisselend landschap;
  2. de (bloem)dijken rond Nisse;
  3. het open karakter van kerngebied de Poel en het contrast van het open poellandschap met de ruimtelijk verdichte kreekruggen;
  4. de overgangen en het hoogteverschil tussen de hogere kreekruggen en lager gelegen poelgronden;
  5. de aanwezige overgangen tussen de zoute, lager gelegen poelgronden en de zoete, hoger gelegen kreekruggen;
  6. de aanwezige soortenrijke flora en fauna.

135.3 Functieverandering met melding in kerngebied de Poel en heggengebied Nisse     

135.3.1 Toelaatbare veranderingen     

Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van kleinschalige agrarisch aanverwante functies in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve veehouderij.

135.3.2 Beoordelingsregels melding     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden zoals vermeld in tabel 135.1.

Tabel 135.1

verplicht

135.3.3 Procedureregels melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met:
    1. een beschrijving van het initiatief;
    2. een onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan;

wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.

135.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in kerngebied de Poel en heggengebied Nisse     

135.4.1 Toelaatbare veranderingen     

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:

  1. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij, Manege of Wonen;
  2. de vestiging van kleinschalige horecamatige of kleinschalige dagrecreatieve functies, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant of Bedrijf tot en met categorie 2;
  3. de vestiging van een paardenpension bij wijze van nevenactiviteit in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden bij Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij,Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2 of Wonen;
  4. het gebruik van bedrijfswoningen voor bewoning door personen die geen relatie hebben met het bedrijf dat ter plaatse wordt uitgeoefend (plattelandswoning);
  5. verkleining of vergroting van voorgeschreven afstandsmaten;
  6. bouwen vóór een voorgevelrooilijn;
  7. de ontwikkeling van zorginitiatieven bij wijze van nevenactiviteit zoals zorgboerderijen, leerboerderijen, dagbestedingsplaatsen, kinderopvang en stage- of werkervaringsplaatsen, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of Wonen;
  8. ver- of herbouw van woningen of bedrijfswoningen waarbij het uitwendige karakter ingrijpend wordt gewijzigd; uitgangspunt is het behoud van de bestaande typologie van de woning maar hiervan kan worden afgeweken indien:
    1. ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van het bouwperceel aanleiding geven om de typologie te wijzigen, of;
    2. de stedenbouwkundige aard en/of karakteristiek van de omgeving hiertoe aanleiding geeft, waarbij de voorgestane typologiewijziging passend is in deze omgeving, of;
    3. de oorspronkelijke typologie dusdanig is aangetast, dat de uiterlijke kenmerken niet meer te herleiden zijn tot de oorspronkelijke typologie, en;
    4. aanpassing van de typologie leidt tot een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied, en;
    5. bij nieuwbouw gekozen wordt voor een uitgesproken typologie die passend is op die locatie en in de omgeving, en;
    6. de inrichting van het voorerf afgestemd wordt op de nieuwe typologie en streekeigen is, en;
    7. er sprake is van een levensloopbestendige woning of bedrijfswoning;
  9. het gebruik van bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, als verblijfsrecreatieve groepsaccommodatie of ten behoeve van recreatief nachtverblijf bij Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of Wonen;
  10. nieuwbouw ten behoeve van de in dit artikel genoemde en bestaande kleinschalige functies of nevenactiviteiten waarbij de oppervlakte met ten hoogste 20% van de bestaande bebouwing in gebruik voor de functie, mag worden vergroot, tot een maximum van 250 m².

135.4.2 Beoordelingsregels afwijking     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 135.2.

Tabel 135.2

verplicht

verplicht

135.4.3 Procedureregel     

Bij het toepassen van het bepaalde in lid 135.4.1 onder h winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

135.4.4 Integraliteit     

In afwijking van de beoordelingsregels in lid 135.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief niet of in onvoldoende mate voldoet aan een of meerdere van de beoordelingsregels maar na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt. Hiervan kan alleen sprake zijn indien het initiatief op een of meerdere andere beoordelingsregels in meer dan ruime mate voldoet. Indien niet aan de beoordelingsregels voor 'geluid' of 'gezondheid en milieu' wordt voldaan kan geen medewerking worden verleend.

135.4.5 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

135.5 Functieverandering en bouwen met delegatie in kerngebied de Poel en heggengebied Nisse     

135.5.1 Toelaatbare veranderingen     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:

  1. het gebruik ten behoeve van Wonen op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant of Bedrijf tot en met categorie 2 is of wordt beëindigd en een bedrijfswoning in dit plan niet is uitgesloten;
  2. de bouw van een bedrijfswoning bij de functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve veehouderij op een locatie waar bedrijfswoningen zijn uitgesloten met de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' met dien verstande dat er geen medewerking wordt verleend indien er sprake is van een eerder aanwezige, maar inmiddels afgestoten bedrijfswoning;
  3. de nieuwvestiging van een functie Wonen indien:
    1. binnen het deelgebied Kerngebied de Poel en heggengebied Nisse een functie Wonen wordt gesaneerd en de daarbij behorende bebouwing wordt gesloopt (één woning voor één woning), of;
    2. binnen het deelgebied Kerngebied de Poel en heggengebied Nisse een agrarisch suggestievlak dan wel bouwblok wordt gesaneerd en bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, waarbij geldt:
      • de te slopen gebouwen zijn onbruikbaar of detonerend;
      • de te slopen gebouwen zijn niet aangemerkt als Beeldbepalend pand;
      • ter compensatie van 500 m2 te slopen bedrijfsbebouwing wordt de bouw van ten hoogste één nieuwe woning mogelijk gemaakt;
      • ter compensatie van 1.000 m2 te slopen bedrijfsbebouwing wordt de sloop van ten hoogste 2 nieuwe woningen mogelijk gemaakt;
      • ter compensatie van 1.500 m2 of meer te slopen bedrijfsbebouwing wordt de sloop van ten hoogste 3 woningen mogelijk gemaakt;
  4. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij of Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf is, of wordt beëindigd;
  5. het gebruik ten behoeve van Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Bedrijf - agrarisch aanverwant is, of wordt beëindigd;
  6. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Bedrijf tot en met categorie 2 is, of wordt beëindigd;
  7. de toevoeging van een functie Wonen aan een gebouw of een ensemble dat is aangemerkt als rijksmonument, Gemeentelijk monument of Beeldbepalend pand mits de toevoeging van de woonfunctie leidt tot de versterking of het behoud van de monumentale of karakteristieke waarden;
  8. het gebruik van bestaande leegstaande gebouwen voor het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, waarbij geldt:
    1. het voorheen legale gebruik is beëindigd;
    2. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    3. de voorziening dient te beschikken over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
    4. nieuwbouw is toegestaan tot een oppervlakte van 20% van de bestaande oppervlakte met een maximum van 250 m²;
  9. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

135.5.2 Overige toelaatbare veranderingen     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:

  1. de bescherming van nieuwe natuur door na realisatie de functie Natuur toe te kennen;
  2. het met enige regelmaat verwerken van verleende afwijkingen zoals bedoeld in lid 135.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in kerngebied de Poel en heggengebied Nisse;
  3. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

135.5.3 Geluidskwaliteit     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. een of meerdere zones aan te wijzen of de zone 'Handhaven bestaande geluidskwaliteit' te wijzigen waarin geluidsnormen gelden voor inrichtingen die zijn gelegen in de aangewezen zones en die afwijken van de geluidsnormen gesteld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening;
  2. een of meerdere zones aan te wijzen of de zone 'Handhaven bestaande geluidskwaliteit' te wijzigen waarin geluidsnormen gelden voor inrichtingen die zijn gelegen in de aangewezen zones en die afwijken van de geluidsnormen gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

135.5.4 Aanwijzing gemeentelijk monument     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. een gemeentelijk monument zoals op basis van de 'Erfgoedverordening Borsele 2017' of diens rechtsopvolger, aangewezen, met de aanduiding 'Gemeentelijk monument' en daarmee verband houdende aanduidingen op te nemen in het plan;
  2. een rijksmonument zoals op basis van de Erfgoedwet aangewezen, met de aanduiding 'Een rijksmonument' en de daarmee verband houdende aanduidingen op te nemen in het plan;
  3. indien de feitelijk aanwezige cultuurhistorische waarden van een pand daartoe aanleiding geeft: een pand aan te merken als Een beeldbepalend pand en daarmee verband houdende aanduidingen op te nemen in het plan;
  4. indien van Een gemeentelijk monument, Een rijksmonument of Een beeldbepalend pand niet langer sprake is: panden niet langer aan te merken als Een gemeentelijk monument, Een rijksmonument of Een beeldbepalend pand en hiermee verband houdende aanduidingen te verwijderen.

135.5.5 Beoordelingsregels delegatie     

Voor een verandering als bedoeld in 135.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:

  1. voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 135.3 en;
  2. bij de verandering zoals bedoeld in lid 135.5.1 onder c tot en met h dient sprake te zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, passend bij de Gebiedsbeschrijving; er is sprake van een kwaliteitsverbetering en meerwaarde voor het buitengebied van Borsele indien aan ten minste drie voorwaarden uit tabel 135.4 wordt voldaan:

Tabel 135.3

verplicht

verplicht

Tabel 135.4

verplicht

135.5.6 Procedureregel     

Bij het toepassen van het bepaalde in tabel 135.3 onder 'beeldkwaliteit' winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

135.5.7 Gelijkwaardigheidsregels     

Voor de beoordelingsregels in lid 135.5.5 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 135.5.5 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Met deze maatregel wordt ten minste een vergelijkbare ruimtelijke meerwaarde bereikt.

Artikel 136 Kleinschalige polders     

136.1 Toelaatbare veranderingen van gebruik en bouwen     

In de kleinschalige polders zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:

  1. voor de relatief eenvoudige veranderingen die zijn opgenomen in lid 136.3 een melding nodig is;
  2. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 136.4 een afwijkingsprocedure nodig is;
  3. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 136.5 dit omgevingsplan dient te worden herzien; de gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen indien voldaan wordt aan de voorwaarden die in lid 136.5 zijn opgenomen;

waarbij:

  1. de veranderingen in ieder geval aan de in lid 136.2 opgenomen Gebiedsbeschrijving worden getoetst;
  2. indien van toepassing de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd.

136.2 Gebiedsbeschrijving     

De ruimtelijke kwaliteit van de kleinschalige polders wordt bepaald door:

  1. de kleinschalige polders en het dichte (hoger gelegen) dijkenpatroon in combinatie met laaggelegen kreken; richting Oudelande en Ellewoutsdijk krijgt het landschap een meer open karakter;
  2. de (bloemen)dijken als verwijzing naar de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  3. de verspreid voorkomende kreekresten, welen, erven en andere historische landschapselementen;
  4. de kreken en kreekrestanten die herkenbaar zijn als laagten in het landschap;
  5. de waardevolle elementen Zwaakse weel en Westeindse weel;
  6. de inlagen, karrevelden bij Ellewoutsdijk en de buitendijkse schorren;
  7. de gebieden met zoute kwel vanuit de Westerschelde;
  8. de aanwezige wegbeplantingen.

136.3 Functieverandering met melding in de kleinschalige polders     

136.3.1 Toelaatbare veranderingen     

Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van kleinschalige agrarisch aanverwante functies in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij of Agrarisch - intensieve veehouderij;
  2. de vestiging van een kleinschalige kampeerterreinen bij de functies Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel, Manege of Wonen waarbij geldt:
    1. kleinschalig kamperen uitsluitend is toegestaan indien een bedrijfswoning of woning op grond van de functie is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
    2. het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen of stacaravans, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
    3. de standplaatsen worden gerealiseerd op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
    4. het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
    5. het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal standplaatsen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
    6. de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding, Leiding - Leidingstrook, Leiding - Olie of Leiding - Propyleen en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen;
  3. het gebruik van een terrein voor kleinschalig kamperen bij de functies Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij of Agrarisch - intensieve veehouderij voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers waarbij ten opzichte van b de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
    1. betreft uitsluitend de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers die op het betreffende bedrijf werkzaam zijn;
    2. van toepassing zijn de brandveiligheidseisen zoals opgenomen in bijlage 2 van de 'Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten';
    3. de huisvesting uitsluitend is toegestaan gedurende een periode van maximaal 12 aaneengesloten weken gedurende enig kalenderjaar;
    4. ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers mogen kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits worden geplaatst mits de kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits na afloop van deze periode van 12 weken telkenmale verwijderd worden.

136.3.2 Beoordelingsregels melding     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 136.1.

Tabel 136.1

verplicht

136.3.3 Procedureregels melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met:
    1. een beschrijving van het initiatief;
    2. een onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan;

wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.

136.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in de kleinschalige polders     

136.4.1 Toelaatbare veranderingen     

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:

  1. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Manege of Wonen;
  2. de vestiging van kleinschalige horecamatige of kleinschalige dagrecreatieve functies in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Bedrijf - agrarisch aanverwant, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1 of Bedrijven uit categorie 3.2;
  3. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Detailhandel;
  4. de vestiging van een paardenpension bij wijze van nevenactiviteit in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel of Wonen;
  5. het gebruik van bedrijfswoningen voor bewoning door personen die geen relatie hebben met het bedrijf dat ter plaatse wordt uitgeoefend (plattelandswoning);
  6. verkleining of vergroting van voorgeschreven afstandsmaten;
  7. bouwen vóór een voorgevelrooilijn;
  8. de ontwikkeling van zorginitiatieven bij wijze van nevenactiviteit zoals zorgboerderijen, leerboerderijen, dagbestedingsplaatsen, kinderopvang en stage- of werkervaringsplaatsen, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden bij Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Manege, Detailhandel of Wonen;
  9. ver- of herbouw van woningen of bedrijfswoningen waarbij het uitwendige karakter ingrijpend wordt gewijzigd; uitgangspunt is het behoud van de bestaande typologie van de woning maar hiervan kan worden afgeweken indien:
    1. ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van het bouwperceel aanleiding geven om de typologie te wijzigen, of;
    2. de stedenbouwkundige aard en/of karakteristiek van de omgeving hiertoe aanleiding geeft, waarbij de voorgestane typologiewijziging passend is in deze omgeving, of;
    3. de oorspronkelijke typologie dusdanig is aangetast, dat de uiterlijke kenmerken niet meer te herleiden zijn tot de oorspronkelijke typologie, en;
    4. aanpassing van de typologie leidt tot een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied, en;
    5. bij nieuwbouw gekozen wordt voor een uitgesproken typologie die passend is op die locatie en in de omgeving, en;
    6. de inrichting van het voorerf afgestemd wordt op de nieuwe typologie en streekeigen is, en;
    7. er sprake is van een levensloopbestendige woning of bedrijfswoning;
  10. het gebruik van bestaande bebouwing , met aansluitende onbebouwde gronden, als verblijfsrecreatieve groepsaccommodatie of ten behoeve van recreatief nachtverblijf bij Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel, Manege of Wonen;
  11. nieuwbouw ten behoeve van de in dit artikel genoemde en bestaande kleinschalige functies of nevenactiviteiten waarbij de oppervlakte met ten hoogste 20% van de bestaande bebouwing in gebruik voor de functie, mag worden vergroot, tot een maximum van 250 m²;
  12. de uitbreiding van bestaande kleinschalige kampeerterreinen met dien verstande dat:
    1. het aantal standplaatsen ten hoogste 25 mag bedragen waarvan ten hoogste 20% mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen of stacaravans, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
    2. aan de regels voor kleinschalige kampeerterreinen tot 15 standplaatsen zoals opgenomen in artikel 136.3.1 onder b moet worden voldaan;
    3. een vereveningsplan moet worden overlegd met betrekking tot de meerwaarde die wordt gecreëerd.

136.4.2 Beoordelingsregels afwijking     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 136.2.

Tabel 136.2

verplicht

verplicht

136.4.3 Procedureregel     

Bij het toepassen van het bepaalde in lid 136.4.1 onder i winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

136.4.4 Integraliteit     

In afwijking van de beoordelingsregels in lid 136.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief niet of in onvoldoende mate voldoet aan een of meerdere van de beoordelingsregels maar na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt. Hiervan kan alleen sprake zijn indien het initiatief op een of meerdere andere beoordelingsregels in meer dan ruime mate voldoet. Indien niet aan de beoordelingsregels voor 'geluid' of 'gezondheid en milieu' wordt voldaan kan geen medewerking worden verleend.

136.4.5 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

136.5 Functieverandering en bouwen met delegatie in de kleinschalige polders     

136.5.1 Toelaatbare veranderingen     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:

  1. het gebruik ten behoeve van Wonen op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - intensieve kwekerij, Detailhandel, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2 of Manege is of wordt beëindigd en een bedrijfswoning in dit plan niet is uitgesloten;
  2. de bouw van een bedrijfswoning bij de functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve veehouderij of Manege op een locatie waar bedrijfswoningen zijn uitgesloten met de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' met dien verstande dat er geen medewerking wordt verleend indien er sprake is van een eerder aanwezige, maar inmiddels afgestoten bedrijfswoning;
  3. de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf mits:
    1. nieuwvestiging noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; de agrarisch deskundige wordt hierover schriftelijk advies gevraagd;
    2. in het plangebied geen geschikt vrijkomend agrarische suggestievlak dan wel bouwblok voorhanden is;
    3. elders een agrarisch suggestievlak dan wel bouwblok of bouwvlak wordt gesaneerd en overtollige bebouwing – met uitzondering van een aanwezige voormalige bedrijfswoning met vrijstaande bijbehorende bouwwerken – wordt gesloopt;
  4. de nieuwvestiging van een functie Wonen indien:
    1. elders in het plangebied een functie Wonen wordt gesaneerd en de daarbij behorende bebouwing wordt gesloopt (één woning voor één woning); of
    2. op dezelfde locatie of elders in het plangebied een agrarisch suggestievlak dan wel bouwblok wordt gesaneerd en bedrijfsbebouwing of kassen worden gesloopt, waarbij geldt:
      • de te slopen gebouwen zijn onbruikbaar of detonerend;
      • de te slopen gebouwen zijn niet aangemerkt als Beeldbepalend pand;
      • ter compensatie van 500 m2 te slopen bedrijfsbebouwing wordt de bouw van ten hoogste één nieuwe woning mogelijk gemaakt;
      • ter compensatie van 1.000 m2 te slopen bedrijfsbebouwing wordt de sloop van ten hoogste 2 nieuwe woningen mogelijk gemaakt;
      • ter compensatie van 1.500 m2 of meer te slopen bedrijfsbebouwing wordt de sloop van ten hoogste 3 woningen mogelijk gemaakt;
  5. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - intensieve kwekerij of Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf is, of wordt beëindigd;
  6. het gebruik ten behoeve van Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Bedrijf - agrarisch aanverwant is, of wordt beëindigd;
  7. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Bedrijven uit categorie 3.1 of Bedrijven uit categorie 3.2 is, of wordt beëindigd;
  8. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2 of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Manege is, of wordt beëindigd;
  9. de toevoeging van een functie Wonen aan een gebouw of een ensemble dat is aangemerkt als rijksmonument, Gemeentelijk monument of Beeldbepalend pand mits de toevoeging van de woonfunctie leidt tot de versterking of het behoud van de monumentale of karakteristieke waarden;
  10. het gebruik van bestaande leegstaande gebouwen voor het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, waarbij geldt:
    1. het voorheen legale gebruik is beëindigd;
    2. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    3. de voorziening dient te beschikken over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
    4. nieuwbouw is toegestaan tot een oppervlakte van 20% van de bestaande oppervlakte met een maximum van 250 m²;
  11. de vestiging van grootschalige dagrecreatieve voorzieningen in relatie tot de Westerschelde en/of de recreatieve spoorlijn Goes-Hoedekenskerke;
  12. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

136.5.2 Overige toelaatbare veranderingen     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:

  1. de bescherming van nieuwe natuur door na realisatie de functie Natuur toe te kennen;
  2. het met enige regelmaat verwerken van verleende afwijkingen zoals bedoeld in lid 136.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in de kleinschalige polders;
  3. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

136.5.3 Geluidskwaliteit     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. een of meerdere zones aan te wijzen of de zone 'Handhaven bestaande geluidskwaliteit' te wijzigen waarin geluidsnormen gelden voor inrichtingen die zijn gelegen in de aangewezen zones en die afwijken van de geluidsnormen gesteld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening;
  2. een of meerdere zones aan te wijzen of de zone 'Handhaven bestaande geluidskwaliteit' te wijzigen waarin geluidsnormen gelden voor inrichtingen die zijn gelegen in de aangewezen zones en die afwijken van de geluidsnormen gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

136.5.4 Aanwijzing gemeentelijk monument     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. een gemeentelijk monument zoals op basis van de 'Erfgoedverordening Borsele 2017' of diens rechtsopvolger, aangewezen, met de aanduiding 'Gemeentelijk monument' en daarmee verband houdende aanduidingen op te nemen in het plan;
  2. een rijksmonument zoals op basis van de Erfgoedwet aangewezen, met de aanduiding 'Een rijksmonument' en de daarmee verband houdende aanduidingen op te nemen in het plan;
  3. indien de feitelijk aanwezige cultuurhistorische waarden van een pand daartoe aanleiding geeft: een pand aan te merken als Een beeldbepalend pand en daarmee verband houdende aanduidingen op te nemen in het plan;
  4. indien van Een gemeentelijk monument, Een rijksmonument of Een beeldbepalend pand niet langer sprake is: panden niet langer aan te merken als Een gemeentelijk monument, Een rijksmonument of Een beeldbepalend pand en hiermee verband houdende aanduidingen te verwijderen.

136.5.5 Beoordelingsregels delegatie     

Voor een verandering als bedoeld in 136.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:

  1. voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 136.3 en;
  2. bij de verandering zoals bedoeld in 136.5.1 onder c tot en met k dient sprake te zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, passend bij de Gebiedsbeschrijving; er is sprake van een kwaliteitsverbetering en meerwaarde voor het buitengebied van Borsele indien aan ten minste drie voorwaarden uit tabel 136.4 wordt voldaan:

Tabel 136.3

verplicht

verplicht

Tabel 136.4

verplicht

136.5.6 Procedureregel     

Bij het toepassen van het bepaalde in tabel 136.3 onder 'beeldkwaliteit' winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

136.5.7 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 136.5.5 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 136.5.5 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Met deze maatregel wordt ten minste een vergelijkbare ruimtelijke meerwaarde bereikt.

Artikel 137 Grootschalige polders     

137.1 Toelaatbare veranderingen van gebruik en bouwen     

In de grootschalige polders zijn veranderingen van gebruik en bouwen toegestaan met dien verstande dat:

  1. voor de relatief eenvoudige veranderingen die zijn opgenomen in lid 137.3 een melding nodig is;
  2. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 137.4 een afwijkingsprocedure nodig is;
  3. voor de veranderingen die zijn opgenomen in lid 137.5 dit omgevingsplan dient te worden herzien; de gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen indien voldaan wordt aan de voorwaarden die in lid 137.5 zijn opgenomen;

waarbij:

  1. de veranderingen in ieder geval aan de in lid 137.2 opgenomen Gebiedsbeschrijving worden getoetst;
  2. indien van toepassing de provinciale 'Handreiking verevening' zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van het plan, zal worden gehanteerd.

137.2 Gebiedsbeschrijving     

De ruimtelijke kwaliteit van de grootschalige polders wordt bepaald door:

  1. de grootschalige, lineaire en efficiënte inrichting van de polders en de landschappelijke openheid;
  2. de dijken die over het algemeen onbeplant zijn, evenals de bermen van de meeste polderwegen;
  3. renaissancepolder Borsselepolder met een rationele renaissancestructuur en een noord-zuidrichting van inpoldering;
  4. het waardevolle element de Sloekreek;
  5. de aanwezige inlagen;
  6. de gebieden met zoute kwel vanuit de Westerschelde.

137.3 Functieverandering met melding in de grootschalige polders     

137.3.1 Toelaatbare veranderingen     

Het is verboden het toegelaten gebruik in de volgende situaties te veranderen zonder voorafgaande melding aan burgemeester en wethouders:

  1. de vestiging van kleinschalige agrarisch aanverwante functies in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij of Agrarisch - intensieve veehouderij;
  2. de vestiging van een kleinschalige kampeerterreinen bij de functies Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel, Horeca, Manege of Wonen waarbij geldt:
    1. kleinschalig kamperen uitsluitend is toegestaan indien een bedrijfswoning of woning op grond van de functie is toegestaan, aanwezig is en bewoond wordt;
    2. het aantal standplaatsen per kleinschalig kampeerterrein bedraagt maximaal 15, waarvan ten hoogste 20% van de gerealiseerde standplaatsen mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen of stacaravans, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
    3. de standplaatsen worden gerealiseerd op of in aansluiting op de bebouwing en het erf;
    4. het afvalwater wordt op een zorgvuldige wijze afgevoerd;
    5. het terrein is voldoende veilig waaronder mede begrepen de aanwezigheid van een goede, bereikbare blusvoorziening met voldoende capaciteit in relatie tot het aantal standplaatsen en een plan voor calamiteitenbestrijding;
    6. de locatie is voldoende veilig waaronder mede begrepen dat de locatie zich niet bevindt op gronden met de functie Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding, Leiding - Leidingstrook, Leiding - Olie of Leiding - Propyleen en niet binnen de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen;
  3. het gebruik van een terrein voor kleinschalig kamperen bij de functies Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij of Agrarisch - intensieve veehouderij voor de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers waarbij ten opzichte van b de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
    1. betreft uitsluitend de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers die op het betreffende bedrijf werkzaam zijn;
    2. van toepassing zijn de brandveiligheidseisen zoals opgenomen in bijlage 2 van de 'Beleidsnota huisvesting arbeidsmigranten';
    3. de huisvesting uitsluitend is toegestaan gedurende een periode van maximaal 12 aaneengesloten weken gedurende enig kalenderjaar;
    4. ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers mogen kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits worden geplaatst mits de kampeermiddelen, stacaravans en/of woonunits na afloop van deze periode van 12 weken telkenmale verwijderd worden.

137.3.2 Beoordelingsregels melding     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 137.1.

Tabel 137.1

verplicht

137.3.3 Procedureregels melding     

Voor het doen van een melding geldt de volgende procedureregel:

  1. de melding met:
    1. een beschrijving van het initiatief;
    2. een onderbouwing dat aan de voorwaarden wordt voldaan;

wordt ingediend via het gemeentelijke digitale loket of schriftelijk voor aanvang van de realisatie van de voorgenomen verandering.

137.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in de grootschalige polders     

137.4.1 Toelaatbare veranderingen     

Omgevingsvergunning om van het toelaatbare gebruik en bouwen af te wijken kan door het bevoegd gezag worden verleend voor de volgende functies of bouwwerken:

  1. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Manege of Wonen;
  2. de vestiging van kleinschalige horecamatige of kleinschalige dagrecreatieve functies in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Bedrijf - agrarisch aanverwant, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1 of Bedrijven uit categorie 3.2;
  3. de vestiging van kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies, niet zijnde detailhandel, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Horeca;
  4. de vestiging van kleinschalige horecamatige, kleinschalige dagrecreatieve functies of kleinschalige bedrijfsmatige functies in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, bij Detailhandel;
  5. de vestiging van een paardenpension bij wijze van nevenactiviteit in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden bij Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel, Horeca of Wonen;
  6. het gebruik van bedrijfswoningen voor bewoning door personen die geen relatie hebben met het bedrijf dat ter plaatse wordt uitgeoefend (plattelandswoning);
  7. verkleining of vergroting van voorgeschreven afstandsmaten;
  8. bouwen vóór een voorgevelrooilijn;
  9. de ontwikkeling van zorginitiatieven bij wijze van nevenactiviteit zoals zorgboerderijen, leerboerderijen, dagbestedingsplaatsen, kinderopvang en stage- of werkervaringsplaatsen, in de bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden bij Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel, Horeca, Manege of Wonen;
  10. ver- of herbouw van woningen of bedrijfswoningen waarbij het uitwendige karakter ingrijpend wordt gewijzigd; uitgangspunt is het behoud van de bestaande typologie van de woning maar hiervan kan worden afgeweken indien:
    1. ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van het bouwperceel aanleiding geven om de typologie te wijzigen, of;
    2. de stedenbouwkundige aard en/of karakteristiek van de omgeving hiertoe aanleiding geeft, waarbij de voorgestane typologiewijziging passend is in deze omgeving, of;
    3. de oorspronkelijke typologie dusdanig is aangetast, dat de uiterlijke kenmerken niet meer te herleiden zijn tot de oorspronkelijke typologie, en;
    4. aanpassing van de typologie leidt tot een versterking van de beeldkwaliteit van het buitengebied, en;
    5. bij nieuwbouw gekozen wordt voor een uitgesproken typologie die passend is op die locatie en in de omgeving, en;
    6. de inrichting van het voorerf afgestemd wordt op de nieuwe typologie en streekeigen is, en;
    7. er sprake is van een levensloopbestendige woning of bedrijfswoning;
  11. het gebruik van bestaande bebouwing, met aansluitende onbebouwde gronden, als verblijfsrecreatieve groepsaccommodatie of ten behoeve van recreatief nachtverblijf bij Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel, Horeca, Manege of Wonen;
  12. nieuwbouw ten behoeve van de in dit artikel genoemde en bestaande kleinschalige functies of nevenactiviteiten waarbij de oppervlakte met ten hoogste 20% van de bestaande bebouwing in gebruik voor de functie, mag worden vergroot, tot een maximum van 250 m²;
  13. de uitbreiding van bestaande kleinschalige kampeerterreinen met dien verstande dat:
    1. het aantal standplaatsen ten hoogste 25 mag bedragen waarvan ten hoogste 20% mag worden gebruikt ten behoeve van permanent aanwezige kampeermiddelen of stacaravans, de overige standplaatsen worden als toeristische standplaats ingericht;
    2. aan de regels voor kleinschalige kampeerterreinen tot 15 standplaatsen zoals opgenomen in artikel 137.3.1 onder b moet worden voldaan;
    3. een vereveningsplan moet worden overlegd met betrekking tot de meerwaarde die wordt gecreëerd.

137.4.2 Beoordelingsregels afwijking     

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing waarbij geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 137.2.

Tabel 137.2

verplicht

verplicht

137.4.3 Procedureregel     

Bij het toepassen van het bepaalde in lid 137.4.1 onder j winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

137.4.4 Integraliteit     

In afwijking van de beoordelingsregels in lid 137.4.2 kan medewerking worden verleend indien het initiatief niet of in onvoldoende mate voldoet aan een of meerdere van de beoordelingsregels maar na een integrale afweging van alle beoordelingsaspecten, als aanvaardbaar en passend binnen de Gebiedsbeschrijving kan worden aangemerkt. Hiervan kan alleen sprake zijn indien het initiatief op een of meerdere andere beoordelingsregels in meer dan ruime mate voldoet. Indien niet aan de beoordelingsregels voor 'geluid' of 'gezondheid en milieu' wordt voldaan kan geen medewerking worden verleend.

137.4.5 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden gericht op de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing.

137.5 Functieverandering en bouwen met delegatie in de grootschalige polders     

137.5.1 Toelaatbare veranderingen     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:

  1. het gebruik ten behoeve van Wonen op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - intensieve kwekerij, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf, Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Detailhandel, Horeca of Manege is of wordt beëindigd en een bedrijfswoning in dit plan niet is uitgesloten;
  2. de bouw van een bedrijfswoning bij de functie Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf of Agrarisch - intensieve veehouderij op een locatie waar bedrijfswoningen zijn uitgesloten met de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' met dien verstande dat er geen medewerking wordt verleend indien er sprake is van een eerder aanwezige, maar inmiddels afgestoten bedrijfswoning;
  3. de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf mits:
    1. nieuwvestiging noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering; de agrarisch deskundige wordt hierover schriftelijk advies gevraagd;
    2. in het plangebied geen geschikt vrijkomend agrarisch suggestievlak dan wel bouwblok voorhanden is;
    3. elders een agrarisch suggestievlak dan wel bouwblok of bouwvlak wordt gesaneerd en overtollige bebouwing – met uitzondering van een aanwezige voormalige bedrijfswoning met vrijstaande bijbehorende bouwwerken – wordt gesloopt;
  4. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Agrarisch - aquacultuurbedrijf, Agrarisch - grondgebonden agrarisch bedrijf, Agrarisch - glastuinbouw, Agrarisch - intensieve veehouderij, Agrarisch - intensieve kwekerij of Agrarisch - agrarisch en agrarisch aanverwant bedrijf is, of wordt beëindigd;
  5. het gebruik ten behoeve van Bedrijf tot en met categorie 2, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Bedrijf - agrarisch aanverwant is, of wordt beëindigd;
  6. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Manege of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Bedrijven uit categorie 3.1 of Bedrijven uit categorie 3.2, is, of wordt beëindigd;
  7. het gebruik ten behoeve van Bedrijf - agrarisch aanverwant, Bedrijf tot en met categorie 2 of dagrecreatieve functies, op een locatie waar de bestaande functie Manege is, of wordt beëindigd;
  8. de realisering van duurzame initiatieven voor zonne-energie; bedoeld worden grootschalige initiatieven die de aanleg voor eigen gebruik overstijgen en waarvoor de volgende voorwaarden gelden:
    1. met een locatiestudie zijn verschillende locaties onderzocht en de meest geschikte locaties uit ruimtelijk oogpunt, gesteldheid van de ondergrond en/of energieopbrengst in beeld gebracht;
    2. realisering plaatsvindt op een van de aantoonbaar geschikte locaties;
    3. het ontwerp en de wijze van plaatsing van zonnepanelen sluit aan bij het landschap ter plaatse;
    4. indien mogelijk wordt er gebruik gemaakt van functiecombinaties en meervoudig ruimtegebruik;
    5. om wederzijdse beinvloeding van buisleidingen en hoogspanningssystemen te voorkomen is NEN3654 van toepassing;
  9. de nieuwvestiging van een functie Wonen indien:
    1. elders in het plangebied een functie Wonen wordt gesaneerd en de daarbij behorende bebouwing wordt gesloopt (één woning voor één woning); of
    2. op dezelfde locatie of elders in het plangebied een agrarisch suggestievlak dan wel bouwblok wordt gesaneerd en bedrijfsbebouwing of kassen worden gesloopt, waarbij geldt:
      • de te slopen gebouwen zijn onbruikbaar of detonerend;
      • de te slopen gebouwen zijn niet aangemerkt als Beeldbepalend pand;
      • ter compensatie van 500 m2 te slopen bedrijfsbebouwing wordt de bouw van ten hoogste één nieuwe woning mogelijk gemaakt;
      • ter compensatie van 1.000 m2 te slopen bedrijfsbebouwing wordt de sloop van ten hoogste 2 nieuwe woningen mogelijk gemaakt;
      • ter compensatie van 1.500 m2 of meer te slopen bedrijfsbebouwing wordt de sloop van ten hoogste 3 woningen mogelijk gemaakt;
  10. de toevoeging van een functie Wonen aan een gebouw of een ensemble dat is aangemerkt als rijksmonument, Gemeentelijk monument of Beeldbepalend pand mits de toevoeging van de woonfunctie leidt tot de versterking of het behoud van de monumentale of karakteristieke waarden;
  11. het gebruik van bestaande leegstaande gebouwen voor het jaarrond tijdelijk huisvesten van tijdelijke werknemers, waarbij geldt:
    1. het voorheen legale gebruik is beëindigd;
    2. er ontstaat geen langdurige bewoning door individuele personen hetgeen betekent dat een persoon er niet langer dan 12 maanden mag wonen en bewoners ingeschreven moeten worden in de Basisregistratie Personen;
    3. de voorziening dient te beschikken over een certificaat van de Stichting Normering Flexwonen;
    4. nieuwbouw is toegestaan tot een oppervlakte van 20% van de bestaande oppervlakte met een maximum van 250 m²;
  12. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

137.5.2 Overige toelaatbare veranderingen     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen voor:

  1. de bescherming van nieuwe natuur door na realisatie de functie Natuur toe te kennen;
  2. de wijziging van de aanduiding 'groenvoorziening' in de functie Groen indien de groenvoorziening is gerealiseerd;
  3. het met enige regelmaat verwerken van verleende afwijkingen zoals bedoeld in lid 137.4 Functieverandering en bouwen met afwijking in de grootschalige polders;
  4. het in combinatie met de in dit lid genoemde wijzigingen indien nodig en voor zover relevant, opnemen, aanpassen of wijzigen van vlakken met betrekking tot bouwen en de overige regels in dit plan.

137.5.3 Geluidskwaliteit     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. een of meerdere zones aan te wijzen of de zone 'Handhaven bestaande geluidskwaliteit' te wijzigen waarin geluidsnormen gelden voor inrichtingen die zijn gelegen in de aangewezen zones en die afwijken van de geluidsnormen gesteld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening;
  2. een of meerdere zones aan te wijzen of de zone 'Handhaven bestaande geluidskwaliteit' te wijzigen waarin geluidsnormen gelden voor inrichtingen die zijn gelegen in de aangewezen zones en die afwijken van de geluidsnormen gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

137.5.4 Aanwijzing gemeentelijk monument     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. een gemeentelijk monument zoals op basis van de 'Erfgoedverordening Borsele 2017' of diens rechtsopvolger, aangewezen, met de aanduiding 'Gemeentelijk monument' en daarmee verband houdende aanduidingen op te nemen in het plan;
  2. een rijksmonument zoals op basis van de Erfgoedwet aangewezen, met de aanduiding 'Een rijksmonument' en de daarmee verband houdende aanduidingen op te nemen in het plan;
  3. indien de feitelijk aanwezige cultuurhistorische waarden van een pand daartoe aanleiding geeft: een pand aan te merken als Een beeldbepalend pand en daarmee verband houdende aanduidingen op te nemen in het plan;
  4. indien van Een gemeentelijk monument, Een rijksmonument of Een beeldbepalend pand niet langer sprake is: panden niet langer aan te merken als Een gemeentelijk monument, Een rijksmonument of Een beeldbepalend pand en hiermee verband houdende aanduidingen te verwijderen.

137.5.5 Beoordelingsregels delegatie     

Voor een verandering als bedoeld in 137.5.1 gelden de volgende beoordelingsregels waarbij geldt dat:

  1. voldaan moet worden aan de voorwaarden – voor zover relevant – zoals vermeld in tabel 137.3 en;
  2. bij de veranderingen zoals bedoeld in lid 137.5.1 onder c tot en met k dient sprake te zijn van een aantoonbare kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Borsele, passend bij de Gebiedsbeschrijving; er is sprake van een kwaliteitsverbetering en meerwaarde voor het buitengebied van Borsele indien aan ten minste drie voorwaarden uit tabel 137.4 wordt voldaan:

Tabel 137.3

verplicht

verplicht

Tabel 137.4

verplicht

137.5.6 Procedureregel     

Bij het toepassen van het bepaalde in tabel 137.3 onder 'beeldkwaliteit' winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit omtrent de vraag of voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

137.5.7 Gelijkwaardigheidsregel     

Voor de beoordelingsregels in lid 137.5.5 geldt dat tevens kan worden voldaan aan het gestelde in lid 137.5.5 onder b door middel van het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Met deze maatregel wordt ten minste een vergelijkbare ruimtelijke meerwaarde bereikt.

 

Hoofdstuk 8 Voor het bouwen of de invulling van de functie geldt de voorwaarde van goede landschappelijke inpassing, hiervoor gelden regels     

Artikel 138 Landschappelijke inpassing in De Poel (inclusief het heggengebied Nisse)     

Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:

  1. algemene regels zoals opgenomen in lid 138.2;
  2. specifieke regels zoals opgenomen in lid 138.3;
  3. specifieke regels voor kleinschalig kamperen zoals opgenomen in lid 138.4;

De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 138.1 zijn daarbij richtinggevend voor de beoordeling of sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

138.1 Kenmerken van het gebied     

De Poel is een grootschalig en open gebied. De (opgaande) erfbeplantingen spelen hier een belangrijke rol in het landschapsbeeld. In de randen komen de karakteristieke heggengebieden voor. Van oorsprong werd de zogenaamde Zeeuwse haag aangeplant op de perceelsgrenzen of langs slootjes en diende als veekering. Het vormt een losse (niet geschoren) haag en bestaat uit soorten die een dichte ondoordringbare begroeiing vormen. Vaak zitten hier doornen aan, zoals bijvoorbeeld aan de meidoorn.

Het meest verdichte deel vormt het gebied rondom Nisse, dat gekenmerkt wordt door meidoornheggen op de perceelsgrenzen. Hierdoor ontstaat een besloten beeld en zijn de erfbeplantingen minder beeldbepalend.

138.2 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied zoals beschreven in lid 138.1; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. bij moderne erven waarbij, gelet op de aanwezige bebouwing, indeling van het erf en aanwezige beplanting, geen sprake is van een historisch erf wordt het vereiste om aan te sluiten bij de ontstaansgeschiedenis minder strikt toegepast;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de situering en keuze voor beplantingen is zodanig dat het karakter van de bedrijfsgebouwen wordt geaccentueerd en minder fraaie opstallen worden gecamoufleerd;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 138.4.

138.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

De nadruk ligt op de toepassing van streekeigen elementen, omdat de traditionele, streekeigen erven een belangrijke landschappelijke karakteristiek vormen. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting - zijnde de Zeeuwse haag - zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. door de openheid van het gebied kunnen bedrijfsgebouwen het landschapsbeeld gaan domineren; daarom is het wenselijk dat rondom de nieuwbouw een beplantingsstrook (Zeeuwse haag) wordt aangelegd (zie bijlage 2 Streekeigen beplantingen);
  3. afhankelijk van de mate van snoei, dient de strook van de Zeeuwse haag minimaal 2 à 3 m breed te zijn;
  4. de bedekking door de Zeeuwse haag moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn; om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen in beperkte mate 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. in De Poel is een te hoge beplanting niet gewenst in verband met de vereiste openheid voor de ganzen; een Zeeuwse haag voldoet aan de eisen, omdat deze niet hoger wordt dan circa 4 m;
  6. aanvulling van de Zeeuwse haag met minimaal één van de volgende streekeigen beplantingselementen is noodzakelijk: drinkputten, knotbomen, kleine boomgroepen en solitaire bomen (zoals noten);
  7. elzen- of populierenschermen zijn uitgesloten;
  8. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  9. in afwijking van het bepaalde onder g geldt voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen dat v olstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

138.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting.

Artikel 139 Landschappelijke inpassing in Kleinschalige nieuwlandpolders     

Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:

  1. algemene regels zoals opgenomen in lid 139.2;
  2. specifieke regels zoals opgenomen in lid 139.3;
  3. specifieke regels voor kleinschalig kamperen zoals opgenomen in lid 139.4;

De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 139.1 zijn daarbij richtinggevend.

139.1 Kenmerken van het gebied     

De polders zijn vaak kleinschalig van opzet. De boerderijen komen op twee manieren voor: onderaan de dijk en midden in de polder, gelegen aan de polderweg. In de kleinste polders komt alleen de eerste variant voor. In de grotere polders, waar sprake is van (een stelsel van) polderwegen komen beide varianten voor.

In het geval dat de boerderijen onder aan de dijk zijn gesitueerd heeft de erfbeplanting een relatie met de beplanting op de dijken. Midden in een polder is een erfbeplanting te beschouwen als een eiland in een ruimte die dikwijls door de omringende beplanting wordt gedomineerd.

Opvallend is de veelal ruime opzet van de erven. In dit gebied zijn niet alleen de hoog opgaande beplantingen bepalend voor het boerenerf.

Doordat in dit gebied veel fruitteelt voorkomt, komen rondom het erf veel boomgaarden met laagstamfruit voor. De elzenhagen die het fruit omsluiten zijn zeer karakteristiek voor dit gebied. Af en toe wordt een boomgaard met hoogstamfruit aangetroffen, meestal dichtbij de woning. Naast de woning is ook vaak een huisweitje aanwezig. Knotbomen komen veelvuldig voor. Het betreft het traditionele, streekeigen erf van de Zak van Zuid-Beveland.

139.2 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied zoals beschreven in lid 139.1; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. bij moderne erven waarbij, gelet op de aanwezige bebouwing, indeling van het erf en aanwezige beplanting, geen sprake is van een historisch erf wordt het vereiste om aan te sluiten bij de ontstaansgeschiedenis minder strikt toegepast;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de situering en keuze voor beplantingen is zodanig dat het karakter van de bedrijfsgebouwen wordt geaccentueerd en minder fraaie opstallen worden gecamoufleerd;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 139.4.

139.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

De nadruk ligt op de toepassing van streekeigen elementen, omdat de traditionele, streekeigen erven een belangrijke landschappelijke karakteristiek vormen. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting - zijnde een 5 m brede singelbeplanting zonder boomvormers - zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. de beplantingsvormen kunnen gevarieerder; dit kan door een combinatie te kiezen tussen singelbeplantingen bestaande uit heesters en andere, streekeigen beplantingselementen (zie bijlage Streekeigen beplantingen); aanvulling van de singelbeplanting met minimaal één van de volgende streekeigen beplantingselementen is noodzakelijk: boomweiden, boomgroepen, boomgaarden met hoogstamfruit en vogelbosjes; de vrijwillige keuze voor leilinden, lage hagen, knotbomen of drinkputten kan het erf verder verrijken;
  3. singelbeplantingen moeten minimaal 5 m breed zijn;
  4. de bedekking door de singelbeplanting moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn; om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen enkele 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  6. voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen geldt dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

139.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting.

Artikel 140 Landschappelijke inpassing in de Herverkavelde oudlandpolders     

Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:

  1. algemene regels zoals opgenomen in lid 140.2;
  2. specifieke regels zoals opgenomen in lid 140.3;
  3. specifieke regels voor kleinschalig kamperen zoals opgenomen in lid 140.4;

De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 140.1 zijn daarbij richtinggevend.

140.1 Kenmerken van het gebied     

Qua openheid neemt dit gebied een positie in tussen de open grootschalige polders en de kleinschalige, besloten polders. Het gebied rondom Ellewoutsdijk maakt de meest open en grootschalige indruk.

De hoofdstructuur van het landschap wordt bepaald door de wegbeplantingen. Het gaat hier om boomsingels met een onderbeplanting, waarbij de bomen vaak in een onregelmatig plantverband staan. Bij Baarland en Hoedekenskerke is het landschap fijnmazig gestructureerd door dijken. Richting Oudelande en Ellewoutsdijk krijgt het landschap een meer open en grootschalig karakter.

Ruimtelijk vormen de erfbeplantingen een belangrijke aanvulling op de landschappelijke opbouw. De erven komen meestal voor langs de beplante polderwegen. In de buurt van de dorpen wordt de concentratie hoger. De erven in dit gebied zijn over het algemeen vrij bescheiden van opzet. De variatie aan beplantingen en beplantingsvormen is in deze gebieden gering. De samenstelling is eenzijdiger. Iep, es en populier komen veelvuldig in de beplantingen voor.

140.2 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied zoals beschreven in lid 140.1; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. bij moderne erven waarbij, gelet op de aanwezige bebouwing, indeling van het erf en aanwezige beplanting, geen sprake is van een historisch erf wordt het vereiste om aan te sluiten bij de ontstaansgeschiedenis minder strikt toegepast;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de situering en keuze voor beplantingen is zodanig dat het karakter van de bedrijfsgebouwen wordt geaccentueerd en minder fraaie opstallen worden gecamoufleerd;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 140.4.

140.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

In de Herverkavelde Oudlandpolders kan een keuze worden gemaakt uit een singelbeplanting met heesters (minimaal 5 m breed), in combinatie met één streekeigen beplantingselement, of een singelbeplanting met bomen en heesters (minimaal 10 m breed).

De nadruk ligt in de omgeving van Hoedekenskerke en Baarland op de toepassing van streekeigen elementen. De traditionele, streekeigen erven vormen een belangrijke landschappelijke karakteristiek. De eisen die gesteld worden aan de basisinrichting (singelbeplanting met heesters) zijn minder zwaar. In combinatie met de basisinrichting wordt minimaal één aan het erf toegevoegd streekeigen element gevraagd.

Het gebied in de richting van Oudelande en Ellewoutsdijk heeft een meer open karakter. Een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting is wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. de beplantingsvormen kunnen gevarieerder; dit kan door een combinatie te kiezen tussen singelbeplantingen bestaande uit heesters en andere, streekeigen beplantingselementen (zie bijlage 2 Streekeigen beplantingen); aanvulling van de singelbeplanting met minimaal één van de volgende streekeigen beplantingselementen is noodzakelijk: boomweiden, boomgroepen, boomgaarden met hoogstamfruit en vogelbosjes; de vrijwillige keuze voor leilinden, lage hagen, knotbomen of drinkputten kan het erf verder verrijken;
  3. singelbeplantingen moeten minimaal 5 m breed zijn;
  4. de bedekking door de singelbeplanting moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn, om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen enkele 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. meer variatie in de soortensamenstelling, dan in de huidige situatie, is wenselijk, mede omdat de iep uit het sortiment verdwijnt dienen vervangende soorten toegevoegd te worden;
  6. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  7. voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen geldt dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

140.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting.

Artikel 141 Landschappelijke inpassing in de Kraaijertpolder en omgeving     

Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:

  1. algemene regels zoals opgenomen in lid 141.2;
  2. specifieke regels zoals opgenomen in lid 141.3;
  3. specifieke regels voor kleinschalig kamperen zoals opgenomen in lid 141.4;

De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 141.1 zijn daarbij richtinggevend.

141.1 Kenmerken van het gebied     

De grootschalige polders hebben een minder luisterrijke uitstraling in vergelijking met andere delen van de gemeente. Het gebied is open en efficiënt ingedeeld. De polders zijn grootschalig en de dijken dikwijls onbeplant, evenals de bermen van de meeste polderwegen. De nabijheid van het Sloegebied versterkt het industriële karakter van het gebied.

De erfbeplantingen zijn over het algemeen beperkt van opzet en weinig gevarieerd in beplantingsvormen en soortensamenstelling. De erven komen voor onder aan de dijk of midden in de polder aan een weg. Door de openheid van het gebied vervullen de erfbeplantingen een belangrijke rol in het landschappelijke beeld. De erfbeplantingen zijn hier op een aantal plaatsen de enige opgaande elementen. De erfbeplantingen van de Kraaijertpolder en omgeving kenmerken zich in het algemeen door weinig variatie in beplantingsvormen en soortensamenstelling.

141.2 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied zoals beschreven in lid 141.1; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. bij moderne erven waarbij, gelet op de aanwezige bebouwing, indeling van het erf en aanwezige beplanting, geen sprake is van een historisch erf wordt het vereiste om aan te sluiten bij de ontstaansgeschiedenis minder strikt toegepast;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de situering en keuze voor beplantingen is zodanig dat het karakter van de bedrijfsgebouwen wordt geaccentueerd en minder fraaie opstallen worden gecamoufleerd;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 141.4.

141.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

Gelet op het open, grootschalige karakter van de Kraaijertpolders is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. gezien de openheid van het gebied is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk; de sobere beplantingsvormen van het gebied vormen een karakteristiek; andere streekeigen beplantingselementen (zie bijlage 2 Streekeigen beplantingen) kunnen meer terughoudend worden toegepast;
  3. singelbeplantingen bestaande uit bomen en heesters moeten minimaal 10 m breed zijn;
  4. de bedekking door de singelbeplanting moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn; om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen enkele 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. meer variatie in de soortensamenstelling, dan in de huidige situatie, is wenselijk, mede omdat de iep uit het sortiment verdwijnt dienen vervangende soorten toegevoegd te worden;
  6. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  7. voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen geldt dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

141.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting.

Artikel 142 Landschappelijke inpassing in de Borsselepolder en omgeving     

Voor zover in het voorgaande een 'goede landschappelijke inpassing' is voorgeschreven gelden de volgende:

  1. algemene regels zoals opgenomen in lid 142.2;
  2. specifieke regels zoals opgenomen in lid 142.3;
  3. specifieke regels voor kleinschalig kamperen zoals opgenomen in lid 142.4;

De kenmerken van het gebied zoals opgenomen in lid 142.1 zijn daarbij richtinggevend.

142.1 Kenmerken van het gebied     

De polder kenmerkt zich door een grootschalige opzet met, in dit geval, een vierkante wegenstructuur. Het industriegebied vormt een belangrijke beeldbepalende factor. De hoge Westerscheldedijk vormt een ander dominant gegeven.

De polderwegen zijn momenteel onbeplant. De erven liggen langs de wegen, waarbij op een gedeelte van de Monsterweg sprake is van lintbebouwing. Langs de andere wegen vormen de erven eilanden in de grootschalige open ruimte. De variatie in beplantingsvormen en soortensamenstelling is in de Borsselepolder niet groot.

142.2 Algemene regels voor goede landschappelijke inpassing     

Voor een goede landschappelijke inpassing gelden de volgende algemene regels:

  1. alvorens over te gaan tot realisatie van een landschappelijke inpassing wordt een erfbeplantingsplan met beheervisie opgesteld; hierin wordt het eindbeeld van de beplantingen omschreven;
  2. het erfbeplantingsplan omvat een korte onderbouwing, is getekend op een goed leesbare schaal en bevat een lijst van de toe te passen soorten en een onderverdeling in aantallen of percentages (singelbeplantingen);
  3. het erfbeplantingsplan houdt rekening met de uit hoofde van nadere regelgeving verplichte beplantingsvrije stroken;
  4. de landschappelijke inpassing sluit aan op de kenmerken van het gebied zoals beschreven in lid 142.1; de kenmerken moeten intact blijven en waar mogelijk verder versterkt;
  5. met de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de ontstaansgeschiedenis van het gebied;
  6. bij moderne erven waarbij, gelet op de aanwezige bebouwing, indeling van het erf en aanwezige beplanting, geen sprake is van een historisch erf wordt het vereiste om aan te sluiten bij de ontstaansgeschiedenis minder strikt toegepast;
  7. de plaatselijke omstandigheden zijn bepalend voor de haalbaarheid van de specifieke regels;
  8. de situering en keuze voor beplantingen is zodanig dat het karakter van de bedrijfsgebouwen wordt geaccentueerd en minder fraaie opstallen worden gecamoufleerd;
  9. de aanplant van meidoorn binnen een afstand van 500 m van fruitboomgaarden wordt vanwege de kans op bacterievuur afgeraden;
  10. een erfbeplanting mag een doelmatige bedrijfsvoering niet in de weg staan; er vindt afstemming plaats tussen de wensen van de initiatiefnemer en het volume en de compositie van de beplanting;
  11. het uitgangspunt bij het opstellen van een erfbeplantingsplan is dat er een duidelijke samenhang bestaat in de terreinindeling tussen de beplanting en de bedrijfsgebouwen; de beplantingen mogen geen belemmering vormen voor de bouwmogelijkheden;
  12. er wordt rekening gehouden met reeds aanwezige beplantingselementen; voorwaarde is dat een evenwichtige inrichtingssituatie ontstaat;
  13. voor de kleinschalige kampeerterreinen gelden de aanvullende voorwaarden zoals vermeld in lid 142.4.

142.3 Specifieke regels voor goede landschappelijke inpassing     

Gelet op het open, grootschalige karakter van de Borsselepolder is een stevige beplanting, bestaande uit een brede singelbeplanting wenselijk. Streekeigen elementen kunnen meer terughoudend worden toegepast, maar worden niet uitgesloten. Voor de singelbeplantingen met bomen is minimaal 10 m breed benodigd. Als voldoende (vrije) ruimte voor de kroon van de bomen aanwezig is naast de beplantingsstrook, kan met een smallere beplantingsstrook worden volstaan. Voor een goede ontwikkeling moeten de bomen dan ook enig licht doorlaten en de struiken schaduw verdragen. Verder moet bij de soortkeuze rekening worden gehouden met de verschillen in de groeisnelheid. Voorkomen moet worden dat de beplanting transparant wordt.

Regels:

  1. de inrichtingsmaatregelen zorgen voor een goede landschappelijke inpassing van bedrijfsgebouwen en afscherming van storende elementen (bijvoorbeeld voederopslag);
  2. het is van belang dat de structuur van de erven met een stevige singelbeplanting, gesitueerd aan polderwegen, wordt hersteld; de sobere beplantingsvormen van het gebied vormen een karakteristiek en moeten worden gehandhaafd. Andere streekeigen (beplantings)elementen (zie bijlage 2 Streekeigen beplantingen) kunnen meer terughoudend worden toegepast;
  3. singelbeplantingen bestaande uit bomen en heesters moeten minimaal 10 m breed zijn;
  4. de bedekking door de singelbeplanting moet minimaal zijn 3 zijden van het gebouw en 60% van de totale gevellengte (omtrek); het is van belang dat deze doorgaande beplanting als een geheel overkomt en niet versnipperd is; uiteraard dient een normale bedrijfsvoering mogelijk te zijn; om relaties vanaf het erf met het omliggende landschap te leggen kunnen enkele 'doorzichten' gemaakt worden;
  5. meer variatie in de soortensamenstelling, dan in de huidige situatie, is wenselijk, mede omdat de iep uit het sortiment verdwijnt dienen vervangende soorten toegevoegd te worden;
  6. het beplantingssortiment moet bestaan uit inheemse of streekeigen soorten (zie bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen); erfafscheidingen moeten bestaan uit groenelementen; schuttingen, coniferen en dergelijke zijn niet toegestaan;
  7. voor de landschappelijke inpassing van teeltondersteunende voorzieningen geldt dat volstaan kan worden met een elzenhaag met een minimale eindhoogte van 3 tot 4 m; ook een Zeeuwse haag zonder doorns en stekels kan als landschappelijke inpassing worden gerealiseerd.

142.4 Aanvullende voorwaarden kleinschalige kampeerterreinen     

Voor kleinschalige kampeerterreinen gelden de volgende aanvullende regels:

  1. naast de standplaatsen voor kampeermiddelen moeten ook de parkeervoorzieningen middels passende beplantingsvormen worden ingepast in het landschappelijk beeld;
  2. de beplantingsvormen worden afgestemd op de voor de Zak van Zuid-Beveland karakteristieke boerenerven; een sobere en bij de streek passende vormgeving is gewenst;
  3. aanvullend op de regels voor de erfbeplantingen moet één of meer van de volgende streekeigen elementen aan de terreininrichting worden toegevoegd:
    1. boomweiden/boomrijen/boomgroepen/solitaire bomen;
    2. boomgaard met hoogstamfruitbomen;
    3. vogelbosje (struweel);
    4. hagen;
    5. facultatief kunnen bijvoorbeeld ook drinkputten deel uitmaken van de inrichting.

Artikel 143 Aanpassing regels landschappelijke inpassing     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. de regels voor landschappelijke inpassing zoals opgenomen in de artikelen 138, 139, 140, 141 en/of 142 aan te passen;
  2. de begrenzing van de deelgebieden zoals genoemd in de artikelen 138, 139, 140, 141 en/of 142 aan te passen;

met dien verstande dat daarbij sprake moet blijven van een goede regeling voor landschappelijke inpassing die aansluit bij de landschappelijke en cultuurhistorische kenmerken van deelgebieden.

 

Hoofdstuk 9 Welke regels gelden er voor de houtopstanden op deze locatie     

Artikel 144 Regels voor beschermwaardige bomen     

144.1 Kappen van beschermwaardige bomen     

Het is verboden de houtopstanden die aangemerkt zijn op de lijst van beschermwaardige bomen te vellen of te doen vellen. Het verbod geldt niet voor bomen die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een Aanwijzing of last bij iepenziekte van het college van burgemeester en wethouders.

144.2 Beoordelingsregels     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  1. de natuurwaarde van de houtopstand en/of;
  2. de landschappelijke waarde van de houtopstand en/of;
  3. de waarde van de houtopstand voor dorpsschoon (versterking landschapsstructuur, inpassing bebouwing, oriëntatie, waarde voor leefbaarheid);
  4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand en/of;
  5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand en/of;
  6. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

144.3 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften voorschrijven, gericht op herplant.

144.4 Aanwijzen van beschermwaardige bomen     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bomen aan te wijzen als beschermwaardige boom en deze toe te voegen aan de lijst beschermwaardige bomen of te verwijderen van de lijst beschermwaardige bomen.

144.5 Aanwijzing of last bij iepenziekte     

Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor de verspreiding van de iepziekte of de vermeerdering van iepenspintkevers is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college van burgemeester en wethouders is aangeschreven verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

  1. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;
  2. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;
  3. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

Hoofdstuk 10 Mag ik op deze locatie afvalstoffen verbranden     

Artikel 145 Afvalstoffen verbranden     

Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

  1. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
  2. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;
  3. vuur voor koken, bakken en braden voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

145.1 Beoordelingsregels     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend voor het zich ontdoen van bepaalde afvalstoffen door deze buiten de inrichting te verbranden met dien verstande dat:

  1. de omgevingsvergunning voor het afwijken kan worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna;
  2. de omgevingsvergunning voor het afwijken uitsluitend wordt verleend indien voldaan wordt aan hetgeen is uitgewerkt in de Beleidsregels ontheffing stookverbod.

Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning voor het afwijken kan het aanvraagformulier worden gebruikt dat via deze koppeling binnen is te halen: www.borsele.nl/document.php?m=17&fileid=41599&f=b3dec452e7a9538240ce2d673b8f5e88&attach ment=0&c=21309.

 

Hoofdstuk 11 Deze locatie bevindt zich in een relatief stil gebied, hier gelden regels voor activiteiten die geluid produceren     

Artikel 146 Handhaven bestaande geluidskwaliteit     

146.1 Geluidsnormen     

Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) ten gevolge van inrichtingen die in dit gebied zijn gelegen geldt dat de niveaus op de gevel van geluidsgevoelige functies of wanneer er geen woning binnen 50 m staat, dan geldt de afstand van 50 m vanaf de grens van de inrichting, binnen de in tabel 146.1 genoemde dagdelen niet meer mag bedragen dan de aangegeven richtwaarden.

Tabel 146.1: Richt- en grenswaarden (handhaving bestaande geluidskwaliteit)

verplicht

146.2 Afwijken van de geluidsnormen     

Omgevingsvergunning om van de richtwaarde af te wijken tot maximaal de grenswaarde kan door burgemeester en wethouders worden verleend indien:

  1. toepassing wordt gegeven en gebruik wordt gemaakt van de Best Beschikbare Technieken;
  2. indien het bestaan van de in sub a genoemde Best Beschikbare Technieken niet door de ondernemer kan worden aangetoond kan de betreffende afwijking worden aangevraagd na voldoende oordeel van burgemeester en wethouders;
  3. aan de afwijking kunnen maatwerkvoorschriften worden verbonden overeenkomstig de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

146.3 Anti-hagelgeneratoren     

De bepalingen zoals opgenomen in lid 146.1 zijn niet van toepassing op anti-hagelgeneratoren.

146.4 Toezichthouders     

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aan te wijzen personen.

146.5 Afwijken bij onbillijkheid, hardheidsclausule     

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bepalingen in dit artikel, indien naar hun oordeel een strikte toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepaling(en) te dienen doelen, dan wel zou leiden tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.

 

Hoofdstuk 12 Deze locatie bevindt zich in archeologisch waardevol gebied, hiervoor gelden regels     

Artikel 147 Waarde - Archeologie 1     

147.1 Bouwen     

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  1. de archeologische verwachtingswaarden:
    1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  2. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
      • de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 50 m²;
      • de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.

147.2 Werken en werkzaamheden     

147.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het planten of verwijderen van houtgewas, niet zijnde fruit- en boomgaarden;
  3. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen en/of verleggen van ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  7. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

147.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 147.1 in acht is genomen;
  2. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  3. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  4. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 50 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

147.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  1. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.

147.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport     

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

147.5 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 148 Waarde - Archeologie 2     

148.1 Bouwen     

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  1. de archeologische verwachtingswaarden:
    1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  2. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
      • de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 250 m²;
      • de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.

148.2 Werken en werkzaamheden     

148.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het planten of verwijderen van houtgewas, niet zijnde fruit- en boomgaarden;
  3. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen en/of verleggen van ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  7. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

148.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 148.1 in acht is genomen;
  2. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  3. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  4. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 250 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

148.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  1. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.

148.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport     

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

148.5 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 149 Waarde - Archeologie 3     

149.1 Bouwen     

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  1. de archeologische verwachtingswaarden:
    1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  2. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering;
      • de oppervlakte van de bodemverstoring is niet groter dan 500 m²;
      • de bodem wordt tot maximaal 40 cm onder maaiveld geroerd.

149.2 Werken en werkzaamheden     

149.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het planten of verwijderen van houtgewas, niet zijnde fruit- en boomgaarden;
  3. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen en/of verleggen van ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het graven van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  7. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

149.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 149.1 in acht is genomen;
  2. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  3. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij;
  4. werken of werkzaamheden die betrekking hebben op locaties die niet groter zijn dan 500 m² of werken en werkzaamheden waarbij de bodem tot maximaal 40 cm onder maaiveld wordt geroerd.

149.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  1. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.

149.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport     

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

149.5 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 150 Waarde - Archeologie waterbodems     

150.1 Bouwen     

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van:

  1. de archeologische verwachtingswaarden:
    1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van ten hoogste 2 m;
  2. ten behoeve van de samenvallende functie, indien:
    1. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van een archeologisch deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden niet nodig is, of;
    2. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    3. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen;
    4. het bepaalde in dit lid onder 2 en 3 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
      • vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de locatie en maat van de bestaande fundering.

150.2 Werken en werkzaamheden     

150.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ontginnen, bodem verlagen, bodem ophogen, afgraven, egaliseren of baggeren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen, verleggen of verwijderen van ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  4. het uitvoeren van overige grondbewerkingen.

150.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 150.1 in acht is genomen;
  2. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het omgevingsplan;
  3. werken of werkzaamheden in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe erkende partij.

150.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  1. aan de hand van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn;

voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:

  1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen.

150.4 Kwaliteitseisen archeologisch rapport     

Het rapport, het onderzoeksproces dat tot het rapport heeft geleid als ook de archeologische waardestelling dienen te voldoen aan de binnen de beroepsgroep algemeen gangbare kwaliteitsafspraken en -criteria, zoals verwoord in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland.

Burgemeester en wethouders winnen ter beoordeling van het rapport schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige.

150.5 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de archeologische waarden te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 151 Delegatiebevoegdheid om archeologische verwachtingswaarden aan te passen     

De gemeenteraad delegeert aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid een herziening van dit omgevingsplan vast te stellen met het doel:

  1. de begrenzing van Waarde - Archeologie 1, Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3 en/of Waarde - Archeologie waterbodems aan te passen en/of te laten vervallen naar aanleiding van de resultaten van archeologisch onderzoek.

 

Hoofdstuk 13 Op deze locatie is sprake van cultuurhistorische waarden, hiervoor gelden regels     

Artikel 152 Vrijwaringszone - Molenbiotoop 1     

152.1 Bouwen     

Op deze gronden gelden bij de bouw van enig bouwwerk de volgende hoogteregels:

  1. binnen 100 m vanaf de molen mag geen bebouwing, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht;
  2. tussen de 100 en de 400 m vanaf de molen geldt ten aanzien van de maximale bouwhoogte de volgende regel:
    1. maximale bouwhoogte = (0,013 x afstand tot molen) + (0,2 x askophoogte van molen);
    2. waarbij alle maten in meters worden uitgedrukt;
    3. de hoogte van het geplande bouwwerk en de askophoogte beide dienen te worden bepaald ten opzichte van hetzelfde peil.

152.2 Werken en werkzaamheden     

152.2.1 Verbod     

Het is verboden om binnen 100 m vanaf de molen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting;
  2. ophogen van gronden.

152.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

152.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregels     

Omgevingsvergunning om van de hoogteregels in 152.1 en/of het gestelde verbod in 152.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  1. geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de molen als werktuig en als beeldbepalend element.

Bij de voorbereiding van de afwijking wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent het bepaalde onder a.

Artikel 153 Vrijwaringszone - Molenbiotoop 2     

153.1 Bouwen     

Op deze gronden gelden bij de bouw van enig bouwwerk de volgende hoogteregels:

  1. binnen 300 m vanaf de molen mag geen bebouwing, hoger dan de stelling van de molen worden opgericht;
  2. tussen de 300 en de 500 m vanaf de molen geldt ten aanzien van de maximale bouwhoogte de volgende regel:
    1. maximale bouwhoogte = 8 + (afstand tot molen - 300)/100;
    2. waarbij alle maten in meters worden uitgedrukt;
    3. de hoogte van het geplande bouwwerk en de stelling beide dienen te worden bepaald ten opzichte van hetzelfde peil.

153.2 Werken en werkzaamheden     

153.2.1 Verbod     

Het is verboden om binnen 100 m vanaf de molen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting;
  2. ophogen van gronden.

153.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

153.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregels     

Omgevingsvergunning om van de hoogteregels in 153.1 en/of het gestelde verbod in 153.2.1 af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  1. geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de molen als werktuig en als beeldbepalend element.

Bij de voorbereiding van de afwijking wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in van een molendeskundige omtrent het bepaalde onder a.

Artikel 154 Waarde - Vliedberg     

154.1 Werken en werkzaamheden     

Het is verboden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie/natuurrecreatie;
  4. het omzetten van grasland naar bouwland dan wel het scheuren van grasland ten behoeve van graslandverbetering;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het graven of dempen van sloten, watergangen of waterpartijen;
  7. het aanleggen, verleggen of verwijderen van boven- en ondergrondse kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  8. het beplanten van gronden met houtopstanden.

154.2 Uitzondering van het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

154.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de vliedberg.

154.4 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de cultuurhistorische waarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de cultuurhistorische waarden en/of landschappelijke kwaliteiten.

Artikel 155 Rijksmonumenten     

155.1 Rijksmonumenten     

Bij de toepassing van het bepaalde in '2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels)' geldt dat de bebouwing moet voldoen aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

155.2 Werken en werkzaamheden     

155.2.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het uitvoeren van grondbewerkingen;
  2. het ophogen van gronden.

155.2.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. van geringe omvang zijn dan wel het normale beheer en onderhoud betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

155.3 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in 155.2 af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan door het bevoegd gezag worden verleend, indien:

  1. de aanwezige cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden niet significant worden aangetast;
  2. de oppervlakte van gronden die als waardevol zijn aangemerkt niet significant vermindert;
  3. er geen significante aantasting van de samenhang tussen gronden en elementen plaatsvindt.

 

Artikel 156 Gemeentelijk monument     

156.1 Bescherming gemeentelijk monument     

156.1.1 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument     

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

156.1.2 Bouwregels     

Bij de toepassing van het bepaalde in '2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels)' geldt dat de bebouwing moet voldoen aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

156.2 Verbod     

Het is verboden een gemeentelijk monument:

  1. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of;
  2. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

156.2.1 Uitzondering op het verbod     

Het verbod is niet van toepassing op:

  1. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of;
  2. inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is.

156.2.2 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

De omgevingsvergunning om van het gestelde verbod in lid 156.2 af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien:

  1. het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet;
  2. een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

156.2.3 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in lid 156.2, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het lid 156.2.1.

156.2.4 Intrekken van de omgevingsvergunning     

De omgevingsvergunning voor het afwijken zoals bedoeld in lid 156.2.2 kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken:

  1. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
  2. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten.

 

Artikel 157 Beeldbepalend pand     

157.1 Bescherming van beeldbepalende panden     

Bij de toepassing van het bepaalde in '2 Wat mag ik op deze locatie bouwen (bouwregels)' geldt dat de bebouwing moet voldoen aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in '6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'.

Hoofdstuk 14 Op deze locatie is sprake van natuur- en landschapswaarden, hiervoor gelden regels     

Artikel 158 Waarde - Landschappelijke openheid in agrarisch gebied     

158.1 Werken en werkzaamheden     

158.1.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het ophogen of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  2. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie/natuurrecreatie;
  4. het omzetten van grasland naar bouwland dan wel het scheuren van grasland ten behoeve van graslandverbetering;
  5. het beplanten van gronden met houtopstanden;
  6. het kappen of vellen van houtopstanden, met dien verstande dat hiervan zijn uitgezonderd:
    1. beschermwaardige bomen: hiervoor geldt het bepaalde in artikel 144;
    2. houtopstanden op erven en in tuinen;
    3. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
    4. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld.

158.1.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. plaatsvinden binnen een suggestievlak dan wel bouwblok of op gronden in gebruik voor Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Begraafplaats, Detailhandel, Horeca, Manege, Sport of Wonen;
  2. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  3. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  5. het verbod is ook niet van toepassing op het kappen of vellen van wilg en populier:
    1. indien binnen een afstand van 5 m van de gekapte of gevelde boom binnen 3 jaar herplant plaatsvindt;
    2. waarbij de gekapte of gevelde boom wordt vervangen door de aanplant van een inheemse, streekeigen zogenaamde ' eerste orde grootte bomen' zoals opgenomen in Bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen.

158.2 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de landschappelijke openheid.

158.3 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de landschappelijke openheid.

Artikel 159 Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied     

159.1 Werken en werkzaamheden     

159.1.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het vernietigen van voor het gebied kenmerkende bodemvegetatie door het afbranden van beplanting of restanten hiervan;
  2. het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  3. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie/natuurrecreatie;
  5. het omzetten van grasland naar bouwland dan wel het scheuren van grasland ten behoeve van graslandverbetering;
  6. het aanleggen van drainage;
  7. het graven of dempen van sloten, watergangen, waterpartijen of vaarten;
  8. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen;
  9. het aanbrengen, verleggen of verwijderen van boven- en ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  10. het beplanten van gronden met houtopstanden;
  11. het kappen of vellen van houtopstanden, met dien verstande dat hiervan zijn uitgezonderd:
    1. beschermwaardige bomen: hiervoor geldt het bepaalde in artikel 144;
    2. houtopstanden op erven en in tuinen;
    3. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
    4. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld.

159.1.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. plaatsvinden binnen een suggestievlak dan wel bouwblok of op gronden in gebruik voor Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Begraafplaats, Detailhandel, Horeca, Manege, Sport of Wonen;
  2. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  3. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  5. het verbod is ook niet van toepassing op het kappen of vellen van wilg en populier:
    1. indien binnen een afstand van 5 m van de gekapte of gevelde boom binnen 3 jaar herplant plaatsvindt;
    2. waarbij de gekapte of gevelde boom wordt vervangen door de aanplant van een inheemse, streekeigen zogenaamde ' eerste orde grootte bomen' zoals opgenomen in Bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen.

159.2 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden en/of de landschappelijke waarden.

159.3 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden en/of landschappelijke kwaliteiten.

Artikel 160 Waarde - Natuur en landschapswaarden op dijken     

160.1 Werken en werkzaamheden     

160.1.1 Verbod     

Het is verboden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  1. het vernietigen van voor het gebied kenmerkende bodemvegetatie door het afbranden van beplanting of restanten hiervan;
  2. het ophogen, ontginnen, bodemverlagen, afgraven of egaliseren van gronden voor zover geen ontgrondingsvergunning is vereist;
  3. het verharden, aanbrengen, verleggen, verbreden of verwijderen van paden, wegen en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  4. het aanbrengen van voorzieningen voor extensieve dagrecreatie/natuurrecreatie;
  5. het graven of dempen van sloten, watergangen, waterpartijen of vaarten;
  6. het aanbrengen, verleggen of verwijderen van boven- en ondergrondse kabels of leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  7. het kappen of vellen van houtopstanden met dien verstande dat hiervan zijn uitgezonderd:
    1. beschermwaardige bomen: hiervoor geldt het bepaalde in artikel 144;
    2. houtopstanden op erven en in tuinen;
    3. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;
    4. houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld.

160.1.2 Uitzondering op het verbod     

Dit verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  1. plaatsvinden binnen een suggestievlak dan wel bouwblok of op gronden in gebruik voor Bedrijf tot en met categorie 2, Bedrijven uit categorie 3.1, Bedrijven uit categorie 3.2, Begraafplaats, Detailhandel, Horeca, Manege, Sport of Wonen;
  2. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend;
  3. tot het normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de functie behoren;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  5. het verbod is ook niet van toepassing op het kappen of vellen van wilg en populier:
    1. indien binnen een afstand van 5 m van de gekapte of gevelde boom binnen 3 jaar herplant plaatsvindt;
    2. waarbij de gekapte of gevelde boom wordt vervangen door de aanplant van een inheemse, streekeigen zogenaamde ' eerste orde grootte bomen' zoals opgenomen in Bijlage 1 Sortimentslijst beplantingen.

160.2 Afwijken en bijbehorende beoordelingsregel     

Een omgevingsvergunning om van het gestelde verbod af te wijken (omgevingsvergunning voor het afwijken) kan worden verleend, indien de werken en werkzaamheden geen onevenredige nadelige invloed hebben op de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of de landschappelijke waarden.

160.3 Maatwerkvoorschriften     

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften aan de omgevingsvergunning voor het afwijken verbinden om schade aan de natuurwaarden en/of de landschappelijke kwaliteiten te voorkomen. Maatwerkvoorschriften zijn gericht op het behoud van de natuurwaarden, cultuurhistorische waarden en/of landschappelijke kwaliteiten.

Hoofdstuk 15 Regels voor samenvallende medegebruiksfuncties     

 

Artikel 161 Samenloopregeling bij medegebruik van functies     

Deze gronden zijn aangewezen voor meerdere van de volgende medegebruiksfuncties: Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanning, Leiding - Hoogspanningsverbinding, Leiding - Leidingstrook, Leiding - Olie, Leiding - Propyleen, Leiding - Riool, Leiding - Water, Waterstaat - Waterkering, Beschermingszone waterkeringen, Waarde - Archeologie 1, Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3, Waarde - Archeologie waterbodems, Waarde - Vliedberg, Waarde - Landschappelijke openheid in agrarisch gebied, Waarde - Natuur en landschapswaarden in agrarisch gebied of Waarde - Natuur en landschapswaarden op dijken.

Hier geldt het volgende: er worden geen bouwwerken, werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden toegelaten indien deze op grond van één van de vormen van medegebruik niet toelaatbaar zijn.

Hoofdstuk 16 Verklarende regels     

 

Artikel 162 Begripsbepalingen     

162.1 Plan     

het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018 met identificatienummer NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0002 van de gemeente Borsele.

162.2 Verbeelding     

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0654.OPBGB2017-0002

162.3 Aanduiding     

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waar gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

162.4 Aanduidingsgrens     

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

162.5 Agrarisch aanverwant bedrijf     

een aan het agrarisch buitengebied gelieerd bedrijf, nader te onderscheiden in:

  1. agrarisch hulp- en nevenbedrijf:

een niet-industrieel bedrijf gericht op het opslaan en leveren van goederen aan agrarische bedrijven en/of het opslaan, bewerken en verwerken van producten, die afkomstig zijn van agrarische bedrijven, waaronder tevens wordt begrepen een zaadveredelingsbedrijf;

  1. agrarisch loonbedrijf:

een bedrijf dat overwegend is gericht op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven en groene en blauwe functies in het buitengebied, zo nodig met behulp van werktuigen en apparatuur, en op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van werktuigen of apparatuur; kenmerkende werkzaamheden zijn cultuurtechnische werken en grondverzet, mest(stoffen)bewerking en/of – distributie, onderhoud van (openbare) groenvoorzieningen, natuur- en bosbouw en ander daaraan gerelateerd (agrarisch) grondwerk.

162.6 Agrarisch bedrijf     

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen (of veredelen) van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

  1. grondgebonden agrarisch bedrijf: een bedrijf dat (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de tot het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel en waar (nagenoeg) geheel gebruikgemaakt wordt van open grond (de teelt onder afdekmateriaal daarbij inbegrepen), nader te onderscheiden in:
    1. grondgebonden teelt bedrijf:
      • akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;
      • bollenteelt: de teelt van bloembollen op open grond al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen;
      • sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten;
      • grondgebonden aquacultuur: de teelt van (zout)watergebonden organismen en zouttolerante gewassen, waarbij de grond als productiefactor wordt gebruikt;
      • fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
    2. grondgebonden dierhouderij:
      • grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee waarbij in de bedrijfsvoering weidegang essentieel is;
      • paardenhouderij: het houden, melken of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden en/of het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij;
  2. niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een bedrijf dat (nagenoeg) niet afhankelijk is van de tot het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel, nader te onderscheiden in:
    1. glastuinbouwbedrijf: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen en/of permanent aanwezige tunnels, met een hoogte van 1,5 m of meer;
    2. intensieve veehouderij; een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf of bedrijfsonderdeel dat zich toelegt op het houden of mesten van vee en/of slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen zonder of nagenoeg zonder weidegang (zoals een kalvermesterij, kippenfarm, varkensfokkerij en –mesterij), met uitzondering van een biologische veehouderij waarbij dieren een buitenuitloop hebben;
    3. intensief tuinbouwbedrijf in gebouwen: de teelt van gewassen, paddenstoelen daaronder begrepen, in gebouwen, niet vervaardigd van glas of ander lichtdoorlatend materiaal;
    4. niet-grondgebonden aquacultuur: een niet aan de grond gebonden bedrijf of bedrijfsonderdeel dat zich toelegt op teelt van (zout)watergebonden organismen en zouttolerante gewassen, waaronder begrepen vis, zagers, schaal- en schelpdieren en andere aquatische producten.

162.7 Agrarisch deskundige     

de Agrarische Adviescommissie Zeeland dan wel een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige, of commissie van deskundigen, op het gebied van land- en tuinbouw.

162.8 Agrarisch grondgebruik     

het gebruik van onbebouwde gronden voor:

  1. de teelt van akker- en vollegrondstuinbouwgewassen, boomkwekerij-, siergewassen-, en bollenteelt;
  2. de teelt van (zout)watergebonden organismen en zouttolerante gewassen;
  3. de fruitteelt;
  4. graslanden voor de grondgebonden dierhouderij;
  5. beweiding door manegepaarden;
  6. hobbymatig agrarisch grondgebruik, dierenweide.

162.9 Antennedrager     

een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

162.10 Antenne-installatie     

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

162.11 Archeologisch deskundige     

de gemeentelijke archeoloog dan wel een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van archeologie.

162.12 Archeologisch onderzoek     

onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling erkend door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

162.13 Archeologische verwachting     

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten.

162.14 Archeologische waarde     

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en relicten.

162.15 Architectonische waarde     

de in het kader van dit plan aan een gebouw toegekende waarde gekenmerkt door de opbouw en/of indeling van de gevels, de dakopbouw en het materiaal en/of kleurgebruik eventueel in samenhang met de omgeving.

162.16 Bebouwing     

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

162.17 Bedrijf     

een onderneming met winstoogmerk gericht op het uitvoeren van werkzaamheden en/of het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

162.18 Bedrijfsgebouw     

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

162.19 Bedrijfs- en/of beroepsmatig gebruik van een woning     

het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken voor bedrijfs- en/of beroepsmatige activiteiten of een praktijkruimte, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt.

162.20 Bedrijfsvloeroppervlak     

de gezamenlijke vloeroppervlakte van verkoopruimten, magazijnen, bergingen, kantoren en verblijfsruimten en de overige voor de bedrijfsvoering benodigde vloeroppervlakte.

162.21 Bedrijfs- of dienstwoning     

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de toegestane functie van het gebouw of het terrein.

162.22 Bestaande bedrijfsvloeroppervlakte intensieve veehouderij     

de gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, – mestdoorlatende vloeren daaronder begrepen – die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimte, inclusief scheidingswanden en gangpaden, zoals die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen.

162.23 Beperkt kwetsbaar object     

een beperkt kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, of diens rechtsopvolger.

162.24 Beschermd monument     

beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

162.25 Beschermwaardige bomen     

bomen opgenomen op de lijst van waardevolle bomen zoals deze is weergegeven op de website beschermwaardige bomen van de gemeente Borsele.

162.26 Bestaande aantal dierplaatsen     

het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan, met dien verstande dat indien met verifieerbare informatie (zoals bedrijfsregister, identificatie en registratiesysteem) aangetoond kan worden dat op het moment van vaststelling van het plan  het feitelijk, legaal aanwezige aantal dieren meer bedraagt dan het legaal aanwezige aantal dierplaatsen, de legaal aanwezige aantallen dieren bepalend zijn voor de bestaande ammoniakemissie.

162.27 Bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen     

de afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktemaat, die bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden.

162.28 Bestaande ammoniakemissie     

bestaande aantal dierplaatsen voor de bestaande diersoorten, vermenigvuldigd met de ammoniakemissiefactoren van het bestaande stalsysteem.

162.29 Bestaande diersoorten     

de diersoorten waarvoor de legaal gerealiseerde dierplaatsen zoals aanwezig ten tijde van de vaststelling van het plan zijn gebouwd.

162.30 Bestaande gebouwen in relatie tot mogelijkheden voor functieveranderingen en nevenfuncties     

gebouwen die op het tijdstip van:

  1. feitelijke ingebruikneming bij rechtstreeks toelaatbaaer gebruik;
  2. moment van melding van een met melding toelaatbaar gebruik;
  3. moment van aanvraag van een met afwijking toelaatbaar gebruik;

tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

162.31 Bestaand stalsysteem     

het legaal gerealiseerde stalsysteem ten tijde van de vaststelling van het plan; bedoeld zijn de stalsystemen overeenkomstig de unieke stalbeschrijvingen van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav).

162.32 Best Beschikbare Technieken     

voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu de meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die – kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.

162.33 Bevi-inrichting     

een bedrijf zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

162.34 Bevoegd gezag     

het bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

162.35 Bijbehorend bouwwerk     

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak, nader te onderscheiden in:

  1. aan- of uitgebouwd bijbehorend bouwwerk: een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw;
  2. vrijstaand bijbehorend bouwwerk: een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

162.36 Bouwblok     

een, ter plaatse van en aansluitend aan een indicatieve aanduiding, gesitueerd denkbeeldig vlak met flexibele grenzen zoals in het plan beschreven waar de bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf, manege of een agrarisch aanverwant bedrijf is toegestaan; voor de toepassing wordt ook gewezen op de regels voor het suggestievlak voor bouwen.

162.37 Bouwen     

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

162.38 Bouwlaag     

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor de toegelaten functies geschikt of geschikt te maken is.

162.39 Bouwperceel     

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

162.40 Bouwperceelgrens     

een grens van een bouwperceel.

162.41 Bouwwerk     

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van de functie hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond bedoeld om ter plaatse te functioneren.

162.42 Café     

een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, uitsluitend of overwegend gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren.

162.43 Consumentenvuurwerk     

vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.

162.44 Cultuurhistorisch deskundige     

een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen op het gebied van cultuurhistorie.

162.45 Cultuurhistorische waarde     

de in het kader van dit plan aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en gaafheid.

162.46 Dagrecreatie     

activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting uitdrukkelijk is uitgesloten.

162.47 Dagrecreatieve voorziening     

speciaal aangelegde accommodatie al dan niet overdekt ten behoeve van dagrecreatie.

162.48 Deskundige op het gebied van beeldkwaliteit     

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake beeldkwaliteit (welstand).

162.49 Detailhandel     

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

162.50 Dienstverlening     

het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek op het bezoekadres rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen zoals een reis- of uitzendbureau, kapsalon, pedicure, schoonheidssalon, medische of therapeutische praktijk, juridisch adviesbureau of bankfiliaal.

162.51 Discotheek/bar/dancing     

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van drank voor gebruik ter plaatse, waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dans een wezenlijk onderdeel vormen.

162.52 Dunne mest     

mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met mors-, spoel-, reinigings- of regenwater.

162.53 Eerste orde grootte bomen     

bomen die in volgroeide staat hoger zijn dan 15 m.

162.54 Erf     

al dan niet bebouwd bouwperceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat hoofdgebouw.

162.55 Evenement     

een gebeurtenis, gericht op een groot publiek, met betrekking tot kunst, sport, ontspanning en cultuur.

162.56 Extensief dagrecreatief medegebruik     

die vormen van dagrecreatie die zijn gericht op de beleving van en/of kennismaking met natuur, landschap en cultuur van het platteland dan wel de plattelandskernen, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, kanoën, zwemmen en natuurobservatie.

162.57 Feestzaal     

een ruimte gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het exploiteren van zaalaccommodaties.

162.58 Gebouw     

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

162.59 Geluidsgevoelige bestemmingen     

onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan:

  1. gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status;
  2. andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen en psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);
  3. geluidsgevoelig terrein (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).

162.60 Geluidsgevoelige objecten     

woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

162.61 Gemeentelijk monument     

een overeenkomstig dit plan als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:

  1. zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
  2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als hiervoor bedoeld.

162.62 Gemeentelijke monumentencommissie     

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke commissie van deskundigen inzake monumentenzorg.

162.63 Gemeentelijke monumentenlijst     

de lijst in de bijlage waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig dit plan als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in lid 162.61.

162.64 Geomorfologische waarde     

de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door een karakteristieke hogere dan wel lagere ligging, veroorzaakt door de ontstaansgeschiedenis van het grondgebied.

162.65 Grootschalige detailhandel     

detailhandel in een of meer van de volgende categorieën:

  1. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;
  2. detailhandel in volumineuze goederen, zoals auto's, boten, motoren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en materialen;
  3. tuincentra;
  4. grootschalige detailhandelsbedrijven in meubels, keukens en badkamers, al dan niet – in ondergeschikte mate – in combinatie met woninginrichting en stoffering;
  5. bouwmarkten;
  6. detailhandelsvoorzieningen met een brutovloeroppervlak van 1.500 m² of meer.

162.66 Hoofdgebouw     

een gebouw of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige toegestane functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.

162.67 Horecabedrijf     

een onderneming gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van een zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

162.68 Hotel     

een horecabedrijf, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met – al dan niet – als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse.

162.69 Houtopstand     

hakhout (een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen), een houtwal of een of meer bomen.

162.70 Hoveniersbedrijf     

een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.

162.71 Iepenspintkever     

het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus.

162.72 Iepziekte     

de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. M).

162.73 Kampeermiddel     

tent, tentwagen, kampeerauto, of caravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor ingevolge artikel 2.1, lid 1, sub a van de Wabo een omgevingsvergunning vereist is, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor nachtverblijf door een persoon, één huishouden of daarmee gelijkgestelde groep personen.

162.74 Kantoor     

het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek niet of slechts in beperkte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen zoals een administratiekantoor, ontwerp-technisch bureau, makelaarskantoor of assurantiekantoor.

162.75 Kas     

een bouwwerk van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen.

162.76 Kleinschalig kampeerterrein     

terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en zoals blijkt uit die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en, in beperkte mate voor permanent aanwezige kampeermiddelen, ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

162.77 Kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen     

voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van extensief dagrecreatief medegebruik.

162.78 Kleinschalige (bedrijfsmatige, horecamatige, agrarisch aanverwante, dagrecreatieve) functies     

nevenfunctie die bij een andere hoofdfunctie op een bouwperceel – al dan niet door een bewoner, samen met personeelsleden – op bedrijfsmatige wijze wordt uitgeoefend, waarbij de hoofdfunctie in overwegende mate aanwezig blijft en het bouwperceel een ruimtelijke uitstraling behoudt die daarbij past.

162.79 Kleinschalige plattelandshoreca     

een aan het plattelandstoerisme gerelateerde inrichting van geringe omvang bestemd voor het bedrijfsmatig, voor gebruik ter plaatse, verstrekken van alcoholische en/of niet-alcoholische dranken, eventueel in combinatie met het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren; verblijfsrecreatieve voorzieningen hieronder niet begrepen.

162.80 Kwetsbaar object     

een kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, of diens rechtsopvolger.

162.81 Landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige     

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake landschap en natuur.

162.82 Landschapswaarde     

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur.

162.83 Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau     

langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.

162.84 Levensloopbestendige (bedrijfs)woning     

een woning welke geschikt is voor bewoning in alle levensfasen, waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer met toilet) zich op de begane grond bevinden en waarbij deze leefruimten zowel inpandig als vanuit het aansluitende terrein drempelvrij toegankelijk zijn.

162.85 Logies met ontbijt     

een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, ondergeschikt aan de (woon)bestemming.

162.86 Maaiveld     

  1. het oppervlak (of de hoogte daarvan) van het land;
  2. de bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft.

162.87 Maatwerkvoorschriften     

met maatwerkvoorschriften worden de voorschriften bedoeld die aan een omgevingsvergunning kunnen worden gekoppeld op basis van artikel 2.22 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

162.88 Manege     

een bedrijf dat gericht is op het lesgeven in paardrijden of het zelf trainen met paarden en daarvoor paarden en/of pony's houdt, al dan niet in combinatie met een of meer van de volgende hiermee samenhangende activiteiten of voorzieningen:

  1. het stallen en/of in pension houden van paarden en/of pony's;
  2. kleinschalige horeca-activiteiten (kantine, foyer en dergelijke) en verenigingsaccommodatie;
  3. het houden van wedstrijden of andere evenementen.

162.89 Mestbassin     

een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal.

162.90 Milieudeskundige     

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake milieu.

162.91 Molendeskundige     

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake molens.

162.92 Natura 2000-gebieden     

Natura 2000-gebieden zoals begrensd op het moment van een aanvraag.

162.93 Natuurwaarde     

de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

162.94 NEN     

de door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.

162.95 Nevenactiviteit     

aanvullende, ondergeschikte activiteit ten opzichte van de hoofdactiviteit gelet op arbeidsbehoefte, financiële opbrengst, ruimtebeslag en/of milieuhinder.

162.96 Niet-permanente verblijfsrecreatie     

verblijfsrecreatie waarbij uitsluitend van seizoensgebonden standplaatsen voor kampeermiddelen gebruik wordt gemaakt.

162.97 Nutsvoorzieningen     

de voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

162.98 Omgevingsplan     

bestemmingsplan met verruimde reikwijdte op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, artikel 2.4 Crisis- en herstelwet en artikel 7c Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet; het bestemmingsplan met verruimde reikwijdte bestaat uit de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

162.99 Ondergeschikte detailhandel     

detailhandel die als nevenactiviteit een duidelijke relatie heeft met de toegestane hoofdactiviteit en in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de toegestane hoofdactiviteit.

162.100 Overkapping     

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak.

162.101 Paardenbak en vergelijkbare voorzieningen     

een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; onder vergelijkbare voorzieningen worden verstaan paddocks (relatief kleine omheinde uitloop, veelal voorzien van een zandbodem, in aansluiting op de stalling en ten behoeve van de vrije uitloop van paarden en pony's), stap- en trainingsmolens zonder overkappingen en longeercirkels.

162.102 Paardenpension     

het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden.

162.103 Peil     

  1. de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 m bedraagt;
  2. bij ligging in het water het gemiddelde zomerpeil van het aangrenzende water;
  3. op of in het water van de Westerschelde: 0 m Normaal Amsterdams Peil;
  4. in andere gevallen de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwterrein.

162.104 Permanent aanwezig kampeermiddel of stacaravan     

kampeermiddel of stacaravan, inclusief bij dat kampeermiddel of die stacaravan behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, die gedurende het gehele jaar op een standplaats aanwezig is of mag zijn.

162.105 Piekniveau     

maximaal geluidsniveau (LAmax) gemeten in de meterstand «F» of «fast», als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.

162.106 Platte afdekking     

een horizontaal vlak, ter afdekking van een gebouw, dat meer dan tweederde van de grondoppervlakte van het gebouw beslaat.

162.107 Plattelandstoerisme     

alle vormen van kleinschalige recreatie en toerisme (met de nadruk op dagtoerisme en klein verblijfstoerisme), die plaatsvinden op en gebonden zijn aan het platteland.

162.108 Plattelandswoning     

een agrarische bedrijfswoning welke gebruikt mag worden door derden die geen binding hebben met het op hetzelfde perceel aanwezige agrarische bedrijfscomplex.

162.109 Praktijkruimte     

een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.

162.110 Professioneel vuurwerk     

vuurwerk, niet zijnde consumentenvuurwerk.

162.111 Recreatief nachtverblijf     

een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch verblijf, ondergeschikt aan de (woon)bestemming, zoals een recreatie appartement of het bieden van logies met ontbijt.

162.112 Restaurant     

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van etenswaren voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken.

162.113 Slopen     

het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk.

162.114 Staat van Bedrijfsactiviteiten     

de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt.

162.115 Staat van Horeca-activiteiten     

de Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt.

162.116 Stacaravan     

een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is bestemd voor recreatief verblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.

162.117 Standplaats voor kampeermiddel of stacaravan     

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel of stacaravan, inclusief bij dat kampeermiddel of die stacaravan behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten.

162.118 Suggestievlak voor bebouwing     

een in het plan aangeduid vlak waar de bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf, manege of een agrarisch aanverwant bedrijf is toegestaan; voor de toepassing wordt ook gewezen op de regels voor een bouwblok.

162.119 Teeltondersteunende voorzieningen     

voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast ten behoeve van de bescherming van plantaardige agrarische teelten (tegen neerslag, zonlicht, vogelvraat) en/of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en/of de voorkoming van verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten, nader te onderscheiden in:

  1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen die niet langer dan 6 maanden gedurende een jaar worden geplaatst, te onderscheiden in:
    1. lage tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals afdekfolies, acryldoek, insectengaas, tunnels met een bouwhoogte van niet meer dan 1.50 m;
    2. hoge tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals plastic boogkassen (een constructie vervaardigd van lichtdoorlatend materiaal, geen glas zijnde), wandelkappen en regenkappen (een open constructie zonder wanden overtrokken met lichtdoorlatend materiaal anders dan glas) met een bouwhoogte van meer dan 1.50 m;
  2. permanente teeltondersteunende voorzieningen, te onderscheiden in:
    1. lage permanente voorzieningen: voorzieningen zoals containervelden en regenkappen met een bouwhoogte van minder dan 1.50 m;
    2. hoge permanente voorzieningen: voorzieningen zoals kassen, plastic boogkassen (een constructie vervaardigd van lichtdoorlatend materiaal, geen glas zijnde) tunnelkassen, rolkassen, gaaskassen, stellingen, paalconstructies met netten (een open constructie zonder wanden overtrokken met netten; hagelnetten) en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1.50 m.

162.120 Toeristische standplaats kampeermiddel     

een gedeelte van een terrein bestemd voor de plaatsing van een kampeermiddel, inclusief bij dat kampeermiddel behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, gedurende een beperkte tijd zoals enkele weken.

162.121 Tropische tuin     

een voor publiek toegankelijke dagrecreatieve voorziening met gebouwen en bijbehorende buitenruimte en siertuin, waar vlinderpopulaties en andere dieren waaronder reptielen, insecten en vissen worden getoond.

162.122 Tuincentrum     

een bedrijf, gericht op de teelt en de verhandeling van bomen, heesters, planten, bloemen en andere siergewassen en in samenhang daarmee op de verkoop van artikelen die met de tuinbewerking of de inrichting van tuinen verband houden, zoals tuingereedschap, tuinmeubilair en tuingrond.

162.123 Typologie     

de uiterlijke (ruimtelijke en architectonische) kenmerken van een bepaald type bouwwerk.

162.124 Vellen van houtopstand     

omhakken of -zagen van houtopstand; onder vellen wordt mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

162.125 Verblijfsmiddelen     

de voor verblijf geschikte - al dan niet aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken - voer- en vaartuigen, arken, caravans, tenten en andere soortgelijke constructies, voor zover geen bouwwerken en geen kampeermiddelen zijnde.

162.126 Verkoopvloeroppervlakte     

de vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten.

162.127 Vloeroppervlakte     

de oppervlakte gemeten op elk vloerniveau in een gebouw.

162.128 Volkstuin     

particuliere tuin of complex van particuliere tuinen die niet bij de eigen woning zijn gelegen en die gebruikt worden als moestuin of siertuin.

162.129 Voorgevelrooilijn     

denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw of de woning loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen; de voorgevellijn van het hoofdgebouw of de woning op het perceel die het dichtst bij de weg is gelegen is bepalend, tenzij anders aangegeven in het plan of door burgemeester en wethouders anders wordt bepaald.

162.130 Weidegang     

gedurende een substantieel gedeelte van het jaar, nagenoeg dagelijks buiten laten lopen van dieren, op een substantiële oppervlakte landbouwgrond, waarbij een deel van de voerbehoefte door de dieren buiten verzameld wordt en waarbij meer dan 50% van de betreffende landbouwgrond is begroeid.

162.131 Wgh-inrichting     

bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.

162.132 Woning     

een gebouw of gedeelte van een gebouw, bestaande uit een complex van ruimten, dat is bedoeld en dat dient voor de huisvesting van personen.

162.133 Zijerf     

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.

Artikel 163 Wijze van meten     

Bij het toepassen van deze regels wordt als volgt gemeten:

163.1 Afstanden     

van bouwwerken onderling, alsmede afstanden van bouwwerken tot de bouwperceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.

163.2 De afstand van een gebouw tot de zijdelingse bouwperceelsgrens     

vanaf het dichtst bij de bouwperceelsgrens gelegen punt van het gebouw en haaks op de bouwperceelsgrens.

163.3 De bouwhoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

163.4 De breedte en diepte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat.

163.5 De dakhelling     

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

163.6 De goothoogte van een bouwwerk     

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

163.7 De inhoud van een bouwwerk     

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

163.8 De oppervlakte van een bouwwerk     

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

163.9 Het bebouwde oppervlak     

van een bouwperceel, of een ander terrein wordt bepaald door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in de regels anders is bepaald.

163.10 De hoogte van een windturbine     

vanaf het peil tot aan de as van de windturbine.

163.11 Bruto vloeroppervlak     

de bruto vloeroppervlakte volgens NEN 2580.

Hoofdstuk 17 Welke regels gelden er nog meer op deze locatie     

Artikel 164 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 165 Overgangsrecht     

165.1 Overgangsrecht bouwwerken     

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  1. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  2. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  3. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

165.2 Overgangsrecht bouwen en bestaande maten     

Op bouwwerken waarvoor in deze regels is bepaald dat de bestaande afstand, inhoud, (bebouwings)oppervlakte, dakhelling, goot- of bouwhoogte in afwijking van de algemeen geldende regels, als maximaal of minimaal toelaatbare maat mag gelden, is het Overgangsrecht bouwwerken zoals opgenomen in lid 165.1 niet van toepassing.

165.3 Overgangsrecht gebruik     

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 166 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het Omgevingsplan Buitengebied Borsele 2018'.