| Plan: | Buitengebied Sint Agatha, Van den Boschweg 7 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1982.WPBuVdBoschweg7-VA01 |
Aan de Van den Boschweg 7 in Sint Agatha staat een karakteristieke langevelboerderij. De boerderij staat al lange tijd leeg en heeft in de herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' uit 2019 een woonbestemming gekregen. Voordat de woning in gebruik wordt genomen, wordt een groot deel van de voormalige agrarische opstallen gesloopt en wordt de locatie landschappelijk ingepast. Voorliggend plan voorziet in een woningsplitsing van de boerderij op het moment dat de genoemde ontwikkelingen uitgevoerd zijn. In de boerderij wordt één wooneenheid toegevoegd.
De woningsplitsing is niet passend binnen het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan het wijzigingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de Van den Boschweg 7, net even buiten de kom van Sint Agatha. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging plangebied in omgeving (bron: www.openstreetmap.org)
Het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010, herziening 2016' vastgesteld op 24 juni 2019 door de voormalige gemeente Cuijk. Dat bestemmingsplan betreft een herziening van het moederplan 'Buitengebied 2010', vastgesteld op 19 september 2011. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de vigerende planologische situatie van het plangebied. Het plangebied is hierop aangeduid met de rode omkadering.
Uitsnede van het vigerende planologische regime ter plaatse van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied heeft de bestemming 'Wonen'. Ter plaatse van de langgevelboerderij en achter de boerderij zijn bouwaanduidingen 'karakteristiek' opgenomen. Gebouwen met deze aanduiding 'karakteristiek' dienen behouden te blijven. Ook geldt er de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaarde landschappelijke inpassing van den Boschweg 7-9'. Deze functieaanduiding komt voort uit de bestemmingswijziging naar wonen uit 2019 en voorziet erin dat de boerderij pas als reguliere burgerwoning in gebruik mag worden genomen als alle voormalige agrarische bouwwerken zijn gesloopt en natuur- landschapselementen zijn aangelegd en in stand worden gehouden conform de bijlage bij het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010, herziening 2016'.
In navolging van deze enkelbestemming en functieaanduidingen gelden ter plaatse van het plangebied de volgende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen:
In artikel 23.6.1 van het geldende bestemmingsplan staat een wijzigingsbevoegdheid, waarmee het bevoegd gezag de bestemming 'Wonen' kan wijzigen en toe kan staan dat een woning wordt gesplitst.
Hieronder is beschreven hoe aan de wijzigingsvoorwaarden wordt voldaan.
Wijzigingsbevoegdheid 'Woningsplitsing'
Burgemeester en wethouders zijn middels de wijzigingsbevoegdheid 'Woningsplitsing' uit artikel 23.6.1 bevoegd de bestemming te wijzigen en toe te staan dat een woning wordt gesplitst, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
Toetsing aan de voorwaarden
Paraplubestemmingsplan Parkeren
Ter plaatse van het plangebied geldt het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren', vastgesteld op 3 februari 2020. Met het bestemmingsplan worden de parkeernormen uit de 'Nota Parkeernormen Auto en fiets Gemeente Cuijk 2016 - 2023' van toepassing verklaard op het plangebied. Op de parkeersituatie wordt nader ingegaan in paragraaf 4.4.
Kamerbewoning in woningen
Ter plaatse van het plangebied geldt het parapluplan 'Kamerbewoning in woningen', vastgesteld op 4 oktober 2021. Met dit plan worden de voorschriften ten aanzien van 'kamerbewoning in woningen' planologisch vastgelegd. In de regels van voorliggend plan is met dit parapluplan rekening gehouden.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Voor de juridische planbeschrijving en de uitkomsten van de maatschappelijke uitvoerbaarheid, wordt verwezen naar de algemene hoofdstukken van het wijzigingsplan waar dit initiatief onderdeel van uit maakt.
Het plangebied is gelegen aan de Van den Boschweg 7 in het buitengebied van het Land van Cuijk. De locatie bevindt zich iets ten oosten van de kern Sint Agatha, iets ten zuiden van de Maas. De locatie bevindt zich buitendijks en ligt enigszins verhoogd. Kenmerkend voor de omgeving van het plangebied is het Maasheggenlandschap. De omgeving bestaat uit weilanden met verspreid enkele agrarische bedrijven en reguliere burgerwoningen.
Het plangebied heeft lange tijd onderdeel uitgemaakt van een agrarisch bebouwingscluster. Een groot deel van de overtollige bedrijfsgebouwen wordt gesloopt in het kader van de toegekende woonbestemming (zie paragraaf 1.3.1). Na uitvoering van de sloop en landschappelijke inpassing kan de boerderij als woning in gebruik worden genomen.
Het plangebied wordt ontsloten door de Van den Boschweg. Dit betreft een rustige weg die voornamelijk door bestemmingsverkeer gebruikt wordt. Ter hoogte van het plangebied kent de Van den Boschweg verschillende aftakkingen. De zuidelijke aftakking, ter plaatse van de kruising met de Rijtjes, betreft de ontsluitingsweg van het plangebied. Parkeren vindt in de huidige situatie plaats op eigen terrein. Navolgende afbeelding toont een luchtfoto van de huidige situatie.
Luchtfoto van het plangebied (bron: GoogleMaps)
Langgevelboerderij uit 1910
De boerderij betreft een typische Brabantse langgevelboerderij waarvan er ogenschijnlijk nog best veel van aanwezig zijn. De langgevelboerderij dateert uit 1910 en beschikt over enkele bijzondere architectonische elementen, waaronder de bakstenen, getande gootlijsten, betonnen stalramen, een zadeldak met muldenpannen en een dwarsdeel. Aan de achterzijde van de boerderij zijn de fundamenten van een voormalig bakhuisje nog aanwezig. Door de cultuurhistorische en architectonische waarden heeft de gemeente het pand bestemd als 'karakteristiek' (zie paragraaf 1.3.1), wat betekent dat het behoud wordt nagestreefd van uiterlijke kenmerken van het gebouw. Op navolgende afbeeldingen is de langgevelboerderij zichtbaar.
Huidig aanzien van de langgevelboerderij (bron foto: Bouwhistorische verkenning, februari 2019)
Een historische foto van de langgevelboerderij (bron foto: Bouwhistorische verkenning, februari 2019)
Landschappelijke inrichting
Bij de vaststelling van de herziening uit 2019 is de gemeente met de initiatiefnemer overeengekomen dat ook de buitenruimte rondom de boerderij landschappelijk wordt ingepast met erfbeplanting die passend is bij het maasheggenlandschap. Deze is door omstandigheden niet tot uitvoering gekomen. Momenteel is een nieuw beplantingsplan opgesteld voor de locatie, welke wordt behandeld in paragraaf 2.2.
Het plan voorziet in een woningsplitsing van de langgevelboerderij uit onderhavig plangebied. Als een gevolg van de splitsing neemt het aantal wooneenheden in de boerderij met één toe. De ruime inhoud van de boerderij (circa 2.360 m3) biedt hier gelegenheid voor. De scheidingslijn tussen de twee woningen loopt centraal door de boerderij. De toekomstige wooneenheden kennen daardoor een vergelijkbare inhoud. De woningen krijgen een woonoppervlak van circa 200 m² per woning, exclusief de oppervlakte in bijgebouwen van maximaal 100 m2 per woning. Een deel (maximaal 200 m2) van de bestaande bedrijfsgebouwen wordt behouden als bijgebouwen bij de woningen.
Ten behoeve van de cultuurhistorisch- en architectonische waarden heeft er een bouwhistorische verkenning van de boerderij plaatsgevonden, zie bijlage 1. In navolging van het onderzoek is op locatie door de Erfgoededeskundige van de gemeente gekeken of de cultuurhistorische waarden behouden kunnen blijven in een bewoonbare woning. Conclusie is dat de staat van het pand te slecht is om het in originele staat terug te brengen. Alleen de voorgevel van de boerderij kan behouden blijven en de rest mag gerenoveerd worden.
De woningsplitsing zal aan de buitenzijde van de boerderij niet zichtbaar worden. Er blijft sprake van een uitstraling van één boerderij. Een uitwerking van de renovatiewerkzaamheden zal onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.
Aanzicht op de toekomstige voorgevel (ontwerp: Lamers en Visser - Bouwmanagement en bouwtechniek)
Beplantingsplan
De woningsplitsing gaat gepaard met het uitvoeren van een beplantingsplan. Hiervoor wordt in de regels bij voorliggend plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het beplantingsplan behelst het toevoegen van (kwaliteits)groen, in de vorm van enkele nieuw te planten bomen, hagen en struikvormers. Ook is een bloemrijk grasland opgenomen in het plan. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie. Het beplantingsplan is met legenda opgenomen in bijlage 1 bij de regels. Dit beplantingsplan vervangt het landschappelijk inpassingsplan dat onderdeel is van het vigerend bestemmingsplan.
Toekomstige situatie inclusief erfbeplanting (ontwerp: Buro SRO)
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.
De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden.
Gebiedsgericht
De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.
In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt binnen een rivierbed en een stroomvoerend deel rivierbed zoals opgenomen binnen het Barro (zie navolgende afbeelding).
Uitsnede kaart 'Grote rivieren' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Gebied 1: Besluitsubvlak rivierbed
In de toelichting (2.4.3) staat het volgende beschreven over de regeling behorende bij het besluitsubvlak rivierbed: 'Dit artikel verwoordt de algemene rivierkundige voorwaarden waaraan toe te laten (bouw)activiteiten in het rivierbed, ongeacht de aard en de omvang daarvan, altijd moeten voldoen. Deze voorwaarden zijn een vertaling van de zorgplicht van de initiatiefnemer van een activiteit in het rivierbed, die is verwoord in artikel 6.15, eerste lid, van het Waterbesluit. Om de belangen waarop deze bepaling ziet, ook via het ruimtelijke spoor te borgen, dienen deze voorwaarden door te werken in het bestemmingsplan. Dit laat overigens onverlet dat het eveneens gewenst is dat rekening wordt gehouden met de in het gebied aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden'.
In artikel 2.4.3 van de regels is het volgende opgenomen:
Gebied 2: Besluitsubvlak rivierbed en Stroomvoerend deel rivierbed
Naast de regeling zoals die is verwoord bij gebied 1 geldt hier ook de regeling voor het 'Stroomvoerend deel rivierbed'. In de toelichting wordt aangegeven wat hieronder wordt verstaan: Het gaat om een aantal nader omschreven activiteiten waarvan op voorhand duidelijk is dat deze niet buiten het rivierbed gelokaliseerd kunnen worden. Daarom wordt hiervoor in het kader van de Waterwet een vergunning verleend, mits wordt voldaan aan enkele specifieke voorwaarden. Als in dat verband mitigerende of compenserende maatregelen moeten worden genomen, worden deze als onderdeel van de riviergebonden activiteit beschouwd.
Volgens de regeling in artikel 2.4.4 gaat het om de volgende activiteiten:
Het plangebied ligt aan het dijkprofiel van de Van den Boschweg. Om het dijkprofiel te beschermen, zijn in voorliggend wijzigingsplan de daarvoor geldende dubbelbestemmingen opgenomen. De ontwikkeling betreft een functieverandering binnen bestaande bebouwing. Het bestaande schuurtje, zoals ook waarneembaar op de luchtfoto uit paragraaf 2.1, wordt gesloopt. Bovendien vindt er als gevolg van de sloop van bebouwing een flinke afname van bebouwd oppervlak plaats (ca. 1.400 m²). Het bergend vermogen van het gebied neemt niet af. Het plan voorziet niet in andere nieuwe gebouwen of werkzaamheden waardoor het plan geen negatief effect zou kunnen hebben op het bergend vermogen en het stroomvoerend deel van het rivierbed. Wel is een watervergunning nodig, welke al is aangevraagd en verleend, zie bijlage 7.
Defensie
In het Barro zijn regels opgenomen om een veilig en doelmatige gebruik van defensieterreinen te waarborgen. Het gaat bijvoorbeeld om veiligheidszones rond munitiedepots, obstakelvrije aanvliegroutes en radarverstoringsgebieden.
De gehele gemeente Land van Cuijk heeft te maken met het radarverstoringsgebied van militair vliegveld Volkel. Voor het veilig afwikkelen van vliegverkeer gelden in een bepaald gebied rond een luchtvaartterrein maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten, zoals woon- en kantoorgebouwen, antennemasten, windmolens en bomen. Hiermee wordt voorkomen dat radarsignalen worden verstoord en vliegtuigen met objecten in botsing kunnen komen. De maximaal toelaatbare hoogtes en de ligging en omvang van het gebied worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbanen en berusten op internationale vastgelegde afspraken. In de regels en op de verbeelding wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' overgenomen voor het radarverstoringsgebied. Bouwwerken hoger dan 65 meter + NAP vormen een belemmering voor het radarverstoringsgebied op grond van het vigerende bestemmingsplan. In onderhavige situatie is van een dergelijke hoogte geen sprake.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Voor wat betreft onderhavig initiatief kan gesteld worden dat het geen stedelijke ontwikkeling betreft en dat daarmee de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde is.
Conclusie
Onderhavig plan vormt geen belemmering voor de uitvoering van het Barro en de NOVI. Het plan past binnen het rijksbeleid.
Omgevingsvisie Noord-Brabant
Met de Brabantse omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe zij hieraan wil werken.
De provincie gelooft dat men met elkaar moet zorgen voor een gezonde, veilige en mooie leefomgeving en dat zij dat kunnen bereiken met een nieuwe manier van (samen)werken. Dat door het juiste samenspel – waarbij zij streven naar synergie en meerwaarde - de kwaliteit van leven hier en nu goed samengaat met de kwaliteit van leven elders en later.
Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden, te versterken en door te geven aan volgende generaties. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien en stelt mobiliserende tussendoelen voor 2030. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie.
De provincie heeft vier hoofdopgaven opgesteld. Aan de basis van deze hoofdopgaven liggen veiligheid, gezondheid en een goede omgevingskwaliteit.
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening, versie april 2022, is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. Dit is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen (milieu, wegen, ontgronden, natuurbescherming, ruimte en water).
De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid.
Planspecifiek
Navolgend worden relevante thema's/kaarten uit de verordening toegelicht:
Landelijk gebied
Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de kaart 'Landelijk gebied' uit de verordening. Hierop is te zien dat het plangebied gelegen is binnen een zone aangeduid als 'Landelijk gebied' en 'Gemengd landelijk gebied'.
Uitsnede kaart 'Landelijk gebied' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap
Op grond van artikel 3.9 dient bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk gebied gepaard te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Ten behoeve van de woningsplitsing is een nieuw beplantingsplan opgesteld (zie bijlage 2). Het erfbeplantingsplan voorziet in het toevoegen van (kwaliteits)groen in het plangebied. Hiermee wordt de kwaliteit van het landschap versterkt. Met voorliggende ontwikkeling worden renovatiewerkzaamheden gedaan ten behoeve van het in gebruik nemen van de boerderij als woning voor 2 huishoudens. Hiermee wordt geborgd dat de boerderij met cultuurhistorisch waardevolle voorgevel ook in de toekomst voor het gebied behouden blijft.
Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen
In de Interim omgevingsverordening is in artikel 3.69 'Afwijkende regels (burger)woningen' onder b. aangegeven dat een bestemmingsplan dat is gelegen in het 'landelijk gebied', waarvan sprake is bij voorliggend initiatief, kan voorzien in de vestiging of splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Voorwaarden hierbij zijn dat:
De boerderij bestaat sinds 1910 en is door de gemeente aangewezen als 'karakteristiek', wat gelijk wordt gesteld aan een beeldbepalende boerderij. Onderdeel van voorliggend plan is de renovatie van het gebouw, met behoud van de cultuurhistorisch waardevolle voorgevel. De beeldbepalende boerderij wordt hiermee behouden. De fysieke tegenprestatie wordt bereikt door het een maatwerk titel bij de ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte aan te schaffen, waarmee de omgevingskwaliteit al is versterkt op een andere locatie. In bijlage x is de bewijsvoering voor de maatwerk titel ruimte voor ruimte opgenomen. De beeldbepalende boerderij wordt gerenoveerd met behoud van de voorgevel en behoud daarmee zijn beeldbepalend karakter. Door de splitsing van het gebouw wordt de mogelijkheid tot extra eigenaarschap van het gebouw toegevoegd. Dit leidt ertoe dat meer partijen inzicht en inspraak krijgen bij eventuele ingrepen aan de uitstraling of het karakter van het gebouw. Tevens kunnen de kosten wat betreft onderhoud hierdoor gedeeld worden. De splitsing leidt zo tot het behoud van de bebouwing.
Stedelijke ontwikkeling en erfgoed
Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de kaart 'Stedelijke ontwikkeling en erfgoed' uit de verordening. Hierop is te zien dat het plangebied gelegen is binnen een zone aangeduid als 'Aardkundig waardevol gebied' en een zone 'Cultuurhistorisch waardevol gebied'.
Uitsnede kaart 'Stedelijke ontwikkelingen en erfgoed' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Artikel 3.28 Aardkundige waarden
Op grond van artikel 3.28 uit de verordening geldt voor een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied dat deze:
Het aardkundig waardevol gebied waar het plangebied deel van uitmaakt betreft het gebied 'Maasterrassen, Land van Cuijk'. Dit betreft een uitgestrekt gebied met een grote verscheidenheid aan landvormen van verschillende ouderdom en grootte, voornamelijk gevormd door de Maas tijdens en na de laatste ijstijd. Voorliggend plan voorziet in een ontwikkeling op een bestaand bebouwd perceel. De ruimtelijke gevolgen van het plan zijn daarmee beperkt. Het plan voorziet daarnaast in het toevoegen van gebiedseigen beplanting. Het aardkundig waardevol gebied wordt hiermee versterkt.
Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden
Op grond van artikel 3.29 uit de verordening geldt voor een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied dat deze:
In onderhavige situatie wordt de bestaande langgevelboerderij gesplitst en gerenoveerd met behoud van de voorgevel. Zoals uit de beschrijving van het plan (paragraaf 2.2) blijkt, is het behoud van de boerderij en daarmee ook de cultuurhistorische waarde van de plek, voor de toekomst zeker gesteld.
Conclusie
Het initiatief past binnen de gestelde voorwaarden van de 'Omgevingsvisie Noord-Brabant' en de 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant'. Het plan sluit daarmee aan bij het provinciaal beleid.
In de Structuurvisie Cuijk is op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weergegeven.
De structuurvisie is opgedeeld in twee gebieden:
Het plangebied is gelegen in het gebied 'Vitaal Cuijk'. Dit gedeelte van de gemeente bestaat voornamelijk uit agrarische gebied en natuurgebieden. De doelstelling voor dit gebied is 'behoud waar mogelijk versterking van de ruimtelijke kwaliteit, met name voor aan het buitengebied gebonden functies, mede in relatie tot de dynamiek ervan'. De landschappelijke waarden en natuurwaarden spelen daarbij een belangrijke rol. Daarnaast zet de gemeente in op een multifunctioneel buitengebied waarin functies niet met elkaar concurreren, maar in samenhang bijdragen aan een vitaal en leefbaar platteland.
Op het gebied van wonen wil de gemeente blijven werken aan een aantrekkelijke, veilige en duurzame woon- en leefomgeving. Hier is het prettig wonen in gevarieerde woonmilieus; van stedelijk in de kern Cuijk tot zeer landelijk in de kleinere dorpskernen. De kwaliteit van het wonen kan aantrekkelijker worden gemaakt door ontwikkelingen te stimuleren en daarbij de leidende principes te hanteren.
Planspecifiek
Onderhavig plan betreft onder meer een splitsing van een boerderij. De karakteristiek van de boerderij blijft hierbij behouden (zie ook paragraaf 4.5). Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan het behoud van de landelijke uitstraling van het gebied. Het initiatief sluit daarmee aan bij de Structuurvisie Cuijk.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
Voor onderhavig initiatief is bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is terug te vinden in bijlage 4. Uit het onderzoek komt naar voren dat ter plaatse van het plangebied enkel lichte verontreinigingen aangetroffen zijn. Deze leveren geen milieuhygiënische belemmeringen op ten aanzien van het plan. Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet aan de orde. Verder komt naar voren dat er geen sprake is van asbestverontreiniging. Asbest levert geen belemmeringen op voor het initiatief.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15531062 (aan de Heerstraat in de buurt van het plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) |
PM10
(fijnstof) |
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3) | 17,9 µg/m3 | 18,8 µg/m3 | 11,6 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Onderhavig initiatief kan, aangezien de toevoeging van het aantal woningen ruim onder de 1.500 woningen ligt, aangemerkt worden als een NIBM-project. Daarmee is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Met het plan wordt formeel één extra woning aan het plangebied toegevoegd. Daarom is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai. Het plangebied is gelegen aan de Van den Boschweg. Dit betreft een rustige landweg die voornamelijk gebruikt wordt door bestemmingsverkeer. Gelet op de lage verkeersintensiteit is een onderzoek naar wegverkeerslawaai niet aan de orde. Het plangebied is niet gelegen in de omgeving van spoorwegen of industrie. Hinder als het gevolg van spoorweglawaai of industrielawaai kunnen om die reden op voorhand worden uitgesloten.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
Het plangebied kent in de huidige situatie reeds een woonbestemming. De woonbestemming komt niet dichter te liggen bij bedrijven dan nu. De meest nabijgelegen milieubelastende functie is statische opslag aan de Van den Boschweg 9 op ca 35 m afstand. De VNG geeft hiervoor geen richtafstand. Voor opslag in gebouwen wordt een richtafstand van 30 m wordt gegeven door de VNG. Aangezien het gaat om statische opslag (met nauwlijks activiteiten) is het aanhouden van deze richtafstand in dit geval voldoende. Aan de richtafstand van 30 meter wordt voldaan. Er zal daarmee sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat. Omliggende bedrijven dienen reeds rekening te houden met de woonboerderij in hun bedrijfsvoering.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010, herziening 2016' is reeds vastgesteld dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen aanwezig zijn.
Net buiten het plangebied is wel een propaantank aanwezig. Deze tank fungeert als centrale verwarming voor de woning binnen het plangebied en twee andere woningen in de omgeving. Voor de opslag van propaan gelden vaste afstanden op basis van de inhoud van de tank en de bevoorrading. Voor woningen ligt de minimale veiligheidsafstand (in het geval van een tank met grotere inhoud dan 5 m3 en bevoorrading van vaker dan 5 keer per jaar) op 25 m van het vulpunt. Het vulpunt ligt op meer dan 50 meter afstand van de woonboerderij en levert geen risico op voor de kwetsbare objecten binnen het plangebied.
Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Beleid waterschap Aa en Maas
Voor dit plan is het beleid van Waterschap Aa en Maas mede van belang.
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s:
Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen
vanuit de Maas en het regionale watersysteem.
Het programma ‘Klimaatbestendig en gezond watersysteem’ draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).
Voor bebouwde gebieden heeft het waterschap specifieke doelen geformuleerd. In bebouwd gebied werkt het waterschap toe naar een klimaatrobuust watersysteem waarin:
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Planspecifiek
Het plangebied ligt buitendijks en maakt onderdeel uit van het dijkprofiel van de Maas. Het plangebied ligt binnen het rivierbed en het stroomvoerend rivierbed van de Maas. Onder het rijksbeleid in paragraaf 3.1 is reeds gemotiveerd dat ter bescherming van het dijkprofiel de dubbelbestemmingen in voorliggend plan worden opgenomen. Tevens is in paragraaf 3.1 de ligging in het (stroomvoerend) rivierbed onderbouwd.
De nieuwe woning wordt opgericht binnen de bestaande langgevelboerderij. Door sloop van de voormalig agrarische bebouwing neemt het verhard oppervlak als gevolg van het initiatief af. Er is daarom geen compensatie van een toename van verhard oppervlak nodig. Op eigen terrein is voldoende ruimte om hemelwater op te vangen.
Het plangebied ligt binnen de beschermingszones A en B van een primaire waterkering en de beschermingszone van de Maas. Waterschap Aa en Maas is via de digitale watertoets op de hoogte gebracht van voorliggend initiatief, zie ook bijlage 6. Voorliggend initiatief raakt aan diverse waterbelangen waarvoor in het kader van het vooroverleg, afstemming met het waterschap heeft plaatsgevonden. In het kader van de ontwikkeling heeft initiatiefnemer een aanvraag watervergunning ingediend bij het waterschap, vanwege de werkzaamheden binnen de beschermingszones A en B van een primaire waterkering en de beschermingszone van de Maas. Tevens is een aanvraag gedaan bij Rijkswaterstaat Zuid-Nederland. Het waterschap heeft een besluit genomen op beide aanvragen en besloten de watervergunning te verlenen (zie bijlage 7).
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
Om de gevolgen van het plan op beschermde Natura 2000-gebieden te beoordelen, is atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze website met de in de omgeving aanwezige Natura 2000-gebieden.
Uitsnede kaart 'Natura 2000-gebieden' (bron: atlasleefomgeving.nl)
Op de afbeelding is zichtbaar dat op circa 600 meter ten oosten van het plangebied het Natura 2000-gebied 'Oeffelter Meent' gelegen is. Gezien de kleinschaligheid en de aard van de ontwikkeling kunnen negatieve effecten met betrekking tot gebiedsbescherming uitgesloten worden.
Soortenbescherming
Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlage 8). Op basis van de Quickscan wordt geconcludeerd dat voorafgaand aan de werkzaamheden aanvullend ecologisch onderzoek benodigd is naar de huismus, kerkuil, steenuil, vleermuizen en steenmarter. Voor overige beschermde soorten zijn er in ieder geval geen negatieve effecten. Er dient rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Het wijzigingsplan is uitvoerbaar omdat er geen reden is om aan te nemen dat een eventueel benodigde ontheffing Wnb niet zou worden verleend, na het treffen van eventueel benodigde maatregelen.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie.
Verkeersgeneratie
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Als gevolg van de extra woning binnen de boerderij neemt het aantal verkeersbewegingen zeer beperkt toe. De Van den Boschweg en het aangrenzende wegennet kunnen deze beperkte toename goed aan.
Parkeren
Wat betreft parkeren geldt in het plangebied het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' (2020) waarbinnen de parkeernormen van de 'Nota parkeernormen 2016-2023' van de gemeente Cuijk gelden. Hierin is opgenomen dat per twee-onder-een-kap woning in het buitengebied een norm geldt van 2,2 parkeerplaats. De parkeerbehoefte komt daarmee uit op 4,4, afgerond 5 parkeerplaatsen. In het plan is voldoende ruimte voor 5 parkeerplaatsen op eigen terrein, aan de achterzijde van de boerderij (zie beplantingsplan). Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.
Het initiatief is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect verkeer.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Zoals ook uit de bouwhistorische verkenning uit bijlage 1 blijkt is de langgevelboerderij van cultuurhistorische betekenis (zie toelichting in paragraaf 2.2), wel is het gebouw in slechte staat. Een locatiebezoek heeft echter uitgewezen dat de meeste cultuurhistorisch waardevolle elementen niet behouden kunnen blijven in een bewoonbaar gebouw. Het pand zal gerenoveerd moeten worden om bewoonbaar te worden. Daarmee gaan de meeste cultuurhistorisch waardevolle elementen verloren. Wat wel behouden kan blijven is de voorgevel. Deze blijft met voorliggend plan in ieder geval beschermd met de aanduiding 'karakteristiek'. De bedrijfsbebouwing (waaronder de paardenstal) is niet aangeduid als 'karakteristiek' en vertegenwoordigt op zichzelf geen specifieke cultuurhistorische waarde. Sloop van de bedrijfsgebouwen leidt daarmee niet tot aantasting in het kader van cultuurhistorie.
Met de splitsing wordt bewoning van het pand betaalbaarder en toegankelijker. Hierdoor kan de boerderij in de toekomst beter in stand worden gehouden.
Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het plan rekening houdt met de cultuurhistorische waarden. Er zijn geen belemmeringen voor het plan ten aanzien van cultuurhistorie.
Archeologie
De woningsplitsing vindt plaats binnen de bestaande boerderij. Voor het plangebied is op grond van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' van toepassing. Voor deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksgrens van 2.500 m² opgenomen. Deze dubbelbestemming zal in voorliggend plan worden overgenomen zodat de mogelijke archeologische resten in de bodem ook bij toekomstige werkzaamheden beschermd blijven. Het initiatief heeft geen negatief effect vanuit het aspect archeologie.
Conclusie
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer.
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het wijzigingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Voorliggend bestemmingsplan sluit aan bij de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010, Herziening 2016'. Voorliggend plan bevat de volgende bestemmingen:
In het plan is de landschappelijke inpassing als voorwaardelijke verplichting opgenomen. De inpassing is te vinden in de bijlagen bij de regels.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door het college wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
Het plan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan de belanghebbende instanties.
Ten aanzien van het initiatief is een omgevingsdialoog uitgevoerd. Het verslag hiervan is terug te vinden in bijlage 9. Uit het verslag blijkt dat vanuit de omgeving positief gereageerd wordt op het initiatief.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 30 december 2023 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. De provincie Noord-Brabant en Rijkswaterstaat hebben zienswijzen ingediend. Daarnaast heeft het waterschap gedurende deze periode nog opmerkingen gemaakt, die zijn verwerkt in het plan. In de nota van zienswijzen, die onderdeel is van het vaststellingsbesluit, is de beantwoording van de zienswijzen opgenomen.