| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Kollum - Uitbreiding bedrijventerrein Dwarsryd |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1970.TAMopKoDwarsryd-VA01 |
De gemeente Noardeast-Fryslân wil vanwege de groeiende vraag naar nieuwe bedrijfskavels, de capaciteit van bedrijventerreinen in de gemeente vergroten. Hiertoe zijn middels een beknopte locatiestudie verschillende locaties in kaart gebracht en beoordeeld op beschikbaar aantal m2, grondeigendom, ontsluiting, landschappelijke inpassing en bestemming. Aan de hand van deze locatiestudie is een voorkeurslocatie voor uitbreiding vastgesteld. De keuze is gevallen op een uitbreiding van het bedrijventerrein 'Dwarsryd' in het noordoosten van het dorp Kollum.
De beoogde uitbreiding zal plaatsvinden op twee aangrenzende percelen, tussen de Willem Loréweg en de Torpsteryd. Het voornemen is om ruimte te bieden aan bedrijfsactiviteiten die vergelijkbaar zijn met activiteiten op het naastgelegen bedrijventerrein. Binnen het nieuwe beoogde bedrijventerrein wordt geen ruimte geboden aan bedrijfswoningen.
Het plangebied ligt in het noordoosten van Kollum. Het plangebied ligt zowel binnen als buiten het stedelijk gebied van de kern Kollum. Figuur 1.1 geeft ligging van het plangebied weer ten opzichte van de omgeving. Het plangebied ligt ten westen van het bestaande bedrijventerrein Dwarsryd.
Figuur 1.1 Ligging plangebied ten opzichte van de omgeving (bron: PDOK Viewer)
De planologische mogelijkheden van het perceel zijn geregeld in het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân. Figuur 2 bevat een uitsnede van de vigerende planologische regeling. De regels uit het voormalige bestemmingsplan 'Kollum Dorp', vastgesteld op 17 juni 2015 zijn binnen het omgevingsplan van toepassing. Voor het perceel gelden de bestemmingen 'Agrarisch met waarden – Open gebied' en 'Groen'. De gronden ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden – Open gebied' zijn bedoeld voor onder andere agrarische cultuurgrond en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. De gronden ter plaatse van de bestemming 'Groen' zijn bedoeld voor onder andere groen- en speelvoorzieningen en dagrecreatief medegebruik. Binnen deze bestemmingen is het realiseren van een bedrijventerrein niet toegestaan.
Ten oosten ligt een dubbelbestemming 'Leiding - Riool'. Er mogen alleen bouwwerken worden gerealiseerd ten behoeve van deze bestemming. Voor de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen' op de noordelijke grens van het plangebied geldt hetzelfde uitgangspunt.
Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar grondstation Burum'. Deze aanduiding regelt dat nieuwe bouwwerken vanaf 22 meter eerst moeten worden getoetst voor mogelijke verstoring van het nabije grondstation in Burum. In het plan worden geen bouwwerken toegestaan die hoger zijn. Op het noordelijke gedeelte van het plangebied is de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 2'. Deze aanwijzing regelde onder de Wro dat er een wijzigingsbevoegdheid gold om de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding te wijzigen in de bestemming 'Natuur'. Met deze ontwikkeling van het bedrijventerrein is deze wijzigingsbevoegdheid niet meer relevant.
Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingplan 'Kollum Dorp', plangebied aangegeven met oranje omlijning (bron: regelsopdekaart.nl)
De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân, omdat de beoogde inrichting als bedrijventerrein niet is toegestaan op basis van gebruik. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken moet voor het plangebied het planologische kader worden gewijzigd via een wijziging van het omgevingsplan. Om het omgevingsplan te wijzigen is een wijzigingsbesluit nodig. Onderdeel van het wijzigingsbesluit is een goede onderbouwing van de wijziging van het omgevingsplan. Voorliggende motivering voorziet hierin.
Deze ruimtelijke motivering is onderdeel van het wijzigingsbesluit voor de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân en dient te voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De opbouw van deze motivering is als volgt:
Het plangebied voor de voorgenomen ontwikkeling ligt in het noordoosten van Kollum. Figuur 2.1 geeft de huidige situatie samen met de plangrens weer op een luchtfoto. Het plangebied wordt aan de zuid- en westzijde begrensd door de Torpsterryd en aangrenzend het bedrijventerrein, aan de noordzijde door de watergang Dwarsryd. Aan de oostzijde ligt de Willem Loréweg met daarachter landerijen en een paardenhouderij. Het noordelijke gedeelte van het plangebied is momenteel in gebruik als grasland. Ter hoogte van de Willem Loréweg doorsnijdt een watergang het gebied van oost naar west. Op de randen van het plangebied ten zuiden van de watergang staan bomen aan de oost-, west- en zuidzijde.
Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied met begrenzing (bron: PDOK viewer)
De west-, oost- en noordkant van het plangebied worden begrensd door sloten. Ten noorden van het plangebied ligt het water Dwarsryd. Ten westen ligt het bestaande bedrijventerrein. Ten oosten van het plangebied (Willem Loréweg 18) ligt een paardenhouderij. Binnen het plangebied zelf zijn geen gebouwen aanwezig. In het plangebied staat ter hoogte van de kruising van de aftakking van Torpsterryd een transformatorhuisje.
Het plangebied wordt omgevormd tot kleinschalig bedrijventerrein. Figuur 2.2 geeft de verkaveling van het beoogde bedrijventerrein weer. Er wordt aangesloten bij de planologische mogelijkheden van het bestaande bedrijventerrein ten westen van het plangebied. Dit betekent dat bedrijven als genoemd in de milieucategorieën 1 tot en met 3.1 worden toegestaan binnen het plangebied, zoals opgenomen in de 'staat van bedrijfsactiviteiten' in bijlage 1 van de regels (zie ook paragraaf 4.8).
Het plangebied wordt ontsloten door middel van een nieuwe ontsluitingsweg die uitkomt op de westelijk gelegen weg Dwarsryd. De zuidelijkste kavel (Kavelnummer 8) wordt ontsloten via de bestaande zuidelijke weg de Sylsterryd. Beide wegen komen uit op de 60 km/u weg de Willem Loréweg ten westen van het plangebied. Aan de oostkant van het terrein wordt een calamiteitenontsluiting gemaakt die aansluit op de Willem Loréweg. Ten behoeve daarvan worden twee dammen verwijderd en één dam aangelegd. Figuur 2.2 geeft de verkaveling van het plangebied weer.
De huidige watergang in het plangebied die van west naar oost loopt wordt gedempt. De demping van deze watergang wordt ruimschoots gecompenseerd door de aanleg van nieuwe watergang in het noorden van het plangebied (zie ook figuur 2.2). Paragraaf 4.10 gaat verder in op de voorgenomen watercompensatie. Ten noorden van deze nieuwe watergang worden de gronden ingericht als groengebied met houtsingel. Hierdoor wordt qua inrichting aangesloten op de bestaande groenstructuur ten noordwesten van het plangebied (zie ook figuur 2.2). De randen van het plangebied worden ingevuld met groenstructuren. Er worden geen bomen gekapt ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling.
Figuur 2.2: Verkaveling plangebied (bron: Gemeente Noardeast Fryslân)
De voor bedrijven bestemde gronden hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 20.600 m2. Binnen het plangebied zal een maximaal bebouwingspercentage van 75% per bouwperceel gelden, waardoor er maximaal circa 15.500 m2 aan bebouwing mogelijk is. Op het bedrijventerrein worden bedrijfsgebouwen toegestaan met een goothoogte van maximaal 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 10 meter (2 bouwlagen met kap).
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle projecten met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vijf opgaven:
De bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen;
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
De Omgevingsagenda
Momenteel wordt voor Noord-Nederland gewerkt aan een omgevingsagenda. Als voorloper is er gewerkt aan een Contour Omgevingsagenda waarin acht omgevingsopgaven zijn benoemd:
De NOVI-gebieden
Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regiodeal en/of een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente Noardeast-Fryslân deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. Het beleid uit de NOVI is derhalve niet van toepassing op de ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum.
Uitvoering
De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en draagt bij aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken.
Op 23 september 2020 is de 'Omgevingsvisie Fryslân - De Romte Diele Fryslân 2020' vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 is uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met 9 principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het 'ja-mits principe', aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. Als uitgangspunt geldt dat veranderingen niet tegen moeten worden gehouden, maar dat ambities worden gerealiseerd door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten.
De beoogde ontwikkeling wordt zowel binnen als aan de rand van het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling wordt ingepast in de bestaande ruimtelijke context qua groen en water, waarbij de omgevingskwaliteiten als basis voor het ontwerp wordt toegepast. Hiermee is het planvoornemen in overeenstemming met de omgevingsvisie van de provincie Fryslân.
Op 8 februari 2024 is de Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het plangebied ligt conform de geometrische begrenzingen in de omgevingsverordening in de volgende relevante gebiedsaanwijzingen:
Voor het plangebied zijn de volgende instructieregels uit de Omgevingsverordening relevant:
Afdeling 2.2 Stedelijke functies
Artikel 2.1 Omgevingskwaliteiten als basis
Paragraaf 4.12 gaat in op de archeologische verwachtingswaarden op basis van de Friese archeologische monumentenkaart extra (FAMKE) en gaat ook in op de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Paragraaf 2.2 gaat in op de manier waarop de omgevingskwaliteiten als ontwerpbasis zijn gebruikt en hoe de nieuwe functies worden ingericht op basis van omgevingskwaliteiten. Uit deze paragrafen volgt dat er kan worden voldaan aan de instructieregels uit artikel 2.1 van de Omgevingsverordening.
Artikel 2.3 Zuinig en meervoudig ruimtegebruik
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de behoefte van de vraag naar nieuwe bedrijfskavels in de gemeente Noardeast-Fryslân. Dit volgt uit een uitvoerige locatiestudie door de gemeente. Uit de locatiestudie bleek dat de locatie van het plangebied de best geschikte locatie is en dat het niet mogelijk is om gebruik te maken van een bestaand bouwperceel in de gemeente. De mogelijkheid voor meervoudig ruimtegebruik is in de locatiestudie afgewogen. Uit voorgaande blijkt dat kan worden voldaan aan de instructieregel(s) uit artikel 2.3 van de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 2.5 Gezond en veilig
Paragraaf 4.13 bevat een onderbouwing voor (omgevings)veiligheid. Paragraaf 4.10 gaat in op wateroverlast of op overstroming vanuit de Friese boezem. Daarnaast gaat deze paragraaf ook in op het borgen van water-robuust bouwen. Uit het laatste volgt dat er geen risico bestaat op overstroming of wateroverlast vanuit de Friese boezem.
Artikel 2.6 Bundeling stedelijke functies
In een omgevingsplan mogen op gronden buiten het bestaand stedelijk gebied nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies, indien deze aansluiten op het bestaand stedelijk gebied en wat betreft aard en schaal passen bij de stad of het dorp.
De voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum sluit aan bij het bestaand stedelijk gebied. Daarnaast past de uitbreiding van het bedrijventerrein qua aard en schaal bij het dorp Kollum. De voorgenomen ontwikkeling betreft namelijk een afsluiting van het bestaand stedelijk gebied binnen de begrenzing van de Willem Loréweg. Er worden geen bedrijven toegestaan met een hoge milieucategorie, waardoor de gewenste bedrijven aansluiten bij de bestaande situatie op het naastgelegen bedrijventerrein.
Uit bovenstaande blijkt dat er kan worden voldaan aan de instructieregel uit artikel 2.6 van de provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 2.13 Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels
Artikel 2.52 Beschermingsregime
Een omgevingsplan of projectbesluit voor gronden die gelegen zijn in of op korte afstand van de gebieden als bedoeld in artikel 2.51 (weidevogelkansgebieden en - parels), bevat regels waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, waarbij de agrarische productiefunctie en de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan.
Het noordelijk deel van het plangebied ligt binnen een gebiedsaanwijzing voor 'weidevogelkansgebied of -parel'. De openheid en rust binnen moet binnen de gebiedsaanwijzing behouden worden, eventueel in combinatie met de agrarische productiefunctie.
Provincie Fryslân heeft gereageerd dat het plangebied in een weidevogelkansengebied is gelegen, maar dat dit gebied echter al is verstoord, waardoor de ontwikkeling van die gebied geen consequenties heeft voor weidevogels. Er is dus ook geen sprake van een financiële compensatie ter behoeve van het weidevogelfonds.
Artikel 2.53 Afwijken in geval van noodzakelijke ruimtelijke ingrepen van openbaar belang
Van de regels in artikel 2.52 kan worden afgeweken voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
De voorgenomen ontwikkeling maakt een bedrijventerrein mogelijk ter plaatse van de gebiedsaanwijzing 'weidevogelkansgebied parels'. Provincie Fryslân heeft gereageerd dat het plangebied in een weidevogelkansengebied is gelegen, maar dat dit gebied echter al is verstoord, waardoor de ontwikkeling van die gebied geen consequenties heeft voor weidevogels. Er is dus ook geen sprake van een financiële compensatie ten behoeve van het weidevogelfonds.
Conclusie omgevingsverordening Fryslân
Uit deze paragraaf blijkt dat er kan worden voldaan aan de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening.
De omgevingsvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân, vastgesteld op 11 juli 2024, beschrijft de plannen en ambities voor de fysieke leefomgeving tot 2030. Het behandelt thema's zoals wonen, voorzieningen, landschap, natuur, veiligheid, verkeer, monumenten, duurzame energie, klimaatadaptatie en economie. Kernkwaliteiten zoals het gevarieerde landschap en de rijke cultuurhistorie, unieke natuurgebieden, rust en ruimte, een sterke regiostad Dokkum, stuwende sectoren zoals landbouw, recreatie en toerisme en de sterke sociale samenhang worden gekoesterd. Er is veel aandacht voor trends en ontwikkelingen zoals demografische veranderingen, klimaatverandering, het behoud van de omgevingskwaliteit en een gezonde veilige leefomgeving. Het doel is om op hoofdlijnen aan te geven hoe de gemeente zich wil ontwikkelen en welke kwaliteiten behouden moeten blijven.
In de omgevingsvisie wordt Kollum beschreven als een belangrijke voorzieningenkern met een bedrijventerrein. In de omgevingsvisie wordt onder de 'kernopgaven Kollum' beschreven hoe er kan worden voldaan aan de ambitie 'Economisch gezond en toeristisch recreatief aantrekkelijk'. In deze ambitie wordt ingezet op uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein van Kollum. Meer specifiek wordt in de omgevingsvisie beschreven dat het bedrijventerrein in het noordoosten van Kollum (het plangebied) ruimte krijgt voor uitbreiding richting de Dwarsryd. De uitbreiding is aangemerkt als één van de kernopgaven voor Kollum. Voorliggend plan is hiervan de concrete uitwerking.
Toetsing
De gemeente streeft naar voortzetting van de verzorgingsfunctie van Kollum door het bevorderen van detailhandel en bedrijvigheid. De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied in het noordoosten van Kollum sluit direct aan bij de kernopgaven voor het dorp Kollum. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de omgevingsvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân.
In het mobiliteitsprogramma van de gemeente Noardeast-Fryslân wordt het hoofddoel van het gemeentelijke verkeers- en vervoersbeleid van Noardeast-Fryslân aangekaart. Dit hoofddoel is het realiseren van een veilig, betrouwbaar en duurzaam verkeers- en vervoerssysteem voor iedereen en voor alle vervoersmiddelen.
Noardeast-Fryslân heeft een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. De gemeente zet volop in op behoud daarvan, door in te zetten op duurzame mobiliteit. Het hoofddoel van het gemeentelijke verkeers- en vervoersbeleid is op hoofdlijnen vertaald in strategische opgaven op het gebied van verkeersveiligheid, bereikbaarheid, leefbaarheid en duurzaamheid. Daarbij speelt ook gezondheid van de inwoners een belangrijke rol. Een van de doelen is om ervoor te zorgen dat de knelpunten voor geluid en trillingen niet groter worden en waar mogelijk worden verminderd in combinatie met beoogde reconstructies of gepland onderhoud. Daarnaast dient de gemeente de geluidssituatie langs drukke wegen in het kader van de Omgevingswet in de toekomst te monitoren zodat de geluidssituatie naar de toekomst toe voor inwoners niet waarneembaar verslechtert.
Toetsing
Paragraaf 4.15 gaat verder in op mobiliteit en parkeren. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect trillingen is niet aan de orde en vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit voorgaande blijkt dat er overeenstemming is met het Mobiliteitsprogramma van de gemeente Noardeast-Fryslân.
De gemeente Noardeast-Fryslân heeft een groenstructuurplan vastgesteld. Met dit plan wil de gemeente de groenstructuur in de gemeente behouden en versterken door meer gevarieerd en toekomstbestendig groen, wat aansluit op het omringende landschap en waarmee de biodiversiteit wordt vergroot. Deze ambitie wil de gemeente bereiken door ervoor te zorgen dat het bestaande en nieuwe groen volwassen en onze bomen tot wasdom kunnen komen, door meer groen aan te leggen waarmee de dorpen en het landschap worden versterkt en door te kiezen voor gevarieerd en toekomstbestendig groen.
De visie voor de plaatselijke groenstructuur is om Kollum zo sterk mogelijk met het omliggende landschap te verbinden. Daarbij is gekozen om het landschappelijke karakter zo ver mogelijk door te laten lopen. De groenstructuur bestaat hier uit gras met bomen.
Toetsing
De gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein in het noordoosten van Kollum wordt zorgvuldig ingepast binnen de bestaande groenstructuren. Zo blijven de al aangeplante bomen behouden en wordt er in het noorden van het plangebied een aanzienlijk gedeelte beplant met bomen. Dit zorg ervoor dat de bestaande groenstructuur ten noordwesten wordt verlengd richting het oosten. De omliggende groenstroken worden ingericht met gras. Uit voorgaande volgt dat er wordt aangesloten bij de visie voor Kollum uit het groenstructuurplan van de gemeente Noardeast-Fryslân.
De gemeente Noardeast-Fryslân hecht veel belang aan het versterken van de biodiversiteit, en heeft de ambitie om daar actief werk van te maken. Daarom heeft de gemeente een biodiversiteitsplan opgesteld. In het plan wordt concreet gemaakt hoe en waar de biodiversiteit in de gemeente verhoogd kan worden en wat de rol van de gemeente daarin kan zijn. Het vormt de onderbouwing voor keuzes van de gemeente om gestructureerd aan herstel van biodiversiteit te werken.
Toetsing
De gewenste ontwikkeling van het bedrijventerrein in het noordoosten van Kollum wordt zorgvuldig ingepast binnen de bestaande groenstructuren. Zo blijven de al aangeplante bomen behouden en wordt er in het noorden van het plangebied een aanzienlijk gedeelte beplant met bomen, wat de biodiversiteit ten goede komt.
De omliggende groenstroken en de bermen rondom het plangebied kunnen worden ingericht als kruidenrijk grasland, zoals voorgesteld in de maatregelen uit het plan. Uit voorgaande volgt dat er kan worden aangesloten bij het biodiversiteitsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân.
Voor het beoordelen van de motivering bij een wijziging van het omgevingsplan gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL).
Daarnaast zijn in het Bkl beoordelingsregels opgenomen. De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze gelden voor omgevingsplannen en zijn van overeenkomstige toepassing op de bopa. Hieronder wordt de toetsing van het planvoornemen aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan en is verwezen naar desbetreffende paragraaf.
Voor de volgende thema's wordt in tabel 5.1 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet:
Tabel 5.1: Instructieregels Bkl
| Thema | Afdelingen en paragrafen Bkl | Relevant voor de ontwikkeling |
| Dienstenrichtlijn |
§ 5.1.1. Algemene bepalingen artikel 5.1a. |
Nee, de herontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van een bedrijventerrein. Bedrijfsactiviteiten zijn geen dienstactiviteit. |
| Omgevingsveiligheid | § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid | Ja, zie paragraaf 4.13 |
| Water | § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen | Ja, zie paragraaf 4.10 |
| Luchtkwaliteit | § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht | Ja, zie paragraaf 4.11 |
| Geluid door activiteiten | § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten | Ja, zie paragraaf 4.8 |
| Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen | § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen | Ja, zie paragraaf 4.9 |
| Geluid rond luchthavens | § 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens | Nee, de projectlocatie ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven. |
| Trillingen | § 5.1.4.4. Trillingen | Nee, de projectlocatie ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier in beginsel zelf ook niet in. |
| Slagschaduw van windturbines | § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines | Nee, in de omgeving van de projectlocatie komen geen windturbines voor. |
| Bodemkwaliteit | § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit | Ja, zie paragraaf 4.7 |
| Geur | § 5.1.4.6. Geur | Ja, zie paragraaf 4.5 |
| Cultureel erfgoed (aardkunde, archeologie en cultuurhistorie) | § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed | Ja, zie paragraaf 4.12 |
| Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied | § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed | Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij de kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied |
| Ladder voor duurzame verstedelijking | § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking | Ja, zie paragraaf 4.2. |
| Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving | § 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies; § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten |
Nee, n.v.t. |
| Aanwijzing woningbouwcategorieën | § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken | Nee, voor dit project is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen, omdat er geen woningen mogelijk worden gemaakt. |
De provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels. In paragraaf 3.2.2 is de Omgevingsverordening van de provincie Fryslân behandeld en zijn de relevante instructieregels benoemd. Voor zover deze instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving, wordt in hoofdstuk 5 aan deze instructieregels getoetst.
Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema's komen terug in tabel 5.2.
Tabel 5.2: Thema's in het kader van ETFAL
| Thema | Wettelijk kader | Relevant voor de ontwikkeling |
| Gezondheid | § 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig. | Ja, paragraaf 4.17. |
| Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. | Nee, het projectgebied ligt niet nabij veehouderijen met een invloed op de gezondheidssituatie ter plaatse. |
| Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. | Nee, de projectlocatie ligt niet in de nabijheid van gronden waar (mogelijk) sprake is van een spuitzone |
| Mobiliteit en parkeren |
In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. | Ja, zie paragraaf 4.15 |
| Natuurbescherming NNN | Afdeling 7.3 van het Bal. | Nee, de projectlocatie ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 4.6.3 |
| Ecologie: gebiedsbescherming | Afdeling 11.1 van het Bal. | Ja, zie paragraaf 4.6.3 |
| Ecologie: soortenbescherming | Afdeling 11.2 van het Bal. | Ja, zie paragraaf 4.6.2 |
| Ecologie: houtopstanden | Afdeling 11.3 van het Bal. | Nee, er worden geen houtopstanden geveld. |
| Bezonning / schaduwhinder (niet zijnde slagschaduw windturbines) | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. | Nee, de gebouwen die juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt betreffen geen hoogbouw. |
| Windhinder | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. | Nee, gezien de aard en omvang van het project is windhinder of windgevaar niet te verwachten |
| Lichthinder | In het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken. | Nee, binnen de projectlocatie worden geen activiteiten of bouwwerken mogelijk gemaakt met enige vorm van lichtuitstraling, anders dan reguliere straat- en erfverlichting. Hinder van dergelijke activiteiten is niet te verwachten omdat deze niet in de omgeving voorkomen. |
| Duurzaamheid en klimaatadaptatie | In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. | Ja, paragraaf 4.16. |
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Het tijdelijk deel van het omgevingsplan (het vigerende voormalig bestemmingsplan) is vertrekpunt in de beoordeling of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Het plangebied sluit aan op het bestaande bedrijventerrein en heeft een oppervlakte van circa 2,1 hectare. De locatie is in het tijdelijk deel van het omgevingsplan onderdeel van het bestemmingsplan 'Kollum Dorp' en heeft daarin de bestemming 'Groen' op het zuidelijke deel en de bestemming 'Agrarisch met waarden – Open gebied' op het noordelijke deel. Locaties met een agrarische bestemming maken geen deel uit van het bestaand stedelijk gebied. Stedelijk groen maakt wel onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied.
In dit geval is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die deels buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Daarom is er een onderbouwing van de behoefte beschreven en bijgevoegd in bijlage 1. Uit deze onderbouwing volgt dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en regionaal is afgestemd.
De ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en regionaal is afgestemd. Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect ladder voor duurzame verstedelijking.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Hierbij kan gedacht worden aan de vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken? Dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen.
In de 'Welstandsnota Noardeast-Fryslân' heeft de gemeente criteria opgesteld voor bouwplannen. De doelstelling van het welstandsbeleid is het veilig stellen van een basiskwaliteit van de gebouwde omgeving. Daar waar dit gewenst en mogelijk is, zal een verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving het doel zijn. In de welstandsnota zijn algemene criteria voor bouwplannen opgesteld. Het plangebied ligt binnen het welstandsgebied 9. Bedrijventerrein (regulier).
Met de gewenste ontwikkeling wordt het bedrijventerrein juridisch-planologisch geregeld door de wijziging van het omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân. Nadat de wijziging van het omgevingsplan vastgesteld is, zal elke bouwaanvraag binnen het plangebied te zijner tijd worden getoetst aan de locatiegebonden criteria uit de welstandsnota van de gemeente Noardeast-Fryslân. Verdere toetsing op welstand is derhalve niet nodig.
Verdere toetsing op welstand is niet nodig. Na de wijziging van het omgevingsplan zal elke bouwaanvraag worden getoetst aan de criteria uit de 'Welstandsnota Noardeast-Fryslân'.
Onder de Omgevingswet geldt een plan-mer-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een mer-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn mer). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).
De beoogde ontwikkeling bestaat uit het planologisch mogelijk maken van een bedrijventerrein voor bedrijven in de milieucategorieën 1 tot en met 3.1. De uitbreiding van een bedrijventerrein is in het Omgevingsbesluit, bijlage V onder categorie J10 opgenomen als industrieterrein. In het Omgevingsbesluit geldt voor de aanleg van industrieterrein geen directe mer-plicht bij het besluit wijziging omgevingsplan, maar wel een mer-beoordelingsplicht.
Op basis van het maximale planvoornemen, beschikbare milieugegevens en onderzoeken is een notitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen in bijlage 2. Hieruit blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats en de kenmerken van de milieueffecten er geen aanleiding is voor het doorlopen van een volledige mer-procedure. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden.
Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een volledige mer-procedure.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De algemene regels met betrekking tot geur zijn van toepassing op het toelaten:
In het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Er worden geen nieuwe geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. De paardenhouderij aan de Willem Loréweg 18 bevindt zich op voldoende afstand van het plangebied om eventuele geurhinder te voorkomen. Het aspect geur vormt zodoende geen belemmering voor het project.
Vanuit het aspect geur is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat in een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en een aantal strikte verboden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten (soortenbescherming). Daarnaast bevat het Bal specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels (gebiedsbescherming). Ook bevat het Bal enkele bepalingen over de jacht en houtopstanden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora en fauna- activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onder g Ow). Op grond van paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Bal moet worden beoordeeld of een bouwplan van invloed is op de in het gebied aanwezige flora en fauna.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. In de Omgevingswet is geregeld dat in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk zijn.
In het kader van het wijzigen van het omgevingsplan is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het volledige onderzoek is te raadplegen in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen zonder bezwaren doorgang kan vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Vervolgstappen
Voor wat betreft de Hermelijn, wezel en bunzing zijn wel vervolgstappen benodigd voor de voortgang van het planvoornemen. Voor wat betreft deze soorten kan worden gekozen voor een tweetal vervolgtrajecten. Enerzijds het uitvoeren van nader onderzoek, anderzijds het aanvragen van een vergunning voor een flora en fauna-activiteit.
Het plangebied is daarnaast onderdeel van een weidevogelkansgebied, zoals eerder gesignaleerd in 1.3 en uitgewerkt in 3.2.2.
Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt, is het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van effecten op beschermde planten- en diersoorten. Het aspect ecologie soortenbescherming vormt, mits bovenstaande in acht wordt genomen, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het planvoornemen is onderzocht op het aspect ecologie vanuit soortenbescherming. Mits bovenstaande vervolgstappen in acht worden genomen zijn er vanuit dit aspect geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het plangebied ligt zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied en maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Figuur 5.1 toont het plangebied en de omliggende NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 300 meter van het plangebied. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied bevat ook een oostelijke uitbreiding van de bestaande groenstructuur ten noordwesten van het plangebied. Hierdoor wordt er extra natuur toegevoegd aan het plangebied. Vanuit NNN zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum.
Figuur 5.1 Overzicht Natuurnetwerk Nederland(bron: Provincie Fryslân)
Stikstof
De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten betreft 'Waddenzee', gelegen op circa 12,5 kilometer. Voor de ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Met het rekenmodel Aerius (versie 2024.1.3) zijn berekeningen uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase beschouwd. Het stikstofonderzoek, inclusief AERIUS-berekening, is opgenomen in bijlage 4.
Uit de berekeningen met Aerius Calculator (versie 2024.1.3) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significant negatieve effecten op Natura
2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten (inclusief op de ‘hexagonen met hersteldoelen’). De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet. Er zijn qua stikstof geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het plangebied ligt in het door de provincie aangewezen weidevogelkansengebied dat bedoeld is ter bescherming van weidevogels. Provincie Fryslân geeft aan dat dit gebied echter al is verstoord, waardoor de ontwikkeling van die gebied geen consequenties heeft voor weidevogels. Er is dus ook geen sprake van een financiële compensatie ter behoeve van het weidevogelfonds.
De voorgenomen ontwikkeling is getoetst op het aspect ecologie: gebiedsbescherming. Voor zowel Natuurnetwerk Nederland als voor stikstof zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Hieruit volgt dat er ook geen belemmeringen zijn vanuit het aspect ecologie: soortenbescherming.
Er is aangetoond dat er geen significante negatieve effecten op Natura-2000 optreden door de ontwikkeling van het voorgenomen plan. Ook is er geen sprake van versnippering van bestaande NNN-gebieden. Er zijn vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijventerrein in Kollum.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Een bodemgevoelig gebouw is:
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten opgenomen in het Bal, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Bedrijven worden als bodemgevoelig gebouw aangemerkt. Er is een bodem(water)onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat de bodem van voldoende kwaliteit is om de toekomstige bodemgevoelige gebouwen toe te staan. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 5. Op basis van de onderzoeksresultaten kan bepaald worden of de milieuhygiënische bodemkwaliteit voldoende geschikt is voor de voorgenomen plannen.
Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2023 (Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek) en NEN 5740:2023 (Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond).
Op basis van het onderzoek is uit één van de boormonsters een verhoogd gehalte molybdeen aantroffen in het grondwater. De concentratie is echter dusdanig laag dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Voor het gehele onderzoek geldt dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt er geen belemmeringen zijn voor de ontwikkelingsplannen van het bedrijventerrein.
Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek of het opstellen van extra regel is niet nodig.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De instructieregels in het Bkl (en de bruidsschat) bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. In praktijk gaat het hier om milieubelastende activiteiten. Daarbij kan zowel het geluid van een (nieuwe) milieubelastende activiteit op z'n omgeving van belang zijn, als het geluid van (bestaande) milieubelastende activiteiten op een (nieuw) geluidgevoelig gebouw.
Het geluid van activiteiten vanuit het plangebied op nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling en mogelijke belemmeringen voor die activiteiten. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen.
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Binnen het plangebied worden bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 mogelijk gemaakt zoals benoemd in de bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
De instructieregels voor geluid door activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 Bkl) zijn van toepassing, omdat er met de wijziging van het omgevingsplan activiteiten worden toegestaan die geluid veroorzaken op bestaande geluidgevoelige gebouwen, in concreto gaat het daarbij om de bedrijfswoning aan de Willem Loréweg 18. Beoordeeld moet worden of het geluid op deze bedrijfswoning, veroorzaakt door de toekomstige activiteiten op het voorgenomen nieuwe bedrijventerrein, aanvaardbaar zijn.
Op basis van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit bijlage 1 van de regels volgt dat er een afstand moet gelden van minimaal 50 meter tussen geluidgevoelige woningen en bedrijven tot en met de milieucategorie 3.1. De afstand van de grens van het plangebied tot de gevel van het geluidgevoelige gebouw op de Willem Loréweg 18 bedraagt ten alle tijden meer dan 50 meter. Er kan dus worden voldaan aan de minimumafstand. Hieruit volgt dat het geluidgevoelige gebouw de toekomstige bedrijven niet inperkt in hun gebruiksruimte qua geluid. Vanuit het aspect geluid door activiteiten worden derhalve geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan.
Vanuit het aspect geluid door activiteiten worden er geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan.
Bij de realisatie van een geluidgevoelig gebouw moet worden getoetst of het geluid van wegverkeer aanvaardbaar is. Het geluid is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens artikel 5.78t van het Bkl. Hierin is aangegeven dat de standaardwaarde voor een geluidgevoelig gebouw Lden = 53 Lden is bij gemeentewegen (zie ook figuur 5.2).
Figuur 5.2: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort (bron: Rho Adviseurs)
Door de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt niet in een geluidsaandachtsgebied voor wegen, spoorwegen of industrieterreinen. Bovendien wordt op voorhand verwacht dat de extra verkeersgeneratie niet leidt tot een te hoge geluidsbelasting op de omliggende geluidgevoelige gebouwen (bedrijfswoning Willem Loréweg 18). Derhalve hoeft er niet getoetst te worden aan geluid door wegen, spoorwegen of industrieterreinen en worden er voor dit aspect geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling.
Er worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Voor het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen worden geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bij nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij moet het verantwoordelijke Waterschap Wetterskip Fryslân worden betrokken. Het waterschap is verantwoordelijk voor waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.
Bij ontwikkelingen moet 'weging van het waterbelang' plaatsvinden. De 'weging van het waterbelang' heeft met ingang van de Omgevingswet de watertoets vervangen. De digitale watertoets wordt nog wel gebruikt. De 'weging van het waterbelang' zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke projecten in een vroeg stadium aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit en kwantiteit van het water. Gezien het belang van het water wordt het wateraspect ook sturender bij ontwikkelingen.
Voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein is een digitale watertoets uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 8. Daaruit blijkt dat de normale procedure moet worden gevolgd. Dit houdt in dat de aanwezige wateraspecten van invloed zijn op het plan. Voor de normale procedure verstrekt het waterschap standaard een wateradvies. Dit wateradvies geeft handvatten om de uitkomsten en aandachtspunten van de watertoetsaanvraag mee te nemen in het opstellen van het ruimtelijke plan of besluit. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan 'veiligheid', 'kwaliteit' én 'kwantiteit' van water.
Daarnaast wordt voor enkele specifieke onderdelen een advies gegeven namelijk:
Er is op 25 april 2025 een aanvraag gedaan voor bovenstaande onderdelen bij het waterschap na het ontvangen van de watertoets.
Daarnaast is een aanvraag gedaan voor een watervergunning, welk op 8 december 2025 is verleend. De watervergunning is volledigheidshalve opgenomen in bijlage 6. De vergunning is verleend voor het dempen van een watergang, het graven en verbreden van een watergang, het verwijderen van toegangsdammen en het aanleggen van dammen met duiker, en andere activiteiten gerelateerd aan het bouwrijp maken van bedrijventerrein. In deze vergunning staan ook afspraken over het onderhoud.
Op 17 december 2025 heeft Wetterskip Fryslân aangegeven geen op- en/of aanmerkingen te hebben op het ontwerp-TAM-omgevingsplan, geen zienswijze te zullen indienen en daarnaast definitief in te stemmen met het onderdeel 'Water' (4.10) in voorliggend TAM-omgevingsplan.
Waterveiligheid
Waterveiligheid betreft het voorkomen, zo mogelijk uitsluiten, van levensbedreigende overstromingsrisico's voor mens en dier en het voorkomen van schade aan have en goed. Risico's die met name zullen optreden bij het doorbreken van een zeekering (primaire kering) of boezemkade (secundaire kering). Binnen dit thema zijn, indien van toepassing, alle waterschapsbelangen beschreven die vanwege de waterveiligheid extra bescherming genieten of anderzijds van belang zijn voor de waterveiligheid.
Uit de watertoets blijkt dat de lagen 'hoofdwater', 'vrij voor de boezem' en 'rioolwaterpersleidingen' worden geraakt met het plan. Uit de watertoets blijkt dat er geen laag met primaire waterkeringen, regionale en/of lokale waterkeringen, Grondwaterbeschermingsgebied, en een waterzuiveringsobject worden geraakt. De gronden binnen het plangebied worden voldoende hoog aangelegd om de waterveiligheid te borgen. Dit verhoogt ook de waterrobuustheid van het planvoornemen. Hiermee wordt ook voldaan aan de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening artikel 2.5 lid 2 en 3.
Waterkwaliteit
Om de waterkwaliteit te waarborgen heeft het waterschap de zorg voor het realiseren van schoon en ecologisch gezond water, waarin systeem-specifieke dieren en planten voorkomen. In de eerste plaats is dit van belang voor de grotere beken, kanalen en meren waarvoor binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) doelen en maatregelen zijn opgesteld voor aangewezen waterlichamen. Daarnaast is een goede waterkwaliteit van belang voor het recreatief medegebruik als zwemmen en kanoën en voor het stelsel van kleinere watergangen voor water aan- en afvoer. In dit thema zijn, indien van toepassing, alle voor dit plan specifieke waterschapsbelangen beschreven die impact hebben op de waterkwaliteit.
Vervuiling van het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Om deze reden vraagt het waterschap op de toepassing van uitlogende materialen zoveel mogelijk te beperken en om vervuiling te voorkomen. Afstromend hemelwater dat vervuilt is geraakt moet zo veel mogelijk gescheiden worden afgevoerd, of moet worden gezuiverd.
Waterkwantiteit
Door de realisatie van het bedrijventerrein neemt het aandeel verhard oppervlak toe. Verhardingstoename door uitbreiding van een bebouwing en/of bestrating zorgt ervoor dat hemelwater versneld afvoert. Dit kan ervoor zorgen dat het oppervlaktewatersysteem zwaarder belast wordt, waardoor overlast kan ontstaan. Om dit te voorkomen zal het nodig zijn om compenserende waterberging en/of vertraagde afvoer van hemelwater te realiseren.
Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een
gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het (voormalige) bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies.
De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren het waterschap de volgende compensatienorm:
• Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem;
• Polder 10%,
• Vrij afstromend, alternatieve maatregelen.
In het planvoornemen wordt extra oppervlaktewater gegraven ter compensatie van het dempen van de watergang in het plangebied en voor het aanbrengen van verharding. Ook wordt een deel van een dam verwijderd. Voor het verbreden van de bestaande watergangen en het aanleggen van een nieuwe watergang watercompensatie is een watervergunning en een ontgrondingenvergunning aangevraagd.
Tabel 5.1 geeft een overzicht van de te compenseren oppervlaktes en het te realiseren oppervlaktewater als compensatie voor het dempen van de watergang. Er wordt voldoende gecompenseerd in het plangebied.
| Te compenseren | oppervlakte | percentage | Totaal | ||
| Bedrijventerrein | 15472 | 15472 | |||
| Wegen | 785 | 785 | |||
| Totale oppervlakte | 16257 | ||||
| Te compenseren t.g.v. saldo afwaterend oppervlakte | 16257 | 5% | 817,85 | ||
| Dempingen | Lengte watergang | Breedte waterlijn demping | Oppervlakte | ||
| Compensatie op nieuwe watergang | 93 | 3 | 279 | ||
| Aanbrengen dammen | 30 | 4,0 | 120 | ||
| Aanbrengen dammen | 16 | 2,5 | 40 | ||
| Totaal te compenseren | 439 | ||||
| Te graven watergangen | Lengte watergang | Breedte waterlijn | Oppervlakte | ||
| Verbreden watergang | 90 | 3 | 336 | ||
| Watergang (1) | 130 | 7 | 910 | ||
| Watergang (2) | 22 | 2 | 44 | ||
| Verwijderen dammen | 11 | 2,5 | 27,5 | ||
| Compensatie | 1317.5 | ||||
| Saldo (voldoet) | 60,65 | ||||
Tabel 5.1 Overzicht compensatie (bron: Gemeente Noardeast-Fryslân)
Er wordt voldoende aandacht besteedt aan de aspecten 'veiligheid', 'kwaliteit' en 'kwantiteit' vanuit de watertoets. Hieruit volgt dat het waterbelang voldoende is afgewogen in het planvoornemen. Vanuit het aspect water is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
In het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Noardeast-Fryslân is niet aangewezen als concentratiegebied.
Het plangebied bevindt zich niet in één van de in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. In totaal betreft het initiatief het juridisch-planologisch mogelijk maken van een bedrijventerrein. De NIBM-tool is gebruikt voor het inzichtelijk maken of de extra verkeerstoename leidt tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de resultaten volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet-in betekenende-mate is. Er is geen nader onderzoek nodig naar luchtkwaliteit.
Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Uit de kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof in de plangebieden ruimschoots onder de omgevingswaarden (genoemd in Artikel 2.4 en Artikel 2.5 van het Bkl) lagen. De luchtkwaliteit ter plaatse is aanvaardbaar.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen nader onderzoek nodig naar het aspect luchtkwaliteit.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd.
Archeologie
Binnen het plangebied gelden geen dubbelbestemmingen met een archeologische verwachtingswaarde. Aanleiding tot archeologisch onderzoek is het advies uit de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE) voor het noordelijke gedeelte van het plangebied. Het zuidelijke gedeelte van het plangebied is destijds reeds onderzocht in het kader van de ontwikkeling van het bestaande bedrijventerrein Dwarsryd.
Voor het gehele plangebied van de voorgenomen ontwikkeling zijn dus twee aparte archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het eerste onderzoek is van toepassing op het zuidelijke deel van het plangebied en het tweede onderzoek op het noordelijke gedeelte. De twee archeologische onderzoeken zijn samengevoegd en in één document terug te vinden in bijlage 7.
Het eerste onderzoek dateert uit 2002. Daarin is bij het onderzoeken van het zuidelijk gedeelte van het plangebied geen archeologische vindplaats aangetroffen. Het andere onderzoek d.d. 6 december 2024 is van toepassing op het noordelijke gedeelte van het plangebied. Uit dit tweede onderzoek volgt dat de kans dat aanwezige archeologische waarden worden verstoord klein is en dat het perceel kan worden vrijgegeven qua archeologie.
Uit beide onderzoeken volgt dat er geen archeologische waarden worden verstoord binnen door de voorgenomen ontwikkeling. Derhalve vormt archeologie geen knelpunt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Cultuurhistorie
De provinciale cultuurhistorische waardenkaart is geraadpleegd en beoordeeld in samenhang met de Kernkwaliteit cultuurhistorie. Het plangebied maakt deel uit van het hoofdlandschapstype 'Kwelderwal' en van (deel)landschapstype 'Kleigebied Oostergo'. Dit is geen beschermd landschapstype en er gelden dan ook geen belemmeringen vanuit het aspect cultuurhistorie.
Landschap
Het plangebied kent geen bijzondere landschappelijke waarden waarmee bij de planontwikkeling rekening moet worden gehouden. In paragraaf 3.2.1 is hier op ingegaan. De groenblauwe structuur ten noordwesten van het plangebied wordt in het noorden van het plangebied voortgezet door het aanplanten van groen en het graven van de nieuwe watergang. Daarnaast wordt het plangebied voldoende landschappelijk ingepast door de bestaande bomenrijen aan de west-, zuid- en oostkant van het plangebied.
Vanuit de aspecten archeologie, cultuurhistorie en landschap zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om:
Activiteiten met externe veiligheidsrisico's zijn risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en hiermee moet rekening worden gehouden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
Er zijn 3 categorieën gebouwen en locaties die worden beschermd: zeer kwetsbaar (alleen gebouwen), kwetsbaar (gebouwen en locaties) en beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
Gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruiksfunctie van dat gebouw.
Met de beoogde ontwikkeling worden (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties (planologisch) mogelijk gemaakt. Op basis van de gegevens uit de EV Signaleringskaart zijn de risico's in de omgeving bepaald. De uitsnede van deze kaart in figuur 5.3 weergegeven. De rode begrenzing toont het plangebied. Het plangebied ligt buiten een brand- en explosieaandachtsgebied. Het plangebied ligt buiten het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en ook niet in de nabijheid van buisleidingen. Ook maakt dit project geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk. Hieruit volgt dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect omgevingsveiligheid.
Figuur 5.3 Omgevingsveiligheid (bron: Register Externe Veiligheid)
Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen aanwezig. Voor het dichtbij zijnde radargrondstation in Burum is in artikel 13.1 regels opgenomen in dit TAM-omgevingsplan, zodat nieuwe bouwwerken met een bouwhoogte vanaf 22,00 m die zijn toegestaan op grond van de in dit TAM-plan opgenomen beoordelingsregels, niet worden gebouwd zonder een toetsing vooraf door het Ministerie van Defensie.
De maximale bouwhoogtes voor gebouwen binnen de in dit TAM-omgevingsplan aangewezen bestemming 'Bedrijventerreinen' bedraagt 10 meter. Hierdoor wordt de bouwhoogte van 22,00 meter niet overschreden en is er geen sprake van verstoring van het straalpad van het radargrondstation. Op basis van voorgenoemde vormt het aspect kabels en leidingen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op de bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeerdruk. Inzicht moet worden gegeven in de mobiliteitskeuzes en -strategie die zijn afgestemd op de doelgroepen, de kenmerken van de locatie en de te verwachten effecten. Ook dient te worden aangetoond dat het extra verkeer op een goede manier kan worden afgewikkeld en dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.
De beoogde ontwikkeling heeft gevolgen voor de parkeersituatie in de omgeving van het plangebied. Ook verandert het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. In het mobiliteitsprogramma van de gemeente Noardeast-Fryslân (zie 3.3.2) staat dat bij het toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen wordt aangesloten bij de meest recente parkeernormen van het CROW. De CROW-richtlijnen blijven dus net als in de huidige praktijk belangrijk bij de beoordeling van verkeer en parkeren. Het gaat hierbij om zowel om het autoparkeren als het fietsparkeren. Het CROW hanteert daarbij een bandbreedte met een minimum en maximum waarde. Daarbij wordt voor de gemeente Noardeast-Fryslân uitgegaan van de gemiddelde waarde. Daarbij wordt uitgegaan van een ‘niet stedelijke’ gemeente. Om deze reden wordt de toegevoegde verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 744) en ook de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling.
Toetsing verkeer
De beoogde ontwikkeling valt op basis van CROW kencijfers voor per netto ha bedrijventerrein onder een gemengd terrein. Hiervoor geldt per weekdag een verkeersgeneratie van 128 personenauto's en 30 vrachtauto's per ha. Voor het plangebied van circa 2 hectare betekent dit een verkeersgeneratie van 316 mvt/etmaal. Voor een werkdag is dit 421 mvt/etmaal.
De nieuw te realiseren bedrijven zullen worden ontsloten door een nieuw aan te leggen ontsluitingsweg. Deze ontsluitingsweg sluit aan op de Dwarsryd die verbonden is met de Willem Loréweg via de Sylsterryd. Hier gaan de verkeersbewegingen op in het heersend verkeersbeeld. Kavel 8 wordt ontsloten via de bestaande zuidelijke weg (Sylsterryd).
De ontsluiting van het plangebied zal niet leiden tot knelpunten. De verkeerstoename ten behoeve van de ontwikkeling is dermate klein dat het niet tot knelpunten zal leiden op het omliggende wegennet. Er is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte. Gezien de goede ontsluiting zal verkeer geen belemmering vormen voor het project.
Toetsing parkeren
Aan de hand van gemeentelijke parkeernormen is beoordeeld hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Voor 'werken, bedrijf arbeidsextensief' wordt een parkeernorm gehanteerd van 0,013 parkeerplaatsen per m2 BVO. Uitgaande van maximaal 16.201 m2 aan BVO geldt een parkeerbehoefte van 211 (210,6) parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeerplaatsen worden voorzien op het eigen terrein van de toekomstige bedrijfspercelen binnen het plangebied. Er wordt verwacht dat er op die manier voldoende invulling wordt gegeven aan de ontstane parkeerbehoefte binnen het plangebied. Er is vanuit parkeren geen belemmeringen voor het planvoornemen.
De voorgenomen ontwikkeling is getoetst op mobiliteit en parkeren. Het aspect mobiliteit en verkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een BOPA rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie en herbruikbaarheid. Daarnaast is er gekeken naar het gemeentelijke beleid van de gemeente Noardeast-Fryslân met betrekking tot de duurzaamheidsambities van de gemeente.
In de Omgevingsvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân is duurzaamheid een belangrijk thema. De energietransitie, circulariteit en omgevingskwaliteit zijn belangrijke onderdelen die een grote bijdrage kunnen leveren aan het verduurzamen van de gemeente.
In de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met duurzaamheid en klimaatadaptatie, door middel van inpassing van groen in het plangebied. Ten noorden van de nieuwe watergang worden de gronden ingericht als groengebied met houtsingel. De randen van het plangebied worden ingevuld met groenstructuren. Dit draagt bij aan onder andere de biodiversiteit, het vasthouden van water en het bieden van schaduw en verkoeling in de zomermaanden.
Het aspect 'duurzaamheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de gewenste ontwikkeling.
Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
In de omgevingsvisie van gemeente Noardeast-Fryslân wordt het belang van gezondheid benadrukt. De gemeente wil door middel van beschermen, bevorderen en faciliteren toe werken naar een gezonde leefomgeving. Een aantrekkelijke omgeving draagt bij aan gezondheid. Bedrijvigheid kan milieuhinder met zich mee brengen. Deze bedrijvigheid moet zoveel mogelijk gescheiden blijven van (milieu)hinder gevoelige functies, zoals woningen, scholen, kinderdagverblijven, verpleeg- en verzorgingstehuizen.
Een aantal van de omgevingsaspecten in dit hoofdstuk hebben een gezondheidscomponent, daarbij gaat het bijvoorbeeld om de aspecten geluid, geur en omgevingsveiligheid. Uit de verschillen paragrafen behorende tot hoofdstuk 5 wordt duidelijk dat binnen het plangebied geen sprake is van significante milieubelasting die van invloed kan zijn op de gezondheidssituatie.
Daarnaast sluit de ontwikkeling aan op de doelen van de gemeente op het gebied van gezondheid. De locatie voor het bedrijventerrein is zorgvuldig uitgekozen en ligt op ruime afstand van milieugevoelige functies. Hiermee wordt de gezonde leefomgeving beschermd.
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch planologische mogelijkheden en de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Noardeast Fryslân vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet, de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Fryslân.
Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt niet alle regels die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals dat op 1 januari 2024 geldt. De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die onderdeel uitmaken van de het tijdelijk omgevingsplan worden niet gewijzigd. Wel heeft afstemming plaatsgevonden op de bruidsschat en waar nodig zijn bruidsschatregels opgenomen die niet van toepassing zijn op het nieuwe deel van het omgevingsplan. Deze regels waren alleen van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Om ze ook van toepassing te laten zijn op deze wijziging moeten ze worden opgenomen, de bruidsschat (dus het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor dit deel) zelf wordt hiermee dus niet gewijzigd. Het is geen verplichting om deze regels uit de bruidsschat ook voor deze locatie te laten gelden, maar om uniformiteit in de regeling te behouden voor de gemeente is de keuze gemaakt om ze ook in dit wijzigingsbesluit op te nemen. Dit geldt voor aanvraagvereisten voor de omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid (artikel 22.284 van de bruidsschat).
In het toepassingsbereik is opgenomen welke regels worden gewijzigd met dit wijzigingsbesluit.
De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. De begripsbepalingen uit het Bbl, Bkl en Bal en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. Dit betekent dat bijvoorbeeld het begrip hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken niet meer in de begripsbepalingen voorkomt. Deze zijn opgenomen in het Bbl. Tevens zijn de aanvullende begrippen opgenomen die nodig zijn voor het wijzigingsbesluit.
In het algemene verbod is opgenomen dat alle niet genoemde functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan niet zijn toegestaan. Het algemene verbod zorgt ervoor dat alleen de genoemde functies en activiteiten zijn toegestaan. Wanneer sprake is van bestaande functies en activiteiten die niet zijn genoemd in de bestemmingen, dan zijn deze wel toegestaan. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van het inwerking treden van dit TAM-omgevingsplan.
Een omgevingsplan moet technisch voldoen aan de Omgevingswet standaarden STOP/TPOD. De wetgever heeft tot 1 januari 2026 gemeenten de mogelijkheid geboden om een omgevingsplan onder de Omgevingswet op te stellen op basis van de RO standaarden 2012 en te publiceren via www.ruimtelijkeplannen.nl en de overbruggingsfunctie van het Informatiehuis Ruimte naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het omgevingsplan conform TAM maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan, maar wordt technisch in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst.
Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de RO standaarden 2012 kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat bestemmingen. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt aangesloten op de regels uit bestemmingsplan Kollum Dorp, vastgesteld op 18 juni 2015 dat vanaf 1 januari 2025 deel uitmaakt van het Omgevingsplan van de gemeente Noardeast.
De bestemmingen bevatten gebruiksregels, bouwregels en aanleg regels (vergunningplichten voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).
Bedrijventerrein
De uitbreiding van het bedrijventerrein Dwarsryd heeft de functie Bedrijventerrein. Op dit terrein zijn bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan (zie paragraaf 4.8). Geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals opgenomen in bijlage VII van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bkl), en risicovolle inrichtingen, zoals opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zijn niet toegestaan. Dit betreft de bedrijfsactiviteiten die voorheen waren geregeld via respectievelijk de Wet geluidhinder en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en die op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan op basis van die regelingen ook al waren uitgesloten.
De beoordelingsregels voor het bouwen zijn afgestemd op de regels van het bestaande bedrijventerrein. Wel is omwille van de flexibiliteit voor de uitgifte van de gronden de inrichting van het bedrijventerrein niet juridisch vastgelegd.
Groen
De functie groen borgt de landschappelijke inpassing rond het bedrijventerrein. Binnen het groengebied zijn in beperkte mate ook ontsluitingswegen en paden mogelijk.
Bestaande watergangen maken ook deel uit van de inpassing, water is dan ook mogelijk binnen de functie groen. Daar waar sprake is van een beheerstrook voor de watergangen geldt aanvullend de functie Waterstaat - Waterlopen.
Verkeer
De hoofdontsluiting van de uitbreiding van het bedrijventerrein is als functie Verkeer aangewezen.
Water
De bestaande waterloop aan de noordzijde van het plan wordt deels ingebracht in het plangebied en is als functie water aangewezen. De waterlopen die deel uitmaken van de landschappelijke inpassing vallen binnen de functie groen.
Leiding - Riool
Het gebruik van de gronden voor de aanleg en instandhouding van de bestaande rioolpersleiding die langs het plangebied loopt is geborgd via de functie Leiding - Riool.
Waterstaat - Waterlopen
Voor de bestaande watergang ten noorden van het plan is een strook ten behoeve van onderhoud en beheer gereserveerd. Deze strook maakt eveneens onderdeel uit van de landschappelijke inpassing.
Beperkingengebied radar grondstation Buren
Het plangebied valt binnen de zone van het radarverstoringsgebied Buren waar geldt dat er geen hogere bebouwing dan 22 meter mag plaatsvinden. Het beperkingengebied 'vrijwaringszone - radar grondstation Burum' borgt dit. Overigens maakt deze wijziging van het omgevingsplan bouwwerken van deze hoogte niet mogelijk.
Binnen de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregels opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken).
De aanvraagvereisten voor de aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid zijn opgenomen, de motivering daarvan is opgenomen in paragraaf 5.1.
Verder zijn een aantal aanvullende beoordelingsregels opgenomen, zoals de verplichting uit het Bkl een vergunningvrij bouwwerk uit hoofdstuk 2 meldingplichtig te maken als dat gebouw bodemgevoelig is (artikel 14 lid 14.1), alsmede een aantal flexibliteitsregels (artikel 14 lid 14.2).
Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als gebruik.
Economische uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
Financiële uitvoerbaarheid
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft het juridisch-planologisch mogelijk maken van een bedrijventerrein in Kollum. De gemeente is grondeigenaar en geeft de kavels uit. De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de grondexploitatie om de ontwikkeling te realiseren. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
Kostenverhaal
Wie een woning, bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt, moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage is onder andere voor de kosten van het opstellen van plannen, het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet op het planologisch mogelijk maken van een bedrijventerrein in Kollum. De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit niet aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit.
Aangezien de gemeente Noardeast-Fryslân de gronden zelf in eigendom heeft, is het kostenverhaal niet aan de orde. De gemeente is zelf exploitant, waardoor de kosten voor rekening van de gemeente zijn. De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
Participatie is een belangrijk element binnen de Omgevingswet. Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein is een participatietraject gevolgd. Het doel van dit proces was om de betrokkenheid van de gemeenschap te verzekeren bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein en om de input van de betrokkenen op te nemen in het ontwerpproces.
Onder de Omgevingswet is informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg voor wijzigingen van het omgevingsplan is in de Omgevingswet juridisch niet geregeld. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken, kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd.
Voorts heeft de gemeente heeft het concept van deze wijzing van het omgevingsplan in het kader van het informeel vooroverleg toegestuurd aan de aan de volgende overlegpartners:
De ingekomen reacties zijn opgenomen in bijlage 10 en kort samengevat in paragrafen 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.4. Daarnaast heeft er participatie plaatsgevonden met de omgeving, zie hiervoor paragraaf 6.1.1.
In april 2024 hebben vertegenwoordigers van de gemeente Noardeast-Fryslân een participatiegesprek gehad met Plaatselijk Belang en 2 ondernemersverenigingen in Kollum (PB Kollum, HIM Kollum en OSK Kollumerland). In dit gesprek is de voorkeurslocatie van de ontwikkeling toegelicht en is alle beschikbare en openbare informatie met betrekking tot de ontwikkeling van bedrijventerrein in Kollum met de aanwezigen gedeeld. Alle betrokkenen konden zich unaniem vinden in de gekozen locatie. Daarnaast is afgesproken dat de betrokken partijen door de gemeente op de hoogte worden gehouden van de vorderingen van deze ontwikkeling.
In juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden met de bewoners van de naastgelegen woning. Zij hebben hun zorgen uitgesproken over de ruimtelijke inpassing van het bedrijventerrein. De gemeente heeft daarop de groenvoorzieningen aan de rand van het plangebied uitgebreid. De bewoners hebben de inloopmarkt bezocht en aangegeven dat ze tevreden zijn over de wijze waarop de bedrijven zijn ingepast in de omgeving en de beoogde groenvoorzieningen rond het nieuwe terrein.
Op 24 september 2025 is een inloopmarkt georganiseerd. Deze werd goed bezocht. Er is mogelijkheid geboden om reacties kenbaar te maken. Daar is goed gebruik van gemaakt. Deze reacties hebben niet geleid tot wijziging van het planvoornemen.
Op 4 juli 2024 is de gemeente in gesprek geweest met de provincie Fryslân over het planvoornemen. Het betrof een digitaal overleg tussen vertegenwoordigers van de gemeente en de provincie. Hierin zijn de landschappelijke inpassing en de watercompensatie onder de aandacht gebracht. In bijlage 9 is een korte weergave opgenomen van dit overleg. Naar aanleiding van dit overleg heeft de gemeente de plannen verder uitgewerkt.
De provincie constateert dat het plangebied in weidevogelkansengebied ligt, maar dat dit gebied hiervoor al is verstoord. Naar aanleiding van deze opmerking is deze constatering in de motivering opgenomen (paragraaf 4.6.3.3). Verder wordt aangegeven dat mogelijk bij de uitvoering een ontgrondingenvergunning en een vergunning Wnb nodig is. Inmiddels zijn deze vergunningen aangevraagd.
Het waterschap heeft per mails van 24 juli 2025 een aantal opmerkingen gemaakt en een aantal vragen gesteld. Naar aanleiding van deze opmerkingen en vragen is overleg geweest tussen het waterschap en de gemeente. Over de opmerkingen over het onderhoud, de hoofdwatergang en aanleghoogte zijn nadere afspraken gemaakt met het waterschap. De opmerkingen met betrekking tot de rioolpersleiding en de waterlopen (bouwverbod) zijn in de regels verwerkt.
Op 8 december 2025 is een watervergunning verleend, zie bijlage 6. De vergunning is verleend voor het dempen van een watergang, het graven en verbreden van een watergang, het verwijderen van toegangsdammen en het aanleggen van dammen met duiker, en andere activiteiten gerelateerd aan het bouwrijp maken van bedrijventerrein. In deze vergunning staan ook afspraken over het onderhoud.
Op 17 december 2025 heeft Wetterskip Fryslân aangegeven geen op- en/of aanmerkingen te hebben op het ontwerpplan en in te stemmen met het onderdeel 'Water' van voorliggend TAM-omgevingsplan.
Brandweer Fryslân is bij de planvorming betrokken. Dit advies is opgenomen in bijlage 10. Brandweer Fryslân voorzag in het plangebied knel-/ aandachtspunten met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorziening. In overeenstemming met het door de brandweer opgestelde advies op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) in relatie tot omgevingsveiligheid adviseerde Brandweer Fryslân daarom om:
Ook is er verdere afstemming geweest tussen de brandweer en Vitens. Bovenstaande inachtnemend heeft dit geleid tot de volgende definitieve planuitwerkingen:
Deze onderbouwing evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt ingevolge
artikel 16.66 van de Omgevingswet gedurende zes weken te inzage gelegd, waarbij
gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen.
Participatie
Voorafgaand aan het vaststellen van dit TAM-omgevingsplan is een participatieproces doorlopen. Dit proces is toegelicht in voorgaande paragraaf (6.1). Hieruit volgt dat zowel de omgeving als de provincie Fryslân positief tegenover het planvoornemen staan.
Ontwerp
Conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geldt voor de wijziging van
het omgevingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Als gevolg hiervan heeft het ontwerp van de wijziging van het omgevingsplan van 4 december 2025 tot en met 14 januari 2026 ter inzage gelegen. Eenieder heeft hierbij de mogelijkheid gehad een zienswijze in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Vaststelling
Het plan is ongewijzigd vastgesteld op 5 maart 2026. Er zijn geen wijzigingen aangebracht in de regels of verbeelding. Naar aanleiding van de reacties van de ketenpartners is de motivering wel tekstueel aangepast. Dit betreft een aantal aanpassingen in de tekst van de motivering met betrekking tot de weidevogelcompensatie en de afspraken die zijn gemaakt met het waterschap. Deze tekstuele aanpassingen hebben geen gevolgen voor de regels en bijbehorende verbeelding.
Na publicatie van het besluit tot vaststelling kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit omgevingsplan ziet toe op een afronding van het bedrijventerrein Dwarsryd aan de noordzijde van Kollum, waarbij het nieuwste deel van het bedrijventerrein op een -planologisch gezien- logische manier wordt aangesloten bij het oudere deel. De kosten voor de wijziging van het omgevingsplan worden gedragen door de initiatiefnemer, oftewel de gemeente Noardeast-Fryslân. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer.
De Omgevingswet bepaalt dat het bestuursorgaan de kosten die het vanwege bij die maatregel aangewezen kostensoorten maakt, verhaalt op degene die bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bouwactiviteiten of activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie verricht, voor zover:
In het Omgevingsbesluit zijn de kostensoorten opgenomen die verhaalbaar zijn, waaronder “De kosten van het vaststellen van een omgevingsplan of een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek”. Het voorliggende project is daarmee een verhaalbare kostensoort.
De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om het kostenverhaal via een overeenkomst te regelen. Voor dit project wordt dit op deze wijze geregeld. Er zijn geen aanwijzingen dat het voorliggende plan economisch niet uitvoerbaar is.
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de deze wijziging van het omgevingsplan, nader onderzocht in deze motivering.
Afweging
Met de beoogde ontwikkeling wordt een uitbreiding van het bedrijventerrein Dwarsryd in Kollum mogelijk gemaakt. Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau zoals behandeld in hoofdstuk 3 en veroorzaakt geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl. In hoofdstuk 4 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende milieu wet- en regelgeving.
In de beoordeling is gebleken voor de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân kan gewijzigd worden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling.