direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Kollum - Uitbreiding bedrijventerrein Dwarsryd
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1970.TAMopKoDwarsryd-VA01

Regels

Preambule

Dit plan beoogt de realisering van de uitbreiding van het bedrijventerrein Dwarsryd te Kollum. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân.


De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk [22h] van het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân.


In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22h]' gelezen worden.


In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22h]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 omgevingsplan

het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân;

1.2 toepassing omgevingsplan

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken;

1.3 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan met identificatienummer NL.IMRO.1970.TAMopKoDwarsryd-VA01 van de gemeente Noardeast-Fryslân;

1.4 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.5 bebouwingspercentage:

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd;

1.6 bestaand:

het gebruik dat en/of de bebouwing die ten tijde van het inwerkingtreden van het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan Noardeast-Fryslân legaal plaatsvindt, respectievelijk aanwezig is, dan wel bebouwing die kan worden gebouwd krachtens een verleende omgevingsvergunning;

1.7 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.8 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.9 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.10 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.11 detailhandelsactiviteit:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.12 e-commerce:

handelsactiviteiten via elektronische netwerken, voornamelijk internet, waarbij goederen en diensten hoofdzakelijk  online worden gekocht en verkocht;

1.13 nutsvoorziening:

een voorziening ten behoeve van milieuvoorzieningen, de telecommunicatie, de waterhuishouding, natuurbeheer en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval wordt verstaan bergbezinkbassins, centrale voorzieningen voor de afvalinzameling en zendmasten;

1.14 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand;

1.15 peil:
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst, de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw dan wel het aansluitend afgewerkte maaiveld;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil dan wel het ter plaatse geldende waterpeil;

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit TAM-omgevingsplan wijzigen de regels van het Omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân aan, op de locatie als bedoeld onder c, zoals opgenomen in artikel 3 (Agrarisch met waarden - open gebied), artikel 9 (Groen), artikel 21 (Leiding - Riool) en artikel 23 (Waterstaat - Waterlopen) van het bestemmingsplan Kollum Dorp, vastgesteld op 18 juni 2015.
  • b. De regels van het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân blijven onverminderd van toepassing op de locatie bedoeld onder d, voorzover de regels van dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd.
  • c. De regels van het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân, met daarbij inbegrepen afdeling 22.2 en afdeling 22.3 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, blijven buiten toepassing indien er sprake is van strijdigheid met de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • d. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Kollum - Uitbreiding bedrijventerrein Dwarsryd', waarvan de geometrische planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1970.TAMopKoDwarsryd-VA01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens:

tussen de (zijdelingse) grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend gebouw, waar die afstand het kortst is;

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.3 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk, niet bedoeld een overkapping:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.6 de oppervlakte van een overkapping:

tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Bedrijventerrein

5.1 Gebruiksregels
5.1.1 Toegestaan gebruik

In het voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. bedrijfsactiviteiten met inbegrip van e-commercebedrijven als genoemd in de milieucategorieën 1 tot en met 3.1 van de bij dit TAM-Omgevingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, alsmede bedrijfsactiviteiten die naar aard en effecten voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, daarmee gelijk te stellen zijn;

met de daarbij behorende:

  • b. groenvoorzieningen;
  • c. openbare nutsvoorzieningen;
  • d. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;
  • e. water.

5.1.2 Verbod

In het voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik verboden:

  • a. (bedrijfs)wonen;
  • b. detailhandelsactiviteiten anders dan ondergeschikt aan en direct voortvloeiend uit de activiteiten van een bedrijf;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en gebouwen ten behoeve van bedrijfsactiviteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in bijlage VII van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met artikel 5.39 van dat besluit;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van zelfstandige opslagunits;
  • f. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van opslag voor de naar de weg gekeerde gevel;
  • g. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor zelfstandige kantoren.
5.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
5.2.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. het bebouwingspercentage bedraagt per bouwperceel niet meer dan 75%;
  • b. de goothoogte van een gebouw of overkapping bedraagt niet meer dan 6,00 m;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw of overkapping bedraagt niet meer dan 10,00 m;
  • d. de afstand van een gebouw of overkapping tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt niet minder dan 3,00 m;
  • e. de afstand van een gebouw tot de weg bedraagt niet minder dan 5,00 m.

5.2.2 Bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 1,00 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn ten hoogste 2,00 m mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 10,00 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van reclamemasten ten hoogste 4,50 m bedraagt.

Artikel 6 Groen

6.1 Gebruiksregels

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. water;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. ontsluitingswegen en paden;
  • d. openbare nutsvoorzieningen.
6.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
6.2.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

6.2.2 Bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 1,00 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van de andere overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt ten hoogste 2,00 m bedragen.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Gebruiksregels

In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. wegen, met dien verstande dat het aantal rijstroken van de wegen niet meer dan 2 mag bedragen;
  • b. fiets- en voetpaden;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. groenvoorzieningen;
  • d. openbare nutsvoorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. waterlopen.
7.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
7.2.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

7.2.2 Bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, geldt de volgende beoordelingsregel:

  • de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, bedraagt ten hoogste 3,00 m.

Artikel 8 Water

8.1 Gebruiksregels

In het voor 'Water' aangewezen gebied is het volgende gebruik en zijn de volgende functies toegestaan:

  • a. water en oeverstroken;
  • b. bruggen, dammen en daarmee gelijk te stellen waterstaatkundige kunstwerken;
  • c. ligplaatsen en aanlegplaatsen;

met de daarbijbehorende:

  • d. openbare nutsvoorzieningen.

8.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
8.2.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

8.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van bruggen bedraagt niet meer dan 5,00 m;
  • b. de bouwhoogte van steigers bedraagt ten hoogste 2,00 m;
  • c. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 3,00 m.

Artikel 9 Leiding - Riool

9.1 Gebruiksregels

In het voor 'Leiding - Riool' aangewezen gebied zijn, behalve voor het andere daar toegestane gebruik, mede bedoeld voor de aanleg en de instandhouding van een ondergrondse rioolpersleiding.

9.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
9.2.1 Gebouwen en overkappingen

In afwijking van het bepaalde bij de andere functies mogen op de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden geen gebouwen worden gebouwd.

9.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In afwijking van het bepaalde bij de andere functies gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende beoordelingsregels:

  • a. er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de functie 'Leiding - Riool' worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 meter bedragen.
9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

 

9.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde functies en gebruiksmogelijkheden, een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het aanbrengen en rooien van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting;
  • b. het wijzigen van het maaiveldniveau door bijvoorbeeld ontgronding of ophoging;
  • c. het verrichten van grondroeractiviteiten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • d. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
  • e. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
  • g. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • h. het indrijven van voorwerpen in de bodem.

9.3.2 Uitzondering vergunningsplicht

Het bepaalde in lid 9.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. voorkomen op de beplantingslijst van de leidingbeheerder;
  • b. mechanisch worden uitgevoerd en daarmee vallen onder de werking van de Wet informatie Uitwisseling Ondergrondse Netwerken;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
  • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • e. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en).

9.3.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien uit vooraf ingewonnen advies bij de betreffende leidingbeheerder is gebleken dat hiertegen uit oogpunt van doelmatig leidingbeheer geen bezwaar bestaat.

Artikel 10 Waterstaat - Waterlopen

10.1 Gebruiksregels

In het voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gebied zijn, behalve voor het andere daar toegestane gebruik, mede bedoeld voor het de bescherming en het beheer van de watergang.

10.2 Bouwregels
10.2.1 Gebouwen en overkappingen

In afwijking van het bepaalde bij de andere functies mogen op de voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gronden geen gebouwen worden gebouwd.

10.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In afwijking van het bepaalde bij de andere functies gelden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende beoordelingsregels:

  • a. er mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de functie 'Waterstaat - Waterlopen' worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 meter bedragen.
10.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.3.1 Vergunningsplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde functies en gebruiksmogelijkheden, een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het aanbrengen en rooien van hoogopgaande en/of diepwortelende beplanting;
  • b. het wijzigen van het maaiveldniveau door bijvoorbeeld ontgronding of ophoging;
  • c. het verrichten van grondroeractiviteiten (bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage) anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • d. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
  • e. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
  • g. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;
  • h. het indrijven van voorwerpen in de bodem.

10.3.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 10.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-Omgevingsplan;
  • b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • c. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de watergangen.

10.3.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien uit vooraf ingewonnen advies bij de betreffende waterbeheerder is gebleken dat hiertegen uit oogpunt van doelmatig waterbeheer geen bezwaar bestaat.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de te gebruiken materialen;
  • b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
  • c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

Artikel 13 Beperkingengebied

13.1 vrijwaringszone - radar grondstation Burum

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar grondstation Burum' mogen nieuwe bouwwerken met een bouwhoogte vanaf 22,00 m die zijn toegestaan op grond van de in dit TAM-plan opgenomen beoordelingsregels niet worden gebouwd zonder een toetsing vooraf door het Ministerie van Defensie. Uit de toetsing dient te zijn gebleken dat geen ontoelaatbare verstoring van de ontvangst van het aanwezige grondstation plaatsvindt.

Artikel 14 Algemene bouwregels

14.1 Bodemgevoelig gebouw bouwen
14.1.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw

Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie geldt een meldingplicht.

14.1.2 Indieningsvereisten melding
  • a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl, dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij het bevoegd gezag.
  • b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste;
    • 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
    • 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
    • 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
    • 4. de dagtekening; en
    • 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;
    • 6. 1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.
14.2 Afwijken van de beoordelingsregels

Bij de beoordeling van vergunningplichtige bouwactiviteiten als bedoeld in hoofdstuk 2 kan in onderstaande gevallen worden afgeweken van de beoordelingsregels:

  • a. maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van de oppervlaktematen, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, openbaar vervoer, bediening van kunstwerken, sanitaire voorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    • 1. de oppervlakte per gebouw ten hoogste 50 m² mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van een gebouwtje ten hoogste 3,00 m mag bedragen;
  • c. het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in die zin dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 10,00 m;
  • d. het bouwen van openbare nutsgebouwen, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, kiosken, gebouwen ten behoeve van de bediening van kunstwerken, lichtmasten, toiletgebouwen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken, mits:
    • 1. de inhoud per gebouw niet meer dan 100 m3 bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van gebouwen niet meer dan 3 meter bedraagt;
    • 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken ten hoogste 15 meter bedraagt.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan.
15.2 Overgangsrecht gebruik

Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan bestaand gebruik, zijn de volgende overgangsregels van toepassing voor gebruik:

  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.