| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Hantum - Titus Conradistrjitte-Smidstrjitte |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1970.TAMopHtSmidstrj-VA01 |
Het voornemen bestaat om aan de noordzijde van Hantum (gemeente Noardeast-Fryslân) , op een perceel ten noorden van de Smidstrjitte, negen tot 12 woningen te ontwikkelen. Het perceel is momenteel in gebruik als grasland. Het westelijk deel van het perceel zal worden ingevuld met woningbouw. Het plan kent enige flexibiliteit qua uiteindelijke invulling: er kunnen zowel rijenwoningen als twee- onder een kap en vrijstaande woningen worden gebouwd. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de bestaande juridisch-planologische kaders. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Onderhavig plan voorziet hierin.
Voor de wijziging van het omgevingsplan wordt gebruik maken van de techniek TAM-IMRO. Dit betekent dat de techniek voor planvorming zoals gebruikt onder de Wro tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. De techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Om het omgevingsplan volgens TAM-IMRO te kunnen opstellen, moet het ontwerp-omgevingsplan voor 1 januari 2026 door de gemeente ter inzage worden gelegd. Na deze datum vervalt de mogelijkheid om een TAM-IMRO omgevingsplan in procedure te brengen.
De locatie is gelegen ten noorden van de Smidstrjitte in Hantum, aan de noordzijde van het dorp. Het betreft het kadastraal perceel 722 F. Bijgaande figuur geeft de ligging van het plangebied weer. In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit een agrarisch stuk grond dat grenst aan bebouwing van de kern Hantum. Het plangebied is momenteel volledig onbebouwd.
Begrenzing plangebied
De uitbreiding vindt plaats op een grasland aan de rand van het dorp. Een enkele straat met parkeerplaatsen ontsluit de woningen en sluit aan op de Smidstrjitte. De uitbreiding loopt tot aan een dwarssloot van de Ternaarder Feart en blijft op afstand van deze vaart. Vooralsnog zal de oostzijde landschappelijk worden 'afgehecht' waardoor er een landschappelijke rand tussen dorp en het open agrarische land ontstaat. De noordzijde ligt aan water en bestaat uit een oever met bomen en eventueel steigers.
Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Smidstrjitte, aan de oostzijde door de Ternaarder Feart, aan de noordzijde door een sloot die is verbonden met de Ternaarder Feart en aan de westzijde door woningbouwpercelen aan de Titus Conradistrjitte en de Smidstrjitte.
figuur: ligging plangebied
De planologische mogelijkheden van het perceel zijn geregeld in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân. De regels uit het bestemmingsplan ‘Doarpen’, onherroepelijk geworden op 25 juni 2010, zijn van toepassing. Het perceel heeft de bestemming 'Agrarisch-Cultuurgrond'. De gronden zijn bestemd voor cultuurgrond en er is geen bouwvlak opgenomen. In het westelijk deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol en/ of cultuurhistorisch waardevol gebied’. In bijgaand figuur is een uitsnede uit het bestemmingsplan ‘Doarpen’ opgenomen.
Strijdigheid met het omgevingsplan
Woningbouw is op grond van het omgevingsplan niet mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met het vigerende omgevingsplan omdat de functie wonen niet is toegestaan en er op het perceel geen bouwmogelijkheden zijn. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, moet voor het plangebied het planologisch kader worden gewijzigd via een wijziging van het omgevingsplan.
Figuur: Uitsnede bestemmingsplan Doarpen (bron: Regels op de Kaart)
De opbouw van de motivering is als volgt:
In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit een agrarisch stuk grond dat grenst aan bebouwing van de kern Hantum. Het plangebied is momenteel volledig onbebouwd en in gebruik als grasland. In bijgaande figuur is een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied en de directe omgeving weergegeven.
Figuur : Luchtfoto huidige situatie projectgebied (bron: basisviewer Rho)
De uitbreiding vindt plaats op een perceel grasland aan de rand van het dorp. Een enkele straat met parkeerplaatsen ontsluit de woningen en sluit aan op de Smidstrjitte. De uitbreiding loopt tot aan een dwarssloot van de Ternaarder Feart en blijft op afstand van deze vaart. Vooralsnog zal de oostzijde landschappelijk worden afgehecht waardoor er een landschappelijke rand tussen dorp en het open agrarische land ontstaat. De noordzijde ligt aan water en bestaat uit een oever met bomen en eventueel steigers. Het ontwerp voor de woningbouwlocatie is opgenomen in onderstaand figuur en als bijlage 1.
De wens bestaat om het plangebied wat flexibel in te richten qua hoeveelheid en type woningen. Het stedenbouwkundig ontwerp is met het oog op deze gewenste flexibiliteit als volgt vertaald in regels en kaart:
Ter plaatse van kavel 1 t/m 4 is één bouwvlak opgenomen waarbinnen maximaal 6 woningen kunnen worden gebouwd. Hier kunnen vrijstaande woningen, twee-onder-eenkapwoningen en/of rijwoningen worden gebouwd. Ter plaatse van kavel 7 t/m 9 is eveneens één bouwvlak opgenomen. Hier kunnen maximaal 4 woningen (vrijstaand en/of twee-onder-een kap) worden gebouwd. Op kavel 5 en 6 komen twee vrijstaande woningen. Daarvoor is één bouwvlak opgenomen. Op deze wijze kunnen er binnen het plangebied zowel rijwonigen als twee- onder een kap en vrijstaande woningen worden gebouwd.
Figuur: uitbreidingsplan Hantum , concept d.d. 07-05 2025
Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 2). Het beeldkwaliteitsplan beschrijft de gewenste beeldkwaliteit van de bebouwing en de buitenruimte en bevat toetsbare criteria. Het is een verbindend element tussen landschap, architectuur en stedenbouw. Het plan geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de vormgeving van bebouwing en de inrichting van de ruimte. In het plan worden concrete regels gegeven waar de inrichting van de openbare ruimte en bouwwerken zichtbaar vanuit de openbare ruimte aan moeten voldoen. Het doel is om de nieuwbouw goed te laten aansluiten bij het dorpse karakter en de kwaliteiten van Hantum.
De architectuur van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte sluit aan op het voorkomen van de meer noordelijk gelegen Conradistrjitte. Aan de westzijde van de ontsluitingsweg liggen geschakelde woningen, de noord- en oostzijde bestaat uit vrijstaande woningen. Het betreft een redelijke traditionele bouwwijze van één laag met kap. Kapvormen zijn beperkt tot zadel- schild of mansardekap, eventueel afgeknot of met wolfseinden. Nokrichting van de vrijstaande huizen zijn haaks of gelijk aan de openbare weg. De geschakelde woningen hebben nokken gelijk aan de openbare weg, i.e. parallel. Er is geen vaste voorgevelrooilijn maar minstens 60% van de voorgevel dient parallel te zijn aan de straat.
Het plan kent enige flexibiliteit qua uiteindelijke invulling: er kunnen zowel rijwoningen als twee- onder een kap en vrijstaande woningen worden gebouwd. De woningen zijn gericht op de openbare weg en kennen een kantige opzet, refererend naar traditionele bouw. Aan- en bijgebouwen zijn duidelijk op afstand van de voorgevel. Erkers zijn mogelijk maar ondergeschikt. Woningen zijn hoofdzakelijk opgetrokken uit baksteen in metselwerkverband. Minstens 60% van de voorgevel is parallel aan de straat. De woonhuizen liggen achter een groen ingerichte voortuin. Erfscheidingen voor de voorgevel bestaan hoofdzakelijk uit plantgoed en zijn lager dan één meter.
Door de openheid van het aangrenzende open landschap te respecteren zijn de erfafscheidingen aan de oostzijde van het plangebied niet hoger dan 1 meter.
Vanwege de ligging buiten bestaand stedelijk gebied en aan de rand van het dorp Hantum, is het belangrijk dat de woningbouwontwikkeling goed landschappelijk wordt ingepast. Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 3) dat aansluit op het stedenbouwkundig ontwerp en het beeldkwaliteitsplan. De groenstrook aan de noord- en oostzijde is beeldbepalend voor het aangrenzende landschap. Deze groenstrook bestaat uit bomen die op de uit te geven gronden worden geplant. Borging van de groenstrook is gelegen in de bestemming 'Groen' ter plaatse van deze strook, de voorwaardelijke verplichting welke is opgenomen in artikel13.2 van de regels en de overeenkomst met de eigenaren van de nieuw te bouwen woningen.
Algemeen
Bij het maken van plannen is het betrekken van de omgeving van groot belang. Zo komt de initiatiefnemer er achter wat anderen van de plannen vinden. De plannen kunnen ook nog worden aangepast als dat nodig is. Het geeft draagvlak en begrip bij anderen en het voorkomt vaak dat later bezwaar wordt gemaakt. In artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit is bepaald dat de gemeente in het vaststellingsbesluit van het omgevingsplan moet motiveren hoe er participatie heeft plaatsgevonden.
Inloopbijeenkomst
Op 15 april heeft een inloopbijeenkomst plaatsgevonden. Het verslag van de inloopbijeenkomst is opgenomen als bijlage 4.
Verder hebben er drie gesprekken plaatsgevonden met omwonenden. Aan de hand van deze gesprekken en de input die is aangeleverd tijdens de inloopbijeenkomst is het plan nog aangepast. De verwachting is dat het voorliggende plan goed aansluit bij de verwachtingen van het dorp en dat de omwonenden zich er ook in kunnen vinden ondanks de bezwaren in verband met uitzicht en privacy.
Onder de Omgevingswet is informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg voor BOPA's en wijzigingen van het omgevingsplan is in de Omgevingswet juridisch niet geregeld. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd. De gemeente Noardeast-Fryslân zal haar vaste overlegpartners in het kader van het vooroverleg op de hoogte brengen van de beoogde ontwikkeling. De gemeente zal de ketenpartners verzoeken aan te geven of er specifieke aandachtspunten aan de orde zijn waarmee rekening dient te worden gehouden bij de planontwikkeling.
Met het Wetterskip is al uitgebreid vooroverleg geweest. De resultaten hiervan zijn verwerkt in paragraaf 5.17.
Het ontwerpplan heeft van 24 juli t/m 3 september 2025 ter inzage gelegen voor de overlegpartners. Van de ketenpartners Brandweer, Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân zijn overlegreacties ontvangen, welke in bijlage 5 zijn opgenomen. De overlegreacties van Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân zijn verwerkt in de motivering. Met het advies van Brandweer Fryslân wordt als volgt omgegaan:
In het plangebied wordt een weg aangelegd die voldoet aan de eisen van de Brandweer. De weg heeft minimaal 4,5 meter vrije breedte, heeft minimaal 4,2 meter vrije ruimte in de hoogte en is in de breedte minimaal 3,25 meter verhard. De weg is berekend op een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton. De weg is ontworpen voor twee richtingsverkeer met een breedte van 5 meter. Bij de dimensionering van de constructie is rekening gehouden met de maximaal toelaatbare as-lasten. Daarmee voldoet de weg aan de door de brandweer gestelde eisen.
De weg wordt voldoende breed. Bij de T-splitsing is een keermogelijkheid. De vuilnisauto moet hier ook keren.
Tussen kavel 2 en 3 wordt een brandkraan aangelegd. Hierover is contact gezocht met Vitens. Vitens neemt dit mee.
Het ontwerpplan heeft van 24 juli t/m 3 september 2025 ter inzage gelegen voor inspraak. Er zijn geen inspraakreacties ontvangen.
Het ontwerpbesluit om het omgevingsplan te wijzigen heeft van 11 december 2025 tot en met 21 januari 2026 ter inzage gelegen. Provincie Fryslân heeft een zienswijze ingediend vanwege het ontbreken van een nadere uitwerking en borging van de inrichting van de openbare ruimte, de groenzone langs het water als ook de beplantingsrand aan de oostzijde. Op basis hiervan is paragraaf 2.2.3 opgenomen waarin de landschappelijke inpassing wordt toegelicht. De landschappelijke inpassing is in de regels geborgd.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we ‘nationale belangen’. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden van nationale belangen zijn:
Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad.
Beoordeling
Met voorliggend plan wordt een bijdrage geleverd aan de grote woningbehoefte die bestaat. Binnen Bestaand stedelijk gebied (BSG) zijn er geen gronden beschikbaar die de voorliggende ontwikkeling kunnen faciliteren. De realisatie aansluitend aan BSG wordt vormgegeven op een wijze dat het aangrenzende landschap beleefbaar blijft. Er zijn bovendien geen bijzondere landschappelijke kwaliteiten aanwezig waaraan afbreuk wordt gedaan met voorliggend initiatief. Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met de doelen en ambities uit de NOVI.
Conclusie rijksbeleid
De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI. De ontwikkeling draagt bij aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken. De ontwikkeling is niet in strijd met het gestelde in het rijksbeleid.
Het omgevingsprogramma richt zich op de uitwerking en uitvoering van het erfgoedbeleid dat voor de provincie Fryslân is vastgelegd in de nu geldende omgevingsvisie De Romte diele. In de omgevingsvisie is aangegeven dat de onderwerpen van het Friese erfgoed de volgende zijn:
Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 is uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met 9 principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het ja, mits principe, aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud.
Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken:
Als uitgangspunt geldt dat veranderingen niet tegen moeten worden gehouden, maar dat ambities worden gerealiseerd door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten.
Beoordeling
Het plangebied vormt een overgang tussen het landelijk gebied en de bestaande bebouwing van het dorp. Met de inrichting van het plangebied wordt hierop ingespeeld. Hierdoor past de planontwikkeling binnen het principe van omgevingskwaliteit als ontwerpbasis.
Conclusie
De mogelijkheden die in deze wijziging van het omgevingsplan worden geboden passen binnen het beleid van de provinciale omgevingsvisie.
Op 8 februari 2024 is de Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.
De denklijn van het principe van ‘ja, mits’ en ‘decentraal wat kan’ zijn in de verordening verder doorgetrokken. Minder dan voorheen worden vooraf harde grenzen vastgelegd. Vanuit meer kwalitatieve kaders worden mogelijkheden gegeven voor ontwikkeling, met waarborgen voor andere belangen en waarden.
Van belang daarbij is het volgende: de ruimtelijke inrichting en ordening van de fysieke leefomgeving kent twee kanten: bescherming (van waarden) enerzijds en ontwikkeling anderzijds. Die twee moeten in een evenwichtige verhouding staan. Ook is het van belang om te onderkennen dat er verschil in belangen kan bestaan. De initiatiefnemer heeft altijd een ‘buurman’ of omgeving die te maken krijgt met de effecten van een ontwikkeling. De Omgevingswet vraagt expliciet om betrokkenheid van die omgeving. De ‘mits’ van ’ja, mits’ dient ook invulling te worden gegeven met behulp van participatie.
Beoordeling
De volgende artikelen zijn van toepassing op de woningbouwontwikkeling in Hantum:
Artikel 2.2
Dit artikel stelt dat een ruimtelijk inrichtingsplan moet worden opgesteld met behulp van een omgevingstafel wanneer een nieuwe activiteit buiten BSG aanzienlijke effecten op de omgevingskwaliteiten heeft.
In voorliggend geval is er geen sprake van aanzienlijke effecten op omgevingskwaliteiten. Evenwel zijn een beeldkwaliteitsplan en een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarin de bestaande kwaliteit van het plangebied en de directe omgeving als uitgangspunt zijn genomen.
Artikel 2.3
Een omgevingsvergunning, die voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat voor die functies een onderbouwing van het principe van zuinig en meervoudig ruimtegebruik, waaruit tenminste blijkt:
In het geval een nieuwe stedelijke functie wordt toegedeeld buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden onderbouwd waarom die functie redelijkerwijs niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.
De ontwikkeling wordt gerealiseerd buiten bestaand stedelijk gebied. Binnen de grenzen van het dorp Hantum bevinden zich geen geschikte locaties om aan de gewenste woningbouwbehoefte te voldoen. In paragraaf 5.3 wordt dieper ingegaan op de behoefte die bestaat (toets aan de Ladder van duurzame verstedelijking).
Artikel 2.4
Een afwijking van het omgevingsplan dat voorziet in nieuwe functies of uitbreiding van bestaande functies buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat voor die functies een onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen.
Het voorliggende initiatief sluit aan op de noord-oostelijke bebouwingsrand van het dorp Hantum en vormt daarmee een logische locatie voor een uitbreiding met woningbouw. De leefbaarheid van het dorp wordt door het toevoegen van de woningen vergroot. Door het ontwerp van de uitbreiding blijft de impact op het landschap beperkt. De woningen worden duurzaam gebouwd.
Artikel 2.6
Bij een afwijking van een omgevingsplan mogen op gronden buiten het bestaand stedelijk gebied nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies, indien deze aansluiten op het bestaand stedelijk gebied en wat betreft aard en schaal passen bij de stad of het dorp.
In voorliggend geval is hiervan sprake. De uitbreiding voorziet in de bouw van 9 tot 12 woningen. Dit sluit qua omvang aan op de schaal van het dorp Hantum. Ook de aard van de voorgenomen bebouwing (twee onder één kap, vrijstaand dan wel rijenwoningen) is passend voor een dorp als Hantum. De uitbreiding sluit qua omvang en typologie aan op de bestaande woningbouw aangrenzend aan het plangebied. Bovendien wordt de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd door middel van een beeldkwaliteitsplan en een landschappelijk inpassingsplan, zodat een zorgvuldige landschappelijke afronding ontstaat. In het beeldkwaliteitsplan is de bestaande kwaliteit van het plangebied en de directe omgeving als uitgangspunt genomen. Het landschappelijk inpassingsplan is met dit plan juridisch geborgd. De motivering van dit omgevingsplan beschrijft de gewenste situatie en gaat in op de milieu- en omgevingsaspecten. Hieruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit van de dorpsuitbreiding is gewaarborgd.
Artikel 2.7 Programmering woningbouw
In dit artikel is aangegeven dat een ruimtelijk plan nieuwe woningen kan bevatten, wanneer deze passen binnen de regionale woningbouwafspraken. In afwijking hiervan kan een omgevingsplan woningen bevatten overeenkomstig bilaterale woningbouwafspraken, vooruitlopend op de eerstvolgende herijking van de regionale woningbouwafspraken.
In de meest recente woondeal is het totaal aantal te realiseren woningen gesteld op minimaal 1425 woningen. Het voorliggende plan van Hantum is hierin meegenomen, daarnaast is het als sleutelproject opgenomen omdat er een WBI-subsidie uit het rijk op het plan is toegekend. Ook blijkt uit het meest recente woonbehoefteonderzoek dat er een vraag is van de toevoeging van 15 woningen, in verschillende prijsklassen en voor verschillende doelgroepen (jongeren, gezinnen, ouderen zonder zorgvraag). Voor al deze groepen, buiten de sociale huur, is voorzien in het voorliggende plan. Naast de cijfermatige onderbouwing en de regionale afspraken, is het plan ook opgesteld in samenspraak met het dorp.
Conclusie
De mogelijkheden die in deze wijziging van het omgevingsplan worden geboden passen binnen de regels van de omgevingsverordening Provincie Fryslân.
Wetterskip Fryslân is verantwoordelijk voor de veiligheid (sterke dijken), het bewaken van de waterkwaliteit, een goed waterpeil, voldoende water en het zuiveren van afvalwater. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering. Het beheersgebied is de provincie Fryslân en een deel van het Groninger Westerkwartier.
In 2023 heeft het Wetterskip de toekomstvisie vastgesteld. De visie geeft inhoud voor het Fries Programma Landelijk Gebied en de Provinciale Omgevingsvisie. Voor het ontwikkelen van beleid en plannen over water, bodem en ruimte is de visie de basis. Wetterskip Fryslân gebruikt de visie ook om bestaande plannen, zoals het Waterbeheerprogramma 2022-2027, te herzien. Dit Waterbeheerprogramma 2022-2027 is nu nog het geldende plan en geeft inzicht in de maatregelen en ruimtelijke keuzes om onder meer klimaatverandering op te kunnen vangen.
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft Wetterskip Fryslân aan hoe zij het watersysteem inricht om te zorgen voor schoon en voldoende water en veiligheid achter de dijken. Het waterbeheerprogramma is een doorvertaling van de provinciale omgevingsvisie en het bijbehorend regionaal waterprogramma (RWP).
Het waterbeheerprogramma bestaat enerzijds uit het regulier beheer op basis van de drie kernthema's 'waterveiligheid', 'voldoende water' en 'schoon water' en anderzijds uit de uitdagingen met de daar bijbehorende opgaven zoals de verandering van het klimaat, de verstoring van de ecologie en de veranderende relatie tussen overheid en samenleving.
Dit programma is in samenwerking met de Provincie Fryslân opgesteld. De provincie is verantwoordelijk voor het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 dat het kader is voor het waterbeheerprogramma.
Het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 is op 30 november 2022 vastgesteld door Provinciale Staten. In dit programma legt de provincie het beleid voor waterbeheer vast voor de planperiode. In de omgevingsverordening Fryslân zijn regels opgenomen die gaan over veiligheid en water.
Het hoofddoel is dat de provincie Fryslân in 2050 zoveel mogelijk waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. In het Waterprogramma zijn de doelen in programmalijnen opgenomen voor klimaatadaptatie, waterveiligheid, voldoende water en waterkwaliteit. De uitwerking vindt plaats door de waterschappen.
De waterschapsverordening Wetterskip Fryslân bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het Wetterskip stelt binnen haar beheersgebied.
Wetterskip Fryslân heeft ervoor gekozen om met de inwerkingtreding van de Omgevingswet beleidsluw over te gaan. Dit houdt in dat de waterschapsverordening qua vorm en opzet volledig voldoet aan de uitgangspunten van de Omgevingswet.
In de Omgevingsverordening provincie Fryslân zijn in hoofdstuk 3 de instructieregels met betrekking tot water opgenomen. In paragraaf 5.17 wordt ingegaan op het wateraspect met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hierna wordt een overzicht gegeven van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Omgevingsvisie Noardeast-Fryslân
De Omgevingsvisie geeft de gewenste ontwikkeling weer van de fysieke leefomgeving. Dat is de omgeving waarin ons dagelijkse leven plaatsvindt, waarin we met elkaar wonen, werken, leren, voor elkaar zorgen, ontspannen en ons verplaatsen. De Omgevingsvisie gaat over de natuurlijke én de door de mens gevormde omgeving. Fitaal, sûn, ûndernimmend, duorsum en oantreklik zijn de doelen waar de gemeente nu en de komende jaren aan werkt.
Om het takomstperspektyf in 2030 te bereiken ziet de gemeente vier integrale kernopgaven voor zich. We werken aan het behouden en versterken van:
Om een aantrekkelijke woongemeente te blijven streven we naar voldoende en een passend aanbod van woningen van goede kwaliteit. We willen ervoor zorgen dat starters en jonge gezinnen in onze gemeente betaalbare woningen kunnen kopen of huren. Er zijn ook meer woningen nodig voor ouderen omdat het aantal ouderen nog verder toeneemt. Bij het toevoegen van woningen voor ouderen sluiten we zoveel mogelijk aan bij de aanwezigheid van (zorg)voorzieningen. We beslissen zorgvuldig welke nieuwe woningen we bouwen, rekening houdend met verschillende eigenschappen en soorten woningen voor verschillende doelgroepen. Een goede balans op de woningmarkt vinden we belangrijk. Elk jaar kijken we hoe het gaat op de woningmarkt. Het is belangrijk om goed in te spelen op wat mensen op dat moment willen. Om snel te kunnen reageren op veranderingen en trends, moeten we flexibel zijn in onze aanpak.
We werken aan het versnellen van de bouw van huizen en zorgen ervoor dat ze betaalbaar zijn. We doen dat in lijn met de ambities van de rijksoverheid en provincie en werken samen met de regio om de bouwopgave te realiseren, zoals beschreven in de regionale woondeal. In 2023 is deze ondertekend. Hiermee committeren Rijk, Provinsje en de gemeente zich om zich in te spannen om tot 2030 in Noardeast-Fryslân 1175 woningen te realiseren. Deze woningen zijn verdeeld over verschillende segmenten en locaties, waarbij zowel de projecten in Dokkum als in de kleinere kernen sleutelprojecten zijn. De afspraken kunnen jaarlijks worden herijkt.
De komende jaren richten we ons in samenhang met benodigde nieuwbouw vooral op het verbeteren van bestaande huizen, het transformeren van leegstaande gebouwen naar woningen en het vernieuwen van woonwijken. We zetten ons zoveel mogelijk in om de bestaande woningen aantrekkelijk te houden voor verschillende doelgroepen. En ze aan te passen aan wat mensen willen en ze duurzamer te maken. We geven naast aanvullende nieuwbouw prioriteit aan het verbeteren van bestaande woningen. We stimuleren het verduurzamen van woningen door subsidies en leningen aan te bieden. Duurzame woningen zijn niet alleen comfortabeler maar behouden ook hun waarde en zijn makkelijker te verkopen. Dit is gunstig voor de doorstroming. We kijken ook naar mogelijkheden om leegstaande gebouwen te veranderen, maar we zijn selectief en letten goed op de locatie en kwaliteit.
Woonvisie 2020-2025
De Woonvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân legt op hoofdlijnen vast wat de basis is voor verder uitgewerkte woonplannen en -afspraken in de komende vijf jaar. Op basis van de woonvisie wordt de uitvoeringsagenda vastgesteld. De woonvisie bevat de volgende speerpunten:
De woonvisie is een dynamisch document waarbij aan de hand van het woonprogramma, de woningbouwprogrammering, de prestatieafspraken en overleg met de stakeholders jaarlijks zal worden bepaald of en op welke onderdelen een actualisatie nodig is. Mede gezien de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt is deze actualisatie extra urgent en noodzakelijk. Op basis van de nieuwe Woonvisie zal het college ook de woningbouwprogrammering heroverwegen en bijstellen. Deze programmering moet aansluiten op de doelen in de eigen woonvisie en op de regionale woningbouwafspraken die de regiogemeenten en de provincie Fryslân hebben gemaakt. Daarbij worden het reeds aanwezige Afwegingskader voor bouwplannen en de woningmarktmonitor gebruikt als hulpmiddelen. De gemeente Noardeast-Fryslân heeft samen met de gemeenten Achtkarspelen, Dantumadiel en Tytsjerksteradiel zowel op bestuurlijk als ambtelijk niveau structureel afstemming over het woningbouwprogramma. De uitwerking krijgt een plek in de Woonagenda.
Voor de ontwikkeling in Hantum zijn vooral speerpunt 2 en 4 van de woonvisie van toepassing. In speerpunt 2 wordt aangegeven dat in de woonkernen altijd ruimte is voor nieuwbouw. Dit moet wel op maat, passend bij de schaal en de behoefte in het dorp zijn. De ontwikkeling betreft de bouw van 9 tot 12 woningen in het dorp Hantum. De woningen sluiten aan op de bestaande bebouwing. In Hantum worden weinig woningen gebouwd, terwijl er wel behoefte aan woningen is. In speerpunt 2 is aangegeven dat nieuwe woningen zoveel mogelijk levensloopgeschikt moeten zijn.
Afwegingskader
Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningbouwinitiatieven aansluiten bij de actuele, kwalitatieve woningbehoefte en de volkshuisvestelijke ambities van de gemeente, willen de regio Noordoost-Friesland en de provincie de komende jaren sturen op basis van een gezamenlijke set van criteria. Hiervoor is in regionaal verband als werkdocument een Afwegingskader opgesteld waarmee nieuwe woningbouwinitiatieven op kwaliteit worden getoetst. Aan de hand van dit Afwegingskader wordt gekeken in hoeverre nieuwe plannen aantoonbaar inspelen op de kwalitatieve woningbehoefte en of zij bijdragen aan andere kwalitatieve ambities, zoals langer zelfstandig wonen, verduurzamen of het oplossen van een ruimtelijk knelpunt. In het afwegingskader wordt aangegeven dat in het gebied tussen Holwerd en Dokkum, waar Hantum is gelegen, maatwerk mogelijk is.
De woningbouwontwikkeling in Hantum is getoetst op behoefte en kwaliteit en voldoet aan het Afwegingskader.
Woonprogramma
Het woonprogramma is niet als zodanig vastgesteld, omdat regionaal de afspraak met de provincie is dat achteraf mag worden gemotiveerd wat gerealiseerd is. Het woningbouwprogramma is samen met het dorp afgestemd en opgenomen in de gemeentelijke woningbouwprogrammering. De vaststelling van woonprojecten gebeurt per project.
Woningmarktanalyse Noordoost-Fryslân en Woningmarktmonitor
In 2020 is een woningmarktanalyse opgesteld om op regionaal niveau inzicht te krijgen in de woningbouwbehoefte. Samenwerking binnen de regio, zowel tussen gemeenten als tussen dorpen, is van belang bij het vaststellen van de woonprogrammering. De woningmarktanalyse biedt een kwalitatief afwegingskader waar gemeenten gebruik van kunnen maken bij het ontwikkelen van woningbouwplannen. De provincie Fryslân vraagt de regio om een offensieve regionale visie te maken. Dat betekent dat er geen dorp op slot wordt gezet en dat er ruimte is voor toekomstbestendig en zorgvuldig toevoegen van woningen. Daarbij houdt de provincie vast aan de lijn "binnendorps vrij, buitendorps beperkt". In de woningmarktanalyse is per dorp inzichtelijk gemaakt hoe de woningmarkt er nu voor staat en welke ontwikkelingen er te verwachten zijn. Op deze manier kan snel worden ingespeeld op ontwikkelingen.
Het dorp Hantum is bij de analyse meegenomen bij het gebied Holwerd-Dokkum. De behoefte in deze regio is groter dan het aantal plannen dat hier wordt ontwikkeld. In dit gebied zijn de woondorpen Brantgum, Foudgum, Hantum, Hantumhuizen, Hiaure en Raard gelegen. Er is echter geen splitsing gemaakt tussen de verschillende dorpen die bij de behoefteraming zijn meegenomen. In vergelijking met andere woondorpen is er weinig aanbod aan levensloopgeschikte woningen in het gebied Holwerd-Dokkum (in totaal 17). Alle woningen zijn gebouwd tussen 1945 en 1975; vernieuwing is gewenst. Er zijn geen voorzieningen voor dagelijkse boodschappen en zorg, maar de meeste dorpen hebben wel een dorpshuis. Dat is ook het geval in Hantum. Mensen met een zorgvraag zijn afhankelijk van dienstverlening op afstand en hulp vanuit de mienskip.
In de woningmarktanalyse wordt aangegeven dat zachte plannen ook van meerwaarde kunnen zijn voor dorpen. Er wordt ook aangegeven dat in veel kleinere kernen meer plannen voor vrijstaande koopwoningen zijn opgenomen dan waaraan behoefte is. Hierbij wordt wel aangegeven dat goed moet worden gekeken naar de reële vraag en af te stemmen op het aanbod in de omliggende dorpen.
Conclusie Gemeentelijk beleid
Uit het bovenstaande blijkt dat de ontwikkeling van 9 tot 12 woningen in het dorp Hantum past binnen het gemeentelijk woonbeleid. Het plan kent enige flexibiliteit qua uiteindelijke invulling: er kunnen zowel rijwoningen als twee- onder een kap en vrijstaande woningen worden gebouwd. Door deze flexibiliteit kan er goed worden ingespeeld op de actuele behoefte en reële vraag naar woningen. De ruimtelijke kwaliteit van de uitbreidingslocatie wordt getoetst aan de welstandscriteria (zie paragraaf 5.17).
De beoogde ontwikkeling is van invloed op de fysieke leefomgeving. De aard, omvang en locatie van de ontwikkeling zijn de reden dat het omgevingsplan moet worden gewijzigd. Dit betekent dat de omgevingsaspecten en andere thema's onderzocht moeten worden om te beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) als de gewenste ontwikkeling is uitgevoerd.
De beoogde ontwikkeling wordt in dit hoofdstuk getoetst aan onder meer de instructieregels uit het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving). In het Bkl is namelijk aangegeven dat daar waar een nieuwe activiteit milieuruimte inneemt, aandacht nodig is voor de gevolgen van deze activiteit op de omgeving maar ook voor de gevolgen die de omgeving heeft op deze nieuwe activiteit.
Toetsingskader
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer(beoordelings)-plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
Bij het bevoegd gezag, (het college van B&W) moet een mededeling (de aanmeldnotitie) worden gedaan waarin een beschrijving van het plan, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten.
Toetsing
In bijlage V bij het Omgevingsbesluit is aangegeven voor welke projecten en daarvoor benodigde besluiten een mer-(beoordelings) plicht geldt. Voor het realiseren van woningen gelden de uitgangspunten uit categorie J11 Stedelijk ontwikkelingsproject. Hiervoor geldt geen mer-plicht, maar bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject geldt wel een mer-beoordelingsplicht. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling is afhankelijk van de aard, omvang en milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling.
Omdat de ontwikkeling in Hantum kleinschalig is, kan op basis van de nu bekende jurisprudentie er van uit worden gegaan dat deze ontwikkeling in het kader van het Omgevingsbesluit niet hoeft te worden beoordeeld als een stedelijk ontwikkelingsproject. Het is derhalve niet nodig om een mer-beoordelingsnotitie op te stellen. De beoordeling van de milieu- en omgevingsaspecten in de ruimtelijke motivering is afdoende.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Volgens de toetsing van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 5 zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning.
Toetsingskader
De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of de behoefte aanwezig is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. In het Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
Toetsing
Uit jurisprudentie blijkt dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wanneer sprake is van de realisatie van meer dan 11 woningen. In voorliggend geval worden er maximaal 12 woningen gerealiseerd en daarom is de instructieregel van toepassing.
De behoefte aan nieuwe woningen vloeit voort uit het beleid op regionaal en gemeentelijk niveau. De afspraak is om tot 2030 in Noardeast-Fryslân 1175 woningen te realiseren. Deze woningen zijn verdeeld over verschillende segmenten en locaties, waarbij zowel de projecten in Dokkum als in de kleinere kernen sleutelprojecten zijn. De afspraken kunnen jaarlijks worden herijkt.
De locatie aan de Titus Conradistrjitte-Smidstrjitte is een buitenstedelijke locatie (locatie 1) en is één van de locaties van de woningbouwplanontwikkeling (naar aanleiding van de Verkenning uitbreiding Hantum) in het dorp Hantum.
Van de potentiële woningbouwlocaties wordt de binnenstedelijke locatie op de hoek Hearewei-Smidstrjitte ook in ontwikkeling gebracht. Hier worden in plaats van 1 grote, 2 kleinere betaalbare woningen gerealiseerd.
De andere woningbouwlocaties (uit de Verkenning) lagen buiten het stedelijk gebied. Een ontwikkeling met en omvang van maximaal 12 woningen is niet te realiseren binnen de kern van Hantum. De gekozen locatie is - van de buitenstedelijke locaties - de minst ingrijpende. Locatie 1 van de woningbouwverkenning is nog enigszins een open plek en een inham in de bebouwingscontour. Verder wordt er voldoende afstand gehouden tot de Ternaarder Feart. Hantum is nu al een dichtbebouwd dorp waar weliswaar op de langere termijn naar verwachting mogelijkheden zijn voor inbreiding. Deze is bestudeerd en afgewogen maar de conclusie is dat het op dit moment geen reële optie is om in de huidige en prangende woningbehoefte te voorzien.
Door de aansluiting van de nieuwe bebouwing op de bestaande bebouwing ontstaat aan de noordoostzijde van het dorp een logische afronding van de dorpsrand van Hantum. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.
Toetsingskader
Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
De bestaande welstandsnota van de gemeente Noardeast-Fryslân blijft onder het overgangsrecht gelden als beleidsregels op grond van artikel 4.19 onder Omgevingswet voor zover het gaat om het uiterlijk van bouwwerken. Voor het overige maakt de welstandstoets via de bruidsschat (bijvoorbeeld voor plaatsing) onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân. Er mag op grond hiervan geen sprake zijn van strijd met redelijke eisen van welstand.
Toetsing
De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de gemeentelijke welstandsnota Noardeast-Fryslân (16 december 2022). Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, is de welstandsnota een beleidsregel die de gemeente toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken voldoen aan de eisen van welstand.
De (welstands)regels voor het uiterlijk van bouwwerken hierbij zijn afgestemd op de bestaande situatie en niet toereikend voor de beoogde situatie in het plangebied.
De welstandsnota kan op zichzelf niet meer worden gewijzigd of aangevuld. Regels over het uiterlijk van bouwwerken, zoals die voorheen in de Welstandsnota werden opgenomen, worden nu voor nieuwe ontwikkelingen -als onderdeel van de fysieke leefomgeving- in het omgevingsplan opgenomen. Dat kan door concrete regels over het uiterlijk van bouwwerken in het plan op te nemen, of door het opnemen van een 'open norm' met een verwijzing naar beleidsregels. Gemeente Noardeast-Fryslân heeft ten aanzien van het voorliggende TAM-omgevingsplan voor die laatste optie gekozen.
Er worden in de Welstandsnota Noardeast-Fryslân 12 welstandsgebieden onderscheiden. Het plangebied is deels gelegen in welstandsgebied 6 - Woonwijken na 1950 (regulier) en deels in welstandsgebied 11 - Buitengebied terpengebied (bijzonder).
Voor de gewenste ontwikkeling is het noodzakelijk om een nieuw welstandskader vast te stellen. Dit omdat het bestaande welstandsbeleid voor het gebied (buitengebied; terpengebied) niet toereikend is om de ontwikkeling aan te toetsen. Er is daarom een beeldkwaliteitsplan (bkp) opgesteld, met daarin opgenomen nieuwe regels voor het uiterlijk van bouwwerken. Het bkp wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 2.
Niet alle onderdelen uit het bkp gaan specifiek over het uiterlijk van bouwwerken. Alleen díe aspecten die specifiek gaan over het uiterlijk van bouwwerken zijn gekoppeld aan de regels van het TAM-omgevingsplan en worden vastgesteld door de gemeenteraad als beleidsregel in de zin van artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit gebeurt gelijktijdig met de vaststelling van het TAM-omgevingsplan (als wijziging van het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân ).
Door middel van bovenstaande afstemmingsconstructie wordt bij vergunningsaanvragen voor het bouwen van een bouwwerk getoetst aan die beleidsregel over het uiterlijk van bouwwerken. De Adviescommissie Omgevingskwaliteit baseert haar advisering aan het college van B&W over bouwplannen ook op deze beleidsregel.
Deze nieuwe regels over het uiterlijk van bouwwerken vervangen alleen de betreffende regels uit de Welstandsnota voor deze specifieke locatie (de locatie van dit TAM-omgevingsplan). Voor het overige blijft de huidige Welstandsnota van de gemeente Noardeast-Fryslân van toepassing.
Toetsingskader
Het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op de bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeerdruk.
In het mobiliteitsprogramma van de gemeente Noardeast-Fryslân staat dat bij het toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen wordt aangesloten bij de meest recente parkeernormen van het CROW. Het gaat hierbij om zowel om het autoparkeren als het fietsparkeren. Het CROW hanteert daarbij een bandbreedte met een minimum en maximum waarde. Daarbij wordt voor de gemeente Noardeast-Fryslân uitgegaan van de gemiddelde waarde. Daarbij wordt uitgegaan van een 'niet stedelijke' gemeente. Om deze reden wordt de toegevoegde verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 744) en ook de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling.
Toetsing
Verkeer
Uitgaande van een maximale invulling met 12 woningen (2 vrijstaande, 2 twee-onder-een kap en 6 rijenwoningen) kan de verkeersgeneratie volgens kencijfers van het CROW als volgt berekend worden:
De maximale verkeersgeneratie bedraagt op grond van bovenstaande dus (19+ 18+ 43 =) 80 verkeersbewegingen per etmaal. De uitbreidingslocatie wordt ontsloten via een enkele straat welke aansluit op de Smidstrjitte. De Smidstrjitte is een van oost naar west lopende doorgaande weg door Hantum. Dit is een weg die voldoende is ingericht om dit aantal te kunnen verwerken. De verkeersintensiteit ligt hier op 500 motorvoertuigen per dag. De verkeersbewegingen als gevolg van de bouw van maximaal 12 woningen gaan op in het heersend verkeersbeeld. De verkeersgeneratie zal als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet significant toenemen en is passend bij het dorp.
Parkeren
De nieuwbouw van de 9 tot 12 woningen betekent ook dat er parkeerbehoefte ontstaat. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein moet worden geregeld. In het projectgebied zijn voldoende mogelijkheden om het parkeren op eigen terrein op te lossen. Daarnaast zijn er parkeermogelijkheden aangrenzen aan de nieuwe ontsluitingsweg voor de woningen.
Conclusie
De verkeersgeneratie is goed afwikkelbaar op de omliggende wegen. Het uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein moet worden geregeld. In het projectgebied zijn voldoende mogelijkheden om het parkeren op eigen terrein op te lossen. Bij de verdere uitwerking moet worden voldaan aan de meest recente parkeernormen van het CROW. In de regels is hiervoor (in artikel 13.1) een regeling opgenomen die dit waarborgt. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
Toetsingskader
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. In de Omgevingswet is geregeld dat in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk zijn. Om een effect op beschermde soorten uit te sluiten, dient in het kader van de Omgevingswet een ecologisch veldonderzoek uitgevoerd te worden.
Toetsing
In het projectgebied worden 9 tot 12 woningen gebouwd. De grond waarop de woningen worden gebouwd is momenteel in gebruik als grasland. Om in beeld te brengen of er beschermde soorten in het projectgebied aanwezig zijn en dus mogelijk sprake is van flora- en fauna-activiteiten, is een ecologische quickscan uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 6.
In de quick scan (maart 2025) wordt het volgende geconcludeerd:
Conclusie
Met inachtneming van de aanbevelingen die voortvloeien uit de quickscan vormt het aspect 'ecologie, soortenbescherming' geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Toetsingskader
Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hiermee moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden)
Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van:
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie heeft in de omgevingsverordening de NNN-gebieden opgenomen.
Bijzondere natuurgebieden en landschappen
Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen.
Ten zuiden van het dorp ligt een perceel met Natuur buiten Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit perceel ligt op circa 120 meter van het projectgebied. Bovendien is tussen het perceel met natuur buiten NNN en het projectgebied een woongebied gelegen. Gezien de afstand en de woningen tussen het projectgebied en het perceel met natuur is de beoogde ontwikkeling niet van invloed op het perceel met natuur buiten NNN.
Toetsing
Het projectgebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000-gebied en Natuur Netwerk Nederland en ligt niet in de nabijheid daarvan. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee die op 3,3 kilometer van het projectgebied is gelegen. Directe significante effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het projectgebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.
De ontwikkeling in het projectgebied zou wel kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden in de omgeving. De ontwikkeling betreft nieuwbouw van woningen. De woningen worden gasloos gebouwd. Door de verkeersbewegingen is het mogelijk dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden toeneemt. Om de stikstofdepositie inzichtelijk te maken is voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase een stikstofonderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in bijlage 7. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn om die reden niet aan de orde.
Toetsingskader
Bij ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. In het Bkl zijn omgevingswaarden voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze zijn van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook zijn deze van toepassing wanneer de gemeente in kwestie deel uitmaakt van één van de in het Bkl aangewezen agglomeraties. Wanneer daar sprake van is, dan moet bij de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen.
Toetsing
Het initiatief betreft de realisatie van maximaal 12 woningen. Voor het plangebied is er geen sprake van een van een project of een aangewezen agglomeratie / gemeente waarop een toetsing aan de omgevingswaarden nodig is. Daarom is de regeling voor luchtkwaliteit niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland is er in de directe omgeving van het plangebied ook sprake van een goede luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering en relevant thema voor de uitvoering van dit plan.
Toetsingskader
Met betrekking tot geluid zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Bovendien zijn instructieregels opgenomen die specifiek zijn bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het geluid van activiteiten. Voor gezoneerde industrieterreinen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en is het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde zone.
Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De omvang van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de bron. Bij een lokale (spoor)weg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit tijdstip begrenst door vaste afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling). De geluidaandachtsgebieden voor rijkswegen, en spoorwegen is terug te vinden op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens. Voor provinciale wegen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en vormt het geluidaandachtsgebied van een provinciale weg de geluidzone, bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder.
In een Omgevingsplan moet worden getoetst of het geluid van wegverkeer aanvaardbaar is. Het geluid is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals vermeld in het Bkl. De toets wordt in eerste instantie beperkt/afgebakend door het geluidaandachtsgebied behorend bij een weg. Dit is dus het gebied waar de standaardwaarde kan worden overschreden. Voor gemeentewegen dient het geluidaandachtsgebied te worden berekend op basis van de uiterlijk in 2026 vast te stellen basisgeluidemissie (BGE). Op basis van het geldende overgangsrecht zijn aan gemeentewegen geluidaandachtsgebieden toegekend op basis van vaste afstanden.
Het geluidaandachtsgebied dat is gebaseerd op vaste afstanden heeft voor lokale (spoor)wegen een breedte van 100 meter, 200 meter of 350 meter aan weerszijden van de weg. Dit is afhankelijk van het aantal rijstroken, het aantal sporen en de snelheid van de situatie waarop het besluit is gebaseerd. Binnen dit geluidaandachtsgebied zijn de instructieregels van het Bkl van toepassing.
Toetsing
In de omgeving van het plangebied zijn alleen gemeentewegen aanwezig met een lage verkeersintensiteit. De verkeersintensiteiten zijn dermate laag dat het aannemelijk is dat er kan worden voldaan aan de standaardwaarden en er een aanvaardbare situatie is ter plaatse. Ook is de extra verkeersaantrekkende werking van het project niet dermate groot dat er op de omliggende woningen een extra geluidsbelasting ontstaat. (Zie ook paragraaf 5.5) Er is derhalve geen akoestisch onderzoek noodzakelijk en er zal sprake zijn van een redelijk tot goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De instructieregels in het Bkl (en de bruidsschat) bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. In praktijk gaat het hier om milieubelastende activiteiten. Daarbij kan zowel het geluid van een (nieuwe) milieubelastende activiteit op z'n omgeving van belang zijn, als het geluid van (bestaande) milieubelastende activiteiten op een (nieuw) geluidgevoelig gebouw.
Het geluid van activiteiten buiten het plangebied op nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling en mogelijke belemmeringen voor die activiteiten. Momenteel zijn de regels van de Bruidsschat van toepassing op de activiteit. Indien noodzakelijk (om de belemmeringen weg te nemen) kunnen er maatwerkvoorschriften voor de activiteit worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met de instructieregels van het Bkl.
De VNG-afstandentabel uit 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) biedt een indicatie of het aannemelijk is dat de geluidwaarden van de Bruidsschat in acht genomen kunnen worden.
Toetsing
Het plangebied ligt aan de rand van het dorp Hantum en grenst aan de bestaande bebouwing van het dorp. Met de ontwikkeling van 9 tot 12 woningen wordt een milieugevoelige functie gerealiseerd. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf is op een afstand van circa 200 meter gelegen. De bedrijvigheid ten zuiden van de Smidstrjitte bevindt zich op een afstand van circa 80 meter. De VNG-afstandentabel uit 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) biedt een indicatie of het aannemelijk is dat de geluidwaarden van de Bruidsschat in acht genomen kunnen worden. Gezien de genoemde afstanden is het aannemelijk dat de geluidwaarden uit de Bruidsschat in acht genomen kunnen worden en de woningen dus voldoende worden beschermd. Daarnaast wordt de bedrijfsvoering van de bedrijven niet belemmerd door de aanwezigheid van woningen die zich reeds op een kortere afstand bevinden dan de geplande woningen. 'Geluid door activiteiten' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Rioolgemaal
In verband met mogelijke overlast van het rioolgemaal hanteert Het Wetterskip een minimale afstand tussen een rioolgemaal en een woning van 30 meter. Dat lijkt in dit plan niet het geval. De huidige woning naast het gemaal heeft deze afstand ook niet maar bij de veelvoorkomende zuid/westenwind zitten die niet “onder” de wind. Bij kavel 9 is overlast door geluid en/of geur wel te verwachten. Het Wetterskip staat deze bebouwing op deze plek daarom niet toe.
Het betreft hier echter een kleinschalige nutsvoorzieningen die vrij te plaatsen is in bijvoorbeeld gemeentelijk groen, zonder milieuzonering. Het is verder een gesloten installatie, er is nauwelijks contact met de buitenlucht en dus geen/amper sprake van verspreiding van geur of het voortbrengen van geluid. Het aanhouden van een afstand van 30 meter wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 'Geluid door activiteiten' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente is verantwoordelijk voor toekomstige problemen en eventuele kosten omtrent bouwen/wonen in de 30 meter zone.
Toetsingskader
De gemeente moet in het omgevingsplan op grond van het Bkl rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers. Dit is bijvoorbeeld ook cumulatie van geur van bedrijven. Rekening houden met geur werkt dit twee kanten op:
Toetsing en conclusie
In het plangebied worden geurgevoelige gebouwen zoals woningen mogelijk gemaakt. Aan de zuidkant van het plan ligt een rioolgemaal van het Wetterskip. De aansluiting van het nieuwe DWA riool (droogweerafvoer) sluit aan op gemeentelijke riolering.
In verband met mogelijke overlast van het rioolgemaal hanteert Het Wetterskip een minimale afstand tussen een rioolgemaal en een woning van 30 meter. Dat lijkt in dit plan niet het geval. De huidige woning naast het gemaal heeft deze afstand ook niet maar bij de veelvoorkomende zuid/westenwind zitten die niet “onder” de wind.
Het betreft hier echter een kleinschalige nutsvoorzieningen die vrij te plaatsen is in bijvoorbeeld gemeentelijk groen, zonder milieuzonering. Het is verder een gesloten installatie, er is nauwelijks contact met de buitenlucht en dus geen/amper sprake van verspreiding van geur of het voortbrengen van geluid. Het aanhouden van een afstand van 30 meter wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 'Geur' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente is verantwoordelijk voor toekomstige problemen en eventuele kosten omtrent bouwen/wonen in de 30 meter zone.
Figuur: rioolgemaal nabij plangebied (Bron: Streetview)
Toetsingskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om:
Activiteiten met externe veiligheidsrisico's zijn risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en hiermee moet rekening worden gehouden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
Er zijn drie categorieën gebouwen en locaties die worden beschermd: zeer kwetsbaar (alleen gebouwen), kwetsbaar (gebouwen en locaties) en beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
Gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruiksfunctie van dat gebouw.
Toetsing
Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen en locaties mogelijk gemaakt. Om zicht te krijgen op de omgevingsveiligheid is de atlas voor de leefomgeving geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied geen activiteiten met externe veiligheidsrisico's plaatsvinden.
Bovendien zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Toetsingskader
Op grond van het Bkl moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.
In het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaak door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd.
Toetsing en conclusie
In het plangebied worden trillingsgevoelige gebouwen zoals woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn echter geen activiteiten die trillingen veroorzaken. Hierdoor vormt het aspect trillingen ook geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.
Toetsingskader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving van het plangebied en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.
Toetsing
Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. In het plangebied wordt geen hoogbouw mogelijk gemaakt. Hierdoor vormt het aspect 'schaduw en windhinder' dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.
Toetsingskader
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd.
Voor het bepalen van cultuurhistorische waarden gebruikt de gemeente de gemeentelijke erfgoedvisie en -nota waarin wordt uitgegaan van de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân (CHK), waarvan ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel uitmaakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden.
Toetsing
Archeologie
In opdracht van de gemeente Noardeast-Fryslân is een archeologisch veldonderzoek (IVOO) uitgevoerd voor drie deelgebieden te Hantum, waaronder het deelgebied aan de Titus Conradistrjitte (deelgebied 1). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 11. In 2023 is door de Steekproef een bureauonderzoek uitgevoerd voor zes deelgebieden in Hantum waarvan drie nu verder archeologisch onderzocht worden. Uit dit onderzoek is gebleken dat deelgebieden 3 en 6 op de terp van Hantum liggen. Deelgebied 1 ligt ten oosten van de terp. Op basis van paleografische reconstructies was het terrein bewoonbaar in de steentijd waarna het in de bronstijd bedekt raakte met veen. Vanaf de ijzertijd is het gebied daarna continu bewoonbaar gebleven. Voor de periodes steentijd, ijzertijd – nieuwe tijd geldt een hoge archeologische verwachting.
Tijdens het veldonderzoek zijn 21 boringen gezet in de drie deelgebieden. Hiermee is vastgesteld dat in deelgebied 1 de bodem bestaat uit een geroerde toplaag bovenop de natuurlijke kwelderwal en de kwelderafzettingen. In dit deelgebied zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.
Uit de resultaten van het verkennende booronderzoek blijkt dat de top van de bodem in alle drie de deelgebieden is verstoord. In deelgebied 1 is hieronder direct de natuurlijke bodem aangetroffen bestaande uit een kwelderwal op kwelderafzettingen. Geadviseerd wordt om deelgebied 1 vrij te geven van verder archeologisch onderzoek.
Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. Geadviseerd wordt dit te doen bij de gemeente Noardeast-Fryslân.
Cultuurhistorie
Hantum is een terpdorp. De bebouwing van Hantum is lange tijd geconcentreerd geweest op de terp. Pas halverwege de twintigste eeuw is het dorp in oostelijke richting uitgebreid.
Ten behoeve van de boogde ontwikkeling is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) geraadpleegd. Op de kaart is aangegeven dat het westelijke deel van het plangebied deel uitmaakt van een 'Boerderijplaats'. In de huidige situatie is geen boerderij meer aanwezig. Met de inrichting van het plangebied wordt aangesloten op de reeds aanwezige bebouwing. Ten oosten van het plangebied is tevens een 'Boerderijplaats' gelegen. De huidige situatie wordt gerespecteerd door hiermee rekening te houden in het ontwerp van het plangebied. De locatie is niet meer agrarisch van betekenis, maar de openheid van deze 'Boerderijplaats' wordt wel in stand gehouden. Uit de CHK2 blijkt tevens dat de Smidstrjitte in de inventarisatie is opgenomen in 'Oude paden nieuwe wegen' en de Ternaarder Feart in 'Vaarwegen'. Met de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande structuur van wegen en watergangen gerespecteerd en niet aangetast.
Landschap
Het plangebied bestaat uit agrarische gronden zonder bebouwing en kent geen bijzondere landschappelijke waarden waarmee rekening moet worden gehouden bij de ontwikkeling. Door de openheid van het aangrenzende open landschap te respecteren zijn de erfafscheidingen aan de oostzijde van het plangebied niet hoger dan 1 meter.
Vanuit het aspect cultuurhistorie vormt de beoogde ontwikkeling geen belemmering.
Toetsingskader
Volgens het Bkl moet een omgevingsplan voorzien in waarden voor de toelaatbare kwaliteit voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (zoals in onderhavig planvoornemen het geval is). In het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân zijn deze waarden nog niet opgenomen. De bodemkwaliteit is in ieder geval aanvaardbaar indien de onderzochte waarden voldoen aan de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Raadpleging van het Bodemloket (www.bodemloket.nl) laat zien dat de betreffende locatie deels voldoende is onderzocht en gesaneerd en deels geen gegevens beschikbaar zijn.
Figuur: fragment kaart Bodemloket
Toetsing
De nieuwe woningen in Hantum zijn bodemgevoelige gebouwen waarvoor een bodemonderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. In mei 2025 is daarom een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Titus Conradistrjitte in Hantum. Het bodemonderzoek is opgenomen als bijlage 8.
Aanleiding van het actualiserend bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van woningen op de locatie. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn er aanwijzingen voor een vermoeden van bodemverontreiniging. Derhalve wordt de locatie deels als verdacht en deels als onverdacht voor bodemverontreiniging
beschouwd.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:
Afvoer van grond
Bij afvoer van grond vanaf het perceel dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. De mengmonsters zijn indicatief getoetst aan de normen van het Besluit Bodemkwaliteit. Alle mengmonsters worden beoordeeld als klasse Landbouw/natuur.
Toetsingskader
Bij de wijziging van een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (artikel 5.37 Bkl). Eerder werd hieronder ook wel de ‘watertoets’ verstaan. Dit houdt in dat een verantwoording dient te worden afgelegd van het onderzoek naar en het integrale beleid betreffende de afstemming van het ruimtelijk beleid met het waterbeleid. Alle relevante facetten van het waterbeheer in relatie met de ruimtelijke ordening dienen in beeld te worden gebracht, zoals de waterkwantiteit (vernatting of verdroging) en de waterkwaliteit, alsmede functies die aan in het plangebied voorkomend water worden toegekend. De aandacht dient zich zowel tot het grondwater als het oppervlaktewater te richten.
Bij beschouwing van de consequenties van het plan voor de waterhuishouding zijn de volgende items van belang:
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf.
Toetsing
Ten behoeve van de planontwikkeling is een aanvraag voor een digitale watertoets gedaan op de website hetwateradvies.nl. (Aanvraagnummer 00062224). Deze aanvraag is opgenomen als bijlage 9 bij deze motivering. Uit de watertoets blijkt dat de normale procedure moet worden gevolgd.
Vooroverleg met Wetterskip
Voor de uitbreidingslocatie Hantum is Wetterskip Fryslân alvast om advies gevraagd. De bevindingen van dit vooroverleg zijn hieronder weergegeven. De vooroverlegreactie van het Wetterskip met daarop de reactie van de gemeente is opgenomen als bijlage 12.
Compensatie verhard oppervlak
Ten behoeve van het te compenseren verhard oppervlak is een berekening gemaakt. In totaal is er sprake van 467,7 m2 toename verhard oppervlak. Door het verbreden van de watergangen wordt er 470 m2 compensatie gerealiseerd. Een en ander resulteert in een positief saldo van 2,7 m2 watercompensatie. De berekening van de compensatie van verhard oppervlak is akkoord bevonden door het Wetterskip en is opgenomen als bijlage 10. Het gaat om een demping (100% van 138,5 m2) en een compensatie (10% van 3.292 m2).
De gemeente heeft de watervergunning voor de watercompensatie aangevraagd bij Wetterskip Fryslân. Wetterskip Fryslân heeft deze vergunning verleend op 27 oktober 2025.
Drooglegging
Bij de realisering van bebouwing en het aanleggen van verharding is het nodig om rekening te houden met voldoende drooglegging om bijvoorbeeld opdrijven van verharding te voorkomen. Wetterskip Fryslân adviseert voor bebouwing met kruipruimte een drooglegging van 1,10 m en voor bebouwing zonder kruipruimte een drooglegging van 0,70 m gerekend vanaf de te realiseren bovenkant vloer. Ook voor verharding adviseert het Wetterskip een drooglegging van 0,70 m. De bouwlocatie ligt in een peilgebied met een zomerpeil van -0,80 m NAP en een winterpeil van -1.00 m NAP. Geadviseerd wordt om bij het bepalen van de aanleghoogte rekening te houden met de droogleggingsnorm, maar ook met het maatgevende boezempeil, zie onderstaande uitgelegd.
Toetsing: Het zomerpeil is -0,80. De as weg komt op +0,70 en de woningen op +1,00 NAP. De drooglegging voor de vloeren bedraagt dus 1,8 m en voor de weg 1,5 m. Dit is ruim boven het gestelde minimum. Aan bovenstaande wordt voldaan.
Maatgevend boezempeil
Het maatgevend boezempeil ter plaatse van het plangebied is bepaald op 0.01 m NAP. De regionale waterkering is ontworpen op basis van deze waterstand. Er bestaat een kans dat de regionale waterkering doorbreekt. Het is in geval van een doorbraak van de regionale waterkering belangrijk de negatieve gevolgen zo klein mogelijk en de gevolgschade zo laag mogelijk te houden. Het plangebied ligt in een gebied met een overstromingskans van 1:100. Dit betekent dat de regionale waterkering is ontworpen op basis van een maatgevend boezempeil met een kans van voorkomen van 1/100e per jaar. Geadviseerd wordt om het vloerpeil van de nieuwe bebouwing boven het maatgevend boezempeil van 0.01 m NAP aan te leggen.
Toetsing: De woningen staan op 1,00 + NAP.De peilen zitten ruim boven de gestelde minimale peil van 0,01 NAP
Onderhoud watergangen
Ten behoeve van het onderhoud van de watergangen rondom het plangebied ligt er een gemeentelijk schouwpad langs de westelijke sloot. Deze blijft in gemeentelijk eigendom. Onderhoud is vanaf deze kant mogelijk.
Een deel van de noordelijke watergang is een schouwwatergang. Het groen ten zuiden van deze watergang is en blijft eigendom van de gemeente. Deze grond is bedoeld als schouwpad langs de watergang. De gemeente heeft zo toegang tot de watergang om onderhoud uit te voeren op de gemeentelijke eigendommen zijnde watergang en talud.
Het talud van de noordelijke watergang wordt afgegraven. Het nieuwe talud wordt 2:3.
Over het algemeen hanteert de gemeente altijd taluds van 2:3. In de kleigrond is dat over het algemeen geen probleem. Het onderhoud is voor de eigenaar. Bij kavel 5 en 6 is de halve sloot van de woningeigenaren. Zij zijn als eigenaar verantwoordelijk voor het onderhoud.
Riolering
De gemeente sluit de nieuwe riolering aan op de gemeentelijke riolering.
Aan de westkant zijn bomen ingepland naast de watergang. Hierdoor is onderhoud van de watergang vanaf de kant van het plan in de toekomst niet meer mogelijk. Het Wetterskip vraagt ruimte te reserveren langs de watergangen zodat deze onderhouden kunnen worden. Ook adviseert het Wetterskip om onderhoud stroken langs de watergangen in eigendom van de gemeente te houden.
Toetsing: De gemeente wil graag extra groen toevoegen aan uitbreidingsplannen om zo een bijdrage te leveren aan het voorkomen van hittestress, en afname en opname van CO2 uit de lucht. Door de bomen op een minimale afstand van 8 m te zetten kan het onderhoud tussen de bomen door plaatsvinden.
In het voorliggende plan is nog geen bebouwing gepland langs de hoofdwatergang. Indien dat in de toekomst wel gebeurt dient er rekening gehouden te worden met een onderhoudsstrook van 5 meter langs de hoofdwatergang.
Beschoeiing
Het is niet toegestaan beschoeiing aan te leggen in de watergangen rond het plangebied.
Toetsing: Er worden geen beschoeiingen aangelegd. Alle taluds zijn natuurlijk ingericht.
Persleiding
Aan de zuidkant en oostkant van het plan ligt een persleiding van het Wetterskip.
De nieuwe toegangsweg naar het uitbreidingsplan loopt over de bestaande persleiding. Ter bescherming tegen het zware verkeer dient er een mantelbuis om de persleiding gelegd te worden zodat deze die niet ovaal wordt gedrukt door zwaar verkeer.
Uit het plan blijkt dat het oostelijke gedeelte eerst niet wordt bebouwd. Als dit in de toekomst wel gebeurt dient er rekening gehouden te worden met de volgende voorwaarden:
Toetsing: De mantelbuis wordt opgenomen in het bouwrijp bestek.
Verder uitbreiding van het plan is op dit moment niet voorzien.
Rioolgemaal
Aan de zuidkant van het plan ligt een rioolgemaal van het Wetterskip. Zie hiervoor verder paragraaf 5.10 'Geluid door activiteiten' en paragraaf 5.11 'Geur'.
Toetsingskader
Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij een wijziging van het omgevingsplan rekening gehouden moet worden.
In de Omgevingsvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân is duurzaamheid een belangrijk thema. De energietransitie, circulariteit en omgevingskwaliteit zijn belangrijke onderdelen die een grote bijdrage kunnen leveren aan het verduurzamen van de gemeente.
Toetsing
Bij de realisatie van nieuwe woningen in het plangebied geldt het uitgangspunt dat er gasloos wordt gebouwd. Uitsluitend het westelijk deel van het perceel zal worden ingevuld met woningbouw. Het groene karakter van het projectgebied zal daardoor voor het oostelijk deel in stand worden gehouden. Hiermee wordt aangesloten op het principe van natuurinclusief bouwen waarbij de relatie tussen de bebouwing en de natuurlijke omgeving kan worden versterkt.
Toetsingskader
Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. De wet benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen op het gebied van gezondheid en milieu.
Kernwaarden voor een gezonde leefomgeving
De 'Kernwaarden voor een gezonde leefomgeving' geven handvatten om met gemeenten en anderen in gesprek te gaan over een gezonde leefomgeving. Het is een set van waarden die idealiter in elk ruimtelijk plan of –beleid aan de orde komen.
De Kernwaarden voor een gezonde leefomgeving zijn opgesteld door de werkgroep Ruimtelijke Ordening van GGD GHOR Nederland Vakgroep Milieu en Gezondheid, in samenwerking met het RIVM en vele andere GGD-collega’s. Deze kernwaarden vormen de basis waarmee de gemeente initiatieven tegen het licht gaat houden.
Toetsing
Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Meetbaar is onder andere de bodemkwaliteit, de geluidhinder en de geurhinder, de trillingshinder en de luchtkwaliteit In voorgaande paragrafen zijn deze aspecten beoordeeld. Voor deze aspecten zijn in het Bkl instructieregels opgenomen waar aan wordt voldaan. Relevante nadelige gezondheidseffecten kunnen voor deze aspecten worden uitgesloten.
De gemeente heeft de ambitie om wijken en buurten hittebestendiger maken door ze zoveel mogelijk te vergroenen. Parken, bomen, schaduwplekken, fonteinen en waterspeelplaatsen dragen bij aan verkoeling. Voor het projectvoornemen geldt dat het gaat om maximaal 12 grondgebonden woningen met bijbehorende tuin. Ten oosten van de bouwkavels blijft een stukje onbebouwd grasland. Het projectgebied is gelegen in een dorpse, groene omgeving. Het voorgenomen initiatief doet geen afbreuk aan de hierboven geschetste gemeentelijke ambities.
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden en de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân (dat per 1 januari 2024 met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege is ontstaan) voor het plangebied vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet en de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Fryslân.
Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt niet alle regels die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die deel uitmaken van de het tijdelijk omgevingsplan worden niet gewijzigd. In het toepassingsbereik (zie artikel 3) is opgenomen welke regels worden gewijzigd met dit wijzigingsbesluit.
De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. De begripsbepalingen uit het Bbl, Bkl en Bal en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. Dit betekent dat bijvoorbeeld het begrip hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken niet meer in de begripsbepalingen voorkomt. Deze zijn opgenomen in het Bbl. Wél zijn er aanvullende begrippen in dit omgevingsplan opgenomen die nodig zijn voor het wijzigingsbesluit.
In het algemene verbod is opgenomen dat alle niet genoemde functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan niet zijn toegestaan. Het algemene verbod zorgt ervoor dat alleen de genoemde functies en activiteiten zijn toegestaan. Wanneer sprake is van bestaande functies en activiteiten die niet zijn genoemd in de bestemmingen, dan zijn deze wel toegestaan. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de IMRO standaarden van 2012 kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat in technische zin bestemmingen, waar de beoogde functies en activiteiten in het plangebied in zijn ondergebracht. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt zo veel mogelijk aangesloten op geldende regels en de standaarden van de gemeente. De bestemmingen bevatten gebruiksregels en bouwregels.
Bestemmingen
Agrarisch-cultuurgrond
Het oostelijk gedeelte van het plangebied blijft onbebouwd en is daarom onder de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond' gebracht. Hier zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: cultuurgrond, met daaraan ondergeschikt voet- en rijwielpaden, sloten, bermen en beplanting. In dit gebied wordt de instandhouding van de landschappelijke waarden nagestreefd. Binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd.
Groen
De afschermende beplanting aan de westzijde van het plangebied is onder de bestemming 'Groen' gebracht. Het betreft openbaar groen en is bedoeld voor groenvoorzieningen, bosschages, bebossing en beplanting. Voet- en rijwielpaden, speelvoorzieningen en waterlopen en waterpartijen zijn eveneens toegestaan. Binnen deze bestemming mag niet worden gebouwd. De groenstrook aan de oostzijde van het plangebied heeft de bestemming 'Groen', vanwege de lanschappelijke inpassing.
Verkeer
De ontsluitingsweg voor de nieuwe woningbouwlocatie is onder de bestemming 'Verkeer' gebracht. In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: wegen en straten, voet- en rijwielpaden, parkeer- en groenvoorzieningen, Ook sloten, bermen en beplanting zijn hier toegestaan.
Water
De waterlopen rondom het gebied zijn onder de bestemming 'Water' gebracht. In het voor 'Water' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: waterlopen en waterpartijen; oevers, bermen en beplanting. Onder voorwaarden zijn steigers toegestaan.
Wonen
De woningen met bijbehorende erven zijn onder de bestemming Wonen gebracht. De woonfunctie mag gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn eveneens de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan: nutsvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen.
De woningen dienen binnen het op de verbeelding weergegeven bouwvlak te worden gebouwd. Het maximum aantal woningen is per bouwvlak aangegeven. Bovendien is per bouwvlak aangegeven of er aaneengebouwde, vrijstaande of twee-aaneen woningen mogen worden gebouwd. Naast de bouwregels voor het bouwen van een hoofdgebouw zijn regels opgenomen voor de bouw van bijbehorende bouwwerken en overkappingen.
Binnen de algemene regels is een anti-dubbeltelregeling opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken).
De bestaande situatie is in de algemene regels vastgelegd zodanig dat indien maatvoeringen en/of situeringen van een bestaand bouwwerk afwijken van de beoordelingsregels van het TAM-omgevingsplan gelden de bestaande maatvoeringen en situeringen als norm.
In de algemene regels is ook een regeling opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken (voorheen welstand). Dit betreft een zogenoemde open norm, waarbij een koppeling is gelegd met de vaststelling van beleidsregels omtrent uiterlijk en plaatsing van bouwwerken vanuit het beeldkwaliteitsplan (zie hiervoor ook paragraaf 2.2.2 ).
De algemene regels bevatten ook een parkeerbepaling die regelt dat bij vergunningsaanvragen moet worden aangetoond dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Zie hiervoor ook paragraaf 5.5.
Tenslotte bevatten de algemene regels ook een voorwaardelijke verplichting vanwege de realisatie en instandhouding van het groen ten behoeve van de landschappelijke inpassing.
Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als voor gebruik.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de bouw van maximaal 12 woningen. De gemeente is grondeigenaar en geeft de kavels uit aan de ontwikkelende partijen.
De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de grondexploitatie om de ontwikkeling te realiseren. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
Wie een woning, bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt, moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage is onder andere voor de kosten van het opstellen van plannen, het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van maximaal 12 woningen. De beoogde ontwikkeling is een kostenverhaalplichtige activiteit. Het is verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval het kostenverhaal is verzekerd.
De gemeente heeft de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom. De kosten voor de wijziging van het omgevingsplan worden gedragen door de gemeente. De overige kosten die de gemeente heeft wordt privaatrechtelijk geregeld tussen gemeente en ontwikkelaar en worden verrekend in de verkoopprijs van de gronden. Hierdoor is het kostenverhaal gegarandeerd.
Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Eventuele nadeelcompensatie komt voor rekening van de initiatiefnemer. Dit wordt eveneens vastgelegd in een overeenkomst van de gemeente.
De gronden waarop het bouwplan zal plaatsvinden zijn in eigendom van de gemeente. Eventuele planschade komt eveneens voor rekening van de gemeente.
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen, moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op deze wijziging van het omgevingsplan nader onderzocht in deze motivering.
Afweging
Met de beoogde ontwikkeling worden aan de noordzijde van Hantum, op een perceel ten noorden van de Smidstrjitte, maximaal 12 woningen ontwikkeld. Het perceel is momenteel in gebruik als grasland. Het westelijk deel van het perceel zal worden ingevuld met woningbouw. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de bestaande juridisch-planologische kaders. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Onderhavig plan voorziet hierin.
Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl.
In hoofdstuk 5 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende (milieu) wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. In de beoordeling is gebleken voor de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De uitvoering van het plan levert een bijdrage aan het bereiken van maatschappelijke doelen, het voorziet in de lokale woningbehoefte, is wenselijk met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en is passend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.