direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Hantum - Titus Conradistrjitte-Smidstrjitte
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1970.TAMopHtSmidstrj-VA01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de bouw van maximaal 12 woningen op de locatie TAM-Omgevingsplan 22k Hantum - Titus Conradistrjitte.


Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân.


De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk [22k] van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân.


In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22k]' gelezen worden.


In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22k]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

In aanvulling zijn de volgende begripsbepalingen van toepassing:

1.1 plan:

het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân;

1.2 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Hantum - Titus Conradistrjitte-Smidstrjitte met identificatienummer NL.IMRO.1970.TAMopHtSmidstrj-VA01 van de gemeente Noardeast-Fryslân;

1.3 aaneengebouwde woning:

een woning die deel uitmaakt van een groep van 2 of meer woningen die doormiddel van het hoofdgebouw aan elkaar zijn gebouwd;

1.4 aan-huis-verbonden beroep:

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.5 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.6 bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief oplag- en administratieruimten en dergelijke;

1.7 bestaand:

het gebruik dat en/of de bebouwing die ten tijde van het inwerkingtreden van het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan Noardeast-Fryslân legaal plaatsvindt, respectievelijk aanwezig is, dan wel bebouwing die kan worden gebouwd krachtens een verleende omgevingsvergunning;

1.8 bijbehorend bouwwerk:

een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.9 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.10 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.11 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.12 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.13 dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.14 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.15 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.16 geschakelde woning:

een woning die door middel van een bijbehorend bouwwerk grenst aan een andere woning;

1.17 horecabedrijf:

een bedrijf of instelling, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

1.18 kap:

een dakafdekking onder een hoek van meer dan 5° met het horizontale vlak;

1.19 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit:

de in bijlage 1 genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.20 landschappelijke waarden:

waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied;

1.21 nutsvoorziening:

een voorziening ten behoeve van milieuvoorzieningen, de telecommunicatie, de waterhuishouding, natuurbeheer en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval wordt verstaan bergbezinkbassins, centrale voorzieningen voor de afvalinzameling en zendmasten;

1.22 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand;

1.23 peil:
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
  • de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
  • de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd:
  • het Normaal Amsterdams Peil;
  • d. in het geval de hoogte van het terrein op een perceel grote verschillen vertoont:
  • de door Burgemeester en Wethouders bepaalde hoogte;
1.24 vrijstaande woning:

een woning die op zichzelf staat, niet aan andere woningen is gebouwd en zich op enige afstand van de zijdelingse perceelsgrens/perceelsgrenzen bevindt;

1.25 wonen:

het gehuisvest zijn van een huishouden in een woning/wooneenheid of ander daartoe bedoeld object:

1.26 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.27 woonhuis:

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:

de kortste afstand vanaf enig punt van een (hoofd)gebouw tot de zijdelingse perceelgrens;

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.3 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.4 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.5 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit TAM-omgevingsplan wijzigen de regels van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân zoals opgenomen in het Bestemmingsplan Doarpen (zoals dat is vastgesteld op 25 juni 2010), Paraplubestemmingsplan kleine windmolens gemeente Noardeast-Fryslân (zoals dat is vastgesteld op 27 januari 2022) en Paraplubestemmingsplan covergisting en mono-mestvergisting (zoals dat is vastgesteld op 18 april 2024), op de locatie zoals bedoeld onder d.
  • b. De regels van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân blijven onverminderd van toepassing op de locatie zoals bedoeld onder d, voorzover de regels in dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd.
  • c. De regels van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân, met daarbij inbegrepen afdeling 22.2 en afdeling 22.3 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, blijven buiten toepassing indien er sprake is van strijdigheid met de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • d. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22k Hantum - Titus Conradistrjitte-Smidstrjitte', waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1970.TAMopHtSmidstrj-VA01.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die niet zijn toegestaan op grond van dit TAM-omgevingsplan zijn verboden tenzij sprake is van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, met uitzondering van bestaande functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Agrarisch - Cultuurgrond

5.1 Gebruiksregels

In het voor 'Agrarisch - Cultuurgrond' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. cultuurgrond;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. sloten, bermen en beplanting;

waarbij de instandhouding van de landschappelijke waarden wordt nagestreefd;

met de daarbijbehorende:

  • d. nutsvoorzieningen.
5.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 2 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 5 m bedragen.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het dempen en/of graven van sloten en andere watergangen en/of waterpartijen;
  • b. het aanleggen van paden dan wel het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, met uitzondering van kavelontsluitingswegen.
5.3.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 5.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van worden van dit TAM-omgevingsplan met een daarvoor benodigde vergunning.
5.3.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van de gronden.

Artikel 6 Groen

6.1 Gebruiksregels

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. bosschages, bebossing en beplanting;
  • c. voet- en rijwielpaden;
  • d. speelvoorzieningen;
  • e. waterlopen en waterpartijen;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen.
6.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 1 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 5 m bedragen.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Gebruiksregels

In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen en straten;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. sloten, bermen en beplanting;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. speelvoorzieningen;

met de daarbijbehorende:

  • g. nutsvoorzieningen.
7.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag ten hoogste 2 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag ten hoogste 5 m bedragen.

Artikel 8 Water

8.1 Gebruiksregels

In het voor 'Water' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. waterlopen en waterpartijen;
  • b. oevers;
  • c. bermen en beplanting;
  • d. aanleggelegenheid;

met de daarbijbehorende:

  • e. nutsvoorzieningen.
8.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. er mogen geen steigers worden gebouwd;
  • b. steigers mogen, in afwijking van het bepaalde in lid a., alleen worden gebouwd indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de waterhuishouding en de doorvaarbaarheid, en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, duikers en/of dammen mag ten hoogste 2 m bedragen;

Artikel 9 Wonen

9.1 Gebruiksregels

In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;

met de daarbijbehorende:

  • b. nutsvoorzieningen;
  • c. tuinen, erven en terreinen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Bouwen van een hoofdgebouw

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
  • b. een hoofdgebouw wordt binnen een bouwvlak gebouwd;
  • c. een hoofdgebouw mag, in afwijking van het bepaalde in lid b., alleen gedeeltelijk buiten een bouwvlak worden gebouwd indien en voorzover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • d. een hoofdgebouw wordt in de naar de weg gekeerde bouwgrens gebouwd, dan wel ten hoogste tot 2 m daarachter;
  • e. de afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneen te bouwen hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 3 m;
  • f. het aantal woningen bedraagt ten hoogste het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen' aangegeven aantal, waarbij het aantal woningen in totaal ten hoogste 12 bedraagt;
  • g. het aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste:
    • 1. 1 ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand';
    • 2. 2 ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen';
    • 3. 6 ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd';

met dien verstande dat ter plaatse van de aanduidingen 'twee-aaneen' en 'aaneengebouwd' tevens geschakelde woningen zijn toegestaan;

  • h. de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 9,00 m;
  • i. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt ten hoogte 4,00 m;
  • j. de dakhelling van het hoofdgebouw bedraagt ten minste 30° en ten hoogste 60°.

9.2.2 Bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. bijbehorende bouwwerken en overkappingen worden ten minste 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw (of het verlengde daarvan) gebouwd;
  • b. bijbehorende bouwwerken en overkappingen mogen alleen op minder dan 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw (of het verlengde daarvan) worden gebouwd, indien en voorzover geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. bijbehorende bouwwerken en overkappingen dienen ten minste 1 m vanaf de zijdelingse perceelgrens dan wel in de zijdelingse perceelgrens te worden gebouwd;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedraagt ten hoogste 100 m2, met dien verstande dat niet meer dan 50% van het bouwperceel wordt bebouwd;
  • e. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk of een overkapping bedraagt ten hoogste 3,5 m bedragen;
  • f. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk of een overkapping bedraagt ten hoogste 6,5 m.

9.2.3 Bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw ten hoogste 1 m bedraagt;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 8 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m.
9.3 Afwijken van de bouwregels

Bij de beoordeling van vergunningplichtige bouwactiviteiten als bedoeld in lid 9.2.1 sub d en e en lid 9.2.2 sub c kan in onderstaande gevallen worden afgeweken van die beoordelingsregels, indien en voorzover geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

9.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel, tenzij het detailhandel bij een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit betreft, in welk geval detailhandel is toegestaan die als nevenactiviteit beperkt blijft tot de verkoop van producten die een directe relatie hebben met het beroep of de activiteit of producten die binnen het beroep of de activiteit vervaardigd worden;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met een maximum van 50 m²;
  • d. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie en/of horeca, anders dan bedoeld in bijlage 1 Lijst met kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de te gebruiken materialen;
  • b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
  • c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
  • a. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt alleen verleend indien het uiterlijk van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken zoals opgenomen op pagina 3 van het Beeldkwaliteitsplan Uitbreiding Hantum, vastgesteld d.d. 5 maart 2026 en zoals opgenomen in Bijlage 2 bij de motivering bij dit TAM-omgevingsplan.
  • b. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in lid a. wordt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit om advies gevraagd.
  • c. Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in lid b. en bij de interpretatie van de beoordelingsregels als bedoeld in lid a. betrekt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit de regels over het uiterlijk van bouwwerken zoals opgenomen op pagina 2 van het Beeldkwaliteitsplan Uitbreiding Hantum, vastgesteld d.d. 5 maart 2026 en zoals opgenomen in Bijlage 2 bij de motivering bij dit TAM-omgevingsplan.
  • d. De omgevingsvergunning wordt ook verleend indien Burgemeester en Wethouders in afwijking van het advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit van oordeel zijn dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
12.2 Bodemgevoelig gebouw bouwen
12.2.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw

Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie geldt een meldingplicht.

12.2.2 Indieningsvereisten melding
  • a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl, dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij burgemeester en wethouders.
  • b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste;
    • 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
    • 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
    • 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
    • 4. de dagtekening; en
    • 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;
    • 6. 1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.
12.3 Afwijken van de beoordelingsregels

Bij de beoordeling van vergunningplichtige bouwactiviteiten als bedoeld in Hoofdstuk 2 kan in onderstaande gevallen worden afgeweken van de beoordelingsregels:

  • a. maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van de oppervlaktematen, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, openbaar vervoer, bediening van kunstwerken, sanitaire voorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    • 1. de oppervlakte per gebouw ten hoogste 50 m² mag bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van een gebouwtje ten hoogste 3 m mag bedragen;
  • c. het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in die zin dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 10 m;
  • d. het bouwen van openbare nutsgebouwen, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, kiosken, gebouwen ten behoeve van de bediening van kunstwerken, lichtmasten, toiletgebouwen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken, mits:
    • 1. de inhoud per gebouw niet meer dan 100 m³ bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van gebouwen niet meer dan 3 m bedraagt;
    • 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken ten hoogste 15 m bedraagt.

Artikel 13 Overige regels

13.1 Regels ten aanzien van parkeergelegenheid

Ten aanzien van parkeergelegenheid gelden de volgende regels:

  • a. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden (al dan niet gecombineerd), waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  • b. Bij een omgevingsvergunning, dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met dit TAM-omgevingsplan wordt bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld onder a. Er is uitsluitend sprake van voldoende parkeergelegenheid indien het parkeren op eigen terrein plaatsvindt.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat het parkeren buiten het eigen terrein plaatsvindt, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie in de omgeving.
13.2 Voorwaardelijke verplichting

De gronden en bouwwerken mogen niet worden gebruikt zonder dat de landschappelijke inpassing zoals opgenomen in Bijlage 3 bij de motivering, binnen een jaar na ingebruikname van de woningen, is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan.
14.2 Overgangsrecht gebruik

Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan bestaand gebruik, zijn de volgende overgansregels van toepassing voor gebruik:

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.