direct naar inhoud van Toelichting
Plan: St.-Annaparochie - Stadhoudersweg 65a
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1949.WPStAStadhdsw65a-VAS1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Stadhoudersweg 65A te St.-Annaparochie was een hoveniersbedrijf aanwezig dat momenteel niet meer actief is. De initiatiefnemer wil het perceel voor woondoeleinden in gebruik nemen en hier 11 woningen realiseren. In de tussenliggende tijd wordt het terrein verhuurd en gebruikt door derden.

Momenteel betreft het plangebied in het geldende bestemmingsplan een bestemmingsvlak waar bedrijven zijn toegestaan. Hierdoor is de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven positief tegenover de ontwikkeling te staan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, kan gebruik worden gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in het plan om de bedrijfsbestemming te veranderen in een woonbestemming. Hiervoor is het opstellen van een nieuw wijzigingsplan noodzakelijk, waarbij een onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening hoort. Het voorliggende plan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het noordwesten van de bebouwde kom van St.-Annaparochie. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.WPStAStadhdsw65a-VAS1_0001.jpeg"

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan St.-Annaparochie, vastgesteld op 27 oktober 2016 door de toenmalige gemeente het Bildt (thans gemeente Waadhoeke). Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.WPStAStadhdsw65a-VAS1_0002.jpeg"

Figuur 1.2 Uitsnede geldende bestemmingsplan St.-Annaparochie

In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Bedrijf' met als functieaanduiding 'hovenier'.

Hier zijn de gronden uitsluitend bestemd voor een hoveniersbedrijf. In de huidige situatie betreft dit een hoveniersbedrijf met een oppervlakte die groter is dan 500 m2, wat betekent dat dit een bedrijf betreft uit milieucategorie 3.1. Reguliere woningen zijn in deze bestemming alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen'. Hier is in het plangebied geen sprake van. Verder zijn de daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, tuinen, erven en terreinen, straten en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en sloten, bermen en beplanting op de bestemming mogelijk. De bedrijfsgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd.

De bouwhoogte van een gebouw mag maximaal 6 meter bedragen, de goothoogte maximaal 4 meter.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg over de juridische regeling van het wijzigingsplan, hoofdstuk 6 gaat tenslotte in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

Het mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling (het initiatief) is het belangrijkste uitgangspunt voor dit wijzigingsplan en wordt in dit hoofdstuk nader beschreven. De ontwikkeling wordt met dit plan op een goede manier ingepast in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden ook in dit hoofdstuk opgenomen. De inpassing in de huidige situatie wordt ook behandeld.

2.1 De bestaande situatie

Het plangebied bevindt zich aan de Stadhoudersweg 65A. In de huidige situatie staan hier een kas en een loods. Hier was een hoveniersbedrijf gevestigd die deze gebouwen in gebruik had. Deze bedrijfsgebouwen bestaan beide uit één bouwlaag met een puntdak. Het terrein rondom deze gebouwen is vrijwel geheel verhard. In figuur 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.WPStAStadhdsw65a-VAS1_0003.jpeg"

Figuur 2.1 Luchtfoto van de huidige situatie

Het plangebied ligt in het noordoosten van St.-Annaparochie, aan de Stadhoudersweg. In dit gebied zijn overwegend woningen aanwezig, maar op enkele plekken ook bedrijfsfuncties.

2.2 Voorgenomen situatie

In de voorgenomen situatie wordt het bestaande (voormalige) bedrijfspand gesloopt en worden 11 woningen gerealiseerd, waarbij de bedrijfsbestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming. Naast de woningen zullen de gronden worden gebruikt om tuinen, erven, groenvoorzieningen en straten aan te leggen. In figuur 2.2 is de beoogde inrichting van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.WPStAStadhdsw65a-VAS1_0004.png"

Figuur 2.2 Inrichtingsschets

Hierop is te zien dat de 11 woningen vrijstaand worden gebouwd in een doodlopende straat die als 30 km/uur-gebied wordt ingericht. Het zijn allen levensloopbestendige woningen met slaapgelegenheid op de begane grond waardoor gelijkvloers wonen mogelijk is. Een etage behoort bij de woningen tot de mogelijkheden. In beide situaties is sprake van een platte afdekking. In figuur 2.3 en figuur 2.4 zijn schetsen van de alternatieven van de nieuwe situatie opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.WPStAStadhdsw65a-VAS1_0005.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.WPStAStadhdsw65a-VAS1_0006.png"

Figuur 2.3 Schetsen aanzicht woningen met opbouw

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.WPStAStadhdsw65a-VAS1_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1949.WPStAStadhdsw65a-VAS1_0008.png"

Figuur 2.4 Schetsen aanzicht woningen zonder opbouw

Ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit

Het plangebied wordt omringd door bomen, waardoor er vanaf de wegen geen zicht op het plangebied is. Er is dus geen invloed op de zichten van en naar de weg en van en naar het omliggend landschap. Het project sluit dus aan op de omgeving.

Voor het plangebied heeft de gemeente Waadhoeke vanuit de welstandsnota geen regels die toegepast kunnen worden op dit gebied. Om deze reden is een specifiek beeldkwaliteitsplan opgesteld voor de ontwikkeling. In dit beeldkwaliteitsplan zijn de criteria opgenomen waar het project aan moet voldoen. In de uitwerking van de plannen wordt hier rekening mee gehouden. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 1 en is op 28 maart 2024 door de gemeenteraad vastgesteld.

Verkeer en parkeren

De voorgenomen 11 woningen worden ontsloten op de Stadhoudersweg via de bestaande (noordelijke) aansluiting. De huidige zuidelijke ontsluiting van en naar het plangebied is bedoeld voor langzaam verkeer en kan gebruikt worden als calamiteitenroute. In zuidelijke richting is via de Stadhoudersweg snel het bovenliggende wegennet te bereiken (de N383 en de N393). Naar het noorden zijn enkele dorpen te bereiken en de Waddenzee. Op deze manier is het plangebied op een goede wijze ontsloten.

De verkeersgeneratie als gevolg van de realisatie van elf vrijstaande woningen bedraagt 85,8 motorvoertuigen per etmaal. Dit aandeel verkeer gaat op in het huidige verkeersbeeld. Bovendien is het in de huidige situatie mogelijk een bedrijf in het plangebied te vestigen, waarbij de verkeersgeneratie hoger zou liggen. De verkeersbewegingen als gevolg van de functiewijziging en bouw van elf woningen zullen daarom niet leiden tot belemmeringen in de verkeerssituatie.

Op basis van de Nota Parkeernormen van gemeente Waadhoeke geldt een parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen voor een woning. Ten opzichte van de huidige bedrijfsbestemming is deze parkeernorm lager. In het plangebied zijn bij de nieuwe woningen voldoende mogelijkheden om te parkeren.

De ontsluiting van het plangebied is goed. De nieuwe ontwikkeling zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling en parkeren.

2.3 Toetsing aan de wijzigingscriteria

Om de voorgenomen situatie juridisch-planologisch te kunnen regelen, wordt gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 4.7 onder sub a en c van het geldende bestemmingsplan St.-Annaparochie. In deze wijzigingsbevoegdheid is opgenomen dat:

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het straat en bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • de milieusituatie,

het plan wijzigen in die zin dat:

Het voorliggende wijzigingsplan dient ter onderbouwing om te laten zien dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan bovengenoemde aspecten. Deze aspecten zullen worden behandeld in hoofdstuk 4.

De aanduiding "detailhandel", "hovenier" of "verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg", wordt verwijderd, mits de betreffende functie ter plaatse is beëindigd.

De huidige functie "hovenier" is ter plaatse al beëindigd.

De bestemming 'Bedrijf' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen', mits:

  • 1. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid voor de betreffende gronden de regels van 'Wonen' van toepassing zijn, met dien verstande dat de bouwregels zoals opgenomen in de bestemming 'Bedrijf' van toepassing blijven, indien de wijziging uitsluitend betrekking heeft op een verandering van het gebruik;
  • 2. de geluidbelasting van geluidgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere grenswaarde.

Na toepassing zullen de regels inclusief de bouwregels van de bestemming 'Wonen' van toepassing zijn, aangezien bestaande bebouwing wordt gesloopt en dus niet slechts een verandering plaatsvindt van het gebruik. De geluidbelasting is getoetst in paragraaf 4.4.

Uit de toetsing blijkt dat aan alle wijzigingscriteria wordt voldaan.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt bij het kiezen voor slimme combinaties van functies en bij het vaststellen van specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. De NOVI helpt om hier nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, wat zeggen wil dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid, gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.

Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als een zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.

Opgaven

Nederland heeft een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost en moeten in samenhang worden bekeken. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:

  • Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie.
  • De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden.
  • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken.
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied mogelijk maken.

Uitvoering

De NOVI gaat vergezeld met een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.

De ontwikkeling in het plangebied raakt geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en draagt bij aan de opgave om de regio sterker en leefbaarder te maken.

Ladder voor Duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hierin is opgenomen dat de toelichting op een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarop en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

De ontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied. Echter betreft het project pas een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het 12 woningen of meer omvat. Omdat 11 woningen mogelijk worden gemaakt, is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Bovendien betreft dit project een binnenstedelijke herontwikkelingslocatie dat in de lijn is met de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Conclusie

Het wijzigingsplan is in overeenstemming met het Rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn in de regelgeving vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Deze wordt gebruikt omdat de nieuwe omgevingsverordening is nog niet vastgesteld.

Omgevingsvisie Provincie Fryslân 'De romte diele'

De hoofdambitie van de provincie voor de Friese leefomgeving is brede welvaart in een vitaal, veerkrachtig, karakteristiek en gezond Fryslân. In de Omgevingsvisie werkt de provincie de provinciale ambities, opgaven, doelen en werkwijze voor de komende jaren uit. De werkwijze is gestoeld op negen principes:

Inhoudelijke principes

  • Zuinig ruimtegebruik;
  • Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis;
  • Koppelen van ambities;
  • Gezond en veilig.

Samenwerkingsprincipes

  • Rolbewust;
  • Decentraal wat kan;
  • Ja, mits;
  • Aansluiting zoeken;
  • Sturen op proces, ruimer op inhoud.

Dit is vertaald naar vier urgente opgaven die de provincie wil aanpakken:

  • Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar;
  • Fryslân zet de energietransitie met kracht voort;
  • Fryslân wordt klimaatadaptief ingericht;
  • Fryslân versterkt de biodiversiteit.

Toetsing

De opgave ''Fryslân houdt de leefomgeving vitaal, leefbaar en bereikbaar'', bestaat onder meer uit het grootschalig opknappen van bestaande bebouwing en het aanbod van woningen afstemmen op de bevolking. De provincie stimuleert dit. Daarnaast zet de provincie in op zorgvuldig ruimtegebruik en gaat inbreiding boven uitbreiding. Benutting van bestaande locaties en bestaande capaciteit staat voorop. Wanneer in het bestaand gebied niet aan de behoefte kan worden voldaan, wordt pas naar uitbreiding gekeken. De provincie voert periodiek prognoses uit naar de behoefte aan woningbouw en ondersteunt gemeenten met het toepassen van de Ladder voor Duurzame verstedelijking.

In dit plan wordt woningbouw gerealiseerd op een voormalig bedrijfsperceel in St.-Annaparochie. Hierbij is sprake van het zorgvuldig ruimtegebruik. In paragraaf 3.3 wordt gemotiveerd waarom de woningaantallen passen bij de behoefte. Daarmee is het voornemen in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie.

Verordening Romte Provincie Fryslân

In 2014 is de Verordening Romte Fryslân vastgesteld en deze is in 2021 geconsolideerd. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen.

Het plangebied maakt wat betreft de woonpercelen deel uit van bestaand stedelijk gebied zoals gedefinieerd in de Verordening Romte. De beoogde ontwikkeling, namelijk het realiseren van woningen, wordt beschouwd als stedelijke ontwikkeling. Een aantal regels uit de Verordening Romte zijn van toepassing op het plangebied.

Met betrekking tot het thema Wonen, gelden vanuit de verordening de volgende regels:

  • Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.
  • In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien:

1. Het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en

2. In de plantoelichting is gemotiveerd dat en hoe overschrijding van het woningbouwprogramma kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten.

Voor de kern St.-Annaparochie is tussen de provincie en gemeente de afspraak gemaakt dat binnenstedelijk vrij gebouwd mag worden. Daarmee is het plan in overeenstemming met het gestelde in de Verordening Romte Fryslân.

3.3 Gemeentelijk beleid

Woonvisie Waadhoeke 2020-2030

In de Woonvisie Waadhoeke 2020-2030 is het gemeentelijk beleid ten aanzien van wonen en woningbouw geformuleerd. De hoofdlijnen van de woonvisie gelden voor een periode van 10 jaar. Deze hoofdlijnen zijn bedoeld om projecten in gang te zetten die bijdragen aan het langetermijndoel. Jaarlijks actualiseert de gemeente de Uitvoeringsagenda en wordt overwogen of de woonvisie aangepast dient te worden.

De woonvisie is gebaseerd op een regionaal woningmarktonderzoek, waarin cijfers en kennis over wonen van organisaties als makelaars, corporaties, huurdersorganisaties en zorgpartijen, bijeen zijn gebracht.

Tot 2025 is nog een groei in het aantal huishoudens te verwachten van enkele tientallen woningen. Lokaal verschilt dit: in kernen waar de bereikbaarheid en het voorzieningenniveau bovengemiddeld zijn, is vaak genoeg instroom om nog groei te kunnen verwachten. Elders zullen minder courante woningen steeds vaker overtollig raken. Eerst vooral in de sociale huurvoorraad, daarna ook in de koopvoorraad. Per kern is in de woonvisie de woningbehoefte bekeken. In St.-Annaparochie is volgens het marktonderzoek, dat ten grondslag aan de woonvisie ligt, ruimte voor een toevoeging van 30 tot 40 woningen tot 2030. Ook is ruimte voor meer binnenstedelijke plannen, gemengd grondgebonden en gestapeld, huur en koop, herinvulling van panden, plekken of voor vervanging van woningen.

Alhoewel het project in het plangebied niet concreet is genoemd, voldoet het project in kwalitatieve zin aan het beleid van de woonvisie. Tevens is voor de kern St.-Annaparochie tussen de provincie en gemeente de afspraak gemaakt dat binnenstedelijk vrij gebouwd mag worden.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand.

Toetsing

Het plangebied maakt deel uit van een gemengd gebied waarin zowel bedrijfsfuncties, sportfuncties, maatschappelijke functies en woonfuncties voorkomen. Omdat sprake is van een gemengd gebied, kan bij de richtafstanden uit de VNG-brochure één stap terug worden gedaan.

Op basis van het geldende bestemmingsplan is ten zuiden van het plangebied een veldsportcomplex toegestaan. In gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Het dichtstbijzijnde veld binnen dit veldsportcomplex ligt op een afstand van circa 32 meter. Hiermee wordt voldaan aan de minimale richtafstand. Verder is ten oosten van het plangebied een autobedrijf aanwezig. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Met een afstand van circa 55 meter wordt hier ruim aan voldaan.

Het milieu- en omgevingsaspect 'bedrijven en milieuzonering' is geen belemmering voor het voorgenomen plan.

4.2 Ecologie

Toetsingskader

Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekkingen tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.

Toetsing

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee op circa 3.8 kilometer afstand tot het plangebied. Daarom wordt verwacht dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve gevolgen zal hebben voor omringende natuurgebieden.

Natura 2000-gebieden: stikstofdepositie

Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ligt op 3,8 kilometer afstand tot het plangebied. In het plangebied wordt een bedrijfslocatie getransformeerd tot een woonlocatie. In de huidige situatie is, ten aanzien van het bedrijfsperceel, de verkeersgeneratie hoger dan in de toekomstige situatie. Per saldo zal er in de toekomstige situatie dus sprake zijn van een verlaging van stikstofuitstoot.

Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ligt op 3,8 kilometer afstand tot het plangebied. In het plangebied worden woningen gerealiseerd op een perceel waar momenteel een bedrijfsfunctie wordt uitgeoefend. Om een goede ruimtelijke ordening te verzekeren, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd onder bijlage 6. Hieruit blijkt dat 0,00 mol/ha/jaar depositie van stikstof plaatsvindt. Het milieu- en omgevingsaspect gebiedsbescherming zal geen belemmering vormen voor het voorgenomen plan.


Soortenbescherming

In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Toetsing

Er vinden sloopwerkzaamheden plaats binnen het plangebied. De huidig aanwezige bebouwing wordt namelijk gesloopt om plaats te maken voor de nieuwe woningen. Daarom is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 2. Hieruit blijkt dat ten aanzien van de huismus, de ransuil en de vleermuis nader onderzoek nodig is en ten aanzien van broedvogels wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken. De adviezen uit het ecologisch onderzoek worden bij de verdere uitwerking van het project opgevolgd en het nader onderzoek is uitgezet en (indien dit voor de vaststelling beschikbaar is) in een volgende versie van dit wijzigingsplan verwerkt. De Wnb waarborg een adequate omgang met de beschermde soorten in het gebied.

4.3 Bodem

Toetsingskader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval.

Op grond van de Ontgrondingenwet kan daarnaast een ontgrondingsvergunning nodig zijn voor afgravingen. Provincie Fryslân is bevoegd gezag voor dergelijke ontgrondingen. Hierin is onder andere bepaald dat geen vergunning nodig is voor ontgrondingen die noodzakelijk zijn voor de verwerkelijking van een in een bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming als in het bestemmingsplan is aangegeven dat de diepte van de ontgronding niet meer bedraagt dan 2,00 meter beneden het maaiveld of en bij de ontgronding niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet.

Toetsing

Voor het project is een verkennend onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat ervan uit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen plannen.

Omdat er voor de uitvoering van dit project geen ontgronding dieper dan 2,00 meter beneden het maaiveld nodig is en/of meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders wordt afgevoerd of in depot wordt gezet, is een ontgrondingsvergunning niet nodig.

4.4 Geluid

Toetsingskader

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en bij spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones, moet in principe akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg, geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Toetsing

Het plangebied ligt niet binnen een geluidzone van een spoorlijn of industrieterrein. Het plangebied ligt nabij de Stadhoudersweg. Hier geldt een maximaal toegestane snelheid van 50 km/uur. Omdat het plangebied binnen de geluidszone van deze weg ligt en hier nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Deze is meegenomen bij dit wijzigingsplan als bijlage 4.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat geluidbelastingen vanwege de Stadhoudersweg voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. De hoogst berekende geluidbelasting is Lden = 44 dB. Daarom is het vaststellen van hogere waarden niet aan de orde. De ontwikkeling voldoet aan de Wet geluidhinder en het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van woningbouw.

4.5 Water

Toetsingskader

Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het onderhavige plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân.

Toetsing

Het project is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân. In bijlage 5 is de watertoets opgenomen. Hieruit blijkt dat de normale procedure moet worden doorlopen. Zoals in bijlage 8 is aangegeven, heeft Wetterskip Fryslân vervolgens aanvullend geageerd op het wijzigingsplan. Wetterskip Fryslân vraagt aandacht voor de volgende twee punten:

  • 1. Klimaat robuuste inrichting zoals voldoende hoog bouwen;
  • 2. Borgen van het uitvoeren van onderhoud aan de sloten.

Deze twee punten zijn in de waterparagraaf verwerkt en hierover worden zo nodig nog nadere afspraken over gemaakt.

Waterkwantiteit

In de huidige situatie is het plangebied voor een groot deel verhard. De huidige situatie wordt in de voorgenomen ontwikkeling gesloopt, waarna de 11 woningen worden gebouwd. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de verharding af. Compensatie is daarom niet nodig. Het plangebied wordt overigens al geheel door water omsloten door diverse watergangen.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI;

Schoon regenwater wordt op het oppervlaktewater geloosd naar de omliggende sloten. De vuilwaterafvoer van de woningen wordt aangesloten op het gemeentelijke riool.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden.

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Met het peil wordt aangesloten bij de bestaande situatie, hier is geen wateroverlast bekend. Bij de realisatie van de woningen wordt voldoende hoog gebouwd zodat wateroverlast wordt voorkomen.

Ruimtelijke adaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Bij de inrichting van het plangebied en de verdere uitwerking hiervan is rekening gehouden met ruimtelijke adaptatie door gebruik te maken van de omliggende waterpartijen en niet meer verstening te realiseren dan nodig is. In dit geval wordt het plangebied zo groen mogelijke ingericht, waarmee zoveel mogelijk wordt ingespeeld op de ruimtelijke adaptatie.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Het plangebied valt niet onder een beschermingszone. Wel is de sloot aan de oostzijde van het plangebied aangegeven als hoofdwatergang. Hier zijn geen werkzaamheden beoogd, behalve dat de hemelwaterafvoer hier geregeld gaat worden. De gemeente maakt met de initiatiefnemer van het project en Wetterskip Fryslân afspraken over het onderhoud en beheer van de sloten die grenzen aan het plangebied.

4.6 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Tevens moet worden bekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de voorgenomen functie.

Toetsing

Volgens Atlas Leefomgeving is in 2020 een meting gedaan naar de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5). Deze meting toont dat er 7 µg/m3 stikstofdioxide (NO2) en 5 µg/m3 fijnstof (PM2,5) werd aangetroffen. Dit is ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 voor stikstofdioxide (NO2) en 25 µg/m3 voor fijnstof (PM2,5). Daarom wordt uitgegaan van een goed leefklimaat.

In het plangebied worden slechts 11 woningen gerealiseerd. Dit aantal is dusdanig klein, dat op voorhand gesteld kan worden dat dit niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project valt ook onder de NIBM-regeling.

4.7 Archeologie

Toetsingskader

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over in de Omgevingswet wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie.

FAMKE

Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v.Chr.), en één voor de periode ijzertijd-middeleeuwen (800 v.Chr. - 1500 n.Chr.).

Toetsing

Conform beide advieskaarten is geen onderzoek noodzakelijk, ongeacht de grootte van de ontwikkeling. Er is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

4.8 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Goede ruimtelijke ordening betekent een integrale afweging van alle belangen die een effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Toetsing

Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruikgemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat geen sprake is van specifieke cultuurhistorische waarden binnen het plangebied.

4.9 Externe veiligheid

Toetsingskader

Externe veiligheid gaat over het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoeren van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over externe veiligheid om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Toetsing

Het dichtstbijzijnde risico betreft een gasleiding ten zuiden van het plangebied. Deze gasleiding is 4,25 inches breed en heeft een druk van 40 bar. Daarom dient een afstand van 45 meter aangehouden te worden. Met een afstand van circa 600 meter wordt hier ruim aan voldaan.

Het milieu- en omgevingsaspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bij de verdere uitwerking van het plan worden de adviezen van Brandweer Fryslân, zoals genoemd in bijlage 8, opgevolgd.

4.10 Kabels en leidingen

Toetsingskader

In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.

Toetsing

Binnen het plangebied is geen sprake van kabels en leidingen waar rekening mee gehouden dient te worden. Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor dit wijzigingsplan.

4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunningsplan m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r.-drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling valt onder de activiteiten als genoemd in bijlage D van het Besluit m.e.r., echter blijft dit activiteit onder de drempelwaarden als genoemd in de bijlage. Daarom dient alleen een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Deze is opgenomen als bijlage 7.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

Verbeelding

Een bijbehorende verbeelding maakt deel uit van dit wijzigingsplan. Na het onherroepelijk worden van het wijzigingsplan maakt de verbeelding deel uit van het bestemmingsplan St.-Annaparochie.

Op de verbeelding zijn de gronden als 'Wonen' bestemd conform de standaardregeling van de gemeente. De bouwvlakken in het plangebied zijn afgestemd op de bouwplannen en de standaarden van de gemeente zoals ook toegepast op de omliggende percelen. De maximale bouwhoogte en het maximum aantal wooneenheden zijn aangegeven binnen de bouwvlakken, op basis van de bouwplannen en overeenkomstig de systematiek van de bestemming 'Wonen'.

Regels

De regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan St.-Annaparochie zijn onverkort van toepassing op dit wijzigingsplan. De bestemmingsregels die van toepassing zijn op het plangebied van het wijzigingsplan betreffen in dit geval die van de bestemming 'Wonen'.

Alleen ten aanzien van het mogelijk bouwen van carports aan de voorzijde van de woningen is een specifieke regeling opgenomen, afgestemd op de bouwplannen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voorafgaand aan de procedure is een uitgebreid participatieproces met de omgeving gedaan waarbij de omwonenden zijn geïnformeerd over dit voornemen. De omwonenden zijn hiervoor uitgenodigd voor informatiebijeenkomsten die op 27 oktober 2022, 12 juli 2023 en 28 september 2023 zijn georganiseerd. Om deze reden wordt een inspraakprocedure overgeslagen.

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wijzigingsplan eerst voorgelegd aan de betrokken overleginstanties. De overlegreacties zijn samengevat en beantwoord, waarbij is aangegeven op welke punten het wijzigingsplan is aangepast. Deze reactienota overleg is opgenomen als bijlage 8.

Ontwerpfase en zienswijzen

Het ontwerpwijzigingsplan is vervolgens gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze zes weken is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze voor het ontwerpwijzigingsplan kenbaar te maken. Tijdens deze periode is één zienswijze ingediend die door de gemeente samengevat en beantwoord is. Bijlage 28-05-2024)

9 gaat hierop in.

Vaststelling

Het wijzigingsplan is vervolgens, op 28 mei 2024 ongewijzigd door het college vastgesteld. In het wijzigingsplan heeft hierbij een ambtshalve actualisatie van het stikstofonderzoek plaatsgevonden. Tevens is het aangepaste beeldkwaliteitsplan (dat op 28 maart 2024 door de gemeenteraad is vastgesteld) in het wijzigingsplan verwerkt. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het wijzigingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het besluit en het plan.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Het wijzigingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het plan financieel haalbaar is.

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

Met dit project is geen sprake van een bouwplan waarvoor de grondexploitatieregeling van toepassing is. Door de gemeente zal wel een overeenkomst worden afgesloten waarin afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de plankosten, de overdracht van het openbaar gebied en eventuele planschade. Ook worden door de gemeente de gebruikelijke leges conform de legesverordening geheven. Hiermee is het kostenverhaal voldoende verzekerd.