direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Oudemirdum - Uitbreiding camping De Bosrand
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Ten noordwesten van het dorp Oudemirdum ligt camping De Bosrand. De eigenaar is voornemens om dit terrein (bestaande uit kampeerplaatsen en chalets) op te waarderen en tevens uit te breiden. De uitbreiding betreft de agrarische gronden ten noorden van de huidige camping.

De uitbreiding van de bestaande camping is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Om deze reden wordt voor de uitbreidingslocatie een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader waarbinnen de gewenste situatie mogelijk is.

1.2 Plangebied

De camping ligt in het recreatieve gebied ten noordwesten aan de bosrand van de Gaasterlandse bossen. Het plangebied wordt ontsloten door de Oude Balksterweg. De camping bevindt zich aan weerzijde van deze weg. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de plangrenzen van de toekomstige uitbreiding. Het betreft het kadastrale perceel nummer 2071. In figuur 1 is de globale ligging van het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0001.png"

Figuur 1. Globale Ligging plangebied. Bron: Kadaster

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is geregeld in de beheersverordening 'Buitengebied Zuid West 2017', vastgesteld op 26 september 2017. Ten aanzien van het gebruik, het bouwen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden geldt de regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan Herziening Buitengebied 2004.

Huidige camping

Op basis van dit plan zijn de gronden van de huidige camping voorzien van de bestemming Verblijfsrecreatieve doeleinden 2. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor onder andere

standplaatsen voor kampeermiddelen, gebouwen ten dienste van het kampeerterrein, bijgebouwen ten behoeve van bergruimte bij stacaravans, recreatieverblijven en daarbijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

Op basis van het geldende bestemmingsplan is de herindeling van de bestaande camping reeds toegestaan.

Uitbreiding camping 

De gronden waarop de geplande uitbreiding moet plaatsvinden, kennen de bestemming 'agrarisch Gebied in besloten landschap'. Binnen deze bestemming zijn verblijfsrecreatieve doeleinden niet toegestaan. Een uitsnede van de geldende beheersverordening is weergeven in figuur 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0002.png"

Figuur 2. Uitsnede geldende beheersverordening

1.4 Leeswijzer

De toelichting bij het bestemmingsplan is opgebouwd in zes hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 vat de relevante beleidsstukken samen en geeft zo nodig aan welke consequenties dit heeft voor het plangebied. Hoofdstuk 4 staat stil bij de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de gehanteerde bestemmingen met de uitgangspunten hiervoor. Hoofdstuk 6 bevat tenslotte een korte beschrijving van de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het project

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt in het bosrijke buitengebied van de gemeente De Fryske Marren op ongeveer 1,5 kilometer ten noordwesten van de kern Oudemirdum. Figuur 3 weergeeft de ligging van het plangebied in zijn omgeving. Het landschap betreft een kleinschalig halfopen landschap. Enerzijds wordt het landschap gekenmerkt door de bebossing ten oosten en westen van het plangebied en anderszijde het open agrarisch landschap, met (onregelmatige) blokverkaveling, ten noorden van het plangebied. Rondom de erven en langs de wegen is sprake van hoogopgaande beplanting.

De omgeving heeft een zeer afwisselend karakter met zowel recreatieve, woon, en (agrarische) bedrijfsfuncties. Deze zijn voornamelijk gelegen aan de Jan Schotanuswei weg direct ten zuiden van het plangebied. Tevens bevindt zich direct ten oosten van het plangebied ook een camping.

Het plangebied, de camping, ligt aan weerzijden van de Oude Balksterweg aan de bosrand van de Gaasterlandse bossen. Deze weg gaat in zuidwesten over in de Jan Schotanuswei. Figuur 4 geeft een luchtfoto van het plangebied weer.

De camping is ooit begonnen aan de zuidkant van de Oude Balksterweg en heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot een volwaardige camping. Daardoor maken de gronden ten noorden van de Oude Balksterweg nu ook deel uit van de camping. De camping is ingericht ten behoeve van kampeerplaatsen voor zowel tenten, campers als chalets. Een opsomming van de inrichting is hieronder weergeven.

Verder is de camping een groen ingericht park in een bosrijke omgeving. Op het park is een waterpartij aanwezig ter hoogte van de bestaande chalets en is het gehele terrein omzoomd met opgaande beplanting.

Huidige situatie plangebied

De gronden ten behoeve van de uitbreiding en tevens onderhavig plangebied, liggen direct ten noorden van de camping. Op dit moment zijn de gronden nog intensief in gebruik voor de akkerbouw. Dit perceel heeft een oppervlakte van circa 2,9 hectare.

Figuur 5 weergeeft een plattegrond van de bestaande camping. Enkele aanzichten van de huidige situatie zijn weergeven in figuur 6.

  • 20 stuks toeristische kampeerplaatsen met privé sanitair. Het privé sanitair bestaat uit een wastafel, toilet en douche. Tevens zijn deze kampeerplaatsen voorzien van 16 Ampère elektriciteit, CAI, waterkraan en rioolafvoer.
  • 53 stuks kampeerplaatsen comfort. Dit betreffen kavels ten behoeve van voor tenten, campers en toercaravans.
  • 47 stuk seizoensplaatsen. Dit betreffen kavels ten behoeve van vaste plaatsen voor toer- en stacaravans.
  • 72 stuks chaletplaatsen;
  • receptie;
  • speelschuur;
  • verschillende sanitair gebouwen;
  • parkeerplaatsen aan de westzijde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0003.png"

Figuur 3. Ligging plangebied

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0004.png"

Figuur 4. Luchtfoto van het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0005.png"

Figuur 5. plattegrond bestaande camping

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0006.png"

Figuur 6. Aanzichten huidige situatie

2.2 Toekomstige situatie

De Bosrand heeft zich gedurende tientallen jaren ontwikkeld tot een veelzijdig recreatiecomplex en is voornemens het terrein aan de noordkant uit te breiden en het bestaande terrein op te waarderen. De ontwikkeling is een gevolg van de toenemende behoefte aan kwaliteit en beleving. De toerist is veeleisender en kritischer geworden in de afgelopen decennia. De hoeveelheid vrije tijd is afgenomen, maar het aantal toeristische activiteiten is toegenomen. Een combinatie van deze factoren leidt tot een noodzaak voor de toeristischesector in Friesland om te investeren in haar product om de concurrentie met andere regio's aan te kunnen.

Voor campings en recreatiewoningcomplexen leidt dit tot een behoefte aan extra ruimte en capaciteit. Niet alleen het aantal plaatsen groeit, maar ook de ruimte per standplaats. Voor deze slag in kwaliteitsverbetering is extra ruimte nodig.

De wens van camping De Bosrand is derhalve om in de toekomst te werken aan een verdere verbetering van het kwaliteitsniveau van de camping en daaraan gekoppeld een verdere seizoensverbreding. Gezien de ligging is een uitbreiding aan de noordwestzijde het meest reëel. In totaal beslaat de geplande uitbreiding een oppervlakte van circa 2,8 hectare. De uitbreiding van de camping betreffen de volgende ontwikkeling:

  • het realiseren van 10 (klif)chalets voor 4 tot 6 personen van maximaal 70 m2 per chalet. De chalets worden op de hoeken van de uitbreiding gerealiseerd. De hoeken worden verhoogd met zand tot circa 1 meter hoog. Op deze wijze wordt een optimale beleving van het landschap beoogd.
  • het realiseren van 18 chalets voor 6 personen van maximaal 70 m2 per chalet.
  • het realiseren van 8 chalets voor 10 personen van maximaal 100 m2 per chalet.
  • het inrichten van 12 standplaatsen met privé sanitair. Het privé sanitair bestaat uit een wastafel, toilet en douche. Tevens zijn deze kampeerplaatsen voorzien van 16 Ampère elektriciteit, CAI, waterkraan en rioolafvoer.
  • de realisatie van een nieuwe te graven waterpartij in het midden van de uitbreiding. Rondom de waterpartij zullen (water) chalets gerealiseerd worden.
  • rondom het terrein wordt opgaande beplanting in lijn met de bestaande landschappelijke inpassing aangelegd. Paragraaf 2.3 gaat hier verder op in.

In de nieuwe situatie is sprake van een totale netto toename van 48 plaatsen. Figuur 7 geeft een overzicht weer van de beoogde situatie. Figuur 8 geeft een impressie van de mogelijke uitvoering van een chalet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0007.png"

Figuur 7. Mogelijke invulling uitbreiding camping

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0008.png"

Figuur 8. Impressie mogelijke uitvoering chalet

2.3 Landschappelijke inpassing

Het bestaande park is al geheel landschappelijk ingepast. De beplanting aldaar blijft gehandhaafd. Voor de uitbreiding geldt dat er ook sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Deze is als bijlage 1 bij de toelichting toegevoegd. In de regels van het bestemmingsplan is één en ander verankerd met een voorwaardelijke verplichting.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het voor het plan relevante beleid beschreven. Daartoe komen het rijks,- provinciaal en het gemeentelijk beleid aan bod.

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zet het Rijk in op het beschermen van 14 nationale belangen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) worden regels opgenomen om het beleid uit de Structuurvisie te verwezenlijken. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren is in het Besluit ruimtelijke ordening de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6 lid 2). Sinds 1 juli 2017 is een er wijziging van de ladder in werking getreden. Voor een stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd en moet worden aangetoond of er behoefte is in de relevante regio.

Afweging rijksbeleid

In het plangebied spelen geen Nationale Belangen die zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte of in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

Camping De Bosrand heeft zich gedurende tientallen jaren ontwikkeld tot een veelzijdig recreatiecomplex en is voornemens het terrein aan de noordkant uit te breiden en het bestaande terrein op te waarderen. Dit wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkelingsproject. Hiervoor moet de actuele behoefte worden beschreven en moet worden aangegeven of de ontwikkeling niet plaats kan vinden binnen bestaand stedelijk gebied.

De ontwikkeling is een gevolg van de toenemende (landelijke) behoefte aan luxe/kwaliteit en beleving. De toerist is veeleisender en kritischer geworden in de afgelopen decennia. De hoeveelheid vrije tijd is afgenomen, maar het aantal toeristische activiteiten is toegenomen. Een combinatie van deze factoren leidt tot een noodzaak voor de toeristische sector in Friesland om te investeren in haar product om de concurrentie met andere regio's aan te kunnen. Daarbij is een verschuiving gaande van overnachtingen op toeristische standplaatsen en kleinere recreatiewoningen naar overnachtingen in chalets en (luxe) recreatiewoningen.

Voor campings en recreatiewoningcomplexen leidt dit tot een behoefte aan extra ruimte en capaciteit. Niet alleen het aantal plaatsen groeit, maar ook de ruimte per standplaats. Voor deze slag in kwaliteitsverbetering is extra ruimte nodig.

De wens van camping De Bosrand is derhalve om in de toekomst te werken aan een verdere verbetering van het kwaliteitsniveau van de camping en daaraan gekoppeld een verdere seizoensverbreding. Daarbij kunnen deze objecten breder worden ingezet, omdat deze ook buiten het hoogseizoen kunnen worden verhuurd. Ofwel er is sprake van een seizoensverlenging. Ook in de gemeente de Fryske Marren is vraag naar deze kwaliteitsverbetering aan de orde.

Uit marktonderzoek van NVM uit 2016 is gebleken dat er behoefte is aan een fors aantal recreatiewoningen in de regio. Daarnaast is gebleken dat er een steeds grotere vraag naar luxe en comfort is. Er worden hier steeds grotere eisen aan gesteld. Daarnaast worden er steeds vaker vakanties geboekt voor grote groepen. Hier wordt ingespeeld door de grootte van de woningen. De woningen zijn hierbij zo ingericht dat drie generaties of grote groepen (familie, vrienden, etc.) kunnen verblijven en een optimaal gemak en comfort ervaren en deels eigen privacy. Deze trend komt voort uit een studie van de NVM. De vraag naar woningen met minimaal 100 m2 is dan ook groter dan het aanbod.

De behoefte aan recreatiewoningen kan niet in het bestaand stedelijk gebied worden opgevangen. Voor recreatiefuncties is ligging buiten bestaand stedelijk gebied namelijk een voor de hand liggende keuze, vanwege de landschappelijke kwaliteiten en de uitloopmogelijkheden in de omgeving. De vraag richt zich niet op stedelijke locaties, maar juist op landelijke locaties. Dit wordt onderkend door het feit dat recreatiewoningen in de Verordening Romte niet zijn opgenomen in het Bestaand Stedelijk Gebied.

In het Friese Merengebied zijn bovendien geen binnenstedelijke ontwikkellocaties voorhanden, waar een recreatiecomplex met een dergelijke omvang en kwaliteiten gerealiseerd kan worden. Er is daarom gekozen voor een uitbreiding van een bestaand recreatief complex, waarbij nieuwe landschappelijke kwaliteiten aan het gebied worden toegevoegd. Daarmee wordt de beoogde uitbreiding acceptabel geacht en in lijn met het provinciale beleid ten aanzien van verstedelijking (zie paragraaf 3.2). Door aan te sluiten bij een bestaand recreatiepark wordt voldaan aan het uitgangspunt van duurzame verstedelijking.


Met dit bestemmingsplan wordt een toekomstbestendig recreatiepark mogelijk gemaakt die voldoet aan de huidige eisen en wensen vanuit de recreatiemarkt. De ontwikkeling vindt plaats in een aantrekkelijk recreatiegebied.

De herontwikkeling en uitbreiding van het terrein zorgt voor een kwaliteitsimpuls. Het park zal als geheel landschappelijk worden ingepast. Zie hiervoor paragraaf 2.3.

Conclusie

Het voornemen is passend binnen het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Grutsk op 'e Romte

In het Streekplan worden de kernkwaliteiten van het cultuurhistorische erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: 'die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij tezamen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen'. Het Streekplan bevat een beschrijving van welke kernkwaliteiten er zijn en kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. De thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld in maart 2014, vormt deze uitwerking en geeft de provinciale belangen en ontwikkelingsrichting ten aanzien van de kernkwaliteiten.

Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in het gebied Gaasterlân. Van provinciaal belang is het zichtbaar en beleefbaar houden van het reliëf van de stuwwal op de lijn tussen Wijckel en Bakhuizen door het open houden van de overgang van hoger gelegen naar lagergelegen gronden. Dit reliëf op de overgang van het open IJsselmeer tot aan de hogere beboste gronden van Gaasterlân wordt

gekenmerkt door een afwisseling van open en gesloten gebieden. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de landschappelijke structuur als onderlegger benut te worden bij nieuwe ontwikkelingen.

Met de landschappelijke inpassing, zoals beschreven in paragraaf 2.2, is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van Gaasterlân. Het bestemmingsplan past hiermee binnen de beleidsuitgangspunten van Structuurvisie Grutsk op 'e Romte.

Verordening Romte Fryslân 2014

Op 18 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In de verordening zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Het plangebied ligt volgens de begrenzing van het landelijk gebied buiten het 'bestaand stedelijk gebied'. Er mogen daarom geen bouw- en gebruiksmogelijkheden voor stedelijke functies worden geboden. Een complex van recreatiewoningen is in de Verordening niet aangewezen als stedelijke functies en kan dus in het landelijk gebied worden toegestaan.

De Provinciale Verordening Romte Fryslân (artikel 5.2.1) geeft aan dat in een ruimtelijk plan een uitbreiding van een bestaand kampeerterrein wordt toegestaan, waarbij het aantal standplaatsen mag toenemen tot 200, dan wel het bestaande aantal standplaatsen met 100 mag toenemen, mits in de plantoelichting is onderbouwd dat de uitbreiding bijdraagt aan kwaliteitsverbetering van het kampeerterrein.

In onderhavig plan is sprake van een uitbreiding van het recreatieterrein met netto 48 extra plaatsen. Dit betreffen 36 chalets en 12 standplaatsen met privé sanitair. Tevens wordt de bestaande camping opgewaardeerd in de vorm van chalets en een verbeterde indeling van de layout van het veld. Dit gedeelte maakt geen deel uit van dit bestemmingsplan.

Verder is in de verordening de Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) aangeduid. Het plangebied van dit bestemmingsplan grenst hieraan. Een plan dat betrekking heeft op deze gronden mogen geen activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maken die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gronden, of tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Paragraaf 4.8 gaat hier specifiek op in. Hieruit blijkt dat de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de NNN. De ontwikkeling is dan ook passend binnen de regels uit de Verordening Romte Fryslân.

Ontgrondingenverordening Friesland

Voor bepaalde werkzaamheden is op basis van de Ontgrondingenverordening Friesland een ontgrondingsvergunning nodig. In verband met de beoogde inrichting wordt een waterpartij van 8.000 m2 gegraven. Indien de waterpartij aan onderstaande voorwaarden voldoet is voor de graafwerkzaamheden geen ontgrondingsvergunning nodig.

  • 1. de diepte van de ontgronding bedraagt niet meer dan 2,00 m beneden maaiveld;
  • 2. bij de ontgronding wordt niet meer dan 10.000 m3 aan bodemmateriaal naar elders afgevoerd.

Conclusie

Het voornemen is passend binnen het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

Collegeprogramma 2018-2022

In het collegeprogramma 2018 – 2022 staat dat de gemeente De Fryske Marren zich profileert als

een actieve en recreatieve gemeente. In de nieuwe Recreatievisie zal De Fryske Marren in ieder geval

aandacht besteden aan:

  • Samenwerking met ondernemers in de toeristisch- recreatieve sector;
  • Kwaliteitsverbetering van de verblijfsrecreatie,e.e.a. op basis van een vitaliteitsonderzoek verblijfsrecreatie;
  • Een positieve benadering van nieuwe initiatieven, die passen bij de aard en schaal van de omgeving.
  • Initiatieven 'van onderop', vergelijkbaar met het initiatief van ‘’De Club van Aanjagers van de Tsjûkemar’’, worden gestimuleerd en gefaciliteerd.

Met dit bestemmingsplan wordt het recreatieve aanbod van de gemeente de Fryske Maren versterkt en uitgebreid. Deze wordt in nauw overleg met de bestaande eigenaar van de camping mogelijk gemaakt.

Conclusie

Het voornemen is passend binnen het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de in en rond het plangebied voorkomende relevante milieu- en omgevingsaspecten.

4.1 Milieueffectrapportage

Beleid en Normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

  • Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
  • Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Onderzoek

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van permanente kampeer- en caravanterreinen m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 25 hectare of meer. (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D10). De beoogde ontwikkeling betreft een uitbreiding van het kampeerterrein met en oppervlakte van circa 2,8 hectare. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.

Derhalve is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als bijlage 2 bij de toelichting toegevoegd. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.

4.2 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Een recreatieterrein is aangewezen als inrichting uit milieucategorie 3.1. Hierbij geldt een richtafstand van 50 meter tot aan gevoelige bestemmingen, zoals woningen. De bepalende factor voor deze afstand betreft geluidhinder. Direct ten westen van de bestaande camping is een woning gelegen. De afstand van de woning tot de grens van het park is circa 26 meter en tot het dichtstbijzijnde bestaande recreatieperceel circa 60 meter. Het bestaande recreatiepark is planologisch gezien een bestaande situatie zoals het in het geldende bestemmingsplan is geregeld. In de huidige situatie is het plangebied al in gebruik als recreatieterrein en zijn de gronden geregeld onder een recreatieve bestemming. De recreatieve bestemmingen blijven in de nieuwe situatie gehandhaafd. De situatie ten opzichte van de woning qua milieuzonering wijzigt niet. Met de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die voor extra hinder zorgen. De toekomstige uitbreiding vindt op ruime afstand van de woning plaats. Daarnaast neemt het aantal plaatsen ter hoogte van de bestaande camping af.

Daarnaast geldt ook voor de verblijfsaccommodaties dat een goed leefklimaat gerealiseerd moet worden. Op meer dan 40 meter van het plangebied is een agrarisch bedrijf (Oude Balksterweg 4) uit categorie 2.1 aanwezig, met een richtafstand van 30 meter die voor milieugevoelige objecten moet worden aangehouden.

Aan de Jan Schotanuswei 110 is daarnaast een melkveehouderij gevestigd. De grens van de richting van het bedrijf tot de grens van de uitbreiding van de camping bedraagt meer dan 100 meter. Melkveehouderijen vallen onder milieucategorie 3.2, waarbij een richtafstand van 100 meter geldt. Aan deze afstand wordt voldaan.

Op de percelen Jan Schotanuswei 108 en Oude Balksterweg 1 zijn eveneens melkveehouderij toegestaan. Ook deze percelen bevinden zich op een afstand van meer dan 100 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan.

Omdat het plangebied voldoet aan de richtafstand, kan gesproken worden van een goed recreatieklimaat, zoals op het kampeerterrein nu ook al sprake van is. Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

Geconcludeerd wordt dat het aspect milieuzonering de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.

4.3 Verkeer

Camping De Bosrand in Oudemirdum, gelegen aan de Oude Balksterweg, gaat uitbreiden. Ten noorden van Chalet park Buitengoed Gaasterland worden nieuwe lodges geplaatst. Tevens wordt het bestaande chaletpark anders ingericht. In de nieuwe situatie is sprake van een totale netto toename van 48 plaatsen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzoek gedaan naar de bereikbaarheid, verkeersgeneratie, afwikkeling en de parkeerbehoefte. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen voor de uitbreiding is gebruik gemaakt van de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren' d.d. 23 februari 2018 en 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van CROW (publicatie 317).

Bereikbaarheid

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Oude Balksterweg. Dit is een smalle (circa 3 meter) erftoegangsweg buiten de bebouwde kom; een polderweg. Hier geldt een maximum snelheid van 60 km/uur. In het oosten rijdt men door het bos via de Skouleane en Beukenlaan naar de Sminkewei. De Sminkewei sluit in het noorden aan op de N359.

In het westen sluit de Oude Balksterweg aan op de Jan Schotanuswei. Deze weg verbindt Oudemirdum met Rijs. Bij Rijs kruist de weg de Leise Leane welke vervolgens in het oosten aansluit op de N359.

De N359 is een provinciale gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 80 km/uur. In het zuidoosten bij Lemmer sluit de N359 aan op de A6. De A6 gaat in het noorden richting Joure en in het zuiden richting Emmeloord. De A6 is in circa 20 minuten vanaf het plangebied te bereiken. De N359 sluit in het noorden bij Bolsward aan op de A7. Vanaf het plangebied is de A7 in circa 25 minuten te bereiken. Vanaf daar kan men in westelijke richting naar de Afsluitdijk en in oostelijke richting naar Sneek.

Langzaam verkeer

Op de Oude Balksterweg is het fietsverkeer gemengd met het gemotoriseerde verkeer. Bij de Jan Schotanuswei ligt een oversteek naar het vrijliggende tweerichtingsfietspad langs de Jan Schotanuswei. Vanaf daar is de kern Oudemirdum en Rijs te bereiken. Parallel aan de Sminkewei is ook een vrijliggend fietspad aanwezig. Op alle andere wegen binnen en buiten de bebouwde kom, deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer.

Openbaar vervoer

Op circa 500 meter van het plangebied, op de Jan Schotanuswei/Marderleane, is een bushalte aanwezig. Lijnbus 44 van Arriva halteert hier en zorgt voor een verbinding tussen Oudemirdum, Balk en Bolsward.

Parkeren

Het uitbreiden van de camping zorgt voor een toename van de parkeervraag. De parkeervraag wordt berekend conform de nota beleidsregels parkeren van de gemeente De Fryske Marren. De camping is gelegen in het buitengebied. De netto uitbreiding heeft betrekking op het realiseren van 36 chalets waardoor is uitgegaan van het kencijfer voor 'bungalowpark (huisjescomplex)'. Per huisje (chalet) moeten 2,1 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De uitbreiding zorgt voor een parkeervraag van 2,1 * 36 = 76 parkeerplaatsen. Daarnaast worden 12 standplaatsen voor kamperen gerealiseerd. Hiervoor geldt 1,2 parkeerplaatsen per standplaats, wat neerkomt op 15 parkeerplaatsen. Totaal zijn hierdoor 91 parkeerplaatsen benodigd. Binnen het plangebied wordt parkeergelegenheid ten behoeve van 104 parkeerplaatsen aangebracht om in de parkeervraag te voorzien. Concreet wordt per recreatie verblijft één parkeerplaats aangelegd ten behoeve van één auto. Daarnaast worden een viertal parkeerkoffers gerealiseerd voor in totaal 56 extra parkeerplaatsen. Zie hiervoor ook de inrichtingstekening hieronder. Het plan voldoet daarmee aan de beleidsregels parkeren van de gemeente De Fryske Marren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0009.png"

Verkeersgeneratie

Een uitbreiding van de camping zorgt naast een toename van de parkeervraag ook voor een toename van het verkeer. De verkeersgeneratie is bepaald op basis van CROW kencijfers (publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie", 2012). Er is aangesloten bij de kencijfers opgenomen in de Nota parkeernormen van de gemeente De Fryske Marren. Conform het CBS wordt de gemeente De Fryske Marren aangemerkt als 'weinig stedelijk gebied'. De camping is gelegen in het buitengebied van Oudemirdum. Het parkeerkencijfer van De Fryske Marren komt overeen met het gemiddelde CROW-parkeerkencijfer. Voor de verkeersgeneratie is daarom uitgegaan van het gemiddelde kencijfer voor de verkeersgeneratie: 2,7 mvt/etmaal per chalet. Uitgaande van een uitbreiding van 36 chalets komt de verkeersgeneratie uit op 36 * 2,7 = 97 mvt/etmaal. De extra kampeerplaatsen genereren per standplaats gemiddeld 0,4 mvt/etmaal, waardoor de verkeersgeneratie uitkomt op 12 * 0,4 = 5 mvt/etmaal. De totale verkeersgeneratie van de uitbreiding bedraagt hierdoor 102 mvt/etmaal.

Afwikkeling

De Oude Balksterweg is circa 3 meter breed. Auto's kunnen elkaar op sommige plekken met moeite passeren. Het verkeer op de Oude Balksterweg is hoofdzakelijk bestemmingsverkeer. Deze weg ontsluit ook de camping Zonneheuvel. De campings zorgen derhalve voor het grootste aanbod van het verkeer. Camping De Bosrand ligt op circa 200 meter van de Jan Schotanuswei. Alleen op de aankomst en vertrek dagen zal het verkeersaanbod het hoogst zijn. Waarbij naar verwachting het meeste verkeer in de ochtend vertrekt en in de middag aan komt. Het meeste verkeer wordt via de Jan Schotanuswei afgewikkeld. Conform de gemeentelijke verkeerstellingen in juli 2017 is de intensiteit op de Jan Schotanuswei circa 1.632 mvt/etmaal. De toename van het verkeer als gevolg van de uitbreiding van camping De Bosrand is dermate gering dat het opgaat in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. De afwikkeling van het verkeer zal daardoor niet voor problemen zorgen.

Conclusie

De ontsluiting van de camping is voor alle modaliteiten voldoende. Als gevolg van de uitbreiding van de camping wordt de parkeervraag van 91 parkeerplaatsen op het eigen terrein gerealiseerd waardoor aan de parkeervraag wordt voldaan. Daarnaast zorgt de uitbreiding voor een toename van circa 102 mvt/etmaal. Deze toename van de verkeersgeneratie kan voldoende worden afgewikkeld op de omliggende wegen. Het aantal is dermate gering dat het opgaat in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.4 Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. In de Wgh wordt onderscheid gemaakt tussen geluidgevoelige functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Indien een geluidsgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt en binnen de zone van een weg, spoorweg of een industriegebied ligt, moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde.

Recreatieobjecten zijn niet-geluidsgevoelige objecten. Een formele toets aan de Wgh is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient er vanuit een 'goede ruimtelijke ordening' gemotiveerd te worden dat er bij de recreatiewoningen vanuit wegverkeersgeluid een goed recreatieklimaat ontstaat. De recreatieobjecten worden gebouwd op het park zelf en betreft daarmee wegen die geen doorgaande functie hebben. De verkeersintensiteiten zullen dan ook zeer laag zijn, waardoor er een goed recreatieklimaat wordt geboden.

Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

4.5 Water

Toetsingskader

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Voor de ontwikkeling is in ieder geval de watertoets doorlopen. De uitslag en de bijbehorende uitgangspuntennotitie is als bijlage 3 toegevoegd en hierna verder uitgewerkt.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europees:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

Het beleid van wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2016-2021. In het Waterbeheerplan 2016-2021 beschrijft wetterskip Fryslân de doelen ten aanzien van waterveiligheid, voldoende water, schoon water en water in de samenleving voor de komende jaren.

Onderzoek

Huidige situatie

Algemeen

De uitbreiding van de camping vindt plaats op het voormalig agrarisch perceel ten noorden van de huidige camping.

Bodem en grondwater

Volgens de bodemkwaliteitskaart bestaat de bodem van het plangebied uit lichte zavel en zand. Plaatselijk op een diepte van 0,40 tot 1,20 m-mv een keileem of potkleilaag van circa 20 cm dikte aanwezig. In het plangebied is er sprake van grondwatertrap III en V dat betekend dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand <0, 40 m-mv is gelegen. En de laagste grondwaterstand tussen de 0,80-1,20 m-mv.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0010.png"

Figuur 9. Uitsnede bodemkwaliteitskaart, (bron bodemdata.nl)

Het plangebied ligt in een peilgebied met een zomer- en winterpeil van respectievelijk -0,75 m NAP en -0,90 NAP. De droogleggingsnorm voor bebouwing zonder kruipruimte bedraagt 70 cm en het advies is om de aanleghoogte boven het ZP+ droogleggingsnorm te realiseren.

Waterkwantiteit

Ten noordoosten van het plangebied is een schouwwatergang gelegen. Het onderhoud vindt plaats door de aanliggende eigenaar. Binnen het plangebied is overig oppervlaktewater aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0011.png"

Figuur 10. Uitsnede Legger wetterskip Fryslân (geel, locatie uitbreiding)

Waterkwaliteit

De in en rondom het plangebied aanwezige oppervlakte water behoord niet tot een KRW waterlichaam. Er gelden geen specifieke maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit.

Veiligheid en waterkeringen

Ten zuiden en het oosten van het plangebied is een kern en beschermingszone van een regionale kering gelegen.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is aangesloten op een gescheiden provinciaal rioolstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

De uitbreiding van de camping vindt plaats ten noorden van de huidige camping op het voormalig agrarisch perceel. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van circa 36 chalets met bijbehorende voorziening en infrastructuur. Centraal in het uit te breiden deel worden twee waterpartijen gerealiseerd. De vrijkomende grond wordt binnen het perceel hergebruikt voor ophoging van de hoeken van het perceel. De ophoging zal maximaal 1 meter bedragen.

Toename verharding

Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. In de waterparagraaf, regels en of verbeelding dient duidelijk aan te worden gegeven wat voor maatregelen er worden genomen om de versnelde afvoer als gevolg van de toename verharding te compenseren.

Wanneer een gebied (deels) wordt verhard dan stroomt hemelwater versneld af naar het oppervlaktewater. Om overlast te voorkomen, moet deze versnelde afstroom gecompenseerd worden. Wetterskip Fryslân hanteert een compensatienorm van 10 %. Voor bebouwd gebied is de ondergrens van 200 m² van toepassing, in het buitengebied geldt een ondergrens van 1.500 m². Daarnaast dient, indien hier sprake van is, het dempen van oppervlaktewater 100% gecompenseerd te worden.

Binnen het plangebied wordt circa 3.000 m2 verhard oppervlak toegevoegd. De watercompensatie betreft 10% van de toename van het verhard oppervlak. Dat betekend circa 300 m2 aan oppervlaktewater moet worden gerealiseerd. De compensatie vindt plaats in het midden van het uit te breiden terrein. Op dit terrein worden twee vijvers gegraven met een gezamenlijke oppervlakte van circa 8.000 m2. Hiermee wordt ruim voldaan aan de compensatie eis. Deze waterpartijen worden met elkaar verbonden door een duiker en aangesloten op het bestaande watersysteem. Het bestaande watersysteem blijft hierbij gehandhaafd. Voor de realisatie van de infrastructuur is wel een aanpassing noodzakelijk. Voor het aanpassen van de zuidelijk gelegen watergang met een dam en duiker geldt een vergunningplicht. Voor de exacte uitvoering, qua lengte en breedte van de vijver, benodigde duikers en de verbinding met het huidig watersysteem, wordt ter zijner tijd een watervergunning aangevraagd.

Klimaatadaptatie

Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.

Bij de inrichting van het plangebied kan hier op geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Binnen het plan is rekening gehouden met een groene inrichting. Zie hiervoor bijlage 1 en hoofdstuk 2.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI.

Het huishoudelijk afvalwater wordt gescheiden van het hemelwater afgevoerd via het bestaande gescheiden rioolstelsel en aangeboden voor zuivering. Het hemelwater wordt afgevoerd op het oppervlaktewater van de vijver die in verbinding staat met het huidig watersysteem. Hierdoor ontstaat een goede doorstroming van de vijvers.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Voor het beplanten van de te realiseren vijvers is het niet toegestaan om gebruik te maken van exoten.

Veiligheid en waterkeringen

Binnen de kern en beschermingszone van de aanwezige regionale kering worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de stabiliteit en de onderhoud van de kering belemmeren. Er wordt niet binnen de beschermingszones gebouwd. De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Voor de realisatie van de waterpartij en de afvoer van het hemelwater en het plaatsen van een duiker, dient een vergunning te worden aangevraagd bij het wetterskip Fryslân.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.6 Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico's voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied.

Gelet op de beoogde functie is het plangebied in ieder geval geschikt als de grondkwaliteit voldoet aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse wonen en de grondwaterkwaliteit voldoet aan de streefwaarden.

Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is het Bodemloket geraadpleegd. Op het Bodemloket zijn geen gegevens beschikbaar die de bodemkwaliteit in kaart brengt. Wel is op het perceel ten oosten van het plangebied een bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit uitgevoerde (historische) bodemonderzoek geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming.

Op 6 maart 2007 heeft het college van Burgemeester en wethouders de bodemkwaliteitskaart en het Bodembeheerplan Zuidwest Fryslân vastgesteld. Op de bodemkwaliteitskaart is de actuele bodemkwaliteit van de gemeenten onderscheiden naar verschillende deelgebieden (zones van vergelijkbare kwaliteit). In het bijbehorende bodembeheerplan wordt het beleid beschreven ten aanzien van hergebruik van grond als bodem.

Het plangebied valt binnen de zone 'Buitengebied zand'. Op basis van het bodembeheerplan geldt dat de bodemkwaliteit van deze gronden van voldoende kwaliteit zijn. Er is dan ook geen sprake van een verdachte locatie.

Gezien het huidige agrarisch functiegebruik ter hoogte van de uitbreiding in het plangebied en de reeds beschikbare historische gegevens is het niet aannemelijk dat er verontreinigingen in de bodem zijn ontstaan. Een bodemonderzoek kan in het kader van de bestemmingsplanprocedure achterwege blijven. In het kader van de vergunningverlening is het uitvoeren van een bodemonderzoek echter wel verplicht en zal worden uitgevoerd. Gezien het huidige gebruik van de gronden worden er geen belemmeringen verwacht.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1 Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.


De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.


Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).

In verband met de graafwerkzaamheden is het mogelijk dat archeologisch resten aangetroffen dan wel verstoord worden. Op basis van het provinciaal archeologiebeleid is er sprake van een archeologische ver-wachting. Voor een gedeelte van de uitbreiding geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 1.000 m2. Voor het overige gedeelte geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 5.000 m2.

Het nieuw te bebouwen en te graven oppervlak als gevolg van de ontwikkeling is meer dan 5.000 m². Voor de ontwikkeling is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 toegevoegd. Hierna wordt een samenvatting van het onderzoek gegeven.

Het doel van het onderzoek was om vast te stellen wat de kans is op het aantreffen van dergelijke archeologische waarden. Volgens een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel bestaat in het

plangebied de mogelijkheid dat een afgedekt dekzandlandschap aanwezig is met in de top daarvan mogelijk archeologische resten uit de steentijd. De kans hierop is het meest reëel in de relatief hoog gelegen noordwesthoek. Door de ligging van het plangebied op een akker op enige afstand van historische bebouwing bestaat hooguit een middelhoge kans op resten van bewoning uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd.

Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het plangebied zeventien boringen geplaatst met een guts met een diameter van drie centimeter en is tevens een vlakdekkende oppervlaktekartering uitgevoerd. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de ondergrond op het zuidelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied met veen bedekt is geweest. Hieronder is een zandbodem aanwezig die is gevormd onder natte omstandigheden. Dit deel van het plangebied zal in het (verre) verleden niet aantrekkelijk zijn geweest voor bewoning. Dit in tegenstelling tot het noordwestelijke deel van het plangebied dat aanmerkelijk hoger ligt en waarop wel droge en voor bewoning geschikte omstandigheden hebben geheerst. Resten van podzolvorming getuigen hier nog van.

In verband met de uitstekende vondstzichtbaarheid ten tijde van het veldonderzoek is op het hele plangebied een vlakdekkende oppervlaktekartering uitgevoerd. Hierbij zijn aardewerkscherven aangetroffen uit de ijzertijd, de middeleeuwen en de nieuwe tijd.

Tijdens de oppervlaktekartering zijn aardewerkscherven gevonden uit de ijzertijd, middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze scherven komen in een dermate dunne en gelijkmatige spreiding over het plangebied voor dat nergens sprake is van een vondstconcentratie die geïnterpreteerd zou kunnen worden als afkomstig van een nederzettingsterrein. De gevonden resten zijn vrijwel zeker door bemesting met terpaarde op deze eeuwenoude akker terechtgekomen. Relevante archeologische indicatoren zijn ondanks de uitstekende vondstzichtbaarheid en de uitvoering van een vlakdekkende oppervlaktekartering nergens in het plangebied gevonden. Gezien het bovenstaande bestaat voor het plangebied geen aanleiding tot het doen van vervolgonderzoek. Het aspect archeologie staat het bestemmingsplan niet in de weg.

4.7.2 Cultuurhistorie

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

In het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. De in het plangebied aanwezige

landschapselementen hebben geen monumentale of karakteristieke waarde. Vanuit het omgevingsaspect cultuurhistorie bestaan geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Ecologie

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

• Natura-2000 gebieden;

• Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

• alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;

• het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en

• de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

• soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;

• soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;

• overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Fryslân

In de provincie Fryslân wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingericht of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, of bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage I bij deze verordening. Per soort worden de handelingen, middelen en methoden genoemd die mogen worden toegepast, slechts voor zover er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied IJsselmeer bedraagt 1,8 kilometer en tot het dichtstbijzijnde NNN -gebied bedraagt de afstand 170 meter.

Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het Natura 2000-gebied IJsselmeer is niet gevoelig voor stikstofdepositie. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied betreft de 'Oudegaasgerbrekken, Fluessen en omgeving'. Om te beoordelen of er negatieve effecten op dit gebied, en andere Natura-2000 gebieden, ontstaan is een stikstofberekening, met het programma AERIUS, uitgevoerd. De berekening is als bijlage 5 toegevoegd. Uit de berekening met Aerius blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr. Voor zowel de aanleg- als gebruiksfase staat de Wet natuurbescherming van het project niet in de weg.

Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Fryslân staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0013.png"

Figuur 12. Ligging beschermde natuurgebieden

Soortenbescherming

Om te onderzoeken of sprake is van beschermde soorten in het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 toegevoegd. Bij dit onderzoek is een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde soorten.

Ten aanzien van de aanwezige flora in het plangebied is waargenomen dat de vegetatie in het plangebied, naast de aanwezige mais, voornamelijk gevormd door planten in en rond de sloten langs het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. Daarom kan de aanwezigheid van beschermde plantensoorten worden uitgesloten op basis van habitateigenschappen.

Ten aanzien van beschermde diersoorten zijn de volgende conclusies getrokken:

  • binnen en vlak buiten de plangebieden kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedseizoen;
  • het voorkomen van leefgebied van de waterspitsmuis binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten;
  • het voorkomen van de heikikker binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten;
  • in het plangebied komen naar alle waarschijnlijkheid tevens enkele lichter beschermde soorten voor. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht.

Vervolgstappen

Om rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels dient gewerkt te worden buiten het broedseizoen (15 maart - 15 juli). Wanneer dit niet mogelijk is dient een broedvogelcheck uitgevoerd te worden. Ten aanzien van de waterspitsmuis is een nader onderzoek uitsluitend noodzakelijk wanneer er werkzaamheden plaatsvinden aan de oevers van de aanwezige sloten in het plangebied. Wanneer hier geen werkzaamheden plaatsvinden wordt het leefgebied niet verstoord en is geen nader onderzoek noodzakelijk. De initiatiefnemer is voornemens de sloten ongewijzigd te laten. Er vinden geen werkzaamheden in de sloot plaats.

Ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van de Heikikker is een nader onderzoek noodzakelijk. Hiervoor heeft reeds een eerste veldbezoek plaats gevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn weergeven in bijlage 7. Tijdens het nader onderzoek zijn geen heikikkers waargenomen. Op basis hiervan is het niet mogelijk om de aanwezigheid hiervan uit te sluiten. Daarom vindt in 2020 een tweede veldbezoek plaats. De initiatiefnemer is hiervan op de hoogte en gaat daarom ook niet eerder beginnen met de werkzaamheden beginnen totdat het tweede onderzoek heeft plaatsgevonden en duidelijk is welke (mogelijke) vervolgstappen genomen moeten worden. Eventuele mogelijke effecten zullen voorkomen worden door het nemen van mitigerende maatregelen.

Conclusie

De ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect ecologie op het gebied van gebiedsbescherming. Voor soortenbescherming wordt nog een vervolg onderzoek naar het voorkomen van de Heikikker uitgevoerd. Indien nodig zullen hiervoor mitigerende maatregelen getroffen moeten worden.

4.9 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek

Uit de professionele risicokaart blijkt in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of bijzondere vervoersroutes van gevaarlijke stoffen liggen. Ook ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van buisleidingen. Er is geen sprake van externe veiligheidsrisico's. Dit wordt tevens bevestigd door de brandweer. Hiertoe heeft de brandweer een advies afgegeven. Deze is als bijlage 9 toegevoegd. In het advies geeft de brandweer een repressief advies. De brandweer adviseert om:

  • een secundaire bluswatervoorziening inclusief opstel uit te voeren volgens de eisen van de brandweer;
  • de wegen conform de eisen van de brandweer uit te voeren;
  • een tweede route naar het nieuwe plangebied te realiseren zodat het via twee zijdes te bereiken is;
  • brandweer te betrekken bij de exacte invulling van het plangebied;
  • brandweer op de hoogte te stellen van de mate waarin het advies van de brandweer is overgenomen.

De toekomstige vijvers kunnen als secundaire bluswatervoorziening dienen. Hier is een wateropbrengst van 1500 liter per minuut mogelijk. De opstelplaats wordt aan de noordoostzijde voorgesteld. De opstelplaats wordt gerealiseerd doormiddel van het aanbrengen van graskeien.

Ten aanzien van de bereikbaarheid kan de initiatiefnemer voldoen aan de genoemde eisen die gelden voor wegen in het plangebied. Over de exacte uitvoering van deze adviezen gaat de initiatiefnemer nog in nader overleg met de brandweer. Ten aanzien van de tweede route naar het plangebied heeft de initiatiefnemer reeds nader advies ontvangen van de brandweer. De brandweer geeft aan dat indien het niet mogelijk is om een twee toegangsweg te realiseren, dan kan de bestaande weg ook verbreed kunnen worden. De brandweer adviseert dan een minimale breedte aan te nemen van 5,5 meter, zodat er eventueel ook nog gepasseerd kan worden. Aan deze eis kan voldaan worden.

Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de uitbreiding van een camping en leidt tot een toename van verkeer van 57 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1%. Uit de nimb-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0.05µg/m³ en van fijn stof van 0.01 µg/m³ (zie figuur 13). Beide toenames blijven beneden de 1,2 µg/m³. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1940.BPOUM18BOSRANDCAMP-VA01_0014.png"

Figuur 13 Berekening NIBM-tool

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2017 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Sudersewei, ten noorden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2016; 12,9 µg/m³ voor NO2, 14,3 µg/m³ voor PM10 en 7,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.11 Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.


In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied. Voor het bestemmingsplan gelden ten aanzien van kabels, leidingen en zoneringen geen belemmeringen.

Hoofdstuk 5 Bestemmingen en planuitgangspunten

In dit hoofdstuk wordt een motivatie gegeven van de gehanteerde bestemmingen en de daarbij behorende uitgangspunten van het bestemmingsplan.

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Verder sluit de regeling in het voorliggende bestemmingsplan aan bij combinatie van de regels uit het handboek Handboek Bestemmingsplannen De Fryske Marren en de bestaande regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied 2004.


Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven.

Recreatie - Kampeerterrein

In dit bestemmingsplan gaat het om de uitbreiding van een camping. Aan het plangebied is de bestemming 'Recreatie - Kampeerterrein aan deze gronden toegekend. Binnen de bestemming zijn stacaravans en chalets toegestaan. Voor de chalets die op hoeken komen te staan is een aanduiding opgenomen, om te waarborgen dat dit type kampeermiddel uitsluitend op de aangegeven locaties wordt gerealiseerd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een bestemmingsplan en de grondexploitatie. Bij de uitvoerbaarheid wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.

Overleg

Het bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. De provincie Fryslân, Tennet en de Gasunie hebben in dit kader op het bestemmingsplan gereageerd. De samenvatting en de beantwoording van deze overlegreacties zijn opgenomen in bijlage 8 van de toelichting. De reactie van de provincie heeft geleid tot aanpassingen in de toelichting en de regels.

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. In dit kader heeft de brandweer en het Wetterskip op het ontwerp bestemmingsplan hun advies uitgebracht. Beide adviezen zijn als bijlage 9 bij de toelichting toegevoegd en waar nodig in de toelichting van dit bestemmingsplan verwerkt. Een beantwoording op beide adviezen is opgenomen in bijlage #.

Vaststellingsfase
Het bestemmingsplan is vervolgens op 15 april 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Grondexploitatie en economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling is een particulier initiatief. De kosten voor het realiseren van de ontwikkelingen op het recreatiepark worden gedragen door de initiatiefnemer.

Grondexploitatie

Het doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn.

In dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen dient een grondexploitatieplan opgesteld te worden tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

In dit plan is het kostenverhaal geregeld in een exploitatieovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Hierin is onder andere het planschadeverhaal geregeld. Verder worden de plankosten via leges op de initiatiefnemer verhaald. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en wordt van het vaststellen van een exploitatieplan afgezien.