| Plan: | Plattedijk 32 te Lemmer |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BPLEM19PLATTEDIJ32-VA01 |
Aan de Plattedijk 32 te Lemmer is een melkveebedrijf gevestigd. Het bedrijf wil zijn bedrijfsvoering gaan uitbreiden met een nieuwe opslagloods (circa 1.375 m2), sleufsilo (circa 2.100 m2) en een waterbassin.
De ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2010 gemeente Lemsterland. De gebouwen bevinden zich namelijk gedeeltelijk buiten de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en binnen de bestemming 'Agrarisch'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een uitbreiding van de begrenzing van het bestaande bestemmingsvlak nodig. Dit betreft een uitbreiding van circa 0,19 hectare. Het huidige bestemmingsvlak heeft een oppervlakte van 2,77 ha.
De gemeente De Fryske Marren wil in principe planologische medewerking verlenen aan de ontwikkeling. Dit kan door het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. De begrenzing is afgestemd op het gewenste bestemmingsvlak. Het plangebied heeft in totaal een oppervlakte van 3,4 hectare. Het bestemmingsvlak van de toekomstige bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' bedraagt 2,96 hectare.
Figuur 1. Ligging plangebied (bron: GeoWeb)
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied 2010 van de gemeente Lemsterland, dat is vastgesteld op 27 juni 2011. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Binnen deze bestemming is de uitoefening van een agrarisch bedrijf, waaronder het houden van dieren, toegestaan. Bebouwing dient binnen het bestemmingsvlak gerealiseerd te worden. Hierbij geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 -en 13 meter voor hoofdgebouwen.
De gronden ter hoogte van de uitbreiding heeft de bestemming 'Agrarisch', binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden opgericht. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van de bestemming gebouwd worden. De bouw van een opslagloods, de sleufsilo en waterbassin is binnen de bestemming dan ook niet toegestaan.
Figuur 2. Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Vervolgens bevat hoofdstuk 4 de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde gesteld. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de juridische regeling van het plan.
Het melkveebedrijf ligt langs de (agrarische) lintbebouwing van Plattedijk 32 ten westen van de kern Lemmer. Figuur 3 geeft een luchtfoto van de bestaande situatie.
Het plangebied ligt middenin een grootschalig open veenpolderlandschap. Er is hier sprake van opstrekkende verkaveling waarbij de richting van de verkaveling, en tevens de bebouwing, haaks op de linten zijn gesitueerd. Het slotenpatroon is in dit gebied bepalend voor de verkaveling.
Het perceel ligt open in het landschap. Verdichting is in beperkte mate aanwezig en komt als puntvormige elementen voor in de vorm van boerderijen met erfbeplanting en in de dorpen. Door de openheid van het gebied is het doorzicht groot. Behalve enige (zware) wegbeplanting en verspreid voorkomende erfbeplanting bij dorpen en boerderijen is er geen opgaande beplanting.
Het plangebied vorm één van de puntvormige elementen in het landschap. Vanaf de provinciale N359 is het plangebied uit het zicht onttrokken door middel van een aarden wal. Aan de zuidwestkant bevindt zich daarnaast hoogopgaande beplanting. Verder ligt het plangebied open in het landschap. Een vooraanzicht van de huidige situatie is weergeven in figuur 4 en 5.
De bebouwing is geconcentreerd in een denkbeeldig rechthoek. Het melkveebedrijf telt in de huidige situatie:
Figuur 3. Luchtfoto plangebied (bron: Ruimtelijke plannen)
Figuur 4. Vooraanzicht vanaf de provinciale N359
Figuur 5. Vooraanzicht vanaf de Plattedijk
Het initiatief bestaat uit de bouw van een nieuwe opslagloods, sleufsilo en een waterbassin. De opslagloods is aan de westzijde geprojecteerd en krijgt een oppervlakte van ongeveer 1.375 m2 (25 x 55 meter). De goothoogte bedraagt 5,4 meter en de nokhoogte 9,1 meter. De nieuwe sleufsilo komt direct ten noorden van de bestaande sleufsilo en komt wat betreft afmetingen overeen met de bestaande silo; ofwel 15 meter bij 150 meter. Het waterbassin wordt tot slot aansluitend aan het bestaand bassin gebouwd. Het bassin krijgt een inhoud van 2.000 m3 en een oppervlakte van circa 1.100 m2 .
Een tekening van de toekomstige situatie is weergeven in figuur 6. Met het beoogde bouwplan is een wijziging en een vergroting van het bestemmingsvlak van 0,19 ha nodig. Het beoogde bestemmingsvlak heeft een oppervlakte van 2,96 ha.
Ten behoeve van het plan wijzigt het aantal dieren niet. In tabel 2.1 is het aantal dieren dat wordt gehouden weergegeven.
Tabel 2.1: Aantal aanwezige dieren in de huidige en beoogde situatie
Figuur 6. Nieuwe situatie (bron: Bouwkundig Bureau Haverkamp B.V.)
Dit bestemmingsplan maakt een ontwikkeling in het landelijk gebied mogelijk. Het is van belang dat deze ontwikkeling op een verantwoorde manier wordt ingepast in het landschap. De Structuurvisie Grutsk op 'e Romte van de provincie Fryslân vormt hierbij een handvat. Het werkboek De Nije Pleats biedt naast een werkmethode ook aandachtspunten en inspiratie per landschapstype aan. Daar is bij de inpassing van dit verzoek rekening mee gehouden.
Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in het laagveengebied. Van provinciaal belang voor dit project is de lineaire bebouwing in samenhang met de sterke richting van de verkaveling (opstrekkend regelmatig). Onderstaande punten zijn hierbij voor de landschappelijke inpassing van het plangebied van belang.
Figuur 7
Bij nieuwe ontwikkelingen is de begrenzing van de veenpolders en de richting van de verkaveling (opstrekkend en soms in waaiervormig patroon aangelegd) leidend en dient zichtbaar te blijven. Bij deze plannen wordt begrenzing van de veenpolder “De Schudding” niet gewijzigd. De richting van de verkaveling en het slotenpatroon zijn sturend/leidend geweest in de planvorming. Met de wijziging van het bestemmingsvlak wordt het slotenpatroon van het polderdeel “Buiten Ee” gerespecteerd. De langgerekte verkaveling en de herkenbaarheid van de open polder als geheel blijven gehandhaafd. De polder grenst aan de oude “zeedijk” waarover vroeger de belangrijkste ontsluitingsroute van de Sudwesthoeke liep. Vanaf de nieuwe ontsluitingsweg (de N359) is het wenselijk om het zicht op die dijk zo veel mogelijk open te houden. Daarbij kan worden opgemerkt dat het (ruilverkavelings)bosje aan de noordzijde van de provinciale weg ook gaat verdwijnen.
In de huidige situatie is alleen het woonperceel met een hoek opgaande beplanting ingepast. De rest van de bebouwing staat nu vrij en open in het landschap. De nieuwe hogere bebouwing (de opslagloods) wordt aan de “buitenzijde” ingepast met groen en voorzien van een strook deels opgaande beplanting die aansluit op de beplanting rond het woonperceel.
Om het zicht op de dijk vanaf de N359 zo veel mogelijk open te houden is er voor gekozen om de noordzijde van het nieuwe bouwperceel niet te voorzien van een doorgaande strook opgaande strook beplanting. Wel worden de (nieuwe) sleufsilo's aangeaard tot bovenkant keerwand en worden er enkele bomen los verstrooid in het talud geplaatst tussen de watergang en de keerwand.
Het talud loopt als het ware over in de dakvlakken van de bedrijfsgebouwen waarbij de lange horizontale lijnen plaatselijk gebroken worden door de los verstrooide bomen in het talud. Wel is er voor gekozen om de noordwesthoek van het nieuwe bouwperceel wat sterker aan te zetten zoals rond de opslagruimte en het al hogere groen om de woning. Hiermee wordt het bouwperceel herkenbaar verankerd in het landschap en los geweekt van de Joodse begraafplaats met haar hogere beplanting.
Aan de oostzijde is er voor gekozen om rond het bestaande mestbassin en het nieuwe waterbassin helemaal geen beplanting aan te brengen. De groene weide loopt omhoog tot tegen de bovenrand van de bassins. Het krijgt hiermee dezelfde uitstraling als de voormalige zeedijk die als een hoge rechte strakke lijn de polder begrenst.
De huidige bebouwing is gesitueerd binnen het bestaande bouwblok. De gebouwen zijn open in het landschap gepositioneerd. Gelet op de bedrijven in de omgeving verdient het de aanbeveling om de gebouwen open in het landschap te behouden en niet in te passen in beplanting. Ook de bestaande omvang sluit aan op de bestaande agrarische bedrijfskavels in de omgeving. In de huidige én gewenste situatie voegt het bedrijfsperceel zich dan ook goed in de landschappelijke structuur van de omgeving. Wel wordt, zoals hiervoor beschreven, rondom het perceel een aardenwal, inclusief enkele bomen, aangelegd. Een uitwerking van de landschappelijke inpassing is weergeven in figuur 8. Deze is afgestemd met de stedebouwkundige van de gemeente. Hierdoor valt het perceel weg in het verdere grootschalig open landschap. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling op een verantwoorde wijze wordt ingepast in het Laagveengebied.
Figuur 8. Landschappelijke inpassing toekomstige situatie
Het perceel is in de huidige situatie goed ontsloten door de Plattedijk. Richting het oosten geeft deze aansluiting op de N359. Ten behoeve van een veilige verkeersafwikkeling wordt aan de westkant van het plangebied een extra ontsluiting gerealiseerd. Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Hier is sprake van voldoende parkeergelegenheid.
De ontwikkeling mag niet leiden tot knelpunten of tot onveilige situaties in de verkeersafwikkeling. Het plangebied is direct ontsloten via een bestaande ontsluiting op de Plattedijk. De toename van het aantal verkeersbewegingen is gezien de grootte en de aard van het bedrijf beperkt en de Plattedijk heeft voldoende capaciteit voor het bedrijf. Het betreft een secundaire weg die voornamelijk bestemd is voor landbouwverkeer en wordt dan ook voornamelijk gebruikt door landbouwvoertuigen en auto's. Daarnaast zal het aantal vervoersbewegingen en daarmee de verkeersintensiteit ten opzichte van de bestaande planologische mogelijkheden ook niet toenemen.
In dit hoofdstuk wordt het voor het plan relevante beleid beschreven. Daartoe komen het provinciaal en het gemeentelijk beleid aan bod.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening over aan gemeenten en provincies en zet het rijksbeleid selectief in op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Dit bestemmingsplan raakt geen van de 14 belangen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit bestemmingplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.
Streekplan Fryslân 2007
Het provinciaal ruimtelijk beleid is onder meer opgenomen in het Streekplan Fryslân 2007. Dit plan bevat de provinciale kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. De provincie Fryslân zet, meer dan voorheen, in op de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit bij veranderingen in het gebruik en de inrichting van de ruimte. Ruimtelijke kwaliteit dient zowel voor economische, sociale als culturele belangen en is daarmee voor alle functies in Fryslân essentieel. Met ruimtelijke kwaliteit wordt bedoeld dat in ruimtelijke plannen, in ontwerpen en in de uitvoering, expliciet de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in stand worden gehouden en verder worden ontwikkeld.
In het streekplan is bepaald dat het buitengebied primair is bedoeld voor aan het buitengebied gebonden functies, zoals landbouw. Voor agrarische bedrijven gelden uitbreidingsmogelijkheden. De provincie streeft naar voldoende ruimte voor de ontwikkeling van agrarische bouwblokken, zodanig dat een efficiënte agrarische bedrijfsvoering mogelijk is en rekening gehouden wordt met landschappelijke kernkwaliteiten. Hierbij moet aandacht besteed worden aan de beplanting, erfelementen, de nokrichting, dak- en goothoogten van gebouwen en kleur- en materiaal gebruik. In paragraaf 2.3 is reeds omschreven dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Het bestemmingsplan is hiermee in overeenstemming met het Streekplan.
Structuurvisie Grutsk op 'e Romte
In het Streekplan worden de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: 'die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij samen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen'. Het Streekplan bevat een beschrijving van welke kernkwaliteiten er zijn en kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. De thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld op 26 maart 2014, vormt deze uitwerking en geeft de provinciale belangen en ontwikkelingsrichting ten aanzien van de kernkwaliteiten.
Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het projectgebied in het Laagveengebied. Van provinciaal belang voor dit project is de lineaire bebouwing in samenhang met de sterke richting van de verkaveling (opstrekkend regelmatig). De opstrekkende verkaveling is vertrekpunt bij ruimtelijke inrichting.
Bij de inrichting is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het landschap. In paragraaf 2.3 wordt nader op de landschappelijke inpassing ingegaan. Het bestemmingsplan voldoet aan het beleid van Grutsk op 'e Romte.
Verordening Romte Fryslân
In de Verordening Romte Fryslân (geconsolideerde versie 8 augustus 2018) stelt de provincie regels aan de provinciale belangen. Deze regels moeten in gemeentelijke plannen worden vertaald.
Hoofdstuk 2 van de verordening houdt regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Hierin is opgenomen dat in een ruimtelijke plan voor het landelijk gebied een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf opgenomen moet worden, waarin voor zover nodig wordt aangegeven op welke wijze:
De ruimtelijke kwaliteitsparagraaf is verwoord in paragraaf 2.3 van deze toelichting. Het voldoet hiermee aan de voorwaarden uit hoofdstuk 2 van de verordening.
Verder is in artikel 6.1.2 lid 1 aangegeven dat een grondgebonden agrarisch bedrijf van maximaal 1,5 hectare, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt dan 1,5 hectare, is toegestaan. Onder grondgebonden agrarisch bedrijf wordt volgens de verordening verstaan: 'een veehouderij waarbij voldoende grond in de omgeving van het bedrijf aanwezig is om overwegend te voorzien in de mestafzet en het benodigde ruwvoer van de veehouderij, inclusief een neventak niet-grondgebonden veehouderij die wat betreft aard en schaal ondergeschikt is aan de grondgebonden bedrijfsvoering'.
Onderhavig agrarisch bedrijf betreft een grondgebonden agrarisch bedrijf. Zie hiervoor ook de bijlage 2 die bij dit bestemmingsplan is toegevoegd. In de bijlage is geconcludeerd dat het bedrijf alle geproduceerde fosfaat kwijt kan wij op het bij het bedrijf behorende landbouwgrond. Het bedrijf beschikt hierbij over 333 hectare landbouwgrond.
In lid 2 van artikel 6.1.2 l is aangegeven dat in afwijking van lid 1 een groter bouwperceel is toegestaan, op voorwaarde dat het bouwperceel niet meer bedraagt dan 3 hectare en het agrarisch bedrijf grondgebonden blijft. De oppervlakte van het agrarische bedrijfsvlak blijft in de nieuwe situatie kleiner dan 3 hectare. Aan artikel 6.1.2 wordt voldaan.
Tot slot is in artikel 6.1.5 opgenomen dat in een ruimtelijk plan waarin een uitbreiding van een agrarisch bedrijf naar een bouwperceel groter dan 1,5 hectare of een nieuw agrarisch bouwperceel is toegestaan, in de plantoelichting onderbouwd wordt dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal, verschijningsvorm en lichtuitstoot inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Voor de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf wordt een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats, waarvan de uitvoering als voorwaardelijke bepaling in het ruimtelijk plan is opgenomen.
Voor wat betreft de milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaarbaarheid wordt verwezen naar hoofdstuk 4. In paragraaf 2.3 wordt ingegaan hoe het plan ruimtelijke wordt ingepast. Het ruimtelijk inrichtingsplan is opgesteld volgens de methodiek Nije Pleats. Voor de uitvoering hiervan is in dit bestemmingsplan een voorwaardelijke bepaling opgenomen.
Het project is in overeenstemming met de Verordening Romte Fryslân.
Coalitieakkoord 2019-2022
De Fryske Marren is een veelzijdige gemeente: zowel om te wonen, te werken als om te recreëren. De Fryske Marren is dynamisch en ontwikkelingsgericht, waarbij ze de bestaande kwaliteiten op een duurzame wijze willen behouden en versterken. Voor wat betreft de ruimte staan ze voor grote uitdagingen, zoals de invoering van de nieuwe Omgevingswet, het gemeentelijke klimaatbeleid en de doorontwikkeling van de agrarische sector.
Ontwikkelingen en regelgeving op onder meer het gebied van duurzaamheid, zorgen ervoor dat de agrarische sector voor grote uitdagingen staat. De gemeente wil meedenken en - waar mogelijk - ondersteunen bij mogelijkheden en knelpunten. De gemeente heeft een gezamenlijke ambitie om de omgeving goed en toekomstbestendig te gebruiken en daarom moet de agrarische sector de ruimte krijgen voor verdere transformatie, verduurzaming en innovatie. Zo willen ze kijken naar de mogelijkheid om pilotprojecten op dit gebied te ondersteunen.
Het landschap om ons heen is deel van ons erfgoed en waarden zoals weidsheid, rust, biodiversiteit en
cultuurhistorie verdienen onze aandacht omdat ze ons leven verrijken. Vanwege het bepalende karakter voor het landschap, willen we openbare cultuurhistorische landschapselementen behouden. Ontwikkelingen dienen daarom zorgvuldig ingepast te worden.
Met dit bestemmingsplan is sprake van de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf die zich verder wil ontwikkelen. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een toekomstig bestendig grond gebonden agrarisch bedrijf mogelijk gemaakt die anticipeerde op de verdere schaalvergroting van agrarische bedrijven. De uitbreiding voorziet in een goede landschappelijke inpassing (zie paragraaf 2.3). Er is geen sprake van een grootschalige uitbreiding die het zicht op het landschap verslechterd. De waarde van het landschap blijven behouden.
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
In de nieuwe situatie wil de initiatiefnemer een nieuwe schuur ten behoeve van machine opslag en een sleufsilo realiseren. Er is geen wijzing in het aantal dieren dat wordt gehouden. Daarnaast is er geen wijziging van het stalsysteem waarop de dieren worden gehuisvest. Er vinden geen m.e.r.-plichtige activiteiten plaats. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig initiatief en is geen m.e.r. besluit noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
Voor veehouderijen met een milieuvergunning geldt de Wet geurhinder en veehouderij. Op grond van de uitgave Bedrijven en milieuzonering, versie 2009, van de VNG moet tussen een grondgebonden veehouderijbedrijf en woningen een richtafstand van 100 meter gewaarborgd worden. Deze richtafstand wordt bepaald door de mogelijke hinder door geur. De richtafstanden voor stof, geluid en gevaar zijn ten hoogste 50 meter. Voor veehouderijen gelden de vaste afstanden uit het Activiteitenbesluit. Ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom geldt een (vaste) afstand van 50 meter. Als afstand tot woningen die binnen de bebouwde kom liggen geldt als afstand 100 meter. Daarnaast hebben gemeente de mogelijkheid om af te wijken van de Wet geurhinder en veehouderij. Op basis hiervan heeft de gemeente de verordening Verordening geurhinder en veehouderij De Fryske Marren 2016 vastgesteld. Op grond van genoemde verordening is de vereiste minimale afstand tot 25 meter tot een woning. De dichtstbijzijnde woning van derden bevindt zich op ruim 225 meter. Aan de afstand wordt ruimschoots voldaan. Aan de afstand uit de VNG-brochure wordt daarmee ook voldaan. Er is hierdoor sprake van een goed woon- en leefklimaat ten opzichte van de woningen in de omgeving. In de toekomstige situatie is sprake van een verantwoorde milieuzonering.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Dit geldt ook voor spoorwegen. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige functies (zoals woningen) enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds.
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk. De bestaande mogelijkheid voor een bedrijfswoning wordt uit het vigerende bestemmingsplan overgenomen.
Er ontstaan dan ook geen strijdigheden met de Wgh. Wat betreft geluid zijn dan ook er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
Een belangrijke ontwikkeling in het waterbeleid is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het projectgebied valt in het werkgebied van Wetterskip Fryslân.
Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân (kenmerk: 20190716-2-20997). In bijlage 3 is de watertoets toegevoegd. Hieruit blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Bij de watertoets is ook een uitgangspuntennotitie toegevoegd waar bij de uitwerking van de plannen rekening mee gehouden moet worden. Deze worden hierna nader beschreven.
Primaire waterkering
Het plangebied ligt binnen de beschermingszones en de ruimtelijke reserveringszone van de primaire kering langs het IJsselmeer. De nieuwbouw wordt gerealiseerd buiten de beschermingszone en de ruimtelijke reserveringszone van de primaire kering. Voor het plan dient rekening gehouden te worden met de reserveringszone en het profiel van vrije ruimte. Het plangebied valt binnen de zone 'buitenbeschermingszone binnenkant'. Dit betreft een strook grond waarin extreme mechanismen zoals de explosie van een hogedruk leiding, schade zouden kunnen aanrichten aan de waterkering. De ontwikkelingen in het plangebied zullen een dergelijke extreme mechanisme niet veroorzaken. Wel is het bouwen binnen de buitenbeschermingszone binnenkant een vergunningsplichtige activiteit. Daarom wordt hiervoor een vergunning aangevraagd.
Toename verharding
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Voor de compensatie van toename verhard oppervlak is onderstaande tabel van toepassing.
| Gebied | Stedelijk (>200 m²) | Landelijk (>1.500 m²) |
| Boezem | 5% | 5% |
| Polder | 10% | 10% |
| Vrij afstromend | Maatwerk mogelijk | Maatwerk mogelijk |
Met de bouw van de opslagloods en de toename aan verharding in verband met ontsluitingen en padden is sprake van een toename verharding van 3.625 m². In de keur van Wetterskip Fryslân is opgenomen dat het verboden is zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater.
Omdat de verharding met meer dan 1500 m2 toeneemt dienen compenserende maatregelen genomen te worden. Indien extra oppervlaktewater niet mogelijk is dan, dan dient gekeken te worden naar alternatieve maatregelen. Dit zal in nauw overleg met het Wetterskip tot stand komen.
Klimaatadaptatie
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.
Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Met voorgenoemd advies wordt bij de uitvoering van de plannen rekening gehouden.
Aanleghoogte
Het maatgevend boezempeil ter plaatse van het plangebied is bepaald op -0,2 m NAP. De regionale waterkering is ontworpen op basis van deze waterstand. Er bestaat een kans dat de regionale waterkering doorbreekt. Het is in geval van een doorbraak van de regionale waterkering belangrijk de negatieve gevolgen zo klein mogelijk en de gevolgschade zo laag mogelijk te houden. Het plangebied ligt in een gebied met een overstromingskans van 1:100. Dit betekent dat de regionale waterkering is ontworpen op basis van een maatgevend boezempeil met een kans van voorkomen van 1 op 100 jaar. Het waterschap adviseert om het vloerpeil van de nieuwe bebouwing boven het maatgevend boezempeil -0,2 m NAP aan te leggen. Met dit advies wordt bij de verdere uitwerking van de plan rekening gehouden. Het vloerpeil van de nieuwe bebouwing wordt in ieder geval boven het maatgevend boezempeil -0,2 m NAP aangelegd.
Gebruik materialen
Tot slot wordt met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk voorkomen.
Het uitgangspunt wat betreft de bodem is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de gewenste functie. De ontwikkeling vindt plaats op gronden waar op basis van het geldende bestemmingsplan reeds het bedrijf is toegestaan. In het verleden heeft in het plangebied een bodemonderzoek (Rapport FR008200883) uitgevoerd. De resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. Er is dan ook geen sprake van een verdachte situatie.
In het kader van het bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek ook niet noodzakelijk omdat in de gebouwen mensen niet langdurig op dezelfde plek verblijven. Indien hier bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, dient op basis van milieuwetgeving de bodemkwaliteit bij deze activiteiten wel te worden vastgesteld. Doel van dit onderzoek is om in de toekomst bij een bedrijfsbeëindiging te kunnen vaststellen of de activiteiten ook daadwerkelijk de bodem hebben verontreinigd.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
Voor de gemeente wordt gebruik gemaakt van de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). De kaart is opgemaakt voor twee perioden: de ijzertijd-middeleeuwen en de steentijd-bronstijd.
Op basis van de kaart voor de ijzertijd-middeleeuwen is het plangebied aangemerkt als 'karterend onderzoek 3'. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een historisch en karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren.
Op basis van de kaart steentijd-bronstijd is het plangebied ook aangemerkt als 'karterend onderzoek 3'. In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen uit de steentijd bevinden, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5.000 m² een karterend (boor)onderzoek uit te laten voeren, waarbij minimaal zes boringen per hectare worden gezet, met een minimum van zes boringen voor gebieden kleiner dan een hectare.
De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is een ingreep die kleiner is dan 5.000 m2. De opslagloods krijgt een oppervlakte van circa 1.375 m2 en de sleufsilo komt daarnaast op de grond te staan. Hier is geen sprake van het roeren van gronden. Tot slot heeft het waterbassin een oppervlakte van circa 900 m2. De drempelwaarde voor de noodzaak tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek wordt dan ook niet overschreden. Het omgevingsaspect archeologie vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat.
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.
De provincie Fryslân heeft op de Cultuurhistorische Kaart Fryslân de cultuurhistorische elementen en structuren op provinciale schaal aangegeven. Op basis van deze kaart komen in het plangebied geen specifieke cultuurhistorische waarden voor. Wel bevindt zich ten westen van het plangebied een rijksmonument in de vorm van een begraafplaats en maakt de dijk ten zuiden van het plangebied deel uit van een oorspronkelijke zeedijk. Met dit bestemmingsplan is geen sprake van aantasting van de in de nabijheid aanwezige cultuurhistorische elementen en structuren. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europese regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Net-werk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.
Op circa 340 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich het Natura 2000-gebied 'IJsselmeer' dat tevens NNN-gebied betreft. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Het IJsselmeer maakt ook deel uit van een door de provincie aangegeven NNN-gebied. Het IJsselmeer is geen stikstofgevoelig natuurgebied. De dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn gelegen op meer dan 10 kilometer van het plangebied. Dit betreft de 'Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving', en de 'Rottige Meenthe & Brandemeer'.
Een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden is niet aan de orde. De ingreep vindt niet plaats binnen de bestaande natuur in het NNN. Echter als de ontwikkeling nabij NNN gronden ligt, moet eveneens een afweging plaatsvinden. Afgewogen moet worden in hoeverre de ontwikkeling kan leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN.
De milieucategorisering en daarmee de (potentiële) overlast op de omliggende natuurgebieden blijft in de gewenste situatie onveranderd. De ontwikkeling heeft betrekking op het realiseren van een loods ten behoeve van machine opslag en een nieuwe waterbassin en een sleufsilo. De beperkte ingreep draagt niet bij aan verreikende effecten, zoals stikstofdepositie of verdroging. De ingreep leidt ook niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden en heeft ook geen significant verstorend effect op de soorten waarvoor Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden zijn aangewezen. Van een aantasting is derhalve geen sprake.
Weidevogelkansgebied
Het plan valt, volgens de provinciale verordening, binnen de begrenzing van een weidevogelkansgebied. Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelgebieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. Dit bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van een uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf en is derhalve op basis van de provinciale verordening toegestaan en daarmee vrijgesteld van een eventuele compensatieplicht.
Soortenbescherming
Om te onderzoeken of sprake is van beschermde soorten in het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 toegevoegd. Bij dit onderzoek is een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde soorten.
Hoewel de bestaande gebouwen op het perceel niet worden aangetast binnen de voorgenomen werkzaamheden, vallen deze wel binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Ten tijde van het veldbezoek zijn verspreidt over het plangebied foeragerende, evenals territoriale huismussen aangetroffen welke naar alle waarschijnlijkheid nestelen in de diverse gebouwen binnen het plangebied (figuur 2). De nesten van deze soort genieten jaarronde bescherming. Hoewel deze nesten op basis van het planvoornemen niet verloren zullen gaan, kunnen er wel verstorende effecten optreden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. Een voorbeeld hiervan zijn de trillingen en bewegingen die voortkomen uit de inzet van graafmachines of andere mobiele werktuigen. Met deze nesten kan echter rekening gehouden worden door de werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren (grofweg 15 maart-1 september). Negatieve effecten kunnen dan volledig worden uitgesloten.
Naast vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, biedt het plangebied ook geringe mogelijkheden voor andere vogelsoorten om tot broeden te komen. Deze broedgevallen zijn alleen beschermd tijdens het broedproces. Ook negatieve effecten op deze broedgevallen kunnen worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken.
Tijdens het veldwerk is naast broedvogels specifiek aandacht besteed aan beschermde soorten uit de overige diergroepen en beschermde planten.
Tot slot kan het voorkomen van de rugstreeppad niet op voorhand worden uitgesloten. Ten aanzien van de mogelijke aanwezigheid van de rugstreeppad is een nader onderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 5 toegevoegd. Op basis van het onderzoek kan worden uitgesloten dat de rugstreeppad het plangebied als landhabitat gebruikt. Een ontheffing in het kader van de Wnb is daarom niet nodig.
Conclusie
De ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect ecologie op het gebied van gebiedsbescherming. Voor soortenbescherming wordt nog een vervolg onderzoek naar het voorkomen van de rugstreeppad uitgevoerd. Indien nodig zullen hiervoor mitigerende maatregelen getroffen moeten worden.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten (Bevi, Bevb, Bevt). Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden.
In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart van de provincie Fryslân geraadpleegd. Daarnaast is door de brandweer een advies gegeven. Deze is als bijlage 9 toegevoegd. In de nabijheid van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Voor het plangebied gaat het voornamelijk om plaatselijk vervoer van gevaarlijke stoffen over de Suderseewei (N359), op circa 60 meter noordoostelijk van het plangebied. Volgens de rapportage 'Vervoer van gevaarlijke stoffen door Fryslân' 1 , d.d. 11 november 2010, vindt een geringe hoeveelheid vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rondweg (West)' bij Lemmer plaats. Verder in westelijke richting gaat deze Rondweg over in de Suderseewei, welke onder andere langs het plangebied ligt. De brandweer gaat ervan uit dat de geringe hoeveelheid transport via de Rondweg (West) als genoemd in de rapportage, vergelijkbaar is met de hoeveelheid welke over de Suderseewei wordt vervoerd.
Wat betreft de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid heeft Brandweer Fryslân verder geen knelpunten geconstateerd. Voor het plan levert het vervoer dan ook geen aandachtspunten op. Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet voor een plangebied dat binnen 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg is gelegen, een (verkorte) verantwoording van het groepsrisico opgesteld worden. Met de ontwikkeling is geen sprake van een toename van het aantal personen. Brandweer Fryslân gaat ervan uit dat er binnen het plangebied geen 10 personen gelijktijdig aanwezig zijn als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en er daarmee geen sprake is van een groep. Dit betekent dat in dit geval op grond van artikel 8 uit het Bevt geen verantwoording van het groepsrisico (md. groepsrisicoberekening) hoeft te worden opgesteld. Wel zal moeten worden ingegaan op artikel 7 van het Bevt betreffende hulpverlening en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen. Mochten wel 10 of meer personen aanwezig zijn, dan dient de verantwoording op basis van artikel 8 uit het Bevt uiteraard wel plaats te vinden.
Tevens adviseert de brandweer op de woonfunctie voor zorg (overeenkomstig de definitie in het geldende Bouwbesluit 2012) en een functie als zorgboerderij uit te sluiten voor het plangebied.
Advies Brandweer Fryslân
Brandweer Fryslân heeft de mogelijkheid een repressief advies te geven in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg. Hierbij valt te denken aan onder meer bereikbaarheid, de beschikbaarheid van bluswater en de opkomsttijden.
Opkomsttijd
Bij calamiteiten kan het plangebied terugvallen op de aanwezigheid van de brandweerkazerne van Lemmer. Volgens Dekkingsplan 2.0 van Brandweer Fryslân valt het plangebied onder risicogebied 3 waarbij een norm van 15 minuten geldt als opkomsttijd. In de praktijk zal de brandweer binnen circa
13 minuten op locatie zijn.
Bluswatervoorzieningen
Binnen het plangebied gaat het om zowel bestaande bouwdelen als nieuw te realiseren bouw. Wat betreft bluswatervoorzieningen is de brandweer in eerste instantie aangewezen op brandkranen. In dit geval ligt er geen brandkraan in de nabijheid van het plangebied. Wanneer het om een kleine/ beginnende brand gaat zal in de praktijk in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het water uit de tank van het brandweervoertuig.
Wanneer de brand groter is/ wordt zal de brandweer terugvallen op secundair of tertiair bluswater zoals uit sloten en vaarten. Er is open water, De Ie, aanwezig. In de praktijk zal bij een brand de afstand voor het afleggen van slangen, vanaf De Ie naar een brandend gebouw in het plangebied, al snel 300 meter of meer bedragen. Deze afstand is te groot om van een zgn. secundaire bluswatervoorziening gebruik te kunnen maken.
Dit betekent dat in de praktijk, om gebruik te maken van water uit De Ie, het zogenaamd grootschalig watertransport (een zgn. tertiaire bluswatervoorziening) zal worden opgebouwd. Het opbouwen hiervan zal circa 45-60 minuten in beslag nemen. De te onttrekken bluswatercapaciteit hiervoor bedraagt minimaal 120 m3/uur en is onbeperkt leverbaar.
Om de kans op een uitslaande brand of de kans op het afbrandscenario te beperken adviseert Brandweer Fryslân om de sloten direct zuidelijk voor de woning en het melkveebedrijf uit te diepen (diepte minimaal 90 cm) en verbreden zodat deze door de brandweer gebruikt kunnen worden bij een eventuele inzet. Belangrijk is dat de sloten in open verbinding staat met omliggend water zodat de sloten bij een brand niet 'leeg kunnen worden getrokken'. Mocht door de gemeente besloten worden dat de sloten geschikt moet worden gemaakt voor bluswater, dan kan Brandweer Fryslân verder adviseren over de uitvoering van de sloten. Wel moet worden opgemerkt dat de brandweer nooit kan garanderen, ook niet wanneer de sloten worden uitgediept, dat een afbrandscenario wordt voorkomen.
Aanbrengen rookmelders en uitsluiten functies
Gezien de relatief hoge opkomsttijd van de brandweer (circa 13 minuten na alarmering) wil de brandweer adviseren om de woning te voorzien van rookmelders overeenkomstig de NEN 2555, tenzij dit reeds is gedaan. Als laatste wil de brandweer nog adviseren om de woonfunctie voor zorg (overeenkomstig de definitie in het geldende Bouwbesluit 2012) en een functie als zorgboerderij uit te sluiten voor het plangebied. Dit met name gezien de opkomsttijd in combinatie met het ontbreken van bluswater.
Waterbassin
Vanwege de relatief lange opbouwtijd van het grootschalig watertransport is het wenselijk om eerder de beschikking te hebben over een redelijke hoeveelheid bluswater. Binnen het plangebied is een waterbassin (inhoud 3.000 m3) beoogd.
De initiatiefnemer heeft aangegeven dat het waterbassin niet geschikt is om mee te blussen. De brandweer gaat nog in overleg met de initiatiefnemer om te komen tot een goede oplossing ten behoeve van goede bluswatervoorziening. Mogelijk wordt gekeken naar het aanbrengen van een nieuwe brandkraant. Wanneer wordt overwogen een brandkraan aan te brengen wil Brandweer Fryslân graag meedenken ten aanzien van de locatie van deze brandkraan en (indien mogelijk) de diameter van de waterleiding waarop de brandkraan komt. Ook wanneer geen brandkraan in de nabijheid van het plangebied aanwezig is, zal bij een beginnende/ kleine brand mogelijk met het water in de tank van de tankautospuit de brand kunnen blussen. Wanneer het blussen niet lukt, of wanneer de brand groter is/ wordt zal de brandweer gebruik moeten maken van het zgn. tertiair bluswater uit sloten en vaarten. De afstand vanaf De Ie naar een brandend gebouw in het plangebied zal al snel 300 meter of meer zal bedragen. Dit betekent dat het zogenaamd grootschalig watertransport moet worden opgebouwd, dit is zgn. tertiair bluswater. Het opbouwen hiervan zal circa 45-60 minuten in beslag nemen. Gezien de opbouwtijd neemt de kans op een zogenaamd 'afbrandscenario' toe. Overigens kan, ook bij aanwezigheid van voldoende bluswater binnen korte afstand, geen garantie worden gegeven dat een dergelijke afbrandscenario te allen tijde wordt voorkomen.
Bereikbaarheid
Het plangebied is bereikbaar via meerdere toegangswegen.
Conclusie
Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er, op voorwaarde dat het waterbassin over voldoende bluswatercapaciteit beschikt, geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.
Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Een ontwikkeling dat slechts in zeer beperkte mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Alleen bij een toename van enkele honderden verkeersbewegingen per dag wordt hier niet aan voldaan. De beoogde activiteiten op het perceel hebben een dergelijke toename niet tot gevolg. Het plan betreft slechts de bouw van een nieuwe opslagschuur, sleufsilo en waterbassin. Ten opzichte van de huidige situatie is de verkeersaantrekkende werking zeer beperkt. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. Ook zijn de bestemmingen opgenomen waarnaar wordt gerefereerd in de wijzigingsbevoegdheid. De bestemmingen zijn zodanig ingericht dat deze vergelijkbaar zijn en overeenkomen met het bestemmingsplan Buitengebied 2010, gemeente Lemsterland. Voor dit deel van het grondgebied van de gemeente blijft daarmee de systematiek hetzelfde, maar toegesneden op het specifieke plangebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft. De regels zijn daar waar nodig in overeenstemming gebracht met actuele wet- en regelgeving.
Agrarisch
De gronden zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf. Omdat in deze bestemming geen gebouwen mogen worden gebouwd, ziet de uitoefening van het agrarisch bedrijf binnen deze bestemming op het bedrijfsmatig weiden van vee en/of het telen van gewassen. Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het weiden van vee en/of het telen van gewassen door particulieren. In de praktijk zal het vooral om het weiden van paarden en pony's gaan. Het afwegingskader beoogt (onder meer) het landschappelijke karakter van de grond te beschermen. Deze afweging is niet zinloos. Zo mag gebruik van de afwijkingsmogelijkheid bijvoorbeeld niet leiden tot bebouwde volkstuincomplexen.
De gronden zijn tevens bestemd voor het behoud van de landschappelijke waarden, tot uitdrukking komend in de openheid van het landschap of kleinere natuurelementen. Het gaat hierbij om de bestaande waarden. Dus waar op dat moment sprake was van openheid is de waarde de openheid en waar op dat moment sprake was van kleinere natuurelementen bestaat de waarde uit de kleinere natuurelementen.
Van de in de bestemmingsomschrijving opgenomen gebruiksregels kan worden afgeweken ten behoeve van het gebruik van de grond als tuin bij een woning of ten behoeve van een paardenbak, een en ander onder voorwaarden.
Mestsilo's zijn niet toegestaan, mestfoliebassins en mestzakken wel tot een bepaalde hoogte en inhoud. In beginsel mogen geen gebouwen worden gebouwd. Soms komt het voor dat een uitbreiding net niet binnen het agrarisch bouwblok past. In dat geval kan door middel van afwijking bebouwing worden opgericht alsof de grond de bestemming "Agrarisch – Agrarisch bedrijf" had. Dat kan tot maximaal 25 meter buiten de grens van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en mits de belangen van derden niet worden geschaad. Schuilstallen en andere schuilgelegenheden in het veld zijn niet toegestaan. De karakteristieke openheid van het gebied verhoudt zich niet tot het plaatsen van allerlei gebouwen in het veld. Dit kan leiden tot een ongewenste verrommeling.
Agrarisch - Agrarisch bedrijf
Per bestemmingsvlak is één agrarisch bedrijf toegestaan. Een definitie is gegeven in artikel 1. Een definitie van "bedrijf" is niet opgenomen, maar gedacht kan worden aan een bedrijfseconomische eenheid, gericht op het behalen van winst.
Intensieve veehouderijen zijn niet toegestaan. Bepaald is dat dieren alleen in de eerste bouwlaag (de begane grondlaag) mogen worden gehouden. Zonder nadere procedure is een aantal nevenactiviteiten toegestaan, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden.
Bepalend voor het aantal bedrijfswoningen in het bestemmingsvlak is het aantal toegestane bedrijfswoningen bij het agrarisch bedrijf. In beginsel is 1 bedrijfswoning toegestaan, tenzij anders aangeduid, dit is hier niet het geval. De nevenactiviteit geeft geen recht op een extra bedrijfswoning. Ook verkoop van een woning of splitsing van het eigendom van het bedrijfscomplex is geen aanleiding tot de bouw van een woning.
Overleg en inspraak
Het bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties.
Van de Provincie, TenneT, de brandweer en het Wetterskip is een reactie ontvangen. De reacties zijn als bijlage 6, 7, 8 en 9 toegevoegd. TenneT heeft aangegeven geen opmerkingen op het plan te hebben. De reactie leidt niet tot wijzigingen van het bestemmingsplan. De reactie van de provincie, brandweer het Wetterskip zijn verwerkt in paragraaf 2.3, 4.4, 4.8 en 4.9. Aanvullend hierop geeft de provincie aan dat voor de uitbreiding een erfinrichtingsplan opgesteld moet worden volgens de methodiek Nije Pleats en dat deze als voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het in paragraaf 2.3 en bijlage 1 opgenomen erfinrichtingsplan is volgens deze methodiek tot stand gekomen. Hiervoor is een team van een deskundigen in een vroeg stadium bij de planvorming betrokken en hebben integraal geadviseerd over alle aspecten die relevant zijn voor een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van het initiatief. De aspecten die van belang waren voor het opstellen van het huidige inrichtingsplan waren de analyse van de directe omgeving, de uitgangspunten voor het programma en de vormgeving en het beplantingsplan om de landschappelijk inpassing aan te laten sluiten op de omgeving. Uiteraard is er rekening gehouden met de uitgangspunten van het beleid.
Op 23 januari 2019 heeft de gemeente hiervoor met initiatiefnemers, bouwbedrijf Haverkamp en de stedenbouwkundige van de gemeente een overleg gehad. Het resultaat van dit overleg is informeel voorgelegd aan de provincie. Naar aanleiding hiervan is het ontwerp weer aangepast en is uiteindelijk het ontwerp, zoals is opgenomen in bijlage 1, tot stand gekomen. In de regels van dit bestemmingsplan was een borging voor de uitvoering van de landschappelijke inpassing, in het kader van het voorontwerp, al opgenomen. De regels worden derhalve niet aangepast.
Zienswijze
Vervolgens heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Vaststelling
Het bestemmingsplan is vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
Het initiatief is economisch uitvoerbaar. De kosten voor de ontwikkeling komen voor rekening van de initiatiefnemer.
Grondexploitatie
Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
Voor dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. De gemeente sluit hiervoor met de aanvrager een anterieure overeenkomst, waarin onder andere ook het aspect planschade is geregeld. Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet noodzakelijk.