direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Woningbouw Melkweg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1927.BPwonenmelkwegBKG-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Inleiding

Aanleiding

Aanleiding voor het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is de wens om aan de Melkweg twee vrijstaande woningen te realiseren. De gewenste woningen zijn echter niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan, welke ter plaatse voorziet in de bestemming 'Centrum' zonder bouwvlak. Op basis van de benodigde onderzoeken is met voorliggend bestemmingsplan een verantwoorde planologische regeling ontworpen waarbij de realisatie van de woningen mogelijk wordt gemaakt.

Belang

De gemeenteraad moet een goede afweging maken tussen het bieden van een juridische regeling waarmee de ruimtelijke kwaliteit wordt geborgd en het afwegen van individuele, bedrijfs- en maatschappelijke belangen en overige belangen vanuit de omgeving.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Melkweg te Bleskensgraaf en ligt hiermee tussen het bedrijventerrein en de bestaande woningen aan de Dorpsstraat. In figuur 1.1 is het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1927.BPwonenmelkwegBKG-VG01_0001.png"

Figuur 1.1 ligging plangebied (plangebied rood omkaderd)

1.3 Kader

In het plangebied geldt, voor inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, het bestemmingsplan 'Dorpskernen' welke is vastgesteld op 13 februari 2012 en de herziening van het bestemmingsplan Dorpskernen welke is vastgesteld op 25 juni 2015. Laatstgenoemde bevat geen specifieke regeling voor het plangebied.

Het college heeft op 16 februari 2016 besloten om het bestemmingsplan in procedure te brengen. De gemeenteraad heeft op grond van de Wet ruimtelijke ordening de bevoegdheid tot het vaststellen van het bestemmingsplan.

1.4 Maatschappelijk draagvlak

Het voorontwerpbestemmingsplan zal in het kader van artikel 3.1.1 Bro aan de wettelijk voorgeschreven overlegpartners worden voorgelegd. Daarnaast zal het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijzen in te dienen. Een nadere uitwerking van de op het plan ingediende reacties is opgenomen in Hoofdstuk 6.

1.5 Financiële consequenties / economische uitvoerbaarheid

Het plan heeft geen consequenties voor de gemeentelijke begroting. De uitvoering en kosten van het voornemen berusten volledig bij de initiatiefnemer. Met de gemeente Molenwaard is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is geregeld de eventuele uitgekeerde (tegemoetkomingen in) planschade door de initiatiefnemer aan de gemeente worden vergoed. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende verzekerd.

1.6 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is een beschrijving gegeven van het voorgenomen plan. In hoofdstuk 3 is het plan getoetst aan het voor het plan relevante ruimtelijke beleidskader. Hoofdstuk 4 gaat vervolgens in op de sectorale aspecten waarna in hoofdstuk 5 de juridische plantoelichting is gegeven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

Huidige situatie

Het plangebied voorziet in de huidige situatie in tuin en gedeeltelijk verharding. De zuidzijde van het perceel wordt begrensd door een watergang (zie figuur 2.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.1927.BPwonenmelkwegBKG-VG01_0002.png"

Figuur 2.1 huidige situatie

Toekomstige situatie

Het plan voorziet in de realisatie van twee vrijstaande woningen. De woningen zullen worden opgericht in twee bouwlagen, waarbij de verdiepingslaag onder een zadeldak wordt gerealiseerd (zie figuur 2.2 voor een vogelvluchtimpressie).

afbeelding "i_NL.IMRO.1927.BPwonenmelkwegBKG-VG01_0003.png"

Figuur 2.2 Vogelvluchtimpressie toekomstige situatie

De percelen zullen (net als in de huidige situatie) worden ontsloten via een ontsluiting op de Melkweg. De aansluiting op de Melkweg zal echter een paar meter noordelijker komen te liggen zodat meer ruimte ontstaat voor de realisatie van de woningen aan de zuidzijde van het plangebied. Het noordelijk deel van het L-vormig plangebied zal worden voorzien van de benodigde parkeervoorzieningen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante geldende beleidskader. Paragraaf 3.1 besteedt aandacht aan het rijksbeleid. Het provinciaal/regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 3.3 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.4 In paragraaf 3.5 is de conclusie van het beleidskader voor het plangebied opgenomen.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) de meest bepalende beleidsdocumenten. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.

Doelen

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2014)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit.

In het plangebied spelen geen nationale belangen.

3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (2012)

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)

Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, moeten standaard een aantal stappen zetten die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen. Deze stappen volgen de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • Trede 1: de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • Trede 2: indien er sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt nagegaan in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • Trede 3: als de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt nagegaan in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Toetsing

In het kader van de Ladder voor Duurzame verstedelijking die is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6) moeten stedelijke ontwikkelingen getoetst worden om een zorgvuldige afweging te maken. De ontwikkeling van twee woningen wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de Ladder. Toetsing aan de ladder is voor deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk.

3.3 Provinciaal en regionaal beleid

3.3.1 Visie Ruimte en Mobiliteit (9 juli 2014)

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit.

4 rode draden

In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden:

1. beter benutten en opwaarderen van wat er is,

2. vergroten van de agglomeratiekracht,

3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit,

4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Beoogde ontwikkeling

Het plangebied maakt onderdeel uit van de stedelijke agglomeratie van de kern Bleskensgraaf. Het beleid binnen deze gebieden als het gaat om nieuwe ontwikkelingen binnen de stad, gaat uit van een geconcentreerde ontwikkeling die bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke karakteristiek. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de groen- en waterstructuur als onderdeel van het ontwerp. Het voornemen draagt bij aan de versterking en afronding van de stedelijke ontwikkeling van de Bleskensgraaf. De ontwikkeling sluit aan bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap. De bouw van één woning op deze locatie is passend binnen de kaders van de Visie Ruimte en Mobiliteit.

3.3.2 Programma Ruimte (9 juli 2014)

Het Programma Ruimte is parallel aan de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Programma Mobiliteit en de Verordening Ruimte opgesteld. De Visie Ruimte en Mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte, dat dezelfde vier rode draden hanteert als de Visie Ruimte en Mobiliteit.

Beoogde ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het Programma Ruimte. De ontwikkeling vindt plaats in de zone aangeduid als bestaande stads- en dorpsgebied. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen. De Ladder is opgenomen in paragraaf 3.2.2.

3.3.3 Verordening Ruimte (1 juli 2015)

De Verordening Ruimte Zuid-Holland is vastgesteld in samenhang met de Visie Ruimte en Mobiliteit en het Programma Ruimte. De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het ruimtelijk beleid is uitgewerkt in het Programma Ruimte. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen.

De verordening bevat regels ten aanzien van een aantal belangrijke ruimtelijke onderwerpen, zoals kantoren, bedrijventerreinen, glastuinbouw- en bollenteeltgebied, archeologie en provinciale vaarwegen. Het voor dit plan relevante onderwerp is hieronder uitgelicht.

Ladder duurzame verstedelijking
De verordening schrijft voor dat stedelijke ontwikkelingen primair plaatsvinden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Alleen als binnen bestaand stads- en dorpsgebied geen ruimte is voor een specifieke stedelijke ontwikkeling kan een nieuwe uitleglocatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied in gebruik worden genomen. De Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is hierbij van toepassing. De provincie heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen, die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. De werking van de Ladder voor duurzame verstedelijking is uitgelegd in paragraaf 3.2.2.

De voorliggende ontwikkeling, de realisatie van twee woningen is passend binnen de kaders van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Beoogde ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Provinciale Verordening. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt past binnen de regionale afspraken, vastgelegd in de regionale woonvisie, en past daarmee binnen het Programma Ruimte dat mede als toetsingskader dient voor de verordening.

Regionale Woonvisie Alblasserwaard - Vijfheerenlanden

In de Regionale Woonvisie Alblasserwaard - Vijfheerenlanden is een toetsingskader opgenomen aan de hand waarvan woningbouwinitiatieven kwalitatief en kwantitatief worden beoordeeld. Het nu voorliggende initiatief behelst de realisatie van 2 woningen in het dorpsgebied van Bleskensgraaf. Dit aantal past binnen de regionale afspraken ten aanzien van nieuwbouw binnen bestaande dorpen.

3.4 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie Molenwaard

De Toekomstvisie van Molenwaard bevat voor wonen de volgende doelstellingen:

De gemeente biedt plaats aan:

  • mensen die hier wonen en die hier willen blijven;
  • mensen die een binding hebben met de gemeente.

Mensen moeten kunnen wonen waar ze willen; de woonwens en het eigen dorp of de eigen stad als woonplaats staan centraal. Mensen moeten zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Daarom zet Molenwaard in op levensloopbestendige wonen en zorg aan huis.

In mei 2013 heeft de raad de kaders voor verdeling van het woningbouwprogramma vastgesteld. Relevante kaders zijn:

  • aansluiten bij de demografische ontwikkeling;
  • in voorzieningendorpen bouwen voor senioren, naast bouwen voor starters en doorstromers;
  • plannen met maatschappelijke urgentie (zoals centrumplannen) krijgen voorrang.

Met de ontwikkeling van de woningen wordt voorzien in bovengenoemde doelstellingen van de gemeente Molenwaard. Met de realisatie van de twee woningen wordt voorzien in een woningbouwprogramma voor doorstromers danwel senioren. Hierdoor biedt de gemeente plaats aan mensen die een binding hebben met de gemeente.

MeerjarenPerspectief Wonen (17 december 2013)

In het MeerjarenPerspectief Wonen (MPW) heeft de gemeenteraad van Molenwaard een visie op het wonen in Molenwaard vastgelegd.

Het MPW heeft het karakter van een vertrekpunt en fungeert als leidend principe. In die zin is het een dynamisch document. Het is een bewuste keuze om geen beleid als blauwdruk vast te stellen, maar ruimte te laten voor dynamiek. De huidige omstandigheden, zowel in de samenleving als economisch, vragen daar om.

De principes voor het MPW zijn vraag en demografie. De geprognosticeerde behoefte per kern is richtinggevend voor het woningbouwprogramma. Verder is gesteld dat het woningbouwprogramma voldoende flexibel moet zijn om aan te kunnen sluiten bij de actuele vraag.

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert momenteel bestemmingsplan 'Dorpskernen' welke is vastgesteld op 13 februari 2012. Op basis van dit bestemmingsplan is het perceel voorzien van de bestemming 'Centrum' met een nadere aanduiding 'agrarisch'. Door middel van deze aanduiding zijn tevens agrarische bedrijfspercelen behorende bij een agrarisch bedrijf toegestaan. De westzijde van het plangebied is deels voorzien van de bestemming 'Verkeer'.

Daarnaast is een archeologische dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen ten behoeve van een molenbiotoop en een geluidzone - industrie toegekend. In figuur 3.1 is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.

Op 25 juni 2015 is een herziening van het bestemmingsplan Dorpskernen vastgesteld. Deze herziening is niet van toepassing op het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1927.BPwonenmelkwegBKG-VG01_0004.png"

Figuur 3.1 Uitsnede verbeelding bestemminsplan 'Dorpskernen'.

Strijdigheid met het bestemmingsplan

Het plangebied is door middel van de bestemming 'Centrum' al wel voorzien van de mogelijkheid tot een woonfunctie, echter is hier geen bouwvlak opgenomen. Aan de westzijde van het plangebied is de bestemming 'Verkeer' toegekend. Hier wordt de bestemming 'Tuin' toegekend.

3.5 Conclusie

Het voornemen is passend binnen de uitgangspunten van zowel rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Dit bestemmingsplan sluit waar mogelijk aan bij de vigerende beleidsstukken.

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

4.1 Inleiding

Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan te worden aangetoond en moet worden onderbouwd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit bestemmingsplan relevant zijn. De resultaten en conclusies van de onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.

4.2 Milieueffectrapportage

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusies

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.3 Water

Waterbeheer en watertoets

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De initiatiefnemer heeft het waterschap geïnformeerd door gebruik te maken van de Digitale Watertoets. Deze is uitgevoerd op 04-11-2015. Naar aanleiding hiervan wordt bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van de gemeente en het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Waterschapsbeleid

Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Gemeentelijk beleid

Het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom is tot stand gekomen door samenwerking tussen de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en Waterschap Rivierenland. Deze samenwerking is ook direct één van de nevendoelen om het hoofddoel, namelijk een veilig, robuust en duurzaam watersysteem in 2025, te bereiken. Aanleiding voor het opstellen van het waterplan is onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), waarin is afgesproken dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld wordt. In dit waterplan is aangegeven wat de opstellers willen bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de kernen van de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en welke activiteiten daarvoor de komende jaren uitgevoerd moeten worden.

Om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025, moet gewerkt worden aan het optimaliseren van het huidige systeem. Hiervoor is de visie uitgewerkt in vier aspecten: afkoppelen, belevingswaarde, samenwerking en beheer en onderhoud.

Door invulling te geven aan het afkoppelen wordt meer ruimte voor water gecreëerd en worden diffuse bronnen aangepakt (duurzaam onkruid beheer, duurzaam bouwen). Het systeem is daardoor beter bestand tegen piekafvoeren en raakt minder snel vervuild. Het tweede aspect, de belevingswaarde, is in bebouwde gebieden belangrijk. Hiervoor zijn streefbeelden opgesteld voor de watergangen in de kernen, waarbij voorop staat dat deze afgestemd moeten zijn op de omgeving.

Met onder andere dit waterplan wordt invulling gegeven aan de samenwerking. De gemeenten en het Waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit grasland en gedeeltelijk verharding. Er is geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied.

Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit kleidek op veen. Er is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand varieert tussen de 0,5 en 0,8 m beneden het maaiveld.

Waterkwantiteit

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Direct ten zuiden en oosten van het plangebied is wel oppervlaktewater aanwezig. Het water ten oosten betreft een B- watergang. Deze wateren hebben een gering belang voor het watersysteem en hebben dan ook geen beschermingszone. Het onderhoud van deze watergang ligt bij de aanliggende eigenaren. Het water ten zuiden van het plangebied betreft een A- watergang. Hiervoor geldt een beschermingszone van 5 m. Het plangebied ligt binnen deze zone. Direct ten zuidoosten van het plangebied ligt een brug over de A- watergang.

afbeelding "i_NL.IMRO.1927.BPwonenmelkwegBKG-VG01_0005.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.1927.BPwonenmelkwegBKG-VG01_0006.png"  

Figuur 4.1: Uitsnede vastgestelde legger wateren (bron: Waterschap Rivierenland)

Veiligheid en waterkeringen

Ten noorden van het plangebied is een regionale waterkering gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- of beschermingszone van deze waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is niet aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 2 vrijstaande woningen met enkele parkeerplaatsen.

In de Beleidsregels van het waterschap is een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak. Deze vuistregel houdt in dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui). In het stedelijk gebied is de toename voor de eerste 500 m2 verhard oppervlak vrijgesteld van watercompensatie en voor het landelijk gebied is dit 1.500 m2.

De bestaande verharding zal worden vervangen door een vergelijkbare hoeveelheid verharding ten behoeve van ontsluiting en parkeren. De toename aan verharding heeft daarom betrekking op de realisatie van de twee woningen. Deze zullen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak van circa 420 m2. Aangezien het bouwvlak slechts ten dele zal worden bebouwd, kan worden geconcludeerd dat de hoeveelheid oppervlakteverharding ruimschoots onder de 500 m2 blijft. Water compenserende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Watervergunning

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder watervergunning gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Werkzaamheden ter plaatse van de aan het plangebied grenzende watergangen of binnen de beschermingszones van deze watergangen vinden in overleg met het waterschap plaats. Wanneer benodigd zal een watervergunning worden aangevraagd.

4.4 Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

Normstelling

Provinciale Verordening

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel uitmaken van de EHS, alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de Provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van de EHS of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten en soorten waarvoor een vrijstelling geldt als volgens een door de minister goedgekeurde gedragscode wordt gewerkt en de activiteit te karakteriseren is als bestendig beheer, onderhoud of gebruik of ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang;
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit plan van belang, omdat bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Hetzelfde geldt voor de ecologische doelen van de beschermde natuurmonumenten (b), voor zover deze gebieden niet overlappen met Natura 2000.

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of het plan effecten heeft op de gebieden beschermd onder de Natuurbeschermingswet 1998. Indien significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten moet worden gezocht naar oplossingen in de vorm van mitigerende maatregelen of aanpassingen van het plan. Zijn na verwerking hiervan significant negatieve effecten nog steeds niet uit te sluiten dan kan het plan alleen doorgang vinden als:

  • sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard;
  • geen alternatieven voorhanden zijn;
  • resterende effecten worden gecompenseerd.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Donkse Laagten en is gelegen op circa 1,4 km afstand. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van de EHS is gelegen op circa 1 km afstand. Op circa 500 m afstand ligt het dichtstbijzijnde belangrijke weidevogelgebied.

Gezien de afstand en de kleinschalige aard van de ontwikkeling worden vermesting/verzuring, verstoring, versnippering, areaalverlies en verandering van de waterhuishouding uitgesloten. De ontwikkeling is vanwege de afstand tevens niet van invloed op het op afstand gelegen belangrijke weidevogelgebied.

De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1927.BPwonenmelkwegBKG-VG01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1927.BPwonenmelkwegBKG-VG01_0008.png"

Figuur 4.2: Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Soortenbescherming

De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van een verkennend veldonderzoek (zie Bijlage 3). Aan de hand van dit veldonderzoek is vastgesteld dat het voorkomen van matig of zwaar beschermde soorten is uitgesloten. In het plangebied ontbreekt het aan geschikte mogelijkheden waarin vleermuizen of vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen zich zouden kunnen ophouden. Voor overige soort(groep)en is het gebied verder volledig ongeschikt. Wel kunnen er vleermuizen vliegen / foerageren. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen / foerageren. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten.

In verband met het voorkomen van algemene broedvogels is het van belang om te starten met werken buiten het broedseizoen of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen. Er komen verder algemene licht beschermde zoogdieren en amfibieën voor. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet.

Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op matig en zwaar beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de realisatie en uitvoering van het plan aan de Melkweg te Bleskensgraaf is niet in strijd met het gestelde binnen de Flora- en faunawet.

Conclusie

De Flora- en faunawet staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.5 Verkeer en parkeren

Ontsluiting gemotoriseerd verkeer, langzaam verkeer en openbaar vervoer

Het plangebied wordt ontsloten aan de Melkweg. Deze weg sluit in het noorden aan op de Dorpsstraat richting de kern van Bleskensgraaf en in het oosten op de Wervenkampweg. De Wervenkampweg sluit in het zuiden aan op de N214, welke naar het westen toe aansluit op de A15, richting Gorinchem en Rotterdam, en de N3, richting Dordrecht.

De Melkweg is de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein en kent geen fietsvoorzieningen. Het langzaam verkeer zal echter voornamelijk gebruik maken van de Dorpsstraat, waardoor deze voorzieningen niet noodzakelijk zijn. Aan de Wervenkampweg zijn vrijliggende fietspaden aanwezig. Op de andere wegen rondom het plangebied vindt volgens de principes van Duurzaam Veilig een gemengde afwikkeling van het verkeer plaats.

Aan de Dorpsstraat, op circa 200 m van het plangebied, zijn bushaltes aanwezig waar bussen in de richtingen van Gorinchem, Groot-Ammers, Sliedrecht en Papendrecht halteren.

Verkeersgeneratie en afwikkeling

Binnen het plangebied worden 2 vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt in de gemeente Molenwaard, een niet stedelijke gemeente, in rest van de bebouwde kom. Op basis van het autobezit in deze gemeente worden hiervoor gemiddelde kencijfers gehanteerd uit publicatie 317 van het CROW ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2012). De verkeersgeneratie van een vrijstaande woning bedraagt 8,2 mvt/etmaal. De totale verkeersgeneratie bedraagt dan ook 16 mvt/etmaal. Deze beperkte toename kan gemakkelijk worden afgewikkeld op het wegennet.

Parkeren

Voor de parkeerbehoefte worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als voor de verkeersgeneratie. De parkeerbehoefte van een vrijstaande woning bedraagt (op basis van CROW-normen) 2,3 parkeerplaats per woning. De totale parkeerbehoefte bedraagt dan ook 5 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om deze behoefte op te vangen. Daarnaast worden 2 parkeerplaatsen gerealiseerd voor een woning aan de Dorpsstraat.

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied is goed. De beperkte verkeersgeneratie kan gemakkelijk afgewikkeld worden op het wegennet. Er worden binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkelingen niet in de weg.

4.6 Industrie- en wegverkeerslawaai

Aan de Melkweg in Bleskensgraaf worden twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn geluidsgevoelige functies waarvoor op grond van de Wet geluidhinder (Wgh), indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg of industrieterrein, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De woningen zijn gelegen binnen de geluidszone van de Melkweg. Akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh dan ook noodzakelijk. De Dorpsstraat is een 30 km/h weg en zodoende niet gezoneerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzichtelijk gemaakt of sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Daarnaast zijn de woningen gelegen binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein 'zuivelfabriek Bleskensgraaf'. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is op grond van de Wgh dan ook noodzakelijk. Het gecombineerde akoestisch onderzoek is opgenomen in Bijlage 1.

Onderzoek en conclusie

Ten gevolge van het verkeer op de Dorpsstraat en ten gevolge van het gezoneerde industrieterrein 'zuivelfabriek Bleskensgraaf' is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat, aangezien de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Ten gevolge van het verkeer op de Melkweg is sprake van een beperkte overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat verdere maatregelen niet mogelijk of doelmatig zijn om de geluidsbelasting te reduceren. De gecumuleerde geluidsbelasting en het gemeentelijk ontheffingsbeleid staat het vaststellen van hogere waarden niet in de weg.

In het kader van het vaststellen van een hogere waarde voor de woningen is een aanvullende memo opgesteld door de omgevingsdienst. De memo is opgenomen in Bijlage 2. In de memo wordt ingegaan op de akoestische uitbreidingsruimte van de zuivelfabriek. Geconcludeerd wordt dat binnen de vastgestelde zone Zuivelfabriek De Graafstroom nog ruimte heeft om uit te breiden. Om deze uitbreiding niet te beperken met de komst van de twee woningen aan de Melkweg wordt geadviseerd een hogere waarde van 52 dB(A) industrielawaai vast te stellen voor deze twee woningen.

Vanwege het overschrijden van de voorkeursgrenswaarde dient een verzoek tot vaststelling van hogere waarden te worden gedaan. Een en ander is vastgelegd in tabel 4.1. Gezien de flexibiliteit van de bestemmingsregeling als opgenomen in dit plan zal voor 2 woningen hogere waarden vastgelegd worden. Overigens zal, mede afhankelijk van de definitieve invulling, bij één woning naar verwachting geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde aan de orde zijn omdat deze profiteert van de geluidafschermende werking van de woning die het dichtst bij de Melkweg staat.

Tabel 4.1 Ontheffingswaarden

Ontwikkeling   Geluidbelasting   Aantal woningen   Geluidsbron  
Woningbouw Melkweg   52 dB   2   Melkweg  

De verleende hogere waarden zullen in het kadaster worden vastgelegd.

4.7 Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
Stikstofdioxide (NO2)   Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  Uurgemiddelde concentratie   Max. 18 keer p.j. Meer dan 200 µg/m³  
Fijn stof (PM10)   Jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³  
Fijn stof (PM2,5)   Jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek en conclusie

De ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 2 vrijstaande woningen. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat zowel in 2015 als in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen direct langs de Dorpsstraat (maatgevende weg nabij het plangebied) bedragen in 2015; 20,3 µg/m³ voor NO2, 23,0 µg/m³ voor PM10 en 14,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 12 dagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.8 Bedrijven en milieuhinder

Beleid en Normstelling 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Onderzoek

Het plangebied ligt aan de Melkweg te Bleskensgraaf en is gelegen tussen bedrijventerreinen, ten zuiden en westen van het plangebied, en de woningen aan de Dorpsstraat. Aan de Dorpsstraat zijn tevens centrumfuncties aanwezig zoals kleinschalige horeca en detailhandel.

De VNG-publicatie beschrijft een 'gemengd gebied' als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Hier kunnen direct naast woningen andere functies voorkomen zoals detailhandel, horeca en bedrijven. Omdat hier ter plaatse sprake van is kan het gebied op basis van de VNG-publicatie getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Wanneer sprake is van een 'gemengd gebied' kan met 1 afstandsstap worden afgeweken van de richtafstanden.

Bedrijvigheid ten zuiden van het plangebied

Ten zuiden van het plangebied zijn op 30 m afstand bedrijven uit maximaal categorie 3.1 mogelijk en op 50 m afstand bedrijven uit maximaal categorie 3.2.

Op basis van de VNG-publicatie geldt voor bedrijven uit categorie 3.1 een richtafstand 30 m ten opzichte van een gemengd gebied en voor bedrijven uit categorie 3.2 geldt een richtafstand van 50 m ten opzichte van een gemengd gebied. Er wordt dus voldaan aan de richtafstanden op basis van de VNG-publicatie.

Bedrijvigheid ten westen van het plangebied

Ten westen van het plangebied is de melkfabriek De Graafstroom gelegen. Uit advies van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid d.d. 27 februari 2017 (zie bijlage 4) blijkt dat de richtafstanden uit de VNG-publicatie ten gevolge van De Graafstroom het plangebied overlappen. Als gevolg hiervan moet worden onderbouwd of het afwijken van de richtafstanden verantwoord is.

Luchtkwaliteit

In paragraaf 4.7 is beschreven dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof ter plaatse van het plangebied ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Door Witteveen+Bos is aanvullend onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat de projecteerde woningen geen beperking vormen in verband met de luchtkwaliteit voor de vergunde bedrijfsvoering van De Graafstroom (zie bijlage 5).

Externe veiligheid

In aanvulling op paragraaf 4.9 is door Witteveen+Bos het aspect externe veiligheid onderzocht op basis van de bedrijfsvoering van De Graafstroom (zie bijlage 5). Geconcludeerd wordt dat de huidige situatie geen knelpunt vormt voor de geplande ontwikkeling en de afstand tot het plangebied voldoende ruimte laat voor bedrijfsontwikkelingen met externe veiligheid risico's.

Geur

Ook het aspect geur is beoordeeld door Witteveen+Bos in de notitie milieuhinder (bijlage 5). Geconcludeerd wordt dat het aannemelijk is dat de vergunde activiteiten van De Graafstroom geen onaanvaardbare geurhinder veroorzaken in de huidige situatie en dit ook niet zullen veroorzaken bij de toekomstige woonbebouwing. Na de reactie van de Omgevingsdienst d.d. 13 september 2017 op deze notitie (bijlage 6) is door Witteveen+Bos aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de eventuele uitbreidingsmogelijkheden van de fabriek (bijlage 7). Voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de fabriek geldt dat er een geringe beperking ontstaat. Dit betreft niet zozeer een ruimtelijke beperking, maar mogelijk een grotere inspanningsverplichting van de zijde van het bedrijf om de geurhinder op de nieuwe burgerwoningen in de omgeving te beperken. De Omgevingsdienst onderschrijft deze conclusie in haar advies van 1 november 2017 (bijlage 8). De mogelijkheden van de fabriek worden niet onoverkomelijk beperkt en de uitbreidingsmogelijkheden na de woningbouw zijn niet significant kleiner.

Geluid

Onderzoek heeft aangetoond dat er geen belemmeringen zijn voor de woningbouw. Dit onderzoek is nader beschreven in paragraaf 4.6.

Licht

Woningen die grenzen aan een bedrijfsbestemming kunnen hinder ondervinden van lichtuitstraling. Eén van de beoogde woningen kijkt uit op de zijgevel van de zuivelfabriek. Aan deze zijde vinden geen buitenactiviteiten bij de fabriek plaats. Daarnaast bestaat de mogelijkheid erfafscheidingen op te richten. Mogelijke lichthinder wordt daarom aanvaardbaar geacht.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouw

4.9 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek en conclusie

Uit de professionele risicokaart blijkt dat er binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen dat van invloed is op de externe veiligheidssituatie in het plangebied. Ten zuidwesten van het plangebied op circa 190 m afstand is wel een risicovolle inrichting aanwezig. Dit betreft een ammoniakinstallatie. De PR 10-6 risicocontour en het invloedsgebied voor het groepsrisico bedragen 0 m. Hierdoor vormt deze installatie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de boogde ontwikkeling niet in de weg.

4.10 Kabels en leidingen

Afwegingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18”;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.

Onderzoek en conclusie

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.11 Bodem

Beleid en Normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek

Om de bodemkwaliteit in het plangebied te onderzoeken is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Een volledige rapportage van het onderzoek is opgenomen in Bijlage 10. Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat, gelet op het regionale karakter van de aangetroffen matige metaalverontreinigingen in het grondwater en het ontbreken van verontreinigingen in de grond, het plangebied als 'onverdacht' aangemerkt kan worden. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygienische kwaliteit van de bodem dan ook geen belemmeringen voor de nieuwbouw van de geplande woningen.

Conclusie

De bodemkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.12 Archeologie en cultuurhistorie

Regelgeving en beleid

Monumentenwet

De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Beleidsnota Archeologie

De acht gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Deze beleidsnota is onderdeel van een drieluik, dat verder bestaat uit een archeologische verwachtings-, een beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC.

In de nota worden de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta onderschreven. Behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem) en het beginsel 'de verstoorder betaalt' zijn de belangrijkste uitgangspunten van het regionaal en gemeentelijk archeologiebeleid. Dat beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Als het voornemen bestaat om een bodemverstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de zogenaamde Archeologische Monumentenzorgcyclus. Dit is een onderzoekscyclus die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorwaarden worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen.

Onderzoek

Om de archeologische waarden ter plaatse van het plangebied te onderzoeken is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 9.

Uit het uitgevoerde bureauonderzoek bleek dat er mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen voorkomen. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.

Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de afwezigheid van significante oeverafzettingen, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Ter bescherming van de eventuele toekomstige bodemingrepen zijn (conform het gemeentelijk archeologiebeleid) de archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Deze dubbelbestemming is noodzakelijk voor eventuele toekomstige ingrepen die dieper rijken dan is onderzocht in het archeologisch onderzoek.

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat de archeologische en cultuurhistorische waarden de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staan.

4.13 Molenbiotoop

Het plangebied is gelegen binnen de molenbiotoop van de naastgelegen molen. De onderkant van de verticaal staande wiek ligt op een hoogte van 3 meter. De afstand tussen de molen en de geplande woningen bedraagt circa 300 meter. Uitgaande van de 1/30 regel tussen de nieuwe woningen en het middelpunt van de molen mag, ter plaatse van het plangebied, tot een maximale bouwhoogte van minimaal 13 meter worden gebouwd. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een maximale bouwhoogte van 9 meter. Daarnaast ligt tussen de molen en het plangebied de melkfabriek welke zorgt voor een afschermende werking. De aanwezige molenbiotoop staat hierdoor de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.14 Eindconclusie

Op basis van de onderzochte informatie worden geen bijzondere belemmeringen verwacht voor de vaststelling van het uitwerkingsplan ten aanzien van de milieu- en overige aspecten.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.

5.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch-juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de ontwikkeling een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling.

De planopzet biedt flexibiliteit voor de beoogde herinrichting en tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden. De in het plan vastgelegde omvang van de diverse functies is vastgelegd op de verbeelding en in de bestemmingsregeling. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd.

Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De regeling is tevens afgestemd op het gemeentelijk handboek voor bestemmingsplannen en het vigerende bestemmingsplan 'Dorpskernen Graafstroom'.

5.2 Opbouw regels

De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs- en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.

5.3 De bestemmingen

Tuin

Deze bestemming is gebruikt voor de gronden waarop geen gebouwen gewenst zijn. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Binnen deze bestemming is tevens de ontsluiting van de percelen en de parkeervoorzieningen mogelijk gemaakt.

Wonen

De twee vrijstaande woningen worden mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Wonen'. Binnen de bestemming is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de twee hoofdgebouwen gebouwd moeten worden.

Waarde - Archeologie (dubbelbestemmingen)

Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen is voorzien in de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie'. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden. De archeologische verwachtingswaarde, met bijbehorende regeling, is bepaald aan de hand van de archeologische verwachtingskaart. Vanwege deze archeologische verwachtingswaarde, dient eventueel voorafgaand aan werkzaamheden een verkennend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd door een hiertoe gecertificeerd bureau. Indien uit het onderzoek blijkt dat er resten aanwezig zijn, dan dient in overleg met de provinciaal archeoloog te worden bepaald hoe met deze resten wordt omgegaan. Er heeft al archeologisch veldonderzoek plaatsgevonden waaruit kan worden geconcludeerd dat het schetsplan zoals opgenomen in dit bestemmingsplan zonder nader onderzoek kan worden gerealiseerd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De uitvoering en kosten van het voornemen berusten volledig bij de initiatiefnemer. Met de gemeente Molenwaard is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is geregeld de eventuele uitgekeerde (tegemoetkomingen in) planschade door de initiatiefnemer aan de gemeente worden vergoed. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende verzekerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening met ingang van 22 juli 2016 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen. Binnen de gestelde termijn zijn drie zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn derhalve ontvankelijk. Na overleg bij de gemeente Molenwaard is één zienswijze ingetrokken.

Gelijktijdig met de terinzagelegging is het ontwerpbestemmingsplan aan de gebruikelijke overleginstanties verzonden. Alleen van het Waterschap Rivierenland is een reactie ontvangen.

De twee overgebleven zienswijzen en overlegreactie zijn samengevat en beantwoord in de 'Nota van zienswijzen'. Deze nota is opgenomen in bijlage 11. Het bestemmingsplan is overeenkomstig de 'Nota van zienswijzen' aangepast.