direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Schuttersdreef ong. Buchten
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

Aan de Dorpstraat 40 te Buchten is een voor agrarische bedrijfsdoeleinden bestemde locatie gelegen, met daarbij behorende huisweide langs de Schuttersdreef. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Born - sectie H - nummers 1350, 1351 en 1352. Ter plekke worden reeds langere tijd geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer verricht, echter primair gewoond. Gelet op de ligging in het dorp en de beperkte omvang van de agrarische bedrijfsbestemming is deze locatie niet (meer) geschikt voor een duurzame agrarische bedrijfsvoering. Het voornemen is om de agrarische bedrijfsbestemming ter plekke van de Dorpstraat 40 te wijzigen naar 'Wonen' en daarbij ter plekke van de huisweide langs de Schuttersdreef twee vrijstaande levensloopbestendige woningen te realiseren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0001.jpg" Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied

Ter plekke van onderhavige locatie geldt volgens het bestemmingsplan 'Veegplan 2022' (tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Sittard-Geleen) de bestemming 'Agrarisch - 1'. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Ook zijn de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' en 'milieuzone - boringsvrije zone roerdalslenk zone II' van toepassing. Het wijzigen van de bestemming naar wonen en het realiseren van twee levensloopbestendige woningen is niet in overeenstemming met het geldend planologisch-juridisch kader.

Voor het plangebied is het 'Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen' per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Dit omgevingsplan wordt door de gemeente Sittard-Geleen nog nader ingevuld. Het plangebied is eerder in diverse bestemmingsplannen bestemd, die van rechtswege gelden als planregime als onderdeel van het omgevingsplan van rechtswege. Het plangebied kent in het vigerend planregime de bestemming 'Argrarisch - 1'. Het wijzigen van de bestemming naar 'Wonen' en het realiseren van twee woningen is niet in overeenstemming met het geldend planologisch-juridisch kader.

De beoogde herontwikkeling is binnen de regels van het vigerende planregime niet rechtstreeks mogelijk. Hiervoor is een aanpassing in het omgevingsplan benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-Omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.

Hoofdstuk 2 Plangebied en planontwikkeling

2.1 Plangebied

Onderhavig plangebied is gelegen aan Schuttersdreef ong. te Buchten. Het betreft twee grotendeels onbebouwde percelen ter plekke van Schuttersdreef ong. Op een van deze percelen bevindt zich een schuur, ook bevinden zich enkele bomen op de percelen. Betreffende percelen behoren tot de huisweide van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aan de Dorpstraat 40. In de directe omgeving is uitsluitend sprake van woningen. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Born - sectie H - nummers 1350, 1351 en 1352. In onderstaande luchtfoto is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0002.jpg"

Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0003.jpg"

Uitsnede kadastrale kaart

2.2 Bestaande situatie

Ter plekke van de Dorpstraat 40 te Buchten is voorheen sprake geweest van een agrarische bedrijfsvoering. Momenteel wordt ter plekke gewoond, met daarachter gelegen huisweide langs de Schuttersdreef. Ter plekke van de Dorpstraat 40 bevindt zich een vrijstaande woning met aangelegen schuren in carrévormige opzet. Ter plekke van de huisweide aan de Schuttersdreef is sprake van een weiland met enkele bomen. Tevens is ter plekke nog een schuur aanwezig.

De bestaande situatie wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van het volgende fotomateriaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0005.png" Luchtfoto's plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0006.jpg" Vooraanzicht bebouwing Dorpstraat 40

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0007.png" Achteraanzicht bebouwing Dorpstraat 40

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0008.png"

Straataanzicht huisweide vanuit oostelijke zijde

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0009.png"

Straataanzicht huisweide vanuit oostelijke zijde

2.3 Planbeschrijving

Voorliggend plan voorziet in het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch - 1' in 'Wonen'. Voor wat betreft de bestaande bebouwing aan de Dorpstraat 40 treden geen veranderingen op, dit betreft primair een functiewijziging. Ter plekke van de huisweide zullen twee vrijstaande levensloopbestendige woningen gerealiseerd worden en zal de losse schuur aldaar gesloopt worden.

Voor onderhavig plan is nog geen concreet bouwplan aanwezig. Wel is een aantal stedenbouwkundige randvoorwaarden voor de nieuw te realiseren woningen aan de orde:

  • 1. de bouwvlakken waarbinnen de woningen worden gerealiseerd hebben een maximale bouwdiepte van 15 meter, en een maximale breedte van 12 meter.
  • 2. de voorgevel rooilijn van de bouwkavels dient trapsgewijs in het verlengde te liggen van de linkerwoning, de voorzijde krijgt de bestemming tuin.
  • 3. de maximale goot- en bouwhoogten bedragen maximaal 6 meter respectievelijk 9 meter.
  • 4. de woningen dienen levensloopbestendig te worden uitgevoerd.
  • 5. de woningen dienen qua typologie en materiaal passend te zijn in het straatbeeld en bij de karakteristiek van het dorp Buchten.
  • 6. voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken dient te worden aangesloten bij de regels voor het vergunningvrije bouwen.

Deze stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn vastgelegd in de juridische regels van dit omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0010.jpg"

Situatietekening

2.4 Ruimtelijk-visuele effecten

Ieder nieuwbouwplan gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. Beoordeeld dient te worden of de effecten die optreden vanuit ruimtelijk-visueel oogpunt aanvaardbaar mogen worden gevonden.

Bij voorliggend voornemen wordt een agrarische bedrijfslocatie in een woonomgeving duurzaam beëindigd. Daarbij wordt op een passende (inbreidings)locatie voorzien in de realisatie van twee levensloopbestendige woningen. Vanuit stedenbouwkundige opzet zullen de voorgevels aansluitend op naastgelegen woning trapsgewijs gerealiseerd worden. Qua bouwregels voor de nieuw te realiseren woningen wordt aangesloten bij de regels zoals deze gelden voor de naastgelegen bestaande woningg aan de Schuttersdreef. In het kader van de op grond van voorliggend omgevingsplan te verlenen omgevingsvergunningen zal vanuit oogpunt van welstand een toets worden verricht op de materialisering, waarbij deze passend dienen te zijn in het straatbeeld en de karakteristiek van Buchten. Hiermee is sprake van een logische aansluiting op de bestaande naastgelegen bebouwing.

Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ruimtelijk-visuele effecten van voorliggend plan aanvaardbaar zijn.

Hoofdstuk 3 Planologisch-juridische situatie

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Sittard-Geleen van rechtswege onderdeel geworden van één omgevingsplan. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en een nieuw deel. De bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het tijdelijk deel bestaat uit:

  • (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen.
  • Rijksregels over activiteiten (aangeduid als 'de bruidsschat').

Omdat bestemmingsplannen onderdeel uitmaken van het omgevingsplan wordt in navolgende paragraaf het ter plekke geldende bestemmingsplan beschouwd.

3.1 Bestemmingsplan 'Veegplan 2022'

Ter plekke van onderhavig plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Veegplan 2022', zoals vastgesteld op 21 mei 2024 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen. Op basis van het geldende bestemmingsplan is de bestemming 'Agrarisch - 1' van kracht met bijbehorend bouwvlak ter plekke van de bebouwing aan de Dorpstraat 40. Voor het bouwvlak geldt een maximale goothoogte van 4 meter, een maximale bouwhoogte van 8 meter en een maximaal bebouwingspercentage terrein van 100%. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' ter plekke. Tot slot zijn de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - industrie' en 'milieuzone - boringsvrije zone Roerdalslenk zone II' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0011.png"

Uitsnede bestemmingplankaart met aanduiding locatie

De in casu voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden zijn in algemene zin bestemd voor agrarische bedrijfsmatige doeleinden en daarbij behorende bebouwing (ter plekke van het bouwvlak) en agrarisch grondgebruik. Het realiseren van twee nieuwe woningen en het gebruiken van het plangebied voor reguliere bewoning met in totaal drie woningen is strijdig met de geldende planologisch-juridische kaders. Er zijn geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden opgenomen om het bouwplan alsnog te faciliteren.

De gemeente heeft kenbaar gemaakt medewerking te willen verlenen aan voorliggend plan middels een wijziging van het omgevingsplan. In dat verband is voorliggend TAM-omgevingsplan opgesteld.

Hoofdstuk 4 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid en wordt het plan hieraan getoetst. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de instructieregels Rijk (AMvB's). Voor de beschrijving van het provinciaal beleid is gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) en de Omgevingsverordening Limburg (OvL). In relatie tot het regionale beleid wordt ingegaan op de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWL), de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' en de Transformatievisie Westelijke Mijnstreek. Het gemeentelijke beleid is ontleend aan de Omgevingsvisie 2025-2040 'Samen stad en dorp maken', het Woningbehoefteonderzoek Sittard-Geleen (WBO) en de beleidsregel 'Kwalitatieve woningtoevoegingen Sittard-Geleen 2024'.

4.1 Rijksbeleid en regelgeving

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: 'NOVI') vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden.

In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen:

  • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zodanig wordt ingericht dat het land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast;
  • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie dient oog te zijn voor omgevingskwaliteit;
  • de overgang naar een circulaire economie, waarbij Nederland tegelijk goed kan blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat kan bieden;
  • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland, waarmee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden;
  • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden;
  • het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap.


Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.

In de NOVI wordt ten aanzien van Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk.

Meer specifiek heeft het Rijk in de provincie Limburg enkele belangrijke gebieden aangewezen. Het Rijk kent de Greenport Venlo en Brainport Zuidoost Nederland een belangrijke waarde toe voor de concurrentiepositie van Nederland. Het verstedelijkte gebied rondom Sittard-Geleen en Maastricht is zodoende dan ook aangewezen als een voor de concurrentiepositie essentieel gebied. Met name de bereikbaarheid van deze gebieden verdient derhalve extra aandacht.

Beoordeling

Onderhavige locatie valt niet binnen een door het rijk gekenmerkte opgaven en/of ontwikkeling.

4.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels ter bescherming van de nationale belangen, waaronder :

  • waarborgen van veiligheid
  • beschermen van waterbelangen
  • beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën.

Beoordeling

In hoofdstuk 5 van deze motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het plan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.

De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit regelt artikel 8.0b Bkl. Deze instructieregel geldt niet voor de omgevingsvisie.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Over de vraag wanneer precies sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich gebogen in een overzichtsuitspraak d.d. 28 juni 2017 (zaaknummer 201608869/1/R3).

Daarin is onder andere overwogen dat een woningbouwplan van 12 of meer woningen een stedelijke ontwikkeling betreft.

Beoordeling

Voorliggend plan voorziet niet in het toevoegen van 12 of meer woningen. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is.

4.1.4 Conclusie Rijksbeleid en regelgeving

Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Nationale Omgevingsvisie en eventuele van toepassing zijnde rijksinstructieregels. Het plan is passend binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggende ontwikkeling.

4.2 Provinciaal beleid en regelgeving

4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI)
4.2.1.1 Algemeen

Op 15 december 2020 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarna vervolgens Provinciale Staten deze op 1 oktober 2021 hebben vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden.

In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen.

4.2.1.2 Hoofdopgaven

In de omgevingsvisie worden door de provincie drie hoofdopgaven onderscheiden die Limburg-breed spelen. Weliswaar verschillen de accenten per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn:

  • 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving:
    • a. in stedelijk c.q. bebouwd gebied;
    • b. in landelijk gebied;
  • 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);
  • 3. Klimaatadaptatie en energietransitie.
4.2.1.3 Limburgse principes en algemene zonering

Bij het maken van afwegingen op het gebied van de fysieke leefomgeving hanteert de provincie de volgende principes:

  • gestreefd wordt naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
  • de kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal;
  • meer stad, meer land;
  • zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden, boven- én ondergronds.

Voor het toekomstbeeld voor Limburg hanteert de provincie een indicatieve zonering. De verschillende categorieën worden ondergebracht bij drie hoofdtypes:

  • 1. landelijke gebieden:
    • a. Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied)
    • b. Buitengebied
  • 2. bebouwde gebieden:
    • a. stedelijk gebied
    • b. stedelijk centrum
    • c. landelijke kern
    • d. werklocaties
  • 3. infrastructuren:
    • a. (inter)nationale weg
    • b. provinciale weg
    • c. (inter)nationale spoorweg
    • d. (inter)nationale waterweg
    • e. (lucht)haven
    • f. (inter)nationale leidingstrook

Onderhavig plangebied is gelegen in de zone 'Stedelijk gebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0012.jpg"

Provinciale zoneringen met aanduiding planlocatie

Stedelijk gebied

Het stedelijk gebied omvat de bebouwde gebieden van de Westelijke Mijnstreek, Heerlen, Brunssum, en Kerkrade en de steden Maastricht, Venlo, Roermond, Weert en Venray. Hier vind je een breed scala aan locaties met functies zoals wonen, winkels, scholen, voorzieningen, wegen en openbare ruimte. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten. Het is belangrijk dat onder meer in de overgangsgebieden stad-land wordt ingespeeld op ruimte voor klimaatadaptatie via het watersysteem en de groenvoorzieningen.

4.2.1.4 Thematische visies

De provincie onderscheidt in de omgevingsvisie de volgende thematische visies:

  • wonen en leefomgeving
  • veiligheid en gezondheid
  • cultuur, sport en erfgoed
  • economie
  • werklocaties
  • mobiliteit
  • energie
  • land- en tuinbouw
  • water
  • natuur
  • landschap
  • bodem en ondergrond

Per thema beschrijft de provincie in de omgevingsvisie het provinciale belang, de opgave, de ambities en waar de provincie voor kiest.

Voor onderhavig voornemen is sprake van een ontwikkeling gericht op wonen. Daarop wordt in de (provinciale) thematische visie 'Wonen en leefomgeving' ingegaan. Aangegeven wordt dat er op het gebied van wonen en leefomgeving veel uitdagingen en kansen liggen. Zo vermeldt de omgevingsvisie het volgende:

'De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom kiezen wij voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee spelen we in op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van onze inwoners zijn hierbij leidend.'

Voorts wordt het volgende aangegeven:

'Wat betreft onze ambitie is het succes van de woningmarkt onlosmakelijk verbonden met de sociaaleconomische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen en het voorkomen van segregatie. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kunnen we een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen.'

Het provinciale beleid ten aanzien van wonen heeft een vertaling gekregen in de in maart 2023 door partijen (provincie Limburg, alle gemeenten in Limburg, woningcorporaties, en waterschap) ondertekende 'Limburgse Woondeal 2023-2030'. In deze woondeal is afgesproken dat voor de drie woonregio's in Limburg (Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg) er minimaal 26.550 woningen bij komen. Daarbij is tevens de ambitie uitgesproken voor nog eens 20.000 woningen extra. Op grond van de woondeal wordt gestreefd naar een productie van circa 3.000 woningen per jaar. Met de Woondeal Limburg wordt gestreefd naar betaalbaar wonen voor iedereen.

De insteek van voorliggende planontwikkeling is het kunnen realiseren van twee levensloopbestendige c.q. nultredenwoningen waarmee een bijdrage kan worden geleverd aan de doorstroming op de woningmarkt.

4.2.1.5 Gebiedsgerichte visies

Naast de thematische visies gaat de provincie in de omgevingsvisie ook in op de gebiedsgerichte visies. Daarbij wordt ingegaan op de visie op bovenregionaal niveau, om vervolgens de visies voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg uiteen te zetten.

De provincie ziet grote uitdagingen voor de Limburgse steden en dorpen. Deze moeten ook in de toekomst eenaantrekkelijke en leefbare thuisbasis voor de inwoners zijn. De Limburgse steden en dorpen krijgen de komende decennia te maken met grote gecompliceerde vraagstukken en transities. Het is belangrijk om de transities en opgaven in het bebouwd gebied in samenhang op te pakken en te sturen aan de voorkant. Bij veel vraagstukken in het bebouwd gebied geldt dat de overheid, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen oplossingen moeten vinden. De provincie geeft aan dat een belangrijke rol is weggelegd voor de gemeenten. Een toenemend aantal vraagstukken overstijgt echter het lokale niveau en vraagt om gezamenlijk optrekken van gemeenten in regionaal verband. De provincie wil de gemeenten daarbij ondersteunen. Op onderdelen geeft ze, gezien de provinciale belangen, ook richting aan die ontwikkeling. Daarbij kijkt de provincie breed, ook over provincie- en landsgrenzen heen.

Verder blijven voor de provincie compacte steden het uitgangspunt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk een plek krijgen binnen het bebouwd gebied. Dit om de diversiteit tussen stad en land, tussen dynamisch en rustiger en tussen wonen, werken en recreëren als kwaliteit van de leefomgeving te kunnen behouden. Met instructieregels in de Omgevingsverordening blijven de provincie dit ladderprincipe en de keuze voor 'meer stad' ondersteunen. Daarbij hebben is aandacht voor compacte binnensteden, het behoud van basisvoorzieningen en leefbaarheid. Hierbij zijn niet toevallige grenzen maar het dagelijks leefpatroon van de inwoners doorslaggevend. De provincie ondersteunt gemeenten bij het oplossen van vraagstukken op het gebied van leefbaarheid en bij sociale opgaven met betrekking tot achterstanden in participatie, onderwijs en gezondheid.

Beoordeling

Voorliggende plan past binnen het provinciale beleid zoals omschreven in de POVI.

4.2.2 Omgevingsverordening Limburg (OvL)
4.2.2.1 Algemeen

De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de omgevingsverordening.

In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:

  • instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven.
  • regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen.
4.2.2.2 Gebiedsaanwijzingen

Bij de OvL behoort een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn. Ter plekke van onderhavige locatie zijn een aantal gebiedsaanwijzingen van toepassing; deze zijn opgenomen in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0013.jpg"

Gebiedsaanwijzingen Omgevingsverordening Limburg ter plekke van plangebied

Op de in casu aan de orde zijnde relevante instructieregels wordt hierna ingegaan.

Overstromingskansgebied E

Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor 'overstromingskansgebied E' een gemiddelde overstromingskans per jaar van 1:100 als omgevingswaarde. Dit betreft een inspanningsverplichting voor het waterschap waaraan uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan. Op het aspect water wordt in paragraaf 5.8 van voorliggende motivering nader ingegaan.

Instructieregels 'Roerdalslenk II'

Onderhavig plangebied is gelegen in de zone 'Roerdalslenk II' op basis waarvan aanvullende regels gelden voor bescherming van de drinkwatervoorziening. Naast een verbod in de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden is in de Omgevingsverordening een verbod opgenomen voor diepe boringen in de boringsvrije zones. Daartoe is de Roerdalslenk verdeeld in vier gebieden, waarbij per gebied de diepte van het boorverbod varieert. In de omgevingsvisie wordt aangegeven dat boringen beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

In het bestemmingsplan 'Veegplan 2022' is de ligging in 'boringsvrije zone roerdalslenk zone II' opgenomen. Op grond van de daarbij van toepassing zijnde regels is het niet toegestaan om boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 30 meter beneden het maaiveld, in de grond te roeren dieper dan 30 meter beneden het maaiveld, een bodemenergiesysteem op te richten, welke dieper reikt dan 30 meter beneden maaiveld en/of boorputten op te richten wanneer de doorboorde weerstandbiedende lagen en het boorgat, van 0 tot 3 meter beneden het maaiveld, niet worden afgedicht met klei of bentoniet.

Voorliggend plan voorziet niet in het realiseren van een boorput en/of het oprichten van een bodemenergiesysteem, ook zal niet in de grond geroerd worden dieper dan 30 meter.

De ligging in de zone 'Roerdalslenk' vormt geen belemmering voor onderliggend ontwikkeling.

Instructieregels planvoorraad nieuwe woningen (stedelijk gebied)

In artikel 12.1 van de Omgevingsverordening Limburg is voorgeschreven dat bij de realisatie van één of meerdere woningen in de daartoe op te stellen motivering bij een omgevingsplan beschreven wordt dat:

  • a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;
  • b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
  • c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
  • d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring;
  • e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

Voorliggende planontwikkeling impliceert de toevoeging van twee extra woningen. Deze woningtoevoeging past binnen de algemene beleidskaders van de provincie, alsook binnen het beleid van de gemeente (zie paragraaf 4.4). Op de afstemming woningtoevoeging met de (sub)regio wordt in paragraaf 4.3 ingegaan.

Beoordeling

Voorliggend plan past binnen de provinciale regels zoals opgenomen in de OvL.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg

Op 19 november 2016 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen ingestemd met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL). De SVWZL is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de Zuid-Limburgse gemeenten.

Op grond van het geldende bestemmingsplan is ter plekke van het projectgebied één wooneenheid toegestaan. In het kader van het geldende woningbouwbeleid, zoals vastgelegd is in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) en deels nader uitgewerkt in de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' (waarop hierna nader wordt ingegaan), betekent onderhavige project een (netto) toevoeging van twee wooneenheden.

Op grond van beleidsafspraak VI van de SVWZL is voor deze netto toevoeging in beginsel compensatie vereist. Deze compensatie kan inhouden:

  • Het onttrekken van een gelijk aantal woningen als netto beoogd is;
  • Het onttrekken van bestaande plancapaciteit (1:1, 1:2 of 1:4) voor de netto toe te voegen woningen;
  • Het leveren van een financiële bijdrage in het subregionale sloopfonds.
  • Van deze compensatie kan echter ontheffing worden verleend als het bouwplan past binnen de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'.

Het actuele woningbouwbeleid is vastgelegd in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL), aangevuld met de op 28 januari 2021 door de gemeenteraad van Sittard-Geleen vastgestelde beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'.

4.3.2 Beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021'

De gemeenteraad van Sittard-Geleen heeft op 28 januari 2021 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' vastgesteld. Deze beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel 'Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'.

Op grond van de nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria:

Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde

Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties:

  • Aantoonbare verbetering van de leefbaarheid in centra en kernen;
  • Herstructurering/vervangingsbouw van woningen;
  • Hergebruik van winkels of (ander) bestaand waardevol vastgoed met passende woningbouw;
  • Aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad.

Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat.

Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar

Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is:

  • Criterium 2a: Het plan sluit aan bij de kwantitatieve behoefte
  • Criterium 2b: Het plan sluit aan bij de kwalitatieve behoefte

Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd

Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd.

Onderliggend planvoornemen ziet in op het wijzigen van een agrarische bedrijfsbestemming naar wonen en het realiseren van twee vrijstaande levensloopbestendige woningen. Hiermee zal sprake zijn van een opwaardering van de locatie en een positieve invloed op de leefbaarheid. Bovendien is sprake van een inbreidingslocatie (criterium 1).

Met het realiseren van twee extra woningen kan tegemoet worden gekomen aan huidige schaarste op de woningmarkt. Daarnaast zorgt het realiseren van twee nieuwe woningen in Buchten ervoor dat de leefbaarheid van het dorp op pijl gehouden wordt.

Uit het Woonbehoefteonderzoek Sittard-Geleen (13 oktober 2023), waarop nader wordt ingegaan in paragraaf 4.4.2, blijkt voorts dat in de gemeente overall een behoefte bestaat aan nultredenwoningen. In dit woonbehoefteonderzoek wordt geadviseerd om in te zetten op dit type woningen. Aan dergelijk woningtype is in alle prijscategorieën (tot € 280.000, tussen € 280.000 en € 355.000, en meer dan € 355.000) behoefte.

Verder wordt aangegeven dat het belangrijk is om rekening te houden met ouderen die graag in hun eigen dorp willen blijven wonen. Dit betreft de ouderen in de landelijke kernen. In het woonbehoefteonderzoek wordt geadviseerd om voor deze doelgroep geconcentreerd in kleine omvang passende woningen aan te bieden in deze dorpen. Voorliggend plan impliceert het kunnen realiseren van twee levensloopbestendige c.q. nultredenwoningen in het duurdere segment en komt daarmee tegemoet aan de in het woonbehoefteonderzoek geconstateerde woningbehoefte (criterium 2).

Onderhavige woningtoevoeging is subregionaal afgestemd. Deze Bestuurscommissie Wonen heeft ingestemd met de woningtoevoeging en de nieuwe woningen toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering (criterium 3).

4.3.3 Conclusie regionaal beleid

Het plan is passend binnen het regionale (woning)bouwbeleid. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend plan.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie 2025-2040 'Samen stad en dorp maken'

In maart 2025 heeft de gemeenteraad van Sittard-Geleen de nieuwe omgevingsvisie vastgesteld. Dit betreft een langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving waarin wordt ingegaan op onderwerpen, zoals wonen, bedrijven, infrastructuur, landschap, water, natuur en erfgoed. Daarnaast wordt in de omgevingsvisie vastgelegd hoe de gemeente bijdraagt aan maatschappelijke doelen. De omgevingsvisie vormt het kader voor beleid, initiatieven en samenwerking met inwoners, organisaties en bedrijven.

In de omgevingsvisie worden tien ambities c.q. beleidsprioriteiten uitgesproken:

  • Ruimte voor ontmoeten
  • Gezond bewegen
  • Cultuur en erfgoed
  • Goede woonkwaliteit
  • Circulaire bedrijvigheid
  • Duurzame logistiek
  • Gezondere en schonere omgeving
  • Groene wijken en dorpen
  • Water en bodem sturend
  • Verbinding tussen Heuvelland en Maasvallei

Op het gebied van wonen als opgave voor de toekomst wordt in de Omgevingsvisie 2025-2040 vermeld dat komende jaren behoefte is naar nieuwe, voornamelijk betaalbare en levensloopbestendige woningen. Zo kan het ook zijn dat er te veel niet-levensloopbestendige woningen in de gemeente zullen zijn op termijn, door de bevolkingsontwikkeling.

Op basis van de omgevingsvisie is onderhavig plangebied gelegen in de aanduiding 'Dorpen'. Binnen deze dorpen wordt onder andere ruimte geboden aan inbreiding met nieuwe woningen die voldoen aan de actuele woningbehoeften. Nieuwe woningen dienen levensloopbestendig of nultreden te worden uitgevoerd en zijn van voldoende kwaliteit en oppervlakte. Onderhavig voornemen past binnen de uitgangspunten van de gemeente zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Sprake is van het creëren van een mogelijkheid tot realisatie van twee levensloopbestendige woningen op een logische plek in Buchten (inbreiding).

4.4.2 Woningbehoefteonderzoek Sittard-Geleen (WBO)

Het woningbehoefteonderzoek Sittard-Geleen is uitgevoerd als verdieping op het woningbehoefteonderzoek voor de Westelijke Mijnstreek en de Provincie Limburg. Uit het WBO volgt dat binnen de gemeente sprake is van een afname van het aantal inwoners door natuurlijke krimp. De adviezen uit het WBO zijn:

  • Optimaliseer kwaltiatieve woningbouwprogrammering en zet nadrukkelijk in op nultredenwoningen.
  • Zet instrumenten in om betaalbare woningen te realiseren. Betaalbare woningen staan onder druk vanwege de forse prijsstijgingen. Daarnaast is het zeer lastig om voldoende betaalbare woningen te realiseren door onder andere sterk opgelopen bouwkosten.
  • Zorg voor een gedifferentieerd programma om diversiteit en leefbaarheid op gebiedstypeniveau te behouden en/of vergroten van de diversiteit en leefbaarheid door het toevoegen van kwalitatief sterke woningen.
  • Zet in op een adaptief en anticyclisch woningbouwprogramma. Hierbij gaat het om een integrale samenwerking tussen wonen, gebiedsontwikkeling, planeconomie en de corporaties.
    • 1. Voor de lange termijn gaat het om adaptief programmeren gericht op flexibiliteit om zo mee te kunnen bewegen met de ontwikkelingen op de woningmarkt.
    • 2. Voor de korte termijn gaat het om proactief programmeren gericht op doorbouwen door in te zetten op segmenten die robuust zijn (waar in alle scenario's behoefte aan is) en minder gevoelig zijn voor acute marktontwikkelingen.
  • Denk na over geclusterde woonvormen voor ouderen om doorstroming te bevorderen.
  • Monitor demografische en economische kantelpunten.
  • Benut flexibele en tijdelijke woonvormen voor korte termijn vraag.

In het WBO zijn de huishoudensontwikkelingen uiteengezet waarbij rekening is gehouden met het woonmilieu en inkomen van huishoudens. Daaruit volgt dat de behoefte bestaat aan nultredenwoningen in de huursector en in de koopsector met name voor de doelgroep ouderen. Daarnaast bestaat een overschot aan niet-toekomstbestendige koopwoningen en sociale huurappartementen zonder lift, zowel op korte als op lange termijn.

Onderliggend voornemen betreft de realisatie van twee vrijstaande levensloopbestendige woningen in Buchten. Daarmee sluit deze aan bij de doelstellingen zoals in het Woningbehoefteonderzoek Sittard-Geleen uiteengezet.

4.4.3 Beleidsregel 'Kwalitatieve woningtoevoegingen Sittard-Geleen 2024'

De gemeenteraad van Sittard-Geleen heeft op 26 november 2024 de beleidsregel 'Kwalitatieve woningtoevoegingen Sittard-Geleen 2024' vastgesteld. Het doel van deze beleidsregel is het zorgen dat nieuwe woningen van voldoende kwaliteit zijn, waarbij een minimaal oppervlak de grondslag daarvoor biedt. Uit artikel 2 van deze beleidsregel volgen de voorwaarde voor het via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit realiseren van één of meerdere woning(en):

  • de gebruiksoppervlakte van de nieuw te realiseren woning bedraagt minimaal 70 m2;
  • in een vrijstaand bijgebouw wordt geen woning gerealiseerd;
  • de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden en bouwwerken worden niet onevenredig geschaad;
  • de nabijgelegen bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering (en uitbreidingsmogelijk) beperkt;
  • op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform het geldend parkeerbeleid;
  • en van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is sprake.

Aan de eis betreffende de gebruiksoppervlakte kan het bevoegd gezag afwijken voor zover deze afwijking naar haar oordeel evenredig is en door bijzondere omstandigheden en gelet op de met de beleidsregel te dienen doelen noodzakelijk is (artikel 6 Beleidsregel). Voor de nieuwe woning gelden gelet op artikel 7 van deze beleidsregel de volgende aandachtspunten:

  • de nieuw te realiseren woning wordt zo veel mogelijk duurzaam en klimaatbestendig gerealiseerd;
  • de nieuw te realiseren woning beschikt over een buitenruimte, zoals tuin, dakterras of balkon;
  • de nieuw te realiseren woning beschikt over voldoende opslagruimte, onder andere ten behoeve van het huishoudelijk afval en de stallen van fietsen;
  • de nieuw te realiseren woning beschikt over voldoende daglichttoetreding;
  • de nieuw te realiseren woning wordt zoveel mogelijk levensloopbestendig gerealiseerd.

Onderhavig planvoornemen past binnen deze beleidsregel daar de woonpercelen groot genoeg zijn om aan de minimaal vereiste gebruiksoppervlakte te voldoen. Het minimale gebruiksoppervlakte van 70 m² wordt voorts in de regels behorende bij voorliggend plan vastgelegd. Daarbij komt dat de belangen van de eigenaren/gebruikers van nabijgelegen gronden niet geschaad zullen worden. Verder bevinden zich geen bedrijven in de directe omgeving van het plangebied.

Betreffende de aandachtspunten geldt dat de duurzaamheid in het Bbl wordt geregeld. Aan de regels uit paragraaf 4.4 van het Bbl dienen de woningen te voldoen als daarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd wordt. De percelen hebben aan de voor- en achterzijde voldoende buitenruimte. Ook bieden de percelen de mogelijkheid om aan de andere aandachtspunten te voldoen, maar hiervoor kan nog geen concrete invulling aan gegeven worden gelet op de aard van onderhavig voornemen. Dat de woningen levensloopbestendig gerealiseerd worden, wordt in de regels behorende bij voorliggend plan gewaarborgd.

De eis betreffende parkeergelegenheid zal behandeld worden als onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in Hoofdstuk 5.

4.4.4 Conclusie gemeentelijk beleid

Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat onderhavige planontwikkeling niet strijdig is met dit beleid.

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving

Bij de realisering van een plan moet rekening worden gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voor onderhavig plan relevante aspecten.

5.1 Bodemkwaliteit

5.1.1 Algemeen

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid i Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

5.1.2 Beoordeling

Voorliggend plan voorziet in het realiseren van twee woningen, hierdoor worden nieuwe verblijfsruimten toegevoegd. Daarnaast is sprake van een planologische functiewijziging. In dat kader is ten behoeve van het plan een bodemonderzoek uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1. Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:

  • Ter plekke van boring 08 is een sterk met zink verontreinigde bodemlaag aangetroffen. In dat verband is plaatselijk nader bodemonderzoek (boring 08) vereist om deze laag in beeld te kunnen brengen;
  • Ter plaatse van de drupzone is sprake van een sterk met asbest en PCB verontreinigde strook die dient te worden gesaneerd. Voorafgaand aan sanering van deze strook dient een MBA-melding (graven > I) te worden ingediend. Mogelijk in aanvulling met een MBA-melding graven < I;
  • Sprake is van overige lichte overschrijdingen in de bovengrond (klasse industrie grond) waartoe het aan het bevoegd gezag is om te oordelen of verwijdering van deze bodemlagen doelmatig is;
  • De ondergrond van de locatie kan ondanks lichte overschrijdingen als klasse Landbouw/Natuur worden gekwalificeerd;
  • Uit de resultaten van het PFAS-onderzoek blijkt, dat voornoemde stoffen geen invloed hebben op de uiteindelijke kwalificatie van de grond.
5.1.3 Conclusie bodemkwaliteit

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan, míts het nadere onderzoek naar de zinkverontreiniging heeft plaatsgevonden en deze verontreiniging is gesaneerd én indien de drupzone is gesaneerd. Deze acties dienen te zijn uitgevoerd alvorens omgevingsvergunning kan worden verleend op grond van voorliggend plan.

5.2 Geluid

5.2.1 Algemeen

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).

In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten.

5.2.2 Beoordeling

Bij voorliggend plan is sprake van het realiseren van geluidgevoelige objecten. Daarnaast is sprake van de ligging in een geluidaandachtsgebied van industrie. Ten behoeve van onderhavig plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2. Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:

  • Het geluid ten gevolge van het wegverkeer op de gemeentewegen overschrijdt de standaardwaarde van 53 dB op geen enkele gevel van de woningen;
  • De maximale geluidbelasting vanwege het industrieterrein ‘Holtum-Noord’ op beide woningen is 52 dB(A) bij een standaardwaarde van 50 dB(A). Derhalve dient een hogere waarde verleend te worden;
  • Uit de resultaten van de gecumuleerde geluidbelasting blijkt dat bij geen enkel beoordelingspunt sprake is van een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 55 dB. Hieruit kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Op grond van vorenstaande behoeft geen nader akoestisch onderzoek uit te worden gevoerd, doch is vanwege de geluidbelasting van het industrieterrein 'Holtum-Noord' een hogere waarde aangevraagd en verleend.

5.2.3 Conclusie geluid

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

5.3 Bedrijvigheid

5.3.1 Algemeen

Bij een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en (waar mogelijk) te bevorderen. Bij de milieuzonering kan gebruik worden gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) vervaardigde nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering (2024)'. In tegenstelling tot de eerdere VNG-uitgave(n) wordt niet meer gebruikgemaakt van zones met oplopende milieucategorieën en een Lijst van activiteiten, echter gaat de nieuwe handreiking uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. Deze nieuwe systematiek sluit beter aan bij de integratie van ruimte en milieu onder de Omgevingswet.

5.3.2 Beoordeling

Op de ligging van onderhavige planlocatie in de 'geluidzone - industrie' is reeds ingegaan in paragraaf 5.2.2. Ten opzichte van onderhavige planlocatie is sprake van diverse bestaande bedrijvigheid in de directe omgeving die van invloed kan zijn op het plan. Dit betreft o.a. 'Huisartsenpraktijk Buchten' (Kerkvonderen 5), frituur 'Frietje Van Roswietje Buchten' (Dorpstraat 48), en 'Dave Vorstermans Auto - Meubelbekleding' (Spoorstraat 15). Gelet op de afstanden (tenminste 35 meter) tussen onderhavig plangebied en deze bestaande bedrijvigheid, en het feit dat ten opzichte van genoemde bedrijvigheid reeds bestaande (maatgevende) woningen dichterbij zijn gelegen, is geen sprake van belemmeringen vice versa.

5.3.3 Conclusie bedrijvigheid

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bedrijvigheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

5.4 Kwaliteit van de buitenlucht

5.4.1 Algemeen

Bij een evenwichtige toedeling van functies dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.

Een afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

5.4.2 Beoordeling

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect.

In artikel 5.54 Bkl is een opsomming gegeven van standaardgevallen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie.

Eén van de standaardgevallen die NIBM bijdragen is de realisatie tot 1.500 woningen, ontsloten via één ontsluitingsweg. Bij voorliggend plan is geenszins sprake van een plan van dergelijke omvang, waardoor gesteld kan worden dat het realiseren hiervan NIBM bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Vorenstaande kan worden gestaafd met de NIBM-tool, waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kunnen worden. Dit rekenmodel toont aan dat (in rekenjaar 2025) tot 1.918 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 3% vrachtverkeer. Onderliggend plan gaat niet gepaard met een dergelijk aantal verkeersbewegingen.

5.4.3 Conclusie kwaliteit van de buitenlucht

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

5.5 Omgevingsveiligheid

5.5.1 Algemeen

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Daarbij speelt ook omgevingsveiligheid een rol.

Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.

De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.

Groepsrisico

Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit.

5.5.2 Beoordeling

Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Daaruit blijkt dat het plangebied gelegen is binnen zowel het gifwolkaandachtsgebied als het explosieaandachtsgebied van risicovolle bronnen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0014.jpg"

Uitsnede Atlas Leefomgeving met aanduiding plangebied

Onderliggend planlocatie bevindt zich op circa 130 meter afstand van het Julianakanaal. Over het kanaal vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied bevindt zich in het aandachtsgebied van het transport van toxische vloeistoffen en/of toxische gassen over het kanaal. Het transport van toxische stoffen kan leiden tot gifwolkscenario's. De planlocatie bevindt zich in het gifwolkaandachtsgebieden (GAG).

Binnen een GAG gelden voor nieuwbouw generieke bouweisen ter bescherming tegen gifwolken, zoals het uit kunnen schakelen van een mechanische ventilatievoorziening en het kunnen kiezen van het meest geschikte ventilatiesysteem.

Ten aanzien van een toxisch scenario wordt in het kader van zelfredzaamheid geadviseerd om naar binnen te gaan, te schuilen tot de lekkage is gestopt en metingen van de hulpdiensten uitwijzen dat de luchtwaardes veilig zijn. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat de luchttoevoer van buitenaf volledig kan worden afgesloten en dat ramen en deuren gesloten blijven. Als hieraan voldaan wordt kan in een goed afgesloten gebouw de concentratie van giftige stoffen relatief laag worden gehouden.

Onderhavig planvoornemen betreft het realiseren van twee woningen, waarbij geen sprake is van een significante toename van de personendichtheid. Voorts zal bij vergunningverlening voor de twee nieuwe woningen rekening moeten worden gehouden met de vereisten voor het ventilatiesysteem. Specifiek onderzoek naar de externe veiligheid behoeft ten behoeve van voorliggende planontwikkeling niet te worden verricht.

5.5.3 Conclusie omgevingsveiligheid

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

5.6 Cultureel erfgoed

5.6.1 Algemeen

In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
5.6.2 Beoordeling
5.6.2.1 Archeologie

Op grond van het ter plekke geldende bestemmingsplan 'Born - Buchten - Holtum' geldt ter plekke van de planlocatie de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. De regels van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' schrijven archeologisch onderzoek voor bij bodemverstoring dieper dan 30 centimeter en met een groter oppervlak dan 100 m2. Bij de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' schrijven de regels archeologisch onderzoek voor bij bodemverstoring dieper dan 30 centimeter en met een groter oppervlak dan 500 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0015.jpg"

Uitsnede archeologische verwachtingskaart met aanduiding plangebied


Gelet op vorenstaande is ten behoeve van het plan een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. Op grond van het verrichte onderzoek is gebleken dat sprake is van een hoge archeologische verwachting en dat deze hoge verwachting blijft gehandhaafd. Indien bij de realisatie van de woningen rekening wordt gehouden met de volgende uitgangspunte, is archeologisch vervolgonderzoek middels niet aan de orde:

  • de woningen worden niet onderkelderd;
  • er wordt geen grondverbetering toegepast;
  • de woningen worden gefundeerd op een lichte fundering op smalle funderingssleuven;
  • de huisaansluitingen van de riolering en nutsvoorzieningen worden in één smalle kabel- en leidingsleuf gelegd.

Indien rekening wordt gehouden met bovenstaande uitgangspunten, blijft de bodemverstoring beperkt en is geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Bij voorliggend plan zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' opnieuw vastgelegd.

5.6.2.2 Overig cultureel erfgoed

Van overig cultureel erfgoed (monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, e.d.) is ter plekke van onderhavig plangebied geen sprake.

5.6.3 Conclusie cultureel erfgoed

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'cultureel erfgoed' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.7 Verkeer en parkeren

5.7.1 Algemeen

Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.

5.7.2 Beoordeling
5.7.2.1 Verkeersstructuur

Ten behoeve van de ontsluiting van de twee nieuwe woonpercelen zullen nieuwe in-/uitritconstructies moeten worden gemaakt op de openbare weg c.q. de Schuttersdreef.

Als gevolg van voorliggend plan neemt het aantal verkeersbewegingen toe. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers 2024'. Wanneer voor een bepaald gebied bekend is hoeveel woningen er worden gebouwd, is op basis van vuistregels globaal de verkeersgeneratie per etmaal te berekenen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt met de stedelijkheidsgraad en naar ligging in de stedelijke zone.

Onderliggend plangebied ligt in de rest bebouwde kom. Volgens de 'Parkeerkencijfers 2024' wordt voor een vrijstaand huis, gelegen in de zone 'niet stedelijk' uitgegaan van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Voor onderhavig voornemen betekent dit een toename van 2 x 8,6 mvt/etm = 17,2 mvt/etm. Er is sprake van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen.

Sprake is slechts van een marginale toename van het aantal verkeersbewegingen, die zonder problemen kan worden opgevangen op het bestaande wegennet. Ten gevolge van voorliggend plan behoeven geen problemen te worden verwacht in de verkeersstroming, -afwikkeling en -veiligheid.

5.7.2.2 Parkeren

Op grond van de gemeentelijke parkeernormen 'Nota Parkeernormen Sittard-Geleen Parkeernormensystematiek', zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Sittard-Geleen en geldend vanaf 9 mei 2012, dient er te worden voldaan aan het geldend parkeerbeleid van de gemeente Sittard-Geleen. Als gevolg van voorliggend plan dient rekening te worden gehouden met de volgende parkeerbehoefte: deze is voor een woning in de rest bebouwde kom minimaal 1,7. Deze parkeerbehoefte dient op eigen terrein te worden opgevangen.

De percelen van onderhavig planvoornemen zijn afdoende groot om op eigen terrein te kunnen voorzien in parkeergelegenheid voor twee parkeerplaatsen. Situering hiervan op het perceel kan pas worden bepaald indien de bouwplannen voor de woningen zijn geconcretisserd.

5.7.3 Conclusie verkeer en parkeren

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.8 Water en watersystemen

5.8.1 Algemeen

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:

  • Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl);
  • IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl).

Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.

Nationaal Water Programma 2022-2027

In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein:

  • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering:
  • Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte;
  • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.

Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.

Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027

Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:

  • Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas;
  • Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek;
  • Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen.

De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend.

Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.

Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027

Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet.

Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:

  • Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas;
  • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden;
  • Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht;
  • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.

Overstromingskaarten regionaal watersysteem

Door klimaatverandering zal de kans op extreme buien, regenwateroverlast en overstromingen toenemen. Het is belangrijk om vooruit te kijken en nu al rekening te houden met toekomstige klimaatontwikkelingen. Waterschap Limburg heeft daarom in opdracht van programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg (WRL) overstromingskaarten opgesteld.

Voor deze kaarten is vooruitgekeken naar het jaar 2100 en de risico's die we in dat jaar op basis van klimaatverandering verwachten.

De kaarten geven inzicht op welke plekken overstromingen kunnen ontstaan door extreme neerslag (pluviale overstromingen) of piekafvoeren in de beken (fluviale overstromingen). Ze geven ook inzicht in de risico's op schade voor bebouwing en veiligheidsrisico's zoals gevaar voor voertuigen en mensen op staat of instortingsgevaar van gebouwen.

Uitgangspunt is een situatie die in 2100 eens per 100 jaar kan voorkomen (jaarlijkse kans is 1%). In het huidige klimaat is de kans op zulke overstromingen kleiner en komt dit gemiddeld eens per circa 500 jaar voor. Dit beeld is ongeveer vergelijkbaar met wat in juli 2021 in Valkenburg is gebeurd.

Met betrekking tot de projectlocatie zijn de volgende beschikbare overstromingskaarten geraadpleegd:

  • Waterdiepte bij fluviale overstroming;
  • Waterdiepte bij pluviale overstroming;
  • Waterveiligheid bij fluviale overstroming;
  • Waterveiligheid bij pluviale overstroming.
5.8.2 Beoordeling

Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig plangebied wordt hierna uiteengezet.

Overstromingsrisico regionaal watersysteem

Uit raadpleging van de kaarten blijkt dat ter plaatse van het voorziene bouwvlak geen risico op overstromingen bestaat. Aan de achter- en voorzijde van het plangebied bestaat een beperkt risico (20 - 50 centimeter) met betrekking tot waterdiepte bij pluviale overstromingen, voornamelijk ter plekke van het meest westelijke nieuwe woonperceel. De gevaarzetting is geklassificeerd als 'Kleine voertuigen kunnen afdrijven (onveilig voor personen in de voertuigen en mensen op straat)'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0016.png"

Uitsnede overstromingskaart 'waterdiepte bij pluviale overstroming'

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0017.png"

Uitsnede overstromingskaart 'waterveiligheid bij pluviale overstroming'

Door bij het te kiezen bouwpeil van de nieuwe woning(en) rekening te houden met de informatie uit de overstromingsrisicokaarten, kunnen negatieve gevolgen bij pluviale overstromingen worden voorkomen.

Afvalwater

Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de bestaande aansluiting van de gemeentelijke riolering van de gemeente. Vanuit milieuhygiénisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.

Hemelwater 

Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem.

Het hemelwater dat valt op de nieuwe dakverharding dient op het eigen perceel te worden opgevangen. De gemeente hanteert voor woningen een infiltratiecapaciteit van 50 mm/m2 en voor projecten van meer dan 300 m² een infiltratiecapaciteit van 80 mm/m2.

Voorliggende planontwikkeling ziet op het kunnen realiseren van twee woonkavels. Gelet op de grootte van de op te nemen bouwvlakken (15 * 12) en het mogelijke oppervlak aan (vergunningvrije) bijbehorende bouwwerken (circa 90 m²) bedraagt het theoretisch maximale totale dakoppervlak 270 m². Dit oppervlak impliceert een hoeveelheid op eigen terrein af tehandelen hemelwater van (270 m² * 50 mm) 13,5 m³.

Concretisering (dimensionering, soort voorziening, situering) van dergelijke voorziening is aan de orde bij uitwerking van de (separate) vergunningaanvragen voor de twee nieuwe woningen. Per woonperceel is afdoende fysieke ruimte beschikbaar om te kunnen voorzien in een adequate hemelwatervoorziening.

5.8.3 Conclusie water en watersystemen

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water en watersystemen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.9 Natuur en landschap

5.9.1 Algemeen

Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren:

  • óf er soorten aanwezig zijn;
  • en indien aanwezig, welke soorten dat zijn.

Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Gebiedsbescherming

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

5.9.2 Beoordeling

Flora en fauna

Onderliggend plangebied voorziet in het realiseren van twee woningen ter plekke van de grotendeels onbebouwde percelen. Ter plekke is sprake van een vervallen schuur, grasland en zijn enkele bomen aanwezig. Hierdoor is de kans aanwezig dat er beschermde dier- en/of plantensoorten aanwezig zijn. Het slopen van de schuur met de beplanting en het realiseren van twee woningen kan mogelijk een verstorend effect hebben.

Ten behoeve van onderhavig plan is een quickscan verricht naar eventuele aanwezigheid van beschermde soorten flora en/of fauna. De rapportage van deze quickscan is bijgevoegd als Bijlage 4. Op grond van de quickscan zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:

  • Uit de quickscan kan uitgesloten worden dat de voorgenomen rooi-, sloop- en bouwwerkzaamheden een negatieve invloed hebben op beschermde soorten.
  • Ondanks het ontbreken van geschikte voortplantingswater en habitat voor de rugstreeppad en vroedmeesterpad, wordt geadviseerd om tijdelijke plassen en poelen te voorkomen gedurende de werkzaamheden. Dit ter voorkomen van het afzetten van eieren in deze tijdelijke plassen.
  • Vanwege het rooien aanwezige bomen, die als nestgelegenheid kunnen worden gebruikt, dienen werkzaamheden buiten het broedseizoen ( 15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden, indien dit geen optie is zal een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden.
  • Men dient zich aan de zorgplicht houden, vanwege het kunnen voorkomen van vrijgestelde en/of algemenere soorten. Hierbij wordt geadviseerd om een ecologisch werkprotocol aan te houden, zoals het vastleggen van één werkrichting zodat dieren kunnen wegvluchten van de werkzaamheden. Hierbij moet de vluchtrichting wel naar een realistisch vluchtgebied leiden.
  • Gedurende de ontwerpfase kunnen de woningen meer natuurwaarde bieden door te denken aan "natuurinclusief" bouwen. Voorbeelden hiervan zijn ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen.

Specifiek ten aanzien van de das wordt nog het volgende overwogen. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen burchten of vluchtpijpen waargenomen, waardoor verblijfsplaatsen van de soort zijn uit te sluiten. Het is mogelijk dat de das zou kunnen foerageren op de locatie, echter gezien de ligging en grootte van de onderzoekslocatie én het agrarisch gebied (wat geschikt foerageergebied biedt) ten oosten van de locatie kan worden uitgesloten dat hier sprake is van essentieel foerageergebied. Ook zijn tijdens het veldbezoek geen sporen (prenten, fecaliën, neus- en mestputjes, wissels) waargenomen wat kan wijzen op gebruik van de locatie als foerageergebied of migratieroute door de das

Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Onderhavig plangebied is op circa 1,72 kilometer afstand ten opzichte van Natura2000 gebieden gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0018.jpg"

Ligging plangebied t.o.v. Natura2000 gebieden

Ten behoeve van voorliggend plan is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5 bij voorliggende motivering.

Uit de berekeningen is gebleken dat geen sprake is van negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden ten gevolge van stikstof. Zodoende bestaat geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura2000 gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.

In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.

Onderhavig plangebied is niet gelegen in het Limburgse deel van het Natuurnetwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0019.jpg"

Ligging plangebied t.o.v. natuurnetwerk

5.9.3 Conclusie natuur en landschap

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'natuur en landschap' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.10 Kabels, leidingen en vrijwaringszones

5.10.1 Algemeen

Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen van de aanwezigheid van kabels, leidingen en vrijwaringszones inzichtelijk te worden gemaakt.

5.10.2 Beoordeling

Door het plangebied lopen geen boven- dan wel ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.

5.10.3 Conclusie kabels, leidingen en vrijwaringszones

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kabels, leidingen en vrijwaringszones' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.11 Duurzaamheid en klimaat

5.11.1 Algemeen

Duurzaamheid

Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.

Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.

Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.

Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen;

  • Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen;
  • Natuurinclusief bouwen.

Klimaat

Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.

In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte. 

Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.

5.11.2 Beoordeling

Bij nadere concretisering voorliggend bouwplan wordt voldaan aan de voorwaarden voor duurzaamheid bij verbouw zoals deze zijn voorgeschreven in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

5.11.3 Conclusie duurzaamheid en klimaat

Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat bij voorliggend plan rekening wordt gehouden met het aspect 'duurzaamheid en klimaat' en dat dit aspect geen belemmeringen impliceert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Participatie en omgevingsdialoog

6.1.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen.

Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.

Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan:

Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een plan of activiteit.

Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder plan of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.

Het participatieproces bij het aanvragen van een omgevingsvergunningen (BOPA) kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.

6.1.2 Participatiebeleid gemeente Sittard-Geleen

De gemeente Sittard-Geleen heeft beleid opgesteld over participatie in de Participatieverordening Sittard-Geleen 2023. In deze verordening zijn de regels over participatie binnen de gemeente Sittard-Geleen evenals de Leidraad Doorontwikkeling Participatie, het Participatiekader 2023 Sittard-Geleen en Participatie initiatiefnemers Omgevingswet Sittard-Geleen. De Leidraad Doorontwikkeling Participatie en het Participatiekader 2023 Sittard-Geleen geven het kader van participatie bij initiatieven door de gemeente zelf. De Participatie initiatiefnemers Omgevingswet Sittard-Geleen geeft beleidsregels voor initiatiefnemers.

Uit de Participatie initiatiefnemers Omgevingswet Sittard-Geleen volgt dat de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk is voor het zo vroeg mogelijk betrekken van belanghebbenden. De initiatiefnemer kan zelf het doel en proces van de participatie bepalen. Daarbij wordt gestimuleerd om de hiervoor genoemde kaders te gebruiken.

In principe mag het niet volgen van participatie geen reden zijn om een vergunningaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit is anders als sprake is van verplichte participatie. De gemeenteraad van Sittard-Geleen heeft bepaald dat bij alle vergunningaanvragen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot het bouwen van gebouwen en/of activiteiten met betrekking tot wijziging van gebruik hiervan participatie verplicht is. De stappen voor participatie zijn:

  • 1. QuickScan intensiteit participatie. Uit de QuickScan volgt wat het gewenste participatielevel is. De levels zijn:
    • a. Level 0 - informeren en raadplegen. Dit level speelt bij initiatieven die niet of nauwelijks impact hebben op de samenleving.
    • b. Level 1 - beperkte participatie. Dit level speelt bij initiatieven die weinig impact hebben op de omgeving.
    • c. Level 2 - participatie. Dit level speelt bij initiatieven die een gemiddelde impact hebben op de omgeving. Bij dit level worden de directe omgeving en andere initiatiefnemers om advies gevraagd en mogen ze meedenken over het initiatief.
    • d. Level 3 - veel participatie. Dit level speelt bij initiatieven met veel impact op de omgeving.

Enkel als sprake is van level 0 hoeven de volgende stappen niet doorlopen te worden. Deze QuickScan dient bij de aanvraag aangereikt te worden.

  • 2. Vooroverleg met de gemeente.
    Bij onverplichte participatie wordt het vooroverleg gebruikt om de initiatiefnemer te stimuleren de uitgangspunten te gebruiken. Bij verplichte participatie wordt het vooroverleg gebruikt om toe te lichten hoe de gemeente gaat toetsten. De begeleiding vindt hierbij plaats via een vaste contactpersoon met wie de juiste aanpak besproken te worden.
  • 3. Voorbereiding door middel van het opstellen van een plan van aanpak waarin de gekozen aanpak gemotiveerd wordt.
  • 4. Uitvoering waarna bij voorkeur een participatieverslag opgesteld wordt.
6.1.3 Omgevingsdialoog

Bij onderhavige planontwikkeling is sprake van het realiseren van een bouwkavel ten behoeve van het kunnen realiseren van een nieuwe woning. Ten behoeve van het plan is de participatiescan van de gemeente ingevuld; zie figuur hierna.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0020.png" Participatiescan

In het kader van voorliggende wijziging van het omgevingsplan zijn de vier direct omwonenden geïnformeerd en is gevraagd om hun reacties. Er zijn twee reacties ingekomen; deze zijn hierna opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0021.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01_0022.png"

Reacties omgevingsdialoog

De ingekomen reacties zijn positief, waarbij aandacht is gevraagd voor te kiezen materialisering en voldoende parkeergelegenheid. Bij de op grond van voorliggend TAM-omgevingsplan te verlenen concrete omgevingsvergunningen voor de te bouwen woningen zullen deze worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand, waarbij o.a. materialisering wordt getoetst. Voorts geldt op grond van de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan dat in het kader van de te verlenen omgevingsvergunning moet worden voorzien in afdoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

6.1.4 Zienswijze

Het ontwerp-TAM-Omgevingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen bij de gemeente Sittard-Geleen. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingekomen.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

6.2.2 Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

Anterieure overeenkomst

Als sprake van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot de verlening van de BOPA en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.

Publiekrechtelijk kostenverhaal

Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal:

  • 1. Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow)
  • 2. Organische gebiedsontwikkeling, zónder tijdvak (artikel 13.15 Ow)

Rekening houdend met onderhavige ontwikkeling, zijnde het doorvoeren van een functiewijziging, ontstaan geen verhaalbare kosten waardoor het sluiten van een anterieure overeenkomst of het vaststellen van een exploitatieplan niet aan de orde is.

6.2.3 Financiële bijdragen

Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving.

In het kader van deze wijziging van het omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde.

6.2.4 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:

  • het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan),
  • een omgevingsvergunning,
  • een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
  • rechtstreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:

  • het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
  • het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.

De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.

Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.

Met betrekking tot onderhavig planvoornemen zal in het kader van nadeelcompenstatie een nadeelcompensatieovereenkomst worden afgesloten tussen gemeente Sittard - Geleen en de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 7 Artikelsgewijze toelichting

7.1 TAM-Omgevingsplan

7.1.1 Algemeen

Een TAM-Omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat de gemeente het Omgevingsplan volledig in STOP (Standaard voor officiële publicaties) kan opstellen. Het TAM-Omgevingsplan wordt later ondergebracht in STOP. Het TAM-Omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-Omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie.

Een TAM-Omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TP) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-Omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-Omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het Omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-Omgevingsplan begint met ‘TAM-omgevingsplan’ gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam.

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-Omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-Omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden.

7.1.2 Uitwerking in de regels

Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Kerkrade van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Kerkrade. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Born - Buchten - Holtum' leidend. Voor het opstellen van onderhavig TAM-Omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Born - Buchten - Holtum'.

Via dit TAM-Omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-Omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-Omgevingsplan voorkomen.

De regels van het TAM-Omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken met, namelijk 'Inleidende regels' (Hoofdstuk 1) met daaraan voorafgaand een preambule, 'Regels voor functies en activiteiten' (Hoofdstuk 2), 'Algemene regels' (Hoofdstuk 3) en 'Overgangsregels' (Hoofdstuk 4). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.

Preambule
In de preambule is opgenomen dat het TAM-Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

Inleidende regels (hoofdstuk 1)
De algemene bepalingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-Omgevingsplan. Deze algemene bepalingen omvatten begripsbepalingen, het toepassingsbereik en meet- en rekenbepalingen.

Functies en activiteiten (hoofdstuk 2)
In Hoofdstuk 2 van het TAM-Omgevingsplan is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. De in de regels opgenomen functies en activiteiten zijn in paragraaf 7.1.3 nader toegelicht.

Algemene regels (hoofdstuk 3)
In Hoofdstuk 3 van het TAM-Omgevingsplan bevat de algemene regels die van toepassing zijn op het plangebied zoals de algemene aanvraagvereisten, algemeen verbod bouwactiviteiten, anti-dubbeltelregel en algemene bouwregels.

Overgangsregels (hoofdstuk 4)

In Hoofdstuk 4 van het TAM-Omgevingsplan zijn overgangsregels opgenomen die betrekking hebben op 'bouwwerken' dan wel 'gebruik'.

7.1.3 Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 van het TAM-Omgevingsplan zijn de volgende functies en activiteiten opgenomen welke binnen het plangebied zijn toegestaan.

In Hoofdstuk 2 van dit TAM-Omgevingsplan zijn de volgende functies opgenomen welke zijn toegestaan binnen het plangebied.

Tuin

Deze functie heeft betrekking op de voortuin van de woningen gelegen binnen de functie 'Wonen'. Daarnaast is deze functie bedoeld voor water en voorzieningen ten behoeve van waterhuishouding, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Binnen deze functie kunnen ook bij de woning behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda's en afdaken gebouwd worden mits voldaan wordt aan de in de regels opgenomen bepalingen.

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen gebouwd worden. Dit betekent dat het verboden is om gebouwen te bouwen. Van dit verbod kan afgeweken worden als voldaan wordt aan de beoordelingsregels voor de binnenplanse omgevingsplanactiviteit behorende bij deze functie. Verder zijn bij de beoordelingsregels regels opgenomen inzake de percentageregeling en over bestaande afmetingen, afstanden en percentages.

Wonen

De op de verbeelding met 'Wonen' aangegeven gronden zijn bedoeld voor wonen. Daarnaast is deze functie bedoeld voor erven, water en voorzieningen ten behoeve van waterhuishouding en nutsvoorzieningen. Hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen deze functie gebouwd worden mits ze toebehoren tot wonen, erven, water en voorzieningen ten behoeve van waterhuishouding en nutsvoorzieningen.

Middels een omgevingsvergunning kan bij deze functie, onder voorwaarden, de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of een aan huis gebonden bedrijf toegestaan zijn. Dit dient via een aanduiding op de verbeelding weergegeven te worden. Daarnaast kan middels een omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk toegestaan worden.

Voor de bebouwing geldt dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen de bouwvlakken mogen worden gebouwd, waarbij de voorgevel in de voorste bouwgrens moet worden gebouwd. Daarbij is opgenomen dat binnen het TAM-omgevingsplan uitsluitend een nultreden-/levensloopbestendige woning is toegestaan en de minimale gebruiksoppervlakte van de woning 70 m² dient te bedragen. De goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. De overige bebouwingsregels zijn in de regels bij deze functie opgenomen.

Waarde - Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 3

Binnen deze functies zijn gronden opgenomen waar archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel worden verwacht. Om die bestemming zeker te stellen is een omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden opgenomen.

Het onderscheid tussen deze 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' is gelegen in het oppervlakte en diepte van de aantasting. Deze is 100 m2 respectievelijk 30 cm bij de functie 'Waarde - Archeologie - 2' en 500 m2 respectievelijk 30 cm bij de 'Waarde - Archeologie 3'. Bij een grotere of diepere aantasting is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

7.2 Procedure

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.

  • 1. Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
  • 2. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-Omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen.
  • 3. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) Omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit besluit.
  • 4. Inwerkingtreding: het gewijzigde Omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.
  • 5. Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het Omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.