direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Schuttersdreef ong. Buchten
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01

Regels

Preambule:
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het duurzaam beëindigen van een agrarische bedrijfslocatie aan de Dorpstraat 40 te Buchten, en het toevoegen van twee vrijstaande levensloopbestendige woningen op het daarbij behorende perceel gesitueerd aan de Schuttersdreef. Dit TAM-omgevingsplan vormt juridisch gezien een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22C) van het Omgevingsplan van de gemeente Sittard-Geleen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, eerste lid jo. tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het Omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

Voor dit op omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) geldt:

  • Hoofdstukken moeten worden gezien en gelezen als paragrafen van Hoofdstuk 22C van het Omgevingsplan gemeente Sittard-Geleen. Hoofdstuk 1 moet worden gezien en gelezen als paragraaf 22C.1, hoofdstuk 2 als paragraaf 22C.2, etc.
  • Voor de in dit deel opgenomen artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie direct vóór het artikelnummer '22C' worden gelezen. Artikel 1 moet dus gezien en lezen worden als artikel 22C.1, artikel 22C.2, etc.
  • Voor de in dit deel opgenomen bijlage bij de regels moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct vóór het nummer 1 '22C' gelezen worden. Bijlage 1 bij de regels van het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet daarom worden gelezen als Bijlage 22C.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat om regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Schuttersdreef ong. Buchten, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/.

Artikel 2 Toepassing begrippen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij daarvan in Artikel 3 is afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in Artikel 2 de volgende begripsbepalingen:

3.1 TAM-Omgevingsplan

het TAM-Omgevingsplan "TAM-omgevingsplan Schuttersdreef ong. Buchten" met identificatienummer NL.IMRO.1883.TAMOPschuttersdron-VA01.

3.2 Omgevingsplan:

het Omgevingsplan van de gemeente Sittard-Geleen met identificatienummer /akn/nl/act/gm1883/2020/omgevingsplan.

3.3 aan huis gebonden bedrijf

een bedrijf, gericht op het beroepsmatig verlenen van diensten en zorg of het uitoefenen van (ambachtelijke) bedrijvigheid door middel van handwerk, dat door de bewoner(s) van een woning in of vanuit die woning of bijbehorend bijgebouw dan wel, in geval van een meergezinswoning of bovenwoning vanuit de begane grondverdieping van een gebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt.

3.4 aan huis gebonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, zakelijk, maatschappelijk, juridisch, (para)medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend of kunstzinnig of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door de bewoner(s) van een woning in of vanuit die woning of bijbehorend bijgebouw dan wel, in geval van een meergezinswoning of bovenwoning, vanuit de begane grondverdieping van een gebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt, een kapsalon hieronder begrepen.

3.5 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

3.6 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

3.7 afhankelijke woonruimte:

een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt me de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest is.

3.8 ander werk:

een werk, geen gebouw zijnde, of werkzaamheid.

3.9 archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

3.10 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde.

3.11 bebouwingspercentage:

de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op een bouwperceel dan wel binnen een functievlak of bouwvlak, zoals nader bepaald in de regels, in procenten van de oppervlakte van dat bouwperceel, functievlak respectievelijk bouwvlak.

3.12 bedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen.

3.13 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

3.14 bijgebouw (inclusief aan- en uitbouw):

een al dan niet vrijstaand gebouw, dat door zijn constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel staand hoofdgebouw.

3.15 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en vergroten van een bouwwerk.

3.16 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

3.17 bouwlaag:

een boven het peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

3.18 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

3.19 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

3.20 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

3.21 calamiteit:

een onvermijdelijk, eenmalig, buiten de schuld van de eigenaar en/of gebruiker van het bouwwerk veroorzaakt onheil. Van een calamiteit is in ieder geval geen sprake bij tenietgaan (mede) door slecht onderhoud.

3.22 carport:

een overdekte stallingsgelegenheid voor auto's met niet meer dan twee wanden.

3.23 consumentverzorgende (ambachtelijke) dienstverlening:

een met detailhandel vergelijkbare functie voor het verrichten van diensten gericht op consumentverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk, zoals kapper, schoonheidsinstituut, schoenmaker, goudsmid, nagelstudio, pruikenmaker, hoedenmaker, (muziek)instrumentenmaker, pottenbakker, kledingmaker en fotograaf en dergelijke. Ondergeschikte detailhandel in producten samenhangend met de ter plaatse uitgeoefende ambachtelijke bedrijvigheid dan wel in ter plaatse vervaardigde goederen is toegestaan.

3.24 dak:

constructie van een gebouw, vlak of hellend, waarmee het gebouw is afgedekt en waarop de dakbedekking is aangebracht.

3.25 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder uitstallen ten verkoop, verkopen en/of (af)leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik en/of verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van beroeps- of bedrijfsactiviteiten.

3.26 dienstverlenend bedrijf/zakelijke dienstverlening

een kantoor of een bedrijf met een publieksgerichte functie dat in hoofdzaak is gericht op het ter plaatse bedrijfsmatig verlenen van diensten aan of ten gerieve van bedrijven/personen, zoals een voorlichtings-, advies, reis, en uitzendbureau, een makelaars- en/of verzekeringskantoor of bank.

3.27 eengezinswoning:

een complex van ruimten dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van één huishouden.

3.28 entreeportaal:

een uitbouw of ruimte direct vóór de ingang van een gebouw, die een vergrote toegang biedt.

3.29 erf:

een al of niet omheind stuk grond, in ruimtelijk opzicht direct behorende bij, in functioneel opzicht ten dienste van en in feitelijk opzicht direct aansluitend aan een woning of een ander gebouw, waarop ingevolge de regels van het TAM-Omgevingsplan geen hoofdbebouwing is toegestaan en dat in beginsel behoort tot de kavel(s) waarop de woning of het andere gebouw is geplaatst, zoals dat blijkt uit de kadastrale gegevens.

3.30 erker:

een uitbreiding van het hoofdgebouw op de begane grond, geen afzonderlijke ruimte zijnde, waarvan de functie overeenkomt met de functie van het hoofdgebouw.

3.31 functiegrens:

de grens van een functievlak;

3.32 functievlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

3.33 gebouw:

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.34 gebruiken:

het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven.

3.35 hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of afmetingen dan wel gelet op de functie als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken.

3.36 horeca:

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse, waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek of het gelegenheid geven tot dansen ene wezenlijk onderdeel kunnen vormen, alsmede het bedrijfsmatig verstrekken van logies.

3.37 huishouden:

de bewoning van een woning door:

  • a. een persoon;
  • b. meerdere personen in de vorm van een samenlevingsverband, niet zijnde kamerverhuur.
3.38 kamerverhuur:

de bedrijfsmatige verhuur van onzelfstandige woonruimten binnen een bestaand (woon)gebouw, niet bestemd voor recreatieve bewoning.

3.39 kampeermiddel:
  • a. een tent, tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde.
3.40 kantoor:

een ruimte of complex van ruimten welke is bestemd om te worden gebruikt voor administratieve werkzaamheden.

3.41 mantelzorg:

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

3.42 meergezinswoning of gestapelde woning:

een gebouw dat dient voor de huisvesting van meerdere huishoudens in afzonderlijke woonruimten.

3.43 nultredenwoning

een woning welke geschikt is voor bewoning in alle levensfasen waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, slaapkamer, badkamer en toilet) zich in ieder geval ook op de verdieping, waar ook de voordeur aanwezig is, moeten bevinden en waarbij deze leefruimten zowel inpandig als vanuit de (semi-)openbare ruimte drempelvrij toegankelijk zijn. Drempelvrije toegankelijkheid kan ook door middel van een lift worden gerealiseerd, mits die lift drempelvrij toegankelijk is.

3.44 nutsvoorziening:

gebouwen en overkappingen ten behoeve van de waterhuishouding, de energievoorziening, en naar de aard daarmee gelijk te stellen openbare nutsvoorzieningen, niet zijnde geluidszoneringsplichtige inrichtingen, risicovolle inrichtingen en/of vuurwerkbedrijven.

3.45 omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit:

omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk op grond van afdeling 5.1 van de Omgevingswet.

3.46 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of werkzaamheden:

omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde of werkzaamheden in gevallen waarin dat bij het TAM-Omgevingsplan is bepaald.

3.47 omgevingsvergunning:

een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heef top de fysieke leefomgeving, op grond van afdeling 5.1 van de Omgevingswet.

3.48 onderbouw:

een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven het peil is gelegen.

3.49 ondergeschikte bouwdelen/bouwdelen van ondergeschikt belang:

bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten de hoofdmassa van het van het hoofdgebouw uitsteken, zoals schoorstenen, antennemasten, windvanen, vlaggenmasten, wolfseinden of andere ondergeschikte dakopbouwen.

3.50 ondergronds:

beneden het peil.

3.51 peil:

de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein ter plaatse van het bouwperceel.

3.52 prostitutiebedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het tegen betaling doen plaatsvinden van seksuele omgang met prostituees op een naar buiten toe kenbare wijze, zoals een bordeel of escortservice.

3.53 seks- en of pornobedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotische en/of pornografische aard dan wel voor detailhandel in seks- en/of pornoartikelen, zoals een seksbioscoop, seksclub, seksautomaat of sekswinkel.

3.54 staat van bedrijfsactiviteiten:

een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijf en instellingen.

3.55 standplaats:

een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten.

3.56 uitvoeren:

het doen uitvoeren, laten uitvoeren of in uitvoering geven.

3.57 veranda:

een aangebouwde, overdekte structuur aan een woning, die meestal een afdak en ondersteunende palen heeft, en die dient als een uitbreiding van de leefruimte aan de buitenkant.

3.58 verkoopvloeroppervlak/nettovloeroppervlak:

het totale vloeroppervlak van een winkel/horecabedrijf, dat voor het winkelend/bezoekend publiek toegankelijk is.

3.59 voorste bouwgrens:

de naar het verkeer- of verblijfsgebied gekeerde bouwgrens.

3.60 wonen:

het gebruiken van een gebouw als woning uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één huishouden.

3.61 woning:

een (gedeelte van een) gebouw dat dient als huisvesting van één huishouden.

3.62 woningsplitsing:

het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer woningen.

Artikel 4 Voorrangsbepaling

De regels uit dit besluit gaan voor op artikel 22.26 van het omgevingsplan.

Artikel 5 Toepassing meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen zoals opgenomen in artikel 22.24 van dit Omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing voor het meten in dit hoofdstuk 22a opgenomen waarden die zijn uitgedrukt in m, m2, m3, voor zover daarvan niet wordt afgeweken in Artikel 6.

Artikel 6 Aanvullende meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op Artikel 5 gelden voor dit hoofdstuk 22a de volgende meet- en rekenbepalingen voor het meten van de in deze regels opgenomen waarden uitgedrukt in m, m2 of m3:

6.1 afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse perceelsgrens:

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

6.2 goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

6.3 bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogte punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

6.4 inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

6.5 oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hard van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

6.6 horizontale diepte van een bouwwerk:

tussen het voorste en het achterste punt van het bouwwerk, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren dan wel scheidslijnen en op het peil.

6.7 verticale diepte van een ondergronds bouwwerk:

van het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergronds (deel van het) bouwwerk.

Artikel 7 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toebedeelde functies.

Artikel 8 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit Omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 9 Zorgplicht

Een ieder draagt bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in dit TAM-Omgevingsplan voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving en het voorkomen van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht:

  • a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • b. voor zover die gevolge niet kunnen worden beperkt, die activiteit zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
  • c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 10 Tuin

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Tuin. Op deze gronden zijn ook de regels uit Artikel 12 en Artikel 13 van toepassing.

10.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangegeven als Tuin heeft de volgende functies:

  • a. tuin;

alsmede voor:

  • b. water en voorzieningen ten behoeve van waterhuishouding;
  • c. nutsvoorzieningen
  • d. parkeervoorzieningen

met de bijbehorende:

  • e. bouwwerken, geen gebouwen en carport zijnde.
10.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteiten bouwwerken (artikel 22.29))
10.3.1 Algemeen

Op en in de voor 'Tuin' aangewezen gronden is het verboden gebouwen te bouwen met uitzondering van het bepaalde in lid 10.3.2 en 10.3.3.

10.3.2 Regels voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van de functie 'Tuin'

Ten dienste de functie Tuin is uitsluitend het bouwen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag ten hoogte bedragen:
    • 1. van erfafscheiding voor de voorste bouwgrens 1 m;
    • 2. van erfafscheiding in of achter de voorste bouwgrens 2 m;
    • 3. van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde 3 m.
10.3.3 Regels voor bouwwerken ten dienste van de functie 'Wonen'

Ten dienste van de functie Wonen is het bouwen tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda's en afdaken toegestaan als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de overschrijding bedraagt niet meer dan 1,5 m;
  • b. de hoogte van de erkers, entreeportalen en veranda's bedraagt niet meer dan de hoogste hoogte van de eerste bouwlaag van het betreffende gebouw + 0,25 m;
  • c. de breedte van erkers, entreeportalen en veranda's bedraagt niet meer dan 60% van de breedte van de betreffende gevel van het gebouw.

Artikel 11 Wonen

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'. Op deze gronden zijn ook de regels uit Artikel 12 en Artikel 13 van toepassing.

11.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangegeven als Wonen heeft de volgende functies:

  • a. wonen;

alsmede voor:

  • b. erven;
  • c. water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • d. nutsvoorzieningen;

met bijbehorende:

  • e. hoofdgebouwen;
  • f. bijgebouwen;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • h. parkeervoorzieningen
  • i. tuinen en erven
  • j. wegen en paden.
11.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.29))
11.3.1 Algemeen

Op en in de voor Wonen aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bijgebouwen;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
11.3.2 Regels voor hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gebouwd worden;
  • b. hoofdgebouwen dienen gerealiseerd te worden als zijnde een levensloopbestendige/nultredenwoning;
  • c. hoofdgebouwen dienen te beschikken over een minimale gebruiksoppervlakte van 70 m2;
  • d. de voorgevel uitsluitend in de voorste bouwgrens gebouwd mag worden;
  • e. de horizontale diepte mag maximaal bedragen:
    • 1. op de begane grond/eerste bouwlaag 15 m;
    • 2. op de volgende bouwlagen 12,5 m;
  • f. de afstand van de achtergevel tot de achterste grens van het bouwperceel minimaal bedraagt 5 m;
  • g. het toegestane maximale binnenniveau van 33dB mag niet worden overschreden.
11.3.3 Regels betreffende de goot- en bouwhoogte

Voor de goot- en/of bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bij hoofdgebouwen bedraagt de:
    • 1. maximale goothoogte conform de verbeelding;
    • 2. maximale bouwhoogte conform de verbeelding;
  • b. bij erfafscheidingen voor de voorste bouwgrens bedraagt de maximale bouwhoogte 1 m;
  • c. bij erfafscheidingen in of achter de voorste bouwgrens bedraagt de maximale bouwhoogte 2 m;
  • d. bij overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt de maximale bouwhoogte 3 m.
11.4 Specifieke beoordelingsregel

In afwijking van lid 11.3.3 onder d kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bepaalde regels toch worden verleend als de hoogte van de erfafscheidingen voor de voorste bouwgrens maximaal 2 m bedraagt.

11.5 Specifieke functieregels

Onder verboden gebruik wordt tevens verstaan het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte.

11.6 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag is bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat de aanduidingen 'bouwvlak' komen te vervallen, indien binnen drie jaar na vaststelling van het plan geen woningen binnen deze bouwvlakken zijn gerealiseerd.

11.7 Omgevingsplanactiviteit voor het afwijken van de specifieke functieregels
11.7.1 Uitoefening aan huis gebonden beroep
a Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aan huis gebonden beroep uit te oefenen.

b Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep kan verleend worden als:

  • a. de uitoefening van het aan huis gebonden beroep plaatsvindt in een eengezinswoning of een tot deze woning behorend bijgebouw;
  • b. het ten behoeve van het aan huis gebonden beroep in gebruik te nemen vloeroppervlak niet meer bedraagt dan 30 m2, met dien verstande dat de woonfunctie primair en in ruimtelijke zin gehandhaafd blijft;
  • c. het gebruik geen onevenredige afbreuk veroorzaakt op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans;
  • d. geen horeca en detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden beroep;
  • e. de aard en de activiteiten van het bedrijf niet leiden tot een onevenredige hinder voor het woonmilieu en een onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat in de omgeving.
11.7.2 Uitoefening aan huis gebonden bedrijf
a Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aan huis gebonden bedrijf uit te oefenen.

b Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf kan verleend worden als:

  • a. de uitoefening van het aan huis gebonden beroep plaatsvindt in een eengezinswoning of een tot deze woning behorend bijgebouw;
  • b. het ten behoeve van het aan huis gebonden bedrijf in gebruik te nemen vloeroppervlak niet meer bedraagt dan 30 m2, met dien verstande dat de woonfunctie primair en in ruimtelijke zin gehandhaafd blijft;
  • c. het aan huis gebonden bedrijf voorkomt in de milieucategorie 1 in Bijlage 1 of, voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijkgesteld kan worden aan een bedrijf behorende tot die milieucategorie;
  • d. het gebruik geen onevenredige afbreuk veroorzaakt op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans;
  • e. geen horeca en detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop ondergeschikt aan de uitoefening van het aan huis gebonden bedrijf;
  • f. de aard en de activiteiten van het bedrijf niet leiden tot een onevenredige hinder voor het woonmilieu en een oneven redige afbreuk van het woon- en leefklimaat in de omgeving.
11.7.3 Afhankelijke woonruimte
a Verbod

Het is verboden zonder een omgevingsvergunning een (vrijstaand) gebouw te gebruiken als een afhankelijke woonruimte.

b Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het gebruik van een (vrijstaand) bijgebouw als afhankelijke woonruimte kan verleend worden als:

  • a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is uit het oogpunt van de mantelzorg;
  • b. de belangen van de rechthebbenden op de aan het bouwperceel grenzende gronden niet onevenredig geschaad worden;
  • c. dit niet leidt tot een toename van het groepsrisico en het toegestane maximale binnenniveau van 33dB niet wordt overschreden.
c Intrekking omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt geacht door de burgemeester en wethouders te zijn ingetrokken op het moment dat de noodzaak tot mantelzorg (als gevolg van verhuizen of overlijden) is komen te vervallen.

Artikel 12 Waarde - Archeologie 2

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 2.

12.2 Functieomschrijving

De gronden op de verbeelding is aangegeven als Waarde - Archeologie 2 zijn mede bedoeld voor de bescherming van de archeologische waarden.

12.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.29))

Voor het bouwen op of in de als Waarde - Archeologie 2 aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk zijn voor archeologisch onderzoek mogen gebouwd worden;
  • b. in afwijking van het bepaalde in lid 12.3 sub a mogen geen bouwwerken gebouwd worden, met uitzondering van:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte van deze bebouwing, voor zover gelegen op of onder peil, niet uitgebreid wordt;
    • 2. een bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dan wel met graafwerkzaamheden niet dieper dan 30 cm én zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
    • 3. een bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm doch met een oppervlakte kleiner of gelijk aan 500 m2 kan worden geplaatst, mist hiervan uiterlijk 14 dagen voor aanvang van de graafwerkzaamheden schriftelijk melding wordt gemaakt bij de gemeente.
12.4 Omgevingsplanactiviteit
12.4.1 Bouwen
a Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de beoordelingsregels in lid 12.3.

b Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het afwijken van de beoordelingsregels uit lid 12.3 kan verleend worden als:

  • 1. de voor deze gronden geldende overige beoordelingsregels in acht worden genomen;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  • 3. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond geen archeologische waarden op de betrokken locatie aanwezig zijn;
  • 4. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat mogelijke schade voorkomen kan worden door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op:
    • a. het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • b. het doen van opgravingen; of
    • c. het laten begeleiden van bodemverstorende activiteiten door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
12.4.2 Uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in de gronden aangewezen als Waarde - Archeologie 2 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • 1. grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • 2. het verlagen van het waterpeil;
  • 3. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • 4. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
b Algemene beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op of in de gronden aangewezen als Waarde - Archeologie 2 kan verleend worden als:

  • 1. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  • 2. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden op de betrokken locatie aanwezig zijn;
  • 3. de werken een oppervlakte hebben van maximaal 500 m2 of smaller zijn dan 1,5 m1;
  • 4. reeds een aanlegvergunning, ontgrondingvergunning of omgevingsvergunning is verleend;
  • 5. de werken reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het TAM-Omgevingsplan;
  • 6. de werken behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;
  • 7. de werken ten dienste van archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.
c Beoordelingsregels bij mogelijke verstoring van archeologisch materiaal

Indien mede op basis van archeologisch onderzoek is bepaald dat werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden op of in de gronden aangewezen als Waarde - Archeologie 2 dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van archeologisch materiaal kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van deze werken en werkzaamheden verleend worden als aan de omgevingsvergunning de volgende de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • 3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 13 Waarde - Archeologie 3

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 3.

13.2 Functieomschrijving

De gronden op de verbeelding is aangegeven als Waarde - Archeologie 3 zijn mede bedoeld voor de bescherming van de archeologische waarden.

13.3 Beoordelingsregels (behorende bij de binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken (artikel 22.29))

Voor het bouwen op of in de als Waarde - Archeologie 3 aangeduide gronden gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die noodzakelijk zijn voor archeologisch onderzoek mogen gebouwd worden;
  • b. in afwijking van het bepaalde in lid 13.3 sub a mogen geen bouwwerken gebouwd worden, met uitzondering van:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte van deze bebouwing, voor zover gelegen op of onder peil, niet uitgebreid wordt;
    • 2. een bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dan wel met graafwerkzaamheden niet dieper dan 30 cm én zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
    • 3. een bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm doch met een oppervlakte kleiner of gelijk aan 100 m2 kan worden geplaatst, mist hiervan uiterlijk 14 dagen voor aanvang van de graafwerkzaamheden schriftelijk melding wordt gemaakt bij de gemeente.
13.4 Omgevingsplanactiviteit
13.4.1 Bouwen
a Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de beoordelingsregels in lid 13.3.

b Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het afwijken van de beoordelingsregels uit lid 13.3 kan verleend worden als:

  • 1. de voor deze gronden geldende overige beoordelingsregels in acht worden genomen;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  • 3. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond geen archeologische waarden op de betrokken locatie aanwezig zijn;
  • 4. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat mogelijke schade voorkomen kan worden door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden gericht op:
    • a. het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • b. het doen van opgravingen; of
    • c. het laten begeleiden van bodemverstorende activiteiten door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
13.4.2 Uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in de gronden aangewezen als Waarde - Archeologie 3 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • 1. grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • 2. het verlagen van het waterpeil;
  • 3. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • 4. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
b Algemene beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op of in de gronden aangewezen als Waarde - Archeologie 3 kan verleend worden als:

  • 1. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;
  • 2. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden op de betrokken locatie aanwezig zijn;
  • 3. de werken een oppervlakte hebben van maximaal 100 m2 of smaller zijn dan 1,5 m1;
  • 4. reeds een aanlegvergunning, ontgrondingvergunning of omgevingsvergunning is verleend;
  • 5. de werken reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het TAM-Omgevingsplan;
  • 6. de werken behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;
  • 7. de werken ten dienste van archeologisch onderzoek uitgevoerd worden.
c Beoordelingsregels bij mogelijke verstoring van archeologisch materiaal

Indien mede op basis van archeologisch onderzoek is bepaald dat werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden op of in de gronden aangewezen als Waarde - Archeologie 3 dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van archeologisch materiaal kan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van deze werken en werkzaamheden verleend worden als aan de omgevingsvergunning de volgende de volgende voorwaarden worden verbonden:

  • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • 3. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond welke eenmaal in aanmerking is gekomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning en waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 15 Algemene bouwregels

15.1 Percentageregeling

Een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage geeft aan hoeveel van het bouwvlak van het betreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen. Bij het ontbreken van een percentage mag het bouwvlak volledig worden bebouwd, tenzij in lid 11.3 anders is bepaald.

15.2 Ondergronds bouwen
15.2.1 Situering, afmetingen en percentages

Het bepaalde in deze regels en op de verbeelding omtrent de situering, de horizontale diepte en de oppervlakte van bouwwerken, alsmede het bebouwingspercentage, is op overeenkomstige wijze van toepassing op ondergronds bouwen, met dien verstande dat de verticale diepte van ondergrondse bouwwerken niet meer dan 5 m mag bedragen.

15.2.2 Verbod

Het bepaalde in lid 15.2.2 is niet van toepassing op gronden gelegen binnen de op de verbeelding aangegeven functies Waarde - Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 3. Op en in die gronden is ondergronds bouwen niet toegestaan.

15.2.3 Specifieke beoordelingsregel

In afwijking van het bepaalde in lid 15.2.2 sub b kan de omgevingsvergunning voor ondergronds bouwen in overeenstemming met lid 15.2.2 sub a toch verleend worden als burgemeester en wethouders advies hebben ingewonnen van de gemeentelijke archeoloog, voor zover gelegen binnen de functies Waarde - Archeologie 2 en Waarde - Archeologie 3.

15.3 Aantal woningen

Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het aantal waarvoor op de verbeelding een bouwvlak is opgenomen ('maximaal aantal wooneenheden'), waarbij het in het betreffende bouwvlak genoemde aantal woningen niet mag worden overschreden.

15.4 Voorwaardelijke verplichting bodemonderzoek

Het gebruik van gebouwen, bouwwerken en gronden ten behoeve van de gevoelige functies is uitsluitend toegestaan als uit een bodemonderzoek is gebleken dat de bodemkwaliteit aanvaardbaar is ten aanzien van de beoogde functie.

Artikel 16 Algemene gebruiksregels

Het is verboden de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven functie(s).

Onder verboden gebruik wordt in elk geval verstaan:

  • a. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • b. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar, of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  • c. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • d. een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan in of krachtens deze regels;
  • e. een gebruik van gronden en bouwwerken voor straatprostitutie, een seks- of pornobedrijf dan wel een prostitutiebedrijf, met uitzondering van een zodanig gebruik dat uitdrukkelijk is toegestaan in of krachtens deze regels.

 

Artikel 17 Algemene afwijkingsregels

17.1 Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in Hoofdstuk 2.

17.2 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bepaalde in Hoofdstuk 2 kan verleend worden voor:

  • a. het afwijken van de voorgeschreven goothoogte, hoogte, oppervlakte, inhoud en afstand van bouwwerken, dan wel een voorgeschreven bebouwingspercentage, eventueel met overschrijding van de bouwgrenzen onder de voorwaarde dat de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in deze regels voorgeschreven afmetingen en afstanden;
  • b. het afwijken van functiegrenzen, bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak op de verbeelding onder de voorwaarden dat:
    • 1. afwijking noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein;
    • 2. geen dringende redenen zijn die zich verzetten tegen deze afwijking;
    • 3. de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 2,5 m bedraagt;
  • c. het afwijken van de bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak op de verbeelding, niet zijnde de functiegrenzen onder de voorwaarden dat:
    • 1. afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond;
    • 2. de afwijking ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is aangegeven niet meer dan 2,5 m bedraagt;
  • d. het overschrijden van bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen door:
    • 1. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda's, afdaken en andere daarmee gelijk te stellen ondergeschikte delen van gebouwen onder de voorwaarden dat:
      • de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m;
      • de hoogte van de erkers, entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het betreffende gebouw + 0,25 m;
      • de breedte van de erkers, entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan 60% van de breedte van de betreffende gevel van het gebouw;
      • de afstand tot de functiegrens minimaal 2,5 m bedraagt, daar waar het bestemmingsvlak grenst aan de functie "Verkeer".
    • 2. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen onder de voorwaarde dat de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.

Artikel 18 Algemene aanduidingsregels

18.1 geluidzone - industrie
18.1.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding geluidzone - industrie zijn de gronden primair bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een inrichting als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder en voor het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige bebouwing als gevolg van industrielawaai.

18.1.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij andere bestemmingen, mag geen nieuw geluidgevoelig object worden gebouwd.

18.1.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 18.1.2 voor het bouwen van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, mits de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van deze geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor gelden voorkeursgrenswaarde of een door burgemeester en wethouders vastgestelde hogere grenswaarde.  

18.2 milieuzone - boringsvrije zone Roerdalslenk, zone II
18.2.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding milieuzone - boringsvrije zone Roerdalslenk, zone II geldt dat de gronden tevens bestemd zijn voor de bescherming van de bodem en het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening.

18.2.2 Specifieke gebruiksregels

Ter plaatse van de aanduiding milieuzone - boringsvrije zone Roerdalslenk, zone II is het niet toegestaan om:

  • a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 30 meter beneden het maaiveld;
  • b. de grond te roeren dieper dan 30 meter beneden het maaiveld, of deze handeling toe te laten, of anderszins werken of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slechtdoorlatende bodemlagen kunnen aantasten;
  • c. een bodemenergiesysteem op te richten, welke dieper reikt dan 30 meter beneden het maaiveld;
  • d. boorputten op te richten wanneer de doorboorde weerstandbiedende lagen en het boorgat, van 0 tot 3 meter beneden het maaiveld, niet worden afgedicht met klei of bentoniet.
18.2.3 Uitzonderingen

De in 18.2.2 onder a. en b. gestelde verboden gelden niet voor:

  • a. het inrichten van boorputten ten behoeve van het provinciale grondwaterbeheer in het kader van de Wet bodembescherming en de Waterwet;
  • b. het verrichten van bodemonderzoeken die bij of krachtens wet zijn voorgeschreven.
18.2.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 18.2.2 onder a. en b. als gewaarborgd is dat geen sprake is van nadelige gevolgen voor de grondwaterwinning en met dien verstande dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend wanneer Gedeputeerde Staten vooraf gehoord is.

18.2.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
a Vergunningplichtige werken en/of werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:

  • boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 30 meter beneden het maaiveld;
  • de grond te roeren dieper dan 30 meter beneden het maaiveld, of deze handeling toe te laten, of anderszins werken of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slechtdoorlatende bodemlagen kunnen aantasten.
b Uitzondering

Het verbod als bedoeld onder a geldt niet voor:

  • het inrichten van boorputten ten behoeve van het provinciale grondwaterbeheer in het kader van de Wet bodembescherming en de Grondwaterwet;
  • het verrichten van bodemonderzoeken die bij of krachtens wet zijn voorgeschreven.
c Toelaatbaarheid

Indien er bij de werkzaamheden als bedoeld in dit artikel sprake is van een boorput, zijn de werkzaamheden slechts toelaatbaar indien de doorboorde weerstandbiedende lagen en het boorgat, van 0 tot 3 meter beneden het maaiveld, worden afgedicht met klei of bentoniet.

Artikel 19 Overige regels

19.1 Parkeerregel bij bouwen en gebruikswijzigingen

De in het plangebied aanwezige gronden mogen slechts worden bebouwd en/of in gebruik worden genomen en/of het gebruik van deze gronden mag enkel worden gewijzigd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en/of in stand gehouden.

19.2 Voldoende parkeergelegenheid

Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan het parkeer(normen)beleid van de Raad, getiteld 'Nota Parkeernormen Sittard-Geleen Parkeernormensystematiek', zoals vastgesteld op 15 maart 2012 en in werking getreden d.d. 9 mei 2012, met inbegrip van de daarin opgenomen ontheffingsmogelijkheden. Indien het parkeer(normen)beleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, is sprake van voldoende parkeergelegenheid wanneer aan dit gewijzigde beleid wordt voldaan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 20 Overgangsrecht

20.1 Overgangsrecht bouwwerken
20.1.1 Toepassingsbereik

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, onder de voorwaarden dat deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

  • a. gedeeltelijk vernieuwd of veranderd worden onder de voorwaarden dat:
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd onder de voorwaarde dat de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gedaan wordt binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
20.1.2 Specifieke beoordelingsregel

In afwijking van lid 20.1.2 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit in strijd met het bepaalde in dat lid eenmalig verleend worden als de inhoud van een bouwwerk bedoeld in lid 20.1.2 met maximaal 10% vergroot wordt.

20.1.3 Uitzondering

Lid 20.1.2 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

20.2 Overgangsrecht gebruik
20.2.1 Toepassingsbereik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-Omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

20.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het TAM-Omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 20.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

20.2.3 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 20.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan één jaar wordt onderbreken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

20.2.4 Uitzondering

Lid 20.2.1 is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd is met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen het overgangsrecht van dat plan.