direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Brandlichterweg 66d Denekamp
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Brandlichterweg 66d in Denekamp is de agrarische coöperatie Werktuig en Bouwdienst Denekamp gevestigd. De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft bij besluit van 8 september 2015 het bestemmingsplan 'Verplaatsing Werktuig en Bouwdienst Denekamp Brandlichterweg ongenummerd' voor deze locatie vastgesteld. In dit bestemmingsplan zijn de activiteiten van het bedrijf geregeld.

De wens van initiatiefnemer is om ook het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden planologisch te regelen. Op 3 oktober 2018 heeft het college van B&W van de gemeente Dinkelland besloten om in principe medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling.

Om het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval mogelijk te maken is een herziening van het geldende bestemmingsplan 'Verplaatsing Werktuig en Bouwdienst Denekamp Brandlichterweg ongenummerd' noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de benodigde juridisch-planologische kaders. In deze toelichting zal worden aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Brandlichterweg 66d nabij de kern Denekamp. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Denekamp, sectie P, nummers 1051 en 2065. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Denekamp weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01_0001.png"

Afbeelding 1.1 Ligging plangebied ten opzichte van Denekamp en de directe omgeving (Bron: ArcGIS)

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Buitengebied, Brandlichterweg 66d Denekamp" bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01) en een renvooi;
  • regels.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen

Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Verplaatsing Werktuig en Bouwdienst Denekamp Brandlichterweg ongenummerd". Dit bestemmingsplan is op 8 september 2015 door de gemeenteraad van Dinkelland vastgesteld. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding behorend bij het geldende bestemmingsplan opgenomen. Het plangebied is met de rode belijning aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01_0002.png"

Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Verplaatsing Werktuig en Bouwdienst Denekamp Brandlichterweg ongenummerd" (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4.2 Beschrijving bestemmingen

Op basis van het bestemmingsplan "Verplaatsing Werktuig en Bouwdienst Denekamp Brandlichterweg ongenummerd" heeft het plangebied de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Groen'. Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan wordt alleen de bestemming 'Bedrijf' gewijzigd, daarom wordt alleen deze bestemming hieronder nader toegelicht.

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van een agrarisch loonbedrijf al dan niet in combinatie met overige loonwerkdiensten en een grondverzetbedrijf tot en met milieucategorie 3.1. Daaraan ondergeschikt is een kantoor ten dienste van bovenstaande functies toegestaan. Ook mag agrarisch materieel, materieel ten behoeve van grondverzet en containers worden verhuurd. Daarnaast mag zand, grind, kalk, puin, bouw- en sloopafval en teelaarde worden opgeslagen en detailhandel in zand en grind plaatsvinden. Tot slot is het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van (landbouw)werktuigen en/of (landbouw)apparatuur toegestaan.

1.4.3 Strijdigheid

Het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden is planologisch niet toegestaan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie in het plangebied.

In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de Provincie Overijssel en de gemeente Dinkelland beschreven.

In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue.

Hoofdstuk 5 gaat in op de wateraspecten.

In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 8 gaat in op het vooroverleg, inspraak en zienswijzen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

De agrarische coöperatie Werktuig en Bouwdienst Denekamp is gevestigd aan de Brandlichterweg 66d in het buitengebied ten oosten van de kern Denekamp. De bedrijfsactiviteiten bestaan hoofdzakelijk uit agrarisch loonwerk, cultuurtechnisch loonwerk en grondverzet voor zowel de zakelijke als particuliere markt. Hieraan ondergeschikt worden verder ook de volgende activiteiten ondernomen:

  • Verhuur van agrarisch materieel en materieel ten behoeve van grondverzet;
  • Verhuur van containers;
  • Detailhandel in zand en grind;
  • Onderhoud en reparatie van (landbouw)werktuigen en (landbouw)apparatuur;
  • Opslag van zand, grind, kalk, puin en bouw- en sloopafval, teelaarde en soortgelijke materialen.

Zoals ook in de aanleiding aangegeven heeft de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland bij besluit van 8 september 2015 het bestemmingsplan 'Verplaatsing Werktuig en Bouwdienst Denekamp Brandlichterweg ongenummerd' voor deze locatie vastgesteld.

Op de meest recente luchtfoto (zomer 2017) is de locatie nog in ontwikkeling. Ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan is de locatie bebouwd, hoofdzakelijk met twee loodsen en een kantoor. Daarbij is de locatie gedeeltelijk ingericht voor de opslag van onder andere zand en grind en het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden. Zie afbeelding 2.1 voor de luchtfoto.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01_0003.png"

Afbeelding 2.1 Ligging plangebied ten opzichte van Denekamp en de directe omgeving (Bron: ArcGIS)

2.2 Gewenste situatie plangebied

In de toekomstige situatie is de locatie aan de Brandlichterweg 66d planologisch gezien ook geschikt voor het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden. Met deze activiteit is Werktuig en Bouwdienst Denekamp zich na vestiging op de locatie reeds bezig gaan houden, maar vanwege planologische strijdigheid is deze activiteit gestaakt.

De wens van initiatiefnemer is om ook het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden planologisch te regelen. De locatie is hiervoor zeer geschikt. De locatie ligt net buiten de kern Denekamp en milieukundig gezien zijn de beoogde activiteiten mogelijk. Door de korte afstand hoeven inwoners van Denekamp niet meer naar op grotere afstand gelegen afvalbrengpunten te rijden.

De afvalinzameling vindt plaats aan de zuidrand van het terrein. Deze locatie ligt op grote afstand van omliggende woningen. De inzameling vindt plaats via een route op het terrein. In onderstaande afbeelding 2.2 is de inzamelingsplaats weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01_0004.png"

Afbeelding 2.2 Locatie en route afvalinzameling derden (Bron: Leferink Architecten/BJZ.nu)

2.3 Verkeer & parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Ten behoeve van het aspect verkeer heeft Roelofs Advies en Ontwerp BV een verkeersonderzoek uitgevoerd. De conclusie uit het onderzoek is hieronder opgenomen. Het complete onderzoek is opgenomen als Bijlage 2 bij deze toelichting.

Verkeer

Binnen de planologische mogelijkheden, brengt de voorgenomen functiewijziging van W&B Denekamp in theorie per openingsdag maximaal circa 280 voertuigbewegingen met zich mee. In praktijk zal de dagelijks planologisch mogelijke afvalcapaciteit van in totaal minder dan 50 ton afval niet of nauwelijks bereikt worden, waarmee ook de daadwerkelijke verkeersgeneratie in praktijk een stuk lager komt te liggen.

Kijkend naar de verkeersafwikkeling op de Brandlichterweg, is de situatie conform het worst-case scenario (280 extra voertuigbewegingen per etmaal), nog altijd acceptabel. De zaterdag is hierbij maatgevend. De weginrichting is adequaat afgestemd op het toekomstig te verwachten gebruik en de wegkenmerken voldoen aan het vastgesteld gemeentelijk verkeersbeleid.

Vanuit het aspect ‘verkeersveiligheid’ zijn er voor zowel gemotoriseerd- als fietsverkeer geen substantiële en onaanvaardbare veiligheidsrisico’s te verwachten. Aanvullende maatregelen voor fietsverkeer zijn ook niet noodzakelijk.

Parkeren

Uitgangspunt is dat parkeren van personeel, bezoekers en klanten op eigen terrein wordt opgelost. Ten behoeve van het geldende bestemmingsplan 'Verplaatsing Werktuig en Bouwdienst Denekamp Brandlichterweg ongenummerd' is de parkeerbehoefte reeds inzichtelijk gemaakt. Geconcludeerd is dat het bedrijf in haar eigen parkeerbehoefte kan voorzien. De gewenste afvalinzamelingsactiviteiten brengen geen extra parkeerbehoefte met zich mee. Deze bezoekers zullen via de hiervoor bestemde route het terrein benaderen, het afval achterlaten en weer vertrekken. Geconcludeerd wordt dat er voldoende parkeergelegenheid op het terrein aanwezig is.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
3.1.1.1 Algemeen

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en heeft de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving vervangen. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

3.1.1.2 Rijksdoelen en regionale opgaven

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
3.1.1.3 Toetsing aan de SVIR

De ontwikkeling raakt geen rijksdoelen zoals opgenomen in de SVIR.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.2.1 Algemeen

In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´

3.1.2.2 Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gevolgd wanneer planologisch nieuwe "stedelijke ontwikkelingen" mogelijk worden gemaakt. Nieuwe planologische bouwmogelijkheden van enige omvang kwalificeren als zodanig en zijn 'Ladderplichtig'. Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag (bijv. bij functiewijziging), dan is de Afdelingslijn dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Gelet op het feit dat:

  • er geen sprake is van nieuw beslag op de ruimte;
  • er sprake is van een planologische wijziging die ten opzichte van de huidige toegestane functies geen gewijzigde milieueffecten op de omgeving met zich meebrengt;
  • er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is;

kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het kader van een goede ruimtelijke ordening volgt hierna vooralsnog een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Behoefte

In de gemeente Dinkelland bevindt zich één alternatieve afvalinzamelingslocatie. Deze is gevestigd aan de Wiemselweg 5 te Tilligte. Particuleren afkomstig uit Denekamp en omgeving moeten hierdoor circa 10 kilometer rijden om afval weg te brengen. Logischerwijs is het voor particuleren aantrekkelijker en gemakkelijker om afval in de nabijheid van de woonplaats te kunnen afleveren. Op basis van het vorenstaande en het feit dat er altijd wel sprake zal zijn van afval van particulieren en daarmee de behoefte naar een locatie om dit heen te brengen, wordt geconcludeerd dat er sprake is van een ontwikkeling waar behoefte naar is.

Bestaand stedelijk gebied

Het voornemen vindt plaats op een bestaand bedrijfserf en kan daarmee worden aangemerkt als 'bestaand stedelijk gebied'. Er is geen sprake van een aantasting van de groene omgeving.

Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.3 Conclusie toetsing aan het rijksbeleid

Geconcludeerd kan worden dat het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening.

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel (2017)

De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.

De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

  • Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.
  • Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig.
  • Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.
3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel (2017)

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01_0005.png"

Afbeelding 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

3.2.3.1 Of - generieke beleidskeuzes

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties - en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten - te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

3.2.3.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. De Omgevingsvisie onderscheid zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de - voor dat ontwikkelingsperspectief - geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

3.2.3.3 Hoe - gebiedskenmerken

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. Voor alle gebiedstypen in Overijssel beschrijft de Catalogus Gebiedskenmerken welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

3.2.4.1 Of - generieke beleidskeuzes

Dit bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een functie-uitbreiding, door het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden mogelijk te maken. Van een uitbreiding van de locatie is geen sprake. Bij de afwegingen in de eerste fase ‘generieke beleidskeuzes’ zijn geen aspecten aanwezig die bijzondere aandacht verdienen.

3.2.4.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven

In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving van belang. In de Groene Omgeving gaat het vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW);
  • agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap;
  • wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap.

Het plangebied is op de Ontwikkelingsperspectievenkaart aangemerkt als 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

3.2.4.2.1 Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap

Het ontwikkelingsperspectief 'wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt. Het verbinden van de ontwikkelingsmogelijkheden van economische en maatschappelijke functies met het behoud en de versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke elementen draagt bij aan het behoud van de specifieke kwaliteiten van het kleinschalige mixlandschap in Overijssel.

3.2.4.2.2 Toetsing van het initiatief aan het "Ontwikkelingsperspectief"

In voorliggend geval gaat het om het wijzigen van het planologisch kader ten behoeve van een bestaand lokaal geworteld bedrijf. Door het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden mogelijk te maken hoeven onder andere de inwoners uit Denekamp geen grote afstanden meer af te leggen. Daarbij krijgt het bedrijf een duurzamer toekomstperspectief. Verder is de activiteit op basis van milieu- en omgevingsaspecten toelaatbaar op de betreffende locatie. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 4.

3.2.4.3 Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Toetsing van het initiatief aan de 'gebiedskenmerken'

De voorgenomen ontwikkeling ziet enkel toe op een functie-uitbreiding ten behoeve van een bestaand bedrijf. Van kenmerkende natuurlijke en/of landschaps- en cultuurhistorische waarden is geen sprake meer. Geconcludeerd wordt dat de gebiedskenmerken geen belemmeringen vormen voor het in dit bestemmingsplan opgenomen planologisch kader.

3.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Dinkelland
3.3.1.1 Algemeen

De Structuurvisie Dinkelland bevat een integrale, ruimtelijke en functionele toekomstvisie voor de gemeente Dinkelland. Naast een integrale beleidsvisie geeft de visie de regionale positionering en inbreng van de gemeente Dinkelland in de regio Twente aan.

3.3.1.2 Hoofdambitie

Hoofdambitie van Structuurvisie is:

"Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van een unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde en weerbare economie".

Om deze hoofdambitie te kunnen realiseren zijn vijf hoofdkeuzes gemaakt:

  • 1. de gemeente zet in op 10 vitale woonkernen, met een concentratie van de meest kostbare gemeenschapsvoorzieningen in de hoofdkernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo;
  • 2. het versterken van het economisch profiel door het realiseren van compenserende werkgelegenheid in de agrarische sector en het bevorderen van de economische betekenis van de toeristisch recreatieve sector;
  • 3. het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied;
  • 4. het bevorderen en versterken van recreatie en toerisme;
  • 5. het bevorderen van de bereikbaarheid en de verkeersveiligheid.

3.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Structuurvisie Dinkelland

Denekamp is aangewezen als kern waar de gemeente gemeenschapsvoorzieningen wil concentreren. Een inzamelpunt voor bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden is een dergelijke gemeenschappelijke voorziening. Gezien de locatie aan de Brandlichterweg, die op korte afstand van de kern Denekamp ligt, draagt voorliggend initiatief bij aan deze ambitie.

3.3.2 Afvalbeleidsvisie 'Afval is grondstof'
3.3.2.1 Algemeen

Op 21 januari 2014 heeft de raad van de gemeente Dinkelland de afvalbeleidsvisie gemeente Dinkelland en Tubbergen 'Afval is grondstof' vastgesteld. Het doel van de visie is om aan te geven hoe de gemeente tot 2030 met het afval van haar inwoners wil omgaan.

3.3.2.2 Visie en doelstellingen

De rol van de gemeentelijke overheid in het afvalbeheer is ontstaan vanuit de zorg voor de volksgezondheid en hygiëne. Daarnaast heeft de gemeente een regierol in de openbare ruimte, dus in de afvoer van het huisvuil van de burger. De rollen en verantwoordelijkheden van andere actoren in de afvalketen wordt in de toekomst groter, vooral als daadwerkelijk blijkt dat het afval geld waard is. Als het verwerven van de grondstoffen die in een product zitten, goedkoper wordt dan de te delven grondstof gaat het recyclen zonder regulering van de overheid. Zo lang dit nog niet zo is zal regulering middels producentverantwoordelijkheid of afvalstoffenheffing nog aan de orde zijn.

Samenvattend kan gesteld worden dat in het restafval dat nu nog in de verbrandingsovens verdwijnt veel herbruikbare fracties zitten. De opgave voor de komende jaren voor gemeenten is om de omslag te maken van afvalverwijdering naar grondstoffenrecycling.

Vanuit de visie zijn de doelstellingen voor het toekomstig afvalbeleid geformuleerd.

  • Milieu: In 2030 maximaal 50 kg restafval per inwoner per jaar;
  • Kosten: De afvalstoffenheffing gaat omlaag.

Om de geformuleerde doelstellingen te behalen dient er een trendbreuk plaats te vinden. Gemeenten dienen een keuze te maken voor een nieuw systeem van inzameling. Het optimaliseren van het huidige afvalbeheermodel kan autonoom en zal zowel de effectiviteit als de efficiency verhogen.

3.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Afvalbeleidsvisie

Werktuig en Bouwdienst Denekamp gaat zich in de toekomstige situatie niet alleen bezig houden met het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden. Het bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval wordt ook gescheiden. Door het afval te scheiden ontstaat er de mogelijkheid om de grondstoffen die in de producten zitten te verwerven. Hiermee past voorliggend initiatief binnen de afvalbeleidsvisie.

3.3.3 Beleidsregels voor de inzameling van grof huishoudelijk afval door particuliere bedrijven Gemeente Dinkelland
3.3.3.1 Algemeen

In de beleidsregels voor de inzameling van grof huishoudelijk afval door particulieren, vastgesteld mei 2014 en voortkomend uit de hiervoor genoemde beleidsvisie, staan de randvoorwaarden op basis waarvan alle bedrijven in de gemeente een inzamelplan kunnen indienen, voor het inzamelen van grof huishoudelijk afval. Er is een aantal functionele criteria benoemd, op basis waarvan objectief kan worden vastgesteld of een bedrijf vanwege aanwezige activiteiten en locatie geschikt is om een afvalinzamelpunt te openen. Het inzamelplan zal door de gemeente worden getoetst. De gemeente stemt in met het inzamelplan als blijkt dat aan alle voorwaarden wordt voldaan. Bij instemming kan het bedrijf een concessie aanvragen bij de gemeente om een afvalinzamelpunt te exploiteren. Het bestemmingsplan dient hiervoor te worden herzien.

3.3.3.2 Toelichting

Tot juli 2013 was er een gemeentelijk afvalbrengpunt in Denekamp. Om te voldoen aan milieueisen zou er veel geïnvesteerd moeten worden in het afvalbrengpunt. Na een afweging is besloten om het afvalbrengpunt te sluiten. De gemeente Dinkelland heeft vervolgens het afvalbrengpunt van Tubbergen aangewezen als plek waar burgers terecht kunnen. Burgers kunnen hun afval ook brengen naar Oldenzaal. De gemeente Dinkelland voldoet hiermee aan haar verplichtingen. Dit betekent echter langere reistijden, waarmee de dienstverlening aan inwoners onder druk komt te staan. De dienstverlening aan burgers zal verbeteren als er andere locaties in de gemeente beschikbaar zijn.

Vanuit de markt zijn er signalen binnengekomen dat een aantal bedrijven interesse heeft in het exploiteren van een inzamelpunt. Hiermee kan de dienstverlening aan inwoners verbeterd worden en bovendien zal de gemeente geen risicodragende partij meer zijn, hetgeen zekerheid biedt ten aanzien van de kosten van een afvalbrengpunt voor de gemeente. De gemeenteraad heeft dan ook een motie aangenomen om te onderzoeken of particuliere bedrijven een inzamelpunt zouden kunnen openen. Vanuit de gemeente geredeneerd zou dat leiden tot een efficiënte, effectieve en kostendekkende inzameling van grof huishoudelijk afval. Het is immers niet de bedoeling van de gemeente dat het geld gaat bijdragen aan particuliere bedrijven om een inzamelpunt te openen.

3.3.3.3 Randvoorwaarden

Bedrijven die aan de onderstaande voorwaarden voldoen kunnen een inzamelplan indienen:

  • 1. aantal inzamelpunten;

De gemeente zou graag ten minste één afvalinzamelpunt binnen de gemeente huisvesten, bij voorkeur op een centrale locatie ten opzichte van de grotere bevolkingsconcentraties (met name Weerselo, Denekamp en Ootmarsum). Als er meerdere afvalinzamelpunten worden geopend door particuliere bedrijven, dan zal dat tot gevolg hebben dat de burger minder ver hoeft te rijden om zijn afval te kunnen achterlaten. Het totale aantal inzamelpunten binnen de gemeente zal tot stand komen op basis van marktwerking.

  • 2. in aanmerking komende locaties;

Bedrijven binnen de gemeente Dinkelland komen in aanmerking voor het exploiteren van een afvalinzamelpunt, als de huidige bestemming een bedrijfsbestemming is en de milieucategorie ten minste 3.1 is. Milieucategorie 3.1 betekent dat er in principe geen milieugevoelige bestemmingen, zoals woningbouw, aanwezig zijn binnen een afstand van 50 meter.

Het inzamelen van afval moet naar aard en omvang passen bij de huidige bedrijfsactiviteiten. Het bedrijf dat een afvalinzamelpunt wil openen en om die reden een inzamelplan indient bij de gemeente zal moeten motiveren in hoeverre het inzamelen van afval aansluit bij de huidige bedrijfsactiviteiten. Met name bij loonwerkbedrijven en aannemers is het mogelijk dat het inzamelen van afval aansluit bij de reeds aanwezige bedrijfsactiviteiten.

  • 3. bereikbaarheid van de locatie;

Het bedrijf dat een inzamelpunt voor afval wil beginnen is goed bereikbaar vanwege de ligging aan een gebiedsontsluitingsweg (een grotere doorgaande weg). Als geen sprake is van ligging aan een gebiedsontsluitingsweg, dan dient de bereikbaarheid van de locatie en de verkeersveiligheid gewaarborgd te zijn. De locatie dient veilig bereikt te kunnen door gemotoriseerd verkeer, waarbij overig verkeer op de weg niet te zeer gehinderd wordt door het verkeer dat de locatie wil bereiken.

De bereikbaarheid is gewaarborgd als de locatie dicht bij een gebiedsontsluitingsweg ligt, waarbij de erftoegangsweg ten minste 5 meter breed is. Als de erftoegangsweg minder dan 5 meter breed is, dan dient aangetoond te worden dat het aannemelijk is dat er sprake is van een goede bereikbaarheid en de verkeersveiligheid gewaarborgd is door het indienen van een bereikbaarheidsplan als onderdeel van het inzamelplan. Het bereikbaarheidsplan wordt (zoals het hele inzamelplan) beoordeeld door de gemeente.

  • 4. acceptatiebeleid;

Het bedrijf dat grof huishoudelijk afval inzamelt dient in principe het afval van alle aanbieders (burgers) te accepteren, mits het afval op de juiste wijze gescheiden wordt aangeleverd.

  • 5. openingstijden;

Het bedrijf dat een afvalinzamelpunt wil beginnen, moet zich bereid verklaren om ruime openingstijden te hanteren. Van ruime openingstijden is sprake als het bedrijf minstens 4 uur per dag op ten minste zaterdag en vier werkdagen (maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag) open is voor particulieren. Openstelling op zaterdag is van doorslaggevend belang omdat burgers vooral op zaterdag hun afval willen aanleveren.

  • 6. in te zamelen fracties;

Er zijn verschillende soorten fracties afval te onderscheiden. Een afvalinzamelpunt dient alle door de gemeente aangewezen fracties in te zamelen. In de te verlenen concessie zal worden vastgesteld welke fracties ingezameld moeten worden. Op het afvalinzamelpunt worden in ieder geval, maar niet uitsluitend, diverse soorten hout, bouw- en sloopafval, groen, metaal, klein chemisch afval en asbest ingezameld.

  • 7. grof huishoudelijk afval inzamelen op locatie;

Het bedrijf dat een inzamelpunt exploiteert, dient bereid te zijn om op afspraak grof huisvuil in te zamelen bij particuliere huishoudens door het verzorgen van het plaatsen en ophalen van een container waar de particulieren hun grofvuil kunnen achterlaten.

  • 8. maatschappelijke deelname;

Het bedrijf dat een inzamelplan indient, beschrijft de gevolgen van het openen van het inzamelpunt voor de werkgelegenheid op het bedrijf. Als op basis van het bedrijfsplan blijkt dat er een toename van werkgelegenheid ontstaat, dan zou het een meerwaarde zijn om te onderzoeken of extra arbeidsplaatsen kunnen worden ingevuld door mensen van DinkellandWerkt! aan te stellen.

  • 9. milieu.

Voor een volledige beeldvorming is hier een overzicht opgenomen van enkele achtergronden met betrekking tot het taakveld Milieu. Bij de gemeente is de afdeling Wabo aanspreekpunt voor omgevingsvergunningen. Nadat een inzamelplan is ingediend, zal de gemeente toetsen of er een omgevingsvergunning voor de activiteit Milieu dient te worden afgegeven dan wel een melding op grond van het activiteitenbesluit dient te worden ingediend. In overleg met aanvrager wordt vastgesteld welke vervolgstappen ten aanzien van deze vergunning of melding dienen te worden ondernomen.

3.3.3.4 Toetsing van het initiatief aan de beleidsregels voor de inzameling van grof huishoudelijk afval

In de toekomstige situatie fungeert de locatie van Werktuig en Bouwdienst Denekamp als afvalinzamelpunt voor Denekamp en omgeving. Hier na wordt puntsgewijs getoetst aan de randvoorwaarden van de genoemde beleidsregels.

  • 1. In de gemeente Dinkelland is één alternatieve locatie voor het brengen en laten afhalen van afval. Deze locatie bevindt zich aan de Wiemselweg 5 in Tilligte. Vorenstaande maakt dat inwoners van Denekamp in omgeving al snel 10 kilometer moeten reizen om afval weg te brengen. Met het voorgenomen afvalinzamelpunt wordt deze reistijd drastisch verminderd wat voor gemakt zorgt voor de inwoners en tevens positieve gevolgen heeft voor het milieu (minder (stikstof) uitstoot). Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er voldoende behoefte is naar het voorgenomen afvalinzamelpunt.
  • 2. Het plangebied is in de huidige situatie voorzien van een bedrijfsbestemming, waar op basis van de regels een bedrijf van tot en met milieucategorie 3.1 is toegestaan. In paragraaf 2.1 is reeds opgesomd welke bedrijfsactiviteiten er in de huidige situatie plaatsvinden in het plangebied. Het gaat onder andere om de opslag van materialen en sloopafval. Dergelijke activiteiten sluiten aan bij de gewenste afvalinzameling.
  • 3. Het plangebied ligt in de nabijheid van de N342 en op een gunstige positie ten opzichte van Denekamp. In het verkeersonderzoek van Roelofs (Bijlage 2) is aangetoond dat de locatie op een verkeersveilige wijze kan worden ontsloten. De toename van verkeer is relatief beperkt, waardoor overig verkeer niet onevenredig wordt gehinderd. Daarnaast is de erftoegangsweg 6,5 meter breed, waardoor wordt voldaan aan de eisen aan de erftoegangsweg voor een afvalinzamelpunt.
  • 4. Het bedrijf zal afval dat op de juiste wijze is gescheiden accepteren.
  • 5. het bedrijf is op werkdagen geopend van 8:00 tot 17:00 uur en op zaterdag van 8:30 tot 16:00 uur. Hiermee wordt voldaan aan de vereisten uit het beleid.
  • 6. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk van de genoemde afvalstoffen (en meer) wordt ingezameld. Vorenstaande moet worden afgestemd met de gemeente.
  • 7. Hier wordt aan voldaan. Initiatiefnemer is reeds in het bezit van een vergunning om afval op afspraak in te zamelen bij particulieren.
  • 8. Het voornemen is om via "DinkellandWerkt!" medewerkers in te zetten voor een betere controle op en om het afvalbrengpunt. Medewerkers kunnen door Werktuig & Bouwdienst Denekamp B.V. worden getraind om hergebruik te stimuleren en afval op een milieuverantwoorde manier te scheiden. Er wordt aangesloten op het beleid.
  • 9. Na vaststelling van dit bestemmingsplan worden de vereiste omgevingsvergunningen aangevraagd.

Geconcludeerd wordt dat het openen van een afvalinzamelpunt aan de Brandlichterweg 66d in lijn is met de visie van de gemeente op het gebied van inzameling van grof huishoudelijk afval en een welkome voorziening is voor de inwoners van Denekamp en omgeving.

3.3.4 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling goed past binnen de gemeentelijke kaders.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

4.1 Geluid (Wet geluidhinder)

4.1.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

4.1.2 Situatie plangebied

In dit geval is geen sprake van een geluidsgevoelig object of een nieuwe geluidsbron als bedoeld in de Wet geluidhinder. Daarom wordt geconcludeerd dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

Aanvullend op het vorenstaande wordt opgemerkt dat in het kader van het aspect milieuzonering (zie paragraaf 4.5) wel een concreet akoestisch onderzoek is verricht. Hieruit is gebleken dat het bedrijf op passende afstand van woningen wordt gesitueerd. Er is geen sprake van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

4.1.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan.

4.2 Bodemkwaliteit

4.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht.

4.2.2 Situatie plangebied

De voorgenomen ontwikkeling betreft een planologische wijziging, waarbij het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden mogelijk wordt gemaakt. Ruimtelijke ingrepen c.q. bodemingrepen vinden niet plaats. Gezien het vorenstaande is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet nodig.

4.2.3 Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.
In de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet milieubeheer zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.

4.3.2 Situatie plangebied

Gezien het feit dat er al sprake is van een bedrijfsbestemming en de functie-uitbreiding beperkt is, is de ontwikkeling aan te merken als een project welke 'niet in betekende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.

Vorenstaande wordt tevens bevestigd door de Nibm-tool. In paragraaf 2.3 alsmede in het verkeersonderzoek van Roelofs (Bijlage 2) wordt aangegeven dat, als gevolg van de functiewijziging dagelijks sprake is van een toename van verkeersbewegingen van maximaal 130 personenauto’s van derden en daarnaast zes personenauto’s en vier vrachtwagens van eigen personeel. Het aandeel vrachtverkeer bedraagt daarmee 2,9% van het totaal aantal verkeersbewegingen. Op basis van het vorenstaande is een berekening gemaakt met de Nibm-tool, waarvan het resultaat in afbeelding 4.1 is weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01_0006.png"

Afbeelding 4.1 Berekening Nibm-tool luchtkwaliteit

Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

4.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen en moet worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.


Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.4.2 Beoordeling

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. De blauwe omlijning geeft het plangebied aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01_0007.png"

Afbeelding 4.2 Uitsnede van de risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie aan de hand van de risicokaart blijkt dat de locatie:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

Ten aanzien van het vorenstaande wordt opgemerkt dat ten zuiden van het plangebied, op een afstand van circa 190 meter, een buisleiding voor brandstof van het ministerie is gelegen (Defensie Pijpleiding Organisatie). Dergelijke leidingen kennen geen plaatsgebonden risicocontour. Wel geldt een minimale afstand tot bebouwing van 5 meter en een toetsingsafstand van 27 meter bij nieuwe bebouwing. Gezien de ruime afstand tot deze leiding wordt geconcludeerd dat deze leiding geen belemmering vormt voor de in dit plan besloten ontwikkeling.

4.4.3 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5 Milieuzonering

4.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.


Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is.

Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

4.5.2 Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'.

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een 'gemengd gebied'. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’.

Milieucategorie   Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk   Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

4.5.3 Situatie plangebied
4.5.3.1 Algemeen

Zoals reeds hiervoor genoemd wordt, dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.5.3.2 Externe werking

Hierbij gaat het voornamelijk om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op een afstand van 65 meter vanaf de rand van het plangebied. Dit betreft de woning aan de Brandlichterweg 67. Uitgaande van het omgevingstype 'rustige woonwijk' betekent dit dat binnen het plangebied bedrijvigheid tot maximaal de categorie 3.1 mogelijk is. Bedrijvigheid tot de categorie 3.1 kent namelijk een grootste richtafstand van maximaal 50 meter.

De combinatie van een agrarisch loonbedrijf, een grondverzetbedrijf en afvalinzamelpunt wordt niet specifiek genoemd in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Aangesloten kan worden bij de volgende inrichtingen/bedrijven uit de VNG-uitgave:

  • 1. Dienstverlening ten behoeve van de landbouw: algemeen (o.a. loonbedrijf): b.o. > 500 m2;
  • 2. Milieudienstverlening: gemeentewerven (afval-inzameldepots);
  • 3. Groothandel in zand en grind: b.o. <=200 m2.

De onder 1 en 2 genoemde bedrijfstypen behoren tot milieucategorie 3.1, het onder 3 genoemde bedrijfstype betreft een categorie 2 activiteit. In de regels van het geldende bestemmingsplan is vastgelegd dat de hoogst toegestane categorie bij recht maximaal 3.1 mag zijn. Hiermee voldoet de bedrijfsvoering aan de richtafstanden en wordt het woon- en leefklimaat van omwonenden niet aangetast.

Desalniettemin heeft Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering ten behoeve van aspect geluid een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De conclusie uit het onderzoek is hieronder opgenomen. Het complete onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting.

Akoestisch onderzoek

Door voorliggende ontwikkeling wijzigt de geluidbelasting in de dagperiode in enkele punten met maximaal 1 dBA. Bij de woninggevels en in de tuinen wordt ruim aan de ambitiewaarde van het geluidbeleid voldaan. Ook op de 50 meter punten wordt aan de ambitiewaarde voldaan. De maximale geluidbelasting is niet berekend want blijft ongewijzigd. De voorkeursgrenswaarde van 50 dBA (etmaal) voor het indirecte lawaai wordt bij de maatgevende woning Brandlichterweg 67 niet overschreden.

Aanvullend akoestisch onderzoek

Aanvullend op het hiervoor beschreven akoestisch onderzoek, is door Geluid Plus adviseurs aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek van Geluid Plus adviseurs is het langetijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal (piek)geluidniveau getoetst op de gevels van de omliggende woningen. Daarnaast is de geluidsbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking inzichtelijk gemaakt. Voor de inpassing van de nieuwe bedrijfsmogelijkheden is het 'Gebiedsgerichte geluidbeleid gemeente Dinkelland' gehanteerd. Tevens is, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het geluid in de tuinen van de aanliggende woningen beoordeeld. Het complete onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan.

Op grond van het akoestisch onderzeok kan worden geconcludeerd dat:

  • Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt in de representatieve bedrijfssituatie ten hoogste 43, 36 en 31 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van omliggende woningen. Hiermee wordt aan de ambitiewaarde conform het gemeentelijk geluidbeleid en het Activiteitenbesluit voldaan.
  • Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt in de representatieve bedrijfssituatie ten hoogste 45, 37 en 32 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ter plaatse van referentiepunten op 50 meter uit de grens van de inrichting. Hiermee wordt aan de ambitiewaarde conform het gemeentelijk geluidbeleid en het Activiteitenbesluit voldaan.
  • Het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval van derden heeft geen gevolgen voor het maximaal geluidniveau.
  • Het equivalent geluidniveau vanwege verkeersbewegingen van en naar de inrichting bedraagt ten hoogste 51, 43 en 37 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In de avond- en nachtperiode wordt voldaan aan de richtwaarde, in de dagperiode wordt voldaan aan de grenswaarde conform "Circulaire beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wet milieubeheer" uit 1996. In de dagperiode is de bepaalde waarde hoger dan de richtwaarde, het binnenniveau in omliggende woningen is echter voldoende geborgd.
  • Ter plaatse van tuinen van omwonenden is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat als gevolg van het geluid van de inrichting inclusief uitbreiding.

Uit het aanvullende akoestisch onderzoek blijkt dat de uitbreiding van de activiteiten van Werktuig & Bouwdienst Denekamp voldoet aan de gestelde normen en zorgplicht conform het gemeentelijk geluidbeleid en het Activiteitenbesluit.

4.5.3.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast.

De gewenste functie is niet aan te merken als een milieugevoelig object. Bestaande functies in de omgeving van het plangebied vormen dan ook geen belemmering voor het voornemen. Ook wordt de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven niet aangetast.

Geconcludeerd kan worden dat vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

4.5.4 Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

4.6 Ecologie

4.6.1 Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.

4.6.2 Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.

Het plangebied is niet gelegen binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Dinkelland' ligt op een afstand van circa 1 kilometer van het plangebied. De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden is in afbeelding 4.3 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPBRANDLIWEG66D-VG01_0008.png"

Afbeelding 4.3 Plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS)

Stikstofdepositie

Ondanks de onderlinge afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dient het effect van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in ogenschouw te worden genomen. In voorliggend geval is sprake van een functie dat uitsluitend in de gebruiksfase (verkeersgeneratie) resulteert in een stikstofemissie.

Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Om inzichtelijk te maken wat de stikstofeffecten zijn van de voorgenomen ontwikkeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, is door middel van de AERIUS calculator een berekening uitgevoerd. De AERIUS-berekening is in Bijlage 5 opgenomen.

Uit de berekening blijkt dat het voornemen niet resulteert in significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden.

4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen op circa 650 meter van het plangebied. Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

4.6.3 Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

De ontwikkeling betreft uitsluitend een functie-uitbreiding binnen het bestaande bedrijfserf. Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats die beschermde soorten kunnen schaden. Een ecologisch onderzoek is niet nodig. De locatie heeft overigens een lage natuurwaarde en geen belangrijke functie voor beschermende planten- en diersoorten.

4.6.4 Conclusie

De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor dit plan.

4.7 Archeologie & Cultuurhistorie

4.7.1 Archeologie
4.7.1.1 Algemeen

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.7.1.2 Situatie plangebied

Aangezien er met het plan geen ingrepen in de bodem plaatsvinden, kan een nadere toetsing aan de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart achterwege blijven. Archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7.2 Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" dient te bevatten.

4.7.2.2 Situatie plangebied

Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart Overijssel, in en rondom het plangebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

4.7.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

4.8 Besluit milieueffectrapportage

4.8.1 Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);

Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).


In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

4.8.2 Situatie plangebied

Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming

Het plangebied ligt op circa 1 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Dinkelland'. Uit de AERIUS-berekening (Bijlage 5) is gebleken dat in voorliggend geval het noodzakelijk is om intern te salderen. Uit de verschilberekening (bestaande situatie tegenover de toekomstige situatie), blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Geconcludeerd wordt dat er per saldo geen sprake is van een stikstofdepoistie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Een nader onderzoek in de vorm van een passende beoordeling is niet noodzakelijk.

Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Dit bestemmingsplan voorziet in principe in een directe eindbestemming voor wat betreft de binnen het plangebied geplande ontwikkeling en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘plan’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7.'.

De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden:

  • In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer.

Gezien de drempelwaarde wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. In het kader hiervan is door Cumela Advies B.V. een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

De kenmerken van de activiteit

De uitvoering van de bedrijfsactiviteiten heeft geen bijzondere kenmerken: de activiteiten vinden plaats in het buitengebied van de gemeente Dinkelland. De bedrijfsactiviteiten omvatten een uitbreiding van de reeds uitgevoerde werkzaamheden en toegepaste technieken door de inname en het opslaan van afvalstoffen van derden. Ten aanzien van de milieuaspecten treden geen significantie nadelige gevolgen op ten opzichte van de bestaande situatie.

De risico’s op ongevallen worden door maatregelen en systemen beheersbaar gehouden. De technologie, voorzieningen en maatregelen zijn bekend en toegepast. Deze vereisen geen hoogtechnologische input en zijn betrouwbaar.

De plaats van de activiteit

De bedrijfsactiviteiten zijn voorzien binnen de bestaande begrenzing van de inrichting. Het vigerende bestemmingsplan staat de bedrijfsactiviteiten van uit het oogpunt van milieu en gebruik toe. Negatieve effecten op gevoelige (natuur-)gebieden wordt uitgesloten.

De kenmerken van het potentiële effect

In de context van de aanvraag omgevingsvergunning is ingezoomd op milieuaspecten, die in deze notitie zijn aangehaald. Voor de beschouwde milieuaspecten is naar voren gekomen dat de bedrijfsactiviteiten geen ontoelaatbare effecten hebben op de omgeving.

4.8.3 Conclusie

Gezien de beschreven effecten en de verrichte onderzoeken als onderdeel van de aanvraag van de omgevingsvergunning, heeft het opstellen van een MER geen meerwaarde.

Gelet op het bereik en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en het daarmee samenhangende resultaat en in het licht van de resultaten van de uitgevoerde milieuonderzoeken, is het niet noodzakelijk is om een milieueffectrapport op te stellen.

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

5.1 Vigerend beleid

5.1.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.1.2 Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

5.1.3 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

5.1.4 Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.

Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld.

In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het:

  • voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte;
  • beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem;
  • het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

5.2 Waterparagraaf

5.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.2.2 Watertoetsproces

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er geen waterschapsbelang is. Het plan betreft alleen een functie-uitbreiding en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen gemoeid. Het waterschap Vechtstromen heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. De watertoets is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2 Opzet van de regels

6.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.

6.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

6.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

  • Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
  • Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling etc.);
  • Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn;
  • Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van de opgenomen bouw- en gebruiksregels;
  • Wijzigingsbevoegdheid: in deze regels zijn bevoegdheden van het college om toepassing te geven aan wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen.

6.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

De procedure die gevolgd moet worden bij het stellen van nadere eisen wordt in dit artikel beschreven.

In dit artikel zijn de eisen ten aanzien van parkeren opgenomen.

6.2.5 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3 Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.

Bedrijf (Artikel 3)

Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan is het volgende toegevoegd aan de bestemmingsomschrijving: de inzameling van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - inzameling afval'. Hiermee wordt het inzamelen van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval mogelijk gemaakt. Voor het overige hebben er geen wijzigingen plaatsgevonden. Toch is voor de leesbaarheid hieronder beschreven wat de inhoud van de bestemming 'Bedrijf' is.

Binnen de bestemming 'Bedrijf' is de uitoefening van een agrarisch loonbedrijf al dan niet in combinatie met overige loonwerkdiensten en een grondverzetbedrijf, in maximaal de milieucategorie 3.1, mogelijk. Ook is de inzameling van bedrijfs- en (grof) huishoudelijk afval, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - inzameling afval', tot en met milieucategorie 3.1 mogelijk.

Kantoren ten dienste van het agrarisch loonbedrijf, grondverzetbedrijf en inzamelen van de afvalstoffen worden, evenals de verhuur van agrarisch materieel en materieel ten behoeve van grondverzet, de verhuur van containers, het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van (landbouw)werktuigen en/of (landbouw)apparatuur en opslag van zand, grind, kalk, puin en bouw- en sloopafval, teelaarde en soortgelijke materialen, binnen deze bestemming tevens toegestaan. Tevens is detailhandel in zand en grind toegestaan, maar uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel – zand en grind’.

De bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van het bedrijf mogen, met uitzondering van maximaal 150 m2, uitsluitend worden gerealiseerd binnen het bouwvlak. Hierbij is bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak ten hoogste 6.000 m2 mag bedragen. Qua goot- en bouwhoogte is aangesloten bij de binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ toegestane goot- en bouwhoogten voor bedrijvigheid. Deze bedraagt respectievelijk 6 en 12 meter.

Naast gebouwen zijn binnen deze bestemming tevens bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Hierbij is onderscheid gemaakt in erf- en terreinafscheidingen, één antenne-installatie, silo’s, overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en ondergrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Eén en ander is gekoppeld aan maximale bouwhoogten. Het oprichten van silo’s is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - silo’s.

In de specifieke gebruiksregels zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor:

  • de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen uit het geldende bestemmingsplan;
  • de realisatie en instandhouding van het gebouw als geluidswerend object, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1'
  • de realisatie en instandhouding van een keerwand van minimaal 4,5 meter als geluidswerend object, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2';
  • het laden en lossen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - laden en lossen'.

Tevens is in de specifieke gebruiksregels het inzamelen van afvalstoffen nader afgebakend. Opslag van autowrakken, en het verkleinen van houtafval middels een shredderinstallatie is in strijd met de bestemming. Ook in strijd met de bestemming is het inzamelen van afvalstoffen anders dan de bedrijfs- en huishoudelijke afvalstoffen die zijn opgenomen in Bijlage 3 bij de regels. Daarnaast is door middel van aanduidingen vastgelegd waar welk type afval en hoeveel hiervan per dag mag worden ingezameld.

 

Groen (Artikel 4)

De singels rondom het bedrijfsperceel zijn in dit plan bestemd als ‘Groen’. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke waarden in de vorm van in hoogte opgaand groen en groenvoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van erf- en terreinafscheidingen worden opgericht tot een hoogte van 1 meter.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

Het kostenverhaal van de leges is geregeld in de legesverordening en voor het verhalen van eventuele planschade is een planschadeovereenkomst met de initiatiefnemer gesloten. In deze procedure zijn er geen andere kosten te verhalen. Er wordt zodoende geen exploitatieovereenkomst afgesloten.

Hoofdstuk 8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.1 Vooroverleg

8.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.1.2 Provincie Overijssel

Het bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijke verplichte overleg op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening naar de provincie Overijssel toegezonden.

8.1.3 Waterschap Vechtstromen

Het waterschap is geïnformeerd door middel van de digitale watertoets. Er worden geen waterschapsbelangen geraakt. Nader vooroverleg kan achterwege blijven.

8.2 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is gelet op de beperkte planologische betekenis van de wijziging geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

8.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 12 april 2019 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze perode zijn een aantal zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan. Een aantal zienswijzen hebben geresulteert in aanpassingen aan het bestemmingsplan. Daarnaast zijn ambtelijk eveneens een aantal aanpassingen doorgevoerd. In bijlage 8 bij deze toelichting is de reactienota opgenomen. Hierin is tevens aangegeven welke wijzigingen in voorliggend bestemmingsplan zijn doorgevoerd.