| Plan: | TAM-omgevingsplan Rodestraat ongenummerd |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1729.TAMOProdestraatong-VG01 |
Ter plaatse van de locatie aan de Rodestraat ong. te Partij is een onbebouwd perceel gelegen, momenteel in gebruik voor agrarische doeleinden. Het voornemen is om op een deel van het perceel drie vrijstaande, levensloopbestendige woningen te realiseren.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied
De beoogde ontwikkeling is binnen de regels van het vigerende planregime niet rechtstreeks mogelijk. Hiervoor is een aanpassing in het omgevingsplan benodigd. De gemeente Gulpen-Wittem heeft middels brief d.d. 19 november 2023 (kenmerk: D2024-00001401), bijgevoegd als Bijlage 3, kenbaar gemaakt medewerking te willen verlenen aan de ontwikkelingen.
Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit toepast bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd Omgevingsplan is een nieuw wijzigingsbesluit nodig volgens de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.
Het besluitgebied betreft het adres Rodestraat ongenummerd. Kadastraal betreft onderhavig besluitgebied het eigendomsperceel gemeente Wittem – sectie B – nummer 6868. Het besluitgebied is in onderstaande figuur weergegeven.
Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied
Uitsnede kadastrale kaart met aanduiding plangebied
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn alle geldende ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, e.d.) onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Gulpen-Wittem. Voorts bestaat dit tijdelijke del uit de Rijksregels over activiteiten (aangeduid als 'de bruidsschat').
Ter plekke van onderhavig besluitgebied zijn de regels van het bestemmingsplan 'Kern Partij' van toepassing als onderdeel van het (tijdelijk) omgevingsplan voor de gemeente Gulpen-Wittem.
Het plangebied ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Kern Partij', zoals vastgesteld op 19 mei 2011 door de gemeenteraad van de gemeente Gulpen-Wittem. De locatie is bestemd tot 'Agrarisch'.
Uitsnede bestemmingsplankaart met aanduiding locatie
Onderhavig plangebied is bestemd voor agrarisch gebruik. Op de locatie zijn geen dubbelbestemmingen of aanduidingen van toepassing. Gronden die (hoofdzakelijk) zijn bestemd voor agrarisch gebruik en ter plaatse geen woningen zijn toegestaan. Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid of wijzigingsbevoegdheid. Een aanpassing in het (tijdelijk) omgevingsplan is benodigd.
Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit toegepast door het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Dit TAM-omgevingsplan dient als wijzigingsbesluit via de technieken van IMRO. Voor het opnemen in een later geconsolideerd omgevingsplan voor de gemeente Gulpen-Wittem is een nieuw wijzigingsbesluit nodig volgens de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD). Onderhavige motivering is opgesteld ter motivering bij het te nemen wijzigingsbesluit.
Het plangebied is gelegen aan de Rodestraat ong. te Partij. Dit perceel bedraag circa 3.803 m2 en is gelegen tussen de Rijksweg (noordzijde) en de Rodestraat (zuidzijde). Het plangebied wordt omsloten door de kern Partij aan de westzijde en een bebouwingscluster (Rijksweg 26-30 en Rodestraat 39) aan de oostzijde.
Het betreffende perceel is momenteel onbebouwd, en kenmerkt zich door grasland en een rijbak, met in de erfafscheiding bomen en hagen. Op het perceel worden momenteel hobbymatig enkele paarden gehouden.
Aan de hand van de volgende (obliek)foto's wordt de feitelijke situatie ter plekke aan het plangebied inzichtelijk gemaakt.
Obliekfoto via Slagboom en Peeters van het totale plangebied
Aanzicht vanaf de Rodestraat via Google Streetview
Aanzicht vanaf de Rijksweg via Google Streetview
Het voornemen heeft betrekking op de realisatie van drie vrijstaande, levensloopbestendige woningen. Op 1.872m2 van de in totaal 3.803m2 zijn drie bouwkavels (bouwkavel 1: 599m2, bouwkavel 2: 593m2 en bouwkavel 3: 680m2) beoogd.
Op het resterend perceel zullen hobbymatig dieren worden gehouden en inheemse hoogstam fruitbomen worden aangeplant ter compensatie van de bomen die verdwijnen als gevolg van de drie beoogde woningen.
De beoogde woningen zijn ieder 8 meter breed en 12 meter diep, waarbij de voorgevel aan de Rodestraat is gericht. Deze afmetingen zijn passend bij een woning met een goede toegankelijkheid, goed comfortabel niveau en zijn toekomstgericht. Hierbij is rekening gehouden met voldoende ruimte voor brede doorgangen, drempelloze indelingen en de mogelijkheid om een rolstoel of rollator te gebruiken. Daarnaast zorgt deze maatvoering ervoor dat de woning in de toekomst eenvoudig aanpasbaar is aan veranderende zorgbehoeften, bijvoorbeeld door ruimte te bieden voor hulpmiddelen of een zorgverlener.
Het plangebied kent een verlaging in het natuurlijke maaiveld ter plekke. De woonpercelen waarop de woningen worden geprojecteerd zullen ten opzichte van het bestaande maaiveld tot maximaal 1 meter worden opgehoogd. Deze ophoging eindigt (te plaatsen keerelementen) op respectievelijk 1, 3,5 en 6 meter achter de achtergevels van de nieuwe woningen. Zo is het eerste deel van de buitenruimten bij de woningen levensloopbestendig. Ter plekke van het achterste deel van de tuinen blijft het huidige maaiveld gehandhaafd en worden bereikbaar door middel van een trapje. Op deze wijze blijft het achterterrein functioneel geschikt voor opvang van het hemelwater bij pluviale overstromingen. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.8 van voorliggende motivering.
Om de zichtlijnen van de woningen aan de overzijde van het plangebied (Rodestraat 22a t/m 30) zo min mogelijk te verstoren, is een strook van drie meter aan de westzijde van de woningen als 'Tuin' bestemd. Op deze manier wordt bebouwing op deze strook niet mogelijk gemaakt. De totaal tekening is opgenomen in Bijlage 1.
Beoogde situatie totaal plangebied
Ieder nieuwbouwplan gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. Beoordeeld dient te worden of de effecten die optreden vanuit ruimtelijk-visueel oogpunt aanvaardbaar mogen worden gevonden.
Het toevoegen van woningen kan leiden tot een intensivering van ruimtelijke effecten. Er vindt immers een verdichting van het aantal woningen plaats. Het aantal bewoners in de directe omgeving neemt beperkt toe, waardoor meer verkeersbewegingen (auto, fiets, voetganger) kunnen plaatsvinden. De beoogde kavels zijn echter voldoende ruim van opzet om deze intensivering te kunnen dragen. Onderhavig voornemen betreft nieuwbouw op een agrarisch perceel waardoor sprake is van een stedenbouwkundige afronding van de Rodestraat.
Op 21 maart 2024 is het conceptverzoek informeel voorgelegd aan de dorpsbouwmeester. Deze heeft geadviseerd om de bebouwing parallel aan de weg (dus niet gedraaid ten opzichte van de weg) te realiseren. Geadviseerd wordt om een meer dorpse uitstraling na te streven en een minder saaie architectuur, bijvoorbeeld met een kap of deels in twee lagen plat afgedekt. Stedenbouwkundig is meer verdichting en verhoging nodig. Drie vrijstaande woningen is mogelijk. Bestaande hagen en bomen dienen zo veel mogelijk te worden gehandhaafd.
Doorsneden bouwplan
De adviezen van de dorpsbouwmeester zijn verwerkt in onderhavig plan. De drie beoogde woningen zullen zijn voorzien van een zadeldak. Het bouwpeil van de beoogde woningen is 50 cm lager dan de as van de Rodestraat geprojecteerd. Een lager peil zorgt ervoor dat de woningen beter in het landschap en de omliggende bebouwing worden ingepast, waardoor de visuele impact op de tegenover gelegen woningen minder is. Daarbij wordt de benodigde grondophoging voor het bereiken van het nieuwe bouwpeil tot maximaal 6 meter achter de achtergevel gerealiseerd; het achterste gedeelte van de tuinen wordt niet opgehoogd. waarna vervolgens De dorpsbouwmeester heeft dienaangaande op 23 september 2025 een positief advies afgegeven; dit advies is bijgevoegd als Bijlage 2.
Gelet op bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ruimtelijk-visuele effecten van voorliggend project aanvaardbaar zijn.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. In de NOVI staat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal, waarmee wordt bedoeld dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. In de NOVI wordt gebruik gemaakt van afwegingsprincipes bij het maken van keuzes:
In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen:
Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met mede overheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.
In de NOVI wordt ten aanzien van Zuid Limburg aangegeven dat de regio sociaaleconomische en fysieke opgaven heeft die van betekenis zijn in een bijzondere grensoverschrijdende omgeving (met regio's rond het Duitse Aken, het Waalse Luik en het Vlaamse Hasselt). De opgaven die te maken hebben met bereikbaarheid (drielandentrein), circulaire economie (Chemelot) en bevolkingsdaling (voormalige mijnstreek) zijn stuk voor stuk fors en vragen alle drie internationale afstemming en overleg. Een rijksrol is daarbij noodzakelijk.
De Omgevingswet (hierna: Ow) werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit (hierna: Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Omgevingsbesluit
Het Ob richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Ob regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.
Besluit activiteiten leefomgeving
Het Bal bevat, samen met het Bbl, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Ow ingevoegd.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Het Bbl bevat, samen met het Bal, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Het Bkl bevat regels ter bescherming van de nationale belangen aan de hand van instructieregels, waaronder:
In Hoofdstuk 4 van deze motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in hoofdstuk 4 bij het betreffende aspect behandeld.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is.
De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, als de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Over de vraag wanneer precies sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich gebogen in een overzichtsuitspraak d.d. 28 juni 2017 (zaaknummer 201608869/1/R3).
Daarin is onder andere overwogen dat een woningbouwplan van 12 of meer woningen een stedelijke ontwikkeling betreft.
Conclusie
Voorliggende project betreft de ontwikkeling van drie woningen, ruim onder de grenswaarde van 12 woningen. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Op grond van vorenstaande uiteenzetting van het Rijksbeleid en regelgeving wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkelingen plan hiermee geen strijdigheden opleveren.
Op 15 december 2020 is de Omgevingsvisie vastgesteld door Gedeputeerde Staten, waarna vervolgens Provinciale Staten deze op 1 oktober 2021 hebben vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden.
In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen.
In de omgevingsvisie worden door de provincie drie hoofdopgaven onderscheiden die Limburg-breed spelen. Weliswaar verschillen de accenten per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn:
Bij het maken van afwegingen op het gebied van de fysieke leefomgeving hanteert de provincie de volgende principes:
Voor het toekomstbeeld voor Limburg hanteert de provincie een indicatieve zonering. De verschillende categorieën worden ondergebracht bij drie hoofdtypes:
Onderhavig projectgebied is gelegen in de zonering 'Buitengebied' en 'Groenblauw mantel'.
Provinciale zoneringen met aanduiding projectlocatie
Groenblauwe mantel
De gebieden aangewezen als groenblauwe mantel liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar de provincie goede combinatiemogelijkheden ziet voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. In de groenblauwe mantel blijft de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie en is de agrarische sector tevens de belangrijkste beheerder. De provincie biedt mogelijkheden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer die bijdragen aan de instandhouding en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap.
Gemeenten hebben de motiveringsplicht om in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten in de groenblauwe mantel aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan. Bij nieuwe ontwikkelingen zal rekening gehouden moeten worden met de aanwezige omgevingskwaliteiten, maar ook met regionale afspraken ten aanzien van de ontwikkeling van onder meer wonen, bedrijventerreinen, detailhandel en vrijetijdseconomie.
Buitengebied
Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo'n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk.
De provincie onderscheidt in de omgevingsvisie de volgende thematische visies:
Per thema beschrijft de provincie in de omgevingsvisie het provinciale belang, de opgave, de ambities en waar de provincie voor kiest.
Voor onderhavige voornemen is sprake van een ontwikkeling gericht op wonen. Daarop wordt in de (provinciale) thematische visie 'Wonen en leefomgeving' ingegaan. Aangegeven wordt dat er op het gebied van wonen en leefomgeving veel uitdagingen en kansen liggen. Zo vermeldt de omgevingsvisie het volgende:
'De woningbehoeften van de Limburgers veranderen. Daarom kiezen wij voor een goed doordacht, flexibel beleid op hoofdlijnen. Hiermee spelen we in op de huidige opgaven én de te verwachten uitdagingen in de toekomst. De woonbehoeften van onze inwoners zijn hierbij leidend.'
Voorts wordt het volgende aangegeven:
'Wat betreft onze ambitie is het succes van de woningmarkt onlosmakelijk verbonden met de sociaaleconomische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen en het voorkomen van segregatie. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kunnen we een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen.'
Het provinciale beleid ten aanzien van wonen heeft een vertaling gekregen in de in maart 2023 door partijen (provincie Limburg, alle gemeenten in Limburg, woningcorporaties, en waterschap) ondertekende 'Limburgse Woondeal 2023-2030'. In deze woondeal is afgesproken dat voor de drie woonregio's in Limburg (Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg) er minimaal 26.550 woningen bij komen. Daarbij is tevens de ambitie uitgesproken voor nog eens 20.000 woningen extra. Op grond van de woondeal wordt gestreefd naar een productie van circa 3.000 woningen per jaar. Met de Woondeal Limburg wordt gestreefd naar betaalbaar wonen voor iedereen.
Naast de thematische visies gaat de provincie in de omgevingsvisie ook in op de gebiedsgerichte visies. Daarbij wordt ingegaan op de visie op bovenregionaal niveau, om vervolgens de visies voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg uiteen te zetten.
De provincie geeft aan dat de aantrekkelijkheid van Zuid-Limburg in sterke mate wordt bepaald door de aanwezigheid van relatief op korte afstand van elkaar gelegen, dichtbevolkte stedelijke gebieden, gelegen in het unieke Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Het heuvellandschap en de Maasvallei geven samen met de historische binnenstad van Maastricht een bijzondere kwaliteit, rijke historie en eigen cultuur aan deze regio. In Zuid-Limburg wonen, werken en leven zo'n 600.000 mensen. Zuid-Limburg is het meest verstedelijkt grensgebied en de meest Europese regio van het land. Samen met de stedelijke regio's van Aken (Duitsland), Luik en Verviers (Wallonië) en Tongeren, Hasselt en Genk (Vlaanderen) vormt Zuid-Limburg de Euregio Maas-Rijn met vier miljoen inwoners en 2,2 miljoen banen. Daarnaast maakt de regio deel uit van het groene grensoverschrijdende Drielandenpark.
De Omgevingsvisie Limburg is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van beleid in de POVI, dan gebeurt dit in de omgevingsverordening.
In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:
Bij de OvL behoort een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn. Ter plekke van onderhavig plangebied zijn diverse gebiedsaanwijzigingen van toepassing; deze zijn opgenomen in onderstaande figuur.
Uitsnede Omgevingsverordening Limburg met van toepassing zijnde gebiedsaanwijzingen
Vooraleerst is de gehele locatie in het beschermingsgebied 'Einstein Telescope' gelegen. Op grond van de instructieregels voor dit beschermingsgebied (Afdeling 16.1 Omgevingsverordening Limburg) zijn specifiek aangewezen activiteiten (zoals bijvoorbeeld de plaatsing van windmolens, of boringen dieper dan 100 meter) verboden. Voorliggend project voorziet niet in een bedoelde verboden activiteit, waardoor geen sprake is van strijdigheid met de regels van het beschermingsgebied 'Einstein Telescope'.
Onderhavige locatie is gelegen binnen het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg'. In Afdeling 7.1 van de Omgevingsverordening Limburg zijn de instructieregels voor dit beschermingsgebied voorgeschreven. Voorgeschreven is dat een motivering bij een omgevingsplan (of buitenplanse omgevingsplanactiviteit) dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg een beschrijving bevat van (a) de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten (reliëf, open-besloten karakter, groene karakter, en cultuurhistorisch erfgoed), (b) de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan, en (c) de wijze waarop de negatieve effecten zijn gecompenseerd.
In het kader van voorliggend project is een landschapsanalyse, als onderdeel van het landschapsplan en basis voor de voorgestelde landschappelijke inpassing. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 4.9. Daaruit blijkt dat als gevolg van voorliggend project geen sprake van een onevenredige aantasting van aanwezige kernkwaliteiten en daarmee geen strijdigheden zijn met de instructieregels van het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg'.
Het projectgebied is gelegen in de 'groenblauwe mantel'. In afdeling 7.3 zijn de instructieregels voor deze groenblauwe mantel voorgeschreven. Voor deze gebieden wordt voorgeschreven dat in de motivering bij een omgevingsplan de volgende onderwerpen dienen te worden beschreven:
Zoals eerder geconstateerd is als gevolg van voorliggend project geen sprake van een onevenredige aantasting van aanwezige kernkwaliteiten. Op het voornemen in relatie tot het Natuurnetwerk, Natura2000 gebieden, water, en bedreigde soorten wordt nader ingegaan in Hoofdstuk 4 van voorliggende motivering. Geen sprake is van strijdigheden met de instructieregels voor de 'groenblauwe mantel'.
In artikel 12.1 van de Omgevingsverordening Limburg is voorgeschreven dat bij de realisatie van één of meerdere woningen in de daartoe op te stellen motivering bij een omgevingsplan beschreven wordt dat:
Onderhavig initiatief impliceert drie wooneenheden, gericht op dorpsbewoners of mensen die vanwege gebrek aan mogelijkheden binnen het dorp, buiten het dorp zijn gaan wonen. Daarmee heeft het plan maatschappelijke meerwaarde en wordt aangesloten op de kwantitatieve en kwalitatieve behoeftes op de woningmarkt. Voorliggend woningbouwplan zal door de gemeente regionaal worden afgestemd en worden toegevoegd aan de regionale woningmarktprogrammering.
Op grond van de provinciale regels geldt, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, voor 'overstromingskansgebied B' een gemiddelde overstromingskans per jaar van 1:10 als omgevingswaarde. Dit betreft een inspanningsverplichting voor het waterschap waaraan uiterlijk in 2035 dient te zijn voldaan. Op het aspect water wordt in paragraaf 4.8 van voorliggende motivering nader ingegaan.
In artikel 13.1 van de OvL is bepaald dat ter plekke van het 'uitsluitingsgebied windturbines' geen plaatsing van een windturbine met een masthoogte van 25 meter of hoger toe wordt gelaten. Daarvan is bij voorliggend project geen sprake.
Ter plekke van voorliggend projectgebied is sprake van de ligging in een uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw. In afdeling 10.1 is voorgeschreven dat een omgevingsplan een uitbreiding van het bouwvlak voor een glastuinbouwbedrijf onder specifieke voorwaarden kan toestaan in het uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw. Bij voorliggende project is geen sprake van een glastuinbouwbedrijf.
Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het geldende provinciale beleid en regelgeving is geen sprake van strijdigheden.
Op 20 oktober 2016 heeft de gemeenteraad van Gulpen-Wittem ingestemd met de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL). De SVWZL is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de Zuid-Limburgse gemeenten.
Het kader voor de SVWZL is het in samenwerking met de provincie en andere direct betrokken partijen tot stand gekomen en in december 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL), die eveneens een visie bevat op Zuid-Limburg. In de SVWZL staat de transformatieopgave centraal, dat wil zeggen de totale woningbehoefte op basis van het aantal huishoudens, rekening houdend met de huidige woningvoorraad en de leegstand.
De SVWZL bevat een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk:
Om invulling te geven aan deze opgave hebben de Zuid-Limburgse gemeenten in totaal dertien beleidsafspraken met elkaar gemaakt. Eén van de afspraken luidt als volgt:
Op een uniforme wijze dient een afweging te worden gemaakt om kwalitatief goede nieuwe woningbouwinitiatieven aan de woningmarktprogrammering toe te voegen. Nieuwe woningbouwinitiatieven moeten worden gecompenseerd. Hierbij kan in volgorde gebruik gemaakt worden van:
Op grond van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) dienen aan de bestaande planvoorraad toe te voegen woningen in beginsel te worden gecompenseerd, hetzij middels fysieke sloop hetzij middels doen van een financiële storting in het (regionale) sloopfonds.
De gemeenteraad van Gulpen-Wittem heeft op 25 februari 2021 de beleidsregel 'Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021' vastgesteld. Deze beleidsregel komt in de plaats van de eerder vastgestelde beleidsregel 'Tijdelijke versoepeling van de compensatiesystematiek van de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg'.
Op grond van de nieuwe beleidsregel hoeven 'goede woningbouwplannen' niet meer te worden gecompenseerd. Of sprake is van een goed woningbouwplan wordt bepaald aan de hand van drie criteria:
Criterium 1: Het plan heeft maatschappelijke meerwaarde
Een woningbouwplan heeft maatschappelijke meerwaarde wanneer bijvoorbeeld sprake is van één van de volgende situaties:
Daarbij wordt aangesloten op het ruimtelijke uitgangspunt dat inbreiding boven uitbreiding gaat.
Criterium 2: Het plan is planologisch aanvaardbaar
Een plan is (ruimtelijk) planologisch aanvaardbaar als het voldoet aan de Ladder van Duurzame verstedelijking (Besluit ruimtelijke ordening; artikel 3.1.6. lid 2) voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat een beschrijving van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte nodig is:
Criterium 3: Het plan is (sub)regionaal afgestemd
Het derde criterium betreft subregionale afstemming, zodat gezamenlijke oordeelsvorming plaatsvindt en het gemeenschappelijk belang voorop blijft staan (geen onderlinge concurrentie en overschotten op subregionaal niveau). De subregio bepaalt of het plan aan de subregionale woningmarktprogrammering wordt toegevoegd. Woningbouwplannen die concurrerend zijn op regionale schaal (de Zuid-Limburgse woningmarkt), worden ook op Zuid-Limburgse schaal afgestemd.
Bij voorliggend project is sprake van het toevoegen van drie extra woningen in het hoge prijssegment (circa € 600.000,00 per woning). De woningen zullen zoveel mogelijk levensloopbestendig worden uitgevoerd, waarmee een aantoonbare bijdrage aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad wordt geleverd. Tevens is sprake van een inbreidingslocatie. Het plan sluit aan bij de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte op basis van het Woonbehoefteonderzoek Maastricht Heuvelland d.d. 17 juli 2023. Het initiatief is akkoord bevonden door de subregio.
Het project is passend binnen het regionale (woning)bouwbeleid. Er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend project.
Op 25 oktober 2018 heeft de gemeenteraad van Gulpen-Wittem de 'Lokale Woonvisie Gulpen-Wittem 2018-2025' vastgesteld. In deze visie zijn onder meer de volgende (relevante) speerpunten van beleid opgenomen:
woningvoorraad.
In het Woonbehoefteonderzoek Maastricht Heuvelland d.d. 17 juli 2023 wordt ervan uitgegaan dat de gemeente Gulpen-Wittem de komende 10 jaar waarschijnlijk te maken krijgt met (verdere) ontgroening en vergrijzing. In het aantal stellen en alleenstaanden ouder dan 65 jaar wordt een forse toename verwacht. In het koopsegment zien we behoefte aan alle prijssegmenten terug. Met name ouderen nemen in aantal toe. Zij wonen nu nog vaak in een reguliere grondgebonden woning, maar zouden voor een deel juist willen verhuizen naar een nultredenwoning, welke aansluit op hun veranderende woonwensen. Een divers nieuwbouwaanbod helpt om zoveel mogelijk huishoudens te kunnen bedienen en daarmee de doorstroming op gang te brengen en houden.
Op 29 maart 2012 heeft de gemeenteraad van Gulpen-Wittem ingestemd met de Intergemeentelijke structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul. Deze structuurvisie is het een integrale ruimtelijke visie voor het grondgebied van de drie gemeenten.
Onder de voormalige Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) waren gemeenten verplicht een structuurvisie op te stellen, waarin strategische keuzes voor ruimtelijke ontwikkeling werden vastgelegd. Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul hebben dit gezamenlijk te gedaan, gezien hun gedeelde ligging in het Geuldal en de nadruk op natuur en landschap als verbindende elementen. Het gezamenlijke beleidskader biedt voordelen, zoals afstemming van ruimtelijk beleid, integratie van afspraken met de Provincie Limburg en het (voormalige) Limburgs Kwaliteitsmenu. De intergemeentelijke structuurvisie vormt de juridische basis voor het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) van de gemeente Gulpen-Wittem.
Het GKM is van toepassing wanneer:
De specifieke extra condities en voorwaarden behorend bij de module 'nieuwe (solitaire) woningen' wordt als volgt omschreven.
Nieuwe woningen zijn alleen toegestaan in de kernrandzones, aangrenzend aan de rode contour, ter verbetering en verfraaiing en afronding van de kern (ruimtelijke kwaliteitsverbetering) en in bebouwingslinten en – clusters. Uitbreiding van linten en clusters wordt niet toegestaan. In alle zones is dit toegestaan, maar hier wordt zeer terughoudend mee omgegaan. Het gaat hierbij maar om één of enkele woningen en alleen mits passend binnen de woningbouwprogrammering op basis van de regionale woonvisie Maastricht en Mergelland. In alle gevallen is maatwerk gericht op kwaliteitsverbetering en rekening houdend met de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden, noodzakelijk.
Onderhavig voornemen is gericht op een kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling en is in lijn met het lange termijn streven voor een toekomstbestendig woonaanbod, zoals benoemd in de Intergemeentelijke Structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul. Daarnaast is het plangebied gelegen in de kernrandzone, grenzen aan de rode contour, rondom de kern Partij. Hiermee voldoet het voornemen ook aan de condities conform het GKM.
Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het relevante gemeentelijke beleid geen belemmeringen voor onderhavig project.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.
Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid i Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het projectgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.
Voorliggend project voorziet in de wijziging van de bestemming van het perceel van 'Agrarisch' naar 'Wonen' en het toevoegen van drie verblijfsruimtes. In dat kader is ten behoeve van het project een bodemonderzoek uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5. Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:
Ter plaatse van het te onderzochte perceel zijn een 9-tal boringen deels in combinatie met inspectiegaten voor asbestonderzoek geplaatst. Eén van de geplaatste boringen is tot onder het grondwaterniveau doorgezet en met een peilbuis afgewerkt.
Bovengrond
Uit de resultaten van de bovengrond blijkt dat lichte overschrijdingen zijn aangetroffen, welke de normwaarden overschrijden doch niet de normwaarde voor de klasse 'Wonen'. Op basis van een indicatieve toetsing kan de bovengrond deels als klasse 'Wonen' en deels als klasse 'Landbouw/Natuur' worden bestempeld.
Ondergrond
De bovengrond is analytisch in een 2-tal grondmengmonsters onderzocht. Behoudens een lichte overschrijding met kobalt zijn geen verdere overschrijdingen aangetroffen. De ondergrond kan op basis van een indicatieve toetsing als klasse 'Landbouw/Natuur' worden gekwalificeerd.
Grondwater
In het grondwater worden geen overschrijdingen van de signaleringsparameters aangetroffen. De hypothese “onverdacht” wordt op basis van de onderzoeksresultaten niet geheel bevestigd. De aangetroffen overschrijdingen zijn echter dermate marginaal, dat deze geen directe belemmeringen opleveren voor de beoogde bouwplannen en het beoogd gebruik ten behoeve van woondoeleinden.
Geotechnisch
Naast eerder genoemd bodemonderzoek is ook een geotechnisch onderzoek uitgevoerd om de draagkracht van de bodem te bepalen en de best toepasbare funderingstype. Dit onderzoek is terug te vinden in bijlage 6.
Tijdens de uitvoering van het grondonderzoek kon van op nagenoeg het maaiveld (NAP +99,33 m) tot op een diepte van maaiveld -1,6 meter oftewel NAP +97,71 m grondwater worden waargenomen. Gelet op de projectgegevens en de opbouw en samenstelling van de ondergrond is een fundering op staal, beneden de nieuwbouw mogelijk, zij het in combinatie met een grondverbetering of een verdiepte aanleg. De toe te passen funderingselementen betreffen vooraleerst stroken en/of poeren.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
De adviezen uit het geotechnisch onderzoek worden overgenomen.
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).
In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 4.3wordt ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten.
Bij voorliggend project is sprake van het realiseren van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast is sprake van de ligging in een geluidaandachtsgebied van (spoor)weg of industrie. In dat kader is ten behoeve van het project een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 7 . Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.
Provinciale wegen
Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, civieltechnische, verkeerskundige en financiële aard. Geconcludeerd is dat de provinciale weg een hogere geluidbelasting veroorzaakt dan de standaardwaarde. De wettelijke grenswaarde wordt echter nergens overschreden.
Omdat verdere maatregelen niet doelmatig zijn, staat het bevoegd gezag voor de beoogde woningen binnen het plan meer geluid dan de standaardwaarde toe. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem heeft, gelijktijdig met onderhavig besluit, een besluit Hogere Waarden genomen.
Gemeentelijke wegen
Uit de toets in het kader van de gemeentelijke wegen blijkt:
Ter hoogte van de bouwkavels wordt voldaan aan de standaardwaarde van 50 dB.
Gezamenlijk geluid
Het gezamenlijk geluid dient te worden bepaald indien er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron met een geluidbelasting boven de standaardwaarde. Het geluid van de betrokken geluidbronnen wordt ongewogen bij elkaar opgeteld, zonder correcties voor verschillen in hinderlijkheid. De waarden van het geluid door de geluidbronsoorten en andere geluidbronnen wordt niet afgerond.
Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw legt het bevoegd gezag de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit vast. In combinatie met de binnenwaarde kunnen initiatiefnemer en bevoegd gezag bij de bouwactiviteit de benodigde geluidwering van die gevel bepalen.
Karakteristieke geluidwering van de gevel
Aangezien het gezamenlijk geluid hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
Bij een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en (waar mogelijk) te bevorderen. Bij de milieuzonering kan gebruik worden gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) vervaardigde nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering (2024)'. In tegenstelling tot de eerdere VNG-uitgave(n) wordt niet meer gebruikgemaakt van zones met oplopende milieucategorieën en een Lijst van activiteiten, echter gaat de nieuwe handreiking uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. Deze nieuwe systematiek sluit beter aan bij de integratie van ruimte en milieu onder de Omgevingswet.
Ten opzichte van onderhavige projectlocatie is sprake van bestaande bedrijvigheid in de directe omgeving die van invloed kan zijn op het project.
In de nabijheid van de beoogde woningen is een transformatorstation gelegen. Deze locatie heeft de bestemming 'Bedrijf – Nutsvoorziening'. Daarnaast bevindt zich een perceel met een bedrijfsbestemming, doch ter plaatse is geen bedrijf meer. De richtafstanden vormen geen belemmering. Dit is eveneens bevestigd door gemeente Gulpen-Wittem in haar eindadvies, zie bijlage 3.
Spuitzones
Een deel van het perceel waarop de woningen zijn beoogd behoudt de agrarische bestemming. Ook aan de oost- en noordzijde van dat perceel bevinden zich gronden met een agrarische bestemming. Op het perceel ten oosten van het plangebied mogen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Om te bepalen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies, meer specifiek of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dient rekening te worden gehouden met de blootstelling aan drift als gevolg van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk die afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek (zie bijvoorbeeld Ab 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023).
Om te bepalen of een ruimtelijk plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dient niet alleen de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, maar het plan in zijn geheel te worden beoordeeld (Ab 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2560).
Binnen een straal van 50 meter van plangebied zijn gronden met een agrarische bestemming gelegen. Op deze gronden is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan. Een aanzienlijk deel van deze gronden is in eigendom van initiatiefnemer (perceel 6868). Ten zuidoosten van de locatie ligt perceel kadastraal bekend gemeente Wittem - sectie M - nummer 17, en ten noorden van de locatie (overzijde van de Rijksweg) perceel kadastraal bekend gemeente Wittem -sectie P - nummer 254.
De beoogde woningen/tuinen zijn zodanig ontworpen dat zo min mogelijk beslag wordt gelegd op de getroffen agrarische percelen. Als gevolg hiervan valt enkel nog een klein deel van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Wittem – sectie M- nummer 17, binnen een straal van 50 meter.
Ten behoeve van onderhavig voornemen is met de eigenaar van het kadastrale perceel gemeente Wittem – sectie M – nummer 17 is overeengekomen dat in het kader van onderhavig voornemen een spuitbeperking op het deel van het perceel gelegen binnen een straal van 50 meter publiekrechtelijk wordt vastgelegd. Dit is tevens vastgelegd in artikel 16.1 van de regeling behorende bij dit TAM-Omgevingsplan. De verklaring is te bijgevoegd, zie Bijlage 4.
Het is verboden om ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' gewasbescherming met luchtondersteuning te gebruiken ten behoeve van de bomenteelt/fruitteelt of andere teelt.
Agrarisch perceel gelegen binnen een straal van 50 m.
Het perceel ten noorden van het plangebied, kadastraal bekend als Wittem - sectie P- nummer 254 ligt eveneens binnen de straal van 50 meter. Dit perceel in eigendom van Waterschap Limburg. Op percelen in eigendom van Waterschap Limburg is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.
Als gevolg van voorliggend project worden geen nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in de (directe) omgeving.
Gelet op vorenstaande is ten behoeve van het project geen een onderzoek uitgevoerd.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bedrijvigheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
Bij een evenwichtige toedeling van functies dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.
Een afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect.
In artikel 5.54 Bkl is een opsomming gegeven van standaardgevallen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie.
Eén van de standaardgevallen die NIBM bijdragen is de realisatie tot 1.500 woningen, ontsloten via één ontsluitingsweg. Bij voorliggend project is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang, waardoor gesteld kan worden dat het realiseren hiervan NIBM bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
Vorenstaande kan worden gestaafd met de NIBM-tool, waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kunnen worden. Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.522 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) pas in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 4% vrachtverkeer.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Daarbij speelt ook omgevingsveiligheid een rol.
Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.
De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.
Groepsrisico
Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit.
Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, is het Register externe veiligheid geraadpleegd. Daaruit blijkt dat het projectgebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle bronnen. De dichtstbijzijnde risicovolle bron betreft het tankstation ten westen van de projectlocatie, gelegen op ca. 350 meter afstand.
Uitsnede Register externe veiligheid met aanduiding plangebied
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.
De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:
Op 22 december 2016 heeft de gemeenteraad van Gulpen-Wittem de 'Archeologische verwachtingskaart' en 'Archeologische Beleidskaart Gulpen-Wittem' vastgesteld. De projectlocatie ligt in een zone van archeologische waarde 2, 3 en 4. Aan deze zonering heeft het gemeentelijke beleid de vrijstellingsgrenzen van 30 cm (diepte) en 100 m², 500 m² of 1.000 m² (oppervlakte) gekoppeld. Bij overschrijding van de vrijstellingsgrens dient een rapport te worden overlegd waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. In het kader van dit proces is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 8. Het archeologisch onderzoek betrof een bureaustudie en een verkennend booronderzoek.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart met aanduiding projectlocatie
Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.
Naar aanleiding van de bureaustudie was een hoge archeologische verwachting uitgesproken voor alle complextypes uit de periode vroege prehistorie t/m Romeinse tijd en voor off site fenomenen voor de periode middeleeuwen en nieuwe tijd.
Resultaten na bureaustudie
Op basis van de vastgestelde bodemopbouw dient de verwachting voor nederzettingen en/of begraafplaatsen bijgesteld te worden naar laag. De bodemcondities wijzen op ongunstige vestigingscriteria (te natte bodem zonder zondige -hogere- opduikingen). Daarenboven zijn in de directe omgeving (iets meer zuidelijk) drogere en aantrekkelijkere bodems en landschappen aanwezig.
Ook voor proxy-data dient de verwachting bijgesteld te worden naar laag. Er zijn hiervoor geen gunstige bodemlagen aangetroffen.
De verwachting voor off site fenomenen dient behouden te blijven in de zin dat een landschap altijd in meer of mindere mate gebruikt is. Dit gebruik is doorgaans dan wel gekoppeld aan een nederzetting in de directe omgeving. Voor de oudste periodes (tot de volle middeleeuwen) zijn daarvoor nog geen directe aanwijzingen. Voor deze periodes (vroege prehistorie t/m vroege middeleeuwen) dient de verwachting voor off site fenomenen bijgesteld te worden naar onbekend. Voor de periode volle middeleeuwen t/m nieuwe tijd is sprake van de historische nederzetting (gehucht/dorp) van Partij. Voor deze periodes dient de verwachting voor off site fenomenen behouden te blijven.
Resultaten na verkennend booronderzoek
Gezien het planvoornemen en gezien de verwachting na het uitgevoerde booronderzoek, wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Ten aanzien van de nog aanwezige verwachting voor off site fenomenen uit de periode volle middeleeuwen t/m nieuwe tijd worden geen uit te voeren archeologische maatregelen voorgesteld. Deze resten -indien aanwezig- komen namelijk overal voor en kunnen op andere locaties waar wel zinvol aanvullend onderzoek wordt voorgesteld mede geregistreerd worden.
Indien in bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, worden deze direct gemeld bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11 en bij de gemeente.
Van overig cultureel erfgoed (monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, e.d.) is ter plekke van onderhavig projectgebied geen sprake.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'cultureel erfgoed' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
Ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied zullen drie een nieuwe in-/uitritconstructies worden gerealiseerde op de openbare weg. Als gevolg van voorliggend project neemt het aantal verkeersbewegingen toe.
Om de verkeersgeneratie te bepalen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 'Parkeerkencijfers 2024'.
Wanneer voor een bepaald gebied bekend is hoeveel woningen er worden gebouwd, is op basis van vuistregels globaal de verkeersgeneratie per etmaal te berekenen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt met de stedelijkheidsgraad en naar ligging in de stedelijke zone.
De kern Partij kenmerkt zich als een 'weinig stedelijk' gebied, gelegen in de zone 'rest bebouwde kom'.
Onderhavige voornemen betreft de realisatie van het woningtype 'koop, huis, vrijstaand',
Voor een woning van dit type, gelegen in een 'weinig stedelijk' gebied in de zone 'rest bebouwde kom' wordt uitgegaan van maximaal 8,6 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etm).
Voor onderhavig voornemen betekent dit een toename van 3 x 8,6 mvt/etm = 25,8 mvt/etm.
De Rodestraat is één van de hoofdwegen van de kern Partij. Een toename van 25,8 mvt/etm als gevolg van onderhavig voornemen leidt niet tot significante drukte op deze weg.
Gelet op vorenstaande behoeven ten gevolge van voorliggend project geen problemen te worden verwacht in de verkeersstroming, -afwikkeling en -veiligheid.
Op 16 december 2008 heeft de gemeenteraad van Gulpen-Wittem de 'Beleidsnota Parkeernormen en Parkeerfonds Gulpen-Wittem' vastgesteld. Op basis van deze Beleidsnota dient als gevolg van voorliggend project rekening te worden gehouden met de volgende parkeerbehoefte: 1,8 parkeerplaats per eengezinswoning in de middeldure sector, gelegen buiten de kern Gulpen. Deze parkeerbehoefte dient op eigen terrein te worden opgevangen.
In onderhavig voornemen is ruimte voor 2 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein.
Situatietekening met opvang parkeerbehoefte
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:
Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.
In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.
Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:
De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend.
Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet.
Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma:
Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.
Door klimaatverandering zal de kans op extreme buien, regenwateroverlast en overstromingen toenemen. Het is belangrijk om vooruit te kijken en nu al rekening te houden met toekomstige klimaatontwikkelingen.
Waterschap Limburg heeft daarom in opdracht van programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg (WRL) overstromingskaarten opgesteld. Voor deze kaarten is vooruitgekeken naar het jaar 2100 en de risico's die we in dat jaar op basis van klimaatverandering verwachten.
De kaarten geven inzicht op welke plekken overstromingen kunnen ontstaan door extreme neerslag (pluviale overstromingen) of piekafvoeren in de beken (fluviale overstromingen). Ze geven ook inzicht in de risico's op schade voor bebouwing en veiligheidsrisico's zoals gevaar voor voertuigen en mensen op staat of instortingsgevaar van gebouwen.
Uitgangspunt is een situatie die in 2100 eens per 100 jaar kan voorkomen (jaarlijkse kans is 1%). In het huidige klimaat is de kans op zulke overstromingen kleiner en komt dit gemiddeld eens per circa 500 jaar voor. Dit beeld is ongeveer vergelijkbaar met wat in juli 2021 in Valkenburg is gebeurd.
Met betrekking tot het plangebied zijn de volgende beschikbare overstromingskaarten geraadpleegd:
Op 29 september 2022 heeft de gemeenteraad van Gulpen-Wittem ingestemd met de 'Hemelwaterverordening gemeente Gulpen-Wittem'. Hierin is (o.a.) opgenomen dat hemelwaterafvoer in beginsel binnen eigen perceel dient te geschieden. Indien er meer dan 20 m2 dakverharding wordt toegevoegd dienen er tevens infiltratiemaatregelen genomen te worden.
Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig projectgebied wordt hierna uiteengezet.
Uit raadpleging van de kaarten blijkt dat ter plaatse van onderliggend plangebied risico's bestaan met betrekking tot de waterdiepte bij een pluviale overstromingen en daarmee tevens gevaarzetting.
Uitsnede kaart waterdiepte bij pluviale overstroming met aanduiding bouwpercelen (rood omkaderd)
Uitsnede kaart waterveiligheid bij pluviale overstroming met aanduiding bouwpercelen (rood omkaderd)
Een deel van de woonpercelen is gelegen binnen de op vorenstaande kaarten aangeduide gebieden. Dit zou een verlies impliceren van fysieke ruimte die beschikbaar is bij pluviale overstromingen. Door de grondophoging ten behoeve van de woonpercelen te beperken tot respectievelijk 1 meter, 3,5 meter en 6 meter achter de achtergevel, blijft de grondophoging buiten het voor pluviale overstroming aangeduide gebied. De achtertuinen blijven zodoende beschikbaar bij eventuele pluviale overstromingen. In onderstaande figuur is vorenstaande in beeld gebracht.
Situering keerelementen t.b.v. grondophoging t.o.v. overstromingsgebied
Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt voorliggend plan geen onevenredig nadelige gevolgen voor het overstromingsrisico binnen het regionale watersysteem.
Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de bestaande aansluiting aan de gemeentelijke riolering van de gemeente. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.
Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het projectgebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem.
Voorliggend project voorziet in ontwikkeling met een totale dak- en erfverharding van 288 m2. Gelet op de hemelwaterverordening is ten behoeve van het project een onderzoek verricht naar de waterdoorlatendheid van de bodem. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 9. Op grond van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken en aanbevelingen gedaan:
Middels veldtesten is de doorlaatfactor voor infiltratie afgeleid. Op de projectlocatie zijn een aantal doorlatendheidsproeven uitgevoerd. Hiertoe wordt tot op een bepaalde diepte een boring met bekende boordiameter uitgevoerd in, met name, de onverzadigde zone (= boven het grondwater). Vervolgens is in korte tijd het boorgat gevuld met een vooraf vastgestelde hoeveelheid water. De resultaten van de proeven zijn in de volgende tabel weergegeven.
Resultaten doorlatendheidsproeven
Over het algemeen wordt gesteld, dat infiltratie van neerslagwater interessant is, indien aan de volgende eisen wordt voldaan:
De bodem is geclassificeerd en de doorlatendheid voldoet ter hoogte van boring nummers IP01 en IP04 aan de eerste eis. Dit resultaat is dan wel opmerkelijk daar het geconstateerde bodemprofiel eerder een lagere doorlatendheid suggereert. Als gevolg hiervan zijn de testen zijn tot twee keer toe herhaald met het geformuleerde resultaat. De aanwezigheid van geroerde grond zou debet kunnen zijn aan de gevonden waarden.
Met een grondwatervoorkomen van maaiveld -0 tot -1,6 meter wordt aan de tweede eis, over het algemeen, niet voldaan. Waar wel aan deze eis wordt voldaan, voldoet de grondslag niet aan de eerste eis (i.c. IP03).
Aan de derde eis kan worden voldaan door alleen schoon regenwater te infiltreren. Voor infiltratie van het water zal een zand- en slibvangsysteem moeten worden aangebracht. De mogelijkheden voor infiltratie zijn als volgt:
Uit de gemeten doorlatendheden blijkt dat infiltratie van neerslagwater in de (ondiepe) ondergrond niet zondermeer tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van de Rodestraat ong. te Partij; of de waterdoorlatendheid is onvoldoende of de grondwaterstand is te hoog.
Een 'valuable' oplossing is het toepassen van een gereguleerde voeding/afvloeiing, bijvoorbeeld door middel van een wadi in combinatie met grindpalen tot op/beneden NAP +87 m in het Gulpen kalk.
Bij het verwerken van het hemelwater dient gerekend te worden met de navolgende eisen:
Ter plekke worden de volgende dak- en erfverhardingen aangelegd (geschat):
Bouwkavel 1:
Hoofdgebouw: 96 m²
Verharding (evt. oprit/tuinverharding): 88 m²
Totaal kavel 1: 184 m²
Bouwkavel 2:
Hoofdgebouw: 96 m²
Verharding (evt. oprit/tuinverharding): 87 m²
Totaal kavel 2: 183 m²
Bouwkavel 3:
Hoofdgebouw: 96 m²
Verharding (evt. oprit/tuinverharding): 87 m²
Totaal kavel 3: 183 m²
De te verwerken hoeveelheid hemelwater per kavel dient te bedragen:
Kavel 1: 184 m² x 0,080 (80 mm) = 14,72 m³
Kavel 2: 183 m² x 0,080 (80 mm) = 14,64 m³
Kavel 3: 183 m² x 0,080 (80 mm) = 14,64 m³
Totaal: 44 m³
Op basis van de bouwtekeningen blijkt dat de percelen ten behoeve van de bouw van de woningen worden opgehoogd. Hierdoor komt het nieuwe maaiveld tussen 1,0 en 1,7 m boven het oorspronkelijke maaiveld. Deze ruimte kan worden benut voor het tijdelijk bergen van hemelwater (boven de grondwaterspiegel). Dat kan door middel van het toepassen van infiltratiekratten beneden het (nieuwe) maaiveld.
Deze koffers kunnen worden aan elkaar gekoppeld en wateren af via één grindpaal. Bij het aanleggen van de hemelwatervoorziening dient een bladvanger en een calamiteitenoverloop te worden geïnstalleerd.
Uitgangspunten voor de aan te leggen grindpaal voor het infiltreren van hemelwater zijn als volgt:
De infiltratiecapaciteit (per dag) kan worden berekend aan de hand van de volgende formule:
Q = K * A * i
Q = 500 * 1,51 * 1 = 753,98 m³/dag.
De infiltratievoorziening is binnen (44 / 753,98 =) 0,058 dagen/1,40 uur weer beschikbaar.
De hemelwaterberging dient zo te worden ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 24 uur weer beschikbaar is. Aan deze verwerkingseis voor hemelwater wordt ruimschoots voldaan.
In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen.
Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water'geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren:
Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
Vanwege de huidige functie van het terrein (Agrarisch) is er een kans dat er (leefgebieden van) beschermde dier- en/of plantensoorten aanwezigen zijn. De wijziging van functie en het toevoegen van drie woningen heeft mogelijk een verstorend effect.
Ten behoeve van onderhavig project is een quickscan verricht naar eventuele aanwezigheid van beschermde soorten flora en/of fauna. De rapportage van deze quickscan is bijgevoegd als bijlage 10. Op grond van de quickscan zijn de volgende conclusies getrokken een aanbevelingen gedaan:
De quickscan flora en fauna is uitgevoerd door een veldbezoek. Ten tijde van het veldbezoek weden de weilanden en paddock gebruikt voor het houden van paarden. Langs de randen van de weilanden en nabij de bomen groeit brandnetel. Op de weilanden zijn geen sporen van beschermde diersoorten waargenomen. Ook zijn er geen holen in de bodem waargenomen.
Ondanks dat geschikt voortplantingswater en habitat in de huidige situatie ontbreek op de locatie wordt voor de rugstreeppad en vroedmeesterpad wel geadviseerd om tijdelijke plassen en poelen te voorkomen tijdens de geplande werkzaamheden. Dit om te voorkomen dat deze soorten in deze tijdelijke plassen eieren kunnen afzetten.
Voor de geplande ingreep worden enkele aanwezige bomen gerooid welke als nestgelegenheid kunnen dienen voor diverse vogels. Op basis van artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen of nesten van vogels weg te nemen. De rooiwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is zal er voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden.
Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden. Een werkrichting geldt zowel voor landdieren als aquatische diersoorten.
Door tijdens de ontwerpfase te denken aan “natuurinclusief” bouwen kunnen de nieuwe woningen meer natuurwaarde bieden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld ingebouwde nestkasten voor vleermuizen of huismussen en gierzwaluwen.
Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het perceel Rodestraat ong. te Partij kan worden uitgesloten dat de voorgenomen bouwwerkzaamheden een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet.
Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.
Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).
Onderhavig projectgebied is op circa 95 meter afstand ten opzichte van Natura2000 gebied 'Geuldal' gelegen.
Ligging projectgebied t.o.v. Natura2000 gebieden
Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als bijlage 11 bij voorliggende toelichting.
Uit de berekeningen is gebleken dat geen sprake is van negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden ten gevolge van stikstof. Zodoende bestaat geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura2000 gebieden.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.
In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.
Onderhavige projectlocatie is niet gelegen in het Limburgse deel van het Natuurnetwerk.
Zoals reeds eerder geconstateerd in paragraaf 3.2.2.4 is het plangebied gelegen in het beschermingsgebied 'Nationaal Landschap Zuid-Limburg' en de 'groenblauwe mantel'.
In de Omgevingsverordening Limburg wordt ten aanzien van deze gebieden voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden een beschrijving bevat van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap zijn:
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap zijn niet vanzelfsprekend en zijn daarom gebaat bij een zorgvuldige omgang en bescherming. Om een raamwerk voor de bescherming en ontwikkeling van het Zuid-Limburgse landschap te bieden zijn een aantal zogenaamde leidende beginselen opgesteld. Op de locatie zijn een aantal leidende beginselen relevant voor voorliggend project, namelijk het vergroenen van de dorpsranden en het passend bouwen in een dorpsstructuur en dorpssilhouet.
Een landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd als bijlage 12. Hierin is voorzien in een landschappelijk kader rond de nieuwe woonkavels. De invulling van de nieuwe woonkavels dient in samenspraak met de nieuwe bewoners te worden uitgevoerd. De wens is om dit op een kwalitatief hoogstaande en groene invulling te doen. Daarmee worden groene en klimaatbestendige woningen en tuinen gecreëerd.
Uitsnede landschapsplan met kwaliteitsverbeterende maatregelen
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'natuur en landschap' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen van de aanwezigheid van kabels, leidingen en vrijwaringszones inzichtelijk te worden gemaakt.
Door het plangebied lopen geen boven- danwel ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kabels, leidingen en vrijwaringszones' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.
Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.
Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen;
Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte.
Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.
Bij voorliggend bouwplan wordt voldaan aan de voorwaarden voor duurzaamheid bij verbouw zoals deze zijn voorgeschreven in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'duurzaamheid en klimaat' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Ow en afdeling 11.2 van het Ob dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Ob, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Ob.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de m.e.r. een hulpmiddel voor de besluitvorming.
Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Ow, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34).
De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Ob) bestaat uit:
In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Ob zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. In het Besluit milieueffectrapportage waren dat nog 2 lijsten (onderdelen C en D in de bijlage bij dat besluit).
Bij voorliggende activiteit is geen sprake van een project met daartoe benodigd besluit zoals opgenomen in Bijlage V van het Ob.
Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit bijlage V van het Ob overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
1. Drempelwaarden Bijlage V Omgevingsbesluit
Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201501297/1/R4) is gezien de zeer beperkte omvang met dit voornemen (geen) sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J 11 van Bijlage V van het Ob betreft daarmee geen m.e.r.-plichtige activiteit.
2. Ligging binnen een gevoelig gebied
Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig besluitgebied ligt niet binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r..
3. Belangrijke milieugevolgen
In Hoofdstuk 4 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat de beoogde ontwikkelingen in het besluitvlak geen negatieve effecten hebben ten aanzien van deze aspecten. De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het geen m.e.r.-beoordeling aan de orde is en zodoende geen sprake is van belemmeringen voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over één tijdelijk omgevingsplan. Dat tijdelijke omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk is overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de 'bruidsschat' genoemd, die is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd. Via het Omgevingsloket (regels op de kaart) is op termijn daarom nog maar één, geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekkend omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn.
Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)
Publicatie van een wijziging van het omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de standaard STOP en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD-omgevingsplan). Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk kortweg aangeduid als TAM-IMRO.
Ook al lijkt het juridisch deel van deze wijziging van het omgevingsplan op een bestemmingsplan, het karakter is anders. Inhoudelijk dient deze wijziging namelijk te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet aan een wijziging van het omgevingsplan stelt, met uitzondering van de wijze van digitale vormgeving en publicatie. Anders dan een bestemmingsplan maakt deze wijziging van het omgevingsplan géén onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, maar maakt deze onderdeel uit van het nieuwe deel. In juridisch opzicht worden de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen regels en locaties dus fictief toegevoegd aan het initieel omgevingsplan zoals dat per 1 januari 2024 is te raadplegen via het Omgevingsloket. Daarmee vormt het ook één geheel met de bruidsschat die al is opgenomen in hoofdstuk 22 van dat plan, de begripsbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dat plan en de slotbepaling die is opgenomen in hoofdstuk 23 van dat plan.
Dit TAM-omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in:
Ter plaatse van het besluitgebied is het (tijdelijke) omgevingsplan gemeente Gulpen-Wittem van toepassing. Dit omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Ow zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Gulpen-Wittem van rechtswege omgezet naar één omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Gulpen-Wittem. In het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Kern Partij' eidend. Voor het opstellen van onderhavig TAM-omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Kern Partij'.
Via dit TAM-omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat.
De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken, namelijk 'Algemene bepalingen' (Hoofdstuk 1), 'Functies en activiteiten' (Hoofdstuk 2), 'Algemene regels' ( Hoofdstuk 3 ) en 'Overgangsregels' (Hoofdstuk 4 ). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.
Algemene bepalingen (hoofdstuk 1)
De algemene bepalingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-omgevingsplan. Deze algemene bepalingen omvatten de algemene begripsbepalingen en meet- en rekenbepalingen.
Functies en activiteiten (hoofdstuk 2)
Toepassingsbereik (Artikel 1)
In artikel 1 is het toepassingsbereik van dit TAM-omgevingsplan aangegeven, waarbij de koppeling is gelegd tussen de regels en de locatie c.q. plangebied met de geometrische bepaalde planobjecten.
Begrippen (Artikel 2 en Artikel 3)
In artikel 2 en 3 zijn ten opzichte van artikel 1 uit het omgevingsplan van de gemeente Gulpen-Wittem aanvullende begrippen opgenomen. Hierin worden omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.
Meet- en rekenbepalingen (Artikel 4)
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de meet- en rekenbepalingen in artikel 4 uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de manier waarop gemeten moet worden op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Aanvraagvereisten (Artikel 5)
In dit artikel is de koppeling gelegd met de aanvraagvereisten, als bedoeld in paragraaf 22.5.2 (van de bruidschat). Deze zijn van overeenkomstig toepassing verklaard op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van de regels.
Algemene gebruiksverbod (Artikel 6)
Dit artikel bevat een algemeen gebruiksverbod dat bepaalt dat het in algemene zin verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
Agrarisch (Artikel 7)
Algemeen
Uitgangspunt is handhaving van de bestaande openheid. Daartoe wordt bij uitbreiding en/of nieuwvestiging van agrarische bedrijven gestreefd naar zoveel mogelijk clustering van bebouwing om versnippering en verstening van het landschap te voorkomen. Binnen bestaande linten en/of clusters zouden gaten opgevuld kunnen worden. Uitbreiding van deze linten en/of clusters is niet toegestaan. Kleine landschapselementen worden in stand gehouden. Nieuwe elementen worden bij voorkeur gesitueerd op perceelsgrenzen en in bermen langs wegen en paden, opdat de agrarische bedrijfsvoering niet wordt belemmerd en de grootschalige openheid intact blijft.
De bouwregels
Binnen de bestemming agrarisch mag niet worden gebouwd, met uitzondering van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen en teeltondersteunende voorzieningen.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Om de gronden binnen de bestemming ‘Agrarisch’ te beschermen is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen. Dit regelt dat het verboden is op of in de tot 'Agrarisch' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen, het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen, het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond, het aanbrengen of aanleggen van oeverbeschroeiingen, kaden, aanleg- en ligplaatsen of vlonders, het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische structuur of de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en het bebossen van gronden ten behoeve van de houtproductie.
Dubbelbestemmingen
Dubbelbestemmingen zijn veelal een toevoeging op de onderliggende bestemming. Dit houdt in dat indien het bepaalde in een dubbelbestemming op gespannen voet kan staan met de regels van de onderliggende bestemming. Het bepaalde in de dubbelbestemming gaat voor.
De dubbelbestemmingen zijn naar twee hoofdgroepen te verdelen:
Waarde - Archeologie (Artikel 9)
De dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' is bedoeld ter bescherming en instandhouding van terreinen met (mogelijke) archeologische waarde. Deze bestemming geldt aanvullend op de andere aanwezige bestemmingen, voor zover deze niet met elkaar in strijd zijn. Om verstoring van archeologische waarden te voorkomen, gelden er beperkingen voor bodemingrepen en andere werkzaamheden. Bij diepere ingrepen of grotere ontwikkelingen binnen archeologisch waardevolle zones is archeologisch (voor)onderzoek vereist. Daarnaast is het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden vergunningplichtig, tenzij sprake is van normaal gebruik of ondergeschikte ingrepen. De bepalingen zijn gericht op het behouden van archeologisch erfgoed, waarbij in geval van (mogelijke) aantasting advies wordt ingewonnen bij de Rijksdienst voor Archeologie.
Waarde - Cultuurhistorie (Artikel 10)
Ten behoeve van het behoud van cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren wordt het volgende gesteld:
Waarde - Landschapselement (Artikel 11)
De dubbelbestemming 'Waarde – Landschapselement' is bedoeld om kleinschalige landschapselementen in het buitengebied, zoals houtwallen, singels en poelen, te beschermen en waar nodig te herstellen. Deze elementen dragen bij aan de landschappelijke, ecologische en waterbergende waarde van het gebied.Voor werkzaamheden die deze elementen kunnen aantasten, zoals vellen, rooien of dempen, geldt een aanlegvergunningplicht. Uitzonderingen zijn van toepassing op normaal onderhoud of werkzaamheden van geringe omvang. Toetsing vindt plaats op basis van de mogelijke impact op de landschappelijke waarden, waarbij ook voorwaarden voor compensatie kunnen worden gesteld.
Waterstraat - Erosie (Artikel 12)
De dubbelbestemming 'Waterstaat – Erosie' is gericht op het voorkomen en bestrijden van bodemerosie, wateroverlast en aantasting van het grondwaterpakket. De gronden zijn mede bestemd voor het treffen van maatregelen die bijdragen aan behoud van het bodemprofiel en het voortbrengend vermogen van de bodem.Om deze doelen te waarborgen, zijn bepaalde werkzaamheden vergunningplichtig, zoals het egaliseren van laagten, afgraven van grond of aanleggen van grotere waterbuffers. Ook het aantasten van bestaande landschapselementen met een waterregulerende functie is verboden, tenzij ontheffing wordt verleend op basis van toetsing aan de erosie-eisen. Binnen dit kader bestaat ook een wijzigingsbevoegdheid voor het college van Burgemeester en Wethouders ten behoeve van de aanleg van landschapselementen op steile gronden.
Wonen - 1 (Artikel 8)
Algemeen
De locatie heeft de functie 'Wonen' gekregen. Deze functie is primair gericht op wonen met de daarbij behorende voorzieningen, zoals tuin/erf, ontsluiting, parkeren op eigen terrein, hemelwatervoorzieningen e.d..
De bestaande woningen zijn voorzien van een redelijke uitbreiding ter realisering van de, naar de eisen van de tijd, beoogde vergroting van het woongenot. Het daarvoor benodigde ruimtebeslag wordt tot uitdrukking gebracht in de omvang van het bouwvlak en/of het vlak met de bouwaanduiding bijgebouwen. Daarbij wordt behoud van de herkenbaarheid als vrijstaande, blok van twee of geschakelde woning nagestreefd. Nieuwe (ter vervanging van bestaande) woningen zullen ook binnen dit regime moeten passen.
Onder de functie 'Wonen' valt ook het aan huis gebonden beroep. De omvang ervan is aan een maximum gebonden, het handhaven van een complete woning in het gebouw blijft vereist. De maat van het beroepsgedeelte is ten hoogste 100 m². Aan huis gebonden beroepen zijn dus rechtstreeks toegestaan, voor zover de woonfunctie volledig gehandhaafd blijft en voor zover de ruimtelijke uitwerking of uitstraling met de woonfunctie in overeenstemming is. Ten behoeve van parkeren dienen op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Consumentverzorgende en ambachtelijke bedrijfjes zijn niet rechtstreeks toegestaan, maar via ontheffing met een gelijke maatvoering.
Het realiseren van een nieuwe woning door middel van inpandig bouwen (woningsplitsing) is niet toegestaan.
Om het open karakter te behouden is bebouwing ter plekke van de aanduiding 'tuin' niet toegestaan.
Bouwvlak
In het bouwvlak mogen de hoofdgebouwen worden opgericht. Dit is het gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste gebouw is aan te merken. In de meeste gevallen bestaat dit gebouw (de woning) uit twee bouwlagen.
De geconstateerde behoefte aan uitbreiding is veelal te realiseren binnen een uitbreidingsmaat van ongeveer 4 à 5 meter. Bij een grotere diepte komt het uitgangspunt van voldoende licht- en luchttoetreding in de knel. Daarnaast is bij het bepalen van het bouwvlak rekening gehouden met het vigerende bestemmingsplan thans tijdelijk omgevingsplan.
De breedte van het bouwvlak is afgestemd op de huidige stedenbouwkundige verschijningsvorm van de woning. In de meeste gevallen is de breedte van het bouwvlak dan ook gelijk aan de breedte van de voorgevel. Hierdoor wordt het bestaande straatbeeld zoveel als mogelijk in stand gehouden en worden ongewenste stedenbouwkundige situaties voorkomen.
Deze concrete bouwmogelijkheden zijn vertaald naar bouwvlakken op de verbeelding. Het voordeel hiervan is dat men gelijk kan zien wat waar gebouwd mag worden. Het bouwvlak is daarbij op maat afgestemd en mag volledig bebouwd (hoofdgebouw en bijgebouw) worden tot ten hoogste 1 bouwlaag van maximaal maximaal 3,50 meter hoog. De bebouwing dient afgedekt te worden met een kap van ten hoogste 45 graden. Indien een afwijkend aantal bouwlagen en alleen een plat dak is toegestaan wordt dit op de verbeelding aangegeven.
Bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen'
Ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen' mogen bijgebouwen worden opgericht. Dit is het gebouw dat op het bouwperceel in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw. Op perceelsniveau wordt dus aangegeven waar bijgebouwen gerealiseerd mogen worden.
Voor wat betreft de afmetingen van bijgebouwen geldt dat de goothoogte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan de hoogte van de 1e bouwlaag van het hoofdgebouw. Bijgebouwen mogen plat dan wel met een kap van ten hoogste 60 graden worden afgedekt.
De gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, mag niet meer dan 70 m2 bedragen. Daarbij dient ten hoogste 50% van het bij de woning behorende deel van het perceel waar bijgebouwen zijn toegestaan bebouwd worden. Onder voorwaarden is het in sommige gevallen mogelijk om afwijking tot 100 m2 te krijgen.
Hierbij dient bestaande niet als woning of daarbij behorend bijgebouw te worden gesloopt ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
Bouwwerken, geen gebouw zijnde
De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2,6 meter. Voor erfafscheidingen gelden aanvullende regels. De hoogte van een erfafscheiding bedraagt niet meer dan 1,0 meter voor de naar de weg gekeerde bouwgrens. Achter de naar de weg gekeerde bouwgrens bedraagt de hoogte maximaal 2,0 meter.
De hoogte van palen, masten en plastische kunstwerken bedraagt maximaal 8,0 meter.
Algemene regels (hoofdstuk 3)
De algemene regels zijn opgenomen in Hoofdstuk 3 van het TAM-omgevingsplan. In dit hoofdstuk zijn algemene gebruiksactiviteiten opgenomen evenals een uiteenzetting van binnenplanse omgevingsplanactiviteiten waarmee kan worden afgeweken van deze algemene gebruiksactiviteiten. Bovendien zijn kwaliteitsregels opgenomen in onderhavig hoofdstuk van het TAM-omgevingsplan waarin is opgenomen dat nieuwe ontwikkelingen gepaard dienen te gaan met kwaliteitsverbetering. Tot slot zijn in Artikel 17 van de regels 'overige regels' opgenomen waarin onder andere de ter plaatse geldende gebiedsaanduidingen zijn vastgelegd.
Overgangsregels (hoofdstuk 4)
In Hoofdstuk 4 van het TAM-omgevingsplan zijn overgangsbepalingen opgenomen voor bouwwerken respectievelijk gebruik.
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.
Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.
Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan:
Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.
Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.
Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.
Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. In het kader van participatie is door de initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd met de directe omgeving. In dat kader zijn de direct omwonenden tijdens een informatieavond d.d. 17 maart 2025 over de voorgenomen ontwikkeling geïnformeerd. Twee aanwezigen hadden behoefte aan nadere informatie. Initiatiefnemer heeft hen op 20 maart 2025 het plan nader toegelicht en de vragen kunnen beantwoorden.
Een verslag van de gevoerde omgevingsdialoog is bijgevoegd als Bijlage 13.
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Ow dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.
Op grond van afdeling 13.6 van de Ow zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.
Anterieure overeenkomst
Als sprake van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om met het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.
De gemeente Gulpen-Wittem heeft met initiatiefnemer een (privaatrechtelijke) anterieure overeenkomst gesloten. Het verhaal van kosten is hierdoor anderszins verzekerd.
Publiekrechtelijk kostenverhaal
Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.
Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Ow in regelingen voorziet voor het kostenverhaal:
Bij de beoogde ontwikkelingen in het besluitgebied is geen sprake geen verhaalbare kosten waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet aan de orde is.
Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving.
In het kader van deze wijziging van het omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde.
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Ow wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:
De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.
Burgemeester en wethouders kunnen bij de voorbereiding van een plan, waar nodig, overleg plegen met andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Onder de Ow is vooroverleg met deze instanties vormvrij en niet verplicht, maar wel aan te bevelen. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen.
Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een omgevingsplan is vanwege artikel 16.30 Ow de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.
Het ontwerp van voorliggend plan heeft vanaf 29 november 2025 tot en met 9 januari 2026 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn zijn diverse zienswijzen ingekomen. De beantwoording hiervan is verwoord in een zienswijzennota, waarbij eveneens is aangegeven of de zienswijzen al dan niet hebben geleid tot aanpassingen in voorliggend plan. Deze zienswijzennota is bijgevoegd als