direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herziening Stationsstraat-Kalverstraat
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Doel bestemmingsplan

De huidige Aldi supermarkt voldoet niet meer aan de wensen van de supermarktketen en Aldi wil de vestiging daarom graag vervangen. Daarvoor zal het huidige pand aan de Stationsstraat 42B in Made gesloopt worden. De initiatiefnemer wil het nieuwe gebouw van de supermarkt op de locatie van de huidige tennishal bouwen. De tennishal zal daarvoor gesloopt zal worden, bouwen.

Ter plaatste geldt het bestemmingsplan ‘Kern Made’ (vastgesteld op 21 april 2013). Hierin is de bestemming van de beoogde locatie van de nieuwe supermarkt ‘Sport’. Binnen deze bestemming is een supermarkt niet toegestaan. Om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken, wordt een nieuw, zelfstandig bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt in het noorden van de woonkern Made, gemeente Drimmelen, aan de rand van het dorp. Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door de Stationsstraat en aan de oostzijde door de Kalverstraat. Aan de noord- zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de woningen en tuinen van deze straten. Het plangebied is globaal aangeduid op figuur 1.1. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 5.300 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied, blauw omrand, in Made (bron: kadaster Nederland (bewerkt))

1.3 Geldend bestemmingsplan kern Made

Het plangebied is planologisch-juridisch geregeld in het bestemmingsplan Bestemmingsplan Kern Made (vastgesteld 21-04-2013). In figuur 1.2 wordt een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0002.jpg"

Figuur 1.2. Fragment geldend bestemmingsplan Kern Made (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gronden van het plangebied hebben deels de enkelbestemming Detailhandel (roze op figuur 1.2), binnen deze bestemming is één bouwvlak aanwezig. Het overige deel van het plangebied heeft de enkelbestemming Sport (groen op figuur 1.2), ook hier is een bouwvlak aanwezig met een functieaanduiding tennisbaan. Daarnaast geldt in het hele plangebied de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 2 (weergegeven met kruis arcering).

De ontwikkeling van de supermarkt op de gronden met de bestemming Sport is niet mogelijk. Om de ontwikkeling van de supermarkt mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan opgesteld.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie plangebied

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een parkeerplaats, de Aldi supermarkt en de tennishal. De supermarkt ligt aan de noordzijde van het plangebied. De supermarkt zit in een gebouw van één verdieping hoog en heeft een bruto vloeroppervlak van 1.000 m2. De parkeerplaats voor de supermarkt bevindt zich aan de westzijde, hier is ook de ingang van de winkel. Het laden en lossen van de vrachtwagens voor de supermarkt vindt plaats aan de oostzijde van de supermarkt.

In de zuidoosthoek is de tennishal aanwezig, dit is een gebouw met zadeldak en nok van ongeveer 8 meter hoog en een oppervlak van ongeveer 2.000 m2. Aan de oostkant van de tennishal is een kantine aanwezig. Hier is ook de entree en zijn de parkeerplaatsen voor de sporthal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0003.jpg"

Figuur 2.1 Huidige situatie blauw omrand (bron: luchtfoto 2017 Kadaster Nederland)

2.2 Beoogde situatie

In de beoogde situatie worden de panden van de supermarkt en tennishal gesloopt en wordt op de locatie van de tennishal een nieuwe supermarkt gebouwd. Het oppervlak van de nieuwe bebouwing wordt met circa 1.500 m2 beduidend minder dan het oppervlak van de tennishal. Aan de noord- en westzijde van de supermarkt zal het parkeerterrein ingericht worden met 90 parkeerplaatsen. Aan de oostzijde van het gebouw is ruimte ingericht voor het laden en lossen van de vrachtwagens.

Aan de randen van het plan is ruimte gereserveerd voor een groene inrichting. Daarnaast is aan de westelijke entree van het parkeerterrein een reclamezuil voorzien van circa 5,5 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0004.jpg"

Figuur 2.2. Beoogde situatie (bron: Den Hollander bouwadvies en ontwerp)

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0005.jpg"

Figuur 2.3 Noord gevel beoogde bebouwing

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijk beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen draagt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Toetsing en conclusie

Een van de nationale belangen die relevant is voor het voorliggende bestemmingsplan is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Hier wordt aan voldaan. Voor het overige is in de SVIR geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend bestemmingsplan. De SVIR genoemde nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet geschaad.

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn:

  • 1. Rijksvaarwegen;
  • 2. Project Mainport ontwikkeling Rotterdam;
  • 3. Kustfundament;
  • 4. Grote rivieren;
  • 5. Waddenzee en waddengebied;
  • 6. Defensie;
  • 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • 8. Elektriciteitsvoorziening;
  • 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur);
  • 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;
  • 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Doorwerking plangebied

De ontwikkelingen binnen het plangebied raken geen van bovenstaande rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De ladder is per 1 juli 2017 aangepast waarmee de ladderbenadering is losgelaten. Wel dient nog te worden aangetoond dat er behoefte is aan de betreffende ontwikkeling en, indien de ontwikkeling plaatsvindt buiten bestaande stedelijke gebied, waarom de betreffende locatie het meest geschikt is. Aangezien onderliggend planvoornemen is voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied dient uitsluitend aangetoond te worden of er behoefte bestaat.

Toetsing en conclusie

Voor de vervanging en vergroting van de discount-supermarkt is een Ladderonderbouwing opgesteld waaruit blijkt dat er behoefte is aan de beperkte vergroting van de discount-supermarkt. De betreffende onderbouwing is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Noord-Brabant 2025

De provincie Noord-Brabant geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt.

De ruimtelijke visie van de provincie bestaat in hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem. Met aandacht voor hoogwaterbescherming, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen. Met aandacht voor cultuurhistorische waarden en de leefbaarheid van kleine kernen. En een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied, met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden. Met aandacht voor sterke regionale clusters, (inter)nationale bereikbaarheid en knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden).

Deze hoofdlijnen zijn vertaald in de 14 provinciale ruimtelijke belangen. Daarvan zijn de volgende van belang voor de beoogde ontwikkeling:

  • Koppeling van waterberging en droogtebestrijding;
  • Concentratie van verstedelijking;
  • Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare vrijetijdsvoorzieningen;

Vanwege de verwachte geringe groei van de bevolking is er een beperkte ruimte voor de uitbreiding van detailhandelsvoorzieningen. Daarom is het belangrijk zorgvuldig om te gaan met de bestaande winkelcentra. Dit is een primaire verantwoordelijkheid van de gemeenten. Regionale afstemming rondom ontwikkelingen vindt plaats via de regionale ruimtelijke overleggen.

Toetsing en conclusie

De ontwikkeling betreft een uitbreiding van de bestaande supermarkt deze uitbreiding is noodzakelijk om een gevarieerd aanbod te kunnen blijven bieden en zo de concurrentiepositie van de discountsupermarkt te kunnen behouden. Op deze manier draagt de ontwikkeling ook bij aan de leefbaarheid van Made. De ontwikkeling is in overeenstemming met de Structuurvisie Noord-Brabant 2025.

3.2.2 Verordening ruimte (Provincie-Noord Brabant, 2014; geconsolideerde versie 2019)

Het ruimtelijk beleid is vertaald in de Verordening ruimte. In artikel 3.1 is de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit opgenomen. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van ruimtelijke kwaliteit. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat als er sprake is van een stedelijke ontwikkeling de Ladder voor duurzame verstedelijking het uitgangspunt is.

In de verordening staat vermeld dat de gemeenten binnen het bestaand stedelijk gebied in het algemeen vrij zijn om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Daarbij zijn er bepalingen opgenomen over de zorgplicht die de gemeenten dragen voor de ruimtelijke kwaliteit. Het plan moet bijdragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het betrokken gebied en naaste omgeving.

Ten aanzien van detailhandelsontwikkeling stelt de provincie dat een bestemmingsplan niet mag leiden tot ontwikkeling van een bovenregionaal winkelconcentratiegebied. Er is sprake van een bovenregionaal winkelconcentratiegebied als meer dan 20% van de bezoekers afkomstig is van het gebied buiten een straal van 35 km vanaf de ontwikkeling en/of wanneer het te verwachten bezoekersaantal 2.500.000 of meer per jaar bedraagt. Hiervan is in onderhavige situatie geen sprake.

Toetsing

De ontwikkeling zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het gebied. De planlocatie is in de huidige situatie ingevuld met twee verouderde gebouwen en een parkeerterrein. In de nieuwe situatie zullen beide gebouwen worden gesloopt en vervangen worden door één nieuw gebouw dat de supermarkt zal huisvesten. Het totaal oppervlak aan gebouwen zal hierdoor afnemen. Ook wordt het parkeerterrein heringericht. De ontwikkeling is in overeenstemming met de Verordening ruimte van de Provincie Noord-Brabant.

3.2.3 Detailhandelsvisie West-Brabant 2014-2020

In de Detailhandelsvisie West-Brabant is de visie op detailhandelsontwikkelingen in de regio uiteengezet. De regio West-Brabant is een dynamische regio met ruim 700.000 inwoners. Het doel van de regionale detailhandelsvisie is om bij te dragen aan het tot stand brengen van een evenwichtig en duurzaam detailhandelsapparaat in West-Brabant, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige marktverhoudingen en ontwikkelingen. Er wordt gestreefd naar een maatschappelijk verantwoorde, samenhangende en op elk niveau van de voorzieningenhierarchie gezonde winkelstructuur. Enerzijds wil de Regio West-Brabant bijdragen aan het in stand houden van een goede consumentenverzorging, zowel kwantitatief als kwalitatief, en anderzijds wil de regio randvoorwaarden scheppen voor goed functionerende ondernemingen. De hoofdlijnen van beleid zijn:

  • dynamiek detailhandel in goede banen leiden;
  • schaalvergroting op de juiste plek faciliteren;
  • complementariteit en onderscheidend vermogen nastreven;
  • ruimtelijke concentratie bevorderen;
  • inzetten op behoud consumentenverzorging kleine kernen;
  • leegstandsontwikkeling in goede banen leiden.

Vestiging van detailhandel op perifere locaties is mogelijk voor initiatieven die aansluiten op de hoofdlijnen van beleid. De Detailhandelsvisie West-Brabant zegt hierover het volgende: 'Het is echter niet uit te sluiten dat het gaat om een dusdanig grote winkel of combinatie van winkels dat deze ruimtelijke bezien niet zijn in te passen binnen de reguliere winkelcentra. In dat geval kan er onder voorwaarden beoordeeld worden of perifere vestiging een te verantwoorden optie is' (p. 37).

Toetsing

De ontwikkeling bestaat uit het vergroten van de op deze locatie gevestigde supermarkt. van nieuwvestiging is geen sprake. De ontwikkeling zorgt er voor dat de oude supermarkt op de aangrenzende locatie wordt vervangen voor een modern pand met voldoende parkeergelegenheid.

3.2.4 Afsprakenkader regio

De gemeenten in West-Brabant informeren elkaar in een zo vroeg mogelijk stadium over nieuwe plannen en over de voortgang van plannen die in uitvoering zijn. Dit vindt allereerst plaats in de Werkgroep Werken gevolgd door het zogenoemde Portefeuillehoudersoverleg (hierna: POHO). Indien een gemeente voornemens is een plan in procedure te brengen zal het POHO advies uitbrengen over het plan. De provincie toetst het nieuwe plan (o.a. aan het regionale afsprakenkader) en indien de provincie dit wenselijk en/of noodzakelijk acht zullen plan en advies worden voorgelegd aan de provinciale Retailadviescommissie. De (regionale) onderbouwing die is opgesteld in het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking zal hierbij een belangrijke rol spelen, maar ook andere relevante maar vaak meer kwalitatieve aspecten zullen nadrukkelijk meegewogen moeten worden.

Toetsing

Voor de uitbreiding van de supermarkt is een ladderonderbouwing opgesteld waarin ook regionaal is gekeken of er voldoende behoefte is. Deze onderbouwing is opgenomen in bijlage 1.

3.2.5 Conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het huidige provinciale - en regionale beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie 2033 Gemeente Drimmelen

In de Structuurvsie 2033 geeft de gemeente Drimmelen richting aan de ruimtelijke ontwikkeling op het hele grondgebied van Drimmelen. De visie gaat in op alle thema's die ruimtelijk relevant zijn: wonen, werken, verkeer en infrastructuur, landbouw en landschap en natuur, toerisme & recreatie en (centrum) voorzieningen.

De gemeente Drimmelen beschikt over een goed commercieel voorzieningenniveau, waarbij het accent op de dagelijkse boodschappen ligt. De leefbaarheid in de kernen is een belangrijke kwaliteit. Dat vraagt minimaal om een aantal basisvoorzieningen. De gemeente zet zich in voor het behoud van aantrekkelijke voorzieningencentra. In en rond Made en Terheijden wonen voldoende mensen om het aanbod in dagelijkse voorzieningen te houden. Omdat voorzieningen van elkaar kunnen profiteren als ze bij elkaar zitten, blijft het beleid van de gemeente daarom gericht op concentratie van voorzieningen in goed bereikbare centra. Voldoende parkeerplaatsen is daarbij van belang.

Toetsing en conclusie

De uitbreiding van de Aldi is in lijn met het beleid van de gemeente om de leefbaarheid van de kernen te behouden en het aanbod in dagelijkse voorzieningen voldoende te houden. De locatie van de supermarkt ligt bovendien op een goed bereikbare plaats voor de bewoners van Made en de omgeving. Er worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd voor de uitbreiding van de supermarkt.

3.3.2 Detailhandelsvisie

In de Detailhandelsvisie wordt een aantal winkelgebieden in Made onderscheiden. Het winkelgebied Stationsstraat wordt hierin gecategoriseerd als buurtsteunpunt. Naast de Aldi-supermarkt wordt dit winkelgebied gevormd door een full-service supermarkt. Het winkelgebied heeft een ondersteunende functie in de verzorgingsstructuur maar vervult wel een bovenlokale functie in de gemeente Drimmelen. Het verzorgingsgebied bestaat vooral uit inwoners uit de kern Made, de kern Drimmelen en in beperkte mate ook uit de kern Wagenberg. Bezien vanuit de vraag, het aanbod, het concurrentieveld en de toekomstige ontwikkelingen is het perspectief voor buurtsteunpunt Stationsstraat beperkt volgens het Rapport perspectief winkelgebieden Amerstreek.

Toetsing en conclusie

De ontwikkeling betreft een uitbreiding van de bestaande supermarkt. Deze uitbreiding komt voort uit de vraag van de supermarkt om zo een volwaardige supermarkt te kunnen blijven. De uitbreiding van de supermarkt sluit aan bij de functie als buurtsteunpunt en sluit daarmee ook aan bij de Detailhandelsvisie.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1 Verkeer

Inleiding

Aldi is voornemens de winkel op de locatie aan de Stationsstraat 42b te Made te verplaatsen naar het aangrenzende perceel ten zuiden van de huidige locatie. Dit perceel is in de huidige situatie in gebruik door een tennisvereniging, het pand op dit perceel wordt gesloopt.

Deze ontwikkelingen zullen leiden tot veranderingen op het gebied van verkeer en parkeren. In deze verkeersparagraaf wordt ingegaan op de verkeerskundige gevolgen van deze ontwikkeling.

Verkeersstructuur

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied is gelegen aan de Stationsstraat. Bevoorrading vindt plaats via de Kalverstraat. Ontsluiting in de toekomstige situatie vindt plaats via de Stationsstraat en de Kalverstraat. In zuidelijke richting wordt het plangebied vervolgens ontsloten via de Kerkstraat richting de Godfried Schalckenstraat naar de A59.

De omliggende wegen van het plangebied zijn erftoegangswegen met een maximum snelheid van 30 km/u. Godfried Schalckenstraat behoort tot de hoofdontsluiting van het dorp, hier geldt een maximum snelheid van 50 km/u binnen de bebouwde kom en 60 km/u buiten de bebouwde kom.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0006.png"

Figuur 4.1 Plangebied en omgeving

Openbaar vervoer

Het plangebied is eveneens te bereiken met het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde bushalte is gelegen aan de Rozenbloemstraat, binnen enkele minuten loopafstand (circa 70 meter). Hier halteren lijnbussen van en naar Drimmelen en Oosterhout met een frequentie van 2 per uur.

Langzaam verkeer

Op de erftoegangswegen in Made delen de fietsers de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. De omliggende wegen zijn daarnaast voorzien van trottoirs voor voetgangers.

Parkeren

De parkeerbehoefte is bepaald aan de hand van het voorgenomen programma en wordt voorzien binnen het plangebied. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte zijn berekeningen uitgevoerd op basis van de gemiddelde kencijfers van het CROW (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317). Hierbij zijn de kenmerken 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom' gehanteerd.

Tabel 4.1 Parkeerbehoefte

Aldi   Functie benaming CROW   Hoeveelheid   Parkeerkencijfer   Parkeerbehoefte  
Huidige oppervlakte   discountsupermarkt   1.000 m2 bvo      
Toekomstige oppervlakte   discountsupermarkt   1.500 m2 bvo   7,5 per 100 m2 bvo   112,5 pp  
Toename     500 m2      37,5  

In de huidige situatie (met een supermarkt met een bvo van 1000 m²) beschikt het parkeerterrein over 43 parkeerplaatsen, waar volgens de theoretische berekening een parkeerbehoefte geldt van 75 parkeerplaatsen. Om te onderzoeken of er parkeeroverlast bestaat in de huidige situatie is een parkeeronderzoek gedaan (bijlage 2). Daaruit blijkt dat de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen op de drukste momenten niet boven de 85 % uitkomt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat in de huidige situatie voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn voor de behoefte van de bestaande supermarkt.


In de toekomstige situatie worden in totaal 90 parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Volgens de theoretische berekening geldt dat een de uitbreiding van 500 m² een parkeerbehoefte van 38 extra parkeerplaatsen oplevert. Ten opzichte van de huidige situatie worden 47 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee worden ten opzichte van de huidige situatie extra parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. De parkeerdruk in de directe omgeving zal dan ook niet toenemen.

Verkeersgeneratie 

De verkeersgeneratie van het plangebied is berekend op basis van de voorgenomen verplaatsing / uitbreiding van de Aldi. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn berekeningen uitgevoerd op basis van de gemiddelde kengetallen van het CROW (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317), hierbij zijn de kenmerken 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom' gehanteerd. De verkeersgeneratie van de huidige functie, toekomstige functie en de verkeerstoename is opgenomen in tabel 4.2.

Tabel 4.2 Verkeersgeneratie

Aldi   Functie benaming CROW   Hoeveelheid   Mvt/hoeveelheid   Verkeersgeneratie  
Huidige oppervlakte   discountsupermarkt   1.000 m2 bvo   113,5 per 100 m2 bvo   1.135 mtv/etmaal  
  tennishal   2.000 m² bvo   3,5 per 100 m² bvo   70 mvt/etmaal  
Toekomstige oppervlakte   discountsupermarkt   1.500 m2 bvo   113,5 per 100 m2 bvo   1.703 mtv/etmaal  
Toename         498 mtv/etmaal  

De verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling bedraagt circa 498 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Deze toename zal zich even verdelen over de toegangswegen van het parkeerterrein. Op de Stationsstraat en de Kalverstraat zal naar verwachting een toename van 249 mvt/etmaal zijn. Naar verwachting zal het toenemende verkeer zich redelijk verspreiden in de omliggende wegen. Voor een supermarkt is het maatgevende moment op basis van het CROW de zaterdagmiddag. Het aanwezigheidspercentage bedraagt op dat moment 100%. Van de Stationsweg zijn verkeersintensiteiten bekend van de gemeente Drimmelen. De gemiddelde intensiteit op een weekend dag op de Stationsstraat bedraagt 1.384 motorvoertuigen. Erftoegangswegen binnen de bebouwde kom kunnen intensiteiten tot 4.000 à 6.000 mvt/etmaal doorgaans zonder problemen verwerken.

Met name op een zaterdagmiddag zal de verkeerstoename circa 10% van de etmaalwaarde zijn in het drukste uur. Dit betekent een verkeerstoename op de Stationsstraat van circa 33 mvt in het drukste uur. Op het maatgevende moment van de supermarkt op zaterdagmiddag bedraagt de huidige intensiteit op de Stationsstraat 138 mvt in het drukste uur. De verkeerstoename zal merkbaar zijn, maar zal mede door de spreiding van het verkeer niet tot knelpunten leiden in de verkeersafwikkeling.

Conclusie

Het plangebied is goed bereikbaar voor zowel gemotoriseerd verkeer, fietsverkeer en per openbaar vervoer. Ten opzichte van de huidige situatie worden er per 100 m2 bvo meer parkeerplaatsen mogelijk gemaakt, waarmee de parkeerdruk afneemt. De verkeerstoename zal zich naar verwachting verspreiden over de omliggende wegen en zal niet leiden tot knelpunten. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkelingen dan ook niet in de weg.

4.2 Cultuurhistorie

4.2.1 Inleiding

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is vastgelegd dat de ruimtelijke ordening een samenhangende afweging van alle belangen bevat. Tot die belangen wordt ook het cultureel erfgoed gerekend. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is daarom de verplichting vastgelegd om in de ruimtelijke ordening “rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten”.

Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermd met de Erfgoedwet. In lijn met die wet neemt de gemeente Drimmelen in haar bestemmingsplannen een integrale paragraaf cultuurhistorie op. Hierin wordt voor het plangebied van het betreffende bestemmingsplan een inventarisatie en een analyse van de aanwezige cultuurhistorische waarden gepresenteerd. Aan deze inventarisatie zullen / kunnen consequenties ten opzichte van het vaststellen van een dubbelbestemming cultuurhistorie en / of archeologie verbonden worden.

4.2.2 Archeologie

Beleidskader

In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. De Erfgoedwet maakt een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De Erfgoedwet heeft bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland gebundeld in één wet. Aan de Erfgoedwet zijn een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2021 in werking zal treden. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd.

Archeologiebeleid gemeente Drimmelen

Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk.

De gemeente Drimmelen heeft haar archeologie beleid vervat in 'Nota Archeologie Gemeente Drimmelen' (maart 2013). Om de archeologische verwachtingswaarde in de gemeente in beeld te brengen is op basis van bureauonderzoek een verwachtingskaart gemaakt. Om de archeologische verwachtingswaarden in beeld te brengen is op basis van bureau onderzoek een archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemaakt. Op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart wordt onderscheid gemaakt tussen archeologische verwachtingen en waarden. Archeologische verwachtingen zijn een uitdrukking van de verwachte dichtheid aan archeologische resten in de ondergrond. Deze kans wordt uitgedrukt in hoge, middelhoge en lage verwachting. Een hoge, middelhoge of lage verwachting betekent dat verwacht wordt dat de relatieve dichtheid van archeologische verschijnselen groot, gemiddeld of klein is. Een lage verwachting betekent dus niet dat er geen archeologische resten/sporen aanwezig zijn, maar dat zij door hun aard en omvang een lage dichtheid hebben - en dat dus het risico dat daar bij bodemingrepen op wordt gestuit laag is. Het grootste deel van het gemeentelijk grondgebied op de waarden- en verwachtingenkaart bestaat uit zones met een archeologische verwachting (hoog, middelhoog, laag). Aan de verschillende zones zijn ontheffingscriteria toegekend.

Op basis van de archeologische beleidskaart zijn in de verschillende bestemmingsplannen dubbelbestemmingen Archeologie opgenomen waaraan regels zijn gekoppeld overeenkomstig de ontheffingscriteria uit het archeologiebeleid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0007.jpg"

Figuur 4.2 Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingenkaart Drimmelen (bron: Archeologische beleidskaart Drimmelen)

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0008.png"

Figuur 4.3 'Waarde - Archeologie 2' zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Toetsing

Het plangebied ligt in de archeologische verwachtingszone middelhoog in de Archeologische beleidskaart Drimmelen (zie blauwe cirkel figuur 4.2). Deze categorie betreft landschappelijke zones met naar verwachting een gemiddelde dichtheid aan archeologische sporen. De voor deze zone geldende ontheffingscriteria zijn plannen kleiner dan 1.000 m² en ingrepen niet dieper dan 50 cm.

In het geldende bestemmingsplan 'Kern Made' is dit vertaald in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' (zie rode aanwijzer figuur 4.3). De volgende bouwregels zijn hier van toepassing:

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd waarbij de bodem dieper dan 0,5 m wordt geroerd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk met ten hoogste 1.000 m² wordt uitgebreid;
  • b. bouwwerken met een oppervlakte van minder dan 1.000 m² ten behoeve van andere daar voorkomende bestemming(en).

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5.300 m2. De bestaande tennishal heeft een oppervlak van ongeveer 2.000 m2. Het oppervlak van de nieuwe bebouwing bedraagt 1.500 m2. De nieuwe supermarkt zal op de locatie van de tennishal worden herbouwd en zal de tennishal dus vervangen. Het oppervlak van de nieuwbouw blijft binnen de contouren van de tennishal en beslaat een kleiner oppervlak. De ontwikkeling blijft dus binnen de vrijgestelde afmetingen. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Vanwege de aanwezigheid van bestaande bebouwing hebben bij de bouw van deze bebouwing bodemwerkzaamheden plaats gevonden. Met name ter plaatse van de fundering van de dragende muren van de tennishal is de verwachting dat de grond is geroerd. Ook ter plaatse van de dragende muren van de bestaande supermarkt en het aanwezige laaddok binnen het plangebied hebben bodemwerkzaamheden plaatsgevonden.

Hoewel de grond reeds is geroerd, is niet uit te sluiten dat binnen het plangebied en ook onder de tennishal geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. De archeologische dubbelbestemming blijft dan ook behouden.

Ondanks dat archeologisch onderzoek op basis van het geldende bestemmingsplan niet noodzakelijk is en de grond deels geroerd is, kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht.

Conclusie

Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.2.3 Bovengrondse cultuurhistorische waarden

De cultuurhistorische waarden in het plangebied en de omgeving daarvan zijn weergegeven in de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant. Zoals in figuur 4.4 te zien is maakt het plangebied deel uit van de waardevolle stedenbouwkundige structuur Oude dorpskern Made (rode lijn). Daarnaast zijn de Stationsstraat en de Kalverstraat aangewezen als lijn van hoge waarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0009.jpg"

Figuur 4.4 Uitsnede CHW-kaart (Bron: Provincie Brabant)

Toetsing

De sloop van de oude supermarkt en tennishal en de bouw van de nieuwe supermarkt hebben geen negatief effect op deze waardevolle structuren. De sporthal zal worden vervangen door nieuwe bebouwing en heeft zodanig geen invloed op de stedenbouwkundige structuur. De oude supermarkt staat midden in het stedenbouwkundig weefsel en heeft geen invloed op de stedenbouwkundige structuren die beschermd zijn. De sloop van dit pand heeft daarom ook geen negatieve effecten op deze stedenbouwkundige structuren.

Direct naast het plangebied staat een cultuurhistorisch waardevol gebouw op Stationsstraat 42a (zie figuur 4.5). De bouw van de supermarkt heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden van het gebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0010.jpg"

Figuur 4.5 Stationsstraat 42a (bron: Google Streetview sep. 2016)

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.3 Water

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal

  • Provinciaal Waterplan 2010-2015

Waterschapsbeleid

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

Huidige situatie

In de huidige situatie is het plangebied reeds geheel verhard en bestaat uit een supermarkt, parkeerterrein, tennishal en kantine. Volgens de bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zwaklemig fijn zand en grondwatertrap VI. In en nabij het plangebied zijn geen waterlopen aanwezig.

Toekomstige situatie

Als gevolg van de herinrichting van het terrein vindt geen toename in verharding plaats. Er gelden vanuit het Waterschap derhalve ook geen compensatie eisen. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Conform de Leidraad Riolering en geldende waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.4 Bodemkwaliteit

4.4.1 Beleid en normstelling

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

4.4.2 Onderzoek

Op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Drimmelen is de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) van de bodem ter plaatse aangeduid als geschikt voor wonen en de ondergrond (0,5 – 2,5 m-mv) als AW2000 (grond die voldoet aan achtergrondwaarden) aangeduid. Er zijn op deze locatie geen verontreinigende activiteiten uit het verleden bekend.

4.4.3 Conclusie

De bodem is volgens de bodemkwaliteitskaart geschikt voor de beoogde functie supermarkt met parkeerterrein. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen wordt een actueel verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Beleids-/toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven.

Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
4.5.2 Toetsing/onderzoek

De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van een supermarkt en leidt tot een toename van verkeer van 498 mvt/etmaal (weekdag gemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1%. Uit de nimb-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,48 µg/m³ en van fijn stof van 0,08 µg/m³ (zie figuur 4.6). Beide toenames blijven beneden de 1,2 µg/m³. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0011.jpg"

Figuur 4.6 Berekening bijdrage NIBM-tool

4.5.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.

4.6 Milieuhinder omliggende functies

4.6.1 Beleids- en toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

4.6.2 Toetsing/onderzoek

De ontwikkeling bestaat uit een milieuhinderlijke functie. Met de sloop en nieuwbouw van de supermarkt kan het woon- en leefklimaat van woningen in de omgeving nadelig worden beïnvloed. In de directe omgeving van de planlocatie zijn zowel woningen als kleinschalige bedrijvigheid (max. categorie 2) aanwezig. Aan de Kalverstraat ter hoogte van het plangebied is een loon- en grondverzetbedrijf aanwezig. In de beoogde situatie komt de supermarkt aan de zuidzijde van het terrein. In de huidige situatie is hier reeds een tennishal en kantine aanwezig. Er is dan ook sprake van een gemengd gebied.

Een supermarkt valt op grond van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering in categorie 1. Binnen het gebiedstype 'rustige woonwijk' dient rekening te worden gehouden met een richtafstand van 10 meter voor geluid. De richtafstand voor geur en gevaar bedraagt 0 meter. In een gemengd gebied is een supermarkt conform de systematiek uit de VNG-publicatie in principe direct naast (of onder) woningen toelaatbaar. Bij supermarkten kan met name het laden en lossen door vrachtwagens zorgen voor geluidshinder ter plaatse van woningen. Het laden en lossen vindt net als in de huidige situatie plaats aan de oostkant van het plangebied aan de Kalverstraat, maar meer naar het zuiden ter hoogte van het loonwerkbedrijf. Dat betekent dat het laden en lossen in de beoogde situatie op op grotere afstand van de omliggende woningen plaatsvindt. In vergelijking met de huidige situatie is derhalve sprake van een verbetering van het akoestisch klimaat ter plaatse van de omliggende woningen. Verder is van belang dat de supermarkt ook in de nieuwe opzet dient te voldoen aan de geluidnormen en andere milieugerelateerde voorwaarden uit het Activiteitenbesluit. Onaanvaardbare hindersituatie kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten.

4.6.3 Conclusie

Ter plaatse van de omliggende woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.7 Geluid

Toetsingskader

Op basis van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd, indien dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de nieuwbouw van woningen of andere geluidgevoelige functies (functies zoals genoemd in artikel 82, lid 2 van de Wet geluidhinder juncto artikel 4, lid 2 van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en artikel 106, lid 1 onder e van de Wet geluidhinder);
  • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;
  • functiewijzigingen van een niet-geluidgevoelige functie in een geluidgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:

  • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;
  • wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.

Toetsing en conclusie

De realisatie van de supermarkt is geen geluidgevoelige ontwikkelingen voor de Wet geluidhinder. Ook betreft de ontwikkeling geen nieuwe weg. Het aspect geluid staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.8 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied ligt niet in een plaatsgebonden risicocontour PR10-6 per jaar of het invloedsgebied van risicobronnen. De ontwikkeling heeft derhalve geen invloed op de externe veiligheidssituatie ter plaatse.

afbeelding "i_NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01_0012.jpg"

Figuur 4.7 Uitsnede professionele risicokaart (bron: risicokaart.nl)

4.9 Ecologie

Toetsingskader

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura-2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Biesbosch ligt op circa 3 km ten noorden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 800 meter ten noorden van het plangebied. De toename van het verkeer en de uitbreiding van het oppervlak supermarkt kan leiden tot extra stikstofemissies en daaropvolgend depositie op stikstofgevoelige natuurgebieden. In dat kader is een AERIUS berekening uitgevoerd (zie bijlage 3). Uit de AERIUS berekeningen blijkt dat er geen sprake is van toenames van meer dan 0,00 mol/ha/jr. op natuurgebieden voor zowel de aanlegfase als voor de gebruiksfase. Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er derhalve vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden (de herinrichting van het bestaand supermarkt terrein) en de afstand tot natuurgebieden, zijn overige effecten als verstoring en dergelijke eveneens uit te sluiten.

Soortenbescherming

Het plangebied kan van betekenis zijn voor soorten die in de stedelijke omgeving aanwezig zijn, zoals vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten (huismus, gierzwaluw). Uit de quickscan (zie bijlage 4) blijkt dat het te slopen gebouw geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Vervolgonderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk en is uitgevoerd. Op basis van de uitgevoerde vleermuisinventarisatie (zie bijlage 5) blijkt dat geen verblijfsplaatsen van vleermuizen konden worden vastgesteld in het plangebied. De ontwikkeling heeft daarnaast geen gevolgen voor langsvliegende en fouragerende vleermuizen.

Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van algemene broedvogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

Conclusie

Belangrijke nadelige gevolgen voor natuurgebieden kunnen worden uitgesloten. Uit het vleermuisonderzoek blijkt dat geen mitigerende- en compenserende maatregelen noodzakelijk zijn.

4.10 Planologisch relevante leidingen en straalpaden

4.10.1 Beleid / toetsingskader

Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).

4.10.2 Toetsing en conclusie

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.11 Gezondheid

Uit toetsing van de verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit en verkeer blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit, het wegverkeerslawaai neemt niet relevant (voor het menselijk oor hoorbaar) toe.

4.12 Duurzaamheid

Bij de bouw en het gebruik van de nieuwe supermarkt wordt rekening gehouden met het energiegebruik en de uitstoot van CO2. De nieuwe supermarkt wordt voorzien van een koelinstallatie die draait op CO2 en een Warmte Terug Win functie heeft. Het filiaal wordt zo verwarmd door de warmte afkomstig uit d koelinstallatie. Er wordt door het gebruik van deze installatie geen gebruik gemaakt van gas en de gasaansluiting komt te vervallen. Daarnaast is de winkelverlichting volledig voorzien van ledverlichting met een 1/3 schakeling. Zo wordt bij binnenkomst van de medewerkers slechts 1/3 van het licht in de winkel aangezet, de overige verlichting gaat pas bij opening aan.

4.13 Vormvrije mer-beoordeling

Normstelling en beleid
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

  • Door het bevoegd gezag moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
  • Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.


Onderzoek en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding en verplaatsing van een supermarkt en sloop van een tennishal. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.

Alhoewel de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft is middels een aanmeldingsnotitie (bijlage 6) onderzocht of sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Uit deze notitie blijkt dat hiervan geen sprake is. Op basis van de aanmeldingsnotitie heeft het bevoegd gezag op 13 september 2018 besloten dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk is (bijlage 7).

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)

Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. SVBP2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe inpassings- en bestemmingsplannen conform de nieuwe Wro en Bro moeten worden gemaakt. Hiervoor bevat de SVBP standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het inpassings- of bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Bestemmingsplannen zijn hierdoor op vergelijkbare wijze opgebouwd en op eenzelfde manier verbeeld.

5.2 Toelichting en opzet bestemmingsplan

De verbeelding bestaat uit de bestemmingen: 'Detailhandel' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. De hoogtebeperkingen voor het bouwen worden opgenomen in de verbeelding en regels.

Opzet verbeelding

Bestemmingen

Op de verbeelding wordt per perceel aangegeven welke bestemming geldt en waar bebouwing is toegestaan In de planregels wordt de toegestane mate van bebouwing weergegeven.

De bestemming wordt op de verbeelding weergegeven door middel van hoofdletters, zoals DH voor 'Detailhandel' en WR-A-2 voor 'Waarde - Archeologie - 2'. Op het renvooi wordt de betekenis van de bestemmingen en aanduidingen op de verbeelding weergegeven. De volgorde van de bestemmingen in het renvooi komt overeen met de volgorde in de planregels.

Aanduidingen

Met maatvoeringsaanduidingen wordt op de verbeelding de maximaal toegestane hoogte maten (goot- en bouwhoogte).

Opzet planregels

De regels zijn opgedeeld in hoofdstukken, volgens de bepalingen uit SBVP2012:

  • hoofdstuk 1 (inleidende regels): hierin worden de in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald;
  • hoofdstuk 2 (bestemmingsregels): hierin worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven;
  • hoofdstuk 3 (algemene regels): dit hoofdstuk bevat regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals algemene afwijkingsregels of wijzigingsbevoegdheden, de anti-dubbeltelbepaling et cetera;
  • hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregel): dit hoofdstuk geeft het overgangsrecht weer voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing. Tevens is de titel van het plan opgenomen.

De artikelen in hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn als volgt opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving: hier wordt aangegeven welk gebruik binnen de bestemming is toegestaan;
  • bouwregels: deze zijn onderverdeeld in de toelaatbaarheid van bouwwerken, bouwhoogte, oppervlakte en inhoud;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden: beschreven wordt of voor het uitvoeren van specifieke werken of werkzaamheden een omgevingsvergunning benodigd is. Het gaat dan bijvoorbeeld om het afgraven of ophogen van grond, werkzaamheden aan beschermde stoepen.

Niet ieder bestemmingsartikel hoeft al deze elementen te bevatten. Dat is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingsartikelen bevatten in ieder geval een bestemmingsomschrijving en bouwregels.

5.3 Gehanteerde bestemmingen

In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gehanteerde bestemmingen en wat binnen deze bestemmingen is toegestaan met betrekking tot bouwen en gebruik.

Artikel 3 Detailhandel

Binnen de bestemming 'Detailhandel' zijn voor detailhandelsbedrijven en dienstverlenende bedrijven toegestaan. Ook de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, reclame-uitingen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen zijn toegestaan.

Artikel 5 Waarde - Archeologie - 2

Voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische middelhoge (verwachtings)waarden is de dubbelbestemming ’Waarde – Archeologie 2’ opgenomen. Voor gebouwen en bouwwerken groter dan 1.000 m2 en die dieper gaan dan 0,5 m geldt een omgevingsvergunningplicht.

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke- en financiële uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro.

Op 30 mei 2018 is door Aldi een bijeenkomst gehouden voor buurtbewoners. In deze bijeenkomst zijn de buurtbewoners geïnformeerd over de ontwikkeling.

Het bestemmingsplan Herziening Stationsstraat-Kalverstraat met planidentificatie NL.IMRO.1719.1bp19statkalv-vg01 zal met bijbehorende onderliggende stukken gelijktijdig met de aanvraag voor de omgevingsvergunning gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage liggen middels de zogenoemde coördinatieregeling. Tijdens de termijn van ter inzagelegging heeft een ieder de mogelijkheid een zienswijze in te dienen tegen het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning.

Overleg ex artikel 3.1.1. Bro

Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van gemeenten, met rijks- en provinciale diensten, etc. Dit plan is toegestuurd aan:

  • provincie Noord-Brabant;
  • Waterschap Brabantse Delta.

Naar aanleiding van de terinzagelegging van het voorontwerpbestemmingsplan zijn geen inspraakreacties ingediend. Het waterschap en de provincie stemmen in met het plan. Wel zijn 2 ambtshalve wijzigingen noodzakelijk:

  • De regioarcheoloog vraagt om tekstuele aanpassing van paragraaf 4.2 van de toelichting. De kwalitatieve onderbouwing voor het niet uitvoeren van archeologisch onderzoek is te kort door de bocht. Daarnaast is de inleiding met het wettelijk kader is te summier.
  • Het plangebied is kleiner dan de huidige bestemming 'Sport'. Gebouwen en bouwwerken zijn hier niet toegestaan. Voor de supermarkt is dit geen beperking. Perceel 5606 behoort echter bij de woning Kalverstraat 81. Het behoud van de bestemming 'Sport' is dan ook ongewenst.

De gewenste aanpassingen zijn in het ontwerpbestemmingsplan aangepast.

Zienswijzen en beroep

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Er is één zienswijze ingediend. De zienswijze heeft geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van de planontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt is voldoende verzekerd. De gemeente legt op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening het kostenverhaal vast in een exploitatieplan, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Van dit laatste is in ieder geval sprake als met de initiatiefnemer van het bestemmingsplan een anterieure exploitatieovereenkomst is gesloten. Daarvan is ingeval van dit bestemmingsplan sprake.

Tussen gemeente en initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin het verhaal van kosten geregeld is. Het vaststellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk.