direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, deelplan Nolderwoud
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het perceel Ommerweg 59 te Zuidwolde is recreatiepark Het Nolderwoud gevestigd. De wens en noodzaak bestaat om het huidige park te transformeren en uit te breiden om zo te voorzien in een toekomstbestendig recreatiepark.

Ten behoeve van de ontwikkeling is een ontwikkelplan (zie Bijlage 1 en Bijlage 2) opgesteld om het bedrijf marktconform te kunnen ontwikkelen. Het doel van de ontwikkeling is om van het Nolderwoud een onderscheidend park te maken met als centraal thema ‘sportvissen’. Hiertoe worden een aantal nieuwe lodges toegevoegd rondom de visvijver. Bestaande verouderde bungalows worden gesloopt en vervangen voor twee geschakelde groepsaccommodaties. Daarnaast wordt voorzien de realisatie van een kantine voor de vissers en een winkel voor visproducten. Verder blijven de huidige functies en recreatieverblijven behouden. Permanente bewoning van de recreatieverblijven is verboden en zal worden gehandhaafd door de gemeente. Voor de totale ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, waarin de landschappelijke inpassing alsmede de beeldkwaliteit van het park zijn uitgewerkt.

De gewenste ontwikkelingen passen niet binnen het huidige planologische regime. Er is een nieuw, actueel planologisch kader nodig, waarbinnen de voorgenomen ontwikkelingen toelaatbaar zijn.

De gemeente De Wolden heeft een positief besluit genomen ten aanzien van de genoemde ontwikkelingen. Dit bestemmingsplan voorziet in de benodigde juridisch-planologische kaders. Aangetoond zal worden dat het voornemen in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening' (Artikel 3.1 van de Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Ommerweg 59 in het buitengebied van de gemeente De Wolden, ten zuiden van de kern Zuidwolde. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente De Wolden, sectie W, nummers 86, 795, 870, 871, 876, 877, 1166, 1167, 1175, 1176, 1168, 1177 en 2339. Op afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Zuidwolde en de directe omgeving weergegeven met respectievelijk de rode ster en de rode omlijning. Voor een exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding die bij dit plan hoort.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: PDOK)  

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Buitengebied, deelplan Nolderwoud" (NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01) bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding en een renvooi;
  • regels.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen

Het park Nolderwoud is gelegen in het bestemmingsplan "Buitengebied De Wolden" en heeft de bestemming 'Verblijfsrecreatie - 2'. Dit is een analoog bestemmingsplan. De overige gronden van het plangebied, waar de uitbreiding is beoogd liggen binnen de begrenzing van de beheersverordening "Buitengebied De Wolden" (vastgesteld op 28 februari 2019) en hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden', 'Bos' en voor een deel 'Wonen' (ten westen van het woonperceel Hooiweg 2). Verder gelden voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en 'milieuzone - hydrologische beïnvloeding'.

In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van de geldende beheersverordening weergegeven. Het plangebied is met rode lijn weergegeven. In afbeelding 1.3 is een uitsnede van het analoge bestemmingsplan "Buitengebied De Wolden" opgenomen. In 1.4.2 wordt nader ingegaan op de ter plekke geldende besluitvlakken/bestemmingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Uitsnede geldende beheersverordening (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0003.png"  
Afbeelding 1.3: Uitsnede geldende bestemmingsplan "Buitengebied De Wolden" (Bron: Gemeente De Wolden)  
1.4.2 Beschrijving bestemmingen

'Agrarisch met waarden'

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden van de gronden met daaraan ondergeschikt openbare nutsvoorzieningen en recreatief medegebruik.

Gebouwen mogen niet worden gebouwd, aangezien er geen bouwvlak is opgenomen.

'Bos'

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor bosbouw, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van het bosgebied, met daaraan ondergeschikt recreatief medegebruik en het educatief medegebruik.

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en geen overkappingen worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt de regel dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5 meter zal bedragen tenzij het een erfafscheiding betreft, dan mag de hoogte maximaal 2 meter bedragen.

'Wonen'

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in een woning al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep. Voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat als hoofdgebouw uitsluitend woonhuizen mogen worden gebouwd. Per bestemmingsvlak zal één vrijstaand woonhuis worden gebouwd.

'Waarde - Archeologie'

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede voor het behoud en herstel van de archeologische waarden.

'Milieuzone - hydrologische beïnvloeding'

Binnen de aanduiding 'milieuzone - hydrologische beïnvloeding' dienen de hydrologische waarden te worden hersteld, behouden en ontwikkeld. De natuurlijke waarden van het Dwingelderveld voor zover de hydrologische aandachtsgebieden zijn gelegen rondom dit gebied dienen in stand te worden gehouden.

Verblijfsrecreatieve doeleinden 2 (o.b.v. bestemmingsplan "Buitengebied De Wolden")

De op de kaart voor 'verblijfsrecreatieve doeleinden 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor recreatieverblijven en daarbijbehorende bijgebouwen, gebouwen, voorzover ten dienste van de verblijfsrecreatie, ten behoeve van sanitaire voorzieningen, detailhandel, dienstverlening, sport- en recreatieve voorzieningen, horeca in de vorm van kantines en/of restaurants en bedrijfswoningen met de daarbijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen.

Voor het bouwen van gebouwen geldt dat de afstand van gebouwen tot de bestemmingsgrens ten minste 10 meter zal bedragen. Het aantal bijgebouwen zal per recreatieverblijf ten hoogste één bedragen. De hoogte van een recreatieverblijf zal ten hoogste 7 meter bedragen, de goothoogte van een recreatieverblijf en het daarbijbehorende bijgebouw zal ten hoogste 3 meter bedragen.

1.4.3 Strijdigheid

Het beoogde plan is op meerdere punten strijdig. Zo is uitbreiding van de recreatieve bestemming nodig om de gewenste ontwikkeling te realiseren. Daarnaast is de bouw van de nieuwe gebouwen en de realisatie van de parkeerplaats niet mogelijk aangezien de gebruiks- en bouwregels ontbreken. Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kaders op basis waarvan de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt. Aangetoond wordt dat het voornemen in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.

1.5 Opgave bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kaders op basis waarvan de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt.

1.6 Verantwoording

Bij het opstellen van dit plan is gebruik gemaakt van websites, visiedocumenten, beleidsstukken en rapportages. Daar waar nodig zijn de teksten en/of afbeeldingen integraal overgenomen om de inhoud zoveel mogelijk te waarborgen. Voor het overige is de naam en/of vindplaats van de bronnen weergegeven.

1.7 Opbouw toelichting

Achtereenvolgens komen na deze inleiding (hoofdstuk 1) de volgende onderwerpen aan bod:

  • Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie;
  • Hoofdstuk 3 gaat in de gewenste situatie;
  • Hoofdstuk 4 bevat het beleidskader met relevant rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid;
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de randvoorwaarden en belemmeringen vanuit omgevings- en milieu aspecten, zoals bodem, geluid, luchtkwaliteit, water, etc.;
  • Hoofdstuk 6 gaat in op de planologische regels en de daarbij behorende verbeelding;
  • Hoofdstuk 7 gaat in op uhandhaving;
  • Hoofdstuk 8 gaat in op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Plangebied in de huidige situatie

2.1.1 Algemeen

De locatie van het recreatiepark Nolderwoud aan de Ommerweg 59 te Zuidwolde ligt in het buitengebied van de gemeente De Wolden. De locatie ligt ten zuiden van de kern Zuidwolde. De ruimtelijk-functionele structuur van de directe omgeving bestaat uit verspreid liggende agrarische bedrijven en woonfuncties. Deze functies zijn hoofdzakelijk gesitueerd langs de bestaande omliggende infrastructuur, zoals de Ommerweg, en worden omgeven door voornamelijk agrarische cultuurgronden en verspreid liggende woonfuncties. Ten noorden van het plangebied bevindt zich bedrijvigheid in de vorm van een sauna en horeca.

Het plangebied omvat de gronden van het recreatiepark Nolderwoud en de omliggende agrarische gronden, bospercelen en een visvijver. In 2.1.2 wordt nader ingegaan op de huidige invulling van het recreatiepark. Er zijn groepsaccommodaties, recreatiewoningen, horecavoorzieningen en dienstverlenende bedrijvigheid aanwezig. Door het plangebied loopt de Ommerweg en die vormt als het ware de grens tussen het noordelijke en zuidelijke deel van het plangebied. Ten oosten van het zuidelijke deel van het plangebied loopt de Hooiweg.

In afbeelding 2.1 tot en met afbeelding 2.3 zijn luchtfoto's van de huidige situatie opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0004.png"  
Afbeelding 2.1: Huidige situatie van het plangebied (Bron: topotijdreis.nl)  
afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0005.png"  
Afbeelding 2.2: Luchtfoto bestaande bebouwing (Bron: topotijdreis.nl)  
afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0006.png"  
Afbeelding 2.3: Luchtfoto visvijver en omgeving (Bron: topotijdreis.nl)  
2.1.2 Huidige situatie Nolderwoud

Algemeen

Het Nolderwoud in Zuidwolde is recreatiebedrijf dat door de huidige eigenaren stapsgewijs is opgebouwd. Circa 25 jaar geleden was op deze locatie een zorginstelling gevestigd. Het Nolderwoud is een divers bedrijf met recreatiewoningen en groepsaccommodaties, recreatieve voorzieningen, horeca en een beautysalon met kapsalon. Het park kent een grote diversiteit aan functies van uiteenlopende aard.

Concreet zijn in de huidige situatie de volgende voorzieningen aanwezig in het park:

  • Groepsaccommodaties (variërend in grootte van 22-30 personen). Hier wordt deels ook permanent gewoond;
  • 9 recreatiewoningen (zespersoons) in bezit van particuliere eigenaren, met een verhuurverplichting via Nolderwoud. Deze recreatiewoningen worden in de huidige situatie permanent bewoond. Deze permanente bewoning wordt in de nieuwe situatie definitief beëindigd;
  • 4 kleinere recreatiewoningen/bungalows (2-4 personen);
  • Een beautysalon met kapsalon;
  • Een restaurant;
  • De bedrijfswoning van de initiatiefnemer;
  • Indoor speelruimte met diverse speelvoorzieningen;
  • Centrale parkeerplaats;
  • Een visvijver met 24 steigers;
  • Hengelsportwinkel die in de huidige situatie tevens fungeert als receptie voor de bezoekers van de visvijver.

Door de bosgebieden in het plangebied lopen diverse wandelroutes en in het noordelijke bosdeel zijn fitnessmogelijkheden aanwezig (geen bouwwerken).

In onderstaande afbeeldingen is de huidige indeling van het park weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0007.png"  
Afbeelding 2.4: Indeling noordelijke deel  

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0008.png"  
Afbeelding 2.5: Indeling zuidelijke deel  

Hoofdstuk 3 Gewenste situatie

3.1 Gewenste situatie

3.1.1 Algemeen

Zoals in de inleiding al aangegeven, is de wens om het bestaande park te voorzien van een toekomstbestendig vervolgfunctie. Hiertoe is een ontwikkelplan opgesteld (zie Bijlage 1 en Bijlage 2). Het doel van de ontwikkeling is om van het Nolderwoud een onderscheidend park te maken met als centraal thema ‘sportvissen’. In het kader van het gemeentelijke project 'Vitale vakantieparken' is een scan gemaakt van alle recreatieparken in De Wolden. Hierin is beoordeeld of parken nog wel of geen recreatieve potentie hebben. Het Nolderwoud is naar aanleiding van deze scan aangewezen als park met recreatieve potentie. De gemeente wil parken met recreatieve potentie helpen excelleren en ondersteunen. In het geval van het Nolderwoud is een schaalvergroting en meer focus op een specifieke doelgroep nodig om het bedrijf te laten excelleren. Het sportvissen en de bijbehorende voorzieningen is een toevoeging aan het Nolderwoud. Dit wordt onderdeel van het bestaande Nolderwoud. Er zal sprake zijn van één bedrijf. In dit bestemmingsplan wordt daarom opgenomen dat hier slechts één recreatiebedrijf is toegestaan. Dit is noodzakelijk voor een toekomstbestendige invulling van het park.

Voor het geheel is reeds een inrichtingsplan opgesteld, waarop de invulling van het vernieuwde park visueel is weergegeven (zie Bijlage 3 bij deze toelichting. Er wordt voorzien in het volgende:

  • Realisatie twee nieuwe (geschakelde) groepsaccommodaties;
  • Sloop van de verouderde bungalows (circa 370 m2);
  • Realisatie 8 nieuwe lodges rond de visvijver;
  • Realisatie kantine voor de vissers en viswinkel ten dienste van de visactiviteiten (feitelijk komt het neer op verplaatsen van de bestaande winkel naar dit gebouw en het toevoegen van een kantine voor de vissers);
  • Realisatie kapschuur voor opslag van onderhoudsmateriaal (maximaal 100 m2);
  • Het functioneel betrekken van het restaurant bij het recreatiepark;
  • Aanleggen van de camperplaatsen (10 plaatsen);
  • Aanleggen nieuwe parkeerplaatsen (in totaal 58);

Voorgenoemde ontwikkelingen zijn niet passend binnen het geldend bestemmingsplan, gezien de uitbreiding van het park de grenzen van de huidige recreatiebestemming overschrijdt en de bedrijfsactiviteiten niet volledig passen binnen de huidige recreatiebestemming. Middels dit bestemmingsplan wordt voorzien in een actueel en toekomstbestendig planologisch kader.

Het recreatiepark is op te delen in een noordelijk deel en een zuidelijk deel met vijverdeel. In het noordelijke deel liggen reeds bestaande recreatiewoningen en groepsaccommodaties, de indoor speelvoorziening en de bedrijfswoning. Hier verandert vanuit fysiek en functioneel oogpunt niets. Permanente bewoning van de recreatiewoningen wordt expliciet uitgesloten.

In het zuidelijke deel, ten noorden van visvijver, zijn de groepsaccommodaties, het restaurant en de beautysalon gesitueerd. De visvijver wordt volledig opgenomen binnen de nieuwe recreatiebestemming. Er is in de nieuwe situatie sprake van één bij elkaar horend park. Bij de visvijver worden 8 lodges c.q. kleinschalige chalets gerealiseerd (D in afbeelding 3.1). Verder wordt er bij de visvijver een kantine met terras en een viswinkel gerealiseerd ten dienste van de visactiviteiten (F in afbeelding 3.1). Ten noorden van deze viswinkel wordt een parkeerterrein met 50 parkeerplaatsen aangelegd (K). In het zuiden van het plangebied wordt bij de lodges eveneens een parkeervoorziening met acht parkeerplaatsen aangelegd (G). Ten westen van vijver komen de camperplaatsen, in totaal 10 (E). Deze zijn reeds tijdelijk vergund en worden op nu concreet bestemd in dit bestemmingsplan. Ten zuidwesten van woonperceel Hooiweg 2 wordt een kapschuur gerealiseerd voor opslag van onderhoudsmaterialen en machines (L). De kapschuur krijgt een maximale oppervlakte van 100 m2 en wordt zo ver mogelijk van het woonperceel aan de Hooiweg 2 gerealiseerd. In afbeelding 3.1 is een uitsnede van het inrichtingsplan opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0009.png"  
Afbeelding 3.1: Uitsnede inrichtingsplan (Bron: Buro Stad en Land)  
3.1.2 Doelgroep

Het bestaande park is zowel gericht op groepen als gezinnen. Een deel van de accommodaties wordt multifunctioneel ingezet, zowel voor gezinnen, alsook voor grotere groepen. Er is vraag naar accommodaties voor grote groepen. Verder wordt er behalve reguliere gezinnen en groepen ook expliciet ingezet op de specifieke doelgroep van vissers. Hiervoor wordt de al bestaande recent aangekochte vijver ingezet. Ten zuiden van de vijver zullen 8 visserslodges worden gerealiseerd. Ook de overige accommodaties kunnen voor deze doelgroep worden gebruikt. Naast vissers die blijven overnachten komen ook dagvissers naar het park.

3.2 Landschappelijke inpassing en beeldkwaliteit

Voor de uitbreiding van het recreatiepark is door de Buro Stad en land een landschappelijk inpassingsplan met beeldkwaliteitsplan opgesteld.

In deze paragraaf worden de belangrijkste aspecten van de landschappelijke inpassing alsmede beeldkwaliteit van de nieuwe situatie weergegeven. Het volledige landschappelijk inpassingsplan met beeldkwaliteit opgenomen in Bijlage 4 van deze toelichting.

3.2.1 Landschappelijke inpassing

Landschappelijk gezien kent het plangebied in de huidige situatie een sterke landschappelijk kader. Vanuit de openbare omgeving worden bouwvormen grotendeels afgeschermd richting de omgeving en zijn deze als zodanig nauwelijks te ervaren. Rondom het deelgebied erf staan zwaardere boomvormers, merendeels zomereiken welke in principe worden behouden (op een enkele boom na ten behoeve van de ontsluiting. Ter versterking van de landschappelijke karakteristiek, het esdorpenlandschap en afscherming van nieuwe ontwikkelingen worden houtsingels, erfbosjes, hagen, hoogstamfruitbomen en solitaire bomen toegevoegd (zie inrichtingsplan bijlage). Doel is om het geheel van bestaande gebouwen en nieuwe opstallen in het landschap op te laten gaan. De diversiteit van het esdorpenlandschap biedt daar veel handvatten voor.

Het is van belang dat het gehele erf/park een landschappelijke kwaliteitsslag maakt. Door landschapselementen als houtwallen, boomgaarden, hagen en solitairen aan te brengen wordt de ontwikkeling landschappelijk verankerd. De kleinschaligheid die kenmerkend is voor het esdorpenlandschap (ook al vormde het gebied hier voornamelijk open heideterrein), wordt aangebracht.

Beplanting moet inheems en streekeigen zijn. De ruimtelijke kenmerken van het landschap vormen belangrijke uitgangspunten voor het uitwerken van het plan. De erfinrichting is bovenal sober, beperkt.

  • hoogstamboomgaarden met appel, peer of kers;
  • gebruik van streekeigen/inheems plantmateriaal overeenkomstig de landschappelijke kenmerken met o.a. zomereik, walnoot, linde, zwarte els, ruwe berk, scherpe hulst, meidoorn, sleedoorn, hazelaar etc.;
  • hagen inheems, beuk, veldesdoorn of meidoorn.


Langs paden en wegen mogen bermen zich wild ontwikkelen. Bermen en bloemrijke terreinen worden ingezaaid met een grasland-floramengsel, Na verloop van tijd zullen bepaalde soorten zich permanent vestigen, anderen zullen verdwijnen en nieuwe soorten zullen zich spontaan vestigen. Ook de overige grazige terreinen kunnen extensief worden beheerd waardoor de beleving en biodiversiteit worden vergroot.

Op het terrein is een aanzienlijk aantal bomen voorzien, zowel solitair als in groepen. De soorten zijn in principe inheems en streekeigen, passend bij het landschappelijke karakter van het ontginningenlandschap. Hierbij wordt gedacht aan zomereik, zachte berk, zwarte els, lijsterbes, linde en walnoot.

De revitalisering en de uitbreiding van het recreatiepark wordt gefaseerd gerealiseerd. Per fase moet uitvoering worden gegeven aan de landschappelijke inpassing. De fasering bestaat uit:

  • gebied 1; gebied waar het restaurant, de bestaande recreatieverblijven staan en de 10 camperplaatsen komen
  • gebied 2; gebied waar de parkeerplaatsen, de nieuwe groepsaccommodatie en de kantine/webshop komen
  • gebied 3; overig gebied.

Hiertoe is in de regels een voorwaardelijke bepaling opgenomen.

3.2.2 Beeldkwaliteit

Een beeldkwaliteitsplan is een plan dat wordt opgemaakt om de beeldkwaliteit te behouden en te versterken. In het plan worden randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen voor de inrichting van de publieke ruimte geformuleerd evenals uitspraken over de gewenste beeldwaarde van de bebouwing in relatie tot de publieke ruimte.

Een belangrijk doel van dit plan is de ruimtelijke, functionele relatie met de omgeving te versterken. Het gebied met (bestaande en toekomstige) bouwvormen en opstallen zou op een diffuse wijze over moet gaan in het landschap en overeenkomstig de erven en bebouwing van het esdorpenlandschap.

Binnen het plangebied zijn ruimtelijk 4 deelgebieden onderscheiden. Het centrum, de visserslodges, de campers en het erf. In principe worden alle deelgebieden in onderlinge samenhang ontwikkelt en zal dit ook tot uiting komen in de architectonische uitstraling. Functionaliteit en gebruik verschilt, maar eenheid in de uitstraling als geheel is gewenst. Opgemerkt wordt dat het woonperceel Hooiweg 2 alsmede de voormalige bedrijfswoning aan de Ommerweg 57 geen onderdeel uitmaken van het plangebied. Deze gronden zijn niet in eigendom en vallen buiten de scope van dit bestemmingsplan. Vanuit beeldkwaliteit worden deze perceel echter wel betrokken in het totaalbeeld van de locatie. In afbeelding 3.2 wordt dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0010.png"  
Afbeelding 3.2: Stedenbouwkundig ensemble (Bron: Buro Stad en Land)  

Gebouwen
Voor de verschillende gebouwen met verschillende functies wordt een eenduidige hoofdvorm en volume voorgesteld. Kenmerken:

  • eenvoudige rechthoekige basisvorm;
  • dak als beeldbepalend element, symmetrisch, zadeldak, de kapschuur met asymmetrisch dak.

Meubilair
Zitgelegenheden, informatieborden en ander meubilair hebben een belangrijke functie, maar ook veel invloed op de beeldkwaliteit. Belangrijk is dat meubilair een natuurlijke uitstraling krijgt. Gedacht kan worden aan boomstambanken, of eenvoudige houten banken.

Voor een nadere en uitgewerkte weergave van de beoogde kwaliteit wordt verwezen naar het in Bijlage 4 Landschappelijk inpassings- en beeldkwaliteitsplan. In deze bijlage is de beeldkwaliteit nadrukkelijk uitgewerkt.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

4.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

4.1.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
4.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

4.1.2 Toetsing aan het rijksbeleid

De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' wordt in Bro 1.1.1 als volgt gedefinieerd: stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Toepasselijkheid Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is noodzakelijk bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro).

Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Zo heeft de Afdeling uitgemaakt dat de realisatie van enkele gebouwen voor verblijfsrecreatie in ieder geval niet worden aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Dit blijkt uit de uitspraak ABRvS 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3398, waarbij het ging om de bouw van een strandpaviljoen, twee groepsaccommodaties en 10 geschakelde eco-lodges.

In dit geval gaat het om de realisatie van slechts 12 lodges, een kapschuur, een kantine met viswinkel en parkeerplaatsen. Alle functies bevinden zich reeds op het bestaande recreatieterrein danwel direct aansluitend daaraan (visvijver en het parkeerterrein). De visvijver is feitelijk al in gebruik op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning.

Een parkeerterrein waarvan de behoefte afhankelijk is van de aanwezigheid van een bestaande voorziening, zoals bijvoorbeeld een recreatieterrein, is evenmin aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, Bro (uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:943 (Ermelo)). In het betreffende plan in Ermelo is een parkeerterrein voorzien omdat er op dit moment parkeeroverlast is op de Fazantlaan als gevolg van het bestaande recreatieterrein. De behoefte aan dit parkeerterrein is daarmee afhankelijk van de aanwezigheid van het bestaande recreatieterrein. Het parkeerterrein is om die reden op zichzelf niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. In dit geval is er sprake van situatie die vergelijkbaar is, maar wel veel kleinschaliger in omvang is. Het parkeerterrein is bovendien bedoeld voor het recreatieterrein en mag dan ook enkel ten behoeve van dit recreatiebedrijf worden gebruikt.

Gezien de relatief beperkte schaal van de ontwikkeling, in relatie tot de genoemde uitspraken van de Raad van State, wordt gesteld dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking daarom niet van toepassing.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna kort ingegaan op de behoefte.

Beschrijf de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling

Het recreatiepark Nolderwoud is reeds 25 jaar een begrip in gemeente De Wolden. Het betreft dan ook een lokaal geworteld bedrijf. Het bedrijf onderscheidt zich van andere recreatieparken door de verscheidenheid aan functies. In 2.1.2 is hier reeds op ingegaan.

Trends
In de huidige tijd is er een groei van binnenlandse toerisme. De vraag naar binnenlandse korte vakanties neemt toe. De volgende trends kunnen worden gesignaleerd:

  • Multigeneratie vakanties; 65-plussers gaan vaker op vakantie dan andere leeftijdsgroepen. In dit geval wordt voorzien in dergelijke behoefte. Er worden onder meer camperplaatsen en (vissers)lodges aangelegd;
  • Vakanties in bungalowparken zijn in Nederland meer in trek. 46% van de binnenlandse vakantiegangers verblijft in een recreatiewoning/huisje of een daarmee vergelijkbaar verblijf.
  • Er is een dalende trend voor kamperen an sich en een toenemende vraag naar verhuuraccommodaties met een bijzonder karakter. Daar wordt in het Nolderwoud is voorzien. Er is een op het park een divers aanbod aan recreatieve activiteiten met een focus op visrecreatie.
  • De markt voor de camper(plaatsen) groeit;
  • Agrotoerisme stabiliseert en natuurrecreatieve terreinen zijn meer in trek;
  • Nederland wordt in toenemende mate een bestemming voor kortere 'tussendoor'-vakanties. Het seizoen wordt langer.

De provincie Drenthe
De provincie Drenthe en het Recreatieschap Drenthe hebben de ambitie uitgesproken om van Drenthe een prominente vrijetijdsprovincie te maken. Er is behoefte aan een onderscheidend aanbod van recreatievoorzieningen. Er is een grootste vraag naar gemengde recreatiebedrijven (bijvoorbeeld een mix van camping en bungalowpark/groepsaccommodaties) met een onderscheidend concept. In dit geval wordt daarin voorzien.

Het doel van de ontwikkeling is om van het Nolderwoud een onderscheidend park te maken met als centraal thema ‘sportvissen’. In het kader van het gemeentelijke project 'Vitale vakantieparken' is een scan gedaan van alle recreatieparken in De Wolden, hierin is beoordeeld of parken nog wel of geen recreatieve potentie hebben. Het Nolderwoud is naar aanleiding van deze scan aangewezen als park met recreatieve potentie. De gemeente wil parken met recreatieve potentie helpen excelleren en ondersteunen. In het geval van het Nolderwoud is een schaalvergroting en meer focus op een specifieke doelgroep nodig om het bedrijf te laten excelleren

Vitale vakantieparken
Natuur, landschap en cultuurhistorie maken Drenthe tot een bijzonder plek in Nederland. Deze kwaliteiten zijn pijlers voor de Drentse vrijetijdseconomie. Het provinciaal bestuur erkent het grote belang van de toeristisch-recreatieve sector voor de Drentse economie en samenleving. Daarom wordt stimulerend beleid gevoerd (Kwaliteitsimpuls Toerisme en Recreatie) om extra bestedingen en werkgelegenheid te genereren.

Aan ondernemers biedt de provincie ondersteuning bij het aantrekkelijke maken en houden van het bedrijf en het aantrekken van een groter aantal bezoekers naar Drenthe. De provincie investeert in een nog betere toeristische infrastructuur alsmede een kwaliteitsverbetering va het toeristisch bedrijfsleven.

De provincie Drenthe en Recreatieschap Drenthe hebben in 2017 de ambitie uitgesproken om van Drenthe dé vrijetijdsprovincie van Nederland te maken. Vervolgens is er een vitaliteitsonderzoek uitgevoerd. Daaruit is het volgende gebleken:

  • Van de onderzochte recreatiebedrijven behoren er slechts weinig tot de absolute top;
  • 30% van de verblijfsrecreatieparken in Drenthe heeft een matig perspectief. Dit heeft met name te maken met de beperkte omvang en de matige ligging ten opzichte van toeristisch-recreatieve hotspots in combinatie met te beperkte ondersteunende voorzieningen op de parken zelf. Daardoor zijn ze niet concurrerend genoeg. Dit zijn kwetsbare bedrijven. Het Nolderwoud valt ook in deze categorie.
  • Er is behoefte aan productontwikkeling en diversificatie. Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in deze behoefte naar een onderscheidend concept in de (verblijfs)recreatiesector.

Gemeente De Wolden
In aansluiting op het provinciale vitaliteitsonderzoek is er op gemeentelijk niveau een vitaliteitsscan uitgevoerd. In het toetsing aan het gemeentelijke beleid in 4.3 wordt hier nader op ingegaan. Het betreft een scan naar van alle recreatieparken in De Wolden, hierin is beoordeeld of parken nog wel of geen recreatieve potentie hebben. Het Nolderwoud is naar aanleiding van deze scan aangewezen als park met recreatieve potentie. De gemeente wil parken met recreatieve potentie helpen excelleren en ondersteunen. In het geval van het Nolderwoud is een schaalvergroting en meer focus op een specifieke doelgroep met een onderscheidend concept nodig om het bedrijf te laten excelleren.

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid behelst een doorvertaling van rijksbeleid en is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste betreffen de Omgevingsvisie Drenthe en de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening Drenthe.

4.2.1 Omgevingsvisie Drenthe 2018
4.2.1.1 Algemeen

De Omgevingsvisie is hét strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. De Omgevingsvisie kent een duidelijke relatie met bestaande programma’s en plannen.

Dat geldt op landsdelig niveau (zoals de Noordervisie, de Gebiedsagenda Noord-Nederland en het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN)-agenda), op regionaal niveau (Regiovisie Groningen-Assen) en op provinciaal niveau (de Regionale Agenda’s, het Regionaal Specifiek Pakket (RSP) en uitwerkingen van het collegeprogramma van gedeputeerde staten (GS) (bijvoorbeeld programma Klimaat en Energie). Deze programma’s en plannen zijn medebepalend geweest bij het tot stand komen van de Omgevingsvisie en worden benut bij de uitvoering ervan. Bestaande bestuurlijke afspraken zijn gerespecteerd.

De Omgevingsvisie Drenthe is voor Drenthe een centraal visiedocument. Provinciale Staten hebben op 3 oktober 2018 ingestemd met de Omgevingsvisie Drenthe 2018. De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna.

In de komende jaren zullen er provinciaal een vijftal belangrijke ontwikkelingen gaan spelen:

  • de demografische ontwikkeling;
  • de klimaatverandering;
  • de afname van de biodiversiteit;
  • de transitie naar een kennis- en netwerkeconomie;
  • de transitie naar een duurzame energievoorziening.

De belangrijkste opdracht tot 2030 is het vinden van een antwoord op de vraag hoe de provincie met deze ontwikkelingen moet omgaan. Daarnaast heeft de Provincie Drenthe diverse ambities en daarmee ook belangen. De basis hiervoor zijn de wettelijke taken en verantwoordelijkheden. Deze zijn aangevuld met een selectie onderwerpen die het meest effectief te beïnvloeden zijn op provinciaal niveau. De hierna opgenomen onderwerpen zijn in het kader van provinciaal beleid van belang.

4.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit

Ontwikkelingen die een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe worden gestimuleerd. Deze kwaliteit zit in het zorgvuldig gebruikmaken van de ruimte, het behouden en waar mogelijk versterken van de kernkwaliteiten en het waarborgen van de kwaliteit van het milieu en de leefomgeving. Hierbij wordt niet enkel gekeken naar de bovengrond, maar houdt ook rekening met de eigenschappen en functies van de ondergrond.

De ruimtelijke kwaliteit van Drenthe is hoog. Het tot dusver gevoerde ruimtelijk beleid heeft ertoe geleid dat ontwikkelingen nauwelijks los van de ondergrond en los van de cultuurhistorische basis hebben plaatsgevonden.

Er is evenwicht tussen stad en platteland, tussen rust en dynamiek, tussen historie en heden. Het landschap is rijk aan herinneringen aan vroegere bewoning, kent karakteristieke bebouwingspatronen en borgt hoge natuurwaarden. De kernkwaliteiten vormen de belangrijkste basis voor het begrip 'ruimtelijke kwaliteit'. Daarnaast zijn zorgvuldig ruimtegebruik en milieu- en leefomgevingskwaliteit van belang. De kernkwaliteiten die van provinciaal belang zijn, aangegeven op de kaart "Kernkwaliteiten". De kernkwaliteiten die niet op de kaart zijn aangegeven, vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten.

Voor het plangebied gelden de volgende kernkwaliteiten:

  • Landschap: Esdorpenlandschap;
  • Cultuurhistorie: Sturingniveau: respecteren;
  • Archeologie: Generiek, behoudenswaardige vindplaatsen kunnen niet ongezien verdwijnen;
  • Aardkundige waarden: Beschermingsniveau: Hoog
4.2.1.3 Zorgvuldig ruimtegebruik

Een belangrijk uitgangspunt van het Drentse omgevingsbeleid is om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte in Drenthe. In paragraaf 4.3 van de Omgevingsvisie is dat principe nadrukkelijk verwoord. Het relatief bescheiden percentage bestaand stedelijk gebied in Drenthe is een van de aspecten die Drenthe maakt tot wat het is. Via dit hoofdstuk wordt daarom verankerd dat gemeenten de Ladder voor duurzame verstedelijking toepassen. Hierbij kunnen zij gebruik maken van de speciaal voor deze toepassing opgestelde Handreiking ladder voor duurzame verstedelijking. Kort gezegd zorgt deze ervoor dat er niet nodeloos gebouwd wordt en inbreiding voor uitbreiding gaat en dat waar uitbreiding plaatsvindt dit in principe niet los van bestaande bebouwingsconcentraties gebeurt. De Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden toegepast voor woon-werklocaties, verblijfsrecreatie, detailhandel en infrastructuur. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt tevens gehanteerd voor recreatie en toerisme en in de landbouwsector. Bij ontwikkelingen in deze sectoren gaat het vooral om het denkmodel dat gehanteerd moet worden, reden waarom in artikel 3.15 deze thema's niet expliciet worden genoemd.

4.2.1.4 Vrijetijdseconomie

De vrijetijdssector is een belangrijke pijler voor de Drentse economie. Drenthe heeft de bezoeker veel te bieden. Drenthe is dé fiets- en vrijetijdsprovincie van Nederland. De kwaliteiten van Drenthe voor de vrijetijdseconomie liggen in een combinatie van natuur, landschap, erfgoed en cultuur. Dat wil de provincie zo houden en verder uitbouwen.

De inzet is het versterken van de vrijetijdseconomie door het verbinden van de verblijfsrecreatie aan de lokale economie, aan de beleving van ruimtelijke kwaliteit en aan (dag-)attracties. De focus ligt op het vergroten van de aantrekkelijkheid van Drenthe als bestemming voor bezoek en verblijf, zowel recreatief als zakelijk. Voor de binnenlandse markt liggen er kansen voor het verstevigen van de eigen marktpositie door te focussen op hogere bestedingen. Van de buitenlandse markt verwacht de provincie de meeste groei en dan met name van de Duitse en Belgische markt in het voor- en naseizoen. Dat levert meer bezoekers, bestedingen en banen op. En daar profiteert de Drentse bevolking van, zowel wat betreft werk en leefbaarheid als ook aantrekkelijkheid van de eigen woonomgeving.

De provincie streeft naar het vergroten van de attractiewaarde Drenthe met meer bezoekers en een langere verblijfsduur van de toeristen in Drenthe. Hierbij wordt er een uitnodigend en aantrekkelijk vestigingsklimaat voor de (nieuwe) bedrijven in vrijetijdssector nagestreefd. Ook werkt de provincie aan het behouden en versterken van een aantrekkelijk en vitaal aanbod van dag- en verblijfsrecreatieaccommodaties en, waar nodig, een revitaliseringsslag van de verblijfsrecreatiesector, door herontwikkeling en transformatie van bestaande verblijfsrecreatieparken.

De provincie Drenthe is van mening dat het provinciaal belang om te anticiperen op een veranderende bevolkingssamenstelling en de effecten hiervan af dienen te stralen op de leefomgeving en de woningmarkt. De demografische ontwikkelingen maken het nodig dat anticiperen op een ouder wordende bevolking nodig is, tezamen met het omgaan met de toenemende vraag naar levensloopbestendig wonen en zorgwonen en een daling van het aantal huishoudens, in met name de buitengebieden. Deze ontwikkeling speelt nu al in Oost-Drenthe. Dit brengt met zich mee dat in kleine kernen en oudere stadswijken de leefbaarheid soms meer onder druk komt te staan, waardoor maatwerk noodzakelijk blijft.

4.2.1.4.1 Revitalisering bestaande verblijfsrecreatie

In een Drenthe-breed onderzoek is de vitaliteit van de verblijfsrecreatiesector in kaart gebracht. Uit dit onderzoek blijkt dat bij de revitaliseringsopgave geldt dat er een sterke verwevenheid is op zowel economisch, fysiek-ruimtelijk, volkshuisvestelijk als sociaal-maatschappelijk terrein. Problemen zijn vaak niet eendimensionaal. Het onderzoek toont aan dat er sprake is van een meervoudige opgave, die beleidsvelden én gemeentegrenzen overstijgt en een meerjaren-, integrale aanpak vereist.

In sommige regio’s is sprake van een overschot aan woningen en plancapaciteit. Het moderniseren van de bestaande woningvoorraad gebeurt door sloop, waar nodig, zonder vervangende nieuwbouw of concentratie van nieuwe woningbouw in dorpen voor het in stand houden van voorzieningen. Dit is een centrale opgave, om samen met gemeenten op te pakken. Dorpen en steden moeten een adequate bovenlokale strategie hebben om zorgvuldig met deze onbalans om te kunnen gaan. Bijvoorbeeld door meer woningen te slopen dan terug te bouwen of woningen te realiseren nabij bestaande kernen en voorzieningen. Dit is een opgave die de gemeentes samen oppakken.

Voor de revitaliseringsopgave zijn weliswaar primair de bedrijven en eigenaren verantwoordelijk, maar gezien de aard, de complexiteit en de omvang van de opgave wordt ook inzet en betrokkenheid gevraagd van gemeenten en provincie, vanuit meerdere domeinen (vrijetijdseconomie, maar ook wonen/volkshuisvesting, leefomgeving, infrastructuur, ruimtelijke ordening, sociaal domein, natuur en openbare orde). De provincie zet in op een nauwe samenwerking met de gemeenten, (vereniging van) eigenaren, maatschappelijke organisaties en de sector. De problematiek overstijgt de gemeentegrenzen en ingrepen in een gemeente hebben invloed op de situatie in de andere gemeenten.

Een vitale verblijfsrecreatiesector vraagt om een aanpak voor zowel vitale als niet-vitale parken. De rol van de gemeenten en provincie verschilt echter per opgave. Bij de opgaven voor vitale vakantieparken is de sector eerst aan zet en heeft de provincie een faciliterende, stimulerende en aanjagende rol. De revitaliseringsstrategie is bij de zogeheten excellente parken vooral gericht op het stimuleren en het laten excelleren van het ondernemerschap, product- en conceptontwikkeling, innovatie en herontwikkeling. Voor de opgaven omtrent niet-vitale verblijfsparken heeft de provincie een meer sturende rol. De strategie voor deze parken is: transformeren, consolideren, herontwikkelen en handhaven.

4.2.1.4.2 Herontwikkeling en uitbreiding

Voor een duurzaam economisch perspectief voor bedrijven in de vrijetijdssector is het noodzakelijk dat zij zich kunnen aanpassen aan de vraag van de markt. De provincie wil voor bedrijven ruimte creëren voor noodzakelijke aanpassingen en ontwikkelingsmogelijkheden. Om de marktpositie te verbeteren kan een bedrijf er voor kiezen om, binnen de bestaande oppervlakte van het park, vernieuwende recreatieconcepten te ontwikkelen of het aanbod te verbeteren. Hiervoor is ruimte binnen de provinciale beleidsuitgangspunten. Bij deze afweging is altijd sprake van maatwerk.

4.2.1.5 Toetsing van het initiatief aan de 'Omgevingsvisie Drenthe'

Voorgenomen herontwikkeling en uitbreiding van het Nolderwoud sluit naadloos aan bij de ambities en uitgangspunten uit de provinciale omgevingsvisie. Er wordt voorzien in een onderscheidend concept door het bestaande park uit te breiden en te herontwikkelen. Een bestaande verblijfsrecreatie wordt hiermee gerevitaliseerd, onder meer door de sloop van verouderde bungalows, de realisatie van twee geschakelde groepsaccommodaties en het opknappen van verouderde recreatieverblijven op het terrein. Er wordt bijgedragen aan het verbinden van de verblijfsrecreatie aan de lokale economie, aan de beleving van ruimtelijke kwaliteit en aan (dag-)attracties. De aantrekkelijkheid van Drenthe als bestemming voor bezoek en verblijf wordt hiermee versterkt. De attractiewaarde van Drenthe wordt vergoot met meer bezoekers en een langere verblijfsduur van de toeristen. Er is hierdoor sprake versterken van een aantrekkelijk en vitaal aanbod van dag- en verblijfsrecreatieaccommodaties alsmede een revitaliseringsslag van de verblijfsrecreatiesector. Tevens wordt opgemerkt dat er sprake is van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. In 4.1.2 is daar reeds op ingegaan bij de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Geconcludeerd wordt dat initiatief past binnen de Omgevingsvisie Drenthe.

4.2.2 Provinciale Omgevingsverordening Drenthe
4.2.2.1 Algemeen

De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (POV) is een belangrijk instrument om het omgevingsbeleid, zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe, uit te voeren. Omdat de Omgevingsvisie in 2018 is geactualiseerd, is het ook noodzakelijk de POV te actualiseren. Het actualiseren van de Omgevingsverordening is erop gericht om de rollen die de Omgevingsverordening vervult bij de uitwerking van het omgevingsbeleid te staven, te waarborgen en (waar nodig) te verbeteren. Deze aanpassingen zijn uiteindelijk zodanig ingrijpend en omvangrijk geworden, dat is besloten om niet te werken met een wijzigingstranche, maar de Omgevingsverordening in zijn geheel opnieuw vast te stellen. Provinciale staten hebben de Omgevingsverordening Drenthe vastgesteld en is met ingang van 15 oktober 2018 in werking getreden. In voorliggend geval is artikel 2.21 (Nieuwe verblijfsrecreatie en uitbreiding verblijfsrecreatie) relevant.

4.2.2.2 Relevante artikelen
4.2.2.2.1 Artikel 2.21 Nieuwe verblijfsrecreatie en uitbreiding verblijfsrecreatie

Een ruimtelijk plan kan alleen voorzien in een nieuw park of uitbreiding van een park indien het ruimtelijk plan regels stelt ter waarborging van levensvatbare langjarige bedrijfsmatige exploitatie van het park, zodat permanente bewoning van recreatiewoningen wordt voorkomen.

4.2.2.3 Toetsing van het plan aan de relevante artikelen van de Provinciale Omgevingsverordening

De regels van dit bestemmingsplan worden zo vormgegeven dat de beoogde ontwikkeling zoals weergeven in Hoofdstuk 3 optimaal kan worden vormgegeven. In de regels van dit bestemmingsplan wordt daarnaast vastgelegd dat permanente bewoning niet is toegestaan. De bedrijfsmatige exploitatie via één centrale voorziening is in de regels verankerd. Het initiatief is daarmee in overeenstemming met de omgevingsverordening.

4.2.3 Actieprogramma Vitale Vakantieparken Drenthe
4.2.3.1 Algemeen

Samen met gemeenten, Recreatieschap Drenthe en RECRON werkt provincie Drenthe aan het project Vitale Vakantieparken. Een project om vakantieparken en campings in Drenthe, die er op dit moment recreatief en economisch gezien minder goed voorstaan, te ondersteunen om weer recreatief en economisch gezond (aantrekkelijk) te worden. Die ondersteuning is er ook voor vakantieparken en campings die er goed voorstaan, om ze de mogelijkheid te bieden verder door te ontwikkelen (excelleren). Daarnaast worden parkeigenaren en/of verenigingen van eigenaren van terreinen zonder recreatieve mogelijkheden en kansen voor de toekomst, begeleid naar een passende andere bestemming (transformeren).

4.2.3.2 Gezamenlijke aanpak

De samenwerkende partijen hebben in 2017 veelvuldig met elkaar om tafel gezeten, maar ook met ondernemers en Verenigingen van Eigenaren om te praten over een gezamenlijke aanpak voor het project vitale vakantieparken. Deze aanpak is opgenomen in een convenant dat op 7 december is ondertekend door alle gemeenten, RECRON en de provincie. De aanpak bestaat uit twee sporen:

Excelleren

Het ondersteunen van vitale parken én parken met die potentie om (weer) vitaal en eigentijds te blijven en/of te worden. Door innovatie, eigentijdse product-conceptontwikkeling wordt de kopgroep excellente bedrijven vergroot.

Transformeren

Het begeleiden van parkeigenaren en/of VvE’s van terreinen zonder recreatieve kwaliteit en perspectief, om transformatie naar een passende bestemming te realiseren. Door herbestemming en –ontwikkeling wordt het aandeel parken dat hun toeristisch-recreatieve functie heeft verloren, afgebouwd. Binnen deze opgave vallen ook de parken met een sociaal-maatschappelijke problematiek.

Met de aanpak willen de betrokken partijen de volgende doelen behalen in de periode 2018-2024’:

  • meer ruimte voor ondernemerschap;
  • meer bestedingen door toeristen;
  • meer werkgelegenheid;
  • meer grip op sociale problematiek;
  • meer balans tussen vraag en aanbod.
4.2.3.3 Toetsing van het initiatief aan het actieprogramma

Voorgenomen herontwikkeling en uitbreiding van het Nolderwoud komt voor uit het actieprogramma. De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling sluit dan ook naadloos aan bij de ambities en doelen uit het programma. Geconcludeerd wordt dat initiatief in overeenstemming is met het actieprogramma.

De recreatiewoningen aan de noordzijde van het Nolderwoud zijn allemaal verkocht en niet langer in eigendom van het Nolderwoud. Zo goed als alle woningen worden permanent bewoond en niet ingezet ten behoeve van het Nolderwoud en recreatief gebruik. Op dit moment loopt het project vitale vakantieparken zoals hierboven beschreven. Behalve het helpen van parken om te excelleren zal de gemeente erop toezien dat permanente bewoning - in de recreatiewoningen als in de groepsaccommodaties op het bestaande park zelf - definitief wordt gestaakt, dit is met elkaar verbonden. Hier wordt op gehandhaafd door de gemeente De Wolden.

4.2.4 Conclusie

De ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met het relevante provinciale beleid van de provincie Drenthe.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie De Wolden
4.3.1.1 Algemeen

In maart 2011 heeft de gemeenteraad de structuurvisie 2010-2030 vastgesteld. Deze visie vormt het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen met 2030 als zichtjaar. De structuurvisie heeft niet als doelstelling de ontwikkelingslocaties op perceelsniveau op de kaart weer te geven, maar geeft de ontwikkelingsmogelijkheden per landschapstype weer.

De visie richt zich op het creëren van ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij het versterken van de ruimtelijke kwaliteit de randvoorwaarde is. Ruimtelijke kwaliteit in De Wolden wordt bepaald en versterkt door de dynamiek van het landschap.

In maart 2011 heeft de gemeenteraad de structuurvisie 2010-2030 vastgesteld. Deze visie vormt het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen met 2030 als zichtjaar. De structuurvisie heeft niet als doelstelling de ontwikkelingslocaties op perceelsniveau op de kaart weer te geven, maar geeft de ontwikkelingsmogelijkheden per landschapstype weer.

4.3.1.2 Recreatie

De sector recreatie en toerisme is belangrijk voor de plattelandsgemeente vanwege:

  • de functie als banenmotor voor overwegend laag en middelbaar geschoolde arbeid,
  • bestedingen van recreanten en toeristen in de gemeente waardoor o.a. voorzieningen in stand gehouden kunnen worden.

Bovendien zorgt toerisme voor dynamiek in het buitengebied. Om beide genoemde aspecten goed uit de verf te laten komen, is een zekere (grotere) schaalgrootte van de activiteiten nodig. Kwaliteit van het recreatieve product ligt grotendeels in de handen van de ondernemer zelf, maar wordt mede bepaald door de randvoorwaarden die de gemeente stelt voor ontwikkelingen en door de kwaliteit van recreatieve infrastructuur zoals fiets-, wandel- en ruiterpaden.

In het huidige beleid zet de gemeente in op een samenhangende en kwalitatief hoogstaande ontwikkeling van het toeristisch recreatieve product. Het landschap is daarbij een belangrijke pijler voor de recreatieve aantrekkelijkheid. Het beleid richt zich verder op promotie, meer arrangementen, betere en ruimere overnachtingaccommodaties en seizoensverlenging.

Voor de komende jaren blijft de gemeente inzetten op ontwikkeling van de sector en verdere verbetering van de toeristisch-recreatieve infrastructuur. Ruimte voor ontwikkeling van toeristische bedrijven is er onder andere in en bij vrijkomende agrarische bedrijven in het buitengebied.

Het aantal overnachtingen, de bestedingen en de banen in toerisme lopen vanaf 2004 terug. Gezien het economisch belang van de toeristische sector wil de gemeente dit tij keren. De gemeente staat daarom open voor initiatieven gericht op de aanleg en uitbreiding van verblijfsrecreatie en dagattracties en ontwikkeling van nieuwe recreatieve voorzieningen. Hierbij geldt als voorwaarde dat de accommodatie of attractie passend moet zijn bij de aard en ambitie van gemeente De Wolden en toegevoegde waarde creëert ten opzichte van het bestaande toeristische product. Een goede landschappelijke inpassing is een vereiste. Er wordt op voorhand geen gebied aangegeven voor deze ontwikkelingen maar de landschappelijke randvoorwaarden zijn bepalend. Het gaat niet zozeer om de omvang van een initiatief, maar om de te verwachten effecten op de omgevingskwaliteit. Als er grote effecten op de omgevingskwaliteit worden verwacht is een milieu effect rapportage (MER) verplicht, in lijn met de bestaande wetgeving op dit gebied. Naast het belang van dag- en verblijfsrecreatie worden verder ontwikkelingskansen gezien in levendige dorpen en regio-overstijgende evenementen.

Als uitwerking van de beleidskeuzes ten aanzien van recreatie kunnen de volgende beoogde ontwikkelingen worden genoemd:

  • mogelijkheden voor uitbreiding en nieuwvestiging van verblijfsaccommodaties, dagattracties en horeca die qua schaal aansluiten bij de schaal van het landschap;
  • Versterking van de toeristische profielen van de regio en de dorpen via thema's en specifieke elementen;
  • de gemeente ziet kansen voor recreatie in en nabij de natuurgebieden. Bij natuurontwikkeling en -bescherming moet ook rekening gehouden worden met de belangen van recreatie binnen een duurzaam evenwicht. Deze belangen hebben onder andere betrekking op toegankelijkheid van natuurgebieden voor recreanten.
4.3.1.3 Toetsing aan de structuurvisie

Het initiatief past binnen de kaders voor wat betreft recreatie. Er wordt voorzien in uitbreiding en nieuwvestiging van verblijfsaccommodaties en dagattracties (vissen). Geconcludeerd wordt het plan past binnen de beleidskaders van de structuurvisie.

4.3.1.4 Kadernotitie Vitale Recreatieparken De Wolden
4.3.1.4.1 Algemeen

De ‘Kadernotitie Vitale Recreatieparken De Wolden’ wordt uiteen gezet welke mogelijkheden er zijn om de recreatiefunctie op bestaande (recreatie)parken te faciliteren, stimuleren, revitaliseren en indien nodig te transformeren naar een ander gebruik. De gemeenteraad heeft deze notitie op 30 november 2017 vastgesteld.

Per (recreatie)park worden heldere handvatten gegeven het maken van een maatwerkplannen voor de toekomst en de daarbij behorende rolverdeling. De visie hierbij is een zo vitaal mogelijke recreatiesector in De Wolden. Dat wil zeggen dat daar waar de recreatiefunctie toekomstpotentieel heeft erop wordt ingezet de recreatiefunctie te faciliteren, stimuleren en waar nodig revitaliseren. Daar waar het recreatief potentieel van bestaande parken ontbreekt worden de mogelijkheden van transformatie onderzocht.

De visie hierbij is een zo vitaal mogelijke recreatiesector in De Wolden. Dat wil zeggen dat daar waar de recreatiefunctie toekomstpotentieel heeft erop wordt ingezet de recreatiefunctie te faciliteren, stimuleren en waar nodig revitaliseren. Bij het planologisch mogelijk maken van nieuw recreatief aanbod wordt kritisch gekeken naar de recreatieve kwaliteit en onderscheidenheid van het initiatief: voegt het initiatief iets toe of creëert de gemeente een nieuw vitaliteitsprobleem voor de toekomst. Daar waar het recreatief potentieel van bestaande parken ontbreekt worden de mogelijkheden van transformatie onderzocht.

Alle (recreatie)parken (parken met een recreatieve bestemming) van De Wolden zijn op een uniforme wijze geschouwd door middel van een vitaliteitsonderzoek met als uitgangspunt de recreatief-toeristische kwaliteit en toekomstperspectief van de parken vast te stellen. Hierbij zijn per park aanbevelingen voor de toekomst gegeven met daarbij een eerste inzicht in ruimtelijk-juridische consequenties van deze aanbevelingen. Deze vitaliteitscan heeft in de periode december 2016 t/m maart 2017 plaatsgevonden.

4.3.1.4.2 Toetsing

Het Nolderwoud is naar aanleiding van deze scan aangewezen als park met recreatieve potentie. De gemeente wil parken met recreatieve potentie helpen excelleren en ondersteunen. In het geval van het Nolderwoud is een schaalvergroting en meer focus op een specifieke doelgroep nodig om het bedrijf te laten excelleren. Dit vloeit voort uit de kadernotitie.

Het bestaande park is zowel gericht, groepen, gezinnen als 65+ers. Een deel van de accommodaties wordt multifunctioneel ingezet, zowel voor gezinnen, kleinere groepsaccommodatie als gezamenlijk ten behoeve van een grote groepsaccomodatie. Verder wordt er behalve reguliere gezinnen en groepen ook ingestoken op de doelgroep vissers. Hiervoor wordt de al bestaande recent aangekochte vijver ingezet. Rondom zullen 8 visserslodges worden gerealiseerd, ook de overige groepsaccommodatie kunnen voor deze doelgroep worden gebruikt. Naast vissers die blijven overnachten komen er ook veel dagvissers.

Het vorenstaande maakt het Nolderwoud toekomstbestendig waarbij wordt aangesloten bij de doelen uit de kadernotitie.

De recreatiewoningen aan de noordzijde van het Nolderwoud zijn allemaal verkocht en niet langer in eigendom van het Nolderwoud. Zo goed als alle woningen worden permanent bewoond en niet ingezet ten behoeve van het Nolderwoud en recreatief gebruik. De gemeente zal erop toezien dat permanente bewoning definitief wordt gestaakt. Hier zal handhavend tegen worden opgetreden door de gemeente De Wolden.

4.3.2 Landschappelijk Ontwikkelingskader (LOK)
4.3.2.1 Algemeen

De gemeenteraad heeft op 29 november 2012 het LOK vastgesteld. Het LOK is een instrument waarbij de samenhang tussen de verschillende landschappen, stedenbouwkundige aspecten, uitbreidingsplannen en functieveranderingen op elkaar worden afgestemd. Daarnaast bevat het LOK randvoorwaarden waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.

Het plangebied is gelegen binnen het gebied aangeduid als "Jonge veldontginningen". De jonge veldontginningen zijn de gronden in de gemeente die als laatste in cultuur zijn gebracht. Door hun natuurlijke omstandigheden, vooral de arme en droge bodem, waren deze gronden in eerste instantie niet geschikt als landbouwgrond.

De oude heidegronden zijn vaak in één keer ontgonnen. Dat gebeurde op een planmatige manier via lange lijnen in een regelmatige verkaveling. Boerderijen worden verspreid over het gebied gebouwd. De jonge veldontginningen kenmerken zich door hun rationele opzet, de duidelijke lijnen in het landschap en de grote regelmatige verkaveling. Doordat veel wegen zijn beplant, wordt de van oudsher aanwezige openheid gebroken. Op sommige plekken zijn bosjes en restanten van heidevelden nog aanwezig. Hoogteverschillen komen niet voor.

4.3.2.2 Toetsing

Ten behoeve van dit plan is voorzien in een landschappelijk inpassingsplan met beeldkwaliteit (zie Bijlage 4 bij deze toelichting). Deze inpassing vindt plaats conform het LOK. In het landschappelijk inpassingsplan wordt nadrukkelijk op het LOK ingegaan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het volledige beeldkwaliteitsplan met landschappelijke inpassing in Bijlage 4. De aanleg en het behoud van deze landschappelijke inrichting is vastgelegd door middel van een voorwaardelijke verplichting. Dit plan voldoet aan de doelstellingen en criteria van het LOK.

4.3.3 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het hiervoor behandelde gemeentelijke beleidskader.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.

Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema’s geluid, bodem, archeologie & cultuurhistorie, water, ecologie, milieuzonering, geur, luchtkwaliteit, externe veiligheid, verkeer en parkeren, het Besluit milieueffectrapportage en duurzaamheid.

5.1 Bodem

5.1.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kan worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

In eerste instantie is er een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd door Ecoreest. Deze is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. De resultaten en conclusies worden in de komende paragraaf behandeld.

5.1.2 Onderzoek en conclusie

Door Ecoreest is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van beoogde uitbreiding van het recreatiepark. Opgemerkt wordt dat In dit onderzoek is eveneens het woonperceel Hooiweg 2 is betrokken. Dit woonperceel maakt geen onderdeel uit de scope van dit bestemmingsplan. Dit is een woning van een derde en maakt geen onderdeel uit van de ontwikkeling.

Hierna wordt nader ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze toelichting.

Onderzoeksresultaten

Op grond van het totaal aan informatie uit het vooronderzoek bestaat er geen aanleiding om te veronderstellen dat ter plaatse sprake is van verontreiniging in de waterbodem. Op grond hiervan heeft het uitvoeren van een verkennend waterbodemonderzoek geen meerwaarde. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden uit de Wet bodembescherming zijn aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een onverdachte locatie, is hiermee daarom verworpen.

Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming van het terrein, concludeert het onderzoeksbureau dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygienische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygienische belemmering in relatie tot de bestemming van het terrein.

5.1.3 Conclusie

Opgemerkt wordt dat het bodemonderzoek toe ziet op de gronden van de uitbreiding. In dit geval worden twee nieuwe groepsaccommodaties gerealiseerd op de plek van een bestaande. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt hiervoor ter zijner tijd de bodemsituatie in beeld gebracht. Ten aanzien daarvan worden op voorhand geen belemmeringen verwacht.

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.2 Archeologie en Cultuurhistorie

5.2.1 Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2022 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn archeologische monumenten kaarten en gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaarten opgesteld.

In het plangebied zijn geen archeologische monumenten aanwezig waarmee rekening gehouden dient te worden.

5.2.2 Situatie plangebied

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

De gemeente De Wolden heeft de archeologische verwachtingswaarde van gronden doorvertaald in dubbelbestemmingen in haar bestemmingsplannen. Voor het plangebied geldt een dubbelbestemming, waarin is opgenomen dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen groter dan 1.000 m2. Daar is in dit geval sprake van. Daarom is in dit geval een archeologisch onderzoek uitgevoerd naar de gronden waar de uitbreiding is beoogd. Hierna wordt nader ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor de volledige rapportage wordt verwezen Bijlage 6 bij deze toelichting.

Onderzoeksresultaten

Er is sprake van een verstoord bodemprofiel tot circa 70 cm. Zeer waarschijnlijk gaat het hier om een ophogingslaag die is opgebracht na het afgraven van het gebied. Hieronder is in een boring in het meest noordelijke deel van het plangebied een restant van de B-horizont aangetroffen. Het noordelijke deel van het plangebied is oorspronkelijk ook minder sterk afgegraven dan de zuidelijke helft. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek lijkt de kans op een redelijk intacte archeologische vindplaats alleen aanwezig in het meest noordelijke deel van het plangebied (boring 20).

Het archeologische niveau is in de rest van het plangebied grotendeels verdwenen. Dit betekent dat het oorspronkelijke leefniveau – en daarmee de vondstenlaag – eveneens is verdwenen. Ondiepe grondsporen en het oorspronkelijke woonniveau zijn echter verdwenen. Wellicht bevat het plangebied nog resten van diepere grondsporen. Dergelijke restanten zijn niet door middel van archeologisch booronderzoek op te sporen. De archeologisch – wetenschappelijke waarde van dergelijke geïsoleerde restantsporen is meestal laag omdat de archeologische context en samenhang is verdwenen.

Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van het meest noordelijke puntje van het plangebied waar een dun restant van de B-horizont is aangetroffen. De top van de B-horizont ligt hier onder een verstoord pakket van 45 cm dik. Mits niet dieper dan 25 cm min het huidige maaiveld wordt ontgraven wordt een potentieel archeologisch niveau hier niet aangetast en is geen nader onderzoek noodzakelijk. Voor het overige deel van het plangebied wordt geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd ongeacht de diepte van de geplande ingrepen.

5.2.3 Conclusie

Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering. De dubbelbestemming ter plaatse van het zuidelijke deel van het plangebied wordt verwijderd. In het noordelijke deel wordt de bestemming 'Waarde - Archeologie' toegekend ter bescherming van de archeologische waarden.

5.2.4 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.2.5 Situatie plangebied

Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente De Wolden, vastgesteld door de raad in 2014, in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In het beeldkwaliteitsplan alsmede bij de landschappelijke inpassing wordt rekening gehouden met de landschappelijke cultuurhistorische waarde van (de omgeving van) het plangebied.

5.2.6 Conclusie

Er is geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering.

5.3 Water

5.3.1 Algemeen

In dit bestemmingsplan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Deze waterparagraaf is erop gericht om de actuele watersituatie en het actuele waterbeleid in beeld te brengen. Daarnaast is de waterparagraaf vooral bedoeld om een brug te slaan naar de procedures en toetsingsinstrumenten van de waterbeheerder. De gemeente De Wolden is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta en het waterschap Vechtstromen, welke beiden verantwoordelijk zijn voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer.

5.3.2 Normstelling

De waterschappen Drents Overijsselse Delta en Vechtstromen vormen samen met waterschap Rijn en IJssel het waterschapsgebied Rijn-Oost. De waterschappen hebben hun beleid voor stedelijk waterbeheer vastgelegd in de gezamenlijke beleidsnotitie 'Water Raakt'. Deze notitie vormt op hoofdlijnen het beleid voor de wijze waarop de waterschappen in stedelijk gebied invulling geven aan het waterbeheer. Het waterbeheer richt zich op de volgende drie beleidsthema's:

  • 1. Voor het dagelijkse waterbeheer is dat het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR). Doel daarvan is gedurende een heel groot deel van het jaar die wateromstandigheden te realiseren die het beste passen bij de functie zoals de provincies die hebben vastgesteld;
  • 2. Om in extreem natte en extreem droge omstandigheden de schade als gevolg van wateroverlast of watertekort te beperken is het WB21 opgesteld. Hierin zit de trits vasthouden-bergen-afvoeren als voorkeursvolgorde en afwegingskader en het principe van niet afwentelen. Het stedelijk gebied dient dus waterneutraal te zijn. Mocht dit door enige goede redenen - de veiligheid is ernstig in het geding, de kosten zijn te hoog, er spelen nijpende ruimtevraagstukken - niet kunnen, dan komen het waterschap en de gemeente passende afspraken overeen. Doel is het watersysteem zo in te richten dat het in extreme omstandigheden en in de toekomst goed functioneert;
  • 3. Voor het bereiken van de goede ecologische toestand van het water zijn er de Europese richtlijnen voor ecologie en waterkwaliteit. Dit thema bestaat uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Vogel- en Habitatrichtlijnen (vertaald in de Wet natuurbescherming). Doel daarvan is dat alle Europese wateren, zowel oppervlaktewater als grondwater, zich in 2015 in een goede ecologische en goede chemische toestand bevinden. Met goede argumenten is uitstel mogelijk tot uiterlijk 2027. Voor de Natura 2000-gebieden is geen uitstel mogelijk.

Deze drie thema's hangen zo met elkaar samen dat het niet mogelijk is ze afzonderlijk van elkaar te realiseren. Er wordt gezorgd dat het watersysteem tijdig op orde is, duurzaam is ingericht, voldoet aan de landelijke normen voor het voorkomen van wateroverlast, bijdraagt aan het bereiken van grond- en oppervlaktewaterpeilen in relatie tot de functies van die wateren en gebieden, verdroging tegengaat en rekening houdt met de eisen vanuit de KRW. Om aan deze punten te voldoen is in december 2009 de Waterwet in werking getreden. De Waterwet vervangt acht bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland. Deze wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert deze wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Hierdoor zijn waterschappen, gemeenten en provincies beter in staat wateroverlast, waterschaarste en watervervuiling tegen te gaan. Ook voorziet de Waterwet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur, landbouw, industrie en recreatie. Op basis van deze functies worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het water. De instrumenten vanuit de Waterwet zijn Waterplannen (rijk en provincie), waterbeheer-plannen (waterbeheerder) en vergunningen.

5.3.2.1 Watertoetsproces

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Voor het watertoetsresultaat wordt verwezen naar Bijlage 7 bij deze toelichting.

Naar aanleiding van de watertoets heeft het waterschap aangegeven dat de normale procedure van toepassing is omdat er naar verwachting meer dan 1.500 m2 verharding wordt toegevoegd. Het waterschap is vroeg in de procedure betrokken om te adviseren omtrent het omgaan met hemelwater dat afstroomt van het verharde oppervlak. Zo wordt wateroverlast nu en in de toekomst voorkomen. Het waterschap heeft op 4 augustus 2022 per mail gereageerd en wijst op het realiseren van waterberging. In de plannen is een wadi opgenomen waarmee daar invulling aan wordt gegeven. Op deze manier wordt ingespeeld op het voorkomen van mogelijke wateroverlast.

Ter plaatse van het plangebied is in de gewenste situatie sprake van 3.750 m² gesloten verharding, 1.160 m² waterdoorlatende verharding en 2.530 m² dakoppervlak. In totaal wordt worst-case er vanuit gegaan dat hiermee sprake is van een verhard oppervlak van circa 7.500 m². Uitgaande van een waterbergingseis van 80 mm per m² verhard oppervlak, dient er sprake te zijn van waterbergende voorziening van 600 m³. In het plangebied wordt een wadi aangelegd, deze bevat een waterberginscapaciteit van 315 m³. Het resterende water, en in pieksituaties, kan naar de visvijver afstromen.

Bij de parkeerplaatsen kan overigens halfverharding worden toegepast waarmee het verharde oppervlak slechts in beperkte mate zal toenemen en het water deels kan worden geïnfiltreerd, bij de berekening van de waterbergingseis is de halfverharding echter als reguliere verharding aangemerkt en meegenomen.

Het waterschap heeft voor de ontwikkeling een uitgangspuntennotitie opgesteld. Deze is als Bijlage 8 toegevoegd aan deze toelichting.

Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemengd rioolstelsel. Hiervoor worden aanpassingen gedaan aan de ter plaatse aanwezige riolering. Hemelwater wordt volledig gescheiden van afvalwater en geïnfiltreerd op het eigen terrein. Er is geen sprake van gebruik van materialen die van negatieve invloed zijn op het grond en/of oppervlaktewater in het plangebied.

5.3.3 Onderzoek en conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.4 Ecologie

5.4.1 Algemeen

Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd.

De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.

In dit geval is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoekt beperkt zich tot de gronden waar de uitbreiding is beoogd. In de overige delen van het plangebied zijn geen fysieke ingrepen beoogd die van negatieve invloed kunnen zijn op beschermde soorten en gebieden. De quickscan is opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste onderzoeksresultaten ingegaan.

5.4.2 Gebiedsbescherming
5.4.2.1 Natura 2000

Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden.

Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Vecht- en Beneden-Reggegebied' ligt op circa 11,3 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op grotere afstand.

In dit geval is door Fopma NatuurAdvies een aeriusberekening uitgevoerd. Uit deze rekenresultaten blijkt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Het initiatief is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake zal zijn van aantasting van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. De aeriusberekening is opgenomen in bijlage 7 en 8 van de Quickscan Natuurwaarden in Bijlage 9 bij deze toelichting.

In afbeelding 5.1 is de ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura 2000-gebieden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0011.png"  
Afbeelding 5.1: Ligging plangebied t.o.v. Natura-2000 gebieden (Bron: Fopma Natuuradvies)  
5.4.2.2 NNN

Het Nederlands natuurnetwerk (NNN) (voorheen: EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is als NNN in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Delen van het plangebied liggen binnen NNN. Het gaat om het noordelijke deel van het plangebied waar de bestaande recreatiewoningen en groepsaccommodaties, de speelvoorziening en de bedrijfswoning aanwezig zijn. Ook betreft het fitnessbos ten noorden van bebouwing. In het kader van voorliggend bestemmingsplan zijn in dit deel geen nieuwe fysieke ingrepen beoogd.

Ondanks dat de activiteit plaatsvindt buiten het NNN is de mogelijke aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN getoetst. De conclusie is dat de nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een aantasting van de wezelijke kenmerken en waarden. De nieuwe landschappelijk inrichting (oorspronkelijk harde grenzen en alleen kort grasland) met meer gradienten tussen water en land hebben naar verwachting een positief effect.

5.4.3 Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige soorten (flora en fauna). Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Voor een juiste beoordeling van de genoemde aspecten is doorgaans een quickscan ecologie benodigd. Fopma advies heeft twee veldbezoeken op de planlocatie en de naaste omgeving afgelegd. Bezoek 1 vond plaats op 7 augustus 2019. Bezoek 2 vond plaats op 7 juli 2022.
Tijdens de veldbezoeken is gekeken naar de potenties van het plangebied voor beschermde diersoorten en de mogelijke functies. Op basis van expert judgement is een inschatting gemaakt wat de mogelijke effecten zijn van de ingreep op beschermde soorten. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 9. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten.

Onderzoeksresultaten

Vogels
Er zijn geen effecten op jaarrond beschermde vogelsoorten te verwachten zijn. Effecten op jaarrond beschermde soorten (Cat. 1 t/m 4) zijn hier uitgesloten. Met name in de bosrand kunnen wel vogels broeden in 2020 en later. Om deze reden wordt aanbevolen om buiten het broedseizoen te werken, het voorzorgbeginsel.

Omdat geen ontheffingen worden verleend voor het verstoren van vogels en/of het vernielen van nesten wordt geadviseerd om het bouwrijp maken en het slopen voor het broedseizoen (globale richtlijn 15 maart - 15 juli) uit te voeren of te beginnen na 15 juli. Voorkom het vestigen van broedvogels op het bouwperceel door het plaatsen van wapperende zakken of enkele linten. Op deze wijze zijn effecten op de andere vogels worden uitgesloten.

Ten aanzien van de sloop
Het gebouw dat wordt gesloopt (bungalows, zie 3.1) dient nader onderzocht te worden op de aanwezigheid van gebouw bewonende vogels en met name huismussen.

Vleermuizen 
Effectenbeoordeling 

Gebouwen 

Het gebouw dat wordt gesloopt (bungalows, zie 3.1) dient nader onderzocht te worden op de aanwezigheid van vleermuizen.

Vliegroutes / foerageergebied

Het gebied blijft geschikt als vliegroute/foerageergebied. Er komt geen verlichting langs de plas. Effecten op vleermuizen zijn hier uitgesloten.

Overige grondgebonden zoogdieren
Er zijn, naast de verwilderde konijnen en mollen, geen waarnemingen van grondgebonden zoogdieren. Er is ook geen geschikt habitat aanwezig. Effecten op zoogdieren zijn uitgesloten.

Reptielen, amfibieën en vissen
Voor met name de Ringslang zou de plas interessant kunnen zijn. De hoeveelheid vegetatie in de plas is echter gering. Doordat er verder met de plas niets gebeurt zijn effecten uitgesloten. De hoge visstand in de plas voorkomt dat amfibieënlarven veel kans tot overleven hebben in de plas. De kans op deze soorten is dan ook klein. Doordat er verder met de plas ook niets gebeurt zijn effecten uitgesloten. Er zitten geen beschermde soorten in de plas. Wel een groot aantal onbeschermde soorten. Hierop wordt gevist, maar de vis wordt wel teruggezet in deze vijver. Door het ontbreken van beschermde soorten zijn effecten uitgesloten.

Vlinders, libellen en juffers
In de huidige staat is de plas van gering belang voor libellen, juffers en dagvlinders. Door het hogere gras is de situatie wel verbeterd ten opzichte van 2019. Het aantal waterplanten dat deels boven water komt is beperkt. Ook is er relatief weinig oeverbeplanting. Beschermde soorten zijn dan ook niet aangetroffen. Effecten zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat voor beschermde soorten in het gebied uitgesloten.

Vaatplanten 
In het gebied is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde soorten. Effecten op beschermde soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

Overige diersoorten
In het gebied zijn geen andere beschermde diersoorten aangetroffen.

5.4.4 Conclusie

De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Voor de sloop van het desbetreffende gebouw worden de noodzakelijke nadere onderzoeken naar vogels en vleermuizen uitgevoerd en wordt (wettelijk verplichte) invulling gegeven aan de uitkomsten van deze onderzoeken. Voorgenomen activiteiten leiden tot niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Vanuit het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling.

5.5 Geluid

5.5.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

5.5.2 Situatie plangebied

De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. De nieuwe groepsaccommodaties, de kantine met viswinkel en de lodges worden niet aangemerkt als geluidgevoelige objecten. De bestaande bedrijfswoning is reeds een geluidsgevoelige object. In artikel 76 van de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder vallen de bestaande geluidgevoelige objecten in het plangebied.

Aanvullend wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening opgemerkt dat, gelet op de afstand tussen de nieuwe groepsaccommodaties/lodges en de Ommerweg en de N48 (wegen met een wettelijke geluidszone) er ter plaatse van de nieuwe lodges en groepsaccommodaties sprake zal zijn van een aanvaardbaar leefklimaat aangezien naar verwachting (ruimschoots) kan worden voldaan aan voorkeurswaarde van 48 dB. Zie hiervoor afbeelding 5.2. De beoogde locatie van de groepsaccommodaties en lodges zijn weergegeven met blauwe pijlen (indicatief).

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0012.png"  
Afbeelding 5.2: Geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer (Bron: Atlas Leefomgeving)  

Het plangebied ligt daarnaast niet nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein of in de buurt van een spoorlijn, waardoor een nadere beschouwing van de aspecten 'industrielawaai' en 'railverkeerslawaai' achterwege kan blijven. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid wordt verwezen naar paragraaf 5.6 (milieuzonering).

5.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.6 Milieuzonering bedrijven

5.6.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

5.6.2 Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk”.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0013.png"  
5.6.3 Situatie plangebied
5.6.3.1 Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Onder andere woningen zijn milieugevoelige objecten. De VNG uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.6.3.2 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast.

In dit geval gaat het enerzijds om ontwikkelingen op het bestaande recreatieterrein en anderzijds uitbreiden van de recreatiebestemming. De ontwikkelingen binnen het bestaande recreatieterrein (en de bestaande recreatiebestemming) zijn reeds planologisch toegestaan (groepsaccommodatie) en ook al deels aanwezig. Ten aanzien van de uitbreiding van recreatiebestemming wordt voorzien in een nieuwe kantine met viswinkel ten behoeve van de visvoorzieningen. Verder zijn ter plaatse van de uitbreiding de lodges, de camperplaatsen en het parkeerterrein nieuw. Binnen de uitbreiding van de recreatiebestemming wordt ook de visvijver meegenomen. De kapschuur wordt uitsluitend gebruik voor opslag.

Een visvijver wordt niet genoemd in de VNG-lijst 'bedrijven en milieuzonering'. De functie die het meest in de buurt komt is een visteeltbedrijf. Beter is het nog om een vergelijking te maken met de functie 'recreatieterrein' aangezien de visvijver wordt aangelegd ten behoeve van de recreatie. Tevens zijn de lodges en dergelijke voorzieningen/functies ook vergelijkbaar met voorzieningen en functies die voorkomen binnen een recreatieterrein. Denk aan een campingwinkel of een terras. In dit geval wordt voor het volledige terrein daarom aangesloten bij de functie 'Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken'. Voor een dergelijke functie geldt op basis van het omgevingstype 'rustige woonwijk' een richtafstand van 50 meter voor het aspect 'geluid' en 30 meter voor het aspect 'geur'.

In dit geval zijn rondom het plangebied twee milieugevoelige objecten aanwezig. Het gaat om de burgerwoning aan de Hooiweg 2 en de voormalige bedrijfswoning aan de Ommerweg 57 (nu tijdelijk vergund als groepsaccommodatie).

Ommerweg 57
Ten aanzien van de Ommerweg 57 wordt opgemerkt dat dit gebouw reeds tijdelijk is vergund voor het gebruik als groepsaccommodatie. Tevens geldt ter plaatse van dit gebouw de bestemming 'Verblijfsrecreatieve doeleinden 2' (o.b.v. bestemmingsplan "Buitengebied De Wolden"). In theorie is het mogelijk dat deze woning in de toekomst weer wordt gebruik voor 'wonen', maar dat ligt niet in de lijn der verwachting vanwege milieutechnische belemmeringen. Ten aanzien van deze woning wordt bovendien opgemerkt dat er geen sprake is van het toevoegen c.q. realiseren van nieuwe functies of gebouwen op recreatiepark dichter op de woning dan dat nu al het geval is. De uitbreiding van het recreatieterrein vindt plaats in zuidelijke richting. Deze groepsaccommodatie vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tevens vindt er als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen verslechtering plaats ten aanzien van het woon- en leefklimaat.

Hooiweg 2
In dit geval gaat de bestemming 'Recreatie' grenzen aan de woonbestemming van Hooiweg 2. In beginsel wordt daarmee de richtafstand niet gehaald. In dit geval vinden er echter geen recreatieve activiteiten plaats op korte afstand van de woning. De meest belastende activiteiten vinden plaats ten noorden van dit woonperceel op een afstand van meer dan 50 meter. Dit geldt voor zowel de bestaande belastende activiteiten (restaurant, beautysalon, indoor speelvoorziening en de groepsaccommodaties/recreatiewoningen) als de nieuwe activiteiten/functies: kantine met viswinkel, de camperplaatsen en het parkeerterrein. De nieuwe lodges ten zuidoosten van deze woning liggen eveneens op een afstand van meer dan 50 meter. Ook de nieuwe schuur voor de opslag van onderhoudsmaterialen komt zo ver mogelijk van het woonperceel en in ieder geval op meer dan 50 meter afstand van de woning te staan. De ligging van de hiervoor genoemde functies en gebouwen wordt middels bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding vastgelegd. Opgemerkt wordt dat enkele vissteigers binnen 50 meter van het woonperceel aanwezig zijn. Dit zijn echter steigers die uitsluitend bedoeld zijn om op te vissen. Redelijkerwijs valt niet te verwachten dat het gebruik van de steigers voor vissen een milieubelasting kennen waarbij een afstand van 50 meter moet worden gewaarborgd. Deze activiteiten worden toegestaan binnen 50 meter van het woonperceel. Er kan dan ook gesteld worden dat er redelijkerwijs sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het woonperceel aan de Hooiweg 2. Omgekeerd vormt de woning geen belemmering voor dit in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Het vorenstaande wordt vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan.

Voor het parkeerterrein op het park geldt een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. In dit geval wordt een het parkeerterrein op meer dan 50 meter afstand van het woonperceel gerealiseerd. Hiermee is er sprake van een aanvaardbare situatie.

5.6.3.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving, en omgekeerd of omliggende bedrijven in bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden worden belemmerd. In dit geval zijn de nieuwe verblijfsfuncties in het plangebied aan te merken als nieuwe milieugevoelige objecten.

In de omgeving van het plangebied zijn drie agrarische bedrijven aanwezig. Concreet gaat het om grondgebonden bedrijfsvoeringen aan de Ommerweg 74 en Sjoert 6 te Zuidwolde en een manege aan de Nolderweg 1 te Zuidwolde. Voor veehouderijen en maneges geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven en paardenhouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.7 (geur) nader op ingegaan.

Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt een grootste richtafstand van 30 meter (aspect geluid). Hierna zijn de onderlinge afstanden (gemeten van de uiterste mogelijke situering van de (agrarische) bedrijfsgebouwen en de uiterste situering van de dichtstbijzijnde verblijfsfunctie in het plangebied) weergegeven:

  • Ommerweg 74: circa 180 meter;
  • Sjoert 6: circa 520 meter;
  • Nolderweg 1: circa 300 meter.

Geconcludeerd wordt dat in alle gevallen aan de richtafstand wordt voldaan. Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde nieuwe verblijfsfuncties (o.b.v. maximale planologische mogelijkheden). Omgekeerd worden omliggende agrarische bedrijven en manege niet in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden belemmerd.

5.6.4 Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7 Geur

5.7.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.


Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

5.7.1.1 Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).

Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.

5.7.2 Situatie plangebied

In voorliggend geval worden nieuwe geurgevoelige objecten toegevoegd, namelijk de nieuwe verblijfsfuncties (lodges en groepsaccommodaties). Zoals blijkt uit de paragraaf milieuzonering (5.6) bevinden zich in de omgeving enkele agrarische bedrijven.

Binnen het bouwperceel van De Ommerweg 74 en Sjoert 6 te Zuidwolde is uitsluitend een grondgebonden bedrijfsvoering toegestaan. Hiervoor geldt een vaste afstand van 50 meter. Deze afstand (circa 180 en 520 meter) wordt ruimschoots gehaald.

Binnen het bouwperceel De Nolderweg 1 is op basis van het huidige planologische regime een manege toegestaan. Voor een manege geldt eveneens een vaste afstand van 50 meter. De afstand tussen het agrarische bouwvak en de uiterste situering van de gevel van de dichtbijgelegen verblijfsfunctie in het plangebied bedraagt tenminste respectievelijk 300 meter.

Gezien deze afstanden wordt verwacht dat in ter plekke van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd wordt de agrarische bedrijven niet beperkt, omdat de afstanden worden gehaald en omdat er ook reeds aanwezige geurgevoelige functies (o.a. wonen) van derden dichter op deze veehouderijen zijn gelegen en hiermee maatgevend zijn voor de ontwikkelmogelijkheden van de veehouderij.

De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij. Agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering beperkt en zal er ter plaatse van het plangebied naar verwachting sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.7.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8 Besluit milieueffectrapportage

5.8.1 Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
    Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
    Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
    Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

5.8.2 Beoordeling
5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 11,3 kilometer van het plangebied. In paragraaf 5.4.2.1 en in Bijlage 9 wordt ingegaan op de effecten van het voornemen op Natura 2000-gebieden. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan.

In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.'

Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden:

  • 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
  • 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2  of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.-plicht is in dit geval geen sprake.

Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld, deze is opgenomen in Bijlage 10 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.

5.8.3 Conclusie

De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan MER noodzakelijk maakt.

5.9 Luchtkwaliteit

5.9.1 Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties)

opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.9.2 Onderzoek en conclusie

Gelet op de aard en omvang van voorliggend initiatief, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven kan worden gesteld dat voorliggend initiatief ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging.

Daarnaast wordt de in dit bestemmingsplan besloten functie niet aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.9.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt in voorliggend geval geen belemmering.

5.10 Externe veiligheid

5.10.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Op het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.10.2 Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de kaart weergegeven. Het plangebied is hierop indicatief weergegeven met de blauwe cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01_0014.png"  
Afbeelding 5.3: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)  

Ten oosten van loopt de provinciale weg N48. Hier vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 380 meter en daarmee buiten de risicocontouren. Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Geconcludeerd wordt dat het plaatsgebonden- en groepsrisico geen belemmering voor het voorgenomen plan vormt.

5.10.3 Conclusie

Gezien het vorenstaande kan worden geconcludeerd het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.11 Spuitvrije zone gewasbestrijdingsmiddelen

De gronden ten oosten van het recreatiepark Nolderwoud zijn in gebruik van een agrarisch bedrijf. Op deze percelen vindt open teelt plaats en worden gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Om gezondheidsrisico's te beperken en te voorkomen dat de agrarische bedrijfsvoering wordt belemmerd kunnen er geen nieuwe gevoelige functies gerealiseerd worden binnen een spuitvrije zone van 50 meter tot de naastgelegen percelen die in agrarisch gebruik zijn.


Hiertoe is in de algemene aanduidingsregels opgenomen dat geen gevoelige functies mogen worden gerealiseerd binnen de spuitvrije zone. Binnen de spuitvrijezone van 50 meter zijn enkele parkeerplaatsen en een kapschuur geprojecteerd. Een parkeerterrein is echter geen gebied waarbij sprake is van langdurig menselijk verblijf. De kapschuur staat in het inrichtingsplan aangemerkt als schuur voor machines en materialen en afwijkend gebruik is niet toegestaan. Net als bij de parkeerplaatsen is geen sprake van langdurig verblijf. Hierdoor wordt een dergelijk gebruik niet beschouwd als driftgevoelig.

Er is een afwijkingsbepaling opgenomen in verband met de mogelijkheid dat in de toekomst de spuitvrije zone verkleind kan worden. Hieraan is de voorwaarde verbonden dat de agrarische bedrijfsvoering niet mag worden belemmerd en dat het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of het verblijfsklimaat van de voor gewasbestrijdingsmiddelen gevoelige functies.

5.12 Verkeer en parkeren

5.12.1 Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Hierbij is aansluiting gezocht bij de landelijke parkeercijfers op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)' van het CROW. Wat betreft de functies wordt aansluiting gezocht bij de functies zoals genoemd in deze CROW-publicatie. De CROW-publicatie is in 2018 geactualiseerd. Bij de cijfers uit de actuele CROW-publicatie is aansluiting gezocht.

Mate van stedelijkheid

De stedelijkheidsgraad van een gebied is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en daarmee ook van invloed op de behoefte aan parkeerplaatsen. Naarmate een gebied een lagere stedelijkheidsgraad heeft, neemt het aanbod en de kwaliteit van alternatieven voor de auto (fietsen, lopen, openbaar vervoer) af en neemt de behoefte aan parkeerplaatsen toe. In de CROW-parkeerkencijfers wordt daarom onderscheid gemaakt tussen 5 verschillende stedelijkheidsgraden (niet stedelijk, weinig stedelijk, matig stedelijk, sterk stedelijk en zeer sterk stedelijk). De mate van stedelijkheid is gebaseerd op de omgevingadressendichtheid (oad) van het CBS. De oad wordt uitgedrukt in het aantal adressen per vierkante kilometer.

Uit een studie van het CROW blijkt dat het benodigde aantal parkeerplaatsen wordt bepaald door de locatie en het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerwijzen. Functies in centra hebben een lagere parkeervraag dan functies van dezelfde aard elders in de bebouwde kom. Dit komt door het verschil in aanbod en kwaliteit van alternatieve vervoerwijzen, zoals openbaar vervoer, maar ook de mate van dubbelgebruik van parkeergelegenheden. Zo ligt het autobezit in grote centra lager dan in de overloopgebieden en de rest van de bebouwde kom. Dit is voor het CROW aanleiding geweest om voor de parkeerkencijfers onderscheid te maken naar:

  • centrum;
  • schil/overloopgebied;
  • rest bebouwde kom;
  • buiten bebouwde kom.

In dit geval ligt het plangebied in het buitengebied. De stedelijkheidsgraad voor de gemeente De Wolden is 'niet stedelijk' (Bron: CBS Statline).

5.12.2 Situatie plangebied
5.12.2.1 Algemeen

Allereerst wordt gesteld dat uitsluitend de realisatie van de nieuwe gebouwen en functies wordt voorzien in een extra zelfstandige parkeerbehoefte of een toename van de verkeersgeneratie. In dit geval worden de volgende functies (waarvoor een parkeerbehoefte/verkeersgeneratie geldt) toegevoegd:

  • 12 lodges;
  • 2 groepsaccommodaties;
  • Viswinkel;
  • Verder dient de parkeerbehoefte als gevolg van de dagvissers (alsmede de ondergeschikte kantine) te worden betrokken in dit bestemmingsplan. Dit gebruik wordt immers eveneens toegestaan middels dit bestemmingsplan. De kantine is ondergeschikt aan de visactiviteiten.

Vier bungalows worden gesloopt. Voor de overige functies en gebouwen in plangebied wijzigt er niets. Het gaat om het restaurant, de indoor speelvoorziening, de bestaande recreatiewoningen en groepsaccommodaties, de bedrijfswoning en de beautysalon. De bestaande parkeerplaatsen aan weerszijden van de Ommerweg blijven gehandhaafd. Ten aanzien van de bedrijfswoning wordt opgemerkt dat er voldoende ruimte op het eigen terrein aanwezig is om die pareerbehoefte (afgerond 3 parkeerplaatsen) ter voorzien. Deze parkeerbehoefte van de recreatiewoningen wordt eveneens voorzien op het 'eigen terrein' van en rondom de recreatiewoningen. Er hoeft ten aanzien van de bedrijfs- en recreatiewoningen geen gebruik te worden gemaakt van de centrale parkeervoorziening in het park. Tenslotte wordt opgemerkt dat de vijf camperplaatsen worden toegevoegd. Camperplaatsen hebben naast een plaats voor de camper geen aparte parkeerbehoefte.

5.12.2.2 Parkeren

Ten aanzien van nieuw te realiseren lodges wordt uitgegaan van de functie 'Bungalowpark (huisjescomplex)'. Ten aanzien van de komst van dagvissers zijn geen concrete parkeernormen opgenomen in de publicatie van het CROW. Er is sprake van 24 steigers, waardoor er wordt uitgegaan van 24 parkeerplaatsen (1 visser per dag per steiger). Dit houdt in dat iedere dag alle steigers bezet zijn. Dat is een uiterst scenario. Ten aanzien van deze nieuw te bouwen kantine met viswinkel ten behoeve van de visactiviteiten wordt uitgegaan dat de kantine in beginsel ondergeschikt is aan de visactiviteiten en op zich zelf geen parkeerbehoefte heeft. Deze kantine wordt immers gebruikt voor de vissers die al op het park zijn. Aanvullend wordt uitgegaan van 2 parkeerplaatsen voor het personeel in de kantine. Ten aanzien van de viswinkel wordt in dit geval wel afzonderlijk een parkeerbehoefte in beeld gebracht. Voor deze functie worden in de CROW-publicatie eveneens geen specifieke parkeercijfers genoemd. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van de cijfers van een vergelijkbare functie: een tuincentrum in het buitengebied (dit is dus inclusief personeel van de viswinkel). Deze functie komt ook vaak voor in het buitengebied en trekt gerichte bezoekers aan. Dat maakt het vergelijkbaar.

Voor een groepsaccomodatie zijn geen zelfstandige parkeernormen opgenomen in de publicatie van het CROW. Aangezien het gaat om groepsaccommodatie wordt uitgegaan dat van een parkeerbehoefte van circa 4 parkeerplaatsen zorgt, er vanuit gaande dat er gemiddeld 4 auto's per accommodatie aankomen. In dit geval worden 4 bungalows gesloopt om de 2 nieuwe groepsaccommodaties te realiseren (totaal 8 parkeerplaatsen). Voor een bungalow geldt op basis van de CROW een parkeernorm van 2,1 pp per huisje. Met het slopen van 4 bungalows en de bouw van 2 groepsaccommodaties blijft de parkeerbehoefte dan ook min of meer gelijk: 4 bungalows*2,1 = 8,4 pp. Hierna blijft de parkeerbehoefte als gevolg van de nieuwe groepsaccommodaties dan ook buiten beschouwing.

De toe te voegen functies/gebouwen resulteren in de volgende parkeerbehoefte:

Type   Aantal   Behoefte   Totaal  
Bungalowpark (huisjescomplex)   8 lodges   2,1 per huisje   16,8  
Visactiviteiten + personeel   -   24 + 2   26  
Viswinkel   250 m2   2,85 pp per 100 m2 bvo   7,1  
Totaal   49,9  

In totaal bedraagt de parkeerbehoefte als gevolg de realisatie van nieuwe functies en gebouwen afgerond 50 parkeerplaatsen. In dit geval worden 50 nieuwe parkeerplaatsen aangelegd op een nieuw aan te leggen algemeen parkeerterrein. In het zuiden van het plangebied wordt bij de lodges eveneens een parkeervoorziening met 8 parkeerplaatsen aangelegd. In totaal wordt er dus voorzien in 58 extra parkeerplaatsen. Dit is voldoende om enerzijds in de parkeerbehoefte van de nieuwe functies te voorzien en anderzijds om de bestaande parkeerdruk in het park te verlagen, aangezien in de praktijk de personen die de lodges huren primair komen vanwege de visactiviteiten. Er zit een zekere overlap in de berekening van parkeerbehoefte (worst-case benadering).

5.12.2.3 Verkeer

De extra verkeersgeneratie van deze ontwikkeling betreft enkel de verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe lodges, de nieuwe groepsaccommodaties en de visaccommodaties (lodges en onderschikte kantine). Op basis van de in 5.12.1 beschreven uitgangspunten geldt voor de lodges een verkeersgeneratie van 2,7 verkeersbewegingen per huisje. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie voor de 8 lodges 21,6 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De kantine is ondergeschikt aan het recreatiebedrijf en genereert geen verkeer op zichzelf. De viswinkel wel. Hierdoor wordt uitgegaan van de verkeersgeneratie behorende bij een tuincentrum, aangezien er geen concrete cijfers voor handen zijn: 35,1 verkeersbewegingen per 100 m2. De verkeersgeneratie van de nieuwe groepsaccommodaties wordt min of meer gelijk geschaald met die van de te slopen bungalows en wordt daarom niet meegenomen in de berekening van de extra verkeersgeneratie. De totale verkeersgeneratie als gevolg van de viswinkel bedraagt daarmee afgerond (35,1*2,5 =) 88 verkeersbewegingen per weekdagetmaal.

De totale extra verkeersgeneratie komt hiermee neer op afgerond 110 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Het verkeer wordt via Het Nolderwoud ontsloten op de Ommerweg. Zie hiervoor ook de inrichtingstekening in paragraaf 3.1.1 en Bijlage 3 bij deze toelichting.

De Hooiweg is namelijk een doorlopend zandpad van het Nolderwoud naar de Nolderweg. Vanaf Hooiweg 2, is er nog één woning gelegen aan dit zandpad, Hooiweg 1. Het verkeer naar en van de visvijver en de visaccommodaties zal via het Nolderwoud lopen om overlast voor Hooiweg 1 en het verdere zandpad te voorkomen. Hiervoor wordt wegbewijzering aangebracht en een goede routebeschrijving voor gegeven op de website.

Al het verkeer ten behoeve van de recreatieve functies bereikt en verlaat het park via de Ommerweg. Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen belemmeringen.

5.13 Duurzaamheid

De te realiseren nieuwe bebouwing zal voldoen aan de eisen van deze tijd ten aanzien van duurzaamheid. Daarnaast wordt rekening gehouden met de bestaande aanwezige landschappelijke kenmerken en blijven deze behouden en versterkt. Deze zullen in de toekomst nog aanwezig zijn. De voorgenomen ontwikkeling draagt dan ook bij aan de toekomstwaarde van het plangebied.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels.

6.2 Opzet van de regels

6.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. Dit bestemmingsplan is gebaseerd op de beheersverordening “Buitengebied”, rekening houdend met recente bestemmingsplannen elders binnen de gemeente De Wolden.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.
6.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 van de regels bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

• Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

• Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

6.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. In dit hoofdstuk en de daarin opgenomen artikelen 'Bos' en 'Recreatie' wordt een onderverdeling gemaakt in onder andere:

  • Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de toegestane activiteiten;
  • Bouwregels: eisen waar bebouwing aan moet voldoen (aantal hoofdgebouwen, bouwhoogte, etc.);
  • Afwijken van de gebruikt- en bouwregels: voorwaarden waaronder afgeweken mag worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.
  • Specifieke gebruiksregels: specifieke gebruiksregels en strijdig gebruik.

In paragraaf 6.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemmingen is gekozen.

6.2.4 Algemene regels

In Hoofdstuk 3 van de regels worden de algemene regels weergegeven. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Het hoofdstuk bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Anti-dubbeltelregel (Artikel 6): deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van bebouwing te voorkomen;
  • Algemene gebruiksregels (Artikel 7): dit artikel beschrijft welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan;
  • Algemene afwijkingsregels (Artikel 8): deze regels maken het mogelijk om op de beschreven punten af te wijken van de regels in het bestemmingsplan;
  • Algemene aanduidingsregels (Artikel 9): regels ten aanzien van de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - hydrologische beïnvloeding' die voor het hele plangebied geldt en Overige zone - spuitvrije zone die voor een gedeelte van het plangebied geldt;
  • Overige regels (Artikel 10): regels die aangeven hoe er met wettelijke regelingen en parkeernormen wordt omgegaan in het bestemmingsplan.
6.2.5 Overgangs- en slotregels

In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3 Verklaring van de bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

In dit geval in beginsel aangesloten bij de regels van de beheersverordening "Buitengebied".

Artikel 3 Bos

De bestemming 'Bos' is toegekend aan de gronden die in gebruik zijn als bos. Het gaat hoofdzakelijk om de gronden ten noorden en ten zuiden van het recreatiepark.

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor bosbouw, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van het bosgebied en met daaraan ondergeschikt het recreatief medegebruik en het educatief medegebruik.

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen geldt de regel dat op of in deze gronden geen gebouwen en geen overkappingen gebouwd mogen worden. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt de regel dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5 meter zal bedragen tenzij het een erfafscheiding betreft, dan mag de hoogte maximaal 2 meter bedragen.

Artikel 4 Recreatie

Aan de gronden van het recreatiepark in de bestemming 'Recreatie' toegekend. Het gaat hierbij om de zowel de gronden die op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied" reeds zijn voorzien van de bestemming 'Verblijfsrecreatie - 2' alsmede de gronden van en rondom de visvijver. Het volledige park wordt in deze bestemming betrokken.

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor één recreatiebedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'recreatie uitgesloten' geen recreatie is toegestaan behalve visrecreatie. Dit is op deze manier vastgelegd om de eventuele hinder van het park op het woonperceel Hooiweg 2 weg te nemen.

Op het park zijn groepsaccommodaties toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodaties'. Verder zijn de recreatieverblijven (niet zijnde lodges) uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijven' toegestaan. De lodges zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lodges'. De 10 camperplaatsen op het park zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperplaatsen'. De recreatievijver is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatievijver'.

Daarnaast zijn de gronden bestemd voor voorzieningen ten dienste van het recreatiebedrijf, waaronder sanitaire voorzieningen, ondergeschikte detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel', dienstverlening, sportvoorzieningen en recreatieve voorzieningen. Ook is horeca toegestaan in de vorm van een restaurant, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - restaurant'. Horeca is ook toegestaan in de vorm van een ondergeschikte kantine, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel'.

Ondegeschikt zijn tevens dagrecreatieve voorzieningen toegestaan. In het park worden ook parkeervoorzieningen toegestaan. Op bepaalde delen van het park is het niet mogelijk te parkeren om zo het parkeren te centreren. Dit is op de verbeelding en in de regels zo geregeld dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie uitgesloten - parkeren' geen parkeervoorzieningen zijn toegestaan.

Er is hoogstens één bedrijfswoning toegestaan op het park (ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'). Gebouwen en overkappingen zullen binnen een bouwvlak worden gebouwd. Gebouwen en overkappingen worden gebouwd in lijn met de beeldkwaliteit zoals deze is bedoeld in het Beeldkwaliteitsplan in Bijlage 4.

De bouwregels zijn gespecificeerd voor de groepsaccommodaties, de bestaande recreatieverblijven, de nieuwe lodges en de voorzieningen ten dienste van het recreatiepark. Dit zijn bijvoorbeeld de horeca, de beautysalon, recreatieve voorzieningen zoals de overdekte speelvoorziening en de kantine met viswinkel. Middels aanduidingen op de verbeelding is het aantal toegestane recreatieverblijven, de lodges en groepsaccommodaties nader gespecificeerd.

Het aantal bijgebouwen bij de recreatiewoningen mag ten hoogste één bedragen. Bij de lodges zijn geen bijgebouwen toegestaan.

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel' geldt dat het oppervlak ten behoeve van horeca in de vorm van een kantine hoogstens 200 m 2 mag bedragen. De verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van detailhandel in visproducten en daarmee vergelijkbare producten bedraagt hoogstens 250 m 2. Ter plaatse van de aanduiding 'opslag' mag de oppervlakte van gebouwen ten hoogste 100 m² bedragen.

Verder gelden afwijkingsregels, is strijdig gebruik aangegeven en geldt een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing. Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik van gronden voor nieuwe recreatieverblijven en groepsaccommodaties (anders dan verbouw van bestaande recreatieverblijven) anders dan met een centrale bedrijfsmatige exploitatie.

Er is een voorwaardelijke bepaling opgenomen ten behoeve van het realiseren en in stand houden van de landschappelijke inpassing.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede voor het behoud en herstel van de archeologische waarden.

9.2 Overige zone - spuitvrije zone

Voor de als Overige zone - spuitvrije zone aangeduide gronden geldt de specifieke gebruiksregel dat voor gewasbestrijdingsmiddelen gevoelige functies niet zijn toegestaan. In de regels is een afwijkingsbepaling opgenomen voor het geval dat de beschermingszone in verband met jurisprudentie of nieuwe regelgeving verkleind wordt en deze functies wel kunnen worden toegestaan.

Hoofdstuk 7 Handhaving

7.1 Algemeen

Het bestemmingsplan wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het plangebied. Aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen regels worden voorgenomen activiteiten (activiteiten en gebruik van gronden) getoetst. Als blijkt dat in afwijking van de regels activiteiten plaatsvinden, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen.

7.2 Kadernota

De gemeenteraad van De Wolden heeft op 22 december 2022 de Kadernota veiligheid, toezicht en handhaving vastgesteld. De afgelopen jaren is er veel veranderd en de komende jaren gaat er nog veel veranderen. Er vindt een verschuiving plaats van vergunningplicht naar steeds meer algemene regels in het omgevingsrecht. Gevolg hiervan is dat er meer nadruk komt te liggen op de uitvoering van de handhaving.

7.3 Vitale vakantieparken

Ten aanzien van het deel Handhaving & Toezicht binnen het programma Vitale Vakantieparken is in 2022 een inhaalslag ingezet. We zetten daarbij in op het afhandelen van vigerende handhavingsverzoeken, bijv. inzake permanente bewoning en oneigenlijk gebruik van recreatiewoningen, bijvoorbeeld voor het huisvesten van arbeidsmigranten. We proberen nieuwe handhavingsverzoeken te voorkomen, door betere communicatie met parken en omwonenden. Daarnaast zetten we in op handhaving en toezicht op vakantieparken. Ook is een belangrijk onderdeel het toezicht op correct ruimtelijk gebruik op vakantieparken, waarbij parken in transformatie onze speciale aandacht hebben. We controleren op vergunningen en de kwaliteit van uitgevoerde werkzaamheden. Hierbij zoeken we de samenwerking met (verenigingen van) eigenaren van parken.

7.4 Stappenplan recreatiepark Nolderwoud

Voor Nolderwoud geldt dat op een aantal accommodaties permanent wordt gewoond. De permanente bewoning is en wordt in het bestemmingplan niet toegestaan. Voor 6 adressen op het Nolderwoud is een last onder dwangsom opgelegd (fase 1 gefaseerde handhaving) om per 1 februari 2025 het huisjes weer recreatief te (laten) gebruiken. Een aantal huisjes zijn daarop in de verkoop gegaan. Ook hebben wij berichten gehad dat bewoners zouden zijn verhuisd/van plan zijn te verhuizen. Voor zover ons bekend wordt er door permanente bewoners/eigenaren actief actie ondernomen om de overtreding te beëindigen. In twee gevallen staat nog een bezwaarzitting open. In 1 geval wordt nog onderzocht of daar een handhavingstraject moet worden opgestart (fase 2 gefaseerde handhaving).

We houden dit in de gaten. Na 1 februari 2025 zal een hercontrole worden uitgevoerd of aan de last onder dwangsom is voldaan. Afhankelijk daarvan zullen vervolgstappen worden ondernomen.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

8.1 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1.1 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

Het bestemmingsplan is opgesteld op verzoek en voor rekening van initiatiefnemer. Ten behoeve van het het toekomstbestendig maken van het recreatiepark is een ontwikkelplan opgesteld (zie Bijlage 1 en Bijlage 2), de kosten voor het toekomstbestendig maken van het recreatiepark komen voor rekening van initiatiefnemer. Ook de eventuele planschadekosten voortvloeiende uit de aanpassing van het bestemmingsplan komen voor rekening van initiatiefnemer. Hiertoe is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Naast het kostenverhaal bevat de anterieure overeenkomst bepalingen over de fasering. Dit brengt met zich mee dat op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig is en wordt het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar geacht.

8.1.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Het bestemmingsplan is in het kader van het wettelijke verplichte vooroverleg (artikel 3.1.1. Bro) voorgelegd aan het waterschap Drents Overijsselse Delta, de provincie Drenthe, de Veiligheidsregio Drenthe, het Drentse Landschap en de Natuur- en milieufederatie. De resultaten hiervan zijn verwerkt in de vooroverlegnotitie (zie Bijlage 11). Naar aanleiding van het vooroverleg zijn verwijzingen in de toelichting naar het Ontwikkelplan Het Nolderwoud te Zuidwolde toegevoegd en is het ontwikkelplan als bijlage bij de toelichting opgenomen. Daarnaast is een landschapsvenster toegevoegd aan het ontwerp van het recreatiepark en is het bouwvlak van de kantine/ viswinkel iets naar het westen verplaatst. Verder is de waterparagraaf aangevuld.

Participatie

Initiatiefnemer heeft de gebruikers van de recreatiewoningen en de omwonenden voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerpplan geïnformeerd. Daarnaast is op 20 juni 2023 een bijeenkomst met omwonenden georganiseerd. De avond is gemoedelijk verlopen en de sfeer van de omwonenden is positief te noemen. Het verslag van de informatieavond treft u aan in Bijlage 12.

Ontwerp

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024 ter inzage gelegen. Hierop zijn 3 zienswijzen ingediend. De ingediende zienswijzen zijn in Bijlage 13 Nota zienswijzen bestemmingsplan Buitengebied, deelplan Nolderwoud puntsgewijs samengevat en voorzien van beantwoording. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn de verbeelding en regels aangepast. De verbeelding is aangepast door het bouwblok ten behoeve van de kantine/webwinkel in westelijke richting te verplaatsen, de camperplaatsen zijn in westelijke richting verplaatst en daarbij is het bouwblok ten behoeve van het realiseren van 4 lodges komen te vervallen. Verder is de aanduiding ten behoeve van het parkeerterrein aangepast en de gebiedsaanduiding spuitvrije zone opgenomen. De regels zijn aangepast door 10 i.p.v. 5 camperplaatsen toe te staan en de aanduidingsregels aangevuld ten behoeve van het behouden van een spuitvrije zone van de naastgelegen landbouwpercelen. Ten behoeve van de aanpassingen op het bestemmingsplan is een toelichting op het Ontwikkelplan toegevoegd en de inrichtingstekening en het landschappelijke inpassingsplan en beeldkwaliteitplan aangepast. Verder is de waterparagraaf, paragraaf verkeer en parkeren en ecologieparagraaf aangepast en is de bijlage met het ecolgoische onderzoek vervangen. Tot slot is de toelichting in hoofdstuk 5 aangevuld met een paragraaf in verband met de spuitvrije zone van de naastgelegen landbouwpercelen.

Vaststellen

Het bestemmingsplan wordt vervolgens ter vaststelling aan de gemeenteraad aangeboden. Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld worden het vaststellingsbesluit en het bestemmingsplan met bijbehorende stukken gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep worden aangetekend bij de Raad van State.